Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: de Wederkomst van Christus

Adriaen Brouwer (16)

  

De Adriaen-Brouwertentoonstelling in Oudenaarde heeft inmiddels de deuren gesloten. De schilderijen zijn teruggekeerd naar hun respectievelijke musea, en het wordt stilaan tijd om deze beschouwingen af te ronden. Dat wil ik doen door een blik te werpen op de geboortehoroscoop die Brouwer in zijn zelfportret De Rokers heeft verwerkt. Sinds Jos Verhulst – wie anders – die horoscoop ontdekte, weten we dat Adriaen Brouwer geboren is in 1603 en niet in 1604 of 1605. Hij kwam ter wereld op 14 februari om kwart over één ’s nachts. De sleutel tot die ontdekking was een klein detail. In het venster rechtsboven op het schilderij zien we een koppeltje zitten waarvan de man zijn arm om de schouder van de vrouw heeft geslagen. De hand van de man maakt een eigenaardige indruk, alsof het meer een tang is dan een menselijke hand. Aangezien Brouwer voortreffelijk handen kon schilderen, is het weinig waarschijnlijk dat hij hier een steek heeft laten vallen. 

Het vermoeden rees dat die ‘misvormde’ hand wel eens een van die details kon zijn waarmee schilders de kijker attent willen maken op de verborgen dimensie van hun werk. Bovendien staan er op De Rokers zeven figuren, waarvan de twee voornaamste, Adriaen Brouwer en Jan de Heem, door hun grootte, kledij en houding gemakkelijk als Zon en Maan te identificeren zijn. De gedachte aan de zeven planeten drong zich op. Brouwer was geboren omstreeks 1604, het jaar waarin de beroemde Stella Nova van Johannes Kepler – de conjunctie van Jupiter en Saturnus – aan de hemel verscheen. Als de schilder inderdaad een horoscoop had verwerkt in zijn zelfportret dan moest die constellatie erin terug te vinden zijn. Wat kwam daarvoor meer in aanmerking dan het koppeltje in het venster? Het bood tevens een verklaring voor de tangvormige hand van de man: Jupiter stond immers in Schorpioen. En aangezien man en vrouw omhoog keken naar een glorend licht, bevonden Jupiter en Saturnus zich waarschijnlijk niet ver onder de Ascendant. 

Na enig zoekwerk aan de hand van deze elementen kwam de horoscoop van 14 februari 1603 uit de bus. De planeten staan hier precies zoals aangegeven op De Rokers. Van links naar rechts zien we Jan Lievens als Mercurius, Adriaen Brouwer als de Zon, Joos Van Craesbeeck als Mars, Jan Cossiers als Venus, Jan de Heem als de Maan, en de man en de vrouw in het venster als Jupiter en Saturnus. De lichaamshouding van Brouwer en de Heem, de opwaarts gerichte blik van Joos Van Craesbeeck, de pijpenkoppen, de waterteil, het witte doekje: het klopte allemaal. Volgens Jos Verhulst kan er geen twijfel over bestaan: Adriaen Brouwer heeft zijn geboortehoroscoop verwerkt in De Rokers. Hij heeft er ook de – uiterst zeldzame – opeenvolging van Maantransit, Mercuriustransit en Venustransit in verwerkt die plaatsvond eind 1631, het jaar dat hij 28 werd en terugkeerde naar Vlaanderen. Mogelijk wilde hij daarmee aangeven in welk jaar het schilderij ontstaan was. 

Wat meteen opvalt aan de horoscoop van 14 februari 1603, is dat alle planeten (uitgezonderd één) onder de horizon staan. Mooier kan Brouwers neiging om zich te verbergen en onzichtbaar te blijven, niet geïllustreerd worden. Zon, Maan, Venus, Mars en Mercurius staan op een hoopje rond het Imum Coeli, het onderste punt van de horoscoop. Het geeft de constellatie het uitzicht van een schaal met hoog daarboven één enkele planeet, Neptunus, die er – bij wijze van spreken – zowel inspiratie als drank in giet. We herkennen in dit beeld de bevlogen kunstenaar en de zware drinker. Het Imum Coeli, tevens de hoek van het 4de huis – het huis van de eigen plek, de roots, de familie – staat in Vissen, het meest onstabiele teken van de hele dierenriem. Dat levert een artiste bohémien op, een thuisloze zwerver zonder kind of kraai. Bovendien prijkt pal op dat onderste punt de onruststoker Mars. Het maakt van Adriaen Brouwer een ontwortelde ziel, iemand die niet kon aarden en nooit lang op dezelfde plek kon blijven.

Dit ‘onaardse’ karakter wordt bevestigd door het feit dat er geen planeten in aardetekens staan, behalve Uranus en Neptunus, maar dat zijn sowieso onaardse planeten. Het is al lucht en water wat de klok slaat in deze horoscoop. Brouwer was een gevoelsmens die veel nadacht. Hij moet buitengewoon gevoelig zijn geweest (Maan, Venus en Mars in Vissen, Ascendant in Schorpioen): een introverte ziel die liefst van al zat te schilderen, alleen en van geen mens gestoord. Maar Neptunus en Vissen maakten hem ook rusteloos en ongedurig: na het intens geconcentreerde werk aan een schilderijtje zien we hem ontspanning zoeken in de kroeg, pratend en drinkend met vrienden en kennissen. Want hoe introvert Brouwer ook was, hij had grote behoefte aan sociaal contact (Zon en Mercurius in Waterman). Het was één van zijn vele tegenstrijdigheden: deze introverte zwerver hield ervan onder de mensen te zijn en met hen van gedachten te wisselen. En zonder drank lukte dat waarschijnlijk niet. 

Als Brouwer eenmaal ‘los’ kwam, moet hij een joviale kerel zijn geweest, daarop wijst zijn Jupiter, die niet alleen pal op de Ascendant staat maar ook een driehoek vormt met Venus, het mooiste aspect uit de astrologie. Mede door zijn menselijkheid (Waterman) en gevoeligheid (Vissen) maakte die stand hem geliefd, zij het ook wel een beetje gevreesd, want de Ascendant staat in Schorpioen. De combinatie van Schorpioen en Waterman levert een mensenkenner zonder weerga op. Bovendien maakt de Zon een zeer nauw aspect met Pluto, de heerser van Schorpioen en de ‘ontmaskeraar’ bij uitstek. Brouwer had weinig geduld met mensen die een masker droegen en schepte er genoegen in dat af te rukken. We zien het ook in zijn schilderijen: hij zette mensen graag in hun hemd. Maar dat gebeurde zonder kwaadaardigheid. Brouwer was een 17de eeuwse Diogenes, voortdurend op zoek naar ‘de mens’. Wellicht vertoefde hij daarom zo graag in kroegen, ver weg van s’ werelds ydel goet.

