Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: de Parsifalvraag

Mijn Michaël (2)

Michaël is de leidende en inspirerende geest van de antroposofie.
Wanneer er over hem wordt gesproken, gebeurt dat meestal in zeer abstracte of zeer poëtische bewoordingen. Men heeft het dan over moed en geestkracht, over ridders en draken.
Daardoor blijft Michaël een vage, ongrijpbare geest.
Wat een verschil met de Michaël, zoals hij zich ooit op aarde manifesteerde in figuren als Alexander de Grote en Jeanne d’Arc!
Hier zien we geen vage abstracties of poëtische beelden, maar ‘ijzeren’ figuren die diep ingrijpen in de aardse geschiedenis.
De tegenstelling tussen de ‘hemelse’ en de ‘aardse’ Michaël is dus zeer groot.
Daarom wil ik eens proberen of ik een brug kan slaan tussen beide.
En ik wil dat doen aan de hand van de Michaël zoals ik hem afgelopen week heb leren kennen, ‘mijn Michaël’, zoals Anna het uitdrukte.

Het eerste wat daarbij opvalt, is dat het niet gemakkelijk is onderscheid te maken tussen Michaël en de draak.
Dat zien we trouwens ook in de iconografische afbeeldingen: Michaël is geharnast, net als de draak. Hij is bedekt met harde pantserplaten en houdt een speer in de hand.
Onder dat draken-uiterlijk is hij een engelachtige figuur, een bijna vrouwelijke jongeling. Maar in de grond is de draak dat ook: hij is een gevallen engel.
Het grote verschil is dat Michaël vrijwillig dat drakenpantser aangordt, terwijl de draak erin gevangen zit en geen keuze (meer) heeft.
Michaël vecht uit vrije wil met de draak, terwijl de draak vecht omdat hij niet anders kan.
Michaëls strijd is bewust, hij weet wat hij doet.
De draak daarentegen vecht instinctief, zonder te weten waarom.

Die twee polen lopen in mijn geval door elkaar.
Laat ik de feiten even op een rijtje zetten.
Op 13 september (toevalligerwijs de verjaardag van Anna) begon ik in Brugge weer mensen te tekenen.
Enerzijds werd ik daartoe gedwongen doordat ik nauwelijks nog wat verkocht op de markt.
Anderzijds deed ik dat uit liefde voor de zaak zelf: ik teken nu eenmaal graag mensen.
Het werd een succes: ik tekende de hele dag en was ervan overtuigd dat mijn marktcarrière weer in de lift zat. Bovendien kon ik na lange tijd opnieuw doen wat ik het liefste doe: mensen portretteren.

Maar de week daarop volgde de eerste klap: niemand wilde zich laten tekenen.
Dat werd de week dààrop, de dag voor Michaël, bevestigd: opnieuw kon ik niemand tekenen, opnieuw verkocht ik vrijwel niets.
Ik begreep er niks van: het was alsof ik, vlak na mijn geslaagde ‘ommekeer’ op 13 september, tegen een muur aanbotste.
Tegelijk kreeg ik ook nog een andere klap te verwerken: mijn WordPress-app crashte, zodat ik niet meer (tenzij met veel moeite) kon werken op mijn blog.
Net als met het tekenen van mensen, was ik daar vrij recent mee begonnen, nadat ik jaren niet meer geschreven had en zelfs besloten had daar voorgoed mee te stoppen.
In beide gevallen – het tekenen van mensen en het schrijven op mijn blog – had ik een neergaande lijn weer omgebogen in een opgaande lijn.
En nu werden beide opgaande lijnen bruusk afgebroken.

Ik weet nu niet meer hoe ik nog verder mensen kan tekenen, en dus ook wat ik daar nog kan doen op de markt in Brugge, en dus ook niet hoe ik nog verder kan schilderen.
In plaats dat mijn artistieke activiteit een nieuw élan kreeg, lijkt er nu een eind aan te komen.
Mijn denkactiviteiten (die ik op mijn blog verricht) zal ik nog wel kunnen voortzetten.
Ik kan een nieuwe iPad kopen, tenslotte zijn die dingen niet zó duur, of ik kan blijven sukkelen op de gewone computer.
Maar dat is slechts vorm.
De inhoud van mijn blog is de kunst, weliswaar in zijn meest ruime betekenis, maar zeker niet in abstracte zin. En juist de meest concrete uitdrukking ervan – mijn eigen tekenen en schilderen – zou dus verdwijnen.
Waarover moet ik dan nog schrijven?

