Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: de geboorte van het kind

Over de drempel

Het zijn grijze, grauwe dagen.
Kerstmis nadert, maar de verwachting is verder weg dan ooit.
Mijn advent begon eigenlijk half september, toen ik in Brugge weer mensen begon te tekenen en vervuld raakte van nieuwe hoop en leven.
Maar toen kwam de draak en aborteerde het hele zaakje.
Ik begreep er niks van.
Ik had hier jaren naartoe geleefd, alles leek naar dit punt toe te werken.
Maar wat een geboorte leek te zullen worden, veranderde opeens in een miskraam.

Ik probeerde de zaak te begrijpen.
Wat kon ik anders doen?
Ik had geen flauw idee hoe het nu verder moest.
Er opende zich een groot zwart gat waarin ik probeerde licht te ontsteken.
Maar mijn lucifers zijn opgebrand en er is nog altijd geen vuur ontstaan.
Straks breekt het nieuwe jaar aan en moet begonnen worden met de voorbereiding van het komende marktseizoen.
Maar ik weet niet eens of er nog een tweede marktseizoen komt.
Het eerste eindigde in een totale mislukking.
Ik heb nochtans alles geprobeerd om het te doen slagen.
Ik heb het hele jaar geschilderd in functie van de markt.
En ik heb sinds Michaël niets anders meer gedaan dan nadenken over mijn mislukking.
Allemaal vergeefs.
Er is mij nog altijd geen licht opgegaan.
Het zwarte gat blijft zwart.

Ik heb nog wel het ‘droompje’ dat ik kreeg in antwoord op mijn vraag: wat nu?
Het eerste deel ervan begreep ik, maar het tweede blijft een raadsel.
Slaat het wellicht op de situatie waarin ik nu zit?
Ik bevind mij in die droom in een soort Escher-achtige constructie waarin ik mij vastklamp aan een soort kanteel. Maar ik voel mij naar beneden glijden en roep om hulp.
Beneden kijkt een keurig geklede man omhoog, glimlacht even en vervolgt zijn weg.
Op dat moment val ik naar beneden en kom op mijn twee voeten terecht alsof ik me maar een halve meter boven de grond bevond.
Tot zover mijn droom.

Nu de werkelijkheid.
Door onafgebroken na te denken over de ‘abortering’ van mijn verwachtingen ben ik gevangen geraakt in het labyrint van mijn eigen gedachten.
Hoe meer ik nadenk, hoe vaster ik kom te zitten.
Ik had gehoopt mij al denkend een beeld te kunnen vormen van mijn situatie dat duidelijk genoeg was om het in een praktische maatregel te vertalen.
Maar dat is tot nog toe niet gelukt en ik sta dicht bij het punt om het allemaal op te geven en … los te laten.
Is dat werkelijk wat ik moet doen?
Is dat wat mijn droom me wil vertellen?

Nog meer werkelijkheid: verleden week werd ik omvergereden door een auto, gelukkig zonder al te veel erg.
Alweer een beeld dus van bruusk afgestopt worden.
Maar hoeveel belang ik ook hecht aan beelden, ik vind het nog altijd een brug te ver om ze mijn leven te laten bepalen.
We kunnen toch niet terug naar de tijd van de Romeinen toen het leven geregeld werd door auguren die de wil van de goden aflazen aan de vlucht van de vogels?
Dat strookt niet met de vrijheid die wij mensen sindsdien ontwikkeld hebben.
Daar staat dan weer tegenover dat die vrijheid ons stuurloos heeft gemaakt.
We weten niet meer waar het heen moet met de wereld.
We hebben grote behoefte aan leiding, want zelf komen we er niet meer uit.
Dat ondervind ik nu zelf maar al te goed.
Ik heb mezelf helemaal vrijwillig in deze situatie gebracht.
Het is MIJN situatie, een situatie die ik GEWILD heb.
Maar nu zit ik vast.
Met alles wat ik ontwikkeld heb op het vlak van denken, voelen en willen – met de vermogens dus die ik de MIJNE mag noemen – kom ik er niet uit.
Ik weet zelfs niet of ik nog langer moet proberen.
Ik weet eigenlijk helemaal niks meer.

Als ik de zaak louter rationeel benader, dan kan ik maar beter stoppen met mijn marktkramerij.
Alles wijst erop dat het niks voor mij is, en ik ben de eerste om dat te beamen.
Zelfs de RVA vindt dat ik beter thuis kan blijven.
Het heeft geen zin om hard te werken en er nog geld aan toe te steken.
Tenslotte gaat een mens op de markt staan om geld te verdienen en niet om het kwijt te raken.
Zo’n louter rationele benadering draait echter uit op wanhoop over de zinloosheid van het leven en de onmacht van de mens.
Dat geldt trouwens niet alleen voor mijn geval.
Wie een optelsom maakt van alle problemen die de mens in zijn streven naar vrijheid gecreëerd heeft en daartegenover de vermogens plaatst die hij daarbij ontwikkeld heeft, kan niet anders dan tot de slotsom komen: dit loopt verkeerd af.
Hoe meer de mens zijn problemen probeert oplossen, des te groter maakt hij ze.
Zijn vermogens schieten gewoon tekort.

We hebben dus leiding nodig, want op eigen kracht redden we het niet meer.
Onze vrijheid heeft ons te diep in de problemen gebracht.
Maar diezelfde vrijheid belet ons ook om leiding te accepteren.
We willen ons leven niet laten bepalen door anderen, door dromen of door tekens allerhande.
We willen het zelf bepalen.
Maar dat lukt ons dus niet.
Ons ‘zelf’ is niet in staat om leiding te geven.
En toch is het IN dat ‘zelf’ dat we leiding moeten zoeken, want een leiding die niet uit onszelf komt, daar kunnen of willen we ons niet aan overgeven.

De vraag is natuurlijk of zo’n ‘innerlijke leiding’ wel bestaat.

Onze ziel is vandaag vervuld van liefde én haat, van hoop én angst, van rede én emotie, van goede wil én kwaadheid.
Ze is één en al tegenstrijdigheid.
Hoe kunnen we daar ooit leiding in vinden?
Dat is alleen mogelijk als we in onszelf iets vinden dat al deze tegenstellingen overstijgt.
Als die ‘innerlijke leider’ inderdaad bestaat, dan moet hij gezocht worden in het midden tussen de tegenpolen.
Maar dat midden is een groot, zwart gat.
Ons bewustzijn is volkomen gepolariseerd: het beweegt zich heen en weer tussen twee polen en kan zich in het midden niet handhaven.
Het dooft dan uit en we verliezen het bewustzijn.
De opgave is dus om bewustzijn te ontwikkelen IN dat midden, want het is de enige plaats waar we innerlijke leiding kunnen vinden, als die tenminste bestaat.

Volgens Rudolf Steiner gaat de mensheid vandaag over de drempel van de geestelijke wereld.
Er gebeurt met andere woorden in het groot wat we iedere avond in het klein meemaken wanneer we in slaap vallen: we betreden de geestelijke wereld maar we weten dat niet, omdat we bij het overschrijden van ‘de drempel’ ons bewustzijn verliezen.
Precies op het moment dat we als mensheid de grenzen van onze zelfstandigheid bereiken en overvallen worden door onmacht en vermoeidheid – we beleven een soort ‘wereldavond’ – gaan we over de drempel en betreden de geestelijke wereld.
Het is in deze wereld dat we leiding moeten zoeken want in de materiële wereld vinden we die niet meer.
Er is echter één groot probleem: we kunnen die wereld niet waarnemen.
Ons huidige bewustzijn, dat helemaal geworteld is in de materiële wereld, kan zich niet handhaven bij het overschrijden van de drempel.
De moderne mens weet dan ook, op enkele uitzonderingen na, helemaal niets af van een drempel of een geestelijke wereld.
Ten aanzien van die geestelijke wereld – die overal om ons heen is – slapen we dus.
We merken er niets van.
We zien wel dat er overal enorme veranderingen plaatsvinden, maar die schrijven we toe aan materiële factoren.
En juist dát brengt ons in de grootste problemen.

