Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: de strijd met de draak

Antroposofie en karmabewustzijn (13)

   

Karmaonderzoek is de bewuste en vrijwillige versie van wat ieder mens op zijn oude dag onwillekeurig doet: terugkijken op zijn leven. Het is een hogere vorm van zelfonderzoek, aangezien ieder leven de uitdrukking is van een hoger Ik. Volgens Rudolf Steiner komt dat Ik van buitenaf op de mens toe. Wat van binnenuit werkt is het lager ik of ego, dat zich kenbaar maakt in wensen, begeerten en verlangens. Het leven waar dit lager ik van droomt, is zelden of nooit het leven dat het krijgt. Vaak is het zelfs het tegenovergestelde. Met name bij de moderne mens, wiens lager ik als gevolg van de talloze mogelijkheden die het leven hem biedt zeer begerig en verlangend is geworden, bestaat er een steeds dieper wordende kloof tussen het leven dat hij zich droomt en het leven dat hij werkelijk leidt. Dat laatste ervaart hij in toenemende mate als een mislukking, en omdat hij niet kan geloven dat die ‘mislukking’ het werk is van een hoger Ik, wordt de terugblik een pijnlijke zaak. 

Dat is de reden waarom gepensioneerden het vandaag zo druk hebben: ze willen niet omkijken naar hun leven, ze willen niet geconfronteerd worden met de pijnlijke kloof tussen droom en werkelijkheid, met alles wat niet heeft mogen zijn. Om dezelfde reden werpen steeds meer jonge mensen zich in het ‘activisme’: ook zij willen niet geconfronteerd worden met de tegenstelling tussen de wereld-zoals-hij-zou-moeten-zijn en de wereld-zoals-hij-is. De kloof tussen die twee werelden – de ideale en de reële – is zo groot geworden dat ze hun dromen waarschijnlijk nooit zullen kunnen realiseren. Beide generaties zitten dus in hetzelfde parket: ze zien geen toekomst meer en dat zwarte gat ontvluchten ze door koortsachtig actief te zijn. Bij de ouderen heeft dat ‘wilde willen’ een eerder egocentrisch karakter (ze willen er nog eens goed van profiteren), bij de jongeren heeft het een eerder exocentrisch karakter (ze willen de wereld verbeteren), maar in beide gevallen gaat het uit van hun lager ik.  

Dit ‘lagere’ willen brengt ouderen en jongeren met elkaar in botsing. Als de ouderen ‘er nog eens goed van willen profiteren’ dan moet de wereld blijven zoals hij is. Willen de jongeren opnieuw een toekomst hebben dan moet de wereld kost wat kost veranderen. Hoe meer de mens toegeeft aan zijn lagere driften, aan zijn zelfzuchtige ik, aan de-wereld-zoals-hij-zou-moeten-zijn, des te meer komen oud en jong tegenover elkaar te staan, des te meer worden ze elkaars vijanden. Was dat niet ook de oorzaak van de problemen die de antroposofische beweging na de dood van Rudolf Steiner uiteen deden spatten? Zolang hij nog leefde, kon hij de spanningen tussen de oudere en de jongere generatie in bedwang houden. Dat werd echter steeds moeilijker, en toen het Goetheanum afbrandde was hij de wanhoop nabij. De brand was weliswaar van buitenaf aangestoken, maar de diepere oorzaak ervan lag in de wrijvingen tussen de generaties, in de zelfzuchtigheid van hun streven.

De eerste generatie, die het Rudolf Steiner mogelijk maakte de antroposofie in de wereld te zetten, bestond uit gepensioneerden en gefortuneerde mensen. Ze hadden hun plaats in de wereld veroverd (of gekregen) en die plaats vormde de grond van hun bestaan. De jongere generatie, die na de eerste wereldoorlog aan de antroposofische deur klopte, had de grond onder haar voeten voelen verdwijnen. Op de slagvelden had ze kennisgemaakt met de keerzijde van de oude wereld en die (gespleten) wereld wilden de jongeren niet meer, ze wilden een nieuwe en betere wereld. Ook de ouderen zochten naar vernieuwing – anders hadden ze zich niet rond Rudolf Steiner geschaard – maar ze zochten die vernieuwing niet in een verandering van de wereld, maar in een verandering van bewustzijn. Hun leven had in het teken gestaan van het veroveren van (een plaats in) de materiële wereld, en de jaren die hen nog restten wilden ze besteden aan het veroveren van (een plaats in) de geestelijke wereld. 

Beide generaties kwamen in verzet tegen het leven zoals het was, maar ze deden dat op tegengestelde wijze. De ouderen hadden de neiging de materiële wereld te vergeten en zich enkel te concentreren op de geestelijke wereld, de jongeren hadden de neiging precies het omgekeerde te doen. Ze zagen in de geest een middel om de wereld te veranderen, terwijl de ‘gepensioneerden’ in hun materiële welstand een middel zagen om zich aan de geest te kunnen wijden. Allebei zochten ze die geest – in de hemel of op aarde – maar ze zochten hem op zelfzuchtige wijze, gedreven door de dromen en verlangens die in hun ziel leefden. Geen van beiden zocht de geest waar hij was: in het leven zoals dat van buitenaf op hen toekwam. En wat in de antroposofische vereniging van buitenaf op hen toekwam, was de andere generatie. De ouderen zagen hun hoger Ik verschijnen in de gedaante van de jongeren, en de jongeren zagen het op zich toekomen in de gedaante van de ouderen.

Dat konden ze toen echter niet weten, want Rudolf Steiner had nog niet gesproken over het antroposofische karma dat juist bestond in de ontmoeting tussen (zowel in letterlijke als in figuurlijke zin) oude en jonge zielen. Ze hadden dit karma-inzicht ook niet kunnen verteren. De oudere generatie – welgestelde dames en heren van stand – had onmogelijk de gedachte kunnen accepteren dat de ‘barbaarse’ jongeren die zo brutaal en zonder enig respect de antroposofische wereld waren komen binnenstampen, de representant waren van hun eigen hogere Ik. En omgekeerd hadden de jongeren, die zo’n diepe afkeer voelden voor de burgerlijke, bekrompen wereld van de ouderen, nooit kunnen aanvaarden dat die keurige aristocratische lieden, die nooit hadden moeten werken (laat staan vechten) om te overleven – en die in hun ogen dus niks van het werkelijke leven afwisten – hun eigen hogere Ik vertegenwoordigden. Nee, geen van beide generaties was daaraan toe. 

Sigmund Freud was in die tijd nog een nobele onbekende en het concept van het onderbewuste moest nog doordringen tot het algemene bewustzijn. Het kwam in de oudere generatie niet op om naar zichzelf te kijken en zich bewust te worden van de duistere keerzijde van hun burgerlijke en/of aristocratische geest. Het arbeidersvraagstuk en het opkomende socialisme lagen reeds als een tikkende tijdbom onder hun oude wereld, maar de scheiding der standen hield dat veilig voor hen verborgen. Voor de jongeren lag de confrontatie met zichzelf zo mogelijk nog moeilijker. Niet alleen waren ze nog veel te jong om al aan zelfreflectie te doen – hun natuurlijke dadendrang zou erdoor verlamd zijn geworden – maar het zou hen ook geconfronteerd hebben met de vreselijke wonde die de oorlog in hun ziel had geslagen. Die gapende kloof konden ze met de beste wil van de wereld niet onder ogen zien. Trouwens, veel van hun dadendrang hadden ze juist te danken aan de angst waarmee dit ‘zwarte gat’ hen vervulde. 

Vandaag zijn we honderd jaar verder en liggen de zaken heel anders. We kunnen onszelf niet meer ontvluchten, het leven dwingt ons in de spiegel te kijken. Het wordt steeds moeilijker om te (over)leven zonder de hulp van psychologen, psychiaters, therapeuten en andere zielzorgers. Deze zelfreflectie – een begin van karmaonderzoek – negeert weliswaar de geestelijke dimensie van het hogere Ik, maar ze is toch een grote stap vooruit. Jonge mensen spreken vandaag veel vrijer over hun (uiterlijke en innerlijke) leven dan hun ouders, terwijl het voor hun grootouders vaak nog taboe is. Juist dat grote verschil doet ons beseffen dat karmabewustzijn in de tijd van Rudolf Steiner nog niet tot de mogelijkheden behoorde. Als het ons al zo moeilijk valt het antroposofische karma onder ogen te zien, hoe zou de vooroorlogse generatie daar ooit toe in staat zijn geweest! Nee, ze moest eerst de antroposofie leren kennen voor er zelfs maar aan karmabewustzijn kon gedacht worden. 