Ik kan me mijn leven niet voorstellen zonder schrijven, maar ook niet zonder tekenen.
Ik heb het allebei geprobeerd: ik heb lange jaren alleen maar getekend, en ik heb lange jaren alleen maar geschreven.
Maar nooit hield ik het vol, altijd weer keerde ik terug naar de andere pool.
In de loop der jaren zijn kunst en wetenschap steeds dichter naar elkaar toe gegroeid en is het steeds duidelijker geworden dat ik het allebei moet doen, dat ik het allebei wil doen: schilderen én schrijven, tekenen én denken.
En nu dreigt de ene pool dus weg te vallen.
Hoe kan ik dan nog de andere volhouden?

De hele zaak plaatst me voor een keuze.
Als ik Brugge – en dus ook het tekenen en schilderen – niet nu al wil opgeven, als ik wil vechten om mijn kunstzinnige zelf te redden, dan zal ik tijdens de herfst en wintermaanden hard moeten werken. Want wat ik nu teken en schilder krijg ik aan de toeristen niet verkocht. Ik zal dus andere dingen moeten maken, of ik zal betere dingen moeten maken, maar ik zal in ieder geval geen tijd hebben om te schrijven.
Blijf ik dat laatste wél doen, dan zal er volgend jaar hoogstwaarschijnlijk niks veranderen in Brugge en zal het slechts een kwestie van tijd zijn voor ik het opgeef.
Ik kan geen tijd, geld en energie in die put blijven gieten.
Ik sta met andere woorden voor een onmogelijke keuze.
Of ik nu voor het tekenen kies of voor het schrijven, ik zal ze waarschijnlijk allebei verliezen.
En ook als ik niet kies, zal dat gebeuren.

Alsof het allemaal nog niet kwellend genoeg was, kwam gisteren dan – precies één week na Michaël – de derde klap: de uitspraak van de RVA.
Even opfrissen: in mei was er controle in Brugge, en dat alleen bij buurman Henk en mezelf. Het was dus geen algemene maar een gerichte controle,wat betekent dat het hoogstwaarschijnlijk gebeurde op aangeven van een andere marktkramer.
Waarom?
Ik heb geen idee.
Ik had met niemand ruzie, integendeel, ik schiet goed op met mijn ‘collega’s’.
Ik zet dat woord tussen haakjes, omdat ik wel besef dat ik daar op die markt een vreemde eend in de bijt ben. Dat ben ik eigenlijk altijd en overal, en dat wekt weerstand op.
Misschien is dat de reden, wie weet.
Wat er ook van zij, ik kon geen stempelkaart tonen.
Ik verkeerde namelijk in de overtuiging er geen meer nodig te hebben.
Na 30 jaar stempelen was ik daar eindelijk van ontslagen.
Ik was officieel onbruikbaar verklaard voor de arbeidsmarkt.
Maar ik mocht in bijberoep nog altijd een zeker bedrag verdienen.
En dat deed ik dus.
Wat ik niet wist, was dat ik de hele zaak opnieuw had moeten aanvragen, dat ik opnieuw in het hele stempelcircus had moeten stappen.
Ik werd op het matje geroepen.
Iedereen was heel vriendelijk, maar ze maakten me wel duidelijk dat de RVA me geld zou kunnen terugvorderen voor álle marktdagen in Brugge, hoewel ik slechts op de helft daarvan aanwezig was geweest.
Ik vond dat van een stuitende onrechtvaardigheid: niet alleen zou ik beboet worden voor een overtreding waarvan ik me niet eens bewust was dat ik ze beging, ik zou ook nog eens (voor de helft) beboet worden voor zaken die ik helemaal niet gedaan had!
Dat begrepen ze, maar de beslissing was niet aan hen, zeiden ze.
Achteraf rekende ik de zaak eens uit: als ze geen genade toonden, zou ik zowat 1000 euro moeten ophoesten, een heel bedrag voor me, zeker als je bedenkt dat ik dit jaar niet eens uit de kosten zal raken.
Zouden ze iemand die met moeite het hoofd boven water kan houden, werkelijk zo’n financiële en morele klap willen verkopen?
Ik kon het niet geloven.