Om dat te illustreren, heb ik al vaker het beeld van de geboorte gebruikt, want een drempeloverschrijding is in feite een geestelijke geboorte, net zoals een geboorte een fysieke drempeloverschrijding is.
Wanneer een zwangere vrouw weeën krijgt, dan weet iedereen wat er moet gebeuren en wordt alles gedaan om de geboorte zo goed mogelijk te laten plaatsvinden.
Maar stel nu eens dat men geen flauw idee heeft wat er met die vrouw aan de hand is.
Men zal dan denken dat ze ernstig ziek is, dat ze in haar buik een gezwel heeft dat op alle mogelijke manieren moet bestreden worden.
Onwetendheid zorgt er dus voor dat de oprechte wil om de vrouw te helpen, uitgroeit tot de grootste bedreiging voor vrouw en kind.
Het probleem ligt met andere woorden niet bij de vrouw (als draagster van nieuw leven) maar bij de man (als drager van oud bewustzijn).
Het zijn niet de ingrijpende veranderingen die onze wereld ondergaat die het probleem vormen, het is de manier waarop ons materialistische bewustzijn erop reageert.
Onze – blinde – pogingen om de wereld te verbeteren, brengen die wereld juist in gevaar.
De enige echte verbetering kan alleen komen van het ‘kind’ dat geboren wil worden.

Dat kind gaat bij de geboorte ‘over de drempel’ en komt terecht in een geheel andere wereld waar het volkomen weerloos en hulpeloos is.
Het wordt er echter opgevangen door een moeder en een vader.
Voor die moeder is de geboorte eveneens een ‘drempeloverschrijding’: haar leven verandert voorgoed, van nu af aan is ze onlosmakelijk verbonden met en verantwoordelijk voor haar kind.
Dat geldt in mindere mate ook voor de vader: hij moet voortaan zijn vrouw delen met het kind.
Toch is zijn rol veel vrijer dan die van moeder en kind.
Hij kan zelf bepalen in welke mate hij verbonden blijft en verantwoordelijkheid opneemt.
Wat voor de moeder een natuurlijke kwestie is, is voor hem een morele kwestie.

Dat zien we ook bij de grote drempeloverschrijding van de mensheid.
De moderne mens is ‘zwanger’: in zijn ziel heeft zich een ‘kind’ ontwikkeld, een zelfstandig ‘ik’.
Hij kan dat ‘ik’ niet zien, evenmin als een moeder haar ongeboren kind kan zien.
Maar zoals een moeder de aanwezigheid van haar kind kan afleiden uit haar gezwollen lichaam, kan de moderne mens de aanwezigheid van zijn ‘ik’ afleiden uit zijn gezwollen zelfbewustzijn, .
Dat wil zeggen: hij ZOU dat kunnen, als hij tegenover dat zelfbewustzijn ging staan.
Maar hier ligt het grote verschil tussen een fysieke en een geestelijke zwangerschap.
Een zwangere vrouw kan haar dikke buik niet ontkennen, en ze kan dat des te minder naarmate het tijdstip van de geboorte nadert.
De moderne mens daarentegen kan zijn gezwollen zelfbewustzijn wél ontkennen, en hij doet dat zelfs des te meer naarmate het wanstaltiger proporties aanneemt.
We hoeven maar te kijken naar de onwaarschijnlijke arrogantie waarmee de hedendaagse materialist reageert op iedereen die gelooft in een geestelijke of goddelijke wereld.
Hij voelt zich verregaand superieur en het is onmogelijk om hem met die grootheidswaan te confronteren want dan barst hij uit in hevige verontwaardiging.
Hij reageert met andere woorden als een hoogzwangere vrouw die niets vermoedend in een spiegel kijkt en daar een dikke waggelende eend ziet.
Een echte vrouw weet natuurlijk dat die gedaanteverandering slechts van voorbijgaande aard is, anders zou het een vernietigende klap voor haar ego zijn.
Dat is ook de reden waarom het de moderne mens nagenoeg onmogelijk is om tegenover zijn gezwollen materialistische bewustzijn te gaan staan: zijn zelfbewustzijn zou het niet overleven.
En dus vermijdt zijn ego angstvallig alle ‘spiegels’ en wordt het zelfs gewelddadig als het zich dreigt bewust te worden van zichzelf.
Toch is het juist in die ‘zelfvernietigende’ confrontatie van het ego met zichzelf dat het ‘ik’ geboren wordt.

Een zwangere vrouw gaat al met een ‘aangeslagen’ ego door het leven, maar wanneer de bevalling inzet, blijft er van dat ego geen spaan meer over.
Ze wordt dan gereduceerd tot een naakt en machteloos lichaam dat geteisterd wordt door de hevigste pijnen.
Een diepere vernedering is nauwelijks denkbaar, en er is waarschijnlijk geen vrouw ter wereld die ze uit vrije wil zou ondergaan, dat wil zeggen zonder te weten dat ze beloond zal worden met een kind dat haar diepste verlangens vervult.
Dat weten is trouwens reeds aanwezig bij de bevruchting (en waarschijnlijk zelfs vroeger) en het begeleidt haar tijdens de hele zwangerschap.
Van Rudolf Steiner weten we dat een kind zijn ouders kiest.
Het is dus reeds werkzaam in de ontmoeting tussen man en vrouw.
Maar het werkt vooral door de vrouw, want zij is het die uiteindelijk de man kiest.
Zij is het ook die de bevruchting toelaat.
Deze overgave aan de man als bevruchter leidt negen maanden later tot de overgave aan de man als verloskundige.
De zwangerschap strekt zich dus uit tussen twee ‘overgaven’ van de vrouw aan de man: de genotvolle overgave van de bevruchting en de pijnlijke overgave van de bevalling.
Het zijn allebei drempeloverschrijdingen, points of no return.

Heel dit ingewikkelde proces dat begint met de ontmoeting tussen man en vrouw en eindigt met de geboorte van het kind, speelt zich ook af bij een (geestelijke) drempeloverschrijding.
Het voltrekt zich nu echter IN de mens.
Iedereen is hier dus man én vrouw.
Hij is tegelijk degene die het kind baart en degene die het kind verlost, degene die bevrucht en degene die bevrucht wordt.
Als vrouw en baarmoeder is de moderne mens in hoge mate passief.
Iedereen gaat vandaag over de drempel, of hij dat nu wil of niet.
We worden als het ware overrompeld door de geest: hij brengt ons allemaal in barensnood.
Als vrouw – dat wil zeggen in ons wils- en gevoelsleven – zijn we dus niet langer vrij: de bevalling neemt het nu van ons over.
Hoe hard we ook roepen en klagen: rien ne va plus.

Als man – dat wil zeggen in ons denken, in ons wakkere bewustzijn – liggen de zaken heel anders.
Hier kunnen we zonder de minste moeite het bestaan van ‘het kind’ ontkennen.
Dat hebben we te danken aan het materialisme, dat ons ervan overtuigd heeft dat er geen geestelijke wereld bestaat.
We voelen we ons dus volkomen vrij om te doen we wat we willen.
In ons denkende bewustzijn gedragen we ons (allemaal) als een man die alleen voor zijn plezier met een vrouw naar bed gaat.
Die man weet niet eens dat een menselijke ziel zwanger kan worden en een kind baren, laat staan dat hij daar rekening mee houdt of er zich verantwoordelijk voor voelt.
Hij gelooft zelfs niet dat er zoiets als een ziel bestaat.
Volgens hem bestaat alleen … hijzelf.
De materialistische denker gelooft inderdaad dat alleen het materialistische denken bestaat.
En hij handelt daar ook naar, hij reduceert de mens tot zijn hersenen.
Dat die reductie gevolgen zou kunnen hebben voor zijn ziel, daar staat hij geen moment bij stil.