Een eerste blik op deze horoscoop levert een beeld op dat zeer goed aansluit bij de Adriaen Brouwer die we hebben leren kennen uit zijn werk en uit commentaren van tijdgenoten. Het neemt de laatste twijfels weg: Brouwer heeft inderdaad zijn geboortehoroscoop verwerkt in zijn zelfportret. Dat doet de vraag rijzen: waarom deed hij dat? Waarom maakte hij van zijn zelfportret een groepsportret waarmee hij de zeven planeten kon voorstellen? Geen enkele andere kunstenaar heeft dat ooit gedaan. Rubens verwerkte zijn geboortehoroscoop wel eens in schilderijen, maar dat waren nooit zelfportretten. Er moest Brouwer dus veel aan gelegen zijn om de sterrenhemel te verbinden met zijn eigen persoon. Zijn zelfportret is onmiskenbaar een statement, een schilderij waarmee hij iets duidelijk wil maken. Het wijkt niet alleen af van alles wat andere schilders ooit deden, het wijkt ook af van wat hij zelf ooit deed, want in zijn andere schilderijen is die kosmische dimensie (zo te zien) niet aanwezig.

Dat uitzonderingskarakter maakt van De Rokers een buitengewoon sterke Ik-affirmatie. Adriaen Brouwer toont zich hier iemand die de gebaande wegen verlaat en een geheel nieuwe richting inslaat. Die opvallende Ik-kracht komt al heel vroeg tot uiting in zijn leven. Als 11-jarig jongetje emigreert hij met zijn ouders van Vlaanderen naar Holland. Hij maakt zich los uit zijn geboorteland zoals een kind zich losmaakt uit de baarmoeder. Vijf jaar later volgt er weer een ‘geboorte’ als hij het ouderlijk huis verlaat en alleen de wereld in trekt. Zeven jaar later is hij beroemd als schilder van kroegtaferelen waarmee hij zich losmaakt uit de schilderkunst van zijn tijd. Tal van schilders treden in zijn voetsporen, hij beïnvloedt zelfs de grote Rubens. Het is alsof er met Adriaen Brouwer een nieuw tijdperk geboren wordt, een Ik-tijdperk waarin afkomst en sociale status geen rol meer spelen maar alles aankomt op eigen kracht en kunnen. Als geen ander belichaamt de jonge Vlaamse schilder het opkomende individualisme. 

Maar hij belichaamt ook nog iets anders: gemeenschapszin. De vrienden en collega’s waarmee hij zichzelf afbeeldt op zijn zelfportret zijn geen anonieme figuranten in zijn geboortehoroscoop, het zijn echte vrienden en collega’s. Jan de Heem wordt heel nadrukkelijk als een concreet persoon geschilderd, en ook de anderen zijn identificeerbaar. Brouwer schildert voortdurend mensen die samen drinken, samen spelen, samen leven. Slechts bij uitzondering schildert hij een mens alleen, en als hij dat doet, hangt er altijd iets van somberheid, wrangheid of weemoed over het portret, alsof deze geïsoleerde mens de pijn van de Ik-vorming beleeft. Brouwers hele leven is trouwens een uitdrukking van de weëen waarmee de geboorte van het Ik gepaard gaat. Hij werd verscheurd door de zwei Seelen in zijn Brust, door de ziel die naar Ik-vorming streefde en de ziel die naar gemeenschap streefde. Dat innerlijke conflict maakte een gespleten mens van hem, een moderne ziel avant la lettre.

Op De Rokers beeldt hij ze allebei af: de zelfbewuste individualist en de gemeenschapsmens die niet zonder zijn vrienden kan. Maar, verborgen achter deze tegenstelling, beeldt hij ook nog een derde element af: de sterrenhemel, de wereld van de geest, die beide tegenpolen met elkaar verbindt. Het maakt van zijn zelfportret een soort credo, een beginselverklaring in olieverf. Alle Menschen werden Brüder, dat is waar hij in gelooft en waar hij van droomt: een gemeenschap van mensen die samenleven zonder dat ze hun individualiteit moeten opgeven. Maar hij lijkt te beseffen dat dit ideaal niet kan gerealiseerd worden zonder verbinding met de geest, vandaar de esoterische dimensie van zijn zelfportret. Die geest moet echter een nieuwe geest zijn, een geest die de individualisering van de mens mogelijk maakt, een christelijke geest. Die geest beeldt Brouwer af op zijn zelfportret, niet als een idee of een concept, maar als een realiteit, een ervaring, een waarneming. 

Er valt veel voor te zeggen dat Adriaen Brouwer op De Rokers een soort Christuservaring afbeeldt, een ontmoeting met zijn ware Ik. Misschien verwerkt hij daarom ook de drie transits van 1631 in zijn schilderij: om aan te duiden dat het om een concrete ervaring gaat. De drie planeten die voor de zon passeren, doen onwillekeurig denken aan de drie koningen, een beeld dat wijst op een geboorte, net als de horoscoop, net als het bakerdoekje, net als het hele schilderij eigenlijk. Het zou ook een antwoord vormen op de initiële vraag: wat ziet Adriaen Brouwer? Dat is niet de kijker, althans niet in fysieke zin. Wat hij ziet, is wat kunstenaar en kijker gemeen hebben: hun ware Ik, het Christus-Ik. Waarschijnlijk vond deze ‘Christus-waarneming’ plaats in 1631 en maakte ze een ander mens van Brouwer: hij werd opnieuw geboren. Ze viel ook samen met de terugkeer naar zijn geboorteland. Anders dan zijn emigratie, maakte deze tweede geboorte Adriaen Brouwer niet los uit zijn vaderland, maar verbond er hem weer mee. 

Uiterlijk verandert er niet veel, Brouwer blijft Brouwer. Maar over zijn werk lijkt nu een diepe weemoed te komen, een intens verlangen, alsof hij zich realiseert hoe diep de kloof is tussen zijn aardse ik en het grote kosmische Ik waarvan hij onverwachts een glimp heeft opgevangen. We zien het in De Dikke Man, maar ook in het Duinlandschap, waar we op de voorgrond twee figuren met elkaar in gesprek zien terwijl een derde, boven op de heuvel lijkt te wijzen naar iets wat beide anderen niet zien. Het is opnieuw hetzelfde beeld dat we in Brouwers geboortehoroscoop zagen: Neptunus, die hoog aan de hemel staat en contact maakt met een verre, kosmische wereld, en zijn gespleten ziel die zich beneden op aarde bevindt. Heel merkwaardig zijn ook de tekeningen op de ondergrond, die door de transparante verflagen heen schemeren, alsof Adriaen Brouwer een (geestelijke) wereld wil afbeelden die zich verbergt achter of onder de zichtbare, aardse werkelijkheid. 

Deze mysterieuze tekeningen – het zijn visachtige vormen (Neptunus is de god van de zee) – kunnen model staan voor het werk van Adriaen Brouwer: ze zijn duidelijk zichtbaar maar ze worden niet waargenomen. De schilderijen van deze Vlaming zijn al 400 jaar bekend, ze hangen overal in musea, maar toch worden ze niet ‘gezien’. De reden daarvoor ligt waarschijnlijk in hun ‘christelijke’ karakter, in het volkomen samenvallen van hemel en aarde. We kunnen de zintuiglijk-artistieke kwaliteit van Brouwers werk niet zien zonder ook de bovenzintuiglijk-geestelijke kwaliteit te zien. In de 17de eeuw is dat nog geen probleem – vandaar het succes van Brouwer – maar dat verandert snel. Met het individualisme breekt ook het materialisme door en gaat men de geest ontkennen. In het geval van Brouwer is dat niet mogelijk zonder ook de materie te ontkennen, dat wil zeggen zonder blind te blijven voor zijn werk. En dat is ook wat men gedaan heeft en nog altijd doet: men negeert Adriaen Brouwer, men kijkt zonder te willen zien. 