De beslissing zou nog dezelfde week vallen, werd me verteld, maar ik hoorde niks vallen.
Ook de volgende week bleef het stil, en de volgende, enzovoort, tot ik begon te geloven dat er niks meer zou van komen.
Maar dat was zonder Michaël gerekend. Of was het de draak?
Vandaag viel het verdict in de bus: ik moet 2000 euro terugbetalen.
Dubbel zoveel dus dan wat ik uitgerekend had voor het allerergste geval.
Vier keer zoveel als wat ik werkelijk verschuldigd ben.
En die draconische beslissing wordt toegelicht in 20 bladzijden tekst en cijfers waar ik niks van begrijp.

Dat is dan ook de slotsom van de hele zaak: ik begrijp er niks van.
Ik begrijp niet waarom ik uitgerekend in deze Michaëlsweek drie zware klappen na elkaar krijg, klappen die me finaal dreigen uit te tellen.
Want An heeft haar werk in Brugge moeten opgeven (wegens een hernia).
Ook haar werk in Antwerpen loopt ook op z’n eind (wegens besparingen).
Er blijft dus alleen nog een halftijdse job in Gent over.
En dat terwijl we nog altijd geen ander huis hebben gevonden (wegens te hoge huurprijzen).

Toen ik op 13 september weer mensen kon tekenen, leek er niet alleen op artistiek maar ook op financieel vlak weer licht aan de horizon te gloren. Bovendien zou het een verdubbeling van mijn blog-activiteiten betekenen.
Maar daar werd twee weken later dus een stokje voor gestoken.
Een serieuze stok eigenlijk.
Die boete, daar kom ik niet onderuit, want het enige verhaal dat ik heb, is naar de rechtbank stappen. Daar zullen ze mijn verhaal – dat van iemand die al 35 jaar werkloos is – ongetwijfeld heel overtuigend vinden. Ik riskeer er nog een boete bovenop te krijgen, wegens ‘roekeloos’ gebruik van het gerecht, want op rechtvaardige rechters hoef ik niet te rekenen, die zijn in dit land al bijna 100 jaar spoorloos.
Door die boete wordt het helemaal onverantwoord of zelfs ‘roekeloos’ om nog meer te investeren in zowel het schilderen als het schrijven, twee activiteiten die niks opbrengen maar wel geld kosten.
De stok zit dus in drie wielen tegelijk.
Wat ik na de eerste twee klappen al voelde aankomen – dat het eind van mijn twee hoofdactiviteiten (naast het dagelijks ontstoppen van de afvoer) in zicht is – wordt door de derde klap bevestigd: ik kan niet meer verder, ik ben aan het eind van mijn latijn.
Natuurlijk zal ik niet helemaal stoppen met schrijven en schilderen.
Wat zou ik anders moeten doen om de tijd te doden en de leegte te vullen?
Ik ben intussen namelijk zo handig geworden in het ontstoppen, dat ik er niet meer de hele dag mee bezig ben. Bovendien slaap ik lang niet zoveel als vroeger.
Er blijven dus heel wat uren over om op te vullen.
Maar eigenlijk kan ik me niet voorstellen dat ik louter om de tijd te doden en de leegte te vullen zou schilderen en schrijven.
Dat heb ik nooit gedaan.
Beide activiteiten kwamen voort uit een diepe noodzaak: ik had ze nodig om überhaupt te kunnen bestaan.
Ze betekenen te veel voor me dan dat ik ze zou kunnen reduceren tot vulsel.

Als ik de zaken eens allemaal op een rijtje zet, is de verwarring compleet.
Ik weet niet meer hoe het verder moet, ik tast volkomen in het duister.
In deze Michaëlstijd is er, totaal onverwachts, een eind gekomen aan mijn oude leven.
Net op het moment dat ik dacht dat het weer de goede kant op ging, kwam die links-rechtse gevolgd door een uppercut.
Zoals wanneer Jerommeke een klap uitdeelt, zal het een tijdje duren voor het echt tot me doordringt en ik omval, maar ik ben genoeg lezer van mijn eigen strip om te weten dat het daar zal op uitdraaien.
Winter is coming.