(wordt vervolgd)

Advertenties

Het laatste stukje van de antroposofische puzzel

De Brug valt in de bus.
Altijd een spannend moment: wat zal er dit keer in staan?
Nummer 82 (reeds) opent met de vraag:
Hoe staat het met de Antroposofische Vereniging?
In antroposofische kringen is dat een geliefde vraag.
Om de zoveel tijd vragen antroposofen zich af hoe het verder moet, hoe het beter kan, wat de problemen zijn.
En daarna doen ze gewoon weer verder.
Dat is althans de indruk die ik krijg.

Zo lees ik in het eerste artikel van ene Steffen Hartmann dat hij in Dornach drie stromingen waarneemt: de moderniseerders (Bodo von Plato, Paul Mackay en co), de bewaarders (Sergej Prokofieff en Peter Selg) en Judith von Halle (de vrouw-met-de-stigmata).
Dat doet bij hem de vraag rijzen: hoe komen we tot een vruchtbaar ‘samen-in-onze-tegenstellingen’?
Hij citeert in dat verband Anton Kimpfler: ‘Als alle antroposofen zouden samenwerken, dan was de antroposofie de sterkste kracht ter wereld.’

Een tweede artikel is van de hand van Johannes Greiner.
Hij schrijft:

‘De talloze conflicten die sinds de dood van Rudolf Steiner in de Antroposofische Vereniging gewoed hebben, zijn een van de treurigste zaken voor iemand die zich in de antroposofie verdiept. Ook vandaag nog gaat er zoveel kracht verloren aan vitterijen en wederzijdse bestrijding.
Alsof Rudolf Steiner ons tot inquisitie aangezet heeft!
Toen hij merkte dat hij niet veel tijd meer had, hield hij de karmavoordrachten. Dat is zijn nalatenschap aan ons.
Uit het inzicht in het verleden kan men zijn eigen opgaven aflezen en vooral: zich bewust worden van de eigen schaduw. Samenwerken met mensen die de eigen dubbelganger spiegelen is de karmische kunst van de toekomst!
Als men het niet kan opbrengen om bij zijn eigen handelen voortdurend een tegengewicht te creëren dan doen anderen dat voor ons. Als we bij de oude gewoonte blijven om de tegenstander te bestrijden en alleen het eigen standpunt te laten gelden, dan stort alles in.

Om concreet te worden, wil ik een blik werpen op het Goetheanum.
Daar hebben zich de laatste jaren twee tegengestelde groepen gevormd, zo meen ik althans waar te nemen.
De ene groep wil in alle eerbied het werk van Rudolf Steiner verzorgen, de esoterie verdiepen en de christologie in het centrum stellen van het eigen streven.
De tweede groep richt de blik meer naar de buitenwereld en vraagt hoe men de antroposofie in de wereld kan plaatsen zonder deze te veel af te schrikken.
Deze twee groeperingen zijn als dag en nacht, als yin en yang.
Ze roepen elkaar als tegenstelling op.
Als er geen derde element als bemiddelaar tussenkomt, dan kan uit de strijd slechts de onderdrukking van één van beide volgen.
Een grondimpuls van de Weihnachtstagung was een verbinding te leggen tussen de openheid naar de wereld en de innerlijke arbeid, een verbinding zoals tussen de twee koepels van het eerste Goetheanum.’

20131213-121929.jpg

Tot zover Johannes Greiner.

Ik ben het volledig eens met beide auteurs, al heb ik zo mijn twijfels bij Judith von Halle als ‘derde stroming’.
Mij lijkt ze tot de ‘stroming’ van Prokofieff te behoren, ook al ligt ze juist met hem zwaar in de clinch.
Zo gaat dat: de grootste ruzie maak je altijd met ‘verwanten’.
Daarom maken antroposofen ook zoveel ruzie: omdat ze allemaal (geestelijk) verwant zijn.
In feite zijn antroposofen kleine kinderen: ze maken voortdurend ruzie.
Dat hoort nu eenmaal bij de jeugd.

De vraag is natuurlijk of antroposofen na 100 jaar al niet wat volwassener zouden moeten zijn.

Op het eerste gezicht ben je geneigd daar volmondig ja op te antwoorden.
Maar als je ziet hoe de twee meest vooraanstaande antroposofen – Marie von Sivers en Ita Wegman – niet eens konden wachten tot Steiners assen koud waren om elkaar in de haren te vliegen, dan vraag je je af: waren die twee werkelijk zo kinderachtig of was er meer aan de hand?

Toen ik las wat Hartmann en Greiner schrijven, moest ik onwillekeurig aan Anna denken, onze kleindochter die dit weekend bij ons logeerde.
Dat leverde volgend tafereeltje op.

Ik zit vooraan in mijn zetel-naast-de-kachel aan mijn blog te werken, en An en Anna zijn in de keuken bezig.
Ga je drinkbeker eens halen, hoor ik An zeggen.
Die beker staat vlak naast me, op een stapel boeken, precies op Anna’s ooghoogte.
Dat wordt dus een makkie.
Anna komt vanuit de keuken aangestoven, wild enthousiast over de haar opgedragen taak.
Vlak voor de beker blijft ze staan.
Ze kijkt speurend om zich heen.
Ze werpt een blik in haar poppenbedje, doet de deur van haar kastje open, tilt de kussens van de sofa op.
Niks.
Verbaasd kijkt ze rond.
Ze staat weer vlak voor de drinkbeker.
Je zoekt het te ver Anna, zeg ik, het is vlakbij!
Terstond laat ze zich op haar knieën vallen en steekt haar hoofd onder de kast.
Anna toch!
Ze springt weer overeind en haalt haar schoudertjes op, beide handjes omhoog stekend als om te zeggen: beker is weg!
Hij staat vlak voor je neus, dummie!
Ze kijkt opnieuw, maar ziet nog altijd niks.
Ik begin nu luid te lachen en er verschijnt een blik vol onbegrip in haar donkere ogen.
Ik sta op, grijp haar hoofdje met beide handen vast en duw haar neus op de drinkbeker.
Geen reactie.
Wel verrek, denk ik.
Ik laat echter niet los, en op een gegeven moment rolt de knikker van haar aandacht dan toch in de goede richting.
Eureka, de beker, ze ziet hem!
Met een wilde zwaai grijpt ze het ding vast en holt ermee naar de keuken, trots op haar vondst.

Ik ga hoofdschuddend weer zitten.
Een mens vraagt zich af wat zo’n kind allemaal ziet en – vooral – niet ziet.
Ik vergeet gemakshalve dat dergelijke dingen me ook regelmatig overkomen.
Ik zie alles, behalve wat vlak voor mijn neus staat.

20131213-122123.jpg

En ik ben niet de enige.

Als An roept: waar is de …?, antwoord ik altijd: vlak voor je neus!
In de helft van de gevallen klopt het nog ook.
Als het mij overkomt, zeg ik altijd: maar daarnet lag het er niet!
En ik probeer An ervan te overtuigen dat dingen zich kunnen verstoppen.
Ik geloof dat zelf wel niet, maar ik wil de mogelijkheid toch openhouden.
Zei C.G.Jung niet dat dingen ‘wegverwonderd’ kunnen worden?
Er kunnen alleszins vreemde dingen gebeuren met iemands aandacht.
Het ene moment kun je stekeblind zijn voor iets, en het volgende moment zie je het zo helder dat je niet kunt begrijpen dat je ’t niet eerder gezien hebt.
Waaraan ligt zo’n tijdelijke blindheid?
Toeval?
Ik heb daar zo mijn twijfels over.
Vanwaar komen gedachten, invallen, inzichten?
Uit het niets.
Maar is dat ‘niets’ niet gewoon een woord voor wat we niet kennen?
Wat mij betreft, kan het net zo goed iémand zijn die me een idee ingeeft of mijn blik ergens op richt. Een geest zeg maar, een wezen dat je niet kunt zien.
En waarom zouden die geesten ook geen dingen kunnen ‘verbergen’?
Dat wil zeggen: ervoor zorgen dat we ze niet zien?