We beleven vandaag de wederkomst van Christus. De geestelijke dimensie van de werkelijkheid schemert steeds sterker door de materiële dimensie heen. We kunnen ze niet meer ontkennen zonder ook de gewone, aardse werkelijkheid te ontkennen, en dat is precies wat we doen: we sluiten de ogen voor de werkelijkheid, zoals we ook de ogen sluiten voor Adriaen Brouwer. Zijn werk staat model voor de wereld waarin we vandaag leven, het is als het ware gemaakt voor onze tijd. Wat men in de 17de eeuw nog waarnam met een laatste rest van de oude helderziendheid, moet vandaag worden waargenomen door aandachtig te kijken en zorgvuldig na te denken. Als geen andere schilder maakt Brouwer dat mogelijk. Het doet ons beseffen hoever deze kunstenaar zijn tijd vooruit was, en ook welke kans ons hier geboden wordt om in alle rust te oefenen wat we steeds dringender nodig hebben: het vermogen om de geest in de materie te zien, het vermogen om de etherische Christus waar te nemen. 

Verontrustend  (3)

  

De klimaattop in Parijs begint me echt schrik aan te jagen. Overal ter wereld komen mensen op straat die onze planeet willen redden. Is de mensheid ooit eensgezinder geweest? Niet alleen de mensen op straat zijn eensgezind, ook hun leiders zijn eensgezind. Hebben ze niet net verklaard vastbesloten te zijn de planeet te redden? Is dat ooit vertoond: alle wereldleiders die aan hetzelfde zeel trekken? Maar dat is nog niet alles: alsof er geen grenzen zijn aan de eensgezindheid, zijn die eensgezinde mensen het ook nog eens eens (sic) met hun eensgezinde leiders! Dat moet een primeur zijn in de geschiedenis van de mensheid! Een drieëenheid van eensgezindheid, alsof de goddelijke triniteit zelf op aarde is neergedaald! Alsof de Messias op het punt staat om de wereld te redden. De joden zullen blij zijn, ze hebben er lang op gewacht. Maar als antroposoof voel je natuurlijk nattigheid. Niet alleen is de Messias al gekomen en heeft hij de wereld al gered, maar hij verklaarde ook dat hij niet gekomen was om vrede te brengen maar … het zwaard. Dat klinkt heel anders dan die roerende eensgezindheid van groot en klein. En zeker dan de vredebrengers van de islam, die trouwens net geadopteerd zijn door de paus. Christenen en moslims, verklaarde de religieuze leider onlangs, zijn als broer en zus, iets waar de media het ongetwijfeld roerend mee eens waren. Ook hier dus niets dan eensgezindheid. Nee, het lijdt voor de (niet eensgezinde) antroposoof geen twijfel: degene die in Parijs zijn opwachting maakt – op wolken van eensgezindheid – is niemand minder dan Ahriman. En reken maar dat als hij zijn ware gezicht laat zien – want hij vermomt zich natuurlijk als de wedergekomen Christus – de opwarming van de aarde het laatste van onze zorgen zal zijn. 

1002

  
Volgens Rudolf Steiner is de wederkomst van Christus de belangrijkste gebeurtenis van onze tijd, een gebeurtenis die onder geen beding onopgemerkt voorbij mag gaan, want dat zou het grootst mogelijke onheil over de wereld brengen. De moderne mens is zich echter totaal niet bewust van die wederkomst. Zelfs in de christelijke kerken wordt er met geen woord over gesproken. Alleen de antroposofen houden het vuur brandende, het vuur van het Christusbewustzijn. Daarmee vervullen ze volgens Rudolf Steiner ‘de belangrijkste mensheidstaak voor de toekomst’. Zonder hoogmoedig te worden, zegt hij, moeten ze zich realiseren hoe groot het verschil is tussen mensen die zich langzaam inleven in de geestelijke wereld en mensen die geen flauw benul hebben van geestelijke zaken en dat ook niet willen hebben. 

Buitenstaanders halen natuurlijk de schouders op wanneer ze zoiets horen. Wie denken die antroposofen wel dat ze zijn! Maar wie ziet aan welke verwarring het moderne bewustzijn ten prooi is en daar ook de oorzaak van begrijpt, beseft steeds beter dat er geen andere remedie bestaat dan wat de antroposofie doet: de groeiende helderziendheid van de moderne mens doordringen met bewustzijn. En dat betekent in de eerste plaats: onderscheid maken tussen Christus en de Antichrist, tussen de geestelijke boven- en onderwereld. Daarom ook is de leidende geest van de antroposofie Michaël, de aartsengel wiens naam een vraag is: wie is als God?

Michaël wordt wel eens ‘het aangezicht van Christus’ genoemd. Hij is degene aan wie we Christus kunnen herkennen. Dat laatste vergt een strijd met de draak, want dat is waar Michaël voor staat. Christus herkennen betekent: de confrontatie met het kwaad aangaan. Deze confrontatie is volgens Rudolf Steiner dan ook de belangrijkste opgave van het bewustzijnszieletijdperk, het tijdperk waarin we nu leven. Hij spreekt daarbij niet over het (vandaag zo populaire) uitroeien van het kwaad, en zelfs niet over het overwinnen ervan. Onze taak bestaat er eenvoudig in het kwaad te herkennen, het te ‘ontmaskeren’. Bewust worden van Christus betekent dus hetzelfde als bewust worden van de draak of de Antichrist. Het is één en dezelfde opgave. De één ontmaskeren is de ander herkennen. Het onderscheiden van beide tegengestelde geesten is de ‘belangrijkste mensheidstaak’ waarover Rudolf Steiner sprak. Het is de michaëlische vraag stellen: wie – van beide – is als God?

Vreemde gedachte is dat! Hoe zouden we ooit de draak als God kunnen zien! Een groter verschil dan tussen Christus en de Antichrist is toch niet denkbaar! Maar we vergeten dat het hier om geestelijke wezens gaat en dat we geen geestelijke wezens kunnen waarnemen. Hoe extreem verschillend ze op geestelijk vlak ook zijn – het absoluut goede tegenover het absoluut kwade – op materieel vlak zijn ze heel moeilijk van elkaar te onderscheiden, zeker in onze tijd. Denken we maar aan een fenomeen als de politieke correctheid. Mensen die daardoor gegrepen zijn twijfelen er niet aan dat ze het goede belichamen. Wie het niet met hen eens is belichaamt in hun ogen het kwaad, en ze voelen zich moreel verplicht dat kwaad te bestrijden. De manier waarop ze dat doen is echter allesbehalve michaëlisch: ze beschuldigen, demoniseren, excommuniceren, broodroven en bestraffen. Ze gedragen zich met andere woorden als … draken. Op die manier illustreren ze dat goed en kwaad in onze tijd zodanig met elkaar vervlochten zijn dat ze nauwelijks nog te onderscheiden zijn. Ja, juist hun onontwarbaarheid is het grootste kwaad geworden.