De Weihnachtstagung was dan ook een enorme stap. Tot dan toe hadden de antroposofen hun aandacht naar buiten gericht – ook hun aandacht voor de geest was op ‘het andere’ gericht – en nu moesten ze hem opeens ook naar binnen richten, op het eigen zelf. Het was de stap van het oude dualistische bewustzijn naar het nieuwe karmabewustzijn. In het eerste beleeft de mens zichzelf als een duidelijk afgebakende eenheid, een binnenwereld die afgesloten is van de buitenwereld. In het tweede beleeft hij zich als een dubbel wezen dat zowel binnen leeft (het lagere ik) als buiten (het hogere Ik). De grens die het dualistische bewustzijn tussen mens en wereld trekt, en die de werkelijkheid in twee deelt, trekt het karmabewustzijn – dat slechts één werkelijkheid erkent – in de mens zelf. De dualistische mens is ‘een mens uit één stuk’: hij stelt zichzelf niet in vraag en ontleent daaraan de kracht om de buitenwereld te veroveren. De ‘karmische’ mens daarentegen wordt geconfronteerd met de gespletenheid van zijn eigen wezen, en raakt daardoor van slag. 

We herkennen deze overgang in Parsifal die de graalburcht betreedt – beeld van een binnenwereld die tegelijk buitenwereld is – en daar geconfronteerd wordt met zijn eigen gespleten wezen. Hij herkent zichzelf echter niet in de gewonde Visserkoning, want hij beleeft zichzelf nog als een (koninklijk) wezen uit één stuk, een heldhaftige ridder die de buitenwereld stormenderhand verovert en zichzelf niet in vraag stelt. Door dit onvermogen om in zijn heersersnatuur de gekwetste, lijdende mens te zien, kan hij niet in de graalburcht blijven en moet hij opnieuw de oude, dualistische wereld in. Maar er is iets veranderd, het beeld van de tegenstelling tussen de zwaargewonde Visserkoning (zijn lagere ik) en de verheven graal (zijn hogere Ik) laat hem niet meer los. De oude strijd met de buitenwereld wordt steeds meer een strijd met zichzelf. Het zwaartepunt verschuift langzaam van zijn (onoverwinnelijke) lagere ik naar zijn (deemoedige) hogere Ik.  

De antroposofie was de graalburcht waarin Rudolf Steiner zijn leerlingen binnenleidde en waar ze geconfronteerd werden met hun eigen dualistische wezen. Maar ze waren nog niet in staat te begrijpen dat de kloof tussen de generaties een beeld was van de kloof die door hun eigen ziel liep. Zoals Parsifal zichzelf niet herkende in de gewonde Visserkoning, zo herkenden de antroposofen van het eerste uur zichzelf niet in de andere generatie. Ze slaagden er niet in de verlossende vraag te stellen naar de oorzaak van hun lijden: de tegenstelling tussen beide generaties, tussen beide zielengroepen. Die wonde konden ze nog niet onder ogen zien en in een onbewuste poging om hun ‘koninklijke zelf’ te vrijwaren stootten ze hun lager ik van zich af en projecteerden het op de andere generatie. Rudolf Steiner had hen tot aan de drempel van de geestelijke wereld gevoerd en daar ontmoetten ze hun dubbelganger. Maar ze herkenden hem niet en gingen met hem in de clinch.

Het was deze dubbelgangersstrijd die Rudolf Steiner tot wanhoop dreef. Na de brand van het Goetheanum speelde hij met de gedachte zich terug te trekken en de vechtende vereniging aan haar lot over te laten. In plaats daarvan deed hij het tegenovergestelde: tijdens de Weihnachtstagung verbond hij zich persoonlijk met de gepolariseerde vereniging. Hij werd voorzitter van de antroposofische vereniging en nam de verantwoordelijkheid op zich voor alles wat in die vereniging gebeurde, dus ook voor de strijd met de dubbelganger. Doordat hij als bliksemafleider fungeerde, kon er een nieuwe wind door de vereniging waaien, maar het kostte hem wel het leven. De dubbelgangers die de vereniging ten gronde hadden gericht, richtten nu Rudolf Steiner ten gronde. Wellicht had hij gehoopt dat zijn leerlingen zelf de confrontatie met hun dubbelganger zouden aangaan, zodat hij niet het volle gewicht van hun ‘zonden’ moest dragen. Maar ze schoten tekort, zoals ook Parsifal tekort was geschoten.

Onmiddellijk na Rudolf Steiners dood wierp de dubbelganger zich opnieuw op de vereniging en sleurde haar mee in een niets ontziende strijd. Die strijd had nu een geestelijker karakter gekregen. Hij ging niet zozeer tussen de oude en de jonge generatie, dan wel tussen de oude en de jonge zielen. De wonde die nu zichtbaar werd, was de ‘oerwonde’ van de mensheid. Rudolf Steiner had er tijdens zijn karmavoordrachten op gewezen omdat hij wist welke beproeving zijn leerlingen te wachten stond. Maar de weerstanden waren te groot, het oude dualistische bewustzijn nog te sterk. Toen de dubbelganger reuzengroot voor hen opdook, reageerden ze instinctief en trokken heldhaftig ten strijde tegen de draak. Het was echter een blinde strijd, ze zagen geen verschil tussen de dubbelganger van de vereniging en haar hogere Ik. Als gevolg daarvan bestreden ze niet de draak maar de vereniging. Ze sloegen het zwaard stuk dat ze van Rudolf Steiner gekregen hadden, het Michaëlszwaard van het hogere onderscheidingsvermogen.  

Vandaag heeft deze blinde dubbelgangersstrijd heeft zich over de hele wereld verspreid. De mensheid gaat over de drempel en overal staan heldhaftige ridders op die de draak te lijf gaan. Door hun gebrek aan onderscheidingsvermogen ontketenen ze echter een wereldwijde broederstrijd. Er bestaat voor de moderne mens dan ook geen dringender opgave dan het ontwikkelen van dit hogere onderscheidingsvermogen. De antroposofen hebben uit handen van Rudolf Steiner het Michaëlszwaard ontvangen en op hen rust de ‘heilige plicht’ dit zwaard te stalen, want het is nog bijzonder bros. Wie er de draak mee te lijf wil gaan, raakt onherroepelijk in de greep van zijn dubbelganger. De echte, michaëlische strijd ligt dan ook in de ontwikkeling van het karmabewustzijn, dat in eerste instantie het bewustzijn is van de wonde van de Visserkoning, de tegenstelling tussen het lagere en het hogere Ik. Met de Parsifalvraag naar die wonde begint het karmaonderzoek en worden we Michaëldienaars. 

Advertenties

De schoonheid van de Schorpioen

  

Toen het half oktober net zo grijs en nat was als de afgelopen dagen, dacht ik: o jee, en november moet nog komen! Ik twijfelde er niet aan: als Scorpio in het land kwam, zouden de zieken vallen als herfstbladeren. Maar zover was het nog niet. Hoewel het uiterlijk reeds Allerheiligen leek, was het innerlijk nog altijd Weegschaal. Dat wil zeggen: hoe grijs en grauw de herfst ook was, ze bleef nog altijd buiten, ze kroop nog niet onder je vel zoals ze dat in Scorpio doet. Weegschaal is een luchtteken en dat impliceert afstand. Daarom is oktober als een schilderij: je kunt er rustig tegenover gaan staan en het bekijken. Scorpio daarentegen is een waterteken, en dat impliceert verbinding. November is geen schilderij dat je op je gemak kunt bekijken, het is een schilderij waar je middenin zit, en dat is een heel andere ervaring. 