Daar moest ik dus aan denken toen ik las wat Hartmann en Greiner schrijven.
Want ik dacht: zien ze het nu écht niet?
Allebei onderscheiden ze twee tegengestelde groepen (Judith doet even niet mee).
Allebei pleiten ze voor samenwerking tussen deze twee groepen.
Allebei zien ze daarin zowel het probleem als de oplossing.
Greiner heeft het ook nog eens over de Weihnachtstagung die de twee stromingen met elkaar verbond zoals de koepels van het afgebrande Goetheanum.
En alsof het nog niet genoeg is, presenteert hij Steiners karmavoordrachten als datgene-wat-hij-ons-op-het-hart-wilde-drukken.

Maar geen van beiden rept met één woord over oude en jonge zielen, terwijl iedereen kan zien dat het daarover gaat.
Ze staan met hun neus op het antwoord dat ze zoeken, en toch zien ze het niet.
Twee volwassen antroposofen, en ze gedragen zich zoals een kleuter van drie.
Want er is geen antroposoof die niet gehoord heeft van oude en jonge zielen.
Of die niet weet wat herders en koningen zijn.
Het is de oerdualiteit van de antroposofie.
Maar ze zien het niet.
Alsof ze opeens met blindheid geslagen zijn.
Alsof het zielenthema ‘wegverwonderd’ is.

20131213-122220.jpg

Ik schud mijn hoofd, net als bij Anna.
Het lijkt wel of ze het niet WILLEN zien!
Uit hun tekst valt op te maken dat ze heel goed weten waar het om gaat en wat het probleem is, maar ze krijgen de woorden ‘oude en jonge zielen’ niet over hun lippen.
Ze kunnen of durven of willen het probleem niet bij de naam noemen.
De laatste beslissende stap zetten ze niet.
De stap van denken naar doen.
De stap van theorie naar praktijk.
De stap die alles in beweging zet.

Rudolf Steiner zegt over het thema van oude en jonge zielen het volgende:
‘Als we volgens deze inzichten onze plaats in het leven bepalen, dan is dat een intensieve toepassing van de theorie op het leven. Dat iemand veel over karma praat, hoeft niet zoveel pijn te doen. Maar als het bij wijze van spreken in het eigen vlees snijdt, dan komt het al dichter bij het eigen wezen. En dat is precies wat de antroposofie op aarde wil brengen: verdieping van het wezen van de mens.’

Hartmann en Greiner doen me denken aan mensen die een puzzel maken en nog slechts één stukje moeten inpassen: de oude en de jonge zielen.
Het is maar een klein stukje vergeleken bij de vaak indrukwekkende stukken die ze al op hun plaats hebben gelegd. En toch komen ze er niet toe om dat laatste gaatje op te vullen en het beeld compleet te maken.
Waarom?
Wat houdt hen tegen?

Het is de herkenning.
Ze deinzen terug voor wat er zichtbaar zal worden als ze dat laatste stukje inpassen.
Ze deinzen terug voor het levend worden van het samengepuzzelde beeld.
Ze voelen dat ze het beeld zullen herkennen.
Dat ze contact zullen maken met wie of met wat zich (nu nog) in dat beeld verbergt.
En die ontmoeting zal alles veranderen.
Als je tussen onbekenden opeens een bekend gezicht ontdekt, dan wordt alles anders.

20131213-122355.jpg

De antroposofie gaat over de mens.
Zij wil het wezen van de mens verdiepen zodat er een ontmoeting kan plaatsvinden met de kern van dat wezen, met het diepste wezen van de mens.
Dat is, zou je kunnen zeggen, het doel van de antroposofie: de mens weer in contact brengen met wie hij in wezen is.
Want de mens is vervreemd van zichzelf.
Hij weet niet meer wie hij is.
Hij weet ook niet meer wie de ander is.
Mensen zijn vreemden geworden voor elkaar.

Ons diepste wezen – ons Ik – heeft zich in de loop der tijden losgemaakt uit zijn omhullingen, zoals ook een kind dat stelselmatig doet wanneer het opgroeit.
Op die manier wordt het stap voor stap volwassen en zelfstandig.
Die zelfstandigheid hebben we echter zwaar betaald: zonder omhulling staan we als vreemden in de wereld en tegenover elkaar.
Maar voor het eerst in de geschiedenis opent zich nu ook de mogelijkheid om de ander in zijn naakte Ik-zijn te herkennen en te ontmoeten.
Niet via ras of volk of familie of sociale klasse of welke andere omhulling ook, maar rechtstreeks van Ik tot Ik.

Dat is een grote stap, want zo’n ontmoeting is op louter vertrouwen gebaseerd.
Wordt dat vertrouwen beschaamd, dan slaat dat diepe wonden.
En voor die pijn deinst de moderne mens terug.
Maar er is meer.
Een Ik-ontmoeting vereist een totale overgave.
Anders kun je een mens niet echt ontmoeten.
Is je eigen Ik echter niet sterk genoeg, dan dreig je jezelf te verliezen in die overgave.
En dat is een nog groter gevaar dan het gekwetst worden.
Om de mens voor dat gevaar te behoeden – het gevaar dat hij niet alleen zijn omhullingen maar ook zijn Ik kwijtspeelt – is er de dubbelganger.
Hij is het (geestelijke) wezen dat ons belet de stap over de drempel te zetten als we daar nog niet sterk genoeg voor zijn.
En die sterkte kunnen we aflezen aan ons vermogen om onze dubbelganger onder ogen te zien.
Kunnen we hem onder ogen zien zonder los te barsten in verontwaardiging of afschuw of woede of geweld of welke vorm van ontkenning ook, dan zijn we er klaar voor. Dan kunnen we onze dubbelganger bewust meenemen in onze ontmoeting.
Want hij hoort bij ons, hij is een deel van ons wezen, zonder hem zijn we niet ‘heel’.
Ja, zonder hem stellen we vaak niet veel voor.

20131213-122906.jpg

Kijken we maar naar de ‘bange, blanke man’: hij is in veel opzichten een zwakke, meelijwekkende figuur, juist omdat hij reeds het grootste deel van zijn omhullingen heeft afgelegd. Hij staat daar in al zijn Ik-naaktheid en de hele wereld ligt bij wijze van spreken op de loer om dit lekkere hapje op te peuzelen.

Dubbelgangers vormen een soort internationale gemeenschap.
Ze hebben de neiging om samen te smelten met elkaar, juist omdat ze geen Ik hebben.
En dan vormen ze een enorme, dreigende kracht die het voorzien heeft op het Ik van de mens.
Want de dubbelganger wil niets liever dan verenigd worden met het Ik van de mens.
Maar hij kent slechts één manier om dat te doen: die van het roofdier.
Dat roofdier hebben we allemaal in ons.
Het vertoont zich uitgerekend op het moment dat we onze laatste omhullingen afleggen en ons Ik zichtbaar wordt.

Het loert met name op de antroposofie, waar het Ik van de mens centraal staat.
Van zodra Rudolf Steiner begon met de ontsluiering van het Ik-geheim werd hij aangevallen door demonen.
Naarmate ze doorkregen met wie ze te doen hadden, werden hun aanvallen heviger.
Ze culmineerden een eerste keer in de moordaanslag die op Steiner gepleegd werd.
Daarna volgde de brandstichting van het Goetheanum.
Een jaar later, onmiddellijk na de Weihnachtstagung, sloegen ze opnieuw toe.
Negen maanden later, kort na de onthulling van het zielenthema, maakten ze een eind aan zijn openbare leven.
Zes maanden later stierf Steiner en opnieuw sloegen ze toe: ze scheurden de hele Antroposofische Vereniging in twee en legden ze lam.
Volgens Ita Wegman was er een rechtstreeks verband tussen deze scheuring en de opkomst van Hitler.
Hitler zorgde ervoor dat heel Europa in twee gescheurd werd.
En daarmee was het nog niet gedaan.
Het ‘verscheuren’ gaat door, tot op de huidige dag.