De strijd met het kwaad aangaan – de echte michaëlische strijd – betekent in onze tijd: goed en kwaad ontwarren, ze van elkaar onderscheiden. En dat is niet langer mogelijk zonder bewust door te dringen in de geestelijke dimensie van de werkelijkheid. Onze moraliteit dringt slechts gevoelsmatig in deze dimensie door en dat volstaat niet meer. We worden hoe langer hoe meer in een moreel labyrint gelokt en de enige manier om niet helemaal het spoor bijster te raken, is door aan geesteswetenschap doen, dat wil zeggen, door op wetenschappelijke wijze door te dringen in de wereld van de geest. Maar deze wetenschappelijke wijze moet tegelijk een kunstzinnige wijze zijn, want we kunnen de methoden van de materialistische wetenschap niet zomaar toepassen op de geestelijke wereld. Met name de etherische dimensie (waar Christus zich vandaag manifesteert) blijft voor ons een gesloten boek als we haar niet op kunstzinnige wijze benaderen. De etherische wereld is in hoge mate kunstzinnig van aard en het gelijke laat zich alleen door het gelijke kennen. 

Als we morele – en dus menselijke – wezens willen blijven, dan moeten we de wereld als een kunstwerk leren zien, niet onbewust en instinctief zoals we dat nu doen, maar bewust en wetenschappelijk. Wat betekent dat echter? Hoe kunnen we een kunstwerk wetenschappelijk benaderen? Alleszins niet met de methoden van de materialistische wetenschap. Want hoewel een kunstwerk altijd materieel is – geen kunst zonder materie – is datgene wat het tot kunst maakt – en het dus onderscheidt van materie die géén kunst is – geestelijk van aard. Het kan op geen enkele manier gemeten, gewogen, berekend of bewezen worden. Het kan alleen waargenomen worden. Maar niet door ons gewone rationele bewustzijn. Als we kunst willen waarnemen dan moeten we overschakelen op een ander bewustzijn, een droombewustzijn. En hier ligt het probleem: we kunnen niet tegelijk wakker zijn en dromen. We kunnen niet aan wetenschap doen wanneer we ons verstand moeten uitschakelen. 

De gewone werkelijkheid is in onze moderne, dualistische ogen ofwel materieel ofwel geestelijk. De materiële werkelijkheid bestuderen we in de natuurwetenschap, de geestelijke werkelijkheid in de filosofie. Maar we bestuderen nooit beide samen, want we kunnen onze aandacht niet tegelijk naar buiten (op de materie) en naar binnen (op de geest) richten. Het is het één of het ander. In de kunst is het echter beide tegelijk. Wat de kunst uniek maakt is dat ze zowel materieel als geestelijk is. Materie en geest zijn in de kunst onlosmakelijk met elkaar verbonden, ze kunnen niet afzonderlijk bestudeerd worden. Ofwel bestuderen we beide tegelijk ofwel bestuderen we helemaal geen kunst. Deze kunstzinnige eenheid van geest en materie kunnen we echter alleen waarnemen met ons droombewustzijn. Voor ons wakkere bewustzijn – dat we nodig hebben om aan wetenschap te doen – verdwijnt (onze waarneming van) kunst als sneeuw voor de zon en valt er niks meer te bestuderen. Juist onze wetenschappelijke instelling maakt ons blind voor de kunst. En dus rijst de vraag of het überhaupt wel mogelijk is om kunst wetenschappelijk te benaderen. 

Dat is een cruciale vraag, want van het antwoord hangt de toekomst van onze moraliteit, en dus ook van onze menselijkheid af. Als we kunst niet wetenschappelijk kunnen benaderen, dan zal het steeds moeilijker worden om goed en kwaad nog te onderscheiden. We zullen langzaam verdrinken in een zee van emoties en elkaar naar het leven staan in de overtuiging dat we het goede doen en het kwade bestrijden. We hoeven niet ver te kijken om ons te beseffen dat deze ‘demoralisering’ reeds volop aan de gang is. Reden genoeg dus om ons ernstig af te vragen of – hoe – het droombewustzijn (dat voorwaarde is om kunst waar te nemen) verzoend kan worden met een wakker wetenschappelijk bewustzijn. Is het met andere woorden mogelijk om wakker te dromen? 

Naar kunst kijken we anders dan naar de gewone werkelijkheid. Als we een museum bezoeken schakelen we automatisch over naar een droombewustzijn. Doen we dat niet, dan is het alsof we een grafkelder betreden, gevuld met voorwerpen die voor levende mensen geen enkele betekenis hebben. Hier wakker rondlopen, is een akelige ervaring. Je kunt het vergelijken met ‘wakker’ worden tijdens een film. Het overkomt ons wel eens dat we in de bioscoop zitten en dat de film ons niet meer kan boeien. We kijken dan om ons heen en zien ons omringd door allemaal zombies die in het donker bewegingloos naar een muur zitten te staren waarop schaduwen bewegen. Het is zo’n spookachtig tafereel dat we meteen weer overschakelen naar ons droombewustzijn en ‘onderduiken’ in de film. Nee, het is beslist geen aangename ervaring om volkomen wakker naar kunst te kijken. 

Het omgekeerde is natuurlijk ook waar. Het overkomt ons in de gewone werkelijkheid wel eens dat we beginnen te dromen, dat we even ‘weg’ zijn. Als dat gebeurt wanneer we in de auto zitten of de straat oversteken, dan kan het een akelige ervaring worden die ons – letterlijk in dit geval – in een dodenwereld terecht doet komen. Daarom zijn beide werelden – de kunstwereld en de gewone werkelijkheid – zorgvuldig van elkaar gescheiden. We kunnen de grens tussen kunst en werkelijkheid nooit onbewust overschrijden. Kunstwerken hebben namelijk een welbepaalde vorm: schilderijen, beeldhouwwerken, muziek, toneel, boeken, enzovoort. Daarbij hoort ook een heel duidelijke ‘omkadering’: de lijsten waarin de schilderijen zitten, de musea waarin ze hangen, de concertzalen waarin de muziek gespeeld wordt, de theaters waarin toneelopvoeringen plaatsvinden. Het zijn evenzovele ‘drempels’ die ons herinneren aan het onderscheid tussen kunst en werkelijkheid, en ervoor zorgen dat we telkens van bewustzijn veranderen. 

De wederkomst van Christus heeft het onderscheid tussen fictie en werkelijkheid echter doen vervagen. De kunst is als het ware buiten haar oevers getreden. Net als Christus heeft ze grens tussen de fysieke en de etherische wereld overschreden. Ze heeft zich bevrijd uit haar fysieke vormen – als een vlinder uit zijn cocon – en is een etherische eigenschap geworden. Ofschoon die etherische eigenschap zelf in hoge mate ongrijpbaar is, komt haar bevrijding op verschillende manieren tot uiting. Bijvoorbeeld: kunst was vroeger slechts toegankelijk voor heel weinig mensen. Vandaag heeft iedereen toegang tot kunst. Art is everywhere. Een museum was vroeger een soort gewijde tempel. Vandaag is het een drukke marktplaats geworden. Je vond er vroeger alleen klassieke kunstwerken, vandaag tref je er pispotten, conservenblikken en andere gewone voorwerpen aan. Enzovoort.