Het verschil hebben we dit jaar goed kunnen waarnemen omdat oktober en november als het ware van plaats hebben gewisseld. Oktober was onverwacht novemberachtig en toch moest je nog niet vechten tegen al die grijsheid en nattigheid zoals je dat in november wél moet doen. November was dan weer onverwacht oktoberachtig: de temperaturen waren zacht, de zon scheen en de kleuren waren adembenemend mooi. Kwam dat doordat Mars, Venus en Jupiter elkaars gezelschap opzochten aan de hemel? Best mogelijk: zo boven, zo beneden. De schoonheid van november was in ieder geval niet de Venus-schoonheid van oktober. Het was geen esthetische, aangename, schilderachtige schoonheid, maar een indringende, aangrijpende, mysterieuze schoonheid. Het was als het ware Venus en Mars in één.

Scorpio is dan ook een dubbelzinnig, paradoxaal teken. Ooit was het de majestueuze adelaar die hoog boven de wereld zweefde. Maar die is uit de hemel gevallen en een donkere schorpioen geworden die over de grond scharrelt. November is de maand waarin alles valt. De bladeren vallen: ze tuimelen als adelaars naar beneden en verdorren tot ritselende schorpioenen. De hemel valt: als de grijze wolken van november niet laag over de aarde scheren, hangen ze als een dichte mist roerloos boven de grond. En ook de mens moet vechten om niet te ‘vallen’. Hij moet zich innerlijk weren tegen de zwaartekracht die alles naar beneden trekt. 

De ‘vallende hemel’ was de grootste angst van de oude Germanen. Dit Schorpioenenvolk was het meest beducht voor … Scorpio. Om hem te weerstaan richtten ze hun Irminsulzuil op. Maar het ‘vallen’ is niet het enige waartegen de mens zich tijdens het seizoen van Scorpio moet weren. Hij moet zich ook teweer stellen tegen het ‘opstijgen’ van de onderwereld. In november valt alles naar beneden: het verdort, verstijft en sterft. Maar tegelijk stijgt uit de aarde het kille vocht omhoog dat alles drassig en zompig maakt. Nooit is de aarde natter dan in november: wat uit de hemel valt neemt ze in zich op en verteert het. Geen wonder dat Scorpio het teken van de sexualiteit is. De hard geworden mannelijke hemel en de vochtig geworden vrouwelijke aarde dringen in elkaar door. Scorpio is star en onbuigzaam als Mars, maar tegelijk gevoelig en teder als Venus. Hij is kil en onbewogen als Ahriman en hartstochtelijk en fanatiek als Lucifer. Hij is grauw als het slijk der aarde en kleurrijk als de bladeren aan de bomen. Hij is één en al tegenstelling.

November is de maand waarin de mens strijd moet leveren met de draak. En de draak valt van twee kanten tegelijk aan: van boven én beneden, van buiten én van binnen, van links én van rechts. Scorpio doet de grenzen verdwijnen. In oktober verloren ze al hun Maagdelijke scherpte, maar in november lossen ze helemaal op. Alles gaat nu tot ontbinding over. November is de dodenmaand, alles keert terug tot de aarde. Niets is bestand tegen de doodskrachten van Scorpio. Als zijn seizoen begint, staat de natuur nog te stralen in haar Venus-kleed van oktober. Maar als het ten einde is, staat ze er naakt bij en liggen haar kleuren te rotten in het slijk. Scorpio is ontluisterend als de dood en opwindend als een strip-tease.  

Het is zijn seizoen dat we nu beleven, in het groot en in het klein, in de natuur en in de cultuur. Het is zijn heerser – Pluto, de god van de onderwereld – die nu uit de aarde oprijst als het beest uit de apocalyps. De levende geest die ooit als een adelaar boven de aarde zweefde, ligt nu als een hoop dorre bladeren op de grond te vergaan. Het hele menselijke beschavingskleed wordt uitgetrokken en in de modder gegooid. Alleen de kale, naakte takken blijven over. We leven in het Scorpio-tijdperk van de geschiedenis, het tijdperk van de dood. Nu moeten we ons verzetten tegen de draak of ten onder gaan. Maar tegen zijn vernietigingskrachten zijn we niet opgewassen. Het enige wat we kunnen doen, is ze tegen hemzelf keren. Wanneer we een schorpioen vangen en hem naderen met een lichtbron, steekt hij zichzelf dood. Dat is het enige wat we tegenover de draak kunnen plaatsen: het licht van ons bewustzijn. Met de Schorpioen moeten we worstelen, niet om hem te vernietigen, want dan vernietigen we onszelf, maar om hem zijn wijsheid en inzicht te ontfutselen. 

Het gif van de Schorpioen is de ‘gevallen’ wijsheid van de Adelaar. Het is die wijsheid die we moeten bevrijden uit haar dorre en dodelijke materialistische vormen. Dat is de michaëlische strijd die we met de draak moeten vechten: de strijd om zijn goud. Niemand kan ons méér leren dan hij, want hij is in het bezit van de kosmische intelligentie die ooit beheerd werd door Michaël. Daarom mogen we de ogen niet sluiten voor de draak, we moeten van hem leren. Dat kunnen we het best in oktober, wanneer hij nog luciferische schijn is en we tegenover hem kunnen gaan staan zonder bang te zijn dat hij ons opvreet zoals hij dat (in zijn ahrimanische gedaante) in november doet. Het gouden licht van oktober is het oplichtende goud van de draak. Het is het goud van de schilderijen van de oude meesters, want alle kunst wordt veroverd op de draak. Oktober is de maand van Michaël en de michaëlische strijd is een kunstzinnige strijd, een strijd om de kosmische intelligentie die de draak bewaakt. Nooit is dat goud zichtbaarder en stralender dan in november, maar dan moet de zon wel schijnen, niet alleen de uiterlijk zon, maar ook de innerlijke zon van ons onderscheidingsvermogen, het kunstzinnige onderscheidingsvermogen dat we in Weegschaal hebben verworven. Zonder de oktober-leerschool van Michaël zien we in november alleen maar de grauwe, dodelijke Schorpioen. En we merken niets van het goud dat hij verbergt.

Juist omdat november zich dit jaar vertoonde in de Venus-gedaante van oktober toonde, konden we dat prachtige goud ongestoord gadeslaan, niet gehinderd door kilte en nattigheid, door mist en grijze wolken. Dreigen deed de draak alleen in de kranten, met (onder meer) zijn onheilsberichten over een opwarmende aarde. Maar hoe zou de aarde niet kunnen opwarmen in dit meest erotische aller seizoenen nu hemel en aarde zich met elkaar verenigen en het kind verwekt wordt dat in december geboren zal worden! Wie het hoofd koel hield, kon dit jaar iets opvangen van dit kind. Het verscheen in een onwaarschijnlijke schoonheid, de gouden schoonheid van Scorpio. En het bijzondere van die schoonheid is dat ze begrepen wil worden. Wie er een zintuig voor ontwikkelt, kan in de herfst een stem horen die zegt: begrijp mij, leer mij kennen! Nooit klinkt die stem indringender dan wanneer Scorpio begint. In oktober wil de herfst kunstzinnig gekend worden, ze wil getekend en geschilderd worden. In november wil ze wetenschappelijk gekend worden, ze wil verstandelijk begrepen worden. Maar haar gouden schoonheid en wijsheid toont ze alleen aan een bewustzijn dat verstand en gevoel, kunst en wetenschap op michaëlische wijze in zich verenigt: het bewustzijn van de Schorpioen die als een feniks uit zijn assen verrijst en als een Adelaar weer opstijgt.

Michaël 2015

  

Het was al langer duidelijk dat het niks zou worden op de markt in Brugge, maar toen Michaël er aankwam wilde ik nog een allerlaatste keer mijn kraam opstellen, bij wijze van afscheid zeg maar. Tenslotte heb ik de markt op de Dijver 12 jaar lang bijna ieder weekend bezocht (waarvan de laatste twee jaar zelfstandig) en dat schept een band. Omdat het allemaal begon op een stralende Paasdag, leek het me symbolisch om er op een mooie St.Michielsdag een punt achter te zetten. Maar dat was zonder m’n oudste dochter Helena gerekend. Ze bracht de auto veel te laat terug zodat er geen tijd meer was om in te laden. Mijn Laatste Marktdag ging dus niet door. Ik besloot hem dan maar te vervangen door een dagje aan zee. Zo zag ik ook mijn vrouw nog eens. Het beloofde trouwens prachtig weer te worden. 

Maar ook plan B ging niet door. Het begon nochtans goed. Na een voorspoedige reis bereikten we de kust. Zoals gewoonlijk parkeerden we voor het Zeepreventorium en beklommen daarna het weggetje dat leidt naar het hoogste punt van De Haan. En ja, ze was er nog altijd, de zee! Maar ze zag er vreemd uit. Niet alleen leek ze veel kleiner dan anders, maar met enige verbeelding kon je haar ook zien als een donkere, massieve muur die de wereld afsloot en op de bovenste rand waarvan windmolens stonden, als evenzovele kruisen. Nog vreemder was echter wat zich beneden op het strand afspeelde: zover het oog reikte zagen we mensen met … honden, duizenden mensen met duizenden honden. We konden onze ogen niet geloven. Onze oren trouwens ook niet. De lucht was vergeven van geblaf en gejank. Later zouden we in het dorp een affiche zien: ‘zondag 27 september: hondenwandeling’! We waren te verbijsterd om verontwaardigd te zijn over deze brutale bezetting van het strand. Het was alsof alle hondenliefhebbers van België verzamelen hadden geblazen in De Haan. Uitgerekend op deze dag.

Wandelen langs het water, luieren in het zand, genieten van de zon en luisteren naar ‘het lied van de golven’: het zat er allemaal niet in. We trokken dan maar de duinen en de bosjes in, over een paar uur zou het wel voorbij zijn. Maar het was niet voorbij. Om vier uur zag het strand nog altijd zwart van het hondenvolk. Ze bléven maar komen. Je kon zelfs niet op je gemak in de duinen zitten: voortdurend kwamen honden je lastig vallen. Het was gewoon niet te harden. We besloten naar huis terug te keren. Zo waren we misschien de file nog voor, dat was dan toch dat. Op de terugweg dacht ik: hoeveel van die hondenliefhebbers zouden geweten hebben dat de hond symbool staat voor Ahriman en dat Michaël dus de Grote Hondenbestrijder is? Waarschijnlijk niet één. En toch liepen ze in een eindeloze stoet over het strand, uitgerekend twee dagen voor zijn feest. Toeval?

Voor de tweede keer in twee dagen werden m’n plannen doorkruist. Eerst viel m’n Laatste Marktdag in het water, nu m’n Laatste Dag aan Zee (want het zal er dit jaar wel niet meer van komen). Michaël lijkt voor mij in het teken te staan van de Gedwarsboomde Plannen. Want verleden jaar gebeurde precies hetzelfde. Uitgerekend in de Michaëltijd werd het duidelijk dat mijn plan om te gaan schilderen in duigen zou vallen. Toen ik er – een jaar of zeven geleden – aan begon, wist ik: dit is mijn laatste kans! Ik had m’n bekomst van het schrijven – dat leverde toch niks op dan rugpijn – en dus keerde ik terug naar mijn oude liefde: de kunst, maar nu in kleur. Het werd een enorme worsteling en meer dan eens stond ik op het punt het op te geven. Maar dan gebeurde er telkens iets waardoor ik weer moed vatte en het gevoel kreeg dat ik geholpen werd. De Brugse folkloremarkt was de laatste van die ‘aanmoedigingen’: zij zou het financieel mogelijk maken mijn schilderdroom te realiseren.

Dat was tenminste het plan. Maar na een veelbelovende start zakte de verkoop steeds dieper weg tot ik ten slotte niks meer verkocht. In de weken vóór Michaël vatte ik dan – noodgedwongen – het plan op om weer portretten en karikaturen te gaan tekenen. Daar had ik vroeger altijd succes mee gehad en uiteindelijk was het ook het enige dat ik echt met hart en ziel deed. Maar ook dát plan viel in duigen. En alsof het allemaal nog niet genoeg was, kwam vlak daarna de genadeslag: de monsterboete van de RVA. Dat was de derde uppercut en ik ging tegen de vlakte. Uit alle macht probeerde ik te begrijpen wat me overkwam, maar ik slaagde er niet in het raadsel op te lossen. Want het wás een raadsel. Of moest ik  geloven dat deze drievoudige ‘aanslag’ louter toeval was?

En moet ik ook geloven dat het toeval is dat ik dit jaar opnieuw drie uppercuts krijg met Michaël? Toegegeven, het dwarsbomen van mijn Laatste Marktdag en mijn Laatste Dag-aan-Zee kun je bezwaarlijk uppercuts noemen, maar toch, ze hadden allebei een vreemd karakter. Helena wist dat ik de auto nodig had, dat was afgesproken en tot nog toe is dat altijd goed gegaan, maar uitgerekend nu, op die voor mij toch wel speciale dag laat ze het, zonder aanwijsbare reden, afweten. De reden waarom ook plan B in duigen viel, was nog een stuk vreemder: een hondenwandeling! Wie bedenkt zoiets? En dan nog op Michaël? Maar helemáál vreemd werd het toen de derde uppercut viel. 

Daarvoor moet ik enkele maanden terug in de tijd. In het zomernummer van Antroposofie Vandaag verscheen dit jaar een column van Werner Govaerts waarin hij het ontwikkelen van nieuwe gevoelens bepleitte naar het voorbeeld van de moderne kunst. Eerst keek ik alleen maar vreemd op: nieuwe gevoelens, wat moest ik mij daarbij voorstellen? Maar al vlug drong de onverkwikkelijke waarheid tot me door: die ‘nieuwe’ gevoelens waren … omgekeerde gevoelens! Want de moderne kunst vraagt van de kijker dat hij leert bewonderen wat hij verafschuwt, en verafschuwen wat hij bewondert. Zoniet wordt hij beschouwd als een cultuurbarbaar. En dát stelde Werner Govaerts voor als de antroposofie van de toekomst! 

Ik kon m’n ogen niet geloven, maar tegelijk verbaasde het me niet. Ik zie al langer dan vandaag hoe onder het mom van ‘moderne kunst’ allerlei perversiteiten de antroposofie binnendringen. Doorgaans bijt ik dan m’n tong af want het is vechten tegen de bierkaai als je het opneemt tegen ‘de kunst van onze tijd’. Maar soms wordt het me teveel, en dan zeg ik wat ik ervan denk, wat me doorgaans zeer kwalijk wordt genomen. Ik aarzelde dus om te reageren. Wat voor zin had het trouwens? Ik kende de ‘hedendaagse’ geest goed genoeg om te weten dat je het van hem niet kunt winnen. Maar was dat een reden om me erbij neer te leggen? Moet je echt kunnen winnen om te vechten? Of moet ook de verloren strijd gestreden worden?

Na veel wikken en wegen besloot ik het toch te doen. Mijn reactie zou verschijnen met Michaël, en dat leek me wel een geschikt moment om een heikel thema aan te snijden. Ik deed mijn uiterste best om al het persoonlijke en emotionele uit mijn kritiek te weren, en ik hield het zo kort en bondig mogelijk want ik wilde ruimte openlaten voor een gesprek. Wat me namelijk het meest stoort aan de ‘hedendaagse’ kunst is dat ze ieder gesprek onmogelijk maakt, dat ze geen tegenspraak duldt, dat ze zich uitgeeft voor de enige, echte waarheid – en dat ze tegelijk beweert dat het net andersom is. Het enige wat ik wilde was het blinde geloof in deze ‘kunst’ in vraag stellen en mensen ertoe bewegen om ook eens naar haar daden te kijken in plaats van alleen maar naar haar woorden te luisteren. Tenslotte gaat het in de kunst om wat een kunstenaar doet, niet om wat hij zegt. Is dat trouwens ook niet Michaëls ingesteldheid?

Toen volgde de derde uppercut. Het herfstnummer van Antroposofie Vandaag verscheen, met daarin een lang artikel van Werner Govaerts over kunst, maar … geen spoor van mijn reactie. Men had ze gewoon niet gepubliceerd, zomaar, zonder enige uitleg of verwittiging. Ik had er het raden naar waarom. Of hadden ze mijn reactie misschien niet ontvangen? Plaatsgebrek kon het alleszins niet zijn, want mijn reactie besloeg nauwelijks één bladzijde. En dan nog. Een woordje uitleg was toch het minste wat ik mocht verwachten? Ik mailde naar Werner: geen antwoord. We zijn intussen twee dagen verder: nog altijd niets. Ik doe mijn best om geen overhaaste conclusies te trekken, maar het vermoeden groeit dat ik ben ‘kalltgestellt‘. Ik hoop van harte dat het niet zo is, want als de praktijken van de ‘hedendaagse’ kunst ook doordringen in de antroposofische beweging dan moet er niet alleen gesproken worden van omgekeerde gevoelens, maar ook van omgekeerde antroposofie. 

Wat er ook van zij, het niet-verschijnen van mijn reactie – om welke reden ook – is mijn derde opeenvolgende plan dat dit jaar met Michaël gedwarsboomd wordt. Het treft me extra hard want dit keer gaat het niet om tekenen en schilderen, maar om schrijven en denken. Toen mij verleden jaar zo bruusk de (artistieke) weg van het tekenen en schilderen versperd werd, kon ik dat nog opvatten als een teken dat ik de andere (wetenschappelijke) weg moest volgen, die van het schrijven. Maar nu ook die tweede weg versperd wordt, weet ik niet meer wat ik ervan moet denken. Als ik in de antroposofische wereld niet meer over kunst kan spreken of schrijven, dan kan ik dat nergens meer, want buiten die wereld moet ik echt niet afkomen met mijn antroposofische visie op kunst. Anders gezegd: ik heb het gevoel dat allebei mijn armen worden afgesneden. 

Verleden jaar met Michaël: drie uppercuts, dit jaar met Michaël: drie uppercuts. Verleden jaar m’n ene (artistieke) arm afgesneden, dit jaar m’n tweede (wetenschappelijke) arm afgesneden. Allemaal toeval? Ik ben echt niet iemand die overal verborgen betekenissen in ziet. Dat doe ik zelfs niet met kunstwerken of films. Maar deze twee opeenvolgende Michaëls kan ik toch echt niet meer negeren. Het is alsof ik ergens met mijn neus word op gedrukt, alsof Michaël mij iets wil zeggen. Of is het gewoon de draak die een spelletje met me speelt, en die me duidelijk wil maken: IK ben het die hier de baas is, 29 september is MIJN feest en niet langer dat van Michaël? Maar spreekt de draak werkelijk in termen van drie? En zou hij mij eerst een film zoals The Exorcist laten zien, een film waarin hij verslagen wordt? 

Eén ding lijkt wel zeker: wat me overkomt heeft met Michaël en de draak te maken. Alles speelt zich af rond 29 september, de grote honden-processie spreekt voor zich, en ook over The Exorcist kan geen twijfel bestaan: dit gaat over de strijd met de draak. Het was trouwens echt geen opzet dat ik uitgerekend nu deze film opnieuw bekeek. Ik was ook danig verrast dat ik pas nu zijn esoterische dimensie ontdekte. Nee, hoe meer ik erover nadenk, hoe meer ik geneigd ben te denken dat Michaël me iets wil zeggen. Maar wat? Verleden jaar heb ik mijn tanden stukgebeten op het raadsel dat hij me opgaf en dit jaar lijkt het niet minder moeilijk te worden. Maar opnieuw: is dat een reden om het niet te proberen? De strijd met de draak wordt nooit gewonnen, en toch moet hij gestreden worden.   

(Wordt vervolgd)

De engel van het heden

Toen ik vier maanden geleden begon te bloggen, stond ik ervan te kijken hoe vlot dat ging.
Ik begon ’s morgens vroeg aan een bericht, en tegen de middag was ik klaar.
Mooi afgerond, eindigend waar het begonnen was.
Zoals het hoort voor een levende tekst.
Het kostte me nauwelijks moeite.
Het ging bijna vanzelf.

Dat was vroeger wel even anders.
Toen ik 21 jaar geleden begon te schrijven, moest ik het nog leren.
Buiten een occasionele brief had ik nooit iets geschreven.
Ik had er niet de minste ambitie voor.
Ik was een tekenaar, geen schrijver.
Ik dacht wel veel na, maar dat denken had geen enkele vorm.
Het was meer dromen dan denken.
Ik kon geen uitdrukking geven aan de ideeën die in mijn hoofd gonsden als een zwerm bijen.

Ik wilde dat ook niet.

Wanneer ik tekende, wilde ik helemaal niet denken, althans niet bewust.
Want tekenen is in feite een soort toegepaste meetkunde.
Je leert het door alles te herleiden tot abstracte vormen.
En daarmee bouw je de wereld dan weer op.
Analyseren en synthetiseren, daar komt het op neer.
Tekenen is dus wel degelijk een vorm van denken.
Maar om levende tekeningen te kunnen maken, moet het (abstracte, wiskundige) denken er helemaal in onderduiken.
Het moet weer uit het bewustzijn verdwijnen.

20131018-161916.jpg

Ik herinner me nog dat ik eens op bezoek was bij René Smits, de beeldhouwer.
Hij toonde mij een tekening en vertelde me dat hij de mouw van het model niet goed kreeg.
Hoe zou jij dat oplossen?, vroeg hij me.
Ik keek hem enigszins verbijsterd aan en zei: René, ik heb geen flauw idee.
Ik besefte toen voor het eerst dat ik nooit bewust nadenk als ik teken.
Ik laat geen enkele gedachte toe.
Ik handel louter instinctief.

Dat doe ik trouwens ook als ik naar kunst kijk.
Ik laat geen enkele bewuste gedachte toe.
Behalve één: het is goed of slecht.
Dat wil niet zeggen dat ik niet nadenk als ik kijk.
Ik denk zelfs heel intens na.
Maar het is geen bewust denken.
Het is een halfbewust, dromerig denkproces dat pas aan het eind tot bewustzijn komt in de vorm van een oordeel.

Toen ik begon te schrijven, keerde alles om.
Ik begon nu bewust na te denken.
Want dat is wat schrijven voor mij is: bewust nadenken.
Als ik niet schrijf, kan ik niet bewust nadenken.
Het blijft dan bij verward dromen.
Mijn hoofd is dan als een boom vol kwetterende vogels die van de ene tak op de andere springen. Of als een speelplaats vol kinderen die uitgelaten roepend door elkaar lopen.
Uiterst levendig, maar uiterst verward.
Bewust, schrijvend denken is voor mij als luiden met de schoolbel en roepen: allemaal mooi op een rij komen staan, klas per klas!
Aangezien het mij aan alle gezag ontbreekt, heb ik de grootste moeite om orde te scheppen in mijn gedachten.
Het zijn er teveel en ze spelen te wild.
Ik krijg ze niet getemd, ik krijg ze niet op een rijtje.
Althans niet voor lang.
Altijd is er weer eentje dat de rangen verbreekt en de rest met zich meesleurt.
En mijn teksten eindigen altijd zoals ze begonnen: als een speelplaats vol wild rennende kinderen.

Mijn probleem met schrijven is niet de inhoud.
Ik heb ideeën genoeg.
Een hele speelplaats vol, en er komen er alsmaar bij.
Nee, het probleem is de vorm.
Ik kan geen orde scheppen.
Een tijdje gaat het goed en kan ik een heldere redenering ontvouwen.
Maar dan loopt het weer mis en verlies ik me in een oerwoud van gedachten die zich als apen van de ene boom naar de andere slingeren.

20131018-162718.jpg

Dat is het patroon dat zich steeds weer herhaalt.

In het begin was ik me van dat patroon niet bewust.
Althans niet helder.
Het kwam wel tot uitdrukking in het feit dat ik mijn teksten niet durfde te herlezen.
Ik las ze wel nadat ze gepubliceerd waren in de schoolkrant, in Het Vijgeblad of een ander tijdschrift, maar de band die ik er als schrijver mee had, was dan nog veel te sterk.
Ik kon ze niet objectief lezen.
Na verloop van enige tijd (maanden, jaren) kon ik dat wel, en de enkele keren dat ik dat, per ongeluk, deed, schaamde ik me dood.
Wat een verwarde troep!
Het leken wel de woorden van iemand die niet goed bij zijn zinnen was.

Met die schaamte in mijn achterhoofd begon ik mijn teksten steeds meer te herlezen terwijl ik ze nog aan het schrijven was.
En al vlug bereikte ik dan het punt waar ik de controle verloor en het spoor bijster raakte.
Vanaf dat punt begon ik dan opnieuw.
Waarna ik opnieuw verloren liep.
Zo kon ik weken en zelfs maanden aan een tekst werken zonder dat ik hem rond kreeg, zonder dat ik mijn ideeën op een rijtje kreeg.
Het was als een processie van Echternach: twee stappen vooruit, een achteruit.
Alleen waren het tien stappen vooruit en negen achteruit.
Dat schoot zo traag op en het kostte zoveel energie dat ik het ten slotte opgaf.
En dat kostte dan nog meer energie, want zaken die je begint maar niet af maakt, blijf je met je meeslepen.

Dat overkomt me trouwens ook in het echt, als ik bijvoorbeeld ga wandelen.
Van zodra ik ergens een zijpaadje zie, sla ik dat in en verlaat de hoofdweg.
Ik vind het spannend om ergens te komen waar bijna niemand komt, waar ik helemaal alleen ben met de natuur.
De natuur heeft op die plekken een ander karakter.
Zo ging ik vroeger wel eens wandelen in de Rupelstreek.
Vrienden hadden daar een huisje aan de rand van een domein waar vroeger klei gewonnen werd, maar dat al tientallen jaren aan de elementen was prijsgegeven.
Het was een wonderlijke ervaring om te wandelen tussen de diepe putten die vol water water waren gelopen en de berken die daar vanzelf waren gegroeid.
Je voelde dat deze natuur (nog) niet door mensenhanden of zelfs mensenaanwezigheid was aangeraakt.
De natuurwezens speelden er bij wijze van spreken nog onbekommerd in het zand en de lucht was vol van hun geroep en gelach.
Het had iets betoverends, iets paradijselijks wat je nooit voelt langs de gebaande wegen.

Vandaag bestaan dergelijke gebieden niet meer.
Ze worden beschermd, gecultiveerd en gereglementeerd, en daarbij wordt uiteraard geen rekening gehouden met het onzichtbare natuurvolkje, dat dan maar diep in zijn holen kruipt.
Ook die kronkelende paadjes die je naar vergeten, mysterieuze plekken leiden, bestaan niet meer.
De overblijvers zijn ondergebracht in een benummerd en bewegwijzerd wandelpadenparcours waar het ’s zondags soms even druk is als op de autoweg.

20131018-163352.jpg

Zoals de natuur er vandaag uitziet, zo ziet het er ook in ons hoofd uit.
Alles is in kaart gebracht, gecatalogiseerd, gesystematiseerd, gefatsoeneerd.
Er zijn alleen nog gebaande wegen, geen onbewandelde paadjes.
Dat heeft zo zijn voordelen.
Je weet altijd waar je bent en hoe je weer terug kunt keren.
Je bent op bekend terrein, je bent in feite thuis.
Dat is niet het geval als je onbekende zijpaadjes inslaat.
Het is me meer dan eens overkomen dat ik verloren liep en slechts met de grootste moeite, uitgeput, weer thuis raakte.

Dat overkomt me ook als ik denk, als ik schrijf.
Want mijn hart – dat in feite het orgaan is waarmee ik denk – voelt zich opgesloten in mijn hoofd met al zijn in kaart gebrachte, genummerde en geasfalteerde wegen.
Het wil vrij zijn, onbekende paadjes inslaan, nieuwe gebieden verkennen.
Na een tijdje in de rij te hebben gestaan, wil het weer vrij rondlopen op de speelplaats.
En dus verlaat het het heldere hoofd en … wordt weer chaotisch.

Zolang je in je eentje droomt, is dat geen probleem.
Maar als je jezelf uit wilt drukken omdat je contact wilt maken met andere mensen, dan is het wél een probleem.
Ik ondervind dat zelf wanneer ik teksten lees.
Als alles klopt, als alles gestroomlijnd is, dan glijd ik als vanzelf in een tekst, dan beweeg ik mee, dan word ik er één mee.
Dat is wat iedere schrijver wil: dat de lezer met hem meedenkt, met hem meevoelt, ja hem eenvoudig wórdt.
Maar als de tekst hapert, als hij niet meer vloeit, als er gaten in de redenering vallen, als er stappen worden overgeslagen, als hij kortom chaotisch wordt, dan trek je je als lezer terug uit die tekst. Je doet niet meer mee.
Misschien lees je dan nog wel verder, maar je moet je inspannen, je moet de gaten vullen die de schrijver gelaten heeft, en de betovering van de ‘eenwording’ verdwijnt.
Lezen wordt dan werken, en uiteindelijk geef je het op.
Want je beleeft er geen plezier meer aan.
En waarom zou je dan nog lezen?

Ik lees nooit teksten waar ik geen plezier aan beleef.
Soms gooi ik een boek al na drie bladzijden weg.
Soms klap ik het al dicht na het lezen van de eerste zin.
Soms doe ik het niet eens open.
Ik weiger het werk van de schrijver te doen.
Als hij mij geen plezier bezorgt, lees ik hem niet.

Maar mis ik dan niet veel?
Er zijn toch boeken waar je niet zo makkelijk ‘in’ komt en die je meer dan één keer moet lezen om ze te kunnen smaken. Soms zijn dat zelfs de beste boeken.
Dat is zo.

Maar ik ben een geoefend lezer.
Ik heb vroeger heel veel gelezen.
Mijn leeshonger was heel groot, en dan kauw je op elk leesvoedsel dat je kunt krijgen.
Maar die honger is inmiddels gestild.
Ik kan ook niet meer zoveel leesvoer verteren.
Alles wat ik lees en waar ik geen plezier aan beleef, wordt ballast die ik moet meesleuren.

Ik heb door al dat lezen ook mijn smaak ontwikkeld.
Ik herken een goed boek heus wel.
Ik laat me niet meer verleiden door de lengte of de breedte, door mooie woorden, door haantjesgedrag.
Ik heb grote bewondering voor iemand die in één zin kan zeggen waar een ander drie bladzijden, of zelfs een heel boek voor nodig heeft.
Die dikke turven die jonge schrijvers vandaag op de markt brengen, zijn in werkelijkheid vaak heel magere beestjes.
Net als goedkope verf bestaan ze grotendeels uit vulstoffen.
Daar geef ik mijn geld en mijn tijd niet meer aan.
Ik ben kieskeurig geworden.
Ik kan niet meer woekeren met mijn ‘leeskrachten’.

20131018-164859.jpg

Maar die veeleisendheid heeft tot gevolg dat ik ook een strenge lezer ben van mijn eigen werk.
Zo streng dat ik vaak blijf schrijven en herschrijven aan een tekst tot ik het moe word en het opgeef.
En dat is pijnlijk.

Met dat vormprobleem worstel ik nu al 21 jaar.
Af en toe viel er wel eens een eetbare appel van de boom, die een idee gaf van wat het zou kunnen worden.
Het deed mensen dan zeggen: je moet voor een krant schrijven, of voor een tijdschrift, of je moet een boek schrijven!
Maar ik wist dat ik het niet kon.
Nog niet.
Nog lang niet.
Want ik had het heus wel geprobeerd: een boek schrijven.
De inhoud was er (ideeën genoeg).
De vorm was er (ik kon schrijven).
Maar ik kreeg ze niet samen.
Eenentwintig jaar lang heb ik geprobeerd om inhoud en vorm samen te krijgen, maar het lukte niet.
En uiteindelijk gaf ik het op.
Ik gaf mijn hele (nog steeds beginnende) schrijverscarrière eraan en ging weer schilderen.
Eenentwintig jaar in het water gegooid.
Een groot stuk van mijn leven verspild.
Zo voelde het aan.
Een mislukking van formaat.

Ik meende het toen ik het schrijven eraan gaf.
Ik zou de rest van mijn leven schilderen.
Ik keerde terug naar mijn eerste liefde.
Mijn denken dook weer onder in de dromerige wereld van de beeldende kunst.
Het zou zich weer in vormen en kleuren uitdrukken, niet meer in bewuste begrippen en woorden.
Eigenlijk stortte ik me in het schilderen om de pijn van mijn mislukking te vergeten of tenminste draaglijk te maken.
Die pijn had ik ook gevoeld toen ik begon te schrijven.
Want dat schrijven betekende het einde van mijn tekencarrière.
Die twee lieten zich niet combineren: de dromerige wereld van de (beeldende) kunst en de wakkere wereld van het bewuste, schrijvende denken.
Het was met bloedend hart dat ik afscheid nam van mijn eerste liefde.
Het deed zo’n pijn dat ik geen tentoonstellingen of musea meer wilde bezoeken en in een grote boog om winkels met teken- en schildermateriaal liep.
Ik bande de beeldende kunst uit mijn leven.

20131018-165800.jpg

Die pijn hielp me om diep in de (zo andere) wereld van de gedachten te duiken.
Schrijven was een soort ontwaken uit een droom.
Ik besefte dat ik tot dusver nooit bewust had nagedacht.
Mijn hele schoolcarrière, tot en met de universiteit, heb ik dromend afgelegd, zonder echt na te denken.
Daar kwam een grote portie list en bedrog bij kijken, en vooral aan de universiteit ontwikkelde ik een grote sluwheid in het om de tuin leiden van professoren en examinatoren.
Ik heb toen zelfs een handleiding geschreven: hoe behaal je een diploma zonder na te denken?
Alvast één medestudente is dankzij mijn ‘slechte’ raad door de examens geraakt.
Zelf zou ik nooit een diploma hebben gehaald als ik had moeten nadenken, als ik die hele, afschuwelijke, dorre, intellectuele wereld bewust had moeten betreden.
Dat zou voor mij volstrekt ondraaglijk zijn geweest.

Nee, het was zeker niet de (moderne) wetenschap die me aan het denken zette en wakker maakte.
Het enige wat die wetenschappelijke wereld deed, was mijn dromerige, vrouwelijke denken transformeren in sluwheid, misleiding en bedrog.
Ja, in het onderwijs heb ik geleerd hoe je zeer geleerde, zeer mannelijk denkende mensen om de tuin leidt, hoe je met andere woorden slang wordt.
Mijn vrouw, die ik toen leerde kennen, keek met ontzetting toe hoe ik te werk ging.
Ik ben niet trots op de kunst-van-de-leugen die ik toen ontwikkeld heb.
Maar ik schaam me er evenmin voor.
Het moderne onderwijs is een geestelijke gevangenis, en in een gevangenis moet je overleven.
Ik heb de schoolgevangenis overleefd door instinctief en halsstarrig te weigeren wakker te worden.

Wakker ben ik pas geworden door de kunst.
En meer bepaald door één enkel kunstwerk.
Dit kunstwerk – een zeer modern en eigentijds kunstwerk – heeft me over de drempel geholpen.
Het heeft me doen ontwaken.
Het heeft me doen denken.
Het heeft me doen schrijven.

Voor het eerst in mijn leven.

Het was als een nieuwe geboorte.
Ik betrad een wereld die ik voordien nooit betreden had.
Althans niet bewust.
Ik betrad de wereld van de kunst, de wereld van de droom.
Ik ontwaakte IN de droom.
Met het denken van mijn hoofd werd ik wakker in mijn hart.
En dat was de meest overweldigende ervaring in mijn leven.

Ik herinner me nog heel duidelijk het moment dat ik, omstreeks mijn 14de, wakker werd UIT de droom.
Dat gebeurde in de kerk, tijdens een misviering.
Op een gegeven moment hief ik het hoofd op, keek rond, en dacht: wat doe ik hier?
Ik had had helemaal niks tegen de kerk.
Ik was tenslotte een kunstzinnige ziel, en in de kerk waren er beelden, schilderijen, glasramen, muziek, wierook, literatuur en toneel.
Het was een ‘Gesamtkunstwerk’ waarin ik graag wegdroomde.
Weg van de dagelijkse wereld, weg van de grijze school, weg van alles.
Maar die keer besefte ik opeens dat ik er niet meer thuishoorde.
Mijn liefde ging uit naar een andere, niet-kerkelijke kunst.
Een veel zinnelijker, aardser kunst.
Een kunst ook waarin ik niet enkel toeschouwer maar ook ‘priester’ was, iemand die zelf het mysterie voltrok.

20131018-171203.jpg

Ik verloor, zoals dat heet, mijn geloof.
In werkelijkheid was het veeleer de vaststelling dat ik al lang niet meer geloofde.
Mijn echte geloof was van kindsbeen af de kunst geweest.
Daar voelde ik mij thuis, veel meer dan in die grauwe, onkunstzinnige moderne wereld.
Ik tekende en ik las.
En ik speelde buiten in de zon.
Ik leefde al dromend en uit die kinderlijke droom ontwaakte ik toen ik 14 was.

Mentaal kostte het me geen greintje pijn om de kerk te verlaten.
Ik had me alleen met haar kunstzinnige vorm verbonden.
Er was nooit een bewuste verbinding geweest.
Maar onbewust kwam de scheiding zeer hard aan.
Ze kwam tot uitdrukking in een ongeval op school, een ongeval dat me bijna invalide maakte.
In de turnles kwam ik terecht op een bal en er knapte van alles in mijn linkerknie.
Als beeld kan het tellen: ik kwam met beide voeten op aarde terecht.
Ik werd weer opgelapt door een oude chirurg die de veelzeggende naam ‘Toen’ droeg.
Volgens zijn assistenten was het niet minder dan een wonder dat ik nadien weer kon lopen.

Mijn lichaam besefte het eerder dan ikzelf: dit met beide voeten op de aarde komen viel me ontzettend zwaar.
Zonder een mirakel had het me kreupel gemaakt voor de rest van mijn leven.
Soms moeten engelen ingrijpen.
Mijn engel heette ‘Toen’ en was blijkbaar de Engel van het Verleden.
Hij hielp me heelhuids over de drempel van het heden, een heden dat ik zonder de technieken van de kunst – de heelkunst zowel als de beeldende kunst – niet had overleefd.

Eenentwintig jaar later greep er opnieuw een engel in.
Het was de Engel van het Heden en hij hielp me over de drempel naar de toekomst.
Opnieuw gebeurde dat door de modernste technieken van de kunst, door een waar mirakel van menselijk kunnen.
Opnieuw kwam ik met een schok op aarde terecht.
Maar dit keer werd ik niet kreupel geslagen.
Ik kreeg vleugels.
Mijn ogen gingen open voor de onvermoede schoonheid van het aardse leven.
Voor het eerst in mijn leven voelde ik mij thuis op aarde.
Ik herinner mij het gevoel en het besef nog heel goed.
Want het was een wakker gevoel, ik was me heel erg bewust van wat ik voelde.
Ik was IN dat voelen, in dat dromerige (be)leven wakker geworden.
Nooit was ik zo ‘aanwezig’ geweest.
Mijn vrouw wist niet wat haar overkwam.

Net als toen ik wakker werd UIT de droom, werd ik wakker IN de droom in en door een ‘Gesamtkunstwerk’.
Anders dan het oude totaalkunstwerk van de kerkviering, stamde het nieuwe, eigentijdse kunstwerk uit de toekomst.
Het wortelde helemaal in het heden, maar het toonde de weg naar een nog verre toekomst.
En het toonde die weg in beelden die zo krachtig waren dat ze een hele ommekeer in me teweegbrachten: ik begon te schrijven, ik begon te denken.
Wat ik vroeger dromend had gedaan, deed ik nu wakker.
Maar het was niet de wakkerheid van het moderne, intellectuele verstand, want dat had ik leren kennen als een andere vorm van dromen.
Met dat verstand word je wakker in de ene wereld (de materiële) maar je slaapt in in de andere (de geestelijke).
Ik werd wakker in beide werelden tegelijk: zowel in mijn hoofd als mijn hart.

20131018-171727.jpg

Ik begon voor het eerst echt bewust te denken.
Ik kreeg voor het eerst ook echt interesse voor de concrete wereld waarin ik leefde.
Tot dan las ik geen kranten, luisterde ik niet naar de radio, keek ik niet naar tv.
Dat begon ik nu, aarzelend, wel te doen.
Ik kwam op aarde.
Maar tegelijk werd die aarde, langzaam, transparant voor de wereld van de geest.
Ik moest me daar ontzettend voor inspannen – dromen is een stuk gemakkelijker dan wakker zijn – maar ik werd gedreven door mijn liefde voor het kunstwerk dat de ommekeer bewerkstelligd had.
Nog nooit had ik zoiets gezien.
Ik had me niet eens kunnen voorstellen dat zoiets bestond of zelfs maar mogelijk was.
Het was een wonder, een godsgeschenk.

Zonder dit kunstwerk zou ik de ommekeer naar de toekomst nooit hebben kunnen maken.
Zonder dit kunstwerk zou ik nooit zijn beginnen schrijven.
Zonder dit kunstwerk zou ik het nooit 21 jaar hebben volgehouden.

Het was dan ook een zeer pijnlijk moment om afscheid te nemen van dat schrijven.
Het was het afscheid van de geest van dit kunstwerk, want ofschoon ik de eerste jaren alleen maar over dit ene concrete kunstwerk schreef en nadacht, verruimde dat schrijven en nadenken zich geleidelijk tot andere gelijkaardige kunstwerken en ten slotte tot de hele wereld.
Zoals ik de geest van de oude kunst herkend had in dit nieuwe kunstwerk, zo begon ik diezelfde geest te herkennen in de hele hedendaagse werkelijkheid.
Stap voor stap begon ik de wereld als een kunstwerk te zien.
Het was alsof de geest van de oude kunst zijn lichaam had verlaten, een nieuwe, moderne gedaante had aangenomen en zich vervolgens uitbreidde over de hele wereld.
En ik spande mij tot het uiterste in om hem niet uit het oog te verliezen.

Deze geest is mij sindsdien heiliger dan wat ook.
Dat is de reden waarom ik (voorlopig) zwijg over de kunstzinnige gedaante waarin ik hem 21 jaar geleden heb gezien en herkend.
Er is namelijk geen enkel begrip voor.
Integendeel, die gedaante wekt de grootste weerstanden, vooral dan van ‘spirituele’ mensen.
Ze ontsteken in woede en verontwaardiging als ik hen probeer te vertellen over de geest van dit kunstwerk.
Ze willen niet eens luisteren.
Ze beschouwen me als een handlanger van de draak.

Zelf staan ze in bewondering voor pispotten en kakmachines, dat wil zeggen voor de officiële kunst van onze tijd.
Daar denken ze over na, tenminste dat denken ze.
Daar voelen ze liefde voor, tenminste dat denken ze.
Die kunst nemen ze tot voorbeeld.
En dat laatste is, vrees ik, geen gedachte maar realiteit.

De geest van het kunstwerk waarover ik spreek – en zwijg – inspireert me dus tot een radicale oppositie, niet alleen met de officiële kunst (en kunstwetenschap) van mijn tijd, maar ook met de officiële geesteswetenschap of antroposofie, en eigenlijk met de gehele spirituele wereld van mijn tijd.

Dat is de reden waarom ik zeer terughoudend ben geworden.
Ik bevind me in een situatie van één tegen allen.
Als ik mijn mond opendoe over het kunstwerk dat ik boven alle andere bewonder en liefheb, dan breekt de hel los.
Althans voor mij.
Want meer nog dan de kritiek, de afkeer en de verontwaardiging, ervaar ik de onverschilligheid, desinteresse en minachting voor dit kunstwerk als uiterst pijnlijk.
Ik kan het nauwelijks verdragen dat iets wat ik zo buitengewoon mooi, wijs en zelfs heilig vind, zo met de voeten getreden wordt.
Andersom kan ik ook nauwelijks verdragen dat iets wat ik zo buitengewoon afstotend, misleidend en ontheiligend vind als de hedendaagse kunst, zo verheven wordt.
Ik vind deze perversie, deze omwisseling van goed en kwaad verschrikkelijk.
En dus heb ik geen andere keuze dan ertegen te vechten.

De strijd met de draak moet gestreden worden.

20131018-172355.jpg

En aan welke kant ik ook sta – die van de draak of die van Michaël – doet er niet zoveel toe. Het is namelijk een bewustzijnsstrijd en die levert altijd méér bewustzijn op.
Er moet echter wel een zeker evenwicht zijn, anders is er geen echte strijd.
Dat vind ik dan ook het meest verontrustende: in de wereld van de kunst is er geen strijd meer.
Niemand verzet zich nog tegen de almacht van de hedendaagse kunst.
Niemand durft daar zijn stem tegen te verheffen.
Het is dan ook een bijzonder ongelijke strijd.
Ik mag dan wel zeker van mijn zaak zijn, de anderen zijn dat ook, en ze zijn met veel meer.

Daarom wil ik de strijd niet onvoorbereid aangaan.
Alles wat ik op deze blog doe, is louter voorbereiding.
Alles wat ik dat afgelopen 21 jaar gedacht en geschreven heb, was louter voorbereiding.
Ik verzamel mijn wapens.
De draak bevecht je namelijk niet met de blote hand.
Dat is een naïeve onderschatting van de vijand.

Ik oefen mij op deze blog dus met zwaard en weegschaal.
De weegschaal is de kunst, de gulden middenweg.
Zij is de inhoud van mijn denken.
Het zwaard is de wetenschap, de rede.
Zij is de vorm van mijn denken.
Die twee probeer ik tot een eenheid te smeden, tot één enkel wapen.
En dat wapen is een wakker, scherp onderscheidend hart.
Daarmee wil ik de draak te lijf gaan.

Maar ik wil niet zelf het initiatief nemen.
Men moet de draak niet uitdagen.
Ik wacht dus af, en verzorg mijn wapenuitrusting.
Zo doen soldaten dat in afwachting van de aanval: ze halen hun geweer uit elkaar, maken het schoon, oliën het, en zetten het dan weer in elkaar.
Met mijn verstand dring ik steeds weer binnen in mijn hart, ik haal het uit elkaar, maak het schoon, spuit er wat olie in en zet het dan weer in elkaar.
Tot voor kort kon ik het nog wel uit elkaar halen.
Maar ik kreeg het niet weer in elkaar.
En met een geweer in stukken ben je nog minder dan met een verroest geweer.

Sinds ik blog, lijkt het beter te lukken.
Toch merk ik dat de zaken weer beginnen te blokkeren in deze tweede helft van oktober.
Het evenwicht tussen hoofd en hart, tussen vorm en inhoud raakt weer zoek en ik moet me hevig inspannen om het weer te vinden.
Is dat de draak van november die nadert?
Ik weet het niet.
Ik probeer zoveel mogelijk ‘to go with the flow’, maar voor een mannelijk verstand is dat niet eenvoudig. Hoe dieper het doordringt in het vrouwelijke hart, des te meer begint dat te bewegen, des te ‘vloeiender’ wordt het.
Dan is het zaak om tijdig terug te trekken en jezelf niet in chaos te verliezen.
Niet gemakkelijk!

Maar met de hulp van Michaël and a little help from my friends moet het lukken.
Het moét lukken, zo simpel is dat.

En voor degenen die het arrogant van me vinden dat ik me in het kamp van Michaël situeer: hoe waarschijnlijk is het dat de draak het moet stellen met eenzame amateurs zoals ik, die van de ene mislukking in de andere tuimelen, terwijl Michaël wereldwijd triomfeert, met in zijn gevolg alle rijken, machtigen en verstandigen der aarde?
Want dát is momenteel de situatie in de wereld van de kunst.

En zoals iedereen weet, is de kunst een spiegel van de werkelijkheid.