Als de antroposofie is wat ze beweert te zijn, dan hebben de ruzies in haar schoot een representatief karakter: het zijn mensheidsruzies.
Wat in de antroposofie op geestelijk (en minder geestelijk) vlak wordt uitgevochten, wordt elders in de wereld op fysiek vlak uitgevochten.
De dubbelganger van de antroposofie is in feite de dubbelganger van de mensheid.
Hij is als het ware de som van alle individuele dubbelgangers.
Een roofdier van kosmische afmetingen.
De draak zelve.

20131213-123616.jpg

Toen Rudolf Steiner – dat machtige mensen-Ik – stierf, stond de antroposofische vereniging naakt en onbeschermd tegenover de draak.
En die zag zijn kans schoon.
Hij reduceerde al die ‘spirituele’ figuren tot kinderachtige wezens die ruzie maakten over prullaria.

Ik hoor het Anna zo roepen: is mijne!

Ik ben de afgelopen 30 jaar getuige geweest van verschillende antroposofische ruzies.
Wie niet gelooft in de draak moet zich maar eens in zo’n ruzie mengen.
Je ziet mensen voor je ogen veranderen in totaal andere wezens, alsof je ze nooit gekend hebt en hun ware aard pas nu bovenkomt.
Maar het is natuurlijk hun dubbelganger die het heft overneemt.
Antroposofische ruzies zijn bijna altijd ruzies tussen dubbelgangers, ruzies waarbij de mensen en de menselijkheid ruw aan de kant worden geschoven en alle spiritualiteit in rook opgaat.
En steeds weer wordt een gemeenschap in twee gedeeld.
Steeds weer gaat het om dezelfde tweedeling: die tussen oude en jonge zielen.
Ik heb het al zo vaak zien gebeuren, en ik zie het nog altijd gebeuren.
Zoals ook nu weer in Dornach.
Het is altijd hetzelfde liedje.
En we herkennen de melodie maar niet.
Want we WILLEN ze niet herkennen.
Of beter: onze dubbelganger wil dat niet.
Want hij leeft in en van de broederstrijd.
Als we die strijd herkennen, herkennen we de dubbelganger.
En dan verliest hij zijn macht over ons.
Dat jaagt hem evenzeer de stuipen op het lijf als hij ons de stuipen op het lijf jaagt.
Want hij vreest het menselijke Ik kwijt te raken en in peilloze diepten neer te storten.
De mens is namelijk zijn enige hoop op verlossing.
Daarom klampt hij zich aan ons vast alsof zijn leven ervan afhangt.
En wij duwen hem van ons af alsof … ons leven er eveneens van afhangt.

Dat is de tragiek van onze relatie met de dubbelganger.
Het is ook de tragiek van de relatie tussen oude en jonge zielen.
Want zij zijn elkaars dubbelganger.
Of beter: zij zien hun dubbelganger in elkaar.
Want dat is wat dubbelgangers doen: zij projecteren zichzelf op de ander.
En hoe meer die ander op ons lijkt, hoe groter de verwantschap is, des te duidelijker is de projectie.
Daarom zijn broedertwisten de ergste van allemaal.
‘Broers’ zien hun dubbelganger zo duidelijk in de ander dat ze het niet kunnen verdragen en de spiegel – hun broeder dus – willen stukslaan.

De enige manier om dat te vermijden, is door onszelf in de (verafschuwde) ander te herkennen.
Maar dat is juist de zwaarste opgave.
Onszelf herkennen in datgene of diegene die we het meest verafschuwen?
Dat voelt als … zelfvernietiging.

Ik herinner me ooit een boek gelezen te hebben waarin het Duitse en het joodse volk met elkaar vergeleken werden.
En wat bleek?
Ze waren ‘broers’: ze spiegelden elkaar op tal van gebieden.
De Duitsers herkenden zichzelf in de joden, maar niet bewust.
En daarom probeerden ze de joodse spiegel te vernietigen zodat ze niet langer met hun spiegelbeeld geconfronteerd zouden worden.
Maar juist het vermijden van die (bewuste) confrontatie bracht hen op de rand van de totale zelfvernietiging.

20131213-123826.jpg

Dat is dan ook – nog altijd – de keuze waarvoor de mensheid staat: zelfherkenning of zelfvernietiging.
We moeten kiezen tussen de gevoelsmatige zelfvernietiging (die een gevolg is van het bewuste herkennen van de eigen dubbelganger) en de reële zelfvernietiging (die een gevolg is van het uit de weg gaan van die herkenning).

De pijn van de ontmoeting met de dubbelganger – de zelfherkenningspijn van het menselijke Ik – mag absoluut niet onderschat worden.
De dubbelganger gaat tekeer als een roofdier dat in de val zit.
Hij kan diepe wonden slaan.
Ik herinner me nog een familie-uitstapje in de Ardennen.
We hadden zowat de hele dag in de wilde natuur gewandeld toen we aan de rand van een bos opeens een buizerd aantroffen die in een klem was terechtgekomen, u weet wel zo’n ding met tanden dat dichtklapt en niet meer opengaat.
Het was een hele klus om dat dier te bevrijden.
Want het was niet blij om ons te zien, wel integendeel.
Van zodra we naderden sloeg het wild met zijn vleugels en haalde het uit met zijn bek en zijn ene vrije klauw.
De buizerd zag ons als de vijand en hij vocht voor zijn leven.
We moesten dus én dat wilde dier in bedwang houden én die klem openkrijgen.
Dat vergde een nauwe samenwerking, maar na een verwoed gevecht slaagden we erin de buizerd vrij te krijgen.
Hij koos meteen het luchtruim.
Een bedankje kon er niet af.
Waarschijnlijk klopte zijn hart al even fel als het onze.
Maar onze dag was goed.
We hadden een kwaad ongedaan gemaakt.

De dubbelganger is een roofdier dat niet zonder handschoenen mag worden aangepakt.
Hij is werkelijk gevaarlijk.
Maar het gevaar bestaat vooral uit onwetendheid, aan beide kanten.
En juist daarom heeft Rudolf Steiner ons – op de valreep – het weten geschonken omtrent de oude en de jonge zielen.
Het was het laatste stukje van de grote antroposofische puzzel.

Op het eerste gezicht lijkt het onaanzienlijk, een beetje banaal zelfs:
Er zijn twee soorten antroposofen.
Het klinkt bijna kinderachtig, alsof ook de antroposofie zijn cowboys en indianen telt.
Dan kun je het toch beter hebben over de rozenkruisers, of over de manicheïsten, of over de Michaëlstroom, of de graalstroming.
Dat klinkt veel spiritueler.
Maar nee, oude en jonge zielen.
Antroposofie voor kinderen …

20131213-124037.jpg

We vergeten echter dat Steiner zijn grote liefdesoffer op kerstmis bracht, in een soort stal: het schrijnwerkersatelier, de werkplaats van de timmerman.
De koninklijke antroposofische tempel was afgebrand.
De antroposofie stond als het ware op straat.
Naakt en berooid.
En toen gebeurde het: Steiner werd weer kind.
Hij offerde zijn indrukwekkende geestelijke grootheid op om deel te worden van de antroposofische vereniging, een verzameling kleine kinderen die voortdurend ruzie maakten.
Hij leverde zich aan hen over, ze mochten met hem doen wat ze wilden.
En dat deden ze ook.
In plaats van zich als ouders te gedragen en de zorg voor het kind op zich te nemen, gingen ze gewoon door met ruzie maken.
Met al hun persoonlijke besognes scheurden ze Steiner als het ware in stukken.
En hij protesteerde niet, hij liet het allemaal gebeuren.
Hij was een kind geworden dat uit louter liefde bestond.
Hij had maar één boodschap meer: hebt elkander lief.

En hij gaf het voorbeeld.