De werkelijkheid is met andere woorden in de kunstwereld binnengedrongen, maar de kunst is ook doorgedrongen in de werkelijkheid. Je treft ze vandaag op alle mogelijke openbare en niet openbare plaatsen aan. Fictie en werkelijkheid zijn in elkaar doorgedrongen en hebben zich met elkaar vermengd. De grens tussen beide valt steeds moeilijker waar te nemen. En we spreken hier nog maar alleen over de oude, fysieke grens. De etherische grens tussen fictie en werkelijkheid is helemáál onzichtbaar. We weten niet eens dat ze bestaat. Beide werelden vallen hier volkomen samen. Er wordt geen enkel onderscheid gemaakt tussen kunst en werkelijkheid, met als gevolg dat de kunst niet wordt waargenomen. We zien een louter materiële wereld en hebben er geen flauw idee van dat we die wereld als een kunstwerk zien. In ons (wakkere) bewustzijn is het alsof er niets gebeurd is, alsof alles bij het oude is gebleven. Anders gezegd: de wederkomst van Christus – zoals ze weerspiegeld wordt in de kunst – gaat volkomen aan ons voorbij. 

Maar ze gaat beslist niet voorbij aan ons onderbewustzijn. Daar dringt Christus diep in door en hij doet ons de wereld (onbewust) als een kunstwerk zien. Maar die wereld is – op materieel vlak – helemaal (nog) geen kunstwerk, wel integendeel. Het is een anti-kunstwerk: lelijk, chaotisch, lawaaierig, ziek, decadent, gewelddadig. Het is een wereld die pijn doet aan de ogen, die ons hart doet bloeden en ons met diepe schaamte vervult. Het is een wereld die we in korte tijd herschapen hebben tot een gigantische vuilnisbelt. En uitgerekend die stinkende vuilnisbelt gaan we in toemende mate als … een kunstwerk zien. Dat is de grote tragedie van onze tijd: de wederkomst van Christus brengt ons ertoe om het slechte als het goede te zien. De vreugde die we vroeger aan het ware, het schone en het goede beleefden, die gaan we nu langzaam maar zeker aan de leugen, de lelijkheid en het kwaad beleven. Dat zien we reeds duidelijk weerspiegeld in de hedendaagse kunstwereld waar ontwikkelde, beschaafde mensen vol bewondering en enthousiasme kijken naar … afval. 

De wederkomst van Christus zou het meest verheugende nieuws moeten zijn dat de mensheid in eeuwen heeft gekregen. In plaats daarvan is ze uitgegroeid tot de grootste nachtmerrie die de mensheid ooit heeft meegemaakt. Ze heeft het grootst mogelijke onheil over de wereld gebracht en dat onheil zal niet ophouden zolang we ons niet bewust worden van die wederkomst. Rudolf Steiner heeft het meer dan eens gezegd: wat we nodig hebben is niet Christus, maar bewustzijn van Christus. Wat hij daarmee bedoelde, wordt met de dag duidelijker. Zolang we geen bewustzijn ontwikkelen voor Christus, zal zijn wederkomst in haar tegendeel keren: ze zal een wederkomst van de Antichrist worden. We zullen ons steeds sterker aangetrokken voelen tot alles wat antichristelijk is. We zullen tot manicheïstische karikaturen worden: mensen die het kwaad liefhebben, niet om het ten goede te keren, maar omdat ze in de overtuiging leven dat het (reeds) het goede is. We zullen met andere woorden tot ‘omgekeerde’ mensen worden die het kwaad liefhebben en het goede haten.   

Het klinkt allemaal behoorlijk apocalyptisch, maar wanneer we kijken naar de situatie in onze 21ste eeuwse wereld dan kunnen we moeilijk ontkennen dat het realiteit is. Het kwaad komt steeds dichterbij. Het lijkt van buitenaf op ons toe te komen, maar dat is slechts de weerspiegeling van het kwaad dat in onszelf leeft. En dat kwaad is ons gebrek aan Christusbewustzijn, ons gebrek aan onderscheidingsvermogen. We zien de wereld als een kunstwerk, maar we doen dat niet bewust. We maken geen onderscheid tussen wat kunst is en wat geen kunst is. We gooien alles op één hoop. Daar ligt onze opgave: in het onderscheiden. Daar ligt ook onze vrijheid. De wederkomst van Christus zou onze vrijheid tenietdoen als ze tot ons bewustzijn doordrong. We zouden dan geen andere keuze hebben dan christelijk te worden. Nu hebben we die keuze wel, we hebben de keuze tussen Christus en de Antichrist, en het is een buitengewoon moeilijke keuze. Dringen we vrijwillig en bewust door in de etherische sfeer waar Christus zich manifesteert of doen we dat niet? That is the question waar het vandaag allemaal om draait. Dat is de belangrijkste mensheidstaak. 

Nieuwe gevoelens

‘Waar het bij moderne kunst om gaat, is dat de toeschouwer gevoelens aan het werk toevoegt, dat hij zélf een bijdrage levert.’ Zo lees ik op de omslag van het jongste nummer van Antroposofie Vandaag. Het is een citaat uit ‘Nieuwe gevoelens krijg je niet cadeau’, een column van Werner Govaerts waarin hij betoogt dat het slecht gesteld is met ons gevoelsleven. Depressie is de ziekte van onze tijd. Het is als leven in een gevoelswoestijn. We kunnen, schrijft hij, niet anders dan berusten in het feit dat de wereld ons geen gevoelens meer schenkt. Maar dat hoeft niet noodzakelijkerwijs tot nihilisme of cynisme te leiden. Het geeft ons juist de kans om zelf nieuwe gevoelens te creëren, gevoelens die ons niet van buitenaf worden opgedrongen maar die helemaal van onszelf zijn.

Maar zijn die ‘gecreëerde’ gevoelens wel echte gevoelens, vraagt hij zich af. Daar kan de moderne kunst volgens hem antwoord op geven. Moderne kunstwerken roepen immers vaak helemaal geen gevoelens op, ze wachten tot we die gevoelens zelf aan het kunstwerk toevoegen. Maar daarvoor moeten we natuurlijk eerst onze onverschilligheid overwinnen, we moeten in onszelf belangstelling en empathie opwekken, zonder oordelen te vellen. Rudolf Steiner verklaarde ooit dat de sterren niet langer tot de mensen spreken, maar dat de mensen nu tot de sterren moeten spreken. En dat is precies wat we doen wanneer we in onszelf nieuwe, eigen gevoelens creëren, aldus Werner Govaerts.

Wel, wel, wel. We spreken dus ‘tot de sterren’ wanneer we in een museum vol bewondering kijken naar een pispot of een blikje stront? Want dat is het beeld dat mij voor de geest komt wanneer ik denk aan moderne kunst: mensen die dingen bewonderen waar ze normaal gezien de neus voor ophalen. Die bewondering is zeer zeker ‘gecreëerd’ want ze bestaat alleen binnen de muren van een museum of tentoonstellingszaal. Daarbuiten keuren we die pispotten en uitwerpselen geen blik waard, we wenden er ons zelfs vol weerzin vanaf. En deze gecreëerde gevoelens zouden dus de ‘sterrentaal’ zijn waarover Rudolf Steiner spreekt? Ik moet zeggen dat ik dat een gewaagde jump to conclusions vind, te meer daar hij zonder één enkel argument of voorbeeld gemaakt wordt.

