Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: de dubbelganger

Dekolonisering

  

Onlangs was er in Gent een schandaal(tje) toen een tentoonstelling van Russische avant-gardekunst in het Museum voor Schone Kunsten bleek te bestaan uit (vermoedelijke) vervalsingen. Directrice Catherine De Zegher had zich naar eigen zeggen gebaseerd op het advies van experten, maar een krant beweerde dat ze loog en ze werd op non-actief gezet. Momenteel is er een onderzoek gaande door een gespecialiseerde (en ongetwijfeld peperdure) firma, allemaal op kosten van de belastingbetaler uiteraard. Deze kleine schandalen – wie ligt nu wakker van een vervalsing (of verspilling) meer of minder – verbergen evenwel een veel groter schandaal. Want wat deden die avant-gardistische schilderijen in het Museum voor Schone Kunsten? Ze hoorden thuis in het SMAK, het museum voor hedendaagse kunst. Dat begon zijn bestaan als een afdeling van het MSK, maar toen het – onder impuls van Jan Hoet – een eigen gebouw kreeg (aan de overkant van de straat) begon het prompt zijn moeder op te vreten. 

Sinds de hedendaagse kunst in Gent haar eigen museum heeft, worden er in het oude moedermuseum voortdurend tentoonstellingen van … hedendaagse kunst ingericht. Langzaam maar zeker wordt de ‘oude’ kunst in haar eigen museum in een hoekje gedrumd. De Russische avant-gardeschilderijen waren slechts een zoveelste aflevering van dat artistieke Game of Thrones. Dat er hoogstwaarschijnlijk fraude in het spel is, bewijst alleen maar dat alle middelen goed zijn om de oude kunst van haar troon te stoten. Lang zal het niet meer duren voor de oorspronkelijke situatie helemaal omgekeerd is en de oude kunst in het MSK nog slechts een hoekje in beslag neemt, precies zoals de hedendaagse kunst dat destijds deed, toen Jan Hoet er het slachtoffer uithing. Die radicale omkering – een minderheid wordt meerderheid en een meerderheid wordt minderheid – komt met rasse schreden dichterbij, want de aanvallen op de oude kunst worden steeds heviger. 

Begin maart werd in de Brusselse KVS ‘Leven en Werken van Leopold II’ opgevoerd, een satirisch toneelstuk van Hugo Claus dat 15 jaar geleden al eens uit de oude doos werd gehaald en toen luid geprezen werd omwille van Claus’ scherpe kritiek op het Belgische kolonialisme. Ter situering: de Koninklijke Vlaamse Schouwburg is een theaterzaal die zich richt tot een kleine minderheid: de Vlamingen in Brussel. Ze wonen allemaal in de buurt van de Dansaertstraat, zoals de Congolezen in de Matongebuurt wonen. Een speciaal volkje, de Brusselse Vlamingen. Dat moet ook wel, want Brussel is een Franstalige, om niet te zeggen Vlaamsvijandige stad, hoewel ze in oorsprong zo Vlaams was als Broekzele maar kan zijn. De KVS is dan ook een schouwburg die inzet op multiculturaliteit en onderdrukte minderheden een podium wil bieden. Dat betekent echter geenszins dat het toneelstuk van Hugo Claus werd opgevoerd omdat het Vlaams is. Het werd opgevoerd omdat het de kolonisatie in het vizier neemt.

Dat staat altijd goed, moeten regisseur en directeur gedacht hebben. Maar dat was zonder de zwarte waard gerekend. Keniaans theatermaker Ogutu Moraya annuleerde zijn eigen voorstelling uit protest tegen de ‘koloniale beeldvorming’ in het toneelstuk van Hugo Claus. Critici en theaterrecensenten traden hem volmondig bij. Vijftien jaar geleden zongen ze nog de lof over dit stuk, maar nu trilden hun pennen van verontwaardiging. Het racisme, de blackfacing, de witheid van de acteurs, het feit dat er nog altijd geen Lumumba-plein is in Brussel: zo kon het echt niet langer. Regisseur Raven Ruell en directeur Michaël De Cock mochten er nog zo op wijzen dat het ging om satire en dat artistieke vrijheid heilig is, het mocht niet baten. Petra van Brabandt, links moraalfilosofe met feministische achtergrond, verwoordde de stemming als volgt: ‘Jullie kunnen dino’s worden of vervellen, uiteindelijk doet het er niet toe, dit is de laatste keer dat ik jullie in het centrum van mijn dramatische ontwikkeling plaats.’

Haar boodschap was duidelijk: de maat is vol. Het stuk van Claus was de druppel die de emmer deed overlopen. De Brusselse KVS mag in België dan wel koploper zijn qua multiculturaliteit en antikolonialisme – er staan meer zwarte acteurs op de planken dan blanke – het racisme is er niettemin zo erg dat het voor Petra Van Brabant definitief de deur dichtdoet. Wat ze dan wel vindt van schouwburgen die heel wat minder op de multiculturele barricaden staan, is niet bekend. Waarschijnlijk vindt ze er geen woorden voor. Toch is ze hoopvol gestemd: ‘MeToo, BlackLivesMatter en dekolonisering zijn niet meer te stoppen. Een nieuwe generatie is aan zet. Zij komen met de vaardigheden van intertekstualiteit en kruisrefereren, met radicaal diverse referentiekaders en met internationale maar lokaal verankerde netwerken van solidariteit, zelfzorg en empowerment. Zij laten zich niet langer tot de Vlaamse vergelijkbaarheid beperken, waar witte mannen de regie, het script en de cast bepaalden.’ 

‘Wat politicologe Olivia Rutazibwa het einde van de witte wereld noemt is een feit.’ Zo vat ze de situatie samen. De KVS mag nóg zo multicultureel en politiek correct zijn, het blijft een ‘witte’ schouwburg en anno 2018 is dat onvergeeflijk. Pas als de blanken helemaal gedekoloniseerd zijn, zal Petra Van Brabandt rust vinden. Zolang ze nog de regie voeren en de directie uitmaken, zal ze haar heilige oorlog blijven voeren, de oorlog tegen de white supremacy. En die beperkt zich niet tot schouwburgen. Haar verontwaardiging geldt ook ‘de seksistische en racistische traditie van het witte, vrouwelijke naakt in de westerse olieverfschilderkunst’. Hoog tijd dat ook daar een eind aan komt. Het Gentse MSK weze gewaarschuwd: als Petra klaar is met de theaterwereld, begint ze aan de wereld van de beeldende kunsten. De toestand is daar niet minder wraakroepend. Hoeveel zwarten staan er op de schilderijen van de Europese kunst? Rubens heeft er een paar geschilderd, maar die heten ‘Negerkoppen’. Dat zegt genoeg. 

Nee, als het van Petra afhangt dan komt er een grote schoonmaak in de wereld van kunst en cultuur. En liever vandaag dan morgen. Het nieuwe slagwoord is: dekolonisering. Je hoort het tegenwoordig overal. Want Petra Van Brabandt is niet alleen. Ze maakt deel uit van de nieuwe generatie die nu aan zet is en die stormenderhand de witte wereld verovert. Alle (echte of vermeende) koloniale connotaties moeten verdwijnen: de negerkoppen van Rubens, de negerinnetetjes van de bakker, de Zwarte Piet van Sinterklaas, de strips van Kuifje, de boeken van Jef Geeraerts, enzovoort. Maar dekolonisering betekent veel meer dan dat. Het wil de Europese mens dwingen in de spiegel te kijken en zich bewust te worden van zijn diepgewortelde racisme, imperialisme en kolonialisme. Eeuwen van geweld, overheersing, slavernij en uitbuiting hebben niet alleen diepe sporen achtergelaten in alle aspecten van de Europese beschaving, ze hebben ook hun stempel gedrukt op het gedrag, de levensinstelling en het denken van de witte mens. 

Wit is dus niet zomaar een huidskleur. Het is een geheel van normen en waarden die superieur worden geacht. De Engelse wetenschapsjournaliste Angela Saini heeft aangetoond dat zelfs de wetenschap racistisch en sexistisch is. Dat kan natuurlijk geen verwondering baren want de moderne wetenschap is grotendeels het werk van witte mannen. Om een eind te maken aan die schrijnende ongelijkheid heeft de jonge generatie een ware revolutie op gang gebracht in het geestesleven. Ze wil niet alleen komaf maken met de alleenheerschappij van de witte kunst en cultuur, ze wil ook het grootste witte bastion naar beneden halen: de wetenschap. De universiteiten (te beginnen met de Amerikaanse) worden bestormd door Social Justice Warriors die ieder spoor van racisme, sexisme en discriminatie willen uitroeien. Ze eisen een veilige universiteit en genderneutraal, multicultureel onderwijs. De wetenschap willen ze verlossen van de witte waan de waarheid in pacht te hebben. 

De opvatting dat er zoiets bestaat als een objectieve waarheid, is natuurlijk het toppunt van witte arrogantie. Hoogleraar genderstudies Gloria Wekker verklaart dan ook onomwonden dat ze ‘niet van de objectiviteit is’. Volgens haar is objectiviteit niets anders dan een schaamlapje voor de machtsposities die mannen innemen. En hier komt de aap uit de multiculturele mouw. De aanval die de Social Justice Warriors hebben ingezet, is een aanval op de grootste verworvenheid van de Europese beschaving: het concept waarheid, de opvatting (of ervaring) dat er objectieve geest leeft in het subjectieve individu. Antroposofen spreken in dat verband over de bewustzijnsziel. Schrijver Hafid Bouazza formuleert het anders. Hij associeert het kennen – of geloven in het bestaan – van de waarheid met het hebben van een gezicht. Volgens hem weten zijn Marokkaanse landgenoten niet wat waarheid is. Ze dragen een leugenmasker omdat ze geen gezicht hebben. En ‘gezicht’ gebruikt hij hier als metafoor voor het individuele ik van de mens.

Als inwijkeling ziet Hafid Bouazza heel duidelijk wat de kern van de Europese beschaving is: het menselijke ik als waarnemingsorgaan van de waarheid. Dat individuele ik is natuurlijk niet denkbaar zonder Christus, het wezen van de waarheid dat de mensheid bevruchtte met zijn Ik. Dat Ik-wezen werd ‘gezaaid’ in het Midden-Oosten maar nadien overgeplant in de Europese bodem. Daar ontwikkelde het zich vanuit twee verschillende richtingen: vanuit de wil tot individualisering en vanuit de wil tot objectivering. Pendelend tussen deze twee polen – de luciferisch-subjectieve en de ahrimaans-objectieve – ontwikkelde Europa zich tot de toonaangevende beschaving van onze tijd, een beschaving die zich vervolgens – via de kolonisten – verspreidde over de hele wereld. Overal waar deze emigranten kwamen ploegden ze erop los, rukten het onkruid uit en plantten de ‘gewassen’ van de Europese beschaving. Dat is de wandaad waarvoor de ‘witte mens’ vandaag ter verantwoording wordt geroepen. 

Er kan geen twijfel over bestaan: de Europese kolonisten waren zelfzuchtig en traden hardhandig op tegen de plaatselijke bevolkingen en culturen. Maar er kan evenmin twijfel over bestaan dat ze de wereld kennis lieten maken met de Europese beschaving en haar waarheidsgeest. Het feit dat deze twee kanten van de koloniseringsmedaille niet onderscheiden worden, leidt tot een regelrechte omkering. Steeds talrijker zijn de Afrikaanse intellectuelen die Europa in zuiver koloniale stijl komen ‘heropvoeden’, steen en been klagend over de domheid van de plaatselijke bevolking die maar niet begrijpt hoe bekrompen en racistisch ze wel is. Geen moment komt het in deze neo-kolonialisten op dat ze precies hetzelfde doen als waar ze de ‘witte mens’ van beschuldigen. Geen moment ook komt het in hen op dat ze zonder kolonisering nog altijd halfnaakt in de Afrikaanse brousse zouden rondlopen in plaats van te doceren aan Europese en andere ‘witte’ universiteiten. 

Wat bezielt deze Afrikanen om zich te keren tegen de Europese beschaving waaraan ze zoveel te danken hebben? Het antwoord ligt voor de hand: hetzelfde wat ook de Europeaan bezielt. Ze worden geïnfecteerd door diens afschuw voor de dubbelganger, het afschrikwekkende wezen dat opdoemt bij het overschrijden van de drempel naar de geestelijke wereld. Daar ligt de oorzaak van de hele dekoloniseringsbeweging: in de onbewuste drempeloverschrijding, in de louter wilsmatige ontmoeting met de schaduwzijde is van het ik. De mens had zich nooit kunnen ontwikkelen tot een zelfstandig wezen zonder de wereld geweld aan te doen. Zijn individualisering houdt een verzet in tegen de geest, tegen de natuur, tegen anderen. Voor die omgang met het kwaad krijgt hij nu de rekening gepresenteerd in de vorm van de dubbelganger. En dat is geen straf maar een kosmische wetmatigheid: de mens kan de drempel van de geest niet overschrijden zonder zijn schulden te betalen. 

Dat laatste kan op twee manieren: vrijwillig en onvrijwillig. In het eerste geval erkent hij de dubbelganger als een deel van zichzelf en probeert hem te integreren. Dat vergt inzicht en overleg want de dubbelganger is als een wild dier dat getemd moet worden. In het andere geval stoot hij de dubbelganger (innerlijk) instinctief van zich af en bestrijdt hem (uiterlijk) in dingen en mensen waarop hij hem zonder het te weten projecteert. Dit gevecht tegen windmolens leidt tot de omkering die vandaag op grote schaal plaatsvindt: in plaats dat de mens zijn dubbelganger stap voor stap onder controle krijgt, raakt hij steeds meer in diens greep. In plaats dat hij zijn ik-bewustzijn verder ontwikkelt, verliest hij het en valt terug in oude vormen van groepsbewustzijn. Hij voelt zich verantwoordelijk voor de schaduwzijden van de kolonisatie omdat hij tot het blanke ras behoort. En Afrikanen voelen zich op hun beurt gerechtvaardigd daar gebruik van te maken omdat ze tot het zwarte ras behoren. 

We worden vandaag gekoloniseerd door onze dubbelganger. Hij maakt gebruik van zwarten, moslims, holebi’s, vrouwen en andere ‘onderdrukte minderheden’ die hij ‘hun rechten wil teruggeven’. In werkelijkheid heeft hij het gemunt op het menselijk ik, dat hij in zijn bezit wil krijgen en tot zijn werktuig maken. Daartoe verkondigt hij de theorie dat er pas vrede op aarde kan komen als alle rassen, volkeren en geslachten als gelijken worden behandeld. Deze ‘vredesboodschap’ combineert het (christelijke) streven naar gelijkheid en eenheid met het (ahrimaanse) afwijzen van de geest: niet de mens als individu moet gelijkberechtigd worden, maar de mens als lichaam. Het is de materialistische versie van de christelijke boodschap en waar dat in de praktijk toe leidt, zien we nergens beter dan in de kunstwereld. De barbaarse kunstvorm die daar honderd jaar geleden opdook en zich profileerde als een onderdrukte minderheid werd dankzij die politiek binnen de kortste keren een onderdrukkende meerderheid.