Hij vertelde ook een eenvoudig verhaaltje, over twee broers, een oudere en een jongere.
Het klonk nogal onnozel, althans voor degenen die belangrijker zaken aan hun hoofd hadden.
Maar degenen die met hun hart luisterden, hoorden de stemmen uit de hoogste hiërarchieën, want van daaruit sprak Steiner tijdens zijn karmavoordrachten.
Hij had nog veel meer willen vertellen vanuit deze hoge kinderlijke sferen, maar zijn offer belette dat.
Hij was tot de daad overgegaan.
Hij had – op het allerhoogste niveau – de stap gezet van theorie naar praktijk.
En daarmee nodigde hij ons uit diezelfde stap te zetten, maar dan op ons niveau, dat van de ruziemakende kinderen, de oude en de jonge zielen.

Het was een stap waarop de demonen furieus reageerden.
Het is een stap waarop ze altijd reageren.
Dat kan afgelezen worden aan het feit dat de antroposofische vereniging die ene kleine stap nog altijd niet gezet heeft.
Bijna 100 jaar nadat Rudolf Steiner het geheim van de oude en de jonge zielen onthulde en zijn toehoorders op het hart drukte om na te denken over dit thema, is er nauwelijks een antroposoof die weet of hij een oude dan wel een jonge ziel is.
Ofschoon Steiner het zielenthema in verband bracht met het voortbestaan van de menselijke beschaving, leeft het totaal niet in de antroposofische vereniging.
Tenzij dan onbewust, in de talloze ruzies en onenigheden die de antroposofie verhinderen ‘de sterkste kracht ter wereld’ te worden, een kracht die de verscheurde wereld meer dan ooit nodig heeft.
Het is dus niet de geest van Rudolf Steiner die de huidige antroposofische vereniging bezielt, het is de geest van de dubbelganger.
Hij heeft de antroposofie stevig in zijn greep.
Hij maakt haar blind voor ‘het kind’.
Hij belet haar de drieledige constellatie te zien waarin dat kind geboren wordt: een Ik dat ontvangen wordt door twee liefhebbende ouders.
Die ouders zijn in dit geval de oude en de jonge zielen, de koningen en de herders.
Zolang zij niet samenwerken, bewust en vrijwillig samenwerken, is er in de herberg van antroposofische vereniging geen plaats voor de tot kind geworden geest van Rudolf Steiner.
Er is dan alleen maar plaats voor broedertwisten.
En voor de vraag: wat is er toch aan de hand?

20131213-124225.jpg

FRIEDRICH RITTELMEYER in gesprek met MET RUDOLF STEINER

‘Denkt u werkelijk dat de antroposofie erin zal slagen meer te worden dan een krachtige impuls in onze beschaving? Denkt u dat ze echt kan doorbreken als een nieuwe cultuur?’
Hij werd buitengewoon ernstig.
‘Als de mensheid niet aanvaardt wat haar aangeboden wordt, zal ze opnieuw honderd jaar moeten wachten’, zei hij.
Hij zag er diep bewogen uit.
En het waren niet zomaar emoties, het was meer iets als de donder van het oordeel.
Hij zei niets meer.
Nooit meer heb ik gezien (of had ik voordien gezien) hoe de ziel van een heel tijdperk kan beven in de ziel van één mens.

(Friedrich Rittelmeyer: Mijn ontmoeting met Rudolf Steiner)

Kijken en luisteren

Ik wil nog wat doorbomen over de relatie tussen kijken en luisteren, tussen beeld en klank, tussen oog en oor.
Het zijn twee zeer verschillende werelden die zich tot elkaar verhouden als … man en vrouw.
Van ogen zegt men dat ze kunnen steken, priemen, doorboren, vuur schieten, enzovoort.
Het oor daarentegen is een soort trechter die via een smalle opening geluiden tot diep in ons laat doordringen.
We kunnen ons van die geluiden nooit helemaal afsluiten.
Zelfs wanneer we onze oren dichtstoppen, kunnen we harde geluiden nog altijd voelen.
We luisteren in feite met ons hele lichaam, waarvan het oor slechts een pars pro toto is.
In de acupunctuur geldt de oorschelp als een lichaam in het klein.

Kijken doen we daarentegen alleen met onze ogen, en die zijn heel erg ‘onlichamelijk’.
Terwijl alle andere zintuigen ‘vlezig’ zijn, bestaan ogen uit een heel andere substantie.
Ze hebben een ‘glasachtig’ karakter en zijn in die zin meer verwant met de tanden, die eenzelfde witte kleur hebben en daardoor contrasteren met de rest van het gezicht.
Ook die tanden hebben een ‘mannelijk’ karakter.
Ze zijn hard, ze bijten, ze breken, ze vermorzelen.
Bij de mens zijn ze weliswaar geen wapens meer zoals bij de wilde dieren, maar ze zijn wel instrumenten die de mens kan gebruiken.
Of niet.

20130923-134958.jpg

Ook ogen zijn instrumenten die we kunnen gebruiken of niet.
We kunnen ze openen en we kunnen ze sluiten, net zoals we ook onze tanden kunnen ontbloten of bedekken.
Onze oren zijn veel minder instrumenteel.
Sommigen kunnen hun oren bewegen, maar dat geldt niet als een grote prestatie.
Mensen onderscheiden zich juist van de dieren doordat hun oren zo onbeweeglijk zijn.
Het menselijke oor is als het ware nog een deel van het lichaam.
We kunnen het niet afzonderlijk gebruiken.
We kunnen niet zeggen: nu ga ik even niet horen.
Evenmin als we kunnen zeggen: nu ga ik even mijn lichaam verlaten.
Via het oor en het horen is de mens verbonden met de fysieke wereld.
Hij kan er zich niet van losmaken.

Met onze ogen kunnen we dat juist wel.
We kunnen ze sluiten en dan is de hele wereld als bij toverslag verdwenen.
We wéten dan wel dat hij nog bestaat, maar we nemen hem niet meer waar.
En hier zien we (sic) al dat er een nauw verband is tussen zien en denken.
Het is juist dat verschil tussen de verschijnende en verdwijnende wereld dat ons aan het denken zet.
En dat verschil beleven we onafgebroken, want we knipperen voortdurend met onze ogen.
Dat doen we natuurlijk om onze ogen te bevochtigen (wat ook weer wijst op het droge, mannelijke karakter van het oog), maar het is tevens een beeld van hoe ons denken ontstaat.
Het oog schept afstand.
Het toont ons een werkelijkheid die in hoge mate ontoegankelijk voor ons is: een wereld van objecten waarvan we alleen de buitenkant zien en die we niet kunnen betreden.
De binnenkant der dingen is voor het oog terra incognita.
Het raakt nooit doorheen de zintuiglijke verschijning der dingen.
Met het oor is dat heel anders.
Als we iemands stem horen, vernemen we iets van zijn innerlijk, niet alleen door wát hij zegt, maar ook door de klank van zijn stem.
Het geluid dat levende wezens maken, verschaft ons een zekere toegang tot hun innerlijk.
Hun fysieke verschijning sluit die toegang af.

Hieruit kunnen we al afleiden dat de materialistische cultuur waarin we momenteel leven een uitgesproken oog-cultuur is.
Alles wat immers niet-materieel is, is onzichtbaar. En wat we niet kunnen zien, bestaat voor ons niet.
Het materialisme heeft dan ook iets paradoxaals, want in het centrum van de moderne wereld staat de sprekende en denkende mens, en zowel spreken als denken zijn onzichtbaar.
Stemgeluiden kunnen we niet zien, en gedachten nog veel minder.
Die contradictie lossen we op door geluid te interpreteren als trillingen of golven, dat wil zeggen als vormen die de lucht aanneemt, en gedachten als bewegingen van atomen en elementaire deeltjes.
Dat die elementaire stofdeeltjes onzichtbaar zijn, is geen bezwaar.
We máken ze zichtbaar.
Want we willen de hele werkelijkheid zichtbaar maken voor ons oog, zodat we er met ons denken in kunnen doordringen.