Zou dat werkelijk de opgave van de antroposoof zijn: normale gevoelens omkeren in hun tegendeel? Want daar komt het in de moderne kunst tenslotte op neer: we worden er niet alleen verondersteld bewondering te voelen voor wat anders onze weerzin oproept, we worden ook verondersteld weerzin te voelen voor wat anders onze bewondering oproept. De minachting van moderne kunstenaars en kunstliefhebbers voor de kunst uit het verleden is grenzeloos. Ze zeggen het niet altijd met zoveel woorden, maar het blijkt overduidelijk uit hun daden: de echte kunst begint met hén, wat daarvóór kwam, is de naam kunst niet waard. 

Overdrijf ik nu? Ik dacht het niet. De moderne kunst vertoont een ongelooflijke diversiteit, maar al haar uitingen hebben één ding gemeen: een diepe aversie tegen haar voorganger. De nieuwe kunst is erin geslaagd de oude kunst radicaal uit te bannen. Anders dan in de wereld van de muziek, is er in de wereld van de beeldende kunst nauwelijks nog een spoor te bekennen van het klassieke verleden, tenzij dan als voorwerp van spot en verminking. Er is ook geen spoor meer te bekennen van kritiek of verzet tegen die machtsgreep. Niemand waagt het nog te protesteren tegen de excessen van de moderne kunst, hoe abject ze ook zijn. Wie mee wil zijn met zijn tijd moet in de wereld van de (beeldende) kunst dus het vermogen ontwikkelen zijn gevoelens radicaal om te keren: wat hij verafschuwt moet hij leren bewonderen, wat hij bewondert moet hij leren verafschuwen. Hij moet met andere woorden controle verwerven over zijn gevoelsleven. Niet zijn gevoelens mogen hem de wet dicteren, maar omgekeerd. Dat is wat de moderne kunst van ons verwacht, dat is ook wat Rudolf Steiner van antroposofen verwacht. Althans volgens Werner Govaerts. 

Het klinkt goed, dat moet gezegd. Alleen wordt nergens duidelijk wat deze welluidende woorden concreet inhouden. Die nieuwe gevoelens en die toekomstige sterrentaal, wat moet ik me daar eigenlijk bij voorstellen? En gevoelens creëren: hoe doe je dat? Het blijft allemaal heel abstract, heel vaag en heel suggestief. De algemene boodschap lijkt te zijn: als antroposoof moeten we de moderne kunst tot voorbeeld nemen. Daar kan ik natuurlijk niks tegen hebben. Zei Steiner niet dat het vanzelf spreekt dat een ontwikkeld mens houdt van de kunst van zijn tijd? Ik ben het daar helemaal mee eens, alleen … ik heb nooit geloofd en geloof nog altijd niet dat de kunst van mijn tijd bestaat uit pispotten en ander afval. Hoe meer ik erover nadenk des te krankzinniger vind ik dat blinde geloof in een kunst die zichzelf presenteert als de enige echte kunst van onze tijd, met uitsluiting van alle andere. Ik sta te kijken van de naïeviteit van antroposofen die zich blindelings in de armen van de moderne kunst werpen zonder zich ook maar één moment af te vragen of het nu werkelijk … moderne kunst is. 

Iedere stap op spiritueel gebied, waarschuwde Steiner, moet gepaard gaan met drie stappen op moreel gebied. Dat houdt onder meer in dat antroposofen in de eerste plaats hun gezonde, nuchtere, kritische verstand moeten versterken, want hoe dichter men de geestelijke wereld nadert, des te groter wordt het verlangen om er zich blindelings aan over te geven. Juist dat blinde verlangen moet weerstaan worden. De overgave aan de geest moet vrijwillig en bewust gebeuren, anders gaat het ten koste van het Ik en raakt men in de greep van de tegenmachten. Niemand komt tot de Vader dan door mij, waarschuwde Christus. De oude toegang tot de geestelijke wereld is afgesloten, men komt er voortaan alleen nog binnen via Christus, via het Ik. De drempeloverschrijding dient dus te gebeuren onder begeleiding van het eigen heldere bewustzijn, niet onder begeleiding van een of andere ingewijde, of iemand die zich als zodanig voordoet. 

Hoe zo’n zelfstandige drempeloverschrijding eruitziet, kunnen we waarnemen in het (klassieke) museum. De kunst heeft in onze tijd de plaats van de religie (en de spiritualiteit in het algemeen) ingenomen en het museum is de opvolger van de oude mysterietempel. Bij het betreden van deze beschermde maar vrije ruimte verandert ons bewustzijn automatisch. We reageren instinctief op de geestelijke dimensie van de kunst. Als we dat niet deden, zouden de kunstwerken ons niets zeggen. Ze zouden zwijgen als vermoord. Daarom moeten we ze eerst tot leven wekken door (onbewust) over te schakelen op een gevoelsmatig, inlevend bewustzijn. Ons heldere dagbewustzijn laten we samen met onze jas in de vestiaire achter. Dat is de voorwaarde om in de wereld van de kunst überhaupt iets te beleven. 

Dat is dus de eerste stap: we leggen ons kritische verstand het zwijgen op en schakelen over naar ons empathische gevoel. Dat gevoel is in onze moderne wereld echter onderontwikkeld. Het is zo zwak geworden dat het niks meer waarneemt. Als gevolg daarvan komen we terecht in een zwijgende leegte . We beleven het museum als een grafkelder. Waar het nu op aankomt, is dat we niet teleurgesteld op onze stappen terugkeren, dat we met andere woorden niet proberen de leegte op te vullen met zelf gecreëerde gedachten of gevoelens. Dat is juist wat we moeten vermijden, want dan luisteren we naar onze eigen stem (of die van de gids) en niet naar die van het kunstwerk. De ‘nieuwe gevoelens’ die we bij onszelf oproepen, zijn niets anders dan een vorm van zelfbedrog, een middel om de beproeving van de leegte te ontlopen. In plaats van ‘over de drempel’ te gaan, sluiten we ons dan op in onszelf en blijven veilig aan deze zijde van de drempel. 

Wanneer we niet terugdeinzen voor deze drempel, beleven we ‘het zwijgen van de kunstwerken’ in al zijn onverbiddelijkheid. En dat zwijgen ervaren we als een afwijzing. Het is alsof er een wachter aan de drempel staat, die zegt: jij bent niet waardig om de (geestelijke) wereld van de kunst te betreden. Maar het is een test die we moeten doorstaan. Wie werkelijk van kunst houdt, eerbiedigt haar zwijgen. Hij verstoort het niet met intellectuele peptalk, hij probeert niet Verhofstadtgewijs allerlei gevoelens bij zichzelf op te wekken. Hij erkent zijn onmacht en zijn onvermogen. Juist zijn liefde en eerbied voor de kunst helpen hem om deze ‘gevoelswoestijn’ te verdragen. En vroeg of laat komt dan het moment waarop de kunst begint te spreken. Ze doet dat niet met woorden maar richt zich rechtstreeks tot het hart. En dat hart wéét dat het niet naar zichzelf luistert, maar dat het de kunst is die tot haar spreekt. 