Zo ziet ‘mijn’ Michaël er dus uit, en hij lijkt niet op de Michaël uit de boeken.
Hij is namelijk allesbehalve abstract en hij is ook allesbehalve poëtisch.
Hij is daarentegen akelig reëel en concreet, van ijzer zeg maar.
En hij grijpt diep in mijn leven in.
Hij doet dat zelfs zo hard en ongenadig dat ik mij afvraag: IS dit Michaël wel?
Is dit niet gewoon de draak die me brutaal de weg verspert?
Michaël gebruikt een mens toch niet als punching ball!
Hij belet een mens toch niet te doen wat in wezen Michaëlische activiteiten zijn: schilderen en denken, kunst en wetenschap!
Hij is toch geen als ambtenaar vermomde dief die een mens zijn geld ontfutselt omdat hij probeert te werken!
Nee, het kan niet anders dan de draak zijn die me zo te grazen neemt.

Maar waarom doet die draak dat uitgerekend in deze tijd van het jaar?
Waarom raakt hij me precies drie keer: één keer in het denken (schrijven), één keer in het voelen (schilderen) en één keer onder de gordel (financiën)?
Waarom mikt hij – bij wijze van spreken – op mijn solar plexus, op het knooppunt waar zoveel draden van mijn leven samenkomen?
Waarom lijkt er, met andere woorden, a system in his madness te zijn?
Het is alsof de draak optreedt in een Michaëlische vorm.
Of dat Michaël optreedt in een drakenvorm.

En dus stel ik mij de vraag: hoe moet ik die twee van elkaar onderscheiden?
Waar is Michaël? En waar is de draak?
Op hetzelfde moment realiseer ik mij dat ik Michaël aanroep.
Want ik spreek zijn naam uit: Wie is als God?
Michaël is de engel wiens naam een vraag is.
Daarom staat hij ook bekend als de zwijgende engel.
Hij spreekt niet.
Hij wacht tot wij spreken.
Hij wacht tot wij de vraag stellen: wie is als God?

Michaël doet met andere woorden een beroep op ons onderscheidingsvermogen.
We moeten onderscheid maken tussen hem en de draak.
We moeten ons afvragen: wie is als God en wie is dat niet?
Die vraag kunnen we niet met ons verstand stellen, als was het een wetenschappelijke kwestie die een algemeen geldend antwoord moet opleveren.
Ze moet uit ons hart opwellen ten aanzien van een concrete situatie waar we persoonlijk bij betrokken zijn.
Ze moet ontstaan op het moment dat we een keuze moeten maken, een beslissing nemen, een daad stellen, een vrije daad, waarbij we in het duister tasten en er van twee kanten aan ons getrokken wordt.

Michaël is in feite het wezen van de Parsifalvraag.
Wanneer Parsifal de graalburcht betreedt, die onverwachts voor hem opdoemt, komt hij tegenover de zieke Visserkoning te staan.
Hij raakt in verwarring, want hij kan de koninklijke grandeur niet rijmen met de lijdende man.
Maar hij doet wat hem geleerd is: hij houdt zich aan de regels en zwijgt.
Nochtans werd van Parsifal juist verwacht dat hij zou spreken, dat hij de verlossende vraag zou stellen naar het lijden van de koning.
Hij wordt dus als het ware heen en weer getrokken tussen aardse, menselijke verwachtingen en hemelse, geestelijke verwachtingen.
En hij kan niet kiezen, hij weet niet wat te doen.
Hij laat anderen voor hem kiezen, degenen die hem verteld hebben hoe het in de wereld hoort.

Volgens de overlevering luidt de Parsifalvraag: ‘Oom, wat heeft u in verwarring gebracht?’
‘Verwarring’: het is een vreemde uitdrukking ten overstaan van iemand die zwaar ziek is.
Maar Parsifal vraagt naar de oorzaak van het verwarrende samengaan van koningschap en lijden, van kracht en zwakte, van … Michaël en de draak.
Ieder mens is een drakenvechter, ieder mens kruipt bij zijn geboorte ‘in de huid van de draak’ en vormt gedurende zijn hele leven een troebele combinatie van engel en duivel.
‘Oom’ zegt Parsifal ook: hij kan de verlossende vraag maar stellen als hij de verwantschap met de Visserkoning erkent, als hij zichzelf herkent in die lijdende koning, als hij ook in zichzelf engel en duivel ontwaart en ontwart.

De vraag ‘wie is de engel?’ of ‘wie is als God?’ is de vraag naar het oorspronkelijke, zuivere wezen van de mens, naar zijn hoger Ik.
Door in de huid van de draak te kruipen, door in de materie af te dalen, is dat hoger Ik tot een lager Ik geworden: het is tot zonde vervallen.
Sinds Christus echter diezelfde weg ging en hem weer omboog tot een weg omhoog, bezit de mens het vermogen om zich vanuit dat aardse Ik weer te verheffen tot zijn hemelse Ik.

Michaël is de engel die de mens de weg omhoog wijst, de weg van de opstanding.
En hij doet dat door de mens de graalburcht binnen te leiden en hem te plaatsen voor een spiegelbeeld van zijn eigen gekwelde, zieke Ik.
Die ‘graalburcht’ is een levenssituatie waarin de mens geconfronteerd wordt met zichzelf, met de lijdende Visserkoning die hij in wezen is.
Als hij jong is, herkent de mens zichzelf niet. Hij raakt alleen in verwarring door wat hem overkomt en hij doet instinctief wat van hem verwacht wordt.
Het zijn echter aardse verwachtingen waaraan hij voldoet, verwachtingen van andere mensen.
Naarmate hij telkens weer in hetzelfde soort situaties verzeild raakt – de ‘graalburcht’ is een thema con variazione – begint er hem iets te dagen: hij wordt zich geleidelijk bewust van de herhaling. Hij begint doorheen de variaties een thema te bespeuren: de graalburcht wordt langzaam zichtbaar.
In die graalburcht wacht Michaël zwijgend op de verlossende vraag.
Hij belichaamt de hogere, hemelse verwachtingen.
Hij verwacht dat de mens zichzelf verlost door zijn naam uit te spreken: wie is als God?
Hij verwacht dat de mens vraagt naar zijn eigen diepste wezen.
Want het antwoord op de Michaëlvraag luidt: de mens zelf is als God.
Hij is geschapen naar diens beeld en gelijkenis.

We leven vandaag op het Keerpunt der Tijden.
De neerwaartse weg, de weg van geest naar materie moet omgebogen worden in een opwaartse weg, de weg van materie naar geest.
Daardoor is de wereld één grote graalburcht geworden, waar Michaël zwijgend wacht tot we de verlossende vraag stellen, de vraag naar het ware wezen van de mens.
Dat zwijgen wordt steeds doordringender, want Michaël wacht in beelden die steeds dwingender, steeds onontkoombaarder worden.
Tegelijk wordt het ook steeds moeilijker om de verlossende vraag te stellen, de vraag naar wat de mensheid in verwarring brengt.
Want nog nooit is de strijd met de draak zo hevig geweest, nog nooit is het zo moeilijk geweest om Michaël en de draak te onderscheiden.

De mens blijft dus hoe dan ook vrij.
Hij moet zelf de kracht ontwikkelen om de vraag te stellen waar het allemaal om draait, de verlossende vraag, de vraag waar de hele wereld op wacht.
Daarom wacht Michaël zwijgend af.
Zolang de mens niets doet, doet hij ook niets.
Zolang de mens niet vraagt, antwoordt hij niet.
Pas wanneer iemand de Parsifalvraag stelt en (dus) zijn naam uitspreekt, komt hij in actie.

Dat is wat ik hier wil proberen.
Ik wil ten aanzien van de verwarrende situatie waarin ik ben terechtgekomen, proberen de vraag te stellen: hoe is dat gekomen, wat heeft mij in (die) verwarring gebracht?
Dat het allesbehalve een academische vraag is, zal wel duidelijk zijn.
Het is een vraag die ik moet en wil stellen, ook al gaat ze tegen de menselijke en zelfs antroposofische geplogenheden in.
Ik heb namelijk geen zin om opnieuw uit de graalburcht te worden gegooid en mijn zoektocht verder te moeten zetten.
Ik weet niet eens waar ik nog zou kunnen zoeken …

Wat is kunst? (1)

Het is alweer een hele tijd geleden dat ik een voordracht bijwoonde van een vooraanstaand kunsttheoreticus, professor Willem Elias.
Ik herinner er mij dan ook niks meer van behalve zijn definitie van kunst.
Kunst, zei hij, is wat gemaakt wordt door iemand die van zichzelf zegt dat hij een kunstenaar is.
Ik dacht eerst dat hij een grapje maakte, maar hij was bloedernstig.
Later zou ik begrijpen dat dit inderdaad het hedendaagse criterium voor kunst is.

20140429-152113.jpg

Het werd honderd jaar geleden reeds ingesteld door Marcel Duchamp.
Op een dag kreeg hij de opdracht om voor een tentoonstelling een zelfportret te maken.
Hij schreef een briefje waarop stond: ‘dit is een zelfportret omdat ik het zeg.’
De galeriehouder lijstte het briefje keurig in en stelde het tentoon.
Toen Duchamp na afloop van de tentoonstelling betaald wilde worden, zond de galeriehouder hem een telegram met de woorden: ‘dit is een check van 1000 dollar omdat ik het zeg.’
De anekdote vertelt niet hoe Duchamp daarop reageerde, maar ‘omdat ik het zeg’ is sindsdien de kern van het kunstbedrijf geworden.
Iets is kunst omdat iemand dat zegt.
Iederéén kan natuurlijk zeggen dat iets kunst is (of dat hij kunstenaar is), maar niet iedereen wordt geloofd.
Kunstenaar ben je dus als je geloofd wordt.
Daar komt het uiteindelijk op neer.

Niet voor niets spreekt men vandaag van een kunstkerk.
De hedendaagse kunstwereld is een geloofsgemeenschap, een gemeenschap van mensen die geloven.
En hun geloof wordt belichaamd door het hoofd van de kerk: de kunstpaus.
Hij is degene die bepaalt wat (of wie) geloofd moet worden, en aan zijn woord wordt niet getwijfeld.
Waarop baseert zo’n kunstpaus zijn onfeilbare oordeel?
Naar eigen zeggen doet hij dat op de kwaliteit van het werk van een kunstenaar.
Maar niet alleen is dat in tegenspraak met het algemene criterium dat in de hedendaagse kunst gehanteerd wordt, de kwaliteit in kwestie kan ook niet door de gelovigen worden waargenomen of gecontroleerd.

20140429-152405.jpg

Wat vandaag kunst is, wordt dus bepaald door een blind geloof in de kunstenaar.
Die kunstenaar ontleent zijn gezag niet aan zijn werk maar aan zijn plaats in de ‘kerkelijke hiërarchie’, een plaats die hem wordt toegekend door de kunstpaus.
Maar deze kunstpaus heeft niet het laatste woord.
Hij is uiteindelijk slechts de spreekbuis van de kunsthandel. En in die kunsthandel zijn het enkele grote internationale spelers die wereldwijd bepalen wat vandaag kunst is en wat niet.
Hoe doen ze dat?
Hoe ontstaat de inhoud van het blinde geloof dat in de ‘hogere kringen’ het geloof in de paus van Rome heeft vervangen?

Ik hoor het mijn oude tekenleraar nog zeggen: ‘Er zijn drie zaken waarmee je vandaag op korte tijd heel veel geld kunt verdienen: sex, drugs en kunst. De eerste twee zijn in handen van de georganiseerde misdaad. Waarom zou de laatste dat dan ook niet zijn?’
Wat vandaag doorgaat voor kunst wordt bepaald door een kleine elite van puissant rijke mensen. En was het niet Balzac die zei dat ieder fortuin berust op een misdaad?
Het is sowieso misdadig om zo buitensporig rijk te zijn, en dus mag er, om het zacht uit te drukken, getwijfeld worden aan het morele gehalte van deze kringen.

Veel moderne, progressieve en kritische mensen keren zich vandaag tegen de katholieke kerk. Ze beschuldigen de paus van Rome ervan een misdadiger te zijn, en noemen religie de bron van alle kwaad in de wereld. Religieuzen zijn in hun ogen niets anders dan lieden die de bevolking door middel van verzinsels in hun macht houden.
Daar zijn ze heilig (sic) van overtuigd en ze baseren zich daarvoor op de wetenschap en het zelfstandig oordeelsvermogen van de mens.
Maar diezelfde moderne, progressieve en kritische mensen die zo fanatiek tegen kerk en geloof zijn, zijn even fanatieke voorstanders van de kunstkerk en het kunstgeloof.
Niet alleen zien zij geen graten in een machtige ‘curie’ die wereldwijd bepaalt wat of wie er in de kunst moet geloofd worden, zij identificeren er zich zelfs mee. Buiten de kunstkerk is er in hun ogen geen heil: ofwel behoor je tot die kerk ofwel dwaal je in duisternis.

20140429-152618.jpg

Het is alsof de intellectuele elite, die van oudsher sterk gelieerd was met de kerk, zich opeens realiseert dat ze de geestelijke, religieuze grond onder de voeten verloren heeft en zich instinctief vastklampt aan een nieuwe kerk, die als twee druppels water op de oude lijkt.
Kunst is voor de moderne intelligentsia inderdaad een religie, een blind geloof.
Er valt niet redelijk over te praten, integendeel, als het over kunst gaat moet alle gezond verstand overboord worden gegooid. De meest buitenissige zaken – waarmee vergeleken de dogma’s van het oude geloof de redelijkheid zelve lijken – moeten voetstoots worden aanvaard op straffe van niet langer tot de geloofsgemeenschap te behoren.
Vragen mogen niet meer worden gesteld.

Dat geldt heel in het bijzonder voor die ene cruciale vraag: wat is kunst?
Alleen al het stellen van die vraag impliceert dat het rationele denkvermogen van de mens in staat is daarop een antwoord te vinden.
Maar dat is – in de hedendaagse opvatting – niet het geval.
De mens kan op eigen kracht geen antwoord vinden op die vraag.
Dat antwoord moet hem door middel van openbaring worden meegedeeld.
En wel door een kleine elite van uitverkorenen die in staat zijn de stem der goden te vernemen.

Men kan zich nu de vraag stellen wat voor soort ‘goden’ het zijn die zich richten tot de superrijken van deze wereld, tot de machtige internationale kunsthandelaars en hun selecte publiek.
Welke openbaring is het die alleen ten deel valt aan wat in feite criminelen zijn?
Eén ding is zeker: het is een buitengewoon krachtige openbaring, want ze is in staat het oordeelsvermogen van zowat de gehele hedendaagse intelligentsia lam te leggen en kritische denkers te veranderen in blinde gelovigen.
Iedereen kan dat voor zichzelf verifiëren: dit blinde geloof is vandaag algemeen onder intellectuelen.
Nergens is ook maar één woord van kritiek te horen.
Zelfs niet in de antroposofische wereld…

20140429-152732.jpg

Langzaam maar zeker wordt dit geloof vanzelfsprekend.
Er wordt niet meer over nagedacht.
Het wordt tot een tweede natuur, die felle verontwaardiging wekt als ertegenin wordt gegaan.
Deze ‘nieuwe natuur’ verspreidt zich in steeds bredere lagen van de bevolking, want iedereen wil erbij horen, niemand wil uit de ‘gemeenschap der weldenkenden’ gesloten worden, want it’s cold out there.
Dat dit verschijnsel zich niet alleen in de kunstwereld voordoet, is duidelijk.
Wat in de kunst gaande is, is ook in de werkelijkheid gaande.
De grens tussen beide is zeer smal geworden.

Dat alles maakt van de ‘nieuwe openbaring’ het meest verontrustende fenomeen van onze tijd, want wat vermag de mens tegen de problemen die hem bedreigen – en het zijn géén geringe problemen – als hij zijn gezond verstand verliest, als hij niet zelfstandig meer kan oordelen, als hij verandert in een blinde gelovige?
Het wordt met de dag duidelijker wat er gebeurt als we geloof hechten aan de ‘hogere’ kringen, aan politici, machthebbers, deskundigen, enzovoort.
We leveren ons dan over aan criminelen die maar één doel voor ogen hebben: hun macht en rijkdom vergroten.
Ze wenden alle middelen aan om de mens tot hun slaaf te maken.
En één van die middelen is de kunst.
Ja, er is zelfs veel voor te zeggen dat kunst hét verslavingsmiddel bij uitstek is, want de moderne, kritisch denkende mens tot een slaaf maken zonder dat hij het beseft, dat is niets minder dan een kunststuk.