Dat verschaft ons de illusie dat we op deze manier álles kunnen leren kennen, dat de werkelijkheid voor ons dan geen geheimen meer heeft.
Er zijn geen grenzen aan onze ken-drang, aan onze wijs-begeerte.
We willen doordringen tot in de diepste geheimen, we willen inzicht krijgen in het meest verborgene, we willen mysteries ontsluieren, we willen het duister verdrijven en alles in het heldere licht plaatsen zodat we het kunnen zien en begrijpen.
Maar uit dit alles spreekt het mannelijke oog met zijn priemende blik.
En wat we vergeten is het vrouwelijke oor.
We vergeten dat die hele immense wereld die de wetenschap zichtbaar heeft gemaakt, ook een onzichtbare binnenkant heeft.
We vergeten dat al die beelden ook een ‘stem’ hebben.
En dat we die niet kunnen horen met ons denken.

De ‘binnenkant’ van de wereld kan alleen beluisterd worden door het hart.
Zoals het oog verbonden is met het denken van het hoofd,
zo is het oor verbonden met het voelen van het hart.
Het hoofd kijkt, en het hart luistert.
Het hoofd is een vesting met dikke muren hoog op een berg.
Daar woonde Wagner, wiens muziek vertelt van bergen en wolken en hoge luchten.
Het hart daarentegen leeft in de dalen, samen met alle mogelijke wezens, zichtbare en onzichtbare.
Van die kleurrijke en levendige wereld vertelt Tchaikovsky.
Niet toevallig was Wagner een denker, die grootse theorieën had over kunst en samenleving.
Van Tchaikovsky is niets van dien aard bekend. De man had het waarschijnlijk te druk met zijn liefdesperikelen.
Zo is dat nu eenmaal:
Het koele hoofd leeft ‘far from the madding crowd’.
Het snel ontvlambare hart is voortdurend verwikkeld in liefdeshistories.

20130923-135134.jpg

Eén ding is duidelijk: hoofd en hart, oog en oor, man en vrouw hebben elkaar nodig.
Hoezeer het oog en het hoofd zich ook distantiëren van alles, ze maken deel uit van het lichaam.
En hoezeer oor en hart zich ook vereenzelvigen met dat lichaam, zonder hoofd kan geen lichaam bestaan.
Dat laatste wordt wel eens vergeten door de ‘groene jongens’.
Ze vinden dat de natuur beter af zou zijn zonder de mens.
Maar ze vergeten dat de mens het ‘hoofd’ is van de natuur, het wezen dat tegenover die natuur gaat staan en er zich bewust van wordt, net zoals het hoofd afstand neemt van het lichaam en het op die manier leert kennen.
En de natuur wíl gekend worden, zij wil door het menselijke bewustzijn bevrucht worden, want zij wil moeder worden, zij wil kinderen baren.
Zonder de ‘inspiratie’ van de mens is zij gedoemd onvruchtbaar te blijven.
Zonder de mens zal zij niet weer opbloeien als weleer, maar langzaam verdorren en sterven.

Daarom verdraagt de natuur zoveel van de mens, zoals ook de vrouw zoveel verdraagt van de man.
Maar alles wijst erop dat er een grens is bereikt.
Als er iéts is dat onze tijd kenmerkt, dan is het wel dat er een grens is bereikt, op ieder gebied.
Zelfs de politieke situatie in ons land is daar een uitdrukking van.
Vlaanderen is een vrouw die in haar huwelijk met Franstalig België heel veel heeft verdragen. Maar nu is de maat van de vernederingen vol en begint het volgzame, vrouwelijke Vlaanderen te protesteren, iets wat heel erg tegen haar natuur ingaat. Maar het water staat haar aan de lippen.
Hetzelfde geldt voor de natuur in het algemeen: ze begint te reageren tegen het schaamteloos mannelijke gedrag van de mens.
En zo zijn er nog ontelbare voorbeelden te noemen die allemaal hetzelfde beeld tonen: de mens is aan een grens gekomen.
En het is de mannelijke mens die in zijn relatie met het vrouwelijke aan een grens is gekomen.

Want wat die ‘mannelijke mens’ vandaag doet, heeft niets meer met het kennen of bevruchten van ‘het vrouwelijke’ te maken.
Het is een … verkrachting geworden.
En daar begint de vrouwelijke wereld zich nu tegen te verzetten, in naam van het kind dat ze draagt.
Het is alsof de ogen van de vrouwelijke wereld zijn opengegaan, alsof zij opeens ziet wat er aan het gebeuren is. En ze protesteert daar heftig tegen.

Het probleem is echter dat we ons daar niet bewust van zijn.
De man – of beter: ‘het mannelijke’ – is zich niet bewust van zijn gewelddadigheid. Hij denkt de liefde te bedrijven en beseft niet dat hij aan het verkrachten is.
De vrouw – of ‘het vrouwelijke’ – van zijn kant beseft niet dat ze in haar verzet al even mannelijk en gewelddadig wordt, en dat zulks de man alleen nog meer opwindt.
Hij interpreteert haar signalen immers als: ze vindt het leuk!
Hij is immers een oogmens, en het oog ziet geen verschil tussen (de uitdrukking van) genot en pijn.

20130923-135836.jpg

De zogenaamde opwarming van de aarde is daar een mooi voorbeeld van.
Het is een feit dat er iets aan de hand is met het klimaat.
Het is verstoord, ontstemd.
Maar hoe interpreteert de ‘mannelijke’ mens dat, de wetenschapper in de eerste plaats?
Hij zegt dat de aarde ‘opwarmt’, zoals hij dat ook zou zeggen van een vrouw die hij ‘een goede beurt’ geeft.
En dat gebruikt hij dan weer om nog meer macht uit te oefenen, om nog steviger ‘van bil te gaan’. Want het Global Warming concept geeft hem nog méér macht.

Maar luistert hij naar wat de protesterende natuur zegt?
Nee, luisteren is er niet bij. Immers: de natuur hééft geen stem, zij is niet bezield, zij is geen vrouw (laat staan een moeder) maar louter een lichaam.
Zo ziet het oog namelijk de natuur: als louter buitenkant zonder binnenkant.
En de tragiek is dat de natuur kan zeggen wat ze wil, niemand luistert, niemand verstaat haar taal.
Ook de vrouwen niet meer.
In hun protest tegen het mannelijke geweld zijn ze zelf mannelijk geworden.
Het is namelijk de enige taal die de mannelijke wereld verstaat.
En ze is er inderdaad door geïntimideerd.
Overal maken mannen plaats voor vrouwen, want ze hebben geen verhaal tegen de – mannelijke argumenten – van de vrouwen.
Ze voelen zich schuldig, ze voelen zich vies.
Maar tegelijkertijd voelen ze zich in het nauw gedreven, want achter of onder het vrouwelijke protest voelen ze wraakzucht.

Dat is trouwens, om nog eens over te stappen naar de politiek, het grote gevaar dat Vlaanderen momenteel bedreigt: dat het uit wraak gaat handelen.
Er is de afgelopen 200 jaar genoeg gebeurd om die wraak te rechtvaardigen.
Maar wraak is een uitzichtloze weg.
Ze zal Vlaanderen nog meer naar beneden halen dan het vernederende ‘mannelijke’ gedrag van Franstalig België.
Ze zal een eventueel onafhankelijk Vlaanderen niet bevrijden, integendeel.
De enige uitweg uit deze verkrachtingszaak, is inzicht.
De moderne mens – mannelijk of vrouwelijk – moet leren inzien wat er werkelijk aan het gebeuren is. En dat kan hij alleen als hij leert luisteren, luisteren naar de ‘binnenkant’ van de werkelijkheid.

20130923-140121.jpg

Maar – en dat is cruciaal – het mag niet het oude, eenzijdig vrouwelijke luisteren zijn.
Want dat is wat we momenteel overal zien gebeuren.
Onze extreem-mannelijke oog-cultuur wordt overspoeld door … geluid.
Niemand lijkt vandaag nog één moment zonder muziek te kunnen.
Het is geen zeldzaamheid meer om twee mensen met elkaar te zien spreken terwijl ze beide oortjes dragen en naar muziek luisteren.
Er zijn zelfs baby’s die niet meer kunnen slapen zonder muziek.
Stilte is het grote taboe geworden.

Het is goed om in gedachten te houden dat deze tsunami van geluid en klank een vrouwelijke reactie is op een extreem-mannelijke oogcultuur.
En het resultaat van die reactie is geenszins dat mensen nu beter gaan luisteren naar elkaar of naar de natuur.
Wel integendeel, ze worden nu pas écht doof.

Wat we vandaag op ieder gebied zien gebeuren is hoe een instinctief-vrouwelijke reactie op een extreem-mannelijke situatie de zaken nog veel erger maakt.
Want wat daardoor ontstaat is geen nieuw evenwicht, maar het tegendeel daarvan: een verkrachten dat nu echt een vernietigen wordt.
Al die zelfmoordterroristen zijn mannen die er niet genoeg meer aan hebben om in een vrouw te ‘ontploffen’, ze willen in een veel groter lichaam exploderen.
En hun terrorisme is een reactie op wat zij ervaren als ‘vrouwelijk terrorisme’: de wraakzucht van de vrouwelijke wereld die zij onbewust waarnemen.
Deze zelfmoordterroristen zijn mannen die nog niet helemaal oog geworden zijn, zoals de moderne mens. Ze hebben vaak zelfs heel weinig oog voor de objectieve, zichtbare werkelijkheid.
Maar juist daardoor kunnen zij nog enigszins luisteren naar de ‘binnenkant’ van de werkelijkheid, en daar nemen zij die vrouwelijke wraakzucht waar die hen de stuipen op het lijf jaagt.

20130923-140724.jpg

Maar ook hier in het moderne Westen beginnen mannen die wraakzucht te ‘horen’.
Want hun innerlijke ‘oor’ begint weer open te gaan, en zij vernemen opnieuw ‘de stem der dingen’.
En de ‘dingen’, dat wil zeggen de wereld die wij als een verzameling onbezielde dingen zien, zijn vertoornd. Ze zijn het moe om misbruikt en verkracht te worden door de mens.
En als die mens gewoon verder doet, zullen ze reageren en hun ‘wraak’ zal verschrikkelijk zijn.
De ruiters van de Apocalyps zullen dan door de wereld draven.
Er is maar één ding dat deze wezens-der-elementen kan stoppen, en dat is: erkenning.
Zij willen gezien worden, zij willen waargenomen worden, zij willen dat er naar hen geluisterd wordt.
En dat kan niet met uiterlijke ogen en oren.
En dat kan nog veel minder met de combinatie van beide, want als ze onbewust vermengd worden, maken ze elkaar blind en doof.
Het kan alleen met een bewuste vereniging van beide, met ogen die leren luisteren en oren die leren zien.
En de paradox is dat deze vereniging alleen mogelijk is door beide zorgvuldig van elkaar te scheiden.
We moeten leren luisteren zonder onze ogen te gebruiken,
en we moeten leren zien zonder onze oren te gebruiken.

Dat is wat ik in mijn twee ‘verslagen’ van het concert verleden week heb proberen duidelijk te maken.
Aan het begin van die zo belangrijke vereniging van oog en oor, van beeld en klank, van mannelijke en vrouwelijk, staat een scheiding, een drastisch onderscheid.
Beide werelden moeten eerst uit hun verstrengeling worden gehaald.
Met alle ‘mannelijke’ kracht die we in ons hebben, moeten we de levensbedreigende eenheid die ze vandaag vormen – een volkomen instinctieve, troebele en onzichtbare eenheid – verbreken.

En het beeld waarin dit alles samenkomt, is het beeld van de geboorte van een kind.
Want dat – vooralsnog onzichtbare – kind is waar alles om draait.
Dat innerlijke kind was het doel van de mannelijke ‘onderdrukking’ van het vrouwelijke gedurende de afgelopen 5000 jaar.
Daarom heeft de natuur – en hebben de vrouwen – de heerschappij van de steeds mannelijker wordende mens zolang verdragen: omwille van het kind.
Vandaag zijn ze dat echter vergeten, omdat ze overweldigd worden door de weeën van de geboorte.
Want in onze tijd wordt ‘het kind’ – de kunstenaar-in-de-mens – geboren.
Dat is de echte, fundamentele werkelijkheid van onze tijd.
Daarom slaat het zorgende, het omhullende en beschermende van de vrouw en het vrouwelijke vandaag om in extreme mannelijkheid: in de wil om het kind uit te drijven, om een scheiding te veroorzaken tussen zichzelf en het kind.
Maar achter al dat ‘mannelijke’ geweld (elke man die ooit de hand van zijn vrouw tijdens een bevalling heeft vastgehouden weet wat een ‘mannelijke’ handdruk is) schuilt de intense, allesoverheersende wil om het kind te … zien.

Ja, het onzichtbare kind waarvan de moderne mens zwanger is, is als een enorm oog dat in hem groeit en dat hij uit wil drijven, niet alleen om het te zien maar ook om erdoor gezien te wórden.
En dat ‘zien’ zal tegelijk een ‘horen’ zijn, een innerlijk gesprek, zoals dat plaatsvindt tussen moeder en kind.
Pas later zal het ook een bewust gesprek worden, een gesprek met woorden.
Maar eerst moet de geboorte plaatsvinden,
eerst moet dat drastische onderscheid worden gemaakt.
Want als dat niét gebeurt, als het kind niet geboren wordt, dan komen moeder én kind in levensgevaar, dan ontstaat er een heel ander ‘innerlijk gesprek’, een gesprek dat vervuld is van haat omdat beide elkaar als doodsvijanden beschouwen.
Het kind ervaart de moeder onbewust als een gevangenis waarin het langzaam stikt,
en de moeder ervaart het kind al even onbewust als een kwaadaardig gezwel.

Zo ziet het moderne, onbewuste gesprek tussen oog en oor (of tussen man en vrouw) er min of meer uit.
Want geen van beide is zich bewust van het ‘kind’ dat wil geboren worden, dat wil gezien worden, dat wil spreken.
Maar omdat de zwangerschap – het groeien van dat innerlijke oog – de moeder tot een ‘oor’ maakt, is de moderne mens zich vaagweg bewust van de aanwezigheid van dat kind.
Hij voelt het naderen van een wezen dat de wereld nieuw zal maken, en hij is (zonder het klaar te beseffen) vol blijde verwachting.
Maar juist omdat hij geen klare kijk heeft op wat er gaande is, juist omdat hij weigert te luisteren naar de binnenkant der dingen, maakt hij geen onderscheid tussen de kunstenaar-in-de-mens, het kind dat in liefde ontvangen wordt, en de vernietiger-in-de-mens, het kind dat gevangen zit in de baarmoeder en een intense haat ontwikkelt tegen de mens.
Het is juist dit – bijzonder tragische – gebrek aan onderscheid dat mensen ertoe brengt de verschrikkelijkste dingen te doen in naam van de kinderlijke onzelfzuchtige liefde.

En op die manier wordt de liefde in haar tegendeel gekeerd.
De liefdesdaad verandert geleidelijk in een verkrachting van het vrouwelijke, en die verandert op zijn beurt in de gezamenlijke verkrachting van het kind.

20130923-141025.jpg

Dat is het vreselijke gevolg van ons gebrek aan onderscheid op het beslissende moment van de geboorte.

Zo. Ik wil het hier voorlopig bij laten.
Ik presenteer u deze gedachten in de vorm waarin ik ze geschreven heb.
Als ik begin ze te fatsoeneren – lees: er een heldere, mannelijke vorm probeer aan te geven – loop ik het gevaar dat ze nooit ‘geboren’ worden.
U moet ze dus maar beschouwen als een pasgeboren kind:
het lijkt misschien nog nergens op en het ziet er vies uit,
maar het leeft en het zal groeien.

Enfin, dat hoop ik toch.

20130923-142247.jpg