Wie de stem van de kunst hoort, voelt dat in zijn hele wezen. Hij wordt overspoeld met nieuwe, ongekende gevoelens. Maar er kan geen twijfel over bestaan dat hij die gevoelens NIET zelf gecreëerd heeft. Ze worden in hem opgeroepen door het kunstwerk en zonder dat kunstwerk zouden ze nooit bestaan. Ze worden ook niet gewekt door een inspanning maar door een waarneming: de kijker neemt de geest van het kunstwerk waar. En dat is essentieel: zonder deze – in wezen helderziende – waarneming hebben alle gedachten en gevoelens die men aan een kunstwerk ontwikkelt een luciferisch karakter. Het zijn inderdaad eigen creaties, maar ze gaan niet uit van het Ik, ze gaan uit van het ego.

De kunst kan op veel manieren spreken, maar altijd maakt ze de mens sprakeloos. Als de kunst spreekt, dan zwijgt de kijker. Als de kijker zwijgt, dan spreekt de kunst. En juist dat zwijgen valt de moderne mens zo zwaar. We hoeven maar een museum te bezoeken om dat te beseffen: het is er een drukte van jewelste. Vroeger waren musea nog echte tempels: er heerste een gewijde stilte. Vandaag luisteren de bezoekers naar gidsen die luidkeels hun ‘waren’ aanprijzen of ze lopen rond met oortjes die hen zeggen wat ze moeten doen, wat ze moeten denken, wat ze moeten voelen. Iedereen is zo druk bezig met het luisteren naar woorden dat niemand nog luistert naar de kunstwerken. Wie gelooft trouwens nog dat de kunst kan spreken? 

De moderne mens gelooft niet meer in de geest, ook niet in die van de kunst. Hij is ervan overtuigd dat als hij zelf niet spreekt ook kunst zwijgt. Daarom vult hij de stilte van de kunstwereld met een eindeloze stroom van woorden en gedachten. Hij creëert zelfs nieuwe gevoelens die hem doen geloven dat hij ‘over de drempel’ is geraakt. En het is nog waar ook. Als ik de gedrevenheid en het enthousiasme van moderne kunstenaars en kunstliefhebbers gadesla dan kan ik niet anders dan concluderen dat ze geïnspireerd worden door de geest. Maar of het de geest van de kunst is? De mens drukt in de kunst zijn diepste wezen uit, en een verstokte materialist kan wel denken dat dat wezen bestaat uit afval en uitwerpselen, maar een antroposoof …? 

De leegte die vandaag in de kunstwereld heerst is verschrikkelijk. Nietzsche verklaarde honderd jaar geleden dat God dood is. Vandaag kunnen we zeggen dat de kunst dood is, dat we haar vermoord hebben. Daar gaat een diepe dreiging vanuit, want een mensheid die haar scheppende vermogens verliest, is ten dode opgeschreven. Het is dus doodsangst die ons belet de dood van de kunst onder ogen te zien. Wat we in het museum in het klein meemaken, maken we ook in het groot mee: de kunst zwijgt als vermoord. Het is een zware beproeving om dat doodse zwijgen te verdragen, om het niet te verstoren met nieuwe gedachten, nieuwe gevoelens, nieuwe kunst. Toch is het de enige manier om de stem te vernemen van de kunst die uit haar graf verrijst, van ‘het vermoorde kind dat lacht en in der eeuwigheid blijft zingen’.

Volgens Rudolf Steiner werd Christus aan het eind van de 19de eeuw opnieuw gekruisigd, dit keer niet in de fysieke maar in de etherische wereld. Het is ook in die wereld dat hij opnieuw verrezen is en zich op een geheel nieuwe manier kenbaar maakt aan de mens. Deze ‘wederkomst van Christus’ noemt Steiner de belangrijkste gebeurtenis van onze tijd en het is van cruciaal belang dat we haar niet verslapen. De tegenmachten hebben echter een waar inferno ontketend om onze aandacht af te leiden. Dat hele gebeuren wordt gespiegeld in de kunst. Zij kan ons dan ook tonen hoe we in het oorverdovende lawaai van de tegenmachten de stem van Christus kunnen horen. En dat is zeker NIET door het creëren van nieuwe gevoelens …

De wederkomst van Christus in de etherische wereld van de kunst

Het grootst mogelijke onheil zal over de mensheid komen als ze de wederkomst van Christus verslaapt, aldus Rudolf Steiner.
Er bestaat voor de hedendaagse mens dus geen belangrijker opgave dan wakker te worden voor Christus.
Daarvoor moeten we echter ‘over de drempel’ want Christus manifesteert zich niet in de materiële maar in de etherische wereld, de wereld die de brug vormt tussen materie en geest.
De materie kennen we door ons bewustzijn naar buiten te richten.
De geest door ons bewustzijn naar binnen richten.
Maar wat beide met elkaar verbindt, dat ontgaat ons.
De etherische wereld is voor ons mensen wat water is voor vissen: het element waarin we leven.
Om dat element te leren kennen, moeten we ertegenover gaan staan.
We verliezen dan echter het bewustzijn, als vissen op het droge.
We zien het ‘water’ niet als we erin zitten.
En we zien het niet als we erbuiten staan.
Gelukkig is er de kunst.
Doordat ze geest en materie met elkaar verbindt, biedt ze ons een beeld van het etherische waar we tegenover kunnen gaan staan zonder ons bewustzijn te verliezen.
In de kunst kunnen we dan ook Christus beleven zonder geknecht te worden door de Antichrist.

Maar deze laatste maakt het ons wel heel, heel moeilijk.

Het is bekend welk pandemonium hij in de werkelijkheid veroorzaakt heeft om de 20ste-eeuwse mens te beletten zich bewust te worden van de wederkomst van Christus.
Die apocalyptische uitbarsting vond ook plaats in de kunst.
Ze was daar weliswaar geestelijker van aard, maar daarom niet minder vernietigend.
Zoals Europa door de wereldoorlogen verdeeld werd in een Oostelijk en een Westelijk deel, zo werd de kunst verdeeld in een Klassiek en een Hedendaags deel.
Het geweld – het materiële zowel als het geestelijke – was dus in de eerste plaats tegen het midden gericht, tegen het verbindende etherische element.
Van dat middengebied moest de aandacht worden afgeleid, want daar vond de wederkomst van Christus plaats.

Met name in de kunst zien we dat er sindsdien eigenlijk niks meer veranderd is.
Van zodra we de blik richten op het midden krijgen we te maken met de Antichrist.

Als we voldoende afstand nemen en de kunst als één geheel zien, dan verschijnt haar ‘midden’ als een lege ruimte, een diepe kloof die de kunstwereld in twee deelt.
Om dat midden te kunnen waarnemen, moeten we natuurlijk eerst de twee ‘stukken’ onderscheiden waarin de kunst verdeeld is: het ‘hedendaagse’ en het ‘klassieke’.
Maar juist dit onderscheid is taboe.
Het is absoluut not done om op zo’n ‘polariserende’ manier over kunst te denken.
Er bestààn helemaal geen twee kunsten, er bestaat alleen één grote ‘superdiverse’ kunst.
Wie er anders over denkt, is een culturele racist.
De Antichrist heeft de kunst in twee gedeeld, maar hij wil niet dat we dat zien.
Hij wil dat we slechts één kunst zien, geen twee.
Hij wil niet dat we onderscheid maken.
Hij wil dat we zien wat we denken te zien (eenheid), niet wat we werkelijk zien (tweeheid).
Hij wil dat we denken en waarnemen gewoon omwisselen.

Die omkering is blijkbaar een machtig wapen, want niemand ziet dat de kunst in twee stukken gebroken is.
Iedereen accepteert zonder protest dat er maar één kunst bestaat: de ‘hedendaagse’ kunst, de kunst die zichzelf uitgeroepen heeft tot de enige echte kunst van onze tijd.
Hoe ongemeen sterk de denkbeelden zijn die de Antichrist aan ons opdringt, blijkt uit het feit dat we ze onvoorwaardelijk geloven, hoe weerzinwekkend de werkelijkheid ook is.
We worden gedwongen om – letterlijke en figuurlijke – uitwerpselen als kunst te beschouwen, maar niemand waagt het nog om daartegen te protesteren.
Niemand durft nog de vraag te stellen: is dit werkelijk kunst?
De moderne kunstliefhebber gelooft in de Antichrist zoals een moslim in Allah gelooft: onvoorwaardelijk en fanatiek.
Zelfs de meest barbaarse daden kunnen zijn geloof niet schokken.

Dat er nog een andere kunst zou kunnen bestaan, een kunst die NIET bestaat uit alle mogelijke soorten afval, komt niet eens in hem op.
Zijn geloof in de denkbeeldige eenheid die de Antichrist hem voorhoudt, is een tweede natuur geworden, een etherische eigenschap.
Wat de kunstliefhebber ook ziet of denkt of voelt: het is niet bij machte iets te veranderen aan zijn antichristelijke benadering van kunst.
Hij is ‘etherisch geknecht’.
De Antichrist heeft hem de toegang tot Christus versperd.
Dat geldt in de eerste plaats voor de kunst van onze tijd: daar is de moderne kunstliefhebber volkomen blind voor.
Maar deze blindheid verspreidt zich ook over de kunst uit het verleden.
En dat is een verontrustende gedachte, want de kunst is de enige plek waar we in onze seculiere tijd nog de brug kunnen slaan naar de wereld van de geest.

Als we de toegang tot Christus weer willen vrijmaken, dan moeten we met ons bewustzijn doordringen in het etherische gebied en daar de confrontatie met ons geloof in de Antichrist aangaan.
Het meest aangewezen gebied om dat te doen, is de kunst.

Als we een schilderij bekijken zoals we de gewone, materiële werkelijkheid bekijken, dan zien we geen kunstwerk, maar alleen een doek dat bedekt is met verfklodders.
Willen we het schilderij als schilderij zien, dan moeten we overschakelen op een ander, dromeriger bewustzijn, een ‘etherisch’ bewustzijn.
We moeten ons overgeven aan de illusie dat die verfklodders bijvoorbeeld een schaal met appelen zijn.
We doen dat automatisch: we zien een kunstwerk NOOIT zoals we de gewone werkelijkheid zien, we zien het ALTIJD op een ‘etherische’ manier.
Maar daar zijn we ons niet van bewust.
We benaderen kunst op een onbewust-etherische manier.

We denken volkomen wakker te zijn wanneer we naar kunst kijken, maar dat is niet zo.
Onder invloed van het etherische karakter van de kunstwerken brengen we onszelf (zonder het te weten) in een staat van ‘verminderd’ bewustzijn: we schakelen ons heldere, rationele denken uit.
Dat is namelijk de voorwaarde om überhaupt kunst te KUNNEN zien.
De dichter Rilke zei het al: met niets komen we een kunstwerk minder nabij dan met het kritische verstand.
Dat verstand moeten we in de vestiaire achterlaten.
We moeten dromers worden, ‘gelovige’ mensen.
Wanneer we een museum of een tentoonstellingsruimte betreden, betreden we een (moderne) tempel, een sacrale ruimte.
We beseffen het niet, maar we komen hier om Christus te vereren.

Terwijl de kerken leeglopen, lopen de musea vol.
Maar schijn bedriegt.
Het museumbezoek gaat dezelfde kant op als het vroegere kerkbezoek: het verwordt tot een leeg ritueel waarvan de betekenis ons ontgaat, laat staan dat het ons nog in contact brengt met Christus.
Om dat contact te herstellen, moeten we ons bewust worden van de ware aard van dat ritueel.
We moeten ons bewust worden van de manier waarop we naar kunst kijken.
Vroeger was dat niet nodig.
Zolang Christus nog niet in de etherische wereld was verschenen, drukte hij zich nog voldoende sterk uit in de materiële wereld.
De rechtstreekse invloed die van kunstwerken uitging, was vele malen groter dan vandaag en mensen die er zich aan overgaven, konden Christus nog duidelijk leren kennen (ook al beseften ze niet dat het om Christus ging).
Vandaag is dat niet langer het geval.
Sinds Christus ‘over de drempel’ is gegaan, moeten ook wij over de drempel gaan.
We moeten hem als het ware tegemoetkomen en in het midden ontmoeten.
Zoals zijn Ik overgegaan is van de materiële naar de etherische wereld, zo moet ons bewustzijn overgaan van de astrale naar de etherische wereld.
We moeten bewust doordringen in de etherische wereld.
Doen we dat niet, en gaan we zoals vroeger onbewust over de drempel dan vallen we in handen van de Antichrist en veranderen zonder het te beseffen in fanatieke gelovigen.

De bewuste drempeloverschrijding plaatst ons echter voor een schijnbaar onoverkomelijk probleem.
Ons heldere, rationele bewustzijn hebben we ontwikkeld door ons terug te trekken uit de etherische sfeer. We zien de wereld niet langer als een kunstwerk maar als een dood voorwerp waarmee we kunnen doen wat we willen, bijvoorbeeld: het helemaal uit elkaar halen om te zien hoe het ineen zit.
Zo hebben we de wetenschap ontwikkeld.
Zo hebben we ook onze vrijheid veroverd.
Door ons terug te trekken uit (de onderste, etherische laag van) de geestelijke wereld.
Als we die geestelijke wereld weer willen leren kennen, moeten we dat wetenschappelijke bewustzijn op de etherische wereld richten.
Maar dan vernietigen we die wereld.
We gaan dan te werk als een wetenschapper die een schilderij wil leren kennen door het in duizend stukjes te knippen en die grondig te analyseren.
De conclusie is dan onvermijdelijk dat … kunst niet bestaat.

Op die (materialistische) manier leren we natuurlijk nooit de kunstzinnige of de etherische wereld kennen.
Vóór we er ons bewust kunnen van worden, moeten we ons eerst overgeven aan die wereld, anders bestaat hij doodeenvoudig niet voor ons.
We moeten ons verstand uitschakelen en onderduiken in het ‘water’ van de etherische sfeer.
Maar … daardoor verliezen we het bewustzijn.
We zijn niet langer wakker meer, we zijn dromers geworden.
En we kunnen niet tegelijk slapen én wakