Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: de twee Jezuskinderen

Corona (10)

  

De zon schijnt en de seringen bloeien. Na een malse regenbui ligt de wereld er als nieuw bij, glanzend van gezondheid en groeiend dat het een lieve lust is. Maar in onze ziel is het geen lente, wel integendeel, onze innerlijke zon is verdwenen. We tasten in het duister en weten niet meer wat we moeten denken van die stralende natuur. Is ze wel te vertrouwen? Is zij niet het liefelijke gezicht van het kwaad dat in de vorm van dodelijke virussen overal op de loer ligt? Opeens blijkt de lente levensgevaarlijk te zijn en kan ze ons leven onverwacht in een hel veranderen. Of komt het coronavirus niet uit de natuur maar uit één van onze laboratoria, waar we het gecreëerd hebben als leerling-tovenaars die nu de controle over hun eigen schepping kwijt zijn? Ja, misschien zijn wij zelf wel een kwaadaardig virus dat het leven op aarde bedreigt! Wat moeten wij onze kinderen nog vertellen over de lente, over de wereld, over onszelf? De waarheid? Maar wat is de waarheid? We weten het minder dan ooit.

Hoe ouder een mens wordt, hoe meer hij beseft niets te weten. De wereld wordt voor hem opnieuw een mysterie, net als bij zijn geboorte. Vandaag lijken we allemaal oud te zijn geworden, want de werkelijkheid heeft de illusies van de wetenschap doorprikt. Het pronkstuk van ons denken heeft geen antwoord op de problemen waarmee we momenteel geconfronteerd worden (en die het voor een groot deel zelf veroorzaakt heeft). We staan met lege handen tegenover de corona-dreiging en worden overrompeld door de vraag: wat kunnen we nog geloven? De waarheid is onvindbaar geworden en we worden overspoeld door angst, depressie en vertwijfeling. Wanhopig zoeken we naar houvast en zekerheid in een wereld die steeds chaotischer, steeds onherbergzamer, steeds dreigender wordt. De behoefte aan een sterke man (of vrouw) groeit, want het wordt alsmaar duidelijker dat de wetenschap dat houvast niet kan bieden. Ons weten is aan een grens gekomen, het verandert steeds meer in een niet-weten.

Maar hoe kunnen we dan nog zekerheid vinden in het leven zonder onze vrijheid kwijt te raken? Het antwoord komt uit onverwachte hoek, namelijk uit de kunst. Dat is de laatste plek waar we de waarheid gaan zoeken, want kunst staat voor ons gelijk met subjectiviteit en individualisme, terwijl we van de waarheid juist verwachten dat ze – zoals de wetenschap – objectief is en geldt voor iedereen. Maar het is precies deze dualiteit die overwonnen moet worden, want de waarheid mag dan wel objectief zijn, ze is tevens subjectief: ze kan niet los worden gemaakt van ons eigen wezen. De waarheid is geen ding dat buiten ons kan worden geplaatst, zij moet worden beleefd. Ze is iets levends: we moeten haar kunnen voelen in ons hart, ze moet ons vervullen. Zonder die rechtstreekse, persoonlijke verbinding merken we het niet als de leugen de plaats van de waarheid inneemt. En die gevoelsmatige verbinding, die hart-kwaliteit, vinden we in de kunst: zij geeft ons wat de wetenschap niet kan geven.

Maar ook het omgekeerde is waar: de wetenschap geeft ons wat de kunst niet kan geven: helderheid en inzicht. Het licht van de rede is als de zon die alles doet verschijnen. Die zon leeft weliswaar ook in de kunst, maar daar is zij verduisterd door de materie. Deze artistieke ‘zonsverduistering’ maakt echter iets zichtbaar dat in de zonovergoten werkelijkheid niet kan waargenomen worden: de allesdoordringende zonne-aura van de waarheid. Dit waarheidslicht is er altijd, maar het verschijnt alleen wanneer de maan de zon precies bedekt, dat wil zeggen wanneer de kunstenaar erin slaagt geest en materie volkomen te doen samenvallen. Er is echter nog een tweede voorwaarde: alleen degenen die precies weten waar en wanneer ze moeten kijken, krijgen deze mysterieuze zonne-aura te zien. Zij weten ook wat ze zien, zodat de verduistering hen geen angst aankaagt. Anders gezegd, zonder de wetenschap krijgt men het waarheidslicht van de kunst niet te zien, tenzij per ongeluk. 

Kunst en wetenschap zijn dus allebei nodig om de waarheid te kunnen zien: in de kunst beleven we de waarheid zonder het te weten, in de wetenschap kennen we de waarheid, maar we hebben er het contact mee verloren. Het probleem is dat kunst en wetenschap elkaar uitsluiten: we kunnen de waarheid niet tegelijk kennen en beleven, evenmin als we tegelijk de aardse wereld en de sterrenwereld kunnen zien. Als de zon verschijnt, verdwijnen de sterren en omgekeerd. Ze zijn er altijd allebei, maar we zien ze nooit tesamen, tenzij tijdens een eclips. Zo gaat het ook met kunst en wetenschap. Om kunst te kunnen zien, moeten we er ons aan overgeven en dat maakt een rationele benadering onmogelijk. Een rationele benadering sluit dan weer de gevoelsmatige overgave uit en doet de kunst uit onze waarneming verdwijnen. Kunst en wetenschap wisselen elkaar af zoals de zon en de maan, maar ze vallen nooit samen, tenzij bij hoge uitzondering, zoals tijdens een zonsverduistering.

De grens die de wetenschap bereikt heeft, is de grens met de kunst. Pas wanneer ze die grens overschrijdt, kan ze de waarheid vinden die ze zoekt. Wat haar daarvan weerhoudt, is het feit dat ze dan verdwijnt, dat ze zichzelf opheft. De wetenschap kan het gebied van de kunst niet betreden zonder haar objectieve afstandelijkheid op te geven. En dus rijst de vraag: kan de wetenschap deze grens overschrijden en toch wetenschap blijven? Kunnen we de waarheid bewust leren kennen of kunnen we ze hoogstens gevoelsmatig beleven zoals in de kunst? Dat is de cruciale vraag die Rudolf Steiner zich stelde aan het eind van de 19de eeuw. Als helderziende was hij er diep van doordrongen dat de wetenschap aan een grens was gekomen: de grens tussen de dode materie en de levende geest. Voor hem was het geen probleem om die grens in beide richtingen te overschrijden, maar wat hij zocht was een brug tussen beide werelden, zodat er – op de grens – een wetenschap van de hele werkelijkheid kon ontstaan.

Die brug vond hij in de kunst (van Goethe) en dat is geen toeval, want in de kunst zijn materie en geest met elkaar verbonden. Maar dat zien we niet, want zowel materie als geest verdwijnen uit ons bewustzijn wanneer we naar kunst kijken. We zien geen van beide meer, zoals we ook de zon en de maan niet meer zien tijdens een zonsverduistering. Wat we wel zien, is een nieuwe, onbekende werkelijkheid: de zonne-aura van de waarheid. Daar zijn we ons echter niet van bewust, want we stellen ons geen vragen naar de aard van deze derde, kunstzinnige werkelijkheid. Ze vervult ons met verrukking en doet al onze vragen verstommen. De kunst is het antwoord op al onze vragen. Maar juist doordat we sprakeloos naar haar kijken, blijft haar (waarheids)wezen ons onbekend. Nochtans zien we in de figuur van Goethe dat de kunst wel degelijk gekend wil worden, dat ze streeft naar wetenschap en bewustzijn. Maar de laatste vraag, de vraag naar haar eigen wezen, kon Goethe niet stellen zonder op te houden kunstenaar te zijn. 

Rudolf Steiner kon dat wel. Als wetenschapper kon hij de ultieme vraag stellen naar het waarheidswezen van de kunst, naar het scheppende wezen van de mens. Dat was een grote stap, want alles verandert wanneer we ons vragen beginnen te stellen over datgene wat alle vragen doet verstommen. Er is een enorm verschil tussen het onbewuste en het bewuste betreden van de geestelijke dimensie van de werkelijkheid, tussen het dromerig-gevoelsmatige beleven en het bewust-verstandelijke benaderen van het wezen van de kunst. Het eerste vervult ons met verrukking, het tweede met ontzetting. In ons hart kennen we de waarheid, zij is ons vertrouwd, het waarnemen ervan is een herkenning. Maar wat voor onze onbewuste ziel kinderspel is, is voor onze bewuste, verstandelijke ziel een schokkende ervaring. De wetenschapper die vragend doordringt tot het wezen van de kunst, voelt zich overweldigd, al zijn wapens worden hem uit handen geslagen. En daar staat hij dan: klein, nietig en onmachtig. 

Het bewust overschrijden van de grens tussen kunst en wetenschap is een beproeving en er is veel liefde nodig om deze beproeving te doorstaan. We kunnen ons niet voorstellen wat Rudolf Steiner doorgemaakt heeft toen hij – als eerste – deze grens overschreed. Voor het oog van de wereld was hij een mislukte wetenschapper die leefde als een bohémien tussen kunstenaars. Maar dat was slechts een uiterlijk beeld van wat zich in zijn ziel afspeelde: als wetenschapper betrad hij het gebied van de kunst en werd ‘verduisterd’. Maar dankzij deze (vrijwillige) verduistering zag Rudolf Steiner de zonne-aura van de waarheid verschijnen en werd een nieuwe wetenschap geboren: de geesteswetenschap, de wetenschap van de hele werkelijkheid, de materiële zowel als de geestelijke. Dit waarheidslicht scheen echter in de duisternis van een door en door materialistische wereld en werd er niet door aanvaard. Dat nam echter niet weg dat het een keerpunt was, het aanbreken van een nieuw tijdperk. 

Rudolf Steiner voorspelde dat de wetenschap zoals we die vandaag kennen zou verdwijnen. Dat kunnen we ons nauwelijks voorstellen, want de moderne wetenschap is machtiger dan ooit. Toch heeft de corona-crisis duidelijk gemaakt dat die machtige wetenschap een reus op lemen voeten is. En hij wankelt. Wat we vandaag meemaken, is de machtsgreep van een materialistische wetenschap die voelt dat haar dagen geteld zijn en zich gedraagt als een gewond dier dat gevaarlijker is dan ooit. Dit dier is vervuld van haat tegen de kunst en tegen het vrije, scheppende wezen van de mens wiens tijd gekomen is. Die haat is eigenlijk angst, want de enige manier waarop de wetenschap zichzelf kan redden, is door zich te verbinden met die verafschuwde kunst, er zich door te laten ‘verduisteren’ en daarna in een nieuwe vorm weer te verschijnen. Tegelijk is dat ook de enige manier waarop belet kan worden dat de vrije mens opgesloten wordt in een kooi: door de waarheid van de kunst bewust te leren kennen. 

Honderd jaar geleden zei Rudolf Steiner dat het in de 20ste eeuw twee kanten op kon: ofwel kwam de antroposofie tot bloei en gaf zij de menselijke beschaving de geestelijke impuls die ze nodig had, ofwel kwam die beschaving aan de rand van het graf te staan. Alles hing af van de samenwerking tussen platonici en aristotelici, tussen de kunstenaars en wetenschappers par excellence dus. Er moest op ruimere schaal gebeuren, wat 2000 jaar geleden op één enkele plaats gebeurde: in de tempel van Jeruzalem, waar het Ik van de solomonische Jezus (de ‘wetenschapper’) overging in de nathanische Jezus (de ‘kunstenaar’). Door dit goed bewaarde geheim te onthullen, maakte Rudolf Steiner het oerbeeld zichtbaar van wat hij zelf zou doen tijdens de Weihnachtstagung: hij offerde zijn leven door zijn lot te verbinden met dat van zijn leerlingen. Toen hij vervolgens – wegkwijnend als de solomonische Jezus – het geheim onthulde van de oude en de jonge zielen, nodigde hij ons uit zijn voorbeeld te volgen.

De kern van dat voorbeeld is de manier waarop de tegenpolen met elkaar verbonden worden. De verbinding zelf wordt bewerkstelligd door de (weder)komst van Christus en ligt niet in de vrijheid van de mens. Wat wel in zijn vrijheid ligt is hoe de verbinding tot stand komt: op de manier van de wetenschap of op die van de kunst. In het eerste geval is de verbinding gebaseerd op macht: zoals de wetenschap de natuur onderwerpt, zo onderwerpt ze ook de kunst. Het resultaat zien we in de hedendaagse kunst. Deze zogenaamde ‘nieuwe’ kunst kan niet bestaan zonder de uitleg van experts, ze is afhankelijk van de wetenschap. Eigenlijk is ze niet meer dan een toegepaste wetenschap: ze brengt de ideeën van de (materialistische) wetenschap in beeld. In het tweede, kunstzinnige geval is de verbinding gebaseerd op liefde: de wetenschap geeft zich over aan de kunst, en laat er zich door verduisteren. Het resultaat van deze kunstzinnige verbinding zien we in de antroposofie: een wetenschap die tegelijk een kunst is.

Het kan dus twee richtingen uit met de verbinding der tegenpolen: de richting van de kunst of de richting van de wetenschap. De eerste resulteert paradoxaal genoeg in een nieuwe wetenschap (de antroposofie), de tweede in een nieuwe kunst (de hedendaagse). In beide gevallen worden kunst en wetenschap één, maar in het ene geval gebeurt dat op christelijke wijze (naar het voorbeeld van de twee Jezuskinderen), in het andere geval gebeurt het op omgekeerde, ahrimaanse wijze. Wat de hele zaak zo complex maakt, en waardoor beide manieren voortdurend met elkaar verward worden, is dat het in beide gevallen om een omkering gaat. In het christelijke geval wordt de wetenschapper een kunstenaar, in het ahrimaanse geval wordt de kunstenaar een wetenschapper. In abstracto lijkt dat hetzelfde te zijn, in concreto is het het verschil tussen goed en kwaad: de christelijke omkering leidt tot een Steigerung van zowel kunst als wetenschap, de ahrimaanse omkering leidt tot de vernietiging van beide. 

Op welke manier verbinden we kunst en wetenschap met elkaar? Dat is de keuze waarvoor we vandaag staan. Het is de keuze tussen Christus en Ahriman, tussen goed en kwaad, tussen een nieuwe lente en de dood. Op zich is die keuze niet moeilijk, het probleem ligt in het onderscheiden van de twee keuzemogelijkheden. Doordat we allemaal ‘wetenschappers’ zijn geworden en met ons hoofd denken, zien we geen verschil tussen beide. Dat verschil zien we alleen met ons hart. De wetenschapper onderscheidt zintuiglijk en verstandelijk, dat wil zeggen op materieel vlak. De kunstenaar onderscheidt ook op moreel-geestelijk vlak: hij kan de waarheid waarnemen. Maar hij onderscheidt niet met zijn hoofd, hij onderscheidt met zijn hart, en dat hart moet de wetenschapper leren kennen. Daarvoor moet hij dit ‘waarheidsorgaan’ echter bevrijden, want Ahriman heeft het in zijn wurgende greep, de greep van de angst. En om het hart te bevrijden is moed nodig, michaëlische moed. 

Het levende denken (7)

  

Het oerbeeld van een polariteit die uitmondt in een Steigerung is de geschiedenis van de twee Jezuskinderen. Hun relatie leidde tot de incarnatie van de Christusgeest tijdens de doop in de Jordaan, het begin van diens menswording. Vandaag staan we aan het begin van de Christuswording van de mens. Het verschijnen van een figuur als Rudolf Steiner getuigt daarvan. Sinds het aflopen van het Kali Yuga zijn de poorten van de hemel weer opengegaan, de poorten die tijdens de Godenschemering langzaam dicht waren gegaan tot ze in de 19de eeuw helemaal op slot zaten. Dit afgesloten zijn van de geest bracht de vrijheid van de mens met zich mee en die vrijheid speelt vandaag een cruciale rol in de herverbinding met de geest. Want de mens heeft de keuze: ofwel zoekt hij contact met de oude, paradijselijke geest ofwel probeert hij zich te verbinden met de christelijke geest. In het eerste geval laat hij zich (mis)leiden door de tegenmachten, in het laatste geval volgt hij de weg van de twee Jezuskinderen. 

‘Niemand komt tot de Vader dan door Mij.’ Deze woorden van Christus zeggen hetzelfde als het beeld van de engel met het vlammende zwaard: de mens kan geen rechtsomkeer maken en terugkeren naar het paradijs. Hoe actueel die boodschap is, wordt met de dag duidelijker. Het linkse ideaal, dat de wereld tot een paradijs wil maken waar Alle Menschen Brüder zijn, heeft de mens stevig in zijn greep, ondanks alle ellende die het reeds veroorzaakt heeft en nog altijd veroorzaakt. Dit reactionaire, luciferische verlangen naar het verloren gegane paradijs – het verlangen naar de Vader- of de Moedergeest – vermengt zich met angst voor de toekomst en drijft de mens in de armen van Ahriman. Verre van het paradijs te bereiken, komt hij in de onderwereld terecht. Wie niet vrijwillig de weg van beide Jezuskinderen gaat – de weg naar Christus – kiest zonder het te beseffen de weg van beide tegenmachten – de weg naar de Antichrist – en dat is een keuze met apocalyptische gevolgen. 

De christelijke weg van de twee Jezuskinderen is een geheim dat ondanks eeuwenlange intensieve studie van de bijbelteksten 2000 jaar lang verborgen is gebleven en pas in onze tijd onthuld werd door Rudolf Steiner. Die onthulling had een theoretisch-platonische en een praktisch-aristotelische kant. Enerzijds was er het vijfde evangelie, waarin Rudolf Steiner uitvoerig beschreef wat in de bijbel slechts summier wordt aangeduid: de weg van Jezus tot Christus. Anderzijds was er het thema van de oude en de jonge zielen, dat deze weg vertaalde naar onze tijd en er een concrete en persoonlijke aangelegenheid van maakte. Dit praktische luik was er bijna niet gekomen, want onmiddellijk na de Weihnachtstagung werd Rudolf Steiner zwaar ziek. Men wist zijn leven op het nippertje te redden, maar het was slechts uitstel van executie, want 15 maanden later stierf hij. Toch volstond dat uitstel om de onthulling van de (michaëlische) weg naar Christus te vervolledigen. 

De geestelijke krachten die het bestaan van de twee Jezuskinderen zolang geheim hadden gehouden, bleven echter doorwerken en ze doen dat tot op de huidige dag. Het vijfde evangelie werd vol eerbied opgenomen in het antroposofische bewustzijn, maar dat kon zeker niet gezegd worden van de andere zijde van de medaille: het thema van de oude en de jonge zielen. Dat stuitte meteen op sterke weerstanden die 100 jaar later nog altijd niet overwonnen zijn. Integendeel, ze verhinderden de samenwerking tussen platonici en aristotelici waarin de antroposofische weg naar Christus had moeten culmineren en het Christusbewustzijn doen opbloeien. Dat deze Steigerung niet heeft kunnen plaatsvinden is een kwalijke zaak, want Rudolf Steiner waarschuwde ervoor dat de mensheid niks ergers kon overkomen dan dat ze de wederkomst van Christus zou verslapen. Tijdens de onthulling van het zielenthema sprak hij zelfs over ‘het graf van alle beschaving’.

Wie de actualiteit een beetje volgt, kan moeilijk ontkennen dat (ook) deze voorspelling van Rudolf Steiner in vervulling lijkt te gaan. Verre van tot een hoger, levend denken te komen, wordt het denken van de mens stap voor stap verboden. Er mag geen onderscheid meer gemaakt worden, alles moet genuanceerd en gerelativeerd worden tot een eindeloze diversiteit. Het opdelen van de mensheid in oude en jonge zielen moet in het huidige streven naar paradijselijke eenheid zowat het toppunt van kwaadaardigheid zijn. Maar het ‘goedaardige’ politiek-correcte denken heeft wél tot gevolg dat de mensheid opgedeeld wordt in goede en slechte zielen. Het is een ander aspect van de keuze waarvoor de mensheid staat: ofwel maakt ze onderscheid tussen oude en jonge zielen en begrijpt ze dat beide moeten samenwerken, ofwel maakt ze onderscheid tussen goede en slechte zielen, en ontketent ze een uitzichtloze strijd. 

De politiek-correcte mens heeft echter geen oog voor het verband tussen zijn eenheidsdenken en de dualistische realiteit die eruit voortvloeit. Zijn (dode) denken heeft zich losgemaakt van de werkelijkheid en rekent zich tot een andere, hogere wereld die zich gerechtigd voelt haar wil op te leggen aan alles en iedereen. Deze zichzelf boven alles verheven wanende wereld is de wereld van Ahriman, de grimmige geest die totale onderwerping eist. Dat is zeker niet de wereld van de wetenschap, want een denken dat geen andere relatie tot de wereld heeft dan een machtsrelatie is geen wetenschappelijk denken maar het tegendeel ervan. Het rationele, mannelijke denken heeft juist als belangrijkste eigenschap zijn onzelfzuchtigheid, zijn totale overgave aan de werkelijkheid. Niet wat het zelf denkt is van belang, maar wat de werkelijkheid denkt. De wetenschap brengt het denken van de aarde tot bewustzijn, en dan in eerste instantie het denken van haar fysieke, materiële dimensie. 

Wil de wetenschap zich verder ontwikkelen, dan moet ze ook het denken van de geestelijke dimensie van de aarde tot bewustzijn brengen, te beginnen met de etherische dimensie. Daartoe moet ze zich verbinden met de kunst, want daar wordt deze dimensie in beeld gebracht. In de kunst wordt de weg naar deze etherische Christus in beeld gebracht, maar daar zijn we ons niet van bewust. In het beste geval volgen we deze weg (bij het kijken naar kunst) gevoelsmatig en brengt hij ons tot een dromerig waarnemen van de etherische Christus. Het is de taak van de wetenschap dit dromerige, kunstzinnige waarnemen (en scheppen) tot bewustzijn te brengen. Zij is de prins die de Schone Slaapster wakker moet kussen, en daardoor zelf ook toegang krijgt tot de etherische dimensie van het bestaan. De weg naar Christus – die van polariteit naar Steigerung loopt – ligt in de kunst als in een betoverde slaap, en die betovering moet door de wetenschap doorbroken worden als ze niet allebei in handen van Ahriman willen vallen. 

De moderne wetenschap kust de kunst echter niet wakker, integendeel. Ze vergrijpt zich aan haar, ze onderwerpt haar en verlaagt daardoor ook zichzelf. Deze machtsrelatie komt tot uitdrukking in zowel de moderne technologie als de hedendaagse kunst. In het eerste geval wordt de wetenschap het slachtoffer van de kunst, dat wil zeggen van haar wetenschappelijke instrumentarium en methodiek, in het tweede geval wordt de kunst het slachtoffer van de wetenschap, dat wil zeggen van de ideeën die ze toepast. Kunst en wetenschap misbruiken elkaar uit zelfzucht. Dat is opnieuw een ander aspect van de keuze die de moderne mens moet maken: verbindt hij kunst en wetenschap op zelfzuchtige of op onzelfzuchtige wijze, doet hij het uit liefde of uit haat. Momenteel gaapt tussen kunst en wetenschap een diepe kloof, gevuld met wederzijdse afkeer. Die kloof moest ontstaan opdat de mens vrij zou worden, maar wil hij die vrijheid behouden en verder ontwikkelen, dan moet ze overbrugd worden. 

Het oerbeeld van die overbrugging vinden we in de relatie tussen de twee Jezuskinderen. De oudste van de twee was ‘de wetenschapper’, een buitengewoon intelligente jongen in wie de meest ontwikkelde ziel van de mensheid leefde, de Zaratoestra-ziel. Deze Jezus was van koninklijke bloede en al vlug rees het vermoeden dat hij wel eens de langverwachte Messias kon zijn. De jongere Jezus daarentegen was allesbehalve intelligent, sommigen zouden zelfs gezegd hebben dat hij achterlijk was. Hij was een kinderlijke dromer, helemaal niet geïnteresseerd in kennis of ideeën. Maar hij beschikte wel een bijzonder scheppend vermogen. De legende vertelt dat de kleine Jezus uit klei vogels boetseerde die vervolgens wegvlogen. Hij was met andere woorden ‘de kunstenaar’ van de twee. Het is dit kind dat in een stal werd geboren en opgroeide in een eenvoudige, zelfs armoedige omgeving. Zijn vader was timmerman en zijn moeder een onontwikkeld dorpsmeisje.

Normaal gezien zouden deze twee erfelijk zo verschillende kinderen nooit met elkaar in aanraking zijn gekomen, maar door een speling van het lot – lees: door een karmische voorbeschikking – groeien ze samen op. Dezelfde situatie treffen we aan in de antroposofische beweging waar twee groepen van zielen samenkomen die nooit eerder met elkaar in contact kwamen. Het feit dat ze elkaar nu toch vinden, is karmisch bepaald en wel door Michaël, die beide groepen samenbracht in de geestelijke wereld en voorbereidde op hun gemeenschappelijke taak. Hun karma spiegelt dat van beide Jezuskinderen. Maar er zijn ook opmerkelijke verschillen. De antroposofische oude zielen zijn eerder kunstzinnig dan wetenschappelijk. Het zijn dromers, zwevers, onpraktische lieden die zich niet thuisvoelen in de moderne wereld en opgelucht zijn in de antroposofische beweging een oase van spiritualiteit gevonden te hebben. Ze lijken dus niet op de oude maar op de … jonge Jezus.

Hetzelfde geldt voor de antroposofische jonge zielen: zij lijken niet op de jonge Jezusziel maar op de oude. Het zijn immers de wetenschappers, knappe koppen, aanpakkers die de wereld willen veranderen. Hoe valt dat te verklaren? Het antwoord ligt in het keerpunt der tijden. Met de menswording van Christus begint een algehele ommekeer, een ingrijpende metamorfose. Het bekendste voorbeeld is Johannes de Doper, de alleroudste ziel van de mensheid. Kort nadat hij Jezus gedoopt heeft, wordt hij onthoofd en verliest dus datgene wat altijd de grote kracht van de oude zielen is geweest: zijn geleerdheid, zijn kennis, zijn inzicht. Zijn kluizenaarschap gaf trouwens reeds aan dat de tijd van de oude zielen voorbij was. Als koninklijke vertegenwoordigers van de zonnegod hadden ze zich altijd in het centrum van de beschaving bevonden, maar nu hun god zelf op aarde kwam – en wel in de gedaante van een jonge ziel – was hun rol uitgespeeld en trokken ze zich, zoals Johannes de Doper, terug in de woestijn. 

Dat kwam tot uiting in de woorden van Johannes: ik moet afnemen, hij moet toenemen. De leiding van de mensheid, die altijd bij de oude zielen had berust, ging over op de jonge zielen. Omdat Johannes Christus trouw bleef, werd hij – bij wijze van spreken – zelf een jonge ziel. De kluizenaar die in de woestijn leefde en geheel gericht was op de geest, verschijnt in zijn incarnatie als Rafaël in de gedaante van een wereldse schilder die de zintuiglijke wereld met hart en ziel is toegedaan. Een grotere ommekeer of transformatie is niet denkbaar en toch heeft Johannes zijn vroegere gerichtheid op de geest niet verloren. Alleen zoekt hij die geest niet langer in de hemel maar op aarde. De oude ziel, die Rafaël (ondanks zijn miraculeuze verjonging) nog altijd is, drukt zijn waarneming van de geest niet meer uit in profetische woorden, maar in kunstzinnige beelden, beelden met een diepe esoterische betekenis. In dat beeldend vermogen ligt de kracht van de verchristelijkte oude zielen, de platonici op kop. 

Bij de jonge zielen vindt de omgekeerde transformatie plaats. Het treffendste voorbeeld is hier Rudolf Steiner zelf. In zijn incarnatie als Enkidoe, vriend en raadgever van koning Gilgamesj, is hij nog een soort wildeman die dicht bij de natuur leeft. Anders dan in de oude ziel van Johannes de Doper, die zich reeds terugtrekt uit de aardse beschaving, leeft in hem een grote honger naar die beschaving en haar kennis. Deze kennisdrang herkennen we nog duidelijker in latere incarnaties als Aristoteles en Rudolf Steiner. Deze nog zeer jonge ziel beschikte – net als de jonge Jezus – aanvankelijk over grote scheppende krachten, maar onder de ‘omwentelende’ invloed van Christus ontwikkelde hij zich tot wetenschapper. Zoals de (christelijke) oude zielen kunstenaar werden en hun vroegere weten nu in beelden uitdrukten, zo werden de (christelijke) jonge zielen wetenschapper, en transformeerden ze hun oude scheppende vermogen tot denkvermogen. En zo ontmoetten deze getransformeerde zielen elkaar in de antroposofische beweging. 

Zoals de twee Jezuskinderen in Nazareth bij elkaar werden gebracht ten tijde van de eerste (fysieke) komst van Christus, zo worden de verchristelijkte oude en jonge zielen ten tijde van de tweede (etherische) komst van Christus bij elkaar gebracht in de antroposofische beweging. Maar of ze, net als de Jezuskinderen, naar elkaar toegroeien en één worden, hangt dit keer volledig van hun vrije wil af en met name van hun bereidheid om de tegenmachten onder ogen te zien. Die doen er vandaag alles aan, niet om de eenwording van kunst(enaar) en wetenschap(per) te verhinderen, want die voltrekt zich vandaag op grote schaal, maar om te verhinderen dat ze zich op de juiste – lees christelijke – manier voltrekt. Daarom is het van het grootste belang dat we ons bewust worden van deze ‘christelijke manier’ en dat doen we door het oerbeeld ervan – de eenwording van de twee Jezuskinderen – te verbinden met de heldere begrippen van het zielenthema. De begrippen beginnen dan te leven en het beeld begint te spreken. 

Het levende denken (6)

  

Het levende denken is een Steigerung van ons huidige denken. Steigerung is een begrip uit de kleurenleer van Goethe waarin de primaire kleuren geel en blauw zich onderaan (de kleurencirkel) vermengen tot groen en bovenaan ‘steigeren’ tot purper of magenta. Groen geldt daarbij als de kleur van de aardse wereld, terwijl aan magenta een geestelijk karakter wordt toegeschreven (reden trouwens waarom het door de katholieke kerk gebruikt wordt). Magenta kan niet bekomen worden door vermenging maar ontstaat uit de opgedreven spanning tussen de tegenpolen: het tot rood geïntensiveerde geel en het tot violet geïntensiveerde blauw. Goethes kleurenleer was geen theorie maar een waarneming, een fenomenologische beschrijving van de wereld van de kleuren. De wetmatigheden die daarbij zichtbaar werden, gelden ook voor andere gebieden, bijvoorbeeld de plantenwereld. Daar is de bloem een Steigerung van de polaire krachten die het zaadje doen uitgroeien tot een plant.

Deze wetmatigheden gelden ook voor de zielewereld, die door Rudolf Steiner trouwens een wereld van kleuren werd genoemd. Ons denken maakt deel uit van die zielewereld en, net als in de kleurenwereld, moeten we hier uitgaan van twee primaire denkwijzen (en niet van bijvoorbeeld drie) als we de mogelijkheid willen scheppen van een Steigerung, van een hoger denken, een levend denken. Die twee polaire denkwijzen kunnen we op verschillende manieren benoemen: als verstandelijk en gevoelsmatig, als begrippelijk en beeldend, als wetenschappelijk en kunstzinnig, als mannelijk en vrouwelijk, als aristotelisch en platonisch. In zijn Filosofie der Vrijheid hanteert Rudolf Steiner de tweedeling waarnemen en denken. Het oude, oorspronkelijke denken was inderdaad een waarnemen, een helderzien. Uit dat denkende waarnemen of waarnemende denken heeft zich in de loop er tijden dan geleidelijk ons huidige denken losgemaakt met in zijn zog het voelen.

Het zelfstandige, vrije, rationele denken is inmiddels zo dominant geworden dat het niks meer te maken wil hebben met de oude, helderziendheid waaruit het geboren is. Het gedraagt zich als een schooljongetje dat niet gezien wil worden met zijn bezorgde, liefhebbende moeder, want het wil stoer zijn, het wil op eigen benen staan. Deze houding valt goed te herkennen in het moderne, wetenschappelijke denken, dat bijzonder smalend doet over alles wat verstandelijk niet te verklaren is, zoals astrologie, homeopathie of antroposofie. Deze manieren van denken worden afgedaan als bijgeloof, onzin, fantasie, ze worden de benaming ‘denken’ niet eens waard geacht. Volgens het wetenschappelijk ‘schooljongetje’ is er maar één echte manier van denken’: de zijne. De moeder weet natuurlijk wel beter. Met name in onze tijd ziet ze dat haar stoere zoontje in zeven sloten tegelijk loopt en beseft ze dat het weer naar huis moet komen, lees: zich weer moet verbinden met zijn oorsprong.

Maar zoonlief luistert niet meer naar zijn moeder. Het oude, helderziende waarnemen – dat zich diep in het slapende, onbewuste deel van onze ziel heeft moeten terugtrekken – kan het rationele denken niet meer bereiken. Dit moeder-denken kan alleen nog invloed uitoefenen op haar dochter, wier vrouwelijke, gevoelsmatige denken verwant is met de oude helderziendheid maar er – onder de groeiende invloed van het rationele denken – de helderheid van verloren heeft. Het heldere onderscheidingsvermogen is overgegaan op het onzelfzuchtige, rationele denken van de zoon. Maar die is ook iets kwijtgeraakt: het contact met de (moeder)wereld van de geest. Deze zoon en dochter zijn de twee primaire denkpolen – het objectieve, onzelfzuchtige maar materialistische mannelijke denken, en het spirituele maar subjectieve en zelfzuchtige vrouwelijke denken – waar we moeten van uitgaan, willen we ons denken weer tot leven brengen, dat wil zeggen: opnieuw verbinden met de wereld van de geest. 

Deze situatie herkennen we in het bijbelse scheppingsverhaal. Dat bestaat uit twee delen. In het eerste wordt de mens, Adam, geschapen als een geestelijk wezen. Hij verkeert onder andere geestelijke wezens en zijn denken bestaat uit dit ‘sociale’ geestelijke verkeer. In het tweede deel van het scheppingsverhaal krijgt Adam een stoffelijk lichaam waarmee hij op aarde kan leven (in het Aards Paradijs). Dat lichaam is ongeslachtelijk, het is mannelijk en vrouwelijk tegelijk. Hoewel hij geen toegang meer heeft tot de geestelijke wereld, is de lichamelijke Adam nog wel in staat die helder waar te nemen. Deze tweede Adam wordt vervolgens gesplitst in man en vrouw, zodat er nog een derde, mannelijke Adam ontstaat. Samen met Eva is deze derde Adam drager van het nieuwe, polaire bewustzijn van de mens dat de mogelijkheid tot vrijheid – en dus ook tot dwaling – in zich draagt. Het is dit gespleten bewustzijn dat meegesleurd wordt in de zondeval, die uiteindelijk leidt tot de situatie waarin we ons vandaag bevinden.

In onze tijd vindt een herhaling van deze zondeval plaats. Werd de mens in de Lemurische tijd (als vrouw) verleid door Lucifer dan wordt hij vandaag (als man) misleid door Ahriman. In de 19de eeuw viel hij ten prooi aan het materialisme en in de 20ste eeuw brak de wereldoorlog uit en werd hij ‘verdreven uit het paradijs’. Nergens werd deze zondeval annex verdrijving duidelijker zichtbaar dan in de kunst. Oorlogen en geweld waren er altijd geweest, maar wat er in de kunst gebeurde, was ongezien in de geschiedenis. De hedendaagse kunst toonde aan dat er een (vergeleken bij de nieuwe wereld) paradijselijk tijdperk afgesloten was en dat de mensheid een diepe val maakte. In de 21ste eeuw dook dan het verbod op het denken op en de hele bizarre genderkwestie. Deze recente ontwikkelingen geven aan dat de herhaling van de zondeval er tevens een omkering van is: anders dan de eerste keer verleidt Lucifer de mens niet tot zelfstandig denken, maar verbiedt Ahriman dat denken.

Ook de genderkwestie wijst in dezelfde richting: men probeert de scheiding der geslachten ongedaan te maken en terug te keren tot de ongeslachtelijke, paradijselijke Adam. Dit verlangen manifesteert zich trouwens op alle gebieden: men wil van de wereld weer een paradijs maken waar iedereen gelijk is, waar er geen mannelijke en vrouwelijke tegenpolen bestaan die tot hoogoplopende spanningen leiden. Polariseren is uit den boze, alle heil wordt van verbinding verwacht. Maar juist deze reactionaire verbindingsbeweging veroorzaakt het grootste onheil. Na de eerste zondeval stond aan de poort van het paradijs de engel met het vlammende zwaard om de mens te beletten rechtsomkeer te maken. Het beeld spreekt voor zich: de mens moet vooruit. En vooruit is in de richting van de Steigerung, van de steeds intenser wordende spanning tussen de tegenpolen. Achteruit is in de richting van de ontspanning, van de vermenging van de tegenpolen, van het giftige groen van de draak.

Deze intensivering van de polariteit moet uiteraard gezocht worden op het gebied van het denken, en niet op fysiek gebied. We leven in het bewustzijnszieletijdperk en dat betekent (onder meer) dat conflicten in het bewustzijn moeten worden uitgevochten en niet op fysiek vlak. Maar we zien vandaag juist het tegenovergestelde: bewustzijnsconflicten worden vermeden, het is verboden om ideeën te laten botsen want dat kwetst mensen. Denken in polariteiten wordt verketterd, onderscheid maken – tussen man en vrouw, tussen blank en zwart, tussen hoog en laag – wordt afgestraft. Er moet genuanceerd worden, gerelativeerd, alle aandacht gaat uit naar diversiteit. Maar juist dat nuanceren, relativeren en streven naar diversiteit leidt tot alsmaar meer conflicten tussen mensen. De dualiteit die men op denkgebied te allen prijze wil vermijden, verschijnt op sociaal en fysiek gebied: overal komen groepen van mensen onverzoenlijk tegenover elkaar te staan. De eenmaking op ideëel vlak, werkt versplinterend in de realiteit.

Op zich is er niks verkeerd met het verlangen naar paradijselijke eenheid, met het streven naar verbinding en vergeestelijking. Integendeel, dat is wat moet gebeuren. De mens moet zich weer verbinden met de geest, hij moet (zoals Rudolf Steiner zegt) ‘vervrouwelijken’. Maar wat-moet-gebeuren wordt wat-niet-zou-mogen-gebeuren wanneer het zich afspeelt op het verkeerde gebied, namelijk op onbewust, gevoelsmatig, vrouwelijk gebied. Het verbinden, vergeestelijken en vervrouwelijken dient zich af te spelen op bewust, scherp onderscheidend mannelijk gebied. Het moet in vrijheid gebeuren, en niet instinctmatig, gedreven door troebele, zelfzuchtige gevoelens. Het mannelijke, rationele denken moet zich vrijwillig en ongedwongen – dat wil zeggen uit liefde – tot het vrouwelijke, gevoelsmatige denken wenden en daar een relatie mee aangaan. Het is tussen die twee dat de polariteit opgedreven moet worden tot een Steigerung. Zonder Eva kan Adam niet de noodzakelijke (her)verbinding met de geest maken. 

Zonder Adam kan Eva dat evenmin, want zij kan zich dan alleen verbinden met de oude moedergeest. Maar dat is nu juist de paradijselijke geest waartoe de mens geen toegang meer heeft. Elke poging om daarnaar terug te keren, stuit op de engel met het vlammende zwaard. We vinden dit ook uitgedrukt in de woorden van Christus: niemand komt tot de Vader dan door mij. Christus is de geest waarmee de moderne mens zich via de Steigerung van zijn mannelijk en vrouwelijk denkvermogen moet verbinden. Deze (ongeslachtelijke) Christusgeest incarneerde als man en noemde de oude moedergod ‘Vader’ omdat de herverbinding met de geest zich op bewust, mannelijk gebied diende af te spelen. Een terugkeer naar de moederschoot was uitgesloten, het zou de hele schepping zinloos hebben gemaakt. De (christelijke) weg die Rudolf Steiner wijst, is de weg vooruit, en dat is een mannelijke, rationele weg. Zijn antroposofie is dan ook een wetenschap, een geesteswetenschap.

Maar de (aristotelische) wetenschapper die Rudolf Steiner was, wendde zich tot de kunst (van Goethe) en drong daar kennend in door. Hij haalde er de essentie uit tevoorschijn en baseerde daarop zijn antroposofie. Men kan dus zeggen dat de geesteswetenschap geboren werd uit de (vrouwelijke) kunst nadat ze ‘bevrucht’ werd met het heldere (mannelijke) denken van Rudolf Steiner. Dat komt op hetzelfde neer als zeggen dat de antroposofie een Steigerung is van het geïntensiveerde mannelijke en vrouwelijke denken. In Goethe werd het vrouwelijke, kunstzinnige denken zo intens dat het uitgroeide tot een wetenschap, in Rudolf Steiner werd het mannelijke, wetenschappelijke denken zo intens dat het tot een kunst werd. Kunst en wetenschap groeiden naar elkaar toe en uit de hoogoplopende spanning tussen beide werd dan de antroposofie geboren, de kunstzinnige wetenschap of wetenschappelijke kunst die (in de zin van Goethe) ook een religie was, een herverbinding met de geest. 

Het oerbeeld van deze Steigerung vinden we opnieuw in het bijbelse scheppingsverhaal, maar dan wel dat van het Nieuwe Testament, waar de schepping van de nieuwe mens beschreven wordt. Die werd verwekt tijdens de doop in de Jordaan, toen de Christusgeest zich verbond met de mens Jezus. Aan deze Steigerung was een intensivering van de tegenpolen voorafgegaan die geheim is gebleven tot Rudolf Steiner ze onthulde. Het geheim van de twee Jezuskinderen wordt in de bijbel weliswaar op kunstzinnige wijze voorgesteld (door de twee geboorteverhalen) en later ook door de beeldende kunst, maar het is nooit doorgedrongen tot het heldere bewustzijn. Dat mag wel vreemd heten, want wie dit geheim eenmaal kent, vraagt zich af hoe het zolang verborgen kon blijven. Tenslotte is het Nieuwe Testament de meest bestudeerde tekst aller tijden. Het is alsof er (geestelijke) krachten waren die deze geheimhouding handhaafden tot ze in onze tijd Rudolf Steiner de toestemming gaven de zaak in de openbaarheid te brengen.

Deze geschiedenis herhaalt zich nu binnen de antroposofische beweging. Honderd jaar nadat Rudolf Steiner het geheim van de oude en de jonge zielen onthulde – en geheel in de geest van de Weihnachtstagung het oerbeeld van de twee Jezuskinderen tot een persoonlijke hartsaangelegenheid maakte – zijn er opnieuw geestelijke krachten die beletten dat het zielenthema doordringt tot het antroposofische bewustzijn. Deze krachten gaan echter lijnrecht in tegen Rudolf Steiner, die vond dat iedere antroposoof over dit onderwerp diende na te denken. Het zijn reactionaire krachten geworden, dezelfde die vandaag ook een verbod op het denken hebben ingesteld en iedereen tot ‘verbinding’ dwingen. Deze krachten willen niet dat er onderscheid gemaakt wordt tussen de twee zielengroepen waaruit de antroposofische beweging bestaat, met als gevolg dat dit onderscheid – dat geen toegang krijgt tot het bewustzijn – een weg zoekt via het onderbewustzijn en een splijtzwam wordt die de antroposofische wereld verdeelt en verlamt.

Vóór de Weihnachtstagung waren deze krachten nog op hun plaats, maar erna werden ze in toenemende mate reactionair en kwaadaardig. Rudolf Steiner waarschuwde er na de Kerstbijeenkomst dan ook voor dat er niet mocht teruggevallen worden in oude denkgewoonten (waarbij het mannelijke rationele denken en het vrouwelijke gevoelsmatige denken gescheiden bleven). Het zielenthema blijft dode letter wanneer het enkel met het hoofd wordt benaderd, en het wordt tot hokjesdenken wanneer het louter gevoelsmatig wordt benaderd. In beide gevallen verzinkt het in de banaliteit. Pas wanneer beide denkwijzen met elkaar verbonden worden, intensiveren ze elkaar zodanig dat het tot een Steigerung kan komen en dat het polaire denken bevrucht kan worden door de geest. De krachten die dit willen beletten, zowel binnen als buiten de antroposofische vereniging, zijn ongemeen sterk. Maar juist hun grote verbetenheid en agressiviteit bewijst hoe buitengewoon belangrijk de Steigerung van ons denken is.

Kerstmijmeringen

  

Op kerstavond vieren we traditioneel de geboorte van het kindje-in-de-stal. Het is waarschijnlijk het meest populaire feest ter wereld, het meest natuurlijke ook. De donkerste periode van het jaar is voorbij, het licht wordt weer sterker. Er is een eind gekomen aan de zwangerschap van de herfst en de geboorte van het kind heeft verlossing gebracht in al die zwaarte. Geboorteproces en natuurproces spiegelen elkaar: eenvoudiger en vanzelfsprekender kan niet. Toch betekende kerstmis oorspronkelijk iets anders. Het ging helemaal niet om de geboorte van een kind, het ging ook niet om de winterzonnewende of de recuperatie van een of ander heidens feest. Kerstmis was de viering van iets totaal nieuws, iets wat zich op geestelijk vlak had afgespeeld: de komst van Christus op aarde, de intrede van deze kosmische geest in de mensheidsontwikkeling. Dat is de eigenlijke betekenis van kerstmis, de betekenis die we in de loop der eeuwen helemaal vergeten zijn.  

Dat wil niet zeggen dat het traditionele kerstfeest een leugen is. Het is een beeld, een metafoor. Hoe zouden we anders iets kunnen vieren dat geestelijk van aard is, dat geen vorm heeft en onzichtbaar is? Het kindje is een beeld van de grote kosmische Christusgeest die zich heel klein heeft gemaakt, de stal is een beeld van de nederige aarde. Maar dat beeld is geen fictie, het is ontleend aan de historische werkelijkheid. Kort voordat Christus op aarde kwam, werd inderdaad een kindje in een stal geboren, een kindje dat later het fysieke voertuig zou worden van de geest die tijdens de doop in de Jordaan neerdaalde in het lichaam van Jezus. Christus wachtte dus 30 jaar in de geestelijke sfeer van de aarde tot het kindje-in-de-stal volgroeid was en geschikt om als ‘woning’ te dienen. Die wachttijd was een weerspiegeling van wat iedere mensengeest meemaakt wanneer hij incarneert: hij wacht in de etherische sfeer van de aarde tot er een fysiek lichaam vrij komt.

Hoewel de komst van Christus een zuiver geestelijke gebeurtenis was en de geboorte van het kindje-in-de-stal een zuiver natuurlijke gebeurtenis, weerspiegelden beide elkaar. Ze waren nauwer met elkaar verbonden dan we zouden denken, maar er waren ook aanzienlijke verschillen. Het lichaam dat de Christusgeest uitkoos, was een volwassen lichaam: dat van de 30-jarige Jezus. Het lichaam dat een mensengeest uitkiest, is niet meer dan een eicel. Aan die eicel werkt hij in de baarmoeder negen maanden tot hij er een lichaam heeft uit gemaakt waarmee hij op aarde kan leven. De Christusgeest doet hetzelfde, met dat verschil dat hij aan een reeds bestaand lichaam werkt. Je zou kunnen zeggen: Christus bouwt niet, hij renoveert. Drie jaar lang, van de doop in de Jordaan tot Golgotha, verbouwt hij het lichaam van Jezus tot het klaar is om ermee geboren te worden. Die geboorte vindt plaats op het moment dat Jezus sterft. De kruisdood is een baringsproces. 

Tijdens de doop in de Jordaan, wanneer Christus zich verbindt met het lichaam van Jezus, klinkt een stem uit de hemel: heden heb ik u verwekt. De doop komt overeen met het moment dat de menselijke geest zich verbindt met de eicel: het moment van verwekking, van conceptie. De drie jaren dat Christus vervolgens op aarde leeft, komen overeen met de menselijke zwangerschap. Christus wandelt over de aarde, hij spreekt met mensen en hij doet wonderen. Maar dat is slechts de buitenkant van het eigenlijke wonder: Christus werkt aan het lichaam van Jezus. Hij verbouwt het van binnenuit en transformeert het stap voor stap tot zijn eigen lichaam. Het Laatste Avondmaal is de bezegeling van die transformatie: lichaam van Christus is nu klaar om ‘gegeten’ te worden. Daarna beginnen de geboorteweeën: op Goede Vrijdag wordt het nieuwe lichaam uit de baarmoeder geperst (de lijdensweg), op Stille Zaterdag duikt het in het geboortekanaal (de neerdaling ter helle) en op Paaszondag wordt het geboren (de verrijzenis). 

Dit hele conceptie- en geboorteproces – beginnend met kerstmis en eindigend met Pasen – was uniek en eenmalig: het was nog nooit gebeurd en zou ook nooit meer gebeuren. Tegelijk was het een proces dat ieder mens doormaakt tussen zijn aankomst op aarde en zijn geboorte. Maar wat bij de mens diep in het verborgene van de baarmoeder plaatsvindt en negen maanden duurt, speelde zich bij Christus in het openbaar af en nam drie jaar in beslag. Talloze mensen waren getuige van dat ‘openbare mysterie’: de apostelen en de leerlingen, de farizeëers en de schriftgeleerden, de Romeinen en het joodse volk. Allemaal zagen en beleefden ze de schepping van het nieuwe lichaam uit het oude, maar er was er slechts één die echt begreep wat hij zag: Johannes, ‘de leerling die Jezus liefhad’. Als Lazarus was hij door Christus ingewijd en als Johannes werd hij op Golgotha met Maria verbonden. Uit die verbintenis kwam het esoterische christendom voort dat later het kerstfeest zou instellen. 

Dat kerstfeest kan model staan voor het hele heilsgebeuren, van de geboorte van Jezus in Bethlehem tot de geboorte van Christus op Golgotha. Waar de evangeliën over berichten is in feite één groot geboorte-mysterie. Maar het kerstfeest kan ook model staan voor het christendom, dat begon als een levende spirituele beweging en zich ontwikkelde tot een kerkelijk instituut dat uiteindelijk in elkaar stortte. Het is ook de weg die Christus zelf gevolgd heeft: van een kosmische geest tot een gewone mens die ten slotte aan het kruis sterft. Er schuilt dus iets fundamenteel christelijks in de teloorgang van het christendom. Het verdwijnen van de christelijke jaarfeesten en rituelen, de bespotting en vernedering van alles wat christelijk is, de vervolgingen van christenen: het is een herhaling van het mysterie van Golgotha op wereldschaal. Net als de kruisdood van Christus is het een tragisch gebeuren, maar tegelijk bewerkt het het grootste heil: het maakt de wedergeboorte of wederkomst van Christus mogelijk.  

Dat maakt van onze moderne tijd een nieuwe kersttijd: hij is het toneel van een nieuwe Christusgeboorte. Deze geboorte is net als 2000 jaar geleden een onzichtbaar gebeuren, maar dit keer vindt ze niet plaats op de heuvel van Golgotha maar in de etherische sfeer van de aarde, dezelfde sfeer waarin Christus destijds op aarde arriveerde en waar hij 30 jaar wachtte terwijl het lichaam van Jezus in gereedheid werd gebracht. Net als zijn komst wordt ook zijn wederkomst op aarde gespiegeld door de geboorte van een kindje-in-de-stal: de antroposofie die als een etherisch wezen geboren wordt tijdens de Weihnachtstagung in een houten barak in Dornach. Deze antroposofie moet het lichaam worden van de etherische Christus, het lichaam dat hij vervolgens ‘verbouwen’ kan zoals hij dat ook deed met het lichaam van Jezus. Maar voor het zover is, moet dat kinderlijke antroposofische lichaam volwassen worden opdat het klaar zou zijn voor de tweede ‘doop in de Jordaan’.

Een beslissend moment in die ontwikkeling van kind tot volwassene is de ‘aarderijpheid’ zoals Rudolf Steiner het noemt. Het oerbeeld daarvan vinden we in het zogenaamde ‘gebeuren in de tempel’. De komst van Christus werd 2000 jaar geleden niet enkel gespiegeld door de geboorte van het kindje-in-de-stal maar ook door de geboorte van het kindje-in-het-huis. Er werden niet één maar twee Jezuskinderen geboren. Hoewel deze dubbele geboorte duidelijk valt op te maken uit de evangeliën, is ze geheim gebleven tot Rudolf Steiner ze onthulde. Ze weerspiegelt nochtans een volkomen ‘natuurlijke’ zaak: een eicel alleen volstaat niet opdat een mens zich zou kunnen incarneren op aarde, er moet ook een zaadcel zijn. En die twee moeten zich verenigen vóór de mensengeest er zich kan mee verbinden. Daarom waren er twee Jezuskinderen die zich tijdens het ‘gebeuren in de tempel’ met elkaar verenigden: de jongste Jezus werd ‘bevrucht’ door het Ik van de oudste Jezus. 

De bevruchting van de eicel door de zaadcel vindt plaats diep in het verborgene van de baarmoeder. Niemand heeft er weet van. Ook 2000 jaar geleden wist niemand wat zich tussen beide Jezuskinderen afspeelde in de tempel van Jeruzalem. Had men het wel geweten, dan zou alles anders zijn verlopen, Jezus zou niet aan het kruis zijn geslagen en het mysterie van Golgotha zou niet hebben plaatsgevonden. Het ‘gebeuren in de tempel’ was dus een mysterie van de hoogste orde: van de geheimhouding ervan hing het heil der wereld af. Niemand mocht weten dat de oudste Jezus – op wie de joodse Messiasverwachting was gericht – voortleefde in de jongste Jezus, waar niemand iets van verwachtte. Twaalf jaar lang groeiden beide Jezuskinderen naast elkaar op, daarna ontwikkelden ze zich achttien jaar lang als één enkele persoon tot ze klaar waren om – tijdens de doop in de Jordaan – de Christusgeest te ontvangen en hem tot lichaam te dienen.

In de geschiedenis van beide Jezuskinderen vinden we het oerbeeld van de ontwikkeling van de antroposofie. De oude en de jonge zielen binnen de antroposofische beweging moeten langzaam naar elkaar toegroeien met als doel een nieuw ‘gebeuren in de tempel’. Rudolf Steiner wees daar na de Weihnachtstagung op toen hij de antroposofie bestempelde als een voorbereiding op het samenkomen van platonici en aristotelici. Deze ‘bevruchting’ zou de aarderijpheid van de antroposofie markeren en de menselijke beschaving een nieuwe geestelijke impuls geven. Dit nieuwe tempelgebeuren betekent natuurlijk niet dat de platonische en aristotelische zielen samensmelten tot één enkele ziel en dat de oude zielen gewoon van het toneel verdwijnen. De samensmelting zal plaatsvinden op geestelijk-etherisch gebied en ze moet voorbereid worden doordat de oude zielen de vermogens van de jonge zielen verwerven en de jonge zielen de vermogens van de oude zielen. 

Welke vermogens dat zijn kunnen we aflezen aan de twee Jezuskinderen. De oudste was de meest ontwikkelde ziel ter wereld, de knapste kop. De jongste was een ongerepte ziel die nog beschikte over al haar scheppende vermogens. Ze waren met andere woorden het oerbeeld van de wetenschapper en de kunstenaar. Ze vormden de grootst mogelijke tegenstelling, maar onder invloed van de ‘wachtende’ Christus groeiden ze langzaam naar elkaar toe tot de ‘wetenschapper’ zich opofferde en overging in de ‘kunstenaar’. Dit offer bracht Rudolf Steiner ook toen hij het karma van Karl Julius Schröer overnam. Tot dan had zijn leven helemaal in het teken van de wetenschap gestaan: zijn gehele jeugd had Rudolf Steiner gestudeerd, hij had als kind zelfs nooit gespeeld. Na zijn karmische offer kwam hij terecht in een kunstzinnige sfeer: hij bestudeerde Goethe, leerde door Schröer de Oberufer-kerstspelen kennen, werd uitgever van een literair tijdschrift en verkeerde in artistieke kringen.

Tijdens die kunstzinnige periode hield hij evenwel niet op wetenschapper te zijn, integendeel. Hij ontwikkelde een geheel nieuwe wetenschap, een wetenschap die tegelijk een kunst was. Na die kunstzinnig-wetenschappelijke periode volgde de derde, antroposofische periode in zijn leven en daarin herhaalden de drie perioden zich: eerst was er een (geestes)wetenschappelijke periode, daarna een kunstzinnige periode, en ten slotte een periode van aardse werkzaamheid. Eerst wordt wetenschap kunst, daarna wordt kunst werkelijkheid: dat is de wetmatigheid die twee keer tot uitdrukking komt in Rudolf Steiners leven. Na de Weihnachtstagung herhaalt ze zich voor de derde keer, met dat verschil dat Steiner nu alleen een wetenschappelijke aanzet kan geven: hij onthult het geheim van de oude en de jonge zielen. Kort daarna sterft hij en het is nu aan zijn leerlingen om de wetmatigheid voort te zetten en van de zielenwetenschap een zielenkunst te maken die leidt tot een nieuw tempelgebeuren. 

Het voorbeeld van Rudolf Steiner maakt duidelijk wat het wezen is van dat naar-elkaar-toegroeien van oude en jonge zielen: het is een offer, een wederzijds offer. We herkennen dat bij de twee Jezuskinderen: de oudste offert zijn leven om over te kunnen gaan in de kunstzinnige sfeer van de jongste, maar ook voor deze laatste betekent het ‘ontvangen’ van het Ik van de ander een offer. Zoals de eicel na de bevruchting door de zaadcel herschapen wordt in een chaos, zo wordt ook het leven van de jongste Jezus helemaal ondersteboven gegooid na het gebeuren in de tempel. Tot dan leefde hij als in een droom en was de aarde een afspiegeling van de hemel. Door het opnemen van het scherpzinnige Ik van de andere Jezus gaan zijn ogen echter open voor het kwaad in de wereld en dat veroorzaakt in hem een diep lijden. Het tempelgebeuren is ook voor hem een offer, en het is dit wederzijdse offer waarop oude en jonge zielen zich moeten voorbereiden door elkaars vermogens te verwerven. 

Wat dat concreet inhoudt, zien we in de relatie tussen kunstenaar en wetenschapper. Aan alles valt af te lezen dat beiden naar elkaar toegroeien, en in die wederzijdse aantrekkingskracht herkennen we de werking van de etherische Christus. Maar dit samengroeien van de tegenpolen is niet het resultaat van een bewuste inspanning, laat staan van een offer. Het is een onbewuste vermenging waarin de tegenmachten werkzaam zijn. Dat resulteert in een verregaande dekadentie van zowel kunst als wetenschap, een dekadentie die weerspiegeld wordt door het huidige kerstfeest, dat eveneens een onbewuste vermenging is (van twee tegengestelde geboorteverhalen). Een wederopstanding van dit kerstfeest – en daarmee van onze hele beschaving – is maar mogelijk wanneer we ons opnieuw bewust worden van de oorspronkelijke (Christus)geest van dit feest. En een cruciale stap in die wederopstanding is de bewustwording van de relatie tussen beide Jezuskinderen en hun vertegenwoordigers in onze tijd. 

Antroposofie en karmabewustzijn (5)

  

Afgelopen kerst was het (op twee maanden na) precies 33 jaar geleden dat ik antroposoof werd. Dat gebeurde op mijn 30ste verjaardag. Na een lamlendige dag zat ik me ’s avonds stierlijk te vervelen en pikte zonder te kijken een boek op dat naast mij op de grond lag. Het bleek de Filosofie der Vrijheid van Rudolf Steiner te zijn. Mijn vrouw moest dat ooit eens gekocht hebben. Ach ja, dacht ik, waarom niet? Als het me maar bezig hield. Ik had vroeger al eens geprobeerd een paar boeken van Steiner te lezen, maar ik was er nooit doorheen geraakt. Onverteerbaar, vond ik. Het beterde er niet op toen ik de eerste antroposofen leerde kennen. Ze hadden het over de geestelijke wereld alsof het niks was. Ik begreep niet hoe mijn vrouw zich met dergelijke goedgelovige lieden kon inlaten. Nee, antroposofie was niks voor mij. Maar die avond was ik te lui om een ander boek te zoeken en dus begon ik te lezen. Toen ik uren later de laatste bladzijde omsloeg, was ik antroposoof geworden.

Hoe kwam dat? Hoe kon één enkel boek me tot de antroposofie bekeren, en dan nog wel het meest onverteerbare? Later zou ik nog verschillende keren proberen het te herlezen, maar het ging mijn petje te boven. Hoe meer ik las, des te minder ik ervan begreep. Nochtans stond me nog altijd helder voor de geest wat me precies over de streep had getrokken. Dat was de gedachte dat waarnemen en denken twee kanten van dezelfde medaille zijn. Wat we buiten ons waarnemen en wat zich in ons innerlijk afspeelt, staat volgens Rudolf Steiner niet los van elkaar. Het zijn geen twee afzonderlijke werelden, maar twee complementaire manieren waarop we de ene, ondeelbare werkelijkheid benaderen. Rechtstreeks kunnen we die werkelijkheid niet waarnemen. Ofwel zien we haar zintuiglijke dimensie, ofwel denken we haar bovenzintuiglijke dimensie, maar nooit verschijnen beide samen. Dat is onze condition humaine: in ons bewustzijn treden geest en materie gescheiden op, hoewel ze in werkelijkheid één zijn. 

Deze (aristotelische) gedachte was voor mij een enorme bevrijding. Ik realiseerde me opeens hoezeer ik geterroriseerd was geweest door de (in oorsprong platonische) overtuiging dat er twee werelden waren – een zintuiglijke en een bovenzintuiglijke – waartussen geen enkel contact bestond. Ik was me totaal niet bewust van dit verstarde platonisme, maar ik ondervond er wel de implicaties van. Als wat ik dacht, voelde en wilde niks te maken had met de werkelijkheid buiten mij, dan was ik fundamenteel alleen, dan zat ik hopeloos opgesloten in mezelf. En zo beleefde ik het ook. Ik had geen echt contact met de wereld om me heen, ik stond erbuiten. Mijn leven verliep als in een droom, ik had er geen enkele greep op. Ik deed mijn uiterste best om te voldoen aan de verwachtingen en net als de anderen te zijn, maar hoe meer ik probeerde, des te meer had ik het gevoel ‘anders’ te zijn. Uiterlijk paste ik me zo goed mogelijk aan, maar innerlijk verborg ik me angstvallig. 

Ik leefde een dubbelleven. In de buitenwereld was ik een toneelspeler die een rol vertolkte maar in voortdurende angst leefde om ontmaskerd te worden. Er zou, dat voelde ik, iets verschrikkelijks gebeuren als men erachter kwam wie ik werkelijk was. Niet dat ik dat zelf wist – het woordje ‘ik’ had voor mij geen enkele betekenis – maar toch was ik doodsbang ‘ontdekt’ te worden. Ik trok mij zoveel mogelijk terug in een fantasiewereld. Dromen, dat was het liefste wat ik deed, en slapen natuurlijk, want dan kon ik eindelijk ontsnappen aan het voortdurende heen en weer pendelen tussen droom en werkelijkheid. Ik bestond als het ware uit twee personen, die in gescheiden werelden leefden. Naarmate ik opgroeide, dreven ze steeds verder uit elkaar en beleefde ik mezelf als een leegte, een zwart gat, een ‘niets’. En daar viel ik steeds vaker in. Dan ging het licht uit en zonk ik weg in donkere diepten waar ik alleen maar kon wachten tot ik weer boven zou komen.

Begreep mijn verstand niet wat Rudolf Steiner met zijn Filosofie der Vrijheid bedoelde, mijn hart herkende het maar al te goed. Wat hij met filosofische begrippen beschreef, was de werkelijkheid waarin ik leefde: een gebroken werkelijkheid, een gespleten werkelijkheid. Doorheen zijn woorden zag ik duidelijk wat die innerlijke verscheurdheid veroorzaakte: het dualisme, de leer van de twee werelden. En dat inzicht was voor mij een enorme bevrijding, een verlossing, een geboorte. Uiteraard waren beide werelden – de buitenwereld en de binnenwereld – nog altijd gescheiden, maar ik had een gaatje gevonden, een opening. Ik was niet langer gedoemd om in dat beklemmende niemandsland te leven, dat grauwe schimmenrijk. En degene die me de uitweg had gewezen, degene die een lichtje had doen branden in de duisternis, was Rudolf Steiner. Daarom werd ik antroposoof: niet omdat ik begreep wat hij allemaal vertelde, maar omdat hij me ‘verlost’ had.  

Zoals het hoort, werd ik enkele dagen na mijn (geestelijke) geboorte ‘gedoopt’. In de Fnac trof ik een antroposofisch boek aan (dat kon toen nog): Emil Bocks Tussen Bethlehem en de Jordaan, over de onbekende jaren van Jezus van Nazareth. Die ‘onbekende jaren’ intrigeerden me wel, maar wat moest ik met een boek over Jezus? Ik was al zeker 15 jaar atheïst, op dezelfde manier als ik dualist was geweest: niet uit overtuiging, maar als beleving. Ik had niks tegen God of religie, maar ik begreep niet hoe mensen daar nog konden in geloven, evenmin als ik begreep hoe antroposofen konden geloven in kabouters, engelen en andere wezens die ze niet konden zien. Na een lange aarzeling besloot ik het boek te kopen. Wat de doorslag gaf was de gedachte: wie A zegt, moet B zeggen. Wie antroposoof werd, moest Christus erbij nemen, het een ging niet zonder het ander. En zo werd ik van de ene op de andere dag gelovig, net zoals ik van de ene op de andere dag antroposoof was geworden. 

Reeds de eerste bladzijden van het boek – over de geografie van Palestina – brachten me in verrukking. Zo had ik de wereld nog nooit weten beschrijven: alsof hij een kunstwerk was. En dat gold voor het hele onderwerp: één groot kunstwerk dat op een nuchtere, wetenschappelijke manier beschreven werd. Hart en hoofd: het blijft een heerlijke combinatie. Later zou ik vernemen dat de toehoorders van Rudolf Steiner geschokt waren toen hij hen voor het eerst vertelde dat er niet één maar twee Jezuskinderen waren geweest. Zelf voelde ik alleen maar verbazing: was de oudere Jezus werkelijk in een huis geboren en niet in de stal? Ik ging het meteen nakijken en inderdaad, daar stond het: de Jezus uit het Mattheusevangelie werd geboren in een huis! Meer had ik niet nodig om overtuigd te worden. De hele geschiedenis was te mooi om niet waar te zijn. Zoiets kon je onmogelijk bedenken, en algauw vond ik de hele zaak vanzelfsprekend: natúúrlijk waren er twee Jezuskinderen geweest!

Opnieuw viel er een gewicht van me af waarvan ik niet wist dat ik het al die tijd met me mee had gesleurd. Ik was blij de bijbelse beelden waar ik als kind mee opgegroeid was, weer in mijn bewustzijn te kunnen toelaten. Niet dat ik zo godvruchtig was geweest – religie maakte deel uit van de buitenwereld die ik als een kameleon nabootste – maar het is toch verre van aangenaam te moeten beseffen dat je als kind bedrogen bent. Hoewel ik nooit de – momenteel zo populaire – gedachte gekoesterd heb dat religie een middel is om mensen te hersenspoelen, was ik toch blij dat de bijbelse beelden geen ballast waren die ik onbewust meezeulde. Integendeel, ze bleken diepe waarheden te bevatten, waarheden die in mijn ziel wortel hadden geschoten en die ik nu weer onbekommerd aan het licht kon laten komen. Wat een akelig denkbeeld trouwens dat de mensheid, misleid door religieus bedrog, altijd in duisternis heeft gedwaald en pas in onze tijd het licht heeft gezien! 

Het is een van de grote pluspunten van de antroposofie dat ze niet alleen een weg wijst naar de toekomst, maar dat ze het heden ook weer verbindt met het verleden. Terwijl het hedendaagse materialisme de mens afsnijdt van zijn verleden en hem doet geloven dat zijn voorouders louter bedriegers en bedrogenen waren, stelt de antroposofie de menselijke geschiedenis voor als een organisch geheel. De toekomst ontwikkelt zich uit het verleden en we leven des te meer in het heden naarmate we ons daarvan bewust zijn. Het platonische dualisme speelt zich niet alleen in de ruimte af, maar ook in de tijd. Het scheidt niet alleen buiten en binnen, het scheidt ook verleden en heden. En het doet ons geloven dat we het een bereiken door het andere af te wijzen. Het aristotelische monisme van Rudolf Steiner ontkent de platonische scheiding niet, maar neemt ze op in een groter, driegeleed geheel dat zich zowel in ruimte als tijd ontwikkelt volgens de wetmatigheden van de metamorfose. 

Het was dan ook niet meer dan logisch dat op mijn geboorte in het denken (de Filosofie der Vrijheid) en mijn geboorte in het voelen (de herontdekking van het christendom) nog een derde geboorte zou volgen. Die werd opnieuw bewerkstelligd door een boek dat me toevallig in handen viel: Christussucher und Michaëldiener van de hand van Hans Peter van Manen. Op een dag trof ik het op de keukentafel aan. Mijn vrouw had het te leen gekregen van wijlen Peter Vanden Berghe die het cadeau had gekregen van iemand die het uit Dornach had meegebracht (elders was het niet te krijgen). Nietsvermoedend sloeg ik het boek met de vreemde titel open en wat me zo’n 12 jaar eerder met de Filosofie der Vrijheid was overkomen, overkwam me opnieuw: ik las het in één ruk uit en was verkocht. Dat was des te merkwaardiger omdat ik geen woord Duits kende en nog nooit een Duits boek had gelezen. Maar met een Prisma-woordenboekje lukte het wel.

Opnieuw was ik enthousiast. Wat een spannend thema! Dat het in wezen hetzelfde thema was dat me ook beide vorige keren geestdriftig had gemaakt, realiseerde ik me nog niet. Geboeid las ik wat Rudolf Steiner zei over oude en jonge zielen. Meteen begreep ik waarom mijn vrouw en ik zo verschillend waren, en waarom we de antroposofie zo totaal anders benaderden. Het zielenthema zou het onderwerp worden van talloze gesprekken tussen ons, gesprekken waarin veel begrijpelijk werd wat anders onverklaarbaar was gebleven en voor heel wat onbegrip en ergernis had gezorgd. Mijn vrouw, onmiskenbaar een jonge ziel, was een zogenaamde ‘driegeleder’: ze dacht altijd in termen van drie. Als oude ziel kon ik daar echter niks mee beginnen. Ik ervoer die driegeleding als iets van de buitenwereld, iets dat me werd opgelegd en dat ik moest nabootsen (als ik er tenminste wilde bijhoren). Maar innerlijk was het me volkomen vreemd. Mijn wereld was een door en door dualistische wereld.

Zei Rudolf Steiner niet steeds dat je als antroposoof moet beginnen met wat er is (en niet met wat er zou moeten zijn)? Welnu, de drie boeken die mij tot de antroposofie brachten, en achtereenvolgens mijn denken, voelen en willen aanspraken, maakten dat mogelijk. Alledrie gingen ze uit van een dualiteit, die echter niet als een onoverkomelijke tegenstelling maar als een vruchtbare polariteit werd voorgesteld. En daar kon ik iets mee. De driegeleding was veel te hoog gegrepen voor me. Ik vond al geen aansluiting bij de werkelijkheid, laat staan bij een ideale werkelijkheid. Maar de ‘tweegeleding’, ja die kende ik, daar bestond ik als het ware uit. Ik beleefde het dan ook als een diepe, persoonlijke acceptatie dat Rudolf Steiner die dualistische wereld niet afwees maar hem juist tot uitgangspunt – en zelfs voorwaarde – van zijn driegelede streven maakte. Zonder waarneming en denken geen vrijheid, zonder twee Jezuskinderen geen Christus, zonder oude en jonge zielen geen antroposofische vereniging. 

Antroposofie en karmabewustzijn (4)

  

Tijdens de lange reeks karmavoordrachten die Rudolf Steiner aan het eind van zijn leven hield, zegt hij op een bepaald moment dat de antroposofie niets anders is dan een voorbereiding op het einde van de 20ste eeuw. Dan moeten platonici en aristotelici onze beschaving de grote geestelijke impuls geven die haar van de ondergang zal redden. Dat is waar het om gaat: de beschaving redden. In het licht van dat grootse doel lijkt de geschiedenis van de antroposofie een aaneenschakeling van louter mislukkingen, en de vraag rijst: hoe kon het zó mislopen met dit reddingsplan? Of beter: hoe had het ooit kunnen slagen? Want het begon al met een valse start: Karl Julius Schröer, de man die de antroposofie moest ontwikkelen, raakte niet uit de startblokken. Hij werd vervangen door Rudolf Steiner, die veel beter toegerust was voor deze taak maar voortijdig stierf. Daarna viel de antroposofische beweging uit elkaar en van de reddende samenwerking tussen platonici en aristotelici kwam niets in huis. 

Het falen van de antroposofie vestigt de aandacht op die andere wereldhistorische mislukking: de kruisdood van Christus. Ook daar begon alles met een valse start. Het oudste Jezuskind, waarin men de langverwachte Messias zag, stierf nog voor hij aan zijn heilstaak kon beginnen. De jongere Jezus nam het dan van hem over, maar kwam voortijdig aan zijn eind, waarna zijn leerlingen in alle windrichtingen werden verstrooid. De gelijkenissen tussen deze twee mislukte reddingsoperaties zijn opvallend, en in beide gevallen speelt de relatie tussen oude en jonge zielen een cruciale rol. Wat er in de tempel gebeurt tussen beide Jezuskinderen, heeft tot gevolg dat Christus uiteindelijk de marteldood zal sterven. Immers, als de joden hadden geweten dat de heilstaak van de oudere Jezus was overgegaan op de jongere Jezus, dan zouden ze nooit hun Messias aan het kruis hebben geslagen. Maar ze wisten het niet en die onwetendheid besliste over leven en dood.

In de antroposofie is het niet anders. Als voldoende antroposofen hadden ingezien dat een jonge ziel (Rudolf Steiner) de levenstaak van een oude ziel (Karl Julius Schröer) had overgenomen, en als ze begrepen hadden dat die ‘overname’ een oerbeeld is van de antroposofie, dan zouden de spanningen tussen beide zielengroepen nooit zo hoog opgelopen zijn dat het Goetheanum er (bij wijze van spreken) door in brand vloog, dan zouden ze nadien Rudolf Steiner niet aan het kruis hebben geslagen, dan zouden na zijn dood de leiders van de jonge zielen niet uit de vereniging zijn gezet, en dan zou ten slotte de samenwerking tussen platonici en aristotelici niet op een mislukking zijn uitgedraaid. Zeker weten kan men dat natuurlijk nooit, maar men kan wel inzien dat de relatie tussen oude en jonge zielen een beslissende rol heeft gespeeld in het hele drama. En die rol vestigt dan weer de aandacht op de gelijkenis met die andere mislukking: het leven en sterven van Christus. 

Juist die gelijkenis doet vermoeden dat de antroposofische ‘mislukking’ net zo onafwendbaar was als de christelijke. Rudolf Steiner onthulde het geheim van de oude en de jonge zielen pas helemaal aan het eind van zijn leven. Dat moet voor zijn toehoorders een flinke schok zijn geweest want ze hadden zich altijd hevig verzet tegen het karma-thema en nu werd het hen ineens op een zeer persoonlijke manier voorgeschoteld. Nog voor ze van de schok bekomen waren, volgde er een tweede: Rudolf Steiner stierf. En er volgde nog een derde: de antroposofische vereniging werd in twee gescheurd. En een vierde: Hitler kwam aan de macht en de tweede wereldoorlog brak uit. De antroposofen kregen eenvoudig niet de kans om het zielenthema te verwerken. Bovendien had slechts een beperkt aantal onder hen de bewuste karmavoordrachten bijgewoond. De meesten wisten van niets en het zou nog tot 1980 duren vooraleer de eerste grondige studie over het onderwerp verscheen: Christussucher und Michaëldiener van Hans Peter van Manen.

Slechts 20 jaar bleven over tot het eind van de 20ste eeuw en de bewustwording van het zielenthema moest nog beginnen. Dat was onbegonnen werk. De enige die het mislukken van de samenwerking tussen platonici en aristotelici had kunnen voorkomen, was Rudolf Steiner zelf. Als hij was blijven leven en evenveel tijd had kunnen besteden aan zijn eigen levenstaak als aan die van Karl Julius Schröer, dan had hij zijn leerlingen misschien kunnen doordringen van het belang van het zielenthema. Misschien. Want de weerstanden waren groot. Maar Rudolf Steiner stierf en met hem stierf ook het antroposofische reddingsplan. Of toch niet? Maakte zijn voortijdige dood wellicht deel uit van het reddingsplan, zoals ook de dood van Christus deel uitmaakte van het heilsplan? Was de dood van Rudolf Steiner met andere woorden geen mislukking maar juist datgene waar het allemaal om draaide? Om daar achter te komen, moeten we de gelijkenis tussen het antroposofische karma en het Christus-karma verder uitdiepen. 

Dat Christus-karma begint in zekere zin bij de 12-jarige Jezus in de tempel. Wanneer het Ik van de oudste Jezus in hem overgaat, wordt het lot van Christus bezegeld: hij zal sterven. Zijn kruisdood is een soort herhaling van wat zich tussen beide Jezuskinderen afspeelt, want op Golgotha gaat het Christus-Ik over in de aarde (en daarmee in de hele mensheid). Maar eerst heeft er nog een andere ‘Ik-verhuizing’ plaatsgevonden: tijdens de doop in de Jordaan gaat het Ik van Christus over in het lichaam van Jezus. Dat zijn drie Ik-verhuizingen, drie variaties op hetzelfde thema. In drie stappen wordt de geboorte van de nieuwe mens en de nieuwe aarde verwezenlijkt: eerst de vereniging van een oude en een jonge ziel, dan de vereniging van deze geheelde mensenziel met Christus, en ten slotte de vereniging van de mensgeworden Christus met de aarde. Het zijn drie metamorfosen van hetzelfde oerbeeld en de eerste begint op menselijk niveau met de vereniging van een oude en een jonge ziel.

Deze eerste ‘menselijke’ metamorfose wordt weerspiegeld in de antroposofie. En opnieuw kunnen we drie stappen onderscheiden. Drie keer verenigen een oude en een jonge ziel zich met elkaar: eerst Karl Julius Schröer en Rudolf Steiner, daarna Marie von Sivers en Rudolf Steiner, en ten slotte Ita Wegman en Rudolf Steiner. Het zijn drie stadia op weg naar de volmaakte eenwording zoals die gerealiseerd wordt door beide Jezuskinderen. Tussen Karl Julius Schröer en Rudolf Steiner wil het nog niet goed lukken: de platoonse ziel is niet in staat de stap te zetten naar de aristotelische wereld. In dat stadium bevindt de antroposofische beweging zich vandaag: ze slaagt er niet in de kloof tussen beide zielenwerelden te overbruggen. Net als Karl Julius Schröer beseft ze niet dat dit haar werkelijke opgave is. Ze is zich niet bewust van haar oude-zielenaard en leeft grotendeels in een platonische ideeënwereld waaruit ze de weg niet vindt naar de moderne werkelijkheid zoals de aristotelicus Rudolf Steiner dat wel kon. 

Ook Marie von Sivers is een oude ziel die zich thuisvoelt in de platonische ideeënwereld. Rudolf Steiner zei ooit van haar dat ze een kosmisch wezen was. Maar anders dan Karl Julius Schröer kan ze zich wel verbinden met de ‘aardse’ Steiner. Het feit dat ze een vrouw is, zal daar wel een rol in gespeeld hebben. 21 jaar lang zal deze zeer spirituele ziel zich ten dienste stellen van Rudolf Steiner en de praktische kant van de antroposofische beweging op zich nemen: ze doet de administratie, houdt de boekhouding bij, organiseert de voordrachten en reizen, verzorgt de uitgave van boeken en voordrachten. Zonder haar zou Rudolf Steiner nooit in staat zijn geweest zijn rol als geestelijk leraar op te nemen en hij was haar daar zeer dankbaar voor. Hij wist wat een offer het voor haar betekende, niet alleen om zich met dergelijke ‘banale’ zaken bezig te houden, maar ook om zich ten dienste te stellen van een man. Reeds in haar Griekse incarnatie als Hypatia was ze immers een sterke, vrijgevochten vrouw.

Marie von Sivers slaagt waar Karl Julius Schröer faalde, en belichaamt op die manier het tweede antroposofische stadium: oude en jonge zielen werken eendrachtig samen. Het derde stadium is echter te hoog gegrepen voor haar. Dat is voorbehouden aan Ita Wegman die aan de zijde van Rudolf Steiner staat wanneer het Goetheanum afbrandt. Marie von Sivers kan die ramp (veelzeggend genoeg) slechts van op afstand gadeslaan, want ze raakt de heuvel niet meer op. Het is mede-lijden met Rudolf Steiner dat Ita Wegman ertoe brengt haar leven in zijn dienst te stellen. Bovendien maakt de schok van de brand haar bewust van de oude karmische band die tussen haar en Rudolf Steiner bestaat. Reeds als Gilgamesj en Enkidu waren ze met elkaar verbonden, en ook in hun incarnatie als Alexander de Grote en Aristoteles werkten ze nauw samen. Dankzij dit karma-bewustzijn kan Ita Wegman de weg openen naar het derde antroposofische stadium, het stadium van de nieuwe mysteriën. 

Deze nieuwe mysteriën zijn Christus-mysteriën. Ze vormen de overgang naar de tweede metamorfose van het christelijke oerbeeld. In het medelijden van Ita Wegman herkennen we reeds iets van het medelijden dat Jezus voelde met de hulpeloze mensheid. De deerniswekkende toestand waarin de oude mysteriën verkeerden, bracht Jezus ertoe zichzelf te openen voor Christus. Op dezelfde manier brengt de aanblik van de zwartgeblakerde resten van het Goetheanum Ita Wegman ertoe haar hart te openen voor Rudolf Steiner en zijn lijden tot het hare te maken. Vanuit dat mede-lijden stelt ze dan de vraag naar de nieuwe mysteriën. Het is deze (Parsifal)vraag die Rudolf Steiner in staat stelt tijdens de Weihnachtstagung de antroposofische vereniging geheel te vernieuwen. Ook de oude vereniging was ontstaan door een vraag, dit keer van Marie von Sivers. 21 jaar eerder had ze Rudolf Steiner gevraagd naar een christelijke versie van de oude mysteriën en die vraag vormde het begin van de antroposofische beweging. 

Karl Julius Schröer vertegenwoordigt de oude, voorchristelijke mysteriën die hij als Plato onderwezen had. Marie von Sivers staat voor de gekerstende en ‘gemoderniseerde’ oude mysteriën, zoals we die terugvinden in de antroposofie van vóór de Weihnachtstagung. Ita Wegman ten slotte vertegenwoordigt de nieuwe mysteriën die rechtstreeks van Christus uitgaan en door Michaël naar de mensen worden gebracht die er wakker voor zijn. Deze drie antroposofische stadia herkennen we (op een hoger niveau) ook in het christelijke heilsgebeuren. De oudste Jezusziel draagt het hele mysterieverleden van de mensheid in zich. Tijdens het gebeuren in de tempel wordt die alomvattende wijsheid verbonden met de alomvattende liefde van de jonge Jezusziel. Maar dat volstaat niet om de wereld te redden. Er is nog een derde factor nodig en dat is Christus. Pas in het samengaan van Jezus en Christus kunnen de mysteriën volledig vernieuwd en verjongd worden. 

Het zielenthema maakt deel uit van die nieuwe mysteriën. De bewustwording van de rol die oude en jonge zielen spelen in het reddingsplan van de mensheid is de eerste prille stap in de uitvoering van dat plan. Het is in wezen een mysteriedaad, net zoals het gebeuren in de tempel toen het ik van de oude Jezusziel overging op de jonge Jezusziel. Maar die oude tempel bestaat niet meer, ook niet in zijn antroposofische versie. Hij moet opnieuw gebouwd worden en de eerste steen wordt gelegd wanneer we gevolg geven aan Rudolf Steiners laatste, dringende oproep om het zielenthema ter harte te nemen. Dit onaanzienlijke, kinderlijk eenvoudige thema is het zaadje waarin de hele (oude) antroposofie vervat zit. Om haar opnieuw tot leven te wekken moet ware aard van dit zaadje herkend worden. Nadenken over oude en jonge zielen, zei Rudolf Steiner, is geen vrijblijvende theorie maar een intensieve toepassing op het leven. Het is een daad, een stap over de drempel van oud naar nieuw. 

Antroposofie en karmabewustzijn (2)

  

Na zowat zijn hele leven besteed te hebben aan Julius Schröers levenstaak – de antroposofie – kon Rudolf Steiner na afloop van de Weihnachtstagung eindelijk aan zijn eigen opgave beginnen: karma en reïncarnatie. Daarvoor restten hem nog slechts 9 luttele maanden en dus moest hij zich beperken tot het meest essentiële. Dat bleek de relatie tussen oude en jonge zielen te zijn. Hij onthulde dit thema, dat als een rode draad door de karmavoordrachten loopt, tijdens de laatste zomer van zijn leven en hij deed dat heel voorzichtig. Hij sprak zelfs van een ‘intermezzo’, want hij had meer dan eens ondervonden hoe onoverkomelijk de weerstanden waren tegen karmabewustzijn. Maar dit keer zette hij door. Hij kon niet langer wachten tot zijn toehoorders er klaar voor waren. Het was nu of nooit. En bijna was het nooit geweest, want Rudolf Steiner had de Weihnachtstagung ternauwernood overleefd. De tegenmachten hadden er werkelijk alles aan gedaan om hem het spreken te beletten. 

Wat was er zo bedreigend aan dit karma-inzicht? Waarom wilden de tegenachten het met alle mogelijke middelen tegenhouden? Want ook na de dood van Rudolf Steiner gingen ze zo te keer dat het thema van de oude en de jonge zielen geen kans kreeg om door te dringen tot het antroposofische bewustzijn. En daar is tot op de huidige dag geen verandering in gekomen. De hardnekkigheid waarmee het zielenthema genegeerd wordt, doet onwillekeurig denken aan het geheim van de twee Jezuskinderen. Ook dat is tot op heden niet boven water gekomen, hoewel het duidelijk op te maken valt uit de twee verschillende geboorteverhalen en de twee verschillende stambomen in de bijbel, nochtans het meest bestudeerde boek ter wereld. Alleen in de antroposofische wereld kent men dit geheim, maar daar wordt het dan weer zorgvuldig gescheiden gehouden van het eigen karma. Het zijn dus geen geringe krachten die zich tegen het zielenthema keren en daar moeten ze een goede reden voor hebben. 

De belangrijkste gebeurtenis in de geschiedenis van de mensheid – de menswording van Christus – werd mogelijk gemaakt door de vereniging van de oude solomonische Jezusziel en de jonge nathanische Jezusziel. In onze tijd vindt de op één na belangrijkste gebeurtenis plaats – de wederkomst van Christus – en die mag volgens Rudolf Steiner onder geen beding verslapen worden. Dat zou het ergste zijn wat de mensheid kan overkomen. Om dat onheil af te wenden is de antroposofie in het leven geroepen en dat werd mogelijk gemaakt door – opnieuw – de vereniging van een oude en een jonge ziel. De antroposofie werd geconcipieerd door Julius Schröer en Rudolf Steiner, een oude en een jonge ziel. Aan de wieg van de beweging stonden Marie von Sivers en Rudolf Steiner, een oude en een jonge ziel. En tijdens de Weihnachtstagung werd de vereniging heropgericht dankzij de samenwerking van Ita Wegman en Rudolf Steiner, andermaal een oude en een jonge ziel.  

Zonder deze samenwerking van een oude en een jonge ziel is de antroposofie eenvoudig niet denkbaar. Hun twee-eenheid is de alfa en de omega van de antroposofie, het oerbeeld, het kloppende hart. Zo kwam het ook tot uitdrukking in de twee (in elkaar schuivende) koepels van het eerste Goetheanum. De tegenmachten konden de antroposofie niet dieper treffen dan door dit oerbeeld te verwoesten, zowel uiterlijk (ze staken het Goetheanum in brand) als innerlijk (ze dreven een wig tussen oude en jonge zielen). Zo verhinderden ze de vereniging van twee complementaire vormen van bewustzijn: het (oude) ‘antroposofische’ bewustzijn en het (jonge) ‘karmabewustzijn’. Daardoor kon echter ook het Christusbewustzijn niet ontstaan. Zonder antroposofie geen karmabewustzijn, zonder karmabewustzijn geen Christusbewustzijn. Op die manier onttrokken de tegenmachten de wederkomst van Christus aan het moderne bewustzijn en riepen ze stap voor stap het grootste onheil over de mensheid af. 

De eerste – en in zekere zin belangrijkste – stap in deze onheilsgeschiedenis was het saboteren van Julius Schröers opdracht: het ontwikkelen van de antroposofie. Als gevolg daarvan zag Rudolf Steiner zich genoodzaakt Schröers levenstaak over te nemen, want zonder antroposofie kon hij ook geen inzicht in karma en reïncarnatie ontwikkelen. Hij moest zijn eigen levensopdracht uitstellen en toen hij er eindelijk kon aan beginnen, sloegen de tegenmachten opnieuw toe. Ze hadden het Goetheanum in de as gelegd en daarmee het lot van de antroposofische vereniging bezegeld. Maar Rudolf Steiner liet zich niet uit het veld slaan en richtte de vereniging opnieuw op. Dus troffen ze hem een tweede keer, onmiddellijk na de Weihnachtstagung. Ook die aanslag overleefde hij, en onmiddellijk na zijn dood sloegen ze een derde keer toe. Ze staken de antroposofische beweging in brand, daarna Duitsland en ten slotte heel Europa. 

Op die manier ontwikkelde een kleine vonk – het uitschakelen van Julius Schröer – zich tot een uitslaande wereldbrand. Uit de assen is de wereld opnieuw verrezen, maar zijn ruggegraat is gebroken. De antroposofische inzichten zijn na 100 jaar nog altijd niet doorgedrongen in de beschaving. Hetzelfde geldt voor het karmabewustzijn in de antroposofische wereld. En van de samenwerking tussen platonici en aristotelici – die de antroposofie tot bloei had moeten brengen en de beschaving van de ondergang redden – is niets te merken geweest. Rudolf Steiners deadline was dan ook nog maar pas verstreken of Sorat stak zijn monsterachtige kop op. En sindsdien gaat het in sneltreinvaart bergaf. Iedere dag duiken er nieuwe ontbindingsverschijnselen op die duidelijk maken dat de onze beschaving ten onder gaat. Ja, de tegenmachten hebben hun werk grondig gedaan. Ze wisten precies wat ze moesten doen om het Christusbewustzijn te verhinderen en het grootste onheil over de mensheid te brengen. 

Tegen deze tegenmachten had Michaël ‘in de hemel’ strijd geleverd. Aan het eind van de 19de eeuw had hij ze overwonnen en ‘op aarde’ geworpen. Daar ontketenden ze een ongeziene katastrofe die nog altijd voortduurt en de mensheid met verstomming slaat. De opgave van de antroposofische beweging bestaat erin deze verstomming te doorbreken en wakker te worden voor wat zich in deze apocalyps wil openbaren: de wederkomst van Christus. Sinds het aflopen van de 20ste eeuw – de deadline van Rudolf Steiner – heeft die opgave het karakter van een keuze gekregen: zien we de mislukking van de antroposofie onder ogen of doen we verder alsof er niks aan de hand is? De situatie doet onwillekeurig denken aan de Hof van Olijven waar Christus worstelde met de dood en aan zijn leerlingen vroeg om met hem te waken. Maar ze vielen in slaap. Ze waren niet in staat de ‘mislukking’ van hun Meester onder ogen te zien en sloten er hun bewustzijn voor af. 

De Weihnachtstagung van 1923 vormde het begin van het lijden en sterven van Rudolf Steiner. De vertaling van de oude mysteriën (Schröers opdracht) was voltooid en er bleven slechts 9 maanden over om de nieuwe mysteriën (zijn eigen levenstaak) te ontwikkelen. Dus concentreerde hij ze in een Grondsteen die hij ‘in de harten van de aanwezigen’ legde, in de hoop dat dit zaadje zich zou ontwikkelen tot een nieuwe tempel. Die ‘aanwezigen’ bedoelde hij niet enkel in letterlijke zin. Toen hij na afloop van de kerstbijeenkomst verklaarde het jammer te vinden dat een bepaalde leerling er niet bij was geweest, antwoordde men hem: o, maar hij was er wel degelijk, we hebben hem gezien! Rudolf Steiner bleef echter bij zijn eerste verklaring en legde uit dat men wel ergens fysiek kan zijn, maar daarom nog niet ‘aanwezig’ is. Het volstond niet om de Grondsteenspreuk (fysiek) te horen, ze moest in de eerste plaats (geestelijk) opgenomen worden ‘in het hart’. Men moest er wakker voor zijn, men moest er met heel zijn wezen ‘aanwezig’ voor zijn.

Die wakkerheid was er niet, of toch niet in voldoende mate om Rudolf Steiner het leven te redden. Hij slaagde er weliswaar nog in om het zaadje van de Weihnachtstagung tot ontkieming te brengen en het geheim van de oude en de jonge zielen te onthullen, maar toen kon hij niet meer verder. De rest moest hij aan zijn leerlingen overlaten. Hoe dat verliep, is bekend. De woede van de tegenmachten brak over hen uit en ze verloren hun bezinning. De antroposofische beweging werd lam geslagen, eerst door wat zich binnen haar grenzen afspeelde en daarna door wat ook daarbuiten gebeurde. Inmiddels heeft ze zich daarvan hersteld, althans uiterlijk, want innerlijk ligt er een cordon sanitaire van angst en schaamte rond het pas ontkiemde zaadje: schaamte over het falen van de beweging en angst dat het opnieuw zou kunnen gebeuren. Deze ‘doornhaag’ houdt het antroposofische bewustzijn sindsdien op veilige afstand van het zielenthema en belet de verdere ontwikkeling ervan.  

Toen Rudolf Steiner stierf, is de antroposofische beweging in slaap gevallen. Vandaag, bijna 100 jaar later, bestaat ze nog altijd en wordt er veel gedacht en hard gewerkt. Maar men is niet echt wakker, men is niet echt aanwezig. De tegenwoordigheid van geest ontbreekt. Dat kan men aflezen aan het kwijnende bestaan dat de antroposofie leidt, aan haar onvermogen om de brug te slaan naar de moderne wereld, naar de moderne jeugd. Men kan het ook opmaken uit de blinde vlek in het antroposofische bewustzijn. Na al die jaren – het is bijna een eeuw geleden – blijft men nog altijd doof voor de laatste, dringende oproep van Rudolf Steiner om na te denken over het zielenthema, om deze kiem van karmabewustzijn verder te ontwikkelen. Zolang men daar geen gevolg aan geeft en innerlijk ontwaakt, kan de antroposofie ook uiterlijk niet in beweging komen. Ze blijft de gevangene van de tegenmachten die als in slagorde rond haar opgesteld staan. Want zij willen niet dat deze schone slaapster wakker wordt. 

Titanic (6)

  

In 2011 verscheen De Rubenscode, het boek waarin Jos Verhulst aantoont dat sommige schilderijen van Rubens een esoterische dimensie hebben. Dat kwam, om het zacht uit te drukken, als een verrassing. Van schilders als Rafaël, Da Vinci en Rembrandt kun je nog geloven dat hun werk een verborgen inhoud heeft want het is mysterieus en ondoorgrondelijk. Maar Rubens, de meest theatrale en zinnelijke aller schilders? Zijn vaak overbevolkte doeken hebben veel weg van geschilderde operavoorstellingen: ze ademen het tegendeel uit van de ingetogen stemming die men aantreft bij Rafaël en co. Het naakte vlees en de gezwollen vormen doen aan heel wat anders denken dan aan spiritualiteit. En toch. Jos Verhulst laat er geen twijfel over bestaan: Rubens beschikte over een verbluffende esoterische kennis, die hij op ingenieuze wijze verwerkte in (sommige van) zijn schilderijen. Zowel de Roomse kerk als de Spaanse kroon maakten korte metten met alles wat in hun ogen ketters was, en dat was het esoterische christendom dat Rubens vertegenwoordigde zeer zeker. De schilder had er dus alle belang bij om zijn occulte kennis zorgvuldig te versluieren. Hoe goed hij daarin geslaagd is, blijkt uit het feit dat het 400 jaar geduurd heeft voor zijn ‘code’ gekraakt werd.

Vandaag liggen de zaken heel anders. Van de kerk gaat geen enkele dreiging meer uit en de overheid trekt zich van kunst en cultuur niet veel aan. Esoterische kunst is zelfs heel erg in, zowel letterlijk als figuurlijk. De ‘hedendaagse kunst’ is zo esoterisch dat niemand er wat van begrijpt, en toch is ze zeer populair in ‘hogere’ kringen. In ‘lagere’ kringen is men dan weer verzot op boeken als De Da Vinci Code of Harry Potter, en op films als Lord of the Rings. Hoe occulter en fantastischer, hoe beter. Het esoterische christendom heeft vandaag niet meer af te rekenen met ahrimanische dreiging en vernietiging, maar met luciferische nieuwsgierigheid en sensatiezucht. Het moet zich op een geheel andere manier beschermen dan in de tijd van Rubens. Een ingewijde als Rudolf Steiner bijvoorbeeld kan in onze tijd naar buiten treden met occulte inzichten die nooit voordien onthuld zijn. Maar de ‘wetenschappelijke’ vorm waarin hij dat doet, beschermt zijn inzichten tegen spirituele sensatiezoekers. Met succes overigens: de antroposofie wordt niet alleen in de (ahrimanische) wereld van de reguliere wetenschap maar ook in de (luciferische) New-Agewereld compleet genegeerd. Men moet echt wel vastbesloten zijn om niet afgeschrikt te worden door de vorm waarin esoterische kennis hier gepresenteerd wordt.

Naast deze zwaar verteerbare ‘wetenschappelijke’ vorm, is er vandaag nog een andere – niet minder zwaar verteerbare – vorm waarin het esoterische christendom zich presenteert: Hollywoodfilms. Bestaat er een betere plek om esoterische inhouden te verbergen? Niemand zal ze hier gaan zoeken. In de ogen van antroposofen en andere liefhebbers van spiritualiteit is Hollywood een oord van verderf, even oppervlakkig als esoterie diepzinnig is. Groter tegenstelling kan er niet bestaan. Heeft Rudolf Steiner zich trouwens niet zeer negatief uitgelaten over het filmmedium? Nee, esoterische inhouden kunnen nergens veiliger zijn dan in de bioscoop. Filmkijkers zetten hun verstand op nul en laten zich behaaglijk wegglijden in een bad van zintuiglijke indrukken. Van een scholingsweg – onontbeerlijk om door te dringen tot de esoterische dimensie der dingen – is hier geen sprake. We zouden zelfs kunnen spreken over een ont-scholingsweg: de commerciële film maakt de kijker verslaafd aan zintuiglijke indrukken en herleidt hem tot een gemakzuchtige consument die enkel bedacht is op plezier en vertier. Merkwaardig genoeg zijn dat dezelfde bezwaren die men zou kunnen inbrengen tegen de heidense, zinnelijke en ‘oppervlakkige’ kunst van Rubens.

De beeldende kunst heeft altijd een nauwe band gehad met het esoterische christendom: gebouwen, beelden, ornamenten, glasramen, schilderijen en tekeningen waren geschikte plekken om spirituele geheimen te verbergen en ze tegelijk te tonen. Dit verbergen was een kunst op zich, dat kunnen we aflezen aan de buitengewone inventiviteit waarmee Rubens zijn (zeer geavanceerde) astronomische kennis verwerkte in zijn schilderijen. Maar juist dat ‘verbergen’ is sinds de tijd van Rubens ingrijpend veranderd. Rubens was ofwel een ingewijde ofwel iemand die zeer nauw met ingewijden samenwerkte. Hoe dan ook, hij was zich zeer goed bewust van de esoterische dimensie die hij (een aantal van) zijn schilderijen meegaf. En daar ligt het grote verschil met iemand als James Cameron: die is zich namelijk NIET bewust van de esoterische dimensie van Titanic. Hij heeft nooit iets gezegd dat in die richting wijst en aangezien kunstenaars vandaag de gewoonte hebben om hun bedoelingen (en de diepere betekenissen van hun werk) van de daken te schreeuwen, zou het wel heel vreemd zijn als Cameron een uitzondering op die regel was . Hetzelfde geldt voor de esoterici waarmee hij eventueel zou samengewerkt hebben: sinds Rudolf Steiner hoeven ze hun kennis niet langer geheim te houden.

Er is nog een ander argument dat pleit voor de ‘esoterische onwetendheid’ van James Cameron. Het is namelijk onmogelijk om een complexe spirituele inhoud zoals die van Titanic bewust te verwerken in een film die zo realistisch mogelijk wil zijn. Dat zou nooit een kunstzinnig resultaat opleveren. Rubens bijvoorbeeld had nooit de ambitie om de werkelijkheid zo natuurgetrouw mogelijk uit te beelden. Hij idealiseerde de werkelijkheid altijd in meer of mindere mate en dat bood hem de gelegenheid om esoterische informatie te verwerken in zijn schilderijen zonder dat het opviel. In een impressionistisch schilderij zou dat onmogelijk zijn geweest, net als in een realistische, deels zelfs historische film als Titanic. Dat James Cameron daar toch in geslaagd is kan bijgevolg nooit het resultaat zijn geweest van bewust opzet. Hij heeft Titanic geen esoterische dimensie meegegeven zoals Rubens dat deed met zijn schilderijen. Ze is er ‘vanzelf’ ingekomen, zonder dat hij er weet van had. Vanuit onbewuste diepten is ze opgestegen, dezelfde diepten van waaruit alle (ware) kunst opstijgt. En daarin ligt de grote verandering, ja zelfs de omkering die het esoterische christendom sinds Rubens heeft ondergaan: het werkt niet langer van bovenaf, het werkt van onderuit. 

Dat kunnen we ook aflezen aan iemand als Rudolf Steiner. Hij was een grote ingewijde, dat staat buiten kijf. Maar hij was een geheel nieuw soort ingewijde. De ‘klassieke’ ingewijde werkte achter de schermen, in het diepste geheim. Hij werd ingewijd door andere ingewijden en wijdde op zijn beurt weer anderen in, op die manier de verborgen rode draad van de geest doorgevend. Rudolf Steiner daarentegen behoorde tot geen enkel geheim genootschap. Hij ontving zijn inwijding ook niet van anderen, hij voltrok ze aan zichzelf. Dat wil niet zeggen dat hij geen contact had met andere ‘meesters’ en van hen geen hulp kreeg op beslissende momenten, maar zij droegen geen verantwoordelijkheid voor hem, hij droeg die verantwoordelijkheid zelf. Hij was een modern mens die in volle vrijheid en op eigen kracht de brug sloeg tussen de materiële en de geestelijke wereld. Hoe uniek dat was kunnen we aflezen aan het feit dat Rudolf Steiner, als één van de hoogste ingewijden, volkomen in de openbaarheid optrad en geen enkele voorwaarde stelde bij het doorgeven van zijn occulte kennis, tenzij de eigen vrije wil. Hij wilde niemand inwijden, hij wilde alleen maar mensen opleiden die zichzelf wilden inwijden. Daarom koos hij zijn leerlingen ook niet uit. Iedere geïnteresseerde was welkom.

Datzelfde moderne inwijdingsprincipe treffen we ook aan in de filmkunst. Titanic is geen kunstwerk dat gemaakt is door ingewijden voor ingewijden. James Cameron heeft zich op eigen (artistieke) kracht opgewerkt tot inwijdingsniveau en door zijn film nodigt hij iedereen uit om hetzelfde te doen. Zonder enige voorwaarde te stellen biedt hij de moderne mens een scholingsweg-in-beelden die hij in volle vrijheid kan gaan of niet gaan. Zoals de antroposofie zich presenteert als een wetenschap die geen enkel ander vermogen veronderstelt dan het gewone gezonde verstand, zo presenteert ook Titanic zich als een kunstwerk dat van de kijker geen bijzondere vermogens vraagt, zoals bijvoorbeeld de ‘hedendaagse kunst’ dat wél doet. Deze laatste presenteert zich nadrukkelijk als een kunst van en voor ingewijden, een kunst die alleen toegankelijk is voor een kleine, uitgelezen elite van helderzienden die zaken (beweren te) zien die gewone mensen niet zien. Deze kunst noemt zichzelf weliswaar ‘hedendaags’ en ‘avantgardistisch’ maar in werkelijkheid is ze reactionair van aard. Ze verzet zich uit alle macht tegen de vernieuwing zoals die voltrokken wordt in de antroposofie en in de filmkunst. Die vernieuwing komt neer op een democratisering: de wereld van de geest is niet langer voorbehouden aan ‘uitverkorenen’.

Wie de hedendaagse werkelijkheid aandachtig bestudeert en daarbij zijn vooroordelen en persoonlijke voorkeuren aan de kant weet te schuiven (zoals het een wetenschapper betaamt), komt vroeg of laat tot de conclusie dat het esoterische christendom zich vandaag op twee verschillende manieren manifesteert: een wetenschappelijke manier (in de antroposofie) en een kunstzinnige manier (in de film). Dat zal voor heel wat mensen ongetwijfeld als een verrassing komen, maar verrassing is een kenmerk van de geest. Denken we maar aan de Rubenscode. Wie er even bij stilstaat, begrijpt al vlug het waarom van deze dubbele verschijningsvorm: alleen op die manier kan de menselijke vrijheid echt gerespecteerd worden. De antroposofie heeft ondanks alle openbaarheid en democratisering toch iets elitairs en intimiderends. Wetenschap is niet voor iedereen weggelegd, en het gevaar voor sektarisme loert voortdurend om de hoek. Kunst daarentegen is veel toegankelijker, en dat geldt in de hoogste mate voor de filmkunst. Maar hier dreigt dan weer het gevaar voor zintuiglijke verslaving en passiviteit. Ieder op zich zijn wetenschap en kunst schijnvormen van vrijheid, pas wanneer ze met elkaar verbonden worden ontstaat er echte vrijheid. Maar die moet dan ook veroverd worden. 

Ten tijde van Rubens vormde het esoterische christendom nog een eenheid: het drukte zich uit in een geheime wetenschap en een geheime kunst die in zeer nauwe betrekking tot elkaar stonden. Van de kringen waarin deze geestelijke kern van het christendom werd bewaard en doorgegeven is heel weinig bekend. Ze waren dan ook zeer ontoegankelijk. Alleen met geweld – denk aan de folteringen van de Tempeliers – kon men de geheimhouding doorbreken en dan nog. Die situatie is nu helemaal veranderd, ze is zelfs in haar tegendeel gekeerd. Het spirituele christendom is vandaag zo openbaar als maar kan zijn: iedereen kan Rudolf Steiner lezen en iedereen kan films als Titanic zien. Maar om die twee met elkaar te verbinden, dat is een Herculeswerk. Tal van vooroordelen en vastgeroeste meningen moeten overboord worden gegooid, een hele mentale Augiasstal moet gereinigd worden. En dat blijkt niet te lukken. De zuigkracht van het verleden (dat zich graag voordoet als ‘progressief’ of ‘hedendaags’) is te groot. Reactionaire krachten drijven een wig tussen (geestes)wetenschap en (populaire) kunst. Aan het eind van Titanic verdwijnt de graal weer in de diepten omdat de moderne mens er niet in slaagt zijn (wetenschappelijke) verstand te verbinden met zijn (kunstzinnige) gevoel. 

Het oerbeeld van deze verbinding vinden we in de twee Jezuskinderen. Zij moesten eerst met elkaar verbonden worden vóór Christus op aarde kon komen. Zo is het ook met het esoterische christendom: het kan pas echt incarneren wanneer zijn wetenschappelijke en kunstzinnige luik met elkaar verenigd worden. Samen vormen zij de schaal waarin de hemel kan neerdalen. Wat hun vereniging inhoudt, kunnen we aflezen aan de relatie tussen twee Jezuskinderen: de oude (wetenschappelijke) ziel hield zo intens van de jonge (kunstzinnige) ziel dat ze erin overging. Ook de geesteswetenschap kan pas drager worden van de Christusgeest wanneer zij tot een kunst wordt. Een voorbeeld daarvan vinden we in Titanic. Hier is de antroposofie tot kunst geworden en (pas) daardoor werd haar ware aard zichtbaar: ze maakte de hele wereld enthousiast. Het is een beeld van de graalsweg die de antroposofie moet gaan en die een groot (en dubbel) offer inhoudt: als geesteswetenschap moet zij verdwijnen en tot kunst worden, als kunst moet zij haar lot in handen leggen van de mens en wachten tot hij haar ware geestelijke en christelijke aard ontdekt en weer aan de oppervlakte brengt. Stirb und Werde, daar komt het op neer. En zolang de antroposofie daar niet in slaagt, blijft zij nur ein trüber Gast auf der dunkelen Erde

Het nieuwe kerstmis

  

Voor ons moderne mensen is kerstmis enkel nog een esthetisch feest: we versieren onze huizen, onze straten, onze steden. De religieuze inhoud is helemaal verdwenen. Wie weet nog wat kerstmis oorspronkelijk betekende? De geboorte van het kindje Jezus? Maar wie kent dat verhaal nog? Het traditionele kerstverhaal is trouwens een vermenging van twee zeer verschillende geboorteverhalen, die op hun beurt weer een ander verhaal verbergen: dat van de intrede van Christus in de aardesfeer. Het is deze kosmische ‘geboorte’ die oorspronkelijk op 25 december gevierd werd. Ze werd gespiegeld in twee aardse geboorten – die van de twee Jezuskinderen – zodat we kunnen zeggen dat het volledige kerstverhaal in feite drieledig is. Het is het verhaal van de verbinding van hemel en aarde, waarbij de hemel vertegenwoordigd werd door Christus en de aarde door de twee Jezuskinderen. Het jongste kind (uit het Lucasevangelie) belichaamde de onbewust scheppende krachten van de mens, het oudste Jezuskind (uit het Mattheusevangelie) de bewust oordelende krachten. Ze stonden dus tegenover elkaar als een kunstenaar en een wetenschapper, en het is de kloof tussen beiden die Christus de mogelijkheid bood om op aarde te komen. De tegenstelling tussen beide Jezuskinderen was de aardse uitdrukking van de kloof die in de loop der tijden tussen hemel en aarde was ontstaan. De hemel wilde die kloof, ze probeerde niet om ze ongedaan te maken door de aarde weer op te nemen in haar ‘moederschoot’. Ze erkende haar ‘kind’ en deed net het tegenovergestelde: ze overbrugde zelf de afstand met de aarde, ze daalde af in de kloof die ontstaan was tussen de scheppende en de oordelende krachten van de mens. Als een liefhebbende moeder verbond ze zich met de aarde en tegelijk wekte ze ook de liefde tussen de ‘kunstenaar’ en de ‘wetenschapper’. De relatie tussen beide Jezuskinderen was uitdrukking van de relatie tussen hemel en aarde. Hun tegenstelling veranderde in (driegelede) eenheid, hun oorlog in vrede. Dat was het oorspronkelijke kerstmis, het oer-kerstmis.  

Wanneer we vandaag kerstmis vieren, baseren we ons op de geboorte van de Lucas-Jezus. In vroegere tijden werd kerstmis evenwel op 6 januari gevierd. Men herdacht dan niet alleen de drie koningen uit het geboorteverhaal van Mattheus, maar ook de doop in de Jordaan toen de Christusgeest zich verbond met de Lucas-Jezus die voordien reeds het Ik van de Mattheus-Jezus in zich had opgenomen, zodat er een driegelede eenheid ontstond. In dat oude kerstfeest kwam nog het kosmische besef van het grote geheel tot uitdrukking: men vierde zowel de Mattheus-Jezus (de ‘wetenschapper’), de Lucas-Jezus (de ‘kunstenaar’), als de Christusgeest die beide met elkaar verbond. In ons huidige kerstfeest – met de stal, de kerstboom, de os en de ezel – is iedere verwijzing naar het (drieledig) geestelijke verdwenen. Het is eenzijdig aards geworden. We zouden kunnen zeggen dat de geboorte van Christus pas in onze tijd echt voltooid is. Zoals hij destijds afdaalde in één mens – en daarbij heel zijn kosmische ‘kleed’ aflegde – zo is hij nu afgedaald in ieder mens. Hij leeft nu in alle moderne ‘herders’, in de armen van geest die geen weet meer hebben van hun geestelijke oorsprong en zichzelf zien als louter aardse wezens, net als de bomen, de ossen en de ezels. Daardoor is ieder mens vandaag een onbewuste Christusdrager geworden die onbewust verlangt naar ‘de Vader’, dat wil zeggen naar zijn eigen kosmische, geestelijke wezen. Dat kunnen we niet alleen afleiden uit de vernieuwde belangstelling voor religie en spiritualiteit, maar ook uit de christelijke idealen – naastenliefde, verdraagzaamheid, gelijkheid, vrede, vrijheid – die in de moderne mens tot een tweede natuur zijn geworden. Het is alsof de hele mensheid onbewust streeft naar een nieuw kerstmis, een nieuwe verbinding tussen hemel en aarde, maar dan in omgekeerde zin. Was het 2000 jaar geleden de hemel die op aarde kwam, dan is het nu de aarde die weer naar de hemel streeft. De voltooiing van het oude kerstmis is tegelijk het begin van een nieuw kerstmis. 

Er duiken steeds meer berichten op van landen waar het vieren van kerstmis verboden wordt. Met de islam is er inderdaad een krachtige antichristelijke impuls ontwaakt en het is geen wonder dat die zich ook tegen kerstmis richt want de idee dat God naar de aarde zou komen en geboren worden als mens is voor moslims wellicht de grootste blasfemie die er is. Daarvan getuigen ook hun aanvallen op het Sinterklaasfeest. Dat is immers een kinderlijke prelude op kerstmis: de hemel daalt naar de aarde af, maar de Vader blijft boven, op het dak. Alleen de Zoon kruipt door de schoorsteen tot helemaal beneden in de mensenwereld om daar geschenken te leggen in het meest aardse kledingstuk van de mens, de schoen, zinnebeeld van het fysieke lichaam. Daarbij maakt Christus zich natuurlijk vuil: alle zonden van de wereld blijven aan hem kleven en maken hem zwart. Het Sinterklaasfeest is een schitterende kinderversie van kerstmis en wat het tot een doorn maakt in de ogen van moslims is niet het zogenaamd racistische karakter ervan, maar de diepe christelijke betekenis. De islamitische aanvallen op kerstmis en Sinterklaas zijn evenwel niet de oorzaak van de teloorgang van deze oerchristelijke feesten. Ze zijn er het gevolg van. De geestelijke leegte van de christelijke beelden trekt demonen aan. De inhoudsloze vormen zijn als onbewoonde huizen die gekraakt worden. Het hele christendom heeft het lot van kerstmis ondergaan: het is tot louter anekdotiek, tot lege esthetiek geworden. Wat ooit de schepping was van een levende geest die de gebeurtenissen op aarde inspireerde, is nu verstard tot een oud schilderij dat ons niets meer zegt omdat het geen verband meer houdt met onze moderne tijd. Door de macht der gewoonte zijn we er nog altijd aan gehecht, maar de band is zo los geworden dat er nog maar weinig nodig is om hem te verbreken. Sinterklaas is al geen lang leven meer beschoren, en kerstmis zal ongetwijfeld dezelfde weg opgaan. Daar moeten we ons geen illusies over maken. Lijken trekken nu eenmaal roofdieren aan.

De enige manier om kerstmis te redden, is door zijn geestelijke betekenis weer tot leven te wekken. Het nieuwe kerstmis zal geboren worden uit de dood en bewustwording van het oude. Eigenlijk is ons huidige kerstfeest een Sinterklaasversie van het oorspronkelijke ‘kosmische’ kerstfeest dat nog deel uitmaakte van het grote drieledige geheel dat zich uitstrekte over de 12 heilige nachten. Ons ‘verkinderlijkte’ Lucas-kerstmis is als het ware uit dat levende kosmische verband gevallen en verdord tot een louter materieel en betekenisloos beeld. Als we het nieuw leven willen inblazen dan moeten we het opnieuw verbinden – religare – met het grote geheel en die ‘religieuze’ herverbinding begint paradoxaal genoeg met het ‘wetenschappelijk’ onderscheiden van beide kerstmissen: het Lucas-kerstmis en het Mattheus-kerstmis. Want de verdorring van het kerstfeest is een gevolg van het feit dat we de – nochtans duidelijke – verschillen tussen beide geboorteverhalen niet meer zien. In ons bewustzijn zijn ze samengesmolten tot één geheel dat enkel nog het gevoel aanspreekt, en dan nog de laagste, meest aardse regionen van dat gevoel: de gezelligheid, de fysieke voldoening, de esthetiek. Dat is ten koste gegaan van de dramatiek, het heldere bewustzijn, het gevaar en het geweld van het Mattheus-geboorteverhaal. Dat is er helemaal bij ingeschoten. Maar daardoor is ook het Lucas-verhaal geamputeerd, want de stal waarin het Jezuskind geboren werd, bevond zich in een grot waar de Herodes uit het Mattheusverhaal de zwarte magie had beoefend en opdracht had gegeven tot rituele kindermoorden. Pas wanneer we beide geboorteverhalen duidelijk van elkaar onderscheiden, zien we hoe nauw ze met elkaar verbonden zijn. De weg naar de verbinding, naar de religie loopt voortaan dus via de wetenschap. Het nieuwe kerstmis ontstaat uit het (onder)scheiden van het oude. Wat van nature een ‘dodelijk’ karakter heeft – het in twee delen, het bewust worden, de tegenstelling – wordt paradoxaal genoeg levenwekkend. 

Wanneer we een duidelijk onderscheid maken tussen het kinderlijke, gevoelsmatige Lucas-geboorteverhaal en het koninklijke, zelfbewuste Mattheusverhaal, ontstaat er inderdaad vanzelf een verbinding, niet alleen in de ruimte – tussen beide verhalen onderling – maar ook in de tijd – tussen toen en nu. Dit jaar werden er in Parijs – het hart van het (eertijds) christelijke Europa – twee terroristische aanslagen gepleegd door moslims. De eerste vond plaats op 7 januari, vlak voor Driekoningen (en dus verwijzend naar de Mattheus-Jezus), de tweede op 13 november, anderhalve maand voor ons traditionele kerstmis (en dus verwijzend naar de Lucas-Jezus). De slachtoffers waren in dit laatste geval onschuldige jonge mensen die zich amuseerden, in het eerste geval daarentegen waren het oudere mensen met een ongenadig scherp oordeel over de wereld. Herders en koningen dus. Toeval? Misschien. Maar als je er rekening mee houdt dat de moslimterroristen bezield worden door een antichristelijke geest die het gemunt heeft op de ‘aanbidders van het kruis’, dan mag je ervan uitgaan dat deze geest het christendom beter kent dan de ‘aanbidders’ zelf, die in de meeste gevallen niet eens weten dát ze het kruis aanbidden, laat staan waarom. Ook hier weer kun je de tegenstelling tussen de oude en de jonge Jezusziel herkennen. Want de Westerlingen zijn jonge zielen, onbewuste Christusdragers, terwijl de moslims oude zielen zijn, onbewuste Christuszoekers. De laatsten voelen zich instinctief aangetrokken tot de eersten, maar zetten er zich met hun bewustzijn scherp tegen af. De ‘jonge’ Westerlingen zijn het bewustzijn van Christus verloren, de ‘oude’ moslims hebben dat bewustzijn nog niet gevonden. Hun wederzijdse toenadering gaat uit van de aantrekkingskracht van het ‘jonge’ Westen, maar wat eraan ontbreekt is het ontwaken van het ‘oude’ bewustzijn dat er niet toe komt om de ‘draden’ te onderscheiden die in tijd en ruimte gesponnen worden. Terwijl het oude kerstmis teloorgaat, wordt het nieuwe kerstmis geboren, maar dat wordt – net als toen – niet opgemerkt. 

Het kerstmis dat we dit jaar gevierd hebben, was bij uitstek een ‘gemengd’ kerstfeest. Niet alleen hebben we het met gemengde gevoelens gevierd, maar het was ook een vermenging van beide geboorteverhalen. Enerzijds was het – met zijn uitbundige versieringen, zijn kerstmarkten, zijn muziek, zijn eet- en drankfestijnen – een karikatuur van het oude herdersverhaal: bewustzijn kwam er niet aan te pas, aardse genietingen des te meer, zonder enig besef van de kosmische dimensies van dit feest. Anderzijds werd kerstmis dit jaar gevierd met een verscherpt bewustzijn veroorzaakt door de terreurdreiging, de klimaatdreiging, de vluchtelingendreiging. Door de aanslagen in Parijs, die het leven kostten aan meer dan honderd onschuldige jonge mensen, heerste er overal een sfeer als ten tijde van de Herodiaanse kindermoord. Beide geboorteverhalen vielen als het ware samen en creërden een vreemde dubbelzinnige atmosfeer waarin de kerstvierders heen en weer geslingerd werden tussen zorgeloos plezier en angstige gekweldheid. De uiterlijke vermenging veroorzaakte een innerlijke verscheurdheid. In die zin was kerstmis dit jaar een pars pro toto van onze tijd. Op elk gebied vervaagt namelijk het onderscheid tussen de tegenpolen: man en vrouw, kunst en wetenschap, waarheid en leugen, Oost en West, christendom en islam, verstand en gevoel, hoge idealen en lage driften, schuld en onschuld. Alles loopt door elkaar, en dat veroorzaakt een diepe gespletenheid in de mens: zijn bewustzijn keert zich af van de realiteit en vlucht in een schijnwereld. Daardoor blijft het blind voor het nieuwe kerstmis dat ‘achter zijn rug’ geboren wordt, voor de talloze draden die vandaag opnieuw tussen hemel en aarde geweven worden. Die draden worden pas zichtbaar als het oude, oordelende bewustzijn zich ‘omkeert’ naar de werkelijkheid en daarin de kunstzinnige geest leert onderscheiden die erin aan het werk is, dezelfde geest die destijds de zo diepzinnige beelden van de twee bijbelse geboorteverhalen heeft geschapen. 

Rudolf Steiner zegt ergens dat we moeten proberen om de zichtbare werkelijkheid als een aangezicht te zien, een menselijk gelaat. De bedoeling is natuurlijk om de geest te herkennen die tot uitdrukking komt in dat gelaat, zoals we dat ook doen wanneer we een mens herkennen. Die herkenning is een helderziende waarneming van het Ik. Zij is niet het gevolg van een analyseren van het fysieke gelaat. En toch kunnen we zonder (de zintuiglijke waarneming van) dat gelaat geen geest herkennen, evenmin als we Christus kunnen herkennen zonder Michaël, zijn ‘aangezicht’. Als kind kunnen we dat nog wel. Een kind ziet het gezicht van zijn moeder niet, evenmin als een verliefde het gezicht van zijn geliefde ziet. Ze kijken er dwars doorheen. Een van liefde vervulde waarneming is per definitie een helderziende waarneming: ze maakt de materiële wereld transparant voor de geest die er zich in uitdrukt. Naarmate het kind opgroeit en de verliefdheid bekoelt, wordt het gelaat van de moeder of de geliefde ondoorzichtiger, materiëler: het verbergt de achterliggende geest. Op die manier verovert het kind, de geliefde, de mens zijn vrijheid tegenover de ander. Op die manier staat de moderne mens ook tegenover kerstmis: het feest is volkomen materieel en ondoorzichtig geworden, het verbergt de geest die er zich in uitdrukt. Maar we kunnen die evolutie omkeren. We kunnen kerstmis opnieuw leren zien als het aangezicht van Christus en hem er rechtstreeks in herkennen. Maar daarvoor moeten dat aangezicht weer ‘samenstellen’, we moeten het bewust reconstrueren zoals we doen wanneer we een portret tekenen. Daarvoor moeten we het concrete gezicht analyseren, en die analyse begint met een simpele tweedeling. Zo begint ieder portret, ook dat van kerstmis. Zo begon Christus destijds ook aan zijn zelfportret: door de aarde in twee te delen, door twee kinderen geboren te laten worden. De reconstructie van die tweedeling is het begin van het nieuwe kerstmis, het michaëlische kerstmis dat tot aangezicht van Christus wordt. 

Michaël 2015 (5)

  

Na de middelbare school ging ik naar de universiteit, vandaar kwam ik in ’s lands administratie terecht en nóg was het dieptepunt niet bereikt. Was het dan al kommer en kwel in mijn leven? Ging het louter bergaf, ging er niets bergop? Toch wel. In Leuven leerde ik namelijk niet alleen de academische wetenschap kennen, ik leerde er ook de alternatieve wetenschap kennen. Naast mijn officiële studie begon ik ook aan een officieuze studie: die van de astrologie. 

Om dat laatste een beetje te kaderen moet ik terug in de tijd. Ik ben 14 en ik zit in de kerk tijdens de wekelijkse misviering. Opeens kijk ik op en denk: wat doe ik hier? Ik hoor hier niet thuis, ik luister niet naar wat er gezegd wordt, ik doe maar alsof. Die gedachte is voldoende om een punt te zetten achter mijn ‘geloof’. Het kost me geen greintje pijn. Het is alsof ik wakker word en denk: hé, dat gedoe met God was maar een droom! Ik hield best van wierook en orgelmuziek en glasramen. Ook kruisbeelden intrigeerden me, ik tekende ze graag. Maar daar bleef het ook bij: het waren beelden, geen realiteiten. Vanaf nu leef ik in de werkelijkheid en daarin bestaan geen goden, engelen of heiligen. Het is een stuk minder mooi, maar het is wel echt. Niet lang na dat ontwaken krijg ik op school een zwaar ongeluk. Het ziet er banaal uit – ik val over een bal – maar m’n linkerknie ligt aan flarden. Na drie operaties, maanden in bed en een pijnlijke revalidatie kan ik eindelijk weer stappen. De medische staf staat stomverbaasd. Ik ben op miraculeuze wijze aan levenslange invaliditeit ontsnapt. De werkelijkheid komt hard aan. 

Innerlijk raakt ze me nog harder. In mijn bewuste beleving speelt het geloofsverlies geen enkele rol. Maar op een dieper, onbewust niveau begint het leven zijn zin te verliezen. Als God niet bestaat, dan maakt het toch allemaal niet uit? Dan gebeuren de dingen zomaar, dan heerst de wet van de sterkste. Ik ben niet alleen atheïst geworden, ik word ook nihilist. Ik geloof nergens meer in, noch in de hemel noch in de aarde. Het wordt heel donker in mijn ziel. Gelukkig is er één lichtpunt: de academie. Daar vind ik alles wat ik elders niet meer vind: zinvolheid, helderheid, oprechtheid, schoonheid. De kunst is mijn nieuwe geloof. Toevallig (of niet) ligt de academie aan voet van de St. Romboutskathedraal. Ik kijk vol ontzag op naar de indrukwekkende toren en ik luister met plezier naar zijn beiaardklanken, maar de religieuze wereld waar hij voor staat is mijn wereld niet meer. Dat is nu de wereld van de kunst. Zij is mijn nieuwe geloof, in haar voel ik mij geborgen. Maar de draak loert. Aan de overkant van de straat ligt de school met haar dorre wetenschap. Ze dringt zich met geweld aan me op en maakt mijn leven tot een kwelling. 

In Leuven kwam ik terecht in het hol van de leeuw. Het was er heel donker, maar in die diepe duisternis ontdekte ik een wetenschap die tegelijk ook een kunst was: de astrologie. Die onverwachte ontdekking betekende een ommekeer in mijn leven: opeens verscheen er weer orde in de chaos, de zinloosheid kreeg zin. Hoewel de astrologie me tot dan toe volslagen onbekend was, kwamen haar beelden me vreemd vertrouwd voor, alsof ik ze kende van lang geleden. Wat me echter het meest intrigeerde was de gedachte dat die beeldtaal iets te zeggen had over … de werkelijkheid. Ik hield van de bijbelse beelden waarmee ik opgegroeid was, maar ik had ze nooit met de reële wereld in verband gebracht. Juist omdat ik ze als fictie zag kon ik ervan genieten, zoals ik ook van een film genoot. Met de astrologie was het omgekeerd: ze was zo spannend omdat ze géén fictie beweerde te zijn. De astronomie en de ruimte lieten me koud, maar de gedachte dat de sterren het leven op aarde stuurden en regelden vond ik … groots. 

Maar hoe aantrekkelijk deze gedachte ook was, het betekende nog niet dat ik ze geloofde. Ik was zodanig doordrongen van het materialisme dat de stap naar de tegenovergestelde visie veel te groot was. Zonder harde bewijzen zou ik die nooit kunnen zetten en dus leerde ik horoscopen trekken. Daarvoor moest ik naar Antwerpen, waar ik in de Wiegstraat een winkeltje gevonden had dat propvol boeken zat over de meest bizarre onderwerpen: occultisme, esoterie, Oosterse religies, handlijnkunde, parapsychologie, helderziendheid, Tarot, magie, noem maar op. Mijn mond viel open toen ik al die vreemde titels las, ik had nog nooit van die dingen gehoord. In die tijd waren ze nog volslagen nieuw. Ik kocht een boekje van iemand die Pannekoek heette en stap voor stap uitlegde hoe je een horoscoop moest maken. Ik had ook een boekje met efemeriden nodig: de planetenstanden van het jaar dat ik geboren was. Met die twee kon ik aan de slag. 

Ik begon uiteraard met mijn eigen horoscoop en het resultaat verraste me. Eén blik volstond om te weten: dat ben ik! Het was de spijker op de kop! Meteen begon ik geboorte-uren van medestudenten te verzamelen. Iedere avond zat ik te cijferen en te rekenen. Ik begreep niks van wat ik deed, maar ik vond het buitengewoon spannend. De ene na de andere horoscoop rolde van mijn tafel, en allemaal bleken ze te kloppen. Ik herkende er zonder moeite de eigenaars in. Wetenschappelijk verantwoord was het ongetwijfeld niet, maar ik zag heus wel het verschil tussen vage algemeenheden en rake typeringen. Ik spendeerde al m’n zakgeld aan boeken over astrologie en bekwaamde me in de kunst van het sterrenwichelen. Iedere nieuwe horoscoop bevestigde mijn groeiende vermoeden: astrologie was géén onzin, wat al die Nobelprijswinnaars ook mochten beweren. Op een dag trok ik de horoscoop van Joke. Mijn prille vertrouwen kreeg een schok: ze leek er niet eens op! Toch voelde ik me al zeker genoeg om tegen haar te zeggen: je geboorte-uur moet verkeerd zijn, dat kan niet anders. En inderdaad, haar ouders bleken het niet eens te zijn over het moment waarop hun dochter ter wereld was gekomen. Het geboorte-uur-volgens-haar-vader klopte wél en op dat moment wist ik: mijn doel is bereikt. Ik twijfelde niet langer: there wás a system in this madness

Het wiskundige aspect van de astrologie belette me om me verder te verdiepen in de moeder-aller-wetenschappen, anders was ik misschien wel astroloog geworden. Wat was er immers boeiender dan door te dringen in die onzichtbare maar zeer reële wereld! Ik had intussen ook andere aspekten leren kennen van wat vandaag New Age genoemd wordt. Er ging een geheel nieuwe wereld voor me open. Algauw raakte ik ervan overtuigd dat je hem niet kon negeren als je het bestaan wilde begrijpen. En dat laatste probeerde ik uit alle macht. Mijn leven was veel te problematisch dan dat ik het gewoon geleefd zou kunnen hebben. Minstens één keer per week stelde ik mij de vraag: wat doé ik hier in godsnaam? Ik ging naar de les, maar het was slechts een deel van me dat deed alsof ik student was. Het andere deel dwaalde rond in een heel andere wereld, die mijlenver verwijderd was van de gewone, dagelijkse werkelijkheid. Ik las zelfs boeken van Rudolf Steiner, maar raakte nooit verder dan de helft. Het was me allemaal te dor, te zakelijk, te moeilijk. Het stond te dicht bij de wereld van de wetenschap en daar wilde ik juist van weg. 

Toen gebeurde er opnieuw iets onverwachts. Ik werd verliefd, op het kleinste meisje van mijn jaar. Toevallig werd ook zij onverwachts verliefd: op de steinerpedagogie. Haar besluit stond meteen vast: ze zou in een steinerschool gaan werken. Na een jaar opleiding in Nederland ging ze aan de slag in het kersverse steinerschooltje van Gent. Ik volgde haar, maar ik woonde toen in Antwerpen en Gent was een donker krocht vergeleken bij de sinjorenstad. Het steinerschooltje vond ik echter wel leuk, tenminste voor kinderen. Ik luisterde met stijgende verbazing naar volwassenen die het over engelen, kabouters en geestelijke werelden hadden alsof het niks was. Hebben jullie wel eens zo’n kabouter gezien? vroeg ik hen. Nee, dat hadden ze niet. Maar hoe kunnen jullie dan zo zeker zijn dat ze bestaan? Het antwoord luidde natuurlijk: omdat Rudolf Steiner het gezegd heeft. Maar dat wilden ze niet toegeven en dat vond ik flauw. Ik had geen probleem met mensen die geloofden, maar mensen die hun geloof voorstellen als een wetenschap? Nee, daar kon ik geen respect voor opbrengen. 

Voor An – die intussen mijn vrouw was geworden – had ik echter wél respect. Ze was buitengewoon nuchter en intelligent, en het was me een raadsel hoe ze kon omgaan met een stelletje fantasten die geloofden in kabouters en elfjes. Er was ook nog een ander raadsel. Toen ik – in de schaduw van de St.Baafskathedraal – een tentoonstelling over steinerpedagogie bezocht, sprongen de tranen me in de ogen: dit was de school die ik als kind gemist had! Maar wat had deze kleurrijke school te maken met die kleurloze antroposofie? Ik zag het verband niet. Vijf jaar lang zou ik het vergeefs zoeken. Ik voerde talloze gesprekken met mijn vrouw, maar ze slaagde er niet in mij over de brug te trekken. Omgekeerd veranderden al mijn bezwaren ook niets aan haar rustige overtuiging. Dit was een veel grotere uitdaging dan de astrologie. Steiner was me absoluut niet vertrouwd en ik worstelde hevig met zijn antroposofie. Tot ik op een dag – het was mijn 30ste verjaardag – thuis een boek vond dat ik uit verveling begon te lezen. Toen ik het uit had, was ik antroposoof geworden. Het boek heette: De Filosofie der Vrijheid. 

Enkele dagen later trof ik in een Brusselse boekhandel een boek aan van Emil Bock over de twee Jezuskinderen. Ik twijfelde er niet meer aan dat antroposofie evenmin onzin was als de astrologie, maar een boek over Jezus, en dan nog wel over twéé Jezussen? Dat stelde mijn prille overtuiging danig op de proef. Na lang aarzelen besloot ik het boek toch te kopen. Van zodra ik begon te lezen was ik verrukt. Ik herkende de beeldtaal van de astrologie, maar nu in een veel zintuiglijker, veel concretere vorm. Even later kwamen ook de twee Jezuskinderen me volkomen vanzelfsprekend voor: zo moest het geweest zijn, dat kon niet anders! Zowel de vorm als de inhoud van het boek troffen me door hun grote kunstzinnigheid. Emil Bock was iemand die de wereld als een kunstwerk zag. Het was weliswaar de bijbelse wereld, maar die had hoe dan ook echt bestaan. Hij was werkelijkheid én oerbeeld tegelijk geweest. Dit boek toonde mij wat ik wilde: de zintuiglijke werkelijkheid én de onderliggende oerbeelden tegelijk zien. Ik besefte het nog niet echt, maar mijn gevoel sprak duidelijke taal: ik had het onderwerp gevonden dat mij van alle antroposofische thema’s het nauwst aan het hart zou liggen. 

Ik was blij de bijbelse beelden uit mijn jeugd weer te kunnen omarmen. Hun kunstzinnigheid had zich verbonden met de (geestes)wetenschap. Maar het was allemaal nog heel pril, het moest nog groeien. Later zou ik De Filosofie der Vrijheid nog verschillende keren opnieuw (proberen te) lezen maar ik begreep er niks meer van. Was dit het boek dat in één klap een antroposoof van me gemaakt had? Slechts één gedachte stond me nog helder voor ogen, de gedachte die me bevrijd had van de kluisters waarin ik gevangen zat: er is maar één werkelijkheid, er is géén wezenlijk verschil tussen binnen- en buitenwereld. Wat mij al die jaren gekweld had, was de overtuiging dat wat er in mezelf leefde niks te maken had met de wereld daarbuiten. Het had me niet alleen opgesloten in een verstikkende eenzaamheid, het had me ook een kwellend schuldgevoel bijgebracht. Wat er in mijn ziel leefde, kwam namelijk helemaal niet overeen met wat er in de buitenwereld leefde. Ik probeerde me aan te passen, maar dat lukte niet en dus kon er maar één conclusie zijn: ik was verkeerd. Ik dacht niet alleen verkeerd, ik voelde ook verkeerd en wat ik wilde was eveneens verkeerd. Ik had de dualistische leer van de twee werelden – de grondslag van het materialisme – aan den lijve ondervonden. Ik had de gespletenheid die ze in de ziel van een mens veroorzaakte helemaal doorleefd en Rudolf Steiner had me ervan bevrijd. Hij was mijn ‘verlosser’ en daarom geloofde ik in hem: niet om wat hij me verteld had, maar om wat hij voor me gedaan had. Hij had me teruggegeven aan mezelf, en een groter geschenk kun je niet krijgen. 

Dit geschenk was de keerzijde van de ellende die ik had doorgemaakt toen ik de kunst verliet en voor de wetenschap koos. Dat ik die tocht door de woestijn tot een goed einde wist te brengen, was niet mijn verdienste, wel integendeel. Nooit zou ik zelfs maar een deel van die woestijntocht op eigen kracht hebben kunnen afleggen. Ik werd er letterlijk doorheen gesleurd door een ‘hogere’ macht die een reeks onwaarschijnlijke toevalligheden creëerde die geen fictie-schrijver had durven bedenken. Die ‘hogere macht’ Michaël moet zijn geweest, tot die conclusie ben ik vandaag gekomen. Het doel waar hij me naartoe leidde was niet het (nutteloze) universitaire diploma, het was de antroposofie, de hereniging met mezelf. Dat doel zou ik nooit bereikt hebben als ik de wereld van de kunst niet had verlaten. Ik zou me daarin verschanst hebben voor de grauwe buitenwereld. En toen die buitenwereld de muren van de kunstwereld sloopte en haar onder de voet liep, zou me dat helemaal verscheurd hebben. Ik werd uit het ‘paradijs’ van de kunst verdreven opdat ik niet ten prooi zou vallen aan de draak die er vandaag zo vreselijk huishoudt en de bewoners dwingt tot een vernederende onderwerping die ik nooit zou overleefd hebben. 

Bij nader toezien was de weg die zo steil bergaf liep dus een weg bergop. Als de goden iemand willen straffen willigen ze zijn wensen in, als ze hem willen helpen sturen ze rampen op hem af. Maar dat wist ik toen nog niet. Integendeel, ik nam het mijn helpers kwalijk dat ze mij niet geholpen hadden. Mijn leraar had geen vinger uitgestoken toen ik naar Leuven ging. Eén woord was voldoende geweest om me te weerhouden, maar hij zweeg. Anderen spraken en ik wilde dat ze gezwegen hadden. Ik las bij Rudolf Steiner dat ieder mens een bewaarengel heeft en ik vroeg me af: waarom ik niet? Ik realiseerde me niet dat mijn engel zo groot was en zo dichtbij stond dat ik hem niet kon zien. Pas door telkens weer na te denken over hoe mijn leven gelopen was, op zoek naar wat er verkeerd was gegaan, begon ik in te zien dat uitgerekend het verkeerde het juiste was, dat niet mijn leven een mislukking was maar de manier waarop ik ernaar keek. Het herinnert me aan een voorval uit mijn academie-tijd: ik kwam de klas binnen en zag dat de leraar een tekening van me had ingelijst en aan de muur gehangen. Dat was iets heel uitzonderlijks en ik was dan ook danig verbaasd, temeer daar het een tekening was die ikzelf de week tevoren in de vuilnisbak had gegooid omdat ze in mijn ogen compleet mislukt was …