Als een koekoeksjong eiste de hedendaagse kunst een plaats in het artistieke nest, en toen ze die kreeg, begon ze meteen de oorspronkelijke kunst overboord te werpen. En net als in de natuur werd dat niet opgemerkt. De moderne mens heeft een monster grootgebracht en hij ziet het niet. Hij is blind voor het feit dat de dubbelganger de plaats van zijn ik heeft ingenomen, hij ziet geen verschil tussen beide. Deze morele blindheid maakt dat hij zich in toenemende mate identificeert met het monsterlijke wezen dat hem misbruikt, brutaliseert en uitlacht. Maar de machtshonger van de dubbelganger is nog lang niet gestild. Hij heeft de ‘oude’ kunst reeds verdreven uit het openbare leven, maar hij wil ze ook verdrijven uit het hart van de mens. Hij wil alle liefde die men nog voor deze kunst voelt, uitroeien en haar voorstellen als een historische fout, als een misdaad tegen de mensheid, een uitdrukking van het blanke racistische, discriminerende, sexistische waanbeeld van het ik.

De nieuwe generatie van Social Justice Warriors wil Grote Schoonmaak houden in onze theaterzalen en musea. De Europese kunst moet er plaats ruimen voor een echte, universele wereldkunst waarin alle rassen, volkeren, etnische groepen, geslachten en minderheden aan bod komen. Voor de oude, witte kunst zal nog een klein hoekje gereserveerd worden ter herinnering aan de culturele holocaust die ze veroorzaakt heeft. Want de afschuw voor alles wat uitgaat van het individuele ik van de mens moet levendig worden gehouden, ja het moet de nieuwe mensheidsreligie worden. En daarvoor moet ook de wetenschap worden aangepakt. Haar waarheidsstreven moet net als in de kunst (waar het zich als schoonheidsstreven manifesteerde) voor de bijl. Onmogelijk, denken we. Maar dat dachten we ook toen Marcel Duchamp zijn pispot tentoonstelde, and look what happened. Vijfenzeventig jaar geleden schreef C.S.Lewis zijn beroemde essay ‘De Afschaffing van de Mens’. Het is vandaag helaas actueler dan ooit. 

Advertenties

Antroposofie en karmabewustzijn (13)

   

Karmaonderzoek is de bewuste en vrijwillige versie van wat ieder mens op zijn oude dag onwillekeurig doet: terugkijken op zijn leven. Het is een hogere vorm van zelfonderzoek, aangezien ieder leven de uitdrukking is van een hoger Ik. Volgens Rudolf Steiner komt dat Ik van buitenaf op de mens toe. Wat van binnenuit werkt is het lager ik of ego, dat zich kenbaar maakt in wensen, begeerten en verlangens. Het leven waar dit lager ik van droomt, is zelden of nooit het leven dat het krijgt. Vaak is het zelfs het tegenovergestelde. Met name bij de moderne mens, wiens lager ik als gevolg van de talloze mogelijkheden die het leven hem biedt zeer begerig en verlangend is geworden, bestaat er een steeds dieper wordende kloof tussen het leven dat hij zich droomt en het leven dat hij werkelijk leidt. Dat laatste ervaart hij in toenemende mate als een mislukking, en omdat hij niet kan geloven dat die ‘mislukking’ het werk is van een hoger Ik, wordt de terugblik een pijnlijke zaak. 

Dat is de reden waarom gepensioneerden het vandaag zo druk hebben: ze willen niet omkijken naar hun leven, ze willen niet geconfronteerd worden met de pijnlijke kloof tussen droom en werkelijkheid, met alles wat niet heeft mogen zijn. Om dezelfde reden werpen steeds meer jonge mensen zich in het ‘activisme’: ook zij willen niet geconfronteerd worden met de tegenstelling tussen de wereld-zoals-hij-zou-moeten-zijn en de wereld-zoals-hij-is. De kloof tussen die twee werelden – de ideale en de reële – is zo groot geworden dat ze hun dromen waarschijnlijk nooit zullen kunnen realiseren. Beide generaties zitten dus in hetzelfde parket: ze zien geen toekomst meer en dat zwarte gat ontvluchten ze door koortsachtig actief te zijn. Bij de ouderen heeft dat ‘wilde willen’ een eerder egocentrisch karakter (ze willen er nog eens goed van profiteren), bij de jongeren heeft het een eerder exocentrisch karakter (ze willen de wereld verbeteren), maar in beide gevallen gaat het uit van hun lager ik.  

Dit ‘lagere’ willen brengt ouderen en jongeren met elkaar in botsing. Als de ouderen ‘er nog eens goed van willen profiteren’ dan moet de wereld blijven zoals hij is. Willen de jongeren opnieuw een toekomst hebben dan moet de wereld kost wat kost veranderen. Hoe meer de mens toegeeft aan zijn lagere driften, aan zijn zelfzuchtige ik, aan de-wereld-zoals-hij-zou-moeten-zijn, des te meer komen oud en jong tegenover elkaar te staan, des te meer worden ze elkaars vijanden. Was dat niet ook de oorzaak van de problemen die de antroposofische beweging na de dood van Rudolf Steiner uiteen deden spatten? Zolang hij nog leefde, kon hij de spanningen tussen de oudere en de jongere generatie in bedwang houden. Dat werd echter steeds moeilijker, en toen het Goetheanum afbrandde was hij de wanhoop nabij. De brand was weliswaar van buitenaf aangestoken, maar de diepere oorzaak ervan lag in de wrijvingen tussen de generaties, in de zelfzuchtigheid van hun streven.

De eerste generatie, die het Rudolf Steiner mogelijk maakte de antroposofie in de wereld te zetten, bestond uit gepensioneerden en gefortuneerde mensen. Ze hadden hun plaats in de wereld veroverd (of gekregen) en die plaats vormde de grond van hun bestaan. De jongere generatie, die na de eerste wereldoorlog aan de antroposofische deur klopte, had de grond onder haar voeten voelen verdwijnen. Op de slagvelden had ze kennisgemaakt met de keerzijde van de oude wereld en die (gespleten) wereld wilden de jongeren niet meer, ze wilden een nieuwe en betere wereld. Ook de ouderen zochten naar vernieuwing – anders hadden ze zich niet rond Rudolf Steiner geschaard – maar ze zochten die vernieuwing niet in een verandering van de wereld, maar in een verandering van bewustzijn. Hun leven had in het teken gestaan van het veroveren van (een plaats in) de materiële wereld, en de jaren die hen nog restten wilden ze besteden aan het veroveren van (een plaats in) de geestelijke wereld. 

Beide generaties kwamen in verzet tegen het leven zoals het was, maar ze deden dat op tegengestelde wijze. De ouderen hadden de neiging de materiële wereld te vergeten en zich enkel te concentreren op de geestelijke wereld, de jongeren hadden de neiging precies het omgekeerde te doen. Ze zagen in de geest een middel om de wereld te veranderen, terwijl de ‘gepensioneerden’ in hun materiële welstand een middel zagen om zich aan de geest te kunnen wijden. Allebei zochten ze die geest – in de hemel of op aarde – maar ze zochten hem op zelfzuchtige wijze, gedreven door de dromen en verlangens die in hun ziel leefden. Geen van beiden zocht de geest waar hij was: in het leven zoals dat van buitenaf op hen toekwam. En wat in de antroposofische vereniging van buitenaf op hen toekwam, was de andere generatie. De ouderen zagen hun hoger Ik verschijnen in de gedaante van de jongeren, en de jongeren zagen het op zich toekomen in de gedaante van de ouderen.

Dat konden ze toen echter niet weten, want Rudolf Steiner had nog niet gesproken over het antroposofische karma dat juist bestond in de ontmoeting tussen (zowel in letterlijke als in figuurlijke zin) oude en jonge zielen. Ze hadden dit karma-inzicht ook niet kunnen verteren. De oudere generatie – welgestelde dames en heren van stand – had onmogelijk de gedachte kunnen accepteren dat de ‘barbaarse’ jongeren die zo brutaal en zonder enig respect de antroposofische wereld waren komen binnenstampen, de representant waren van hun eigen hogere Ik. En omgekeerd hadden de jongeren, die zo’n diepe afkeer voelden voor de burgerlijke, bekrompen wereld van de ouderen, nooit kunnen aanvaarden dat die keurige aristocratische lieden, die nooit hadden moeten werken (laat staan vechten) om te overleven – en die in hun ogen dus niks van het werkelijke leven afwisten – hun eigen hogere Ik vertegenwoordigden. Nee, geen van beide generaties was daaraan toe. 

Sigmund Freud was in die tijd nog een nobele onbekende en het concept van het onderbewuste moest nog doordringen tot het algemene bewustzijn. Het kwam in de oudere generatie niet op om naar zichzelf te kijken en zich bewust te worden van de duistere keerzijde van hun burgerlijke en/of aristocratische geest. Het arbeidersvraagstuk en het opkomende socialisme lagen reeds als een tikkende tijdbom onder hun oude wereld, maar de scheiding der standen hield dat veilig voor hen verborgen. Voor de jongeren lag de confrontatie met zichzelf zo mogelijk nog moeilijker. Niet alleen waren ze nog veel te jong om al aan zelfreflectie te doen – hun natuurlijke dadendrang zou erdoor verlamd zijn geworden – maar het zou hen ook geconfronteerd hebben met de vreselijke wonde die de oorlog in hun ziel had geslagen. Die gapende kloof konden ze met de beste wil van de wereld niet onder ogen zien. Trouwens, veel van hun dadendrang hadden ze juist te danken aan de angst waarmee dit ‘zwarte gat’ hen vervulde. 

Vandaag zijn we honderd jaar verder en liggen de zaken heel anders. We kunnen onszelf niet meer ontvluchten, het leven dwingt ons in de spiegel te kijken. Het wordt steeds moeilijker om te (over)leven zonder de hulp van psychologen, psychiaters, therapeuten en andere zielzorgers. Deze zelfreflectie – een begin van karmaonderzoek – negeert weliswaar de geestelijke dimensie van het hogere Ik, maar ze is toch een grote stap vooruit. Jonge mensen spreken vandaag veel vrijer over hun (uiterlijke en innerlijke) leven dan hun ouders, terwijl het voor hun grootouders vaak nog taboe is. Juist dat grote verschil doet ons beseffen dat karmabewustzijn in de tijd van Rudolf Steiner nog niet tot de mogelijkheden behoorde. Als het ons al zo moeilijk valt het antroposofische karma onder ogen te zien, hoe zou de vooroorlogse generatie daar ooit toe in staat zijn geweest! Nee, ze moest eerst de antroposofie leren kennen voor er zelfs maar aan karmabewustzijn kon gedacht worden. 

De Weihnachtstagung was dan ook een enorme stap. Tot dan toe hadden de antroposofen hun aandacht naar buiten gericht – ook hun aandacht voor de geest was op ‘het andere’ gericht – en nu moesten ze hem opeens ook naar binnen richten, op het eigen zelf. Het was de stap van het oude dualistische bewustzijn naar het nieuwe karmabewustzijn. In het eerste beleeft de mens zichzelf als een duidelijk afgebakende eenheid, een binnenwereld die afgesloten is van de buitenwereld. In het tweede beleeft hij zich als een dubbel wezen dat zowel binnen leeft (het lagere ik) als buiten (het hogere Ik). De grens die het dualistische bewustzijn tussen mens en wereld trekt, en die de werkelijkheid in twee deelt, trekt het karmabewustzijn – dat slechts één werkelijkheid erkent – in de mens zelf. De dualistische mens is ‘een mens uit één stuk’: hij stelt zichzelf niet in vraag en ontleent daaraan de kracht om de buitenwereld te veroveren. De ‘karmische’ mens daarentegen wordt geconfronteerd met de gespletenheid van zijn eigen wezen, en raakt daardoor van slag. 

We herkennen deze overgang in Parsifal die de graalburcht betreedt – beeld van een binnenwereld die tegelijk buitenwereld is – en daar geconfronteerd wordt met zijn eigen gespleten wezen. Hij herkent zichzelf echter niet in de gewonde Visserkoning, want hij beleeft zichzelf nog als een (koninklijk) wezen uit één stuk, een heldhaftige ridder die de buitenwereld stormenderhand verovert en zichzelf niet in vraag stelt. Door dit onvermogen om in zijn heersersnatuur de gekwetste, lijdende mens te zien, kan hij niet in de graalburcht blijven en moet hij opnieuw de oude, dualistische wereld in. Maar er is iets veranderd, het beeld van de tegenstelling tussen de zwaargewonde Visserkoning (zijn lagere ik) en de verheven graal (zijn hogere Ik) laat hem niet meer los. De oude strijd met de buitenwereld wordt steeds meer een strijd met zichzelf. Het zwaartepunt verschuift langzaam van zijn (onoverwinnelijke) lagere ik naar zijn (deemoedige) hogere Ik.  

De antroposofie was de graalburcht waarin Rudolf Steiner zijn leerlingen binnenleidde en waar ze geconfronteerd werden met hun eigen dualistische wezen. Maar ze waren nog niet in staat te begrijpen dat de kloof tussen de generaties een beeld was van de kloof die door hun eigen ziel liep. Zoals Parsifal zichzelf niet herkende in de gewonde Visserkoning, zo herkenden de antroposofen van het eerste uur zichzelf niet in de andere generatie. Ze slaagden er niet in de verlossende vraag te stellen naar de oorzaak van hun lijden: de tegenstelling tussen beide generaties, tussen beide zielengroepen. Die wonde konden ze nog niet onder ogen zien en in een onbewuste poging om hun ‘koninklijke zelf’ te vrijwaren stootten ze hun lager ik van zich af en projecteerden het op de andere generatie. Rudolf Steiner had hen tot aan de drempel van de geestelijke wereld gevoerd en daar ontmoetten ze hun dubbelganger. Maar ze herkenden hem niet en gingen met hem in de clinch.

Het was deze dubbelgangersstrijd die Rudolf Steiner tot wanhoop dreef. Na de brand van het Goetheanum speelde hij met de gedachte zich terug te trekken en de vechtende vereniging aan haar lot over te laten. In plaats daarvan deed hij het tegenovergestelde: tijdens de Weihnachtstagung verbond hij zich persoonlijk met de gepolariseerde vereniging. Hij werd voorzitter van de antroposofische vereniging en nam de verantwoordelijkheid op zich voor alles wat in die vereniging gebeurde, dus ook voor de strijd met de dubbelganger. Doordat hij als bliksemafleider fungeerde, kon er een nieuwe wind door de vereniging waaien, maar het kostte hem wel het leven. De dubbelgangers die de vereniging ten gronde hadden gericht, richtten nu Rudolf Steiner ten gronde. Wellicht had hij gehoopt dat zijn leerlingen zelf de confrontatie met hun dubbelganger zouden aangaan, zodat hij niet het volle gewicht van hun ‘zonden’ moest dragen. Maar ze schoten tekort, zoals ook Parsifal tekort was geschoten.

Onmiddellijk na Rudolf Steiners dood wierp de dubbelganger zich opnieuw op de vereniging en sleurde haar mee in een niets ontziende strijd. Die strijd had nu een geestelijker karakter gekregen. Hij ging niet zozeer tussen de oude en de jonge generatie, dan wel tussen de oude en de jonge zielen. De wonde die nu zichtbaar werd, was de ‘oerwonde’ van de mensheid. Rudolf Steiner had er tijdens zijn karmavoordrachten op gewezen omdat hij wist welke beproeving zijn leerlingen te wachten stond. Maar de weerstanden waren te groot, het oude dualistische bewustzijn nog te sterk. Toen de dubbelganger reuzengroot voor hen opdook, reageerden ze instinctief en trokken heldhaftig ten strijde tegen de draak. Het was echter een blinde strijd, ze zagen geen verschil tussen de dubbelganger van de vereniging en haar hogere Ik. Als gevolg daarvan bestreden ze niet de draak maar de vereniging. Ze sloegen het zwaard stuk dat ze van Rudolf Steiner gekregen hadden, het Michaëlszwaard van het hogere onderscheidingsvermogen.  

Vandaag heeft deze blinde dubbelgangersstrijd heeft zich over de hele wereld verspreid. De mensheid gaat over de drempel en overal staan heldhaftige ridders op die de draak te lijf gaan. Door hun gebrek aan onderscheidingsvermogen ontketenen ze echter een wereldwijde broederstrijd. Er bestaat voor de moderne mens dan ook geen dringender opgave dan het ontwikkelen van dit hogere onderscheidingsvermogen. De antroposofen hebben uit handen van Rudolf Steiner het Michaëlszwaard ontvangen en op hen rust de ‘heilige plicht’ dit zwaard te stalen, want het is nog bijzonder bros. Wie er de draak mee te lijf wil gaan, raakt onherroepelijk in de greep van zijn dubbelganger. De echte, michaëlische strijd ligt dan ook in de ontwikkeling van het karmabewustzijn, dat in eerste instantie het bewustzijn is van de wonde van de Visserkoning, de tegenstelling tussen het lagere en het hogere Ik. Met de Parsifalvraag naar die wonde begint het karmaonderzoek en worden we Michaëldienaars. 

Antroposofie en karmabewustzijn (9)

  

Een lezer vroeg me onlangs waarom ik het thema van oude en jonge zielen zo belangrijk vind. Ik zette mijn argumenten nog eens op een rijtje. Maar hij vond mijn antwoord te lang, het moest korter en bondiger. Daar moest ik wel even om glimlachen. Hoe vaak krijg je als antroposoof niet de vraag: antroposofie, wat is dat eigenlijk, leg dat eens uit in een paar woorden! Dat lukt natuurlijk niet, en nu vroeg een antroposoof mij exact hetzelfde in verband met het zielenthema! Maar ik begreep hem wel. Als je doordringt tot de essentie van iets, kun je die essentie ook kernachtig formuleren (wat nog niet wil zeggen dat die formulering ook begrepen wordt). Ik kon dat niet. Ik kon niet in een paar woorden zeggen waarom het zielenthema in mijn ogen zo belangrijk is. De kern van de zaak heb ik nog steeds niet te pakken. Maar ik blijf proberen. Eén ding is alvast zeker: ik heb iets met oude en jonge zielen, ik ben er karmisch mee verbonden. Anders (en bondiger) gezegd: ik heb het zielenthema niet gekozen, het zielenthema heeft mij gekozen. 

Ook nu weer. Ik was helemaal niet van plan om opnieuw een reeks beschouwingen aan het zielenthema te wijden. Waarom zou ik ook? Het brengt geen aarde aan de dijk. Maar toen las ik in de biografie van Ludwig Polzer-Höditz (een vuistdik boek dat een bevriend antroposoof me had aangeraden) een zinnetje dat mijn belangstelling weer deed opleven. Het was een uitspraak van Ita Wegman die zei dat de golven van haat die haar na Rudolf Steiners dood overspoelden (en die tot haar afzetting als lid van de Vorstand zouden leiden) niet tegen haar persoonlijk waren gericht maar tegen het karmabewustzijn. Dat trof me, want het betekende dat de krachten die het zielenthema – volgens Rudolf Steiner toch de basis van het karmaonderzoek – verhinderen wortel te schieten in het antroposofische bewustzijn, dezelfde zijn die in de jaren 30 van de vorige eeuw geleid hebben tot de meest beschamende bladzijde in de geschiedenis van de antroposofie (en niet van de antroposofie alleen). 

De muur waar ik steeds weer tegenaan bots bij mijn pogingen om antroposofen warm te maken voor het zielenthema, bestaat dus niet alleen uit onverschilligheid. Er is veel meer in het spel. Ik heb te maken met een tegenstander die blinde haat opwekt en waar zelfs vooraanstaande leerlingen van Rudolf Steiner niet tegen opgewassen waren. Het begint me langzaam te dagen waarom antroposofen met een grote boog om dit thema heenlopen, waarom ze het zelfs zover drijven dat ze zich tegen Rudolf Steiner keren. Karmabewustzijn maakt machtige demonen wakker. Dat had ik me nooit gerealiseerd. Het zielenthema leek me juist zo kinderlijk onschuldig: er bestaan twee soorten antroposofen, ze moeten elkaar leren kennen en ze moeten met elkaar leren samenwerken. Wat kon er eenvoudiger en vanzelfsprekender zijn! Het was een gemeenschappelijk uitgangspunt, een duidelijke richtlijn die voor iedereen gold. Daar kon ik iets mee! Maar blijkbaar dachten de tegenmachten precies hetzelfde …

Dat ene korte zinnetje in dat dikke boek over Ludwig Polzer deed het oude vuur weer oplaaien. Ik begon mezelf vragen te stellen. Waarom heeft het zielenthema mij ‘gekozen’? Waarom kiest het geen andere mensen uit? Wat is er tussen mij en dit thema? Waarom is het voor mij belangrijker dan andere antroposofische thema’s? Zeer persoonlijke vragen allemaal. Maar is het zielenthema niet juist een bovenpersoonlijk thema? Is het volgens Rudolf Steiner niet bedoeld voor alle antroposofen? Of heb ik dat verkeerd begrepen? Heeft mijn persoonlijke relatie met het onderwerp mij wellicht parten gespeeld en heb ik Steiners woorden ‘kreatief’ geïnterpreteerd zonder mij daarvan bewust te zijn? Maar geldt dat niet even goed voor antroposofen die dit thema zorgvuldig vermijden? Waarom zouden ook bij hen geen (onbewuste) persoonlijke motieven meespelen? Ik heb genoeg antroposofen gekend die ervan overtuigd waren zich te laten leiden door bovenpersoonlijke motieven, terwijl het in werkelijkheid omgekeerd was. 

Als er werkelijk zoiets als karma bestaat, dan wordt het leven van een mens bepaald door zaken waarvan hij zich totaal niet bewust is. En dat zijn zeer persoonlijke zaken, want geen twee levens zijn gelijk. Persoonlijker dan karma vind je niet. Je karma leren kennen is de hoogste vorm van zelfkennis, intiemer dan welke zelf-introspectie ook. En toch is dit uiterst persoonlijke karma onlosmakelijk verbonden met het uiterst persoonlijke karma van tal van andere mensen. Karma is een vereffening van oude relaties die gestalte krijgt in nieuwe relaties. Het veronderstelt een netwerk van relaties dat zich zowel in tijd als ruimte uitstrekt tot de hele mensheid, want via via is ieder mens verbonden met alle andere mensen op aarde. Dat maakt karma tot een duizelingwekkend gegeven. Het regelt niet alleen ieder afzonderlijk leven, het stemt al die afzonderlijke levens ook nog eens op elkaar af. Het is met andere woorden zowel persoonlijk als bovenpersoonlijk, en dat in de allerhoogste mate.

Voor de moderne mens, die zijn eigen leven niet eens op orde krijgt en ziet dat ook leiders, regeringen en overheden er een potje van maken, is het bestaan van een dergelijk wereldomspannend ordeningsprincipe volstrekt ongeloofwaardig. Daar zijn ze weer met hun God, denkt hij. Als die God werkelijk bestond, waarom laat hij de zaken dan zo in het honderd lopen! Waar de geërgerde materialist echter geen rekening mee houdt is zijn eigen vrije wil. Zonder die vrije wil zou God de zaken prima kunnen regelen, denk maar aan de natuur. Maar dat wil hij niet. Hij wil dat de mens een vrij wezen wordt en regelt de zaken daarom via het karma. Hij geeft de mens de kans om fouten maken en ze daarna te herstellen. Dat veronderstelt natuurlijk een afwisseling van leven en dood, want als de mens wist wat hem allemaal te wachten stond, zou hij zich nooit vrij kunnen voelen. Om vrijheid mogelijk te maken, is het noodzakelijk dat de mens (bij de geboorte) zijn levensplan ‘vergeet’.

Vroeger geloofde de mens rotsvast in God en onderwierp zich lijdzaam aan diens wil. Om vrij te kunnen worden, moest hij God echter ‘afschaffen’. Dat had tot gevolg dat zijn lijden opeens zinloos werd en daarom veel zwaarder om dragen. Tegen dat zinloze lijden revolteert de mens momenteel zo hevig. De zinloosheid kan hij niet opheffen en dus keert hij zich tegen het lijden zelf, met name tegen de bron van alle lijden: de dualiteit, de diepe kloof die het bestaan in twee deelt. Die wil hij uit de weg ruimen en hij gaat daar zeer ver in. Maar die dualiteit is tevens de grondslag van zijn vrijheid en dus keert hij zich (zonder het te beseffen) tegen zijn eigen vrijheid. Aangezien die vrijheid de zin is van zijn lijden, maakt hij zijn lijden nog zinlozer en ondraaglijker dan het al is en sluit hij zichzelf op in een vicieuze cirkel die hem – letterlijk – tot waanzin drijft. Het wordt met de dag duidelijker: de moderne mens die het recht opeist niet meer gekwetst te worden, verliest langzaam maar zeker zijn verstand.  

Terugkeren naar het oude Godsgeloof kan hij niet en wil hij niet, en dus is er maar één uitweg uit die zelfvernietigende vicieuze cirkel: karmabewustzijn. Zonder dat bewustzijn ervaart de mens zijn lot als iets wat hem van buitenaf wordt opgelegd, door God – of erger nog – door het toeval. Hij spant zich tot het uiterste in om de plaats van God en toeval in te nemen en zijn leven de richting uit te sturen die hij wil, maar hoe meer hij zich inspant, des te minder lukt het. Het gevecht tegen datgene wat hij niet wil, put hem uit en zijn wil begeeft het: hij wil niet meer, hij kan niet meer willen – het droeve lot van de hedendaagse mens. Wordt die uitgeputte, wanhopige mens zich echter bewust van zijn karma, dan begint hij te beseffen dat zijn ongewilde levenslot wel degelijk door hem gewild wordt. Het is niet zomaar een onpersoonlijke, willekeurige kooi waarin hij opgesloten wordt, het is een zeer persoonlijke constructie waar hij zelf voor gekozen heeft. In zijn bewustzijn beginnen het persoonlijke en het bovenpersoonlijke langzaam naar elkaar toe te groeien …

Deze geleidelijke toenadering van de tegenpolen geeft zijn leven een geheel nieuwe zin zonder dat hij beroep moet doen op een God die vanuit onbereikbare hoogten zijn wil oplegt aan de mens en daardoor zijn vrijheid geweld aandoet. De mens die zijn karma leert kennen, ontdekt dat de vrijheid in dat karma ingebakken zit, en wel op twee manieren. Enerzijds heeft hij dat karma (voor zijn geboorte) zelf gevormd, weliswaar met de hulp van (veel verstandiger) geestelijke wezens maar toch met eigen instemming. Anderzijds stelt karma-inzicht hem in staat om nieuw karma te vormen, karma dat later niet hersteld moet worden (omdat het reeds rekening houdt met het bovenpersoonlijke). De paradox is dat de acceptatie van oud karma de wil versterkt en de mens in staat stelt om steeds vrijer te worden. Het omgekeerde – het uitzichtloze gevecht tegen het eigen karma – maakt de mens steeds onvrijer. Geen wonder dat de tegenmachten al hun duivels ontbinden om de ontwikkeling van karmabewustzijn te verhinderen.

Beter dan wie ook weten ze hoe belangrijk dit karmabewustzijn is. Zolang ze het kunnen verhinderen, maakt de mens geen kans. Hij raakt dan steeds meer in hun greep. Begint hij zijn aandacht echter te richten op het karma, dan dreigen ze hun greep te verliezen en slaan ze alarm. Nergens wordt dat zo duidelijk als in de geschiedenis van de antroposofie. Het was Rudolf Steiners levensopdracht om de moderne mens tot karmabewustzijn te brengen, en vanaf het allereerste moment probeerden de tegenmachten dat te verhinderen. Het scheelde niet veel of het pasgeboren kind was doodgebloed. Daarna werd hij in het geboorteregister verkeerdelijk ingeschreven als Adolf Steiner, een wel zeer perfide streek. Toen hij Karl Julius Schröer ontmoette, werd hij ‘gedwongen’ om diens opgave – de ontwikkeling van de antroposofie – over te nemen. Daar moest hij zijn leven aan wijden en pogingen om het te combineren met karmaonderzoek stuitten op onoverkomelijke weerstanden, zowel uiterlijke als innerlijke. 

Toen Rudolf Steiner tijdens de Weihnachtstagung de levenstaak van Schröer afsloot en eindelijk kon beginnen met zijn eigen taak, werd hij ‘als door een zwaardhouw’ getroffen. De tegenmachten wilden en zouden niet toestaan dat hij over karma zou spreken. In een uiterste krachtinspanning kon hij zijn leerlingen echter de basisprincipes van het karma meegeven, en dan vooral de eerste stap: het thema van de oude en de jonge zielen. Hij overwon in extremis de weerstanden waar hij zijn leven lang mee gevochten had, maar na zijn dood barstten ze in alle hevigheid los. Hoe antroposofen toen tekeer gingen tegen Ita Wegman valt alleen te verklaren door haar diepe (karmische) verbondenheid met de Weihnachtstagung en Rudolf Steiners eigen levensopgave. Reactionaire krachten wilden de stap van antroposofie naar karmabewustzijn ongedaan maken. Hoe ongemeen sterk ze waren – en nog altijd zijn – kan worden afgelezen aan het feit dat het zielenthema tot op de huidige dag niet is doorgedrongen tot het antroposofische bewustzijn. 

Wie aan de slag wil met dit elementaire karma-thema krijgt te maken met de dubbelganger van de antroposofie. Als een wachter staat hij aan de drempel van het karmabewustzijn, dat in wezen een geestelijk bewustzijn is, een bewustzijn zoals de mens het ontwikkelt na de dood, aan gene zijde van de drempel. Als antroposoof ben je (karmisch) niet alleen verbonden met het wezen ‘antroposofie’ maar ook met haar dubbelganger. Die dubbelganger is in feite de dekadent en kwaadaardig geworden geest van de oude mysteriën, die een scherpe grens trokken tussen het persoonlijke en het bovenpersoonlijke, het materiële en het geestelijke. Men kreeg alleen toegang tot de mysteriën van de geest wanneer men het eigen Ik aan de kant schoof. Rudolf Steiner heeft daar een eind aan gemaakt door tijdens de Weihnachtstagung de ‘nieuwe mysteriën’ in te stellen, die juist uitgingen van het eigen Ik en het persoonlijke en bovenpersoonlijke tot een onlosmakelijke eenheid smeedden. 

We beseffen nog nauwelijks de impact en draagwijdte van die overgang van oud naar nieuw. Rudolf Steiner was er de man niet naar om dat met veel bombarie te doen. Alles speelde zich af tijdens een van de jaarlijkse kerstbijeenkomsten, en aangezien het Goetheanum was afgebrand vond alles plaats in een schuur. Het was een veelzeggend beeld: de schitterende oude mysteriën waren op rituele wijze in vlammen opgegaan, de nieuwe leken veel eenvoudiger en onaanzienlijker. Ze waren echter op een geheel nieuwe wijze esoterisch: hun spirituele karakter moest ontdekt worden, het was alleen zichtbaar voor het hart. Daarom legde Rudolf Steiner de grondsteen nadrukkelijk ‘in de harten van de aanwezigen’, niet in hun hoofd, want dat was iets van de oude tijd. In de karmavoordrachten die hij daarna hield, legde hij er de nadruk op dat er op een geheel nieuwe manier met de antroposofische inhouden moest worden omgegaan. Dat gold heel in het bijzonder voor het zielenthema: dat kon alleen met het hart worden begrepen.

Zo heb ik het thema van oude en jonge zielen ook altijd ervaren: als een hartsaangelegenheid. Ik wist helemaal niet waarom het me zo aansprak, en eigenlijk weet ik het nog altijd niet. Maar het inzicht groeit. Langzaam begin ik met mijn hoofd te begrijpen wat ik met mijn hart reeds begrijp. Dat is geen vervanging van het ene weten door het andere, maar een samengroeien van hoofd en hart, in wederzijds respect maar wel onder leiding van het hart. Dat is de grote omkering die Rudolf Steiner tijdens de Weihnachtstagung doorvoerde: het hoofd stelt zich ten dienste van het hart. En hij voegde de daad bij het woord. Als hoofd van de (geestelijke) antroposofische beweging had hij altijd zorgvuldig afstand bewaard tot de (menselijke) antroposofische vereniging, maar nu stelde hij zich helemaal ten dienste van dit ‘hart’. Hij werd voorzitter van de vereniging, wat niet betekende dat hij haar ging leiden, maar dat hij de volledige verantwoordelijkheid op zich nam voor alles wat de leden deden (en niet deden). 

Heel wat antroposofen die erbij aanwezig waren, hebben de betekenis van de Weihnachtstagung met hun hart begrepen. Maar daarmee begrepen ze het nog niet met hun hoofd. Dat onbegrip – de kloof tussen hoofd en hart – heeft Rudolf Steiner het leven gekost. Maar dat wist hij. Hij kende de dubbelganger van de antroposofie maar al te goed. Toen hij zich verbond met de vereniging hing zijn lot af van de mate waarin zijn leerlingen in staat waren (via hun persoonlijke dubbelganger) de confrontatie met deze (bovenpersoonlijke) dubbelganger aan te gaan. Ze faalden deerlijk en Rudolf Steiner betaalde (vrijwillig) het gelag met zijn leven. Door deze offerdaad is de verbinding van hoofd en hart die hij belichaamde een geestelijk wezen geworden waarmee iedere antroposoof zich kan verbinden in de mate dat hij de confrontatie met zijn dubbelganger (en daarmee ook de dubbelganger van de antroposofie) aangaat. Dat is en blijft de opgave – het karma – van de antroposofische beweging. Hoe meer ze zich daar bewust van wordt, des te dichter zal ze de essentie van de antroposofische zaak kunnen benaderen.  

Antroposofie en karmabewustzijn (8)

  

Alle goede dingen bestaan uit drie. Geen antroposoof die het zal ontkennen, want de antroposofie is een tot in de details uitgewerkte driegelede wereldbeschouwing. Het kostte Rudolf Steiner naar eigen zeggen meer dan 30 jaar om die driegeleding op punt te stellen en hij kwam er voor het eerst mee naar buiten in 1917, op het moment dat Europa in twee werd gescheurd door de scherpste tegenstellingen. Met name de sociale driegeleding presenteerde hij als alternatief voor het (in zijn ogen verderfelijke) zelfbeschikkingsrecht der volkeren dat door de Amerikaanse president Woodrow Wilson als ideaal werd gepropageerd. Rudolf Steiner spande zich tot het uiterste in om de Midden-Europese leiders te overtuigen van zijn driegelede maatschappijmodel, maar ofschoon hij (via enkele leden van de antroposofische vereniging) toegang kreeg tot de hoogste regeringskringen, leverde dat niets op. De kloof tussen de sociale driegeleding en het Europese bewustzijn bleek al even groot als de kloof tussen de strijdende partijen.

Inmiddels zijn we honderd jaar verder en in wezen is er niets veranderd. Europa is nog altijd in een (voorlopig nog politieke) loopgravenoorlog verwikkeld en nog altijd gaat de strijd tussen links en rechts. Die interne verdeeldheid heeft Europa tot een Amerikaans wingewest gemaakt en van een Europese cultuur is geen sprake meer. Alleen de antroposofie komt daar nog voor in aanmerking, maar ze leidt een kwijnend bestaan. Ze is er niet in geslaagd de driegeleding ingang te doen vinden, noch in Europa noch in eigen gelederen. Er wordt in antroposofische kringen veel gedacht en er wordt ook hard gewerkt, maar tussen beide gebieden is nauwelijks contact. Een levendig middengebied waar denken en doen elkaar ontmoeten en bevruchten, is onbestaande. Verre van driegeleed te zijn, is de antroposofische beweging – net als de rest van de wereld – uitgesproken tweegeleed. Maar dat is niet haar grootste probleem, haar grootste probleem is dat ze het niet weet. Ze is zich niet bewust van haar eigen dualisme. 

Het roept een herinnering op. Ik zit in een aula van de Gentse universiteit en woon een van mijn allereerste antroposofische voordrachten bij. Ik heb me nog niet ‘bekeerd’, ik verken het terrein. De spreker is Mouringh Boeke, een vreemde snuiter die eruitziet als een kabouter, compleet met baard en pinnemuts. Vreemd is ook het onderwerp waarover hij spreekt: het gewaarborgd basisinkomen. Op dat moment weet ik nog niet dat Mouringh Boeke een van de leidende (of toch markante) figuren is van de driegeledingsbeweging. Met stijgende verbazing luister ik naar zijn uiteenzetting. Het is mijn eerste kennismaking met het in mijn oren utopisch klinkende idee van het basisinkomen. Na afloop van de voordracht doe ik iets wat ik anders nooit doe: ik steek mijn hand op. Meneer Boeke, vraag ik, mag ik u een persoonlijke vraag stellen? Gelooft u zelf dat dit mogelijk is? Het is een welgemeende vraag, maar hij reageert gepikeerd. Mogelijk, mogelijk, gromt hij, daar trek ik me niks van aan! Ik geloof in de zaak en dus zet ik me ervoor in!

Met dat kortaffe antwoord moet ik het doen. Maar het volstaat, het bevredigt me volkomen. De man heeft gelijk. Als iedereen zich zou afvragen of iets mogelijk is alvorens in actie te komen, dan leefden we vandaag nog in grotten. Wat ik echter niet begrijp is zijn ergernis. Misschien was mijn vraag wat persoonlijk, maar ik voel me dan ook persoonlijk geraakt door het onderwerp. Het gewaarborgd basisinkomen is de oplossing voor het prangendste probleem in mijn leven: de noodzaak om geld te verdienen. Die noodzaak is een kwelling voor mij, niet omdat ik niet wil werken, maar omdat ik alleen werk wil – en kan – verrichten waarvoor ik geschikt ben. Naar dat soort werk is echter geen vraag, dus is er ook geen geld voor, en dat betekent dat ik in feite geen recht van leven heb. Ik moet dat recht verdienen door slavenarbeid te verrichten. Vandaar mijn primaire levensgevoel: er is voor mij geen plaats op deze wereld. Voorwaar, het gewaarborgd basisinkomen raakt een gevoelige snaar in mijn ziel. 

Maar doet het dat alleen bij mij? Al sinds de zondeval moet de mens zijn brood verdienen ‘in het zweet zijns aanschijns’. Die plicht is zijn grootste kruis, de bron van eindeloos veel ellende. En nu zou daar opeens een eind kunnen aan komen? Een mens zou voor minder vragen gaan stellen. Toch reageert Mouringh Boeke geërgerd. Waarom? Ik begrijp het niet. Als je dergelijke revolutionaire ideeën verkondigt, kun je toch vragen verwachten, verbaasde vragen, kritische vragen, persoonlijke vragen. De vraag die ik hem stel, komt recht uit mijn hart en is ook direct aan zijn hart gericht. Ze komt voort uit een intense betrokkenheid bij het onderwerp en ik verwacht dat hij die betrokkenheid (h)erkent. Tenslotte ligt ze ook aan de basis van zijn streven: waarom zou je ijveren voor een gewaarborgd basisinkomen als het niet was om menselijk leed te lenigen! Maar Mouringh Boeke schuift mijn ‘hartekreet’ geërgerd aan de kant, alsof mijn hart er niet toe doet, alsof ik er niet toe doe. 

Nu ben ik op mijn beurt gepikeerd. Ik voel me miskend en afgewezen. Onbewust treft mij de contradictie: in theorie erkent Mouringh Boeke (door het basisinkomen te verdedigen) mijn recht op bestaan: ja, je hoort erbij! Maar in de praktijk ontkent hij het (door zijn geërgerd gedrag): nee, zoiets vraag je niet! Wie zijn hart laat spreken, hoort hier niet thuis! Die tegenstrijdigheid zal later typerend blijken voor veel antroposofen. Voortdurend vragen ze zich af: hoe kunnen we de buitenwereld bereiken, hoe kunnen we mensen warm maken voor de antroposofie? Maar wie het waagt een ‘fout’ antwoord te geven, wordt streng terechtgewezen: zoiets zeg je niet! Hoe vaak zal ik die woorden – uitgesproken of onuitgesproken – niet moeten horen uit de mond van antroposofen! En telkens gaat het om zaken die mij nauw aan het hart liggen en die mij diep raken, zoals het basisinkomen. Ik lijk als antroposoof alleen aanvaard te worden wanneer ik mijn hart het zwijgen opleg en mezelf aan de kant schuif.

In mijn kleine aanvaring met Mouringh Boeke manifesteert zich een oerbeeld waar ik later talloze keren mee geconfronteerd zal worden en dat als een onzichtbare muur is waar ik telkens weer tegenaan bots. Er wordt tegenwoordig veel gesproken over ‘fort Europa’, maar er bestaat ook zoiets als ‘fort Antroposofie’. Zoals er vandaag miljoenen migranten richting Europa stromen, zo zijn er volgens Rudolf Steiner ook ontelbare mensen die de antroposofie zoeken. Maar ze vinden geen toegang, ze botsen op de muur die ik zo goed ken. Zo herinner ik me nog een ouderavond die de Gentse steinerschool speciaal had ingericht om nieuwe ouders te verwelkomen en wegwijs te maken. Verbaasd zag ik hoe de oude bekenden elkaar uitgebreid begroetten, terwijl de nieuwe ouders er verweesd bij zaten. Niemand keek naar hen om, niemand begroette hen, niemand heette hen welkom. Daar was de muur weer, en de antroposofen hadden er geen idee van, ze waren er volkomen blind voor. 

Ik kon mijn ogen nauwelijks geloven: deze mensen deden precies het tegenovergestelde van wat ze beweerden te doen! Het zou lachwekkend zijn geweest als het niet zo pijnlijk was. En die ouderavond was geen uitzondering. Precies hetzelfde zou ik jaren later meemaken op een nieuwjaarsreceptie van de Antroposofische Vereniging. Ook daar verkeerde men in de mening nieuwe mensen gastvrij te onthalen, en ook daar werden ze aan hun lot overgelaten. Toen ik de organisatoren erover aansprak, verzekerden ze me er iets te zullen aan doen. Maar het drong niet tot hen door dat dit voorval slechts het topje van een ijsberg was, het symptoom van een dieperliggende kwaal. Antroposofen bouwen een onzichtbare muur om zich heen, ze trekken een scherpe grens waarmee ze de wereld in twee delen en mensen uitsluiten, maar ze beseffen het niet, ze zijn ervan overtuigd precies het tegenovergestelde te doen. Het is alsof ze uit twee verschillende personen bestaan die van elkaar niet afweten, alsof er zwei Seelen in hun borst wonen.

Maar is dat niet bij iedereen het geval? Maakt deze innerlijke gespletenheid geen deel uit van la condition humaine, het menselijk gebrek dat vandaag zo pijnlijk zichtbaar wordt? De hele wereld is verdeeld, overal worden grenzen getrokken, overal worden mensen uitgesloten. En toch is iedereen ervan overtuigd naar verbinding te streven, verdraagzaam te zijn en solidair. Het zijn ‘de anderen’ die polariseren, die haat zaaien en onverdraagzaam zijn. Bij niemand komt de gedachte op dat deze verdelende, dualistische krachten ook in zijn eigen ziel leven en dat hij zonder het te weten een onzichtbare muur om zich heen bouwt die hem belet te zien dat buitenwereld een spiegel is. Zolang de mens zich daar niet bewust van wordt, kan hij noch zichzelf noch de wereld leren kennen. En juist dit gebrek aan zelfkennis is het grootste probleem van onze tijd. Het wordt trouwens alsmaar groter, want we zien steeds duidelijker de verdeeldheid in de wereld om ons heen, maar we worden steeds blinder voor de verdeeldheid in onze eigen ziel. 

Hoe scherper we het kwaad buiten ons waarnemen, des te beter voelen we onszelf. Alsof het zien van andermans zonden onze eigen ziel witwast. Dit fenomeen heeft zelfs een naam gekregen: de politieke correctheid. Door anderen te beschuldigen, worden we zelf onschuldig. Het is een gevaarlijke waan, want onder dekking van onze vermeende morele superioriteit, sluipt een kwade geest onze ziel binnen en neemt het roer van ons over. We zijn ons niet bewust van deze geest, maar anderen reageren er vol afschuw op, wat bij ons dan weer verontwaardiging wekt. En zo vormt zich een vicieuze cirkel waar we niet meer uit raken. De oorzaak van dit verbijsterende verschijnsel is in de antroposofie bekend als ‘de ontmoeting met de dubbelganger’. Wanneer iemand over de drempel van de geestelijke wereld gaat – en dat doen we vandaag allemaal – dan ziet hij zijn schaduwzijde verschijnen in de vorm van een afschrikwekkend wezen waar hij ontzet voor terugdeinst. Maar dat hele gebeuren vindt in zijn onderbewuste plaats, hij heeft er geen weet van.

De moderne (materialistische) mens is niet voorbereid op de confrontatie met zijn (geestelijke) dubbelganger. Het besef dat dit ‘monster’ een spiegelbeeld is van zijn ziel, dreigt zijn nog prille Ik-besef te vernietigen en in een zelfbeschermende reflex ontkent hij iedere relatie tot dit wezen: hij projecteert het naar buiten. Daar betaalt hij echter een hoge prijs voor: dit collectieve projecteren verandert de wereld langzaam maar zeker in een slagveld vol ‘drakenridders’ die verwoed tegen hun spiegelbeeld vechten. Hoe dichter ze de geestelijke wereld naderen, des te heviger wordt hun strijd. Dat is de tragedie van de onbewuste drempeloverschrijding: de idealen die de geestelijke wereld in de mens opwekt, worden door zijn blindheid voor de dubbelganger omgezet in vernietigingskrachten. Antroposofen weten er alles van. Na de dood van Rudolf Steiner werden ze opeens geconfronteerd met hun dubbelganger en gingen elkaar te lijf als zagen ze het vleesgeworden kwaad voor zich.

Dit beschamende hoofdstuk in de antroposofische geschiedenis behoort inmiddels tot het verleden. De wonden zijn geheeld en de plooien gladgestreken. Maar onderhuids woekert de infectie voort. Nog altijd bouwen antroposofen muren, nog altijd sluiten ze mensen uit, nog altijd worden ze slachtoffer van hun dubbelganger. Mijn aanvaring met Mouringh Boeke was daar een (miniatuur)voorbeeld van. Hij was een overtuigd antroposoof, ik was het aan het worden. Hij zette zich in voor het basisinkomen, ik had dat basisinkomen nodig. Ik wees hem (onbewust) op de achillespees van zijn streven en ook hij had dat nodig. We streefden hetzelfde na, we vulden elkaar aan, en we hadden elkaar nodig. Maar toch kwam het niet tot samenwerking, integendeel. We werden gescheiden door ergernis, ergernis die gemakkelijk had kunnen uitgroeien tot een verontwaardigde strijd want de zaak raakte ons allebei diep. Tussen ons in stond – als een muur – het onzichtbare wezen dat al zoveel antroposofen heeft doen vechten in plaats van samenwerken: de dubbelganger. 

Waarom ergerde Mouringh Boeke zich aan mijn vraag? Omdat ze hem confronteerde met zijn onvermogen om de driegeledingsidee in werkelijkheid om te zetten. Alle antroposofische pogingen in die richting zijn mislukt en ze blijven mislukken. Voor een driegeleder is dat buitengewoon pijnlijk en als iemand die zere plek (per ongeluk) aanraakt, volgt er een afweerreactie. Waarom ergerde ik mij op mijn beurt aan Mouringh Boeke? Omdat het inkomensprobleem voor mij eveneens een bijzonder kwetsbare plek is. Zonder het te beseffen, hadden we dus elkaars ‘wonde’ aangeraakt, en in de grond was het dezelfde wonde, hetzelfde menselijk gebrek: het onvermogen om idee en werkelijkheid met elkaar te verzoenen. Sommige mensen voelen zich (meer) thuis in de wereld van de geest, maar weten niet hoe ze in de wereld van de materie kunnen leven zonder die geest op te geven. Anderen voelen zich (meer) thuis in de materie, en hebben geen idee hoe ze die wereld met de geest moeten verzoenen. Maar allebei lijden ze aan hetzelfde probleem. 

Het heeft me 40 jaar gekost om in te zien dat Mouringh Boekes ergernis niet mij gold, maar zijn dubbelganger. Hij sloot mij niet uit, hij sloot zijn dubbelganger uit. En ik, ik deed precies hetzelfde. Ons Ik was niet sterk genoeg om onze dubbelganger onder ogen te zien en dus projecteerden we hem op elkaar, waardoor hij als een muur tussen ons in kwam te staan. Die muur hadden we nodig omdat we anders niet verder konden met ons leven. Maar de dubbelgangersstrijd heeft intussen zo’n afmetingen aangenomen dat we evenmin nog verder kunnen. We dreigen eronder te bezwijken. Als we niet ten onder willen gaan aan de muur die we onbewust om ons heen bouwen, dan moeten we hem steen per steen afbreken, dan moeten onze dubbelganger stap voor stap weer integreren. We moeten met andere woorden onze ziel ‘helen’, want de kloof met onze dubbelganger is de moeder van alle strijd. Met het overbruggen van die kloof begint de vrede, met de bewustwording van onze dubbelganger begint de driegelede samenleving. 

Het laatste stukje van de antroposofische puzzel

De Brug valt in de bus.
Altijd een spannend moment: wat zal er dit keer in staan?
Nummer 82 (reeds) opent met de vraag:
Hoe staat het met de Antroposofische Vereniging?
In antroposofische kringen is dat een geliefde vraag.
Om de zoveel tijd vragen antroposofen zich af hoe het verder moet, hoe het beter kan, wat de problemen zijn.
En daarna doen ze gewoon weer verder.
Dat is althans de indruk die ik krijg.

Zo lees ik in het eerste artikel van ene Steffen Hartmann dat hij in Dornach drie stromingen waarneemt: de moderniseerders (Bodo von Plato, Paul Mackay en co), de bewaarders (Sergej Prokofieff en Peter Selg) en Judith von Halle (de vrouw-met-de-stigmata).
Dat doet bij hem de vraag rijzen: hoe komen we tot een vruchtbaar ‘samen-in-onze-tegenstellingen’?
Hij citeert in dat verband Anton Kimpfler: ‘Als alle antroposofen zouden samenwerken, dan was de antroposofie de sterkste kracht ter wereld.’

Een tweede artikel is van de hand van Johannes Greiner.
Hij schrijft:

‘De talloze conflicten die sinds de dood van Rudolf Steiner in de Antroposofische Vereniging gewoed hebben, zijn een van de treurigste zaken voor iemand die zich in de antroposofie verdiept. Ook vandaag nog gaat er zoveel kracht verloren aan vitterijen en wederzijdse bestrijding.
Alsof Rudolf Steiner ons tot inquisitie aangezet heeft!
Toen hij merkte dat hij niet veel tijd meer had, hield hij de karmavoordrachten. Dat is zijn nalatenschap aan ons.
Uit het inzicht in het verleden kan men zijn eigen opgaven aflezen en vooral: zich bewust worden van de eigen schaduw. Samenwerken met mensen die de eigen dubbelganger spiegelen is de karmische kunst van de toekomst!
Als men het niet kan opbrengen om bij zijn eigen handelen voortdurend een tegengewicht te creëren dan doen anderen dat voor ons. Als we bij de oude gewoonte blijven om de tegenstander te bestrijden en alleen het eigen standpunt te laten gelden, dan stort alles in.

Om concreet te worden, wil ik een blik werpen op het Goetheanum.
Daar hebben zich de laatste jaren twee tegengestelde groepen gevormd, zo meen ik althans waar te nemen.
De ene groep wil in alle eerbied het werk van Rudolf Steiner verzorgen, de esoterie verdiepen en de christologie in het centrum stellen van het eigen streven.
De tweede groep richt de blik meer naar de buitenwereld en vraagt hoe men de antroposofie in de wereld kan plaatsen zonder deze te veel af te schrikken.
Deze twee groeperingen zijn als dag en nacht, als yin en yang.
Ze roepen elkaar als tegenstelling op.
Als er geen derde element als bemiddelaar tussenkomt, dan kan uit de strijd slechts de onderdrukking van één van beide volgen.
Een grondimpuls van de Weihnachtstagung was een verbinding te leggen tussen de openheid naar de wereld en de innerlijke arbeid, een verbinding zoals tussen de twee koepels van het eerste Goetheanum.’

20131213-121929.jpg

Tot zover Johannes Greiner.

Ik ben het volledig eens met beide auteurs, al heb ik zo mijn twijfels bij Judith von Halle als ‘derde stroming’.
Mij lijkt ze tot de ‘stroming’ van Prokofieff te behoren, ook al ligt ze juist met hem zwaar in de clinch.
Zo gaat dat: de grootste ruzie maak je altijd met ‘verwanten’.
Daarom maken antroposofen ook zoveel ruzie: omdat ze allemaal (geestelijk) verwant zijn.
In feite zijn antroposofen kleine kinderen: ze maken voortdurend ruzie.
Dat hoort nu eenmaal bij de jeugd.

De vraag is natuurlijk of antroposofen na 100 jaar al niet wat volwassener zouden moeten zijn.

Op het eerste gezicht ben je geneigd daar volmondig ja op te antwoorden.
Maar als je ziet hoe de twee meest vooraanstaande antroposofen – Marie von Sivers en Ita Wegman – niet eens konden wachten tot Steiners assen koud waren om elkaar in de haren te vliegen, dan vraag je je af: waren die twee werkelijk zo kinderachtig of was er meer aan de hand?

Toen ik las wat Hartmann en Greiner schrijven, moest ik onwillekeurig aan Anna denken, onze kleindochter die dit weekend bij ons logeerde.
Dat leverde volgend tafereeltje op.

Ik zit vooraan in mijn zetel-naast-de-kachel aan mijn blog te werken, en An en Anna zijn in de keuken bezig.
Ga je drinkbeker eens halen, hoor ik An zeggen.
Die beker staat vlak naast me, op een stapel boeken, precies op Anna’s ooghoogte.
Dat wordt dus een makkie.
Anna komt vanuit de keuken aangestoven, wild enthousiast over de haar opgedragen taak.
Vlak voor de beker blijft ze staan.
Ze kijkt speurend om zich heen.
Ze werpt een blik in haar poppenbedje, doet de deur van haar kastje open, tilt de kussens van de sofa op.
Niks.
Verbaasd kijkt ze rond.
Ze staat weer vlak voor de drinkbeker.
Je zoekt het te ver Anna, zeg ik, het is vlakbij!
Terstond laat ze zich op haar knieën vallen en steekt haar hoofd onder de kast.
Anna toch!
Ze springt weer overeind en haalt haar schoudertjes op, beide handjes omhoog stekend als om te zeggen: beker is weg!
Hij staat vlak voor je neus, dummie!
Ze kijkt opnieuw, maar ziet nog altijd niks.
Ik begin nu luid te lachen en er verschijnt een blik vol onbegrip in haar donkere ogen.
Ik sta op, grijp haar hoofdje met beide handen vast en duw haar neus op de drinkbeker.
Geen reactie.
Wel verrek, denk ik.
Ik laat echter niet los, en op een gegeven moment rolt de knikker van haar aandacht dan toch in de goede richting.
Eureka, de beker, ze ziet hem!
Met een wilde zwaai grijpt ze het ding vast en holt ermee naar de keuken, trots op haar vondst.

Ik ga hoofdschuddend weer zitten.
Een mens vraagt zich af wat zo’n kind allemaal ziet en – vooral – niet ziet.
Ik vergeet gemakshalve dat dergelijke dingen me ook regelmatig overkomen.
Ik zie alles, behalve wat vlak voor mijn neus staat.

20131213-122123.jpg

En ik ben niet de enige.

Als An roept: waar is de …?, antwoord ik altijd: vlak voor je neus!
In de helft van de gevallen klopt het nog ook.
Als het mij overkomt, zeg ik altijd: maar daarnet lag het er niet!
En ik probeer An ervan te overtuigen dat dingen zich kunnen verstoppen.
Ik geloof dat zelf wel niet, maar ik wil de mogelijkheid toch openhouden.
Zei C.G.Jung niet dat dingen ‘wegverwonderd’ kunnen worden?
Er kunnen alleszins vreemde dingen gebeuren met iemands aandacht.
Het ene moment kun je stekeblind zijn voor iets, en het volgende moment zie je het zo helder dat je niet kunt begrijpen dat je ’t niet eerder gezien hebt.
Waaraan ligt zo’n tijdelijke blindheid?
Toeval?
Ik heb daar zo mijn twijfels over.
Vanwaar komen gedachten, invallen, inzichten?
Uit het niets.
Maar is dat ‘niets’ niet gewoon een woord voor wat we niet kennen?
Wat mij betreft, kan het net zo goed iémand zijn die me een idee ingeeft of mijn blik ergens op richt. Een geest zeg maar, een wezen dat je niet kunt zien.
En waarom zouden die geesten ook geen dingen kunnen ‘verbergen’?
Dat wil zeggen: ervoor zorgen dat we ze niet zien?

Daar moest ik dus aan denken toen ik las wat Hartmann en Greiner schrijven.
Want ik dacht: zien ze het nu écht niet?
Allebei onderscheiden ze twee tegengestelde groepen (Judith doet even niet mee).
Allebei pleiten ze voor samenwerking tussen deze twee groepen.
Allebei zien ze daarin zowel het probleem als de oplossing.
Greiner heeft het ook nog eens over de Weihnachtstagung die de twee stromingen met elkaar verbond zoals de koepels van het afgebrande Goetheanum.
En alsof het nog niet genoeg is, presenteert hij Steiners karmavoordrachten als datgene-wat-hij-ons-op-het-hart-wilde-drukken.

Maar geen van beiden rept met één woord over oude en jonge zielen, terwijl iedereen kan zien dat het daarover gaat.
Ze staan met hun neus op het antwoord dat ze zoeken, en toch zien ze het niet.
Twee volwassen antroposofen, en ze gedragen zich zoals een kleuter van drie.
Want er is geen antroposoof die niet gehoord heeft van oude en jonge zielen.
Of die niet weet wat herders en koningen zijn.
Het is de oerdualiteit van de antroposofie.
Maar ze zien het niet.
Alsof ze opeens met blindheid geslagen zijn.
Alsof het zielenthema ‘wegverwonderd’ is.

20131213-122220.jpg

Ik schud mijn hoofd, net als bij Anna.
Het lijkt wel of ze het niet WILLEN zien!
Uit hun tekst valt op te maken dat ze heel goed weten waar het om gaat en wat het probleem is, maar ze krijgen de woorden ‘oude en jonge zielen’ niet over hun lippen.
Ze kunnen of durven of willen het probleem niet bij de naam noemen.
De laatste beslissende stap zetten ze niet.
De stap van denken naar doen.
De stap van theorie naar praktijk.
De stap die alles in beweging zet.

Rudolf Steiner zegt over het thema van oude en jonge zielen het volgende:
‘Als we volgens deze inzichten onze plaats in het leven bepalen, dan is dat een intensieve toepassing van de theorie op het leven. Dat iemand veel over karma praat, hoeft niet zoveel pijn te doen. Maar als het bij wijze van spreken in het eigen vlees snijdt, dan komt het al dichter bij het eigen wezen. En dat is precies wat de antroposofie op aarde wil brengen: verdieping van het wezen van de mens.’

Hartmann en Greiner doen me denken aan mensen die een puzzel maken en nog slechts één stukje moeten inpassen: de oude en de jonge zielen.
Het is maar een klein stukje vergeleken bij de vaak indrukwekkende stukken die ze al op hun plaats hebben gelegd. En toch komen ze er niet toe om dat laatste gaatje op te vullen en het beeld compleet te maken.
Waarom?
Wat houdt hen tegen?

Het is de herkenning.
Ze deinzen terug voor wat er zichtbaar zal worden als ze dat laatste stukje inpassen.
Ze deinzen terug voor het levend worden van het samengepuzzelde beeld.
Ze voelen dat ze het beeld zullen herkennen.
Dat ze contact zullen maken met wie of met wat zich (nu nog) in dat beeld verbergt.
En die ontmoeting zal alles veranderen.
Als je tussen onbekenden opeens een bekend gezicht ontdekt, dan wordt alles anders.

20131213-122355.jpg

De antroposofie gaat over de mens.
Zij wil het wezen van de mens verdiepen zodat er een ontmoeting kan plaatsvinden met de kern van dat wezen, met het diepste wezen van de mens.
Dat is, zou je kunnen zeggen, het doel van de antroposofie: de mens weer in contact brengen met wie hij in wezen is.
Want de mens is vervreemd van zichzelf.
Hij weet niet meer wie hij is.
Hij weet ook niet meer wie de ander is.
Mensen zijn vreemden geworden voor elkaar.

Ons diepste wezen – ons Ik – heeft zich in de loop der tijden losgemaakt uit zijn omhullingen, zoals ook een kind dat stelselmatig doet wanneer het opgroeit.
Op die manier wordt het stap voor stap volwassen en zelfstandig.
Die zelfstandigheid hebben we echter zwaar betaald: zonder omhulling staan we als vreemden in de wereld en tegenover elkaar.
Maar voor het eerst in de geschiedenis opent zich nu ook de mogelijkheid om de ander in zijn naakte Ik-zijn te herkennen en te ontmoeten.
Niet via ras of volk of familie of sociale klasse of welke andere omhulling ook, maar rechtstreeks van Ik tot Ik.

Dat is een grote stap, want zo’n ontmoeting is op louter vertrouwen gebaseerd.
Wordt dat vertrouwen beschaamd, dan slaat dat diepe wonden.
En voor die pijn deinst de moderne mens terug.
Maar er is meer.
Een Ik-ontmoeting vereist een totale overgave.
Anders kun je een mens niet echt ontmoeten.
Is je eigen Ik echter niet sterk genoeg, dan dreig je jezelf te verliezen in die overgave.
En dat is een nog groter gevaar dan het gekwetst worden.
Om de mens voor dat gevaar te behoeden – het gevaar dat hij niet alleen zijn omhullingen maar ook zijn Ik kwijtspeelt – is er de dubbelganger.
Hij is het (geestelijke) wezen dat ons belet de stap over de drempel te zetten als we daar nog niet sterk genoeg voor zijn.
En die sterkte kunnen we aflezen aan ons vermogen om onze dubbelganger onder ogen te zien.
Kunnen we hem onder ogen zien zonder los te barsten in verontwaardiging of afschuw of woede of geweld of welke vorm van ontkenning ook, dan zijn we er klaar voor. Dan kunnen we onze dubbelganger bewust meenemen in onze ontmoeting.
Want hij hoort bij ons, hij is een deel van ons wezen, zonder hem zijn we niet ‘heel’.
Ja, zonder hem stellen we vaak niet veel voor.

20131213-122906.jpg

Kijken we maar naar de ‘bange, blanke man’: hij is in veel opzichten een zwakke, meelijwekkende figuur, juist omdat hij reeds het grootste deel van zijn omhullingen heeft afgelegd. Hij staat daar in al zijn Ik-naaktheid en de hele wereld ligt bij wijze van spreken op de loer om dit lekkere hapje op te peuzelen.

Dubbelgangers vormen een soort internationale gemeenschap.
Ze hebben de neiging om samen te smelten met elkaar, juist omdat ze geen Ik hebben.
En dan vormen ze een enorme, dreigende kracht die het voorzien heeft op het Ik van de mens.
Want de dubbelganger wil niets liever dan verenigd worden met het Ik van de mens.
Maar hij kent slechts één manier om dat te doen: die van het roofdier.
Dat roofdier hebben we allemaal in ons.
Het vertoont zich uitgerekend op het moment dat we onze laatste omhullingen afleggen en ons Ik zichtbaar wordt.

Het loert met name op de antroposofie, waar het Ik van de mens centraal staat.
Van zodra Rudolf Steiner begon met de ontsluiering van het Ik-geheim werd hij aangevallen door demonen.
Naarmate ze doorkregen met wie ze te doen hadden, werden hun aanvallen heviger.
Ze culmineerden een eerste keer in de moordaanslag die op Steiner gepleegd werd.
Daarna volgde de brandstichting van het Goetheanum.
Een jaar later, onmiddellijk na de Weihnachtstagung, sloegen ze opnieuw toe.
Negen maanden later, kort na de onthulling van het zielenthema, maakten ze een eind aan zijn openbare leven.
Zes maanden later stierf Steiner en opnieuw sloegen ze toe: ze scheurden de hele Antroposofische Vereniging in twee en legden ze lam.
Volgens Ita Wegman was er een rechtstreeks verband tussen deze scheuring en de opkomst van Hitler.
Hitler zorgde ervoor dat heel Europa in twee gescheurd werd.
En daarmee was het nog niet gedaan.
Het ‘verscheuren’ gaat door, tot op de huidige dag.

Als de antroposofie is wat ze beweert te zijn, dan hebben de ruzies in haar schoot een representatief karakter: het zijn mensheidsruzies.
Wat in de antroposofie op geestelijk (en minder geestelijk) vlak wordt uitgevochten, wordt elders in de wereld op fysiek vlak uitgevochten.
De dubbelganger van de antroposofie is in feite de dubbelganger van de mensheid.
Hij is als het ware de som van alle individuele dubbelgangers.
Een roofdier van kosmische afmetingen.
De draak zelve.

20131213-123616.jpg

Toen Rudolf Steiner – dat machtige mensen-Ik – stierf, stond de antroposofische vereniging naakt en onbeschermd tegenover de draak.
En die zag zijn kans schoon.
Hij reduceerde al die ‘spirituele’ figuren tot kinderachtige wezens die ruzie maakten over prullaria.

Ik hoor het Anna zo roepen: is mijne!

Ik ben de afgelopen 30 jaar getuige geweest van verschillende antroposofische ruzies.
Wie niet gelooft in de draak moet zich maar eens in zo’n ruzie mengen.
Je ziet mensen voor je ogen veranderen in totaal andere wezens, alsof je ze nooit gekend hebt en hun ware aard pas nu bovenkomt.
Maar het is natuurlijk hun dubbelganger die het heft overneemt.
Antroposofische ruzies zijn bijna altijd ruzies tussen dubbelgangers, ruzies waarbij de mensen en de menselijkheid ruw aan de kant worden geschoven en alle spiritualiteit in rook opgaat.
En steeds weer wordt een gemeenschap in twee gedeeld.
Steeds weer gaat het om dezelfde tweedeling: die tussen oude en jonge zielen.
Ik heb het al zo vaak zien gebeuren, en ik zie het nog altijd gebeuren.
Zoals ook nu weer in Dornach.
Het is altijd hetzelfde liedje.
En we herkennen de melodie maar niet.
Want we WILLEN ze niet herkennen.
Of beter: onze dubbelganger wil dat niet.
Want hij leeft in en van de broederstrijd.
Als we die strijd herkennen, herkennen we de dubbelganger.
En dan verliest hij zijn macht over ons.
Dat jaagt hem evenzeer de stuipen op het lijf als hij ons de stuipen op het lijf jaagt.
Want hij vreest het menselijke Ik kwijt te raken en in peilloze diepten neer te storten.
De mens is namelijk zijn enige hoop op verlossing.
Daarom klampt hij zich aan ons vast alsof zijn leven ervan afhangt.
En wij duwen hem van ons af alsof … ons leven er eveneens van afhangt.

Dat is de tragiek van onze relatie met de dubbelganger.
Het is ook de tragiek van de relatie tussen oude en jonge zielen.
Want zij zijn elkaars dubbelganger.
Of beter: zij zien hun dubbelganger in elkaar.
Want dat is wat dubbelgangers doen: zij projecteren zichzelf op de ander.
En hoe meer die ander op ons lijkt, hoe groter de verwantschap is, des te duidelijker is de projectie.
Daarom zijn broedertwisten de ergste van allemaal.
‘Broers’ zien hun dubbelganger zo duidelijk in de ander dat ze het niet kunnen verdragen en de spiegel – hun broeder dus – willen stukslaan.

De enige manier om dat te vermijden, is door onszelf in de (verafschuwde) ander te herkennen.
Maar dat is juist de zwaarste opgave.
Onszelf herkennen in datgene of diegene die we het meest verafschuwen?
Dat voelt als … zelfvernietiging.

Ik herinner me ooit een boek gelezen te hebben waarin het Duitse en het joodse volk met elkaar vergeleken werden.
En wat bleek?
Ze waren ‘broers’: ze spiegelden elkaar op tal van gebieden.
De Duitsers herkenden zichzelf in de joden, maar niet bewust.
En daarom probeerden ze de joodse spiegel te vernietigen zodat ze niet langer met hun spiegelbeeld geconfronteerd zouden worden.
Maar juist het vermijden van die (bewuste) confrontatie bracht hen op de rand van de totale zelfvernietiging.

20131213-123826.jpg

Dat is dan ook – nog altijd – de keuze waarvoor de mensheid staat: zelfherkenning of zelfvernietiging.
We moeten kiezen tussen de gevoelsmatige zelfvernietiging (die een gevolg is van het bewuste herkennen van de eigen dubbelganger) en de reële zelfvernietiging (die een gevolg is van het uit de weg gaan van die herkenning).

De pijn van de ontmoeting met de dubbelganger – de zelfherkenningspijn van het menselijke Ik – mag absoluut niet onderschat worden.
De dubbelganger gaat tekeer als een roofdier dat in de val zit.
Hij kan diepe wonden slaan.
Ik herinner me nog een familie-uitstapje in de Ardennen.
We hadden zowat de hele dag in de wilde natuur gewandeld toen we aan de rand van een bos opeens een buizerd aantroffen die in een klem was terechtgekomen, u weet wel zo’n ding met tanden dat dichtklapt en niet meer opengaat.
Het was een hele klus om dat dier te bevrijden.
Want het was niet blij om ons te zien, wel integendeel.
Van zodra we naderden sloeg het wild met zijn vleugels en haalde het uit met zijn bek en zijn ene vrije klauw.
De buizerd zag ons als de vijand en hij vocht voor zijn leven.
We moesten dus én dat wilde dier in bedwang houden én die klem openkrijgen.
Dat vergde een nauwe samenwerking, maar na een verwoed gevecht slaagden we erin de buizerd vrij te krijgen.
Hij koos meteen het luchtruim.
Een bedankje kon er niet af.
Waarschijnlijk klopte zijn hart al even fel als het onze.
Maar onze dag was goed.
We hadden een kwaad ongedaan gemaakt.

De dubbelganger is een roofdier dat niet zonder handschoenen mag worden aangepakt.
Hij is werkelijk gevaarlijk.
Maar het gevaar bestaat vooral uit onwetendheid, aan beide kanten.
En juist daarom heeft Rudolf Steiner ons – op de valreep – het weten geschonken omtrent de oude en de jonge zielen.
Het was het laatste stukje van de grote antroposofische puzzel.

Op het eerste gezicht lijkt het onaanzienlijk, een beetje banaal zelfs:
Er zijn twee soorten antroposofen.
Het klinkt bijna kinderachtig, alsof ook de antroposofie zijn cowboys en indianen telt.
Dan kun je het toch beter hebben over de rozenkruisers, of over de manicheïsten, of over de Michaëlstroom, of de graalstroming.
Dat klinkt veel spiritueler.
Maar nee, oude en jonge zielen.
Antroposofie voor kinderen …

20131213-124037.jpg

We vergeten echter dat Steiner zijn grote liefdesoffer op kerstmis bracht, in een soort stal: het schrijnwerkersatelier, de werkplaats van de timmerman.
De koninklijke antroposofische tempel was afgebrand.
De antroposofie stond als het ware op straat.
Naakt en berooid.
En toen gebeurde het: Steiner werd weer kind.
Hij offerde zijn indrukwekkende geestelijke grootheid op om deel te worden van de antroposofische vereniging, een verzameling kleine kinderen die voortdurend ruzie maakten.
Hij leverde zich aan hen over, ze mochten met hem doen wat ze wilden.
En dat deden ze ook.
In plaats van zich als ouders te gedragen en de zorg voor het kind op zich te nemen, gingen ze gewoon door met ruzie maken.
Met al hun persoonlijke besognes scheurden ze Steiner als het ware in stukken.
En hij protesteerde niet, hij liet het allemaal gebeuren.
Hij was een kind geworden dat uit louter liefde bestond.
Hij had maar één boodschap meer: hebt elkander lief.

En hij gaf het voorbeeld.

Hij vertelde ook een eenvoudig verhaaltje, over twee broers, een oudere en een jongere.
Het klonk nogal onnozel, althans voor degenen die belangrijker zaken aan hun hoofd hadden.
Maar degenen die met hun hart luisterden, hoorden de stemmen uit de hoogste hiërarchieën, want van daaruit sprak Steiner tijdens zijn karmavoordrachten.
Hij had nog veel meer willen vertellen vanuit deze hoge kinderlijke sferen, maar zijn offer belette dat.
Hij was tot de daad overgegaan.
Hij had – op het allerhoogste niveau – de stap gezet van theorie naar praktijk.
En daarmee nodigde hij ons uit diezelfde stap te zetten, maar dan op ons niveau, dat van de ruziemakende kinderen, de oude en de jonge zielen.

Het was een stap waarop de demonen furieus reageerden.
Het is een stap waarop ze altijd reageren.
Dat kan afgelezen worden aan het feit dat de antroposofische vereniging die ene kleine stap nog altijd niet gezet heeft.
Bijna 100 jaar nadat Rudolf Steiner het geheim van de oude en de jonge zielen onthulde en zijn toehoorders op het hart drukte om na te denken over dit thema, is er nauwelijks een antroposoof die weet of hij een oude dan wel een jonge ziel is.
Ofschoon Steiner het zielenthema in verband bracht met het voortbestaan van de menselijke beschaving, leeft het totaal niet in de antroposofische vereniging.
Tenzij dan onbewust, in de talloze ruzies en onenigheden die de antroposofie verhinderen ‘de sterkste kracht ter wereld’ te worden, een kracht die de verscheurde wereld meer dan ooit nodig heeft.
Het is dus niet de geest van Rudolf Steiner die de huidige antroposofische vereniging bezielt, het is de geest van de dubbelganger.
Hij heeft de antroposofie stevig in zijn greep.
Hij maakt haar blind voor ‘het kind’.
Hij belet haar de drieledige constellatie te zien waarin dat kind geboren wordt: een Ik dat ontvangen wordt door twee liefhebbende ouders.
Die ouders zijn in dit geval de oude en de jonge zielen, de koningen en de herders.
Zolang zij niet samenwerken, bewust en vrijwillig samenwerken, is er in de herberg van antroposofische vereniging geen plaats voor de tot kind geworden geest van Rudolf Steiner.
Er is dan alleen maar plaats voor broedertwisten.
En voor de vraag: wat is er toch aan de hand?

20131213-124225.jpg

FRIEDRICH RITTELMEYER in gesprek met MET RUDOLF STEINER

‘Denkt u werkelijk dat de antroposofie erin zal slagen meer te worden dan een krachtige impuls in onze beschaving? Denkt u dat ze echt kan doorbreken als een nieuwe cultuur?’
Hij werd buitengewoon ernstig.
‘Als de mensheid niet aanvaardt wat haar aangeboden wordt, zal ze opnieuw honderd jaar moeten wachten’, zei hij.
Hij zag er diep bewogen uit.
En het waren niet zomaar emoties, het was meer iets als de donder van het oordeel.
Hij zei niets meer.
Nooit meer heb ik gezien (of had ik voordien gezien) hoe de ziel van een heel tijdperk kan beven in de ziel van één mens.

(Friedrich Rittelmeyer: Mijn ontmoeting met Rudolf Steiner)

Paard en ruiter

Als een mens ’s morgens opstaat en aan tafel gaat zitten, kan hij kiezen tussen kaas en konfituur.
Er zijn veel soorten kaas.
Er zijn winkels die alleen maar kaas verkopen.
Er zijn ook veel soorten konfituur.
Niet zoveel als kaas misschien, maar er is ook nog:
choco, speculaaspasta, tahin (voor de macrobioten), muisjes (voor de Hollanders), enzovoort.
Er is natuurlijk ook charcuterie. Waarom niet?
Niemand zegt dat je ’s morgens geen vlees mag eten.
Ik heb ooit nog spagetthi als ontbijt gegeten en dat smaakte best.
En voor wie zijn broeders en zusters niet wil opeten, zijn er allerlei soorten vegetarisch broodbeleg.
Keuze genoeg.

Keuze genoeg?
Keuze te veel, bedoelt u.

Voor vrouwen is het nog erger.
Die moeten ’s morgens ook nog eens kiezen wat ze zullen aantrekken.
Ze kunnen bijvoorbeeld hun groene jurk aantrekken.
Maar past die wel bij het groen van de bladeren?
Even door het raam kijken.
Nee, toch maar niet.
Enfin, u kent het wel.
Vrouwen moeten bij wijze van spreken twee keer ontbijten.
Of drie keer, of vier.
Want ze moeten ook nog kiezen voor de kinderen, die luidkeels hun wensen te kennen geven.

Een mens is blij als hij ’s morgens in zijn auto kan stappen en naar zijn werk rijden.
Soms kan hij kiezen tussen de auto of de trein, of tussen de auto en de fiets.
Maar hij kan niet kiezen welk werk hij vandaag zal doen.
Hij kan zelfs niet kiezen hoé hij zijn werk wil doen.
Het ligt allemaal vast.
Iedere dag hetzelfde.

De zee van mogelijkheden die hij bij het ontbijt nog had, is ineengestort tot de onontkoombare realiteit van de dag.
Gelukkig maar.
Anders zou een mens tegen de middag al knettergek zijn.

Kunnen kiezen tussen 1001 mogelijkheden is fantastisch.
Maar het is ook een kwelling.

Het is de grootste kwelling van onze tijd.

Ieder jaar op 11 november verschijnen er overal grote affiches in de straten die ons in niet mis te verstane beelden en woorden duidelijk maken dat we het véél beter hebben dan de arme mensen aan de andere kant van de wereld. De jongste jaren laten die affiches er ook geen twijfel over bestaan dat het allemaal ónze schuld is en dat we die schuld kunnen afkopen door geld te geven aan een organisatie die aan mondiale schuldvereffening doet.
Het merkwaardige met die affiches is nu dat je daar inderdaad mensen op afgebeeld ziet die in erbarmelijke omstandigheden leven. Maar die mensen zien er niet ongelukkiger uit dan wij. Integendeel zelfs, ze lijken een innerlijke rust en gelatenheid te hebben die wij al lang niet meer kennen.
Het is alsof ze zeggen: inch’ allah, het is de wil van God.
En daar hebben ze vrede mee.

Als er één iets is dat wij nooit meer zeggen, dat we zelfs niet meer over onze lippen krijgen, dan is het wel: het is de wil van God.
Het is een keuze die we nooit meer maken: die tussen de wil van God en onze eigen wil.
God heeft niets meer te protocollen in ons leven.
Zelfs niet wanneer we ‘gelovig’ zijn.
We gaan dan misschien wel naar de mis, en we bidden iedere dag, en we branden kaarsen,
maar verder doen we gewoon onze zin.
God mag kijken, maar hij doet niet meer mee.

Bij de mensen op de affiches doet hij duidelijk wél nog mee.
Hoe zouden ze anders al die ellende en ontbering overleven?
Wij zouden het geen drie dagen uithouden om onze kinderen op stinkende vuilnishopen te zien rondscharrelen naar een beetje voedsel of iets dat verkocht kan worden.
We zouden er knettergek van worden.
Want we zouden er ons schuldig aan voelen.
We geloven immers niet meer dat het de wil van God zou zijn.
We zijn ervan overtuigd dat het onze eigen wil is en onze eigen wil alleen.
Die vuilnishopen, weten we, die hebben wij daar opgestapeld.
En die kinderen die daar de hele dag rondscharrelen, die hebben wij op de wereld gezet, en niemand anders.

Ziedaar de kwelling van de moderne mens.
Hij voelt zich schuldig aan alles wat verkeerd gaat in de wereld.
Hij voelt zich schuldig omdat hij de wereld in een vuilnishoop heeft veranderd en zijn kinderen verplicht daarop rond te scharrelen.
Qui tollis peccata mundi: de moderne mens gaat gebukt onder alle zonden van de wereld.
Want die wereld is zíjn wil, en van niemand anders.
Hij heeft die gemaakt, in alle vrijheid.
De moderne mens lijdt aan de wereld omdat hij lijdt aan de vrijheid.

De arme vuilnishoopmensen aan de andere kant van de wereld lijden, dat is duidelijk.
Maar zij lijden niet meer dan de moderne Westerse mens.
Integendeel zou ik zelfs zeggen, want zij kennen de kwellingen van de vrijheid (nog) niet.
En dat zie je aan hun gezicht.

Ik heb dat ook altijd gezien aan de gezichten van de immigranten die hier in toenemende mate opduiken.
Er was in die gezichten iets wat ik niet begreep.
Die mensen hadden hun vaderland verlaten, ze hadden alles achter zich gelaten wat hen vertrouwd was, en ze leefden nu in een wereld die hen vreemd was. En toch zag ik op hun gezichten niet de angst, de vertwijfeling en de verlorenheid die ík in zo’n geval zou voelen. Nee, ik zag op die gezichten een innerlijke rust en een zelfvertrouwen die mij onbekend waren.
Want die mensen voelden zich nergens schuldig aan.
Het was niet hún wil dat ze hier waren, het was de wil van God.

Het is intussen wel duidelijk geworden welke enorme kracht er schuilt in die ‘wil van God’.
Het zootje ongeregeld dat hier binnenstroomt, simpele, primitieve mensen vaak, die recht uit de middeleeuwen komen, zijn langzaam maar zeker bezig onze hele moderne maatschappij te hervormen. Zij zien hier de gevolgen van de vrijheid en zij zeggen, bewust of onbewust: nee, dat willen wij niet! En tegenover die vrije samenleving plaatsen zij een godgewilde samenleving.
Dat is de ‘clash of civilisations’ die we nu meemaken.

We zullen die clash verliezen als we geen brug vinden tussen Gods wil en onze eigen wil.
Want onze eigen wil is niet opgewassen tegen ‘de wil van God’.
Stap voor stap wijken we terug voor die goddelijke wil waarin met name de moslims zo sterk geloven. Stap voor stap geven we onze vrijheden op die we bevochten hebben op (het geloof in) de wil van God.

De zee van mogelijkheden die we hebben wanneer we aan het ontbijt zitten, of wanneer we voor onze kleerkast staan, of wanneer we een gsm gaan kopen of een koffiezetmachine, of wanneer we met vakantie gaan, of wanneer we een boek willen lezen of naar muziek luisteren: het is allemaal bevochten op Gods wil.

Alles wat wij moderne mensen vandaag zijn, hebben we bij wijze van spreken veroverd op God.
En we denken er niet over om het weer terug te geven.
Geen haar op ons hoofd dat eraan denkt om die vrijheid weer af te staan.
Probeer kinderen er maar eens van te overtuigen dat ze geen gsm nodig hebben!
Probeer ze er maar eens van te overtuigen dat ze er niet ieder jaar een nieuwe nodig hebben!
Probeer ze maar eens een computer te onthouden!
Kinderen ruiken van bij hun geboorte al de zilte geur van de zee van mogelijkheden, en ze willen die zee zien, ze willen erin onderduiken, ze kunnen er nooit genoeg van krijgen.
Daarvoor zijn ze op aarde gekomen: om de vrijheid te smaken.
En probeer ze maar eens tegen te houden!

We realiseren ons nauwelijks hoe sterk de roep van de vrijheid is.
Waarom komen al die migranten hier naartoe gestroomd?
Omdat ze de roep van de vrijheid vernomen hebben.
Omdat ze na hun lange tocht door de woestijn eindelijk de zee ruiken.
Thalassa, Thalassa! riepen de Grieken destijds.
Vandaag klinkt die roep over de hele wereld.
De vrijheid, de vrijheid!

We hebben er veel voor over om naar zee te gaan.
Uren in de file zitten, parkeerplaats zoeken, plaatsje op het strand zoeken, de hele dag in de drukte zitten, elkaar verdringen op de dijk, tegen die afschuwelijke appartementsblokken aankijken, en tot slot weer uren in de file zitten.
We beschouwen al die kust-ellende als iets wat we erbij moeten nemen, als iets waar we niks kunnen aan doen, als … de wil van God zeg maar.

Wat we echter niet beseffen, is dat we al die dingen ook zelf wíllen.

We beseffen niet meer hoe overweldigend de zee is en hoe we ons daar instinctief tegen wapenen, door schouder aan schouder in het zand te gaan liggen, door met zijn allen te gaan zwemmen in afgebakende zones met bemoeizieke ‘redders’, door te wandelen op de dijk waar kinderen in vierwielers het op onze schenen gemunt hebben. Ja, zelfs die afzichtelijke appartementen zijn een onbewuste mentale buffer tegen het geweld van de zee.
Waarom zien de traditionele kustwoningen eruit als poppenhuizen, met kleine venstertjes en allerlei fantasietjes? Waarom zijn ze steevast zo volgestouwd met ‘postuurkes en bibelootjes’ dat er nauwelijks nog plaats is voor de bewoners?
Omdat kustbewoners de zee kennen. Omdat ze zich wapenen tegen haar sirenengezang. Omdat ze er zich hermetisch voor afsluiten.
Net als kusttoeristen.

De aantrekkingskracht van de zee is zo groot dat we er ons moeten tegen wapenen, anders verandert ons genot in een kwelling.
Met de vrijheid is het niet anders.
Zij is nog veel aantrekkelijker en overweldigender dan de zee.
En daarom verzetten we er ons uit alle macht tegen.

Maar we beseffen het niet.

We spreken er schande van dat de moslims niet willen integreren, dat ze onze vrije samenleving niet willen aanvaarden.
En we hebben gelijk. Het is een schande dat ze zich vol afkeer afwenden van onze samenleving, maar er tegelijk volop van profiteren.
Daar zijn we terecht verontwaardigd over.
Maar die verontwaardiging mist alle kracht omdat wij … precies hetzelfde doen.

Wij verzetten ons uit alle macht tegen de vrijheid.

Wanneer we ’s morgens opstaan en aan tafel gaan zitten, genieten we volop van de zee van mogelijkheden die onze vrije samenleving biedt: honderd soorten kaas, tientallen soorten konfituur, choco, cornflakes, appelsiensap, croissants, noem maar op. Er komt geen eind aan.
En als we geluk hebben, kunnen we in alle rust eten terwijl de zon binnen schijnt en we uitkijken op een groene tuin. En op de achtergrond klinkt Haydn of Handel.
Ja, het leven kan mooi zijn.
Een paradijs op aarde.

Maar dan slaat het noodlot toe: we worden uit het paradijs verdreven, we moeten gaan werken.
Vlug, vlug, vrouw waar is m’n laptop?
Kinderen, vooruit, zijn die boterhammen nu nog niet op!
Het is al bijna acht uur! Jullie komen te laat!
God nog aan toe, de telefoon gaat!
Jan, neem eens op!
Ik kan niet, ik moet weg!

En dan volgt de ochtendspits: file, getoeter, ergernis, haast.
Het paradijs verandert in een hel.

Als we geluk hebben, wordt het daarna beter.
De ‘job van je leven’ weet u wel.
Maar van de ochtendlijke zee van mogelijkheden blijft nauwelijks nog iets over.
De golffunctie is ineen gestort.
Als we ’s avonds afgepeigerd thuiskomen, wordt het weer beter.
We kunnen dan kiezen tussen 100 televisiezenders.
Maar het is niet meer hetzelfde.

Wat een leven, wat een leven! zuchten we.
En we beseffen niet dat we dit zelf willen.
We ervaren het misschien wel als de wil van God (of de Duivel), als iets waar we niks kunnen aan doen, maar het komt geen moment in ons op dat we dit zelf willen.
Want we verzetten ons uit alle macht tegen de vrijheid die zich ’s morgens voor ons opent.
We kunnen ze niet aan.
We wapenen er ons tegen.
We trekken iedere dag ten strijde tegen de vrijheid.

En hier ligt het verschil tussen de zee en de vrijheid.
De zee is ons gegeven.
De vrijheid niet.
Als we na een dagje kust weer naar huis gaan, blijft de zee gewoon liggen.
Ze zingt verder, ook als we niet luisteren.
De vrijheid doet dat niet.
Als we ze niet onze aandacht geven, verdwijnt ze.
Ze is immers onze creatie, en ze is geen ding.
Ze is een je ne sais pas quoi dat zonder ons niet bestaat.
Ja, eigenlijk maakt de vrijheid deel uit van onszelf.
Eigenlijk zíjn wij de vrijheid.
Wij mensen zijn in wezen vrije scheppende geesten.
In wezen.
Maar dat wezen moeten we realiseren.
Het leeft slechts als mogelijkheid in ons.
Net als de vrijheid.

Het is dus niet zo dat we ’s morgens aan de ontbijttafel onze vrijheid krijgen, als was het Gods wil.
En dat ze ons vervolgens weer wordt afgenomen, ook omdat het Gods wil is.
Nee, wij scheppen zelf onze vrijheid.
En we vernietigen ze ook weer.
We bestrijden ze even hartstochtelijk als we haar nastreven.

Dat gehaast, die files, die vreselijke baas op het werk, die pesterige collega’s, die oervervelende lessen op school, kortom dat hele krankzinnige moderne leven: we zouden het voor geen geld ter wereld willen missen, we willen het onder geen beding afgeven.

Pardon?

Verlangen we niet allemaal naar een betere wereld, een rustiger wereld, een menselijker wereld?
Zijn we niet allemaal verontwaardigd als er weer een paar terroristen, gangsters, racisten, Bart De Wevers of ayatollahs roet in het eten komen gooien?
Zeker wel.
Maar wat verandert al dat verlangen en al die verontwaardiging?
Juist: niemendal.
En de reden daarvoor is dat we ons niet bewust zijn van onze dubbele houding, van onze gespletenheid.
Er is niets wat we meer willen dan onze vrijheid.
En er is niets wat ons zo de stuipen op het lijf jaagt als juist die vrijheid.

We zijn als een paard dat in volle galop op een hindernis afstormt en dan vlak ervoor blijft staan.
Ruitertje in een grote boog door de lucht.
Ruitertje bijt in het zand.
Ruitertje klimt weer op z’n paard.
En hop, hetzelfde spelletje herhaalt zich.
Keer op keer. Telkens weer opnieuw.
Ziedaar het menselijk bedrijf.

Dat ruitertje en dat paard, dat zijn wijzelf.
We stormen op de vrijheid af als iemand die drie uur in de file heeft gezeten.
Maar we zien de hindernis niet.
We beseffen niet dat ons paard – onze onbewuste wil – telkens weigert en dat het ruitertje – ons heldere bewustzijn – telkens in het zand bijt.
We beseffen niet dat de confrontatie met de vrijheid ons als het ware in twee scheurt.

We kunnen niet zeggen: goed, beste paard, blijf jij maar staan, dan ga ik te voet verder.
Want paard en ruiter zijn één.
Hoe verder ze zich van elkaar verwijderen, hoe groter de (innerlijke) spanning.
En als die spanning te groot wordt, vliegt het ruitertje weer in een grote boog door de lucht, maar dan in omgekeerde zin, weer op zijn paard.
Want het paard – de onbewuste wil – is veel sterker dan het ruitertje.
Hoever dat ruitertje ook doordringt in de vrijheid, vroeg of laat moet het naar zijn paard terug.
En als dat paard intussen op eigen houtje zijn stal is gaan zoeken (‘in Gods wil’), kan dat héél ver terug zijn, naar een plek waar in de verste verte geen vrijheid meer te bespeuren valt.

Dat ruitertje, dat zijn wij met al onze wensen en verlangens naar een vrije wereld.
De hele mensheid is vandaag ruitertje geworden.
Als een magneet wordt ze aangetrokken door de plekken waar de grootste vrijheid heerst.
Geen enkele file kan ze daarvan weerhouden.
Maar wij zijn ook paard.
En allemaal blijven we stokstijf staan voor de hindernis die ons van de vrijheid scheidt.
Allemaal werpen we onze ruiter af, of we nu moderne Westerlingen zijn of primitieve immigranten.
Allemaal bijten we in het zand.

En we beseffen het niet.

Want we slagen er niet in om ons een beeld te vormen van de situatie.
We benaderen ze instinctief, vanuit onze buik (zoals bijvoorbeeld de migranten) of we benaderen ze abstract, vanuit ons hoofd (zoals bijvoorbeeld de politiek-correcte intellectuelen).
We zouden ook kunnen zeggen: we benaderen ze religieus of wetenschappelijk.
Maar we benaderen ze niet kunstzinnig, we benaderen ze niet vanuit ons hart.
Die mogelijkheid komt niet eens in ons op.

En toch.

Het is de enige manier om greep te krijgen op de situatie waarin we ons bevinden.
Alleen de kunst is in staat om de uitersten met elkaar te verzoenen.
Alleen de kunst is in staat om paard én ruiter over die hindernis te krijgen.
In een sierlijke boog.

Wat ik hier schrijf, is niet zomaar wat Spielerei-met-beelden.
Het is een poging om zicht te krijgen op een zeer concrete situatie waarin ik me momenteel bevind.
Want ik moet kiezen.
Ik moet een verschrikkelijk moeilijke, verscheurende keuze maken.
Het zou me te ver voeren om daar nu op in te gaan.
Maar het komt erop neer dat ik moet kiezen tussen twee mogelijkheden: ja of nee.
En van dat ja of nee hangt de rest van mijn leven af.
Zo is het hoogstwaarschijnlijk niet, maar zo voelt het wel aan.
En ik kan niet kiezen.
De voor en tegens zijn precies even groot.
Alle argumenten die ik aanvoer, alle voorstellingen die ik me maak, brengen me geen stap verder.
Het blijft onverminderd fifty-fifty.
Alsof de duivel ermee gemoeid is.
Alsof iemand een kwaadaardig spelletje met me speelt.
Alsof iemand me alleen maar wil kwellen.

Dankzij Steiners Bologna-voordracht weet ik natuurlijk dat ikzelf die kweller ben.
Maar waarom in godsnaam kwel ik mezelf zo?
Waarom breng ik mezelf in deze situatie?

Ik kan daar voorlopig maar één antwoord op vinden: om me te dwingen een beeld te vormen van mezelf, om me te dwingen in de spiegel te kijken.
En God, er is niets vreselijkers voor een mens dan in de spiegel te moeten kijken.
Het is de confrontatie met de dubbelganger die de wacht houdt aan de drempel van de vrijheid.
Spannend om over te lezen, een verschrikking om mee te maken.

Daarom is er de kunst.
Om de waarheid te overleven, de waarheid over onszelf, de waarheid die onze dubbelganger ons zo ongenadig voorhoudt.

Ik kan er momenteel nog niet om lachen, maar ik begin te bespeuren dat ik mezelf op een kunstzinnige (maar allesbehalve sentimentele) manier in een situatie heb gebracht die me dwingt om in de spiegel te kijken. En die spiegel moet ik zelf maken, aan de hand van het materiaal dat de werkelijkheid mij ter beschikking stelt.
Ik ben daar niet toe verplicht.
Ik ben zelfs niet verplicht om te kiezen.
Ik kan gewoon mijn ogen sluiten, het allemaal over me heen laten komen en doen waar ik, als oude ziel, zo goed in ben: aan de klaagmuur gaan staan.
Ik zou het ook als een jonge ziel kunnen aanpakken, de knoop doorhakken en er het beste van maken. Dat zou al een stuk verstandiger zijn.
Maar niet alleen durf ik dat niet, ik zou er ook een kans door verkijken: de kans om in de spiegel te kijken en daar een beeld te zien (lees: te vormen) van wie ik werkelijk ben: een paard en een ruiter die op een hindernis afstormen, weigeren, in het zand bijten en van voren af aan weer beginnen.
Het is een uiterst persoonlijk beeld, maar het is tegelijk het beeld van de moderne mens.

We staan allemaal voor de drempel van de vrijheid.
We stormen er als kusttoeristen op af.
En we vliegen in een grote boog door de lucht.
Dat vliegen op zich is best aangenaam: we zweven, we voelen ons vrij, we gaan uit de bol.
Maar dan komt de landing, en die is onzacht.
Het houdt ons echter niet tegen om opnieuw te beginnen. Telkens weer.
We stormen, we vliegen door de lucht en we bijten in het zand.
Het beeld van onze tijd.

Maar we moeten dat beeld ook in de tijd plaatsen.
Na twintig keer in het zand te hebben gebeten, stormen we niet langer zo enthousiast op de vrijheid af. Niet alleen doen onze knoken behoorlijk pijn, maar we worden er ook moedeloos van. We gaan twijfelen aan ons vermogen om over die hindernis te raken.
En langzaam groeit in ons de overtuiging: inch’ allah, het is Gods wil.
We doen geen moeite meer om over de hindernis te raken.
We rijden ernaartoe, stappen af en drinken een kopje muntthee.
Zo slijten we ons leven.

Zoals de man in de parabel van Kafka’s Proces.

Voor de wet staat een wachter. Bij deze wachter komt een man van buiten en vraagt om toegelaten te worden tot de wet. Maar de wachter zegt dat hij hem nu niet kan toelaten. De man denkt na en vraagt dan of hij later zal mogen binnengaan. Het is mogelijk, zegt de wachter, maar nu niet.
De man gaat erbij zitten en wacht.
Hij doet vele pogingen om toegelaten te worden en vermoeit de wachter met zijn gesmeek.
Maar deze kan hem niet toelaten.
De man wordt oud. Hij voelt zijn krachten afnemen en spant zich nog een laatste keer in.
Hoe komt het, vraagt hij aan de wachter, dat er al die tijd niemand behalve ik toegang heeft gevraagd? Iedereen streeft er toch naar om de wet te bereiken?
De wachter antwoordt: hier kon niemand anders toegang krijgen, want deze ingang was alleen voor jou bestemd. Ik ga nu heen en sluit de poort.

Kafka was een kunstenaar. Hij voelde 100 jaar geleden al aan in welke situatie de moderne mens terecht zou komen en hij goot het in een prachtig beeld, het beeld van de mens aan de drempel, het beeld van de mens die zijn dubbelganger ontmoet.
En hij raakt er niet voorbij.
Hij gaat erbij zitten.

De wereld die dan ontstaat heeft Kafka in Het Proces (maar niet alleen daar) beschreven.
Het is een Kafkaiaanse wereld.
Het is een wereld waarin mensen beschuldigd worden en niet weten door wie of waarom.
Het is een wereld waarin ze zonder proces terechtgesteld worden.
Het is onze wereld.

Het is een wereld van mensen die niet over de drempel raken,
die de confrontatie met hun dubbelganger niet aangaan,
Een wereld van mensen die beschuldigen en beschuldigd worden,
en die niet weten waarom.
Want ze zien niet dat de wereld waarin ze leven een spiegel is.
Ze hebben Steiner niet gelezen die zegt dat het Ik van de mens niet ín hem leeft, maar buiten hem, in de wereld die hem omgeeft.
Of ze hebben Steiner wel gelezen, maar zijn niet voorbij de woorden geraakt.
Ze zijn er niet in geslaagd zich een beeld te vormen.
En dus blijven ze voor de drempel in cirkels draaien,
tot ze uiteindelijk afstappen en bij de pakken gaan zitten.
Ze wachten tot de hindernis verdwijnt, tot de wachter verdwijnt,
tot het leven verdwijnt.

In die wereld leef ook ikzelf.
En nu ik stilaan ouder word en het leven uit me voel verdwijnen,
raap ik nog één keer al mijn krachten en al mijn valpartijen samen,
en stel ik de vraag:

Waarom mag ik niet naar binnen?
Waarom draai ik al m’n hele leven in cirkels rond?
Waarom komen altijd weer dezelfde situaties terug?
Waarom raak ik maar niet over die drempel?

Gewoonlijk stel ik die vragen aan God.
Maar de man zwijgt als vermoord.
Tja, je kunt het hem niet kwalijk nemen.
Nu begin ik echter te begrijpen dat ik die vraag aan mezelf moet stellen.
Ik moet ze aan mijn eigen Ik stellen dat daar ergens in outer space rondzweeft.
Ik moet ze stellen aan mijn dubbelganger.
Want hij staat tussen mij en mezelf.
Hij is degene die mij in twee splijt.
Hij is degene die de hele wereld in twee splijt.
En dubbelgangers weten waarom.

Maar dubbelgangers zijn afschrikwekkend.
En dat is nodig, want als we zomaar, onvoorbereid, zonder sterk genoeg bevonden te zijn door de Wachter, over de drempel stapten, zouden we verblind worden door ons eigen Ik.
En we zouden dan helemaal niks meer zien.

Steiner zegt in zijn Filosofie der Vrijheid: wie niet tegenover de idee kan gaan staan, wordt erdoor geknecht.
Steiner bedoelt hier natuurlijk de levende idee, niet de dode, abstracte idee, want daar kunnen wij moderne mensen zonder probleem tegenover gaan staan.
In abstracto kunnen we tegenwoordig overal tegenover gaan staan: zowel tegenover de ideeën van het materialisme, als tegenover de ideeën van de antroposofie.
Dat is al heel wat.
Maar het is niet genoeg.
We moeten nu ook tegenover de levende ideeën gaan staan.
We moeten over de drempel tussen de dode en de levende wereld.
Dat is ook de drempel naar de vrijheid, want wat we ons met zoveel moeite veroverd hebben en wat ons ’s morgens begroet op onze ontbijttafel, is de dode vrijheid, de vrijheid als vorm.
Nu is het tijd om ook de levende inhoud van die vrijheid te leren kennen.
Maar die inhoud bevindt zich aan gene zijde van de drempel.
En voor de drempel staat de Wachter, onze dubbelganger.
Hij belet ons om in de levende vrijheid te duiken en erin te verzuipen.
Hij vrijwaart er ons van om geknecht te worden door de vrijheid.

Geknecht door de vrijheid?
Wat mag dát wel betekenen?
Simpel: we zien het elke dag als we het huis verlaten.
Die hele krankzinnige wereld van het ochtendspitsuur: ziedaar de mensheid die verslaafd is aan de vrijheid.
Dat is heus geen mensheid die in een sierlijke boog over de hindernis springt.
Het zijn louter ruitertjes die door de lucht vliegen, denken dat ze vrij zijn en dan tegen de grond smakken.
Wij moderne mensen zijn vrijheid-junkies.
We gaan kapot aan onze vrijheid.
Omdat we alleen de lege vorm in handen houden en smartelijk verlangen naar de inhoud.
Maar die bereiken we nooit als onze dubbelganger ons niet doorlaat.
En daarvoor moeten we hem in de ogen durven kijken.
We moeten in de spiegel de vrijheidsjunkie leren zien die we geworden zijn.

‘Ik doe toch wat ik wil, zeker!’, zegt zo’n junkie.
En intussen doet hij precies wat anderen hem voorschrijven.

Maar we zijn niet alleen verslaafd aan de vrijheid.
We worden niet alleen geknecht door de vrijheidsidee.
Ook onze dubbelganger is een idee, een levende idee.
We hebben hem zelf geschapen!
En we worden door hem geknecht.

We doen voortdurend dingen die we niet willen.
We doen dingen die we bij anderen verafschuwen.
En we weten het niet.
De wereld is vandaag vergeven van mensen die ervan overtuigd zijn het goede na te streven en die non-stop hun medemensen ervan beschuldigen slecht te zijn.
Ze projecteren met andere woorden hun dubbelganger op anderen.
Dat is wat gebeurt als je niet tegenover je dubbelganger kunt gaan staan.
Je valt er dan mee samen.
Hij werkt dan door je heen.
En omdat hij sterk is als een paard heb je er geen verhaal tegen.
Je kunt hem alleen, in een machteloos gebaar, op anderen projecteren.

Maar dat is beter dan niets.
Want dit projecteren is deel van de beeldvorming.
Het is onze onzichtbare kunstenaar die aan het werk is.
Maar we beseffen het niet.
We doen het instinctief.

Eigenlijk zouden we aan onze vijanden moeten vragen: waarom sta je me in de weg?
Want zij zijn het scherm waarop we onze eigen dubbelganger projecteren.
Hij is het die ons – via alles wat wat we heftig verafschuwen – belet om over de drempel te gaan.
Maar we moeten oppassen van die dubbelganger.
Een opgewonden, briesend paard moet je niet benaderen als je niet weet hoe.
Veels te gevaarlijk!
En onze dubbelgangers zíjn opgewonden.
Ze zijn in alle staten, want – zoals Steiner al zei – de hele mensheid staat te dringen voor de drempel. Iedereen wil van de vrijheid proeven. Haar lokroep is onweerstaanbaar.
En de dubbelgangers moeten al dat volk tegenhouden, want er zijn er heel weinig die in staat zijn de levende vrijheid te ontmoeten zonder eraan ten gronde te gaan.
Dus gaan de dubbelgangers steeds heviger tekeer.
Ze sturen zelfs het weer in de war.

Maar dat betekent dat we steeds meer beelden van onszelf op de wereld projecteren.
Ja, heel de wereld wordt steeds meer tot een spiegel van de mens.
En dat geldt niet alleen voor de grote gezamenlijke wereld.
Het geldt ook voor onze hoogst persoonlijke eigen wereld.
Voortdurend houdt die ons beelden voor in de hoop dat we ze zullen herkennen, dat we we zullen zeggen:

Verdorie, dat ben ikzelf, hoe is het mogelijk!

Ik heb al vaak ondervonden dat er in de wereld, ondanks alle ellende en harde confrontaties, toch ook humor zit.
Wat van dichtbij een tragedie lijkt, wordt vanop afstand een komedie.
En op die afstand komt het aan.
Het is echter niet de afstand van het hoofd, met zijn abstracte ideeën.
Het is de afstand van het hart, met zijn beelden.
Want alleen met ons hart kunnen we afstand nemen van onze dubbelganger.
Alleen met ons hart kunnen we de beelden herkennen die we van hem op onze omgeving projecteren.
En laten we ons niet vergissen:
Het zijn hartverscheurende beelden.
En het zijn ook geen kunstwerken waar we in de comfortabele omgeving van een museum of een tentoonstellingszaal kunnen naar kijken.
Het zijn levende kunstwerken waar we zelf deel van uitmaken en die ons dwingen tot een keuze.

Voor zo’n keuze sta ik momenteel zelf.
Ik zou waarschijnlijk heel andere dingen moeten doen dan hier te zitten bloggen.
Maar ik zie geen andere manier om mijn tegenwoordigheid van geest te bewaren.
Ik moet kiezen en ik kan het niet.
Ik weet niet wat ik moet doen.

Ik ondervind nu aan den lijve hoe ontzettend belangrijk het is dat een mens over de drempel raakt, dat hij contact kan maken met zijn Ik, dat ‘aan de andere kant’ leeft en dat wél weet welke keuze er moet gemaakt worden.
Als ‘ruiter’ heb ik geen idee.
Ik zie twee mogelijkheden die allebei even aantrekkelijk en even onaantrekkelijk zijn.
Het is een perfect evenwicht.
Mijn hoofd komt er niet uit.
En mijn hart?
Dat fladdert wild rond in zijn kooi.
Het is in alle staten.
En toch weet ik dat er een juiste beslissing bestaat.
Ik ken ze, maar ik raak er niet bij.
Ik raak niet over die drempel die me van mezelf scheidt.

Zucht.

Misschien probeer ik het morgen nog een keer.

20130710-164909.jpg