20140429-153544.jpg

Ik maak me dan ook sterk dat de kunst het oefengebied is waarop de ‘nieuwe elite’ haar openbaring uitgeprobeerd heeft.
En het moet gezegd: met overweldigend succes.
Maar het was niet zomaar een experiment.
Deel van de openbaring die kleine maar machtige kringen ten deel viel, was een diep inzicht in de relatie tussen kunst en werkelijkheid.
De geest die deze ‘uitverkorenen’ inspireerde, wist wat Oscar Wilde ooit in een boutade uitsprak: de werkelijkheid bootst de kunst na.
Wie de kunst in zijn macht krijgt, die krijgt de hele wereld in zijn macht.
Want de mens is in zijn diepste wezen een kunstenaar.
De Hedendaagse Geest heeft dus een diep inzicht in het wezen van de mens, veel dieper dan de mens zelf.

Daar ligt ook de reden waarom we niet tegen hem opgewassen zijn: hij kent ons veel beter dan we onszelf kennen.
Maar daar ligt tevens de mogelijkheid om ons te verzetten tegen zijn invloed.
Door zijn werkwijze te bestuderen, kunnen we hem zijn inzichten in de mens ontfutselen. We kunnen onszelf beter leren kennen en die zelfkennis tot ons schild maken.
Ja maar, hoor ik antroposofen zeggen: we hebben die inzichten al, dankzij de antroposofie!
Dat is zeker zo, maar we vergeten al te gemakkelijk dat het abstracte inzichten zijn, geen levende inzichten. Voor Rudolf Steiner waren ze dat natuurlijk wel, maar voor ons zijn ze dat niet, of toch niet in voldoende mate, anders zouden antroposofen de Hedendaagse Kunst niet even kritiekloos omarmen als iedereen.

20140429-154126.jpg

Juist aan onze houding tegenover kunst kunnen we aflezen in hoeverre de inzichten van de antroposofie in ons tot een reële kracht zijn geworden en in hoeverre ze een blind geloof zijn gebleven waaraan we ons overgeven om erbij te horen, om niet in de kou te blijven staan.
Zijn we bereid om rationeel na te denken over de kunst van onze tijd?
Durven we de vragen stellen die in ons hart opkomen?
Of laten we ons de mond snoeren door pausen en andere kunstclerici die zich beroepen op een openbaring?
That is the question.

Als ik alles eens grondig naga, dan komt het mij voor dat er vandaag geen belangrijker vraag bestaat dan de vraag: ‘wat is kunst?’
Juist omdat kunst en werkelijkheid elkaar zeer dicht genaderd zijn, grenst zij zeer nauw aan de vraag: ‘wat is waarheid?’
Beide vragen zijn in feite vragen naar het wezen van de mens.
Het zijn ook heel confronterende vragen, tenminste wanneer we ze concreet stellen en niet á la Pontius Pilatus.
We moeten ons dus niet in theorie afvragen ‘wat is kunst?’ of ‘wat is waarheid?’
We moeten vragen: ‘is dit kunst?’ of ‘is dit waarheid?’

Niet toevallig is dat de vraag die de hele hedendaagse kunst in ons hart doet oprijzen.
Pispotten, kakmachines, kartonnen dozen: is dit werkelijk kunst?
Degenen die dit kunst noemen, spreken zij de waarheid?
Maar we stellen de vraag niet.
Want het hoort niet.
Als modern, ontwikkeld en derhalve kunstminnend mens worden we verondersteld te zwijgen, het hoofd te buigen en te … geloven.
Aan de buitenkant zijn we misschien wel wakker, kritisch en zelfstandig, maar in ons hart zijn we nog kinderen: we geloven alles wat ons verteld wordt.
Dat kind-in-ons wordt op een schandalige manier misbruikt door zowel de oude als de nieuwe clerus.
En de wakkere, kritische volwassene-in-ons doet niets om dat kind te beschermen.
Het geeft dat kind geen stem zodat het de verlossende vraag kan stellen, de Parsifalvraag van onze tijd: wat is kunst?

20140429-155655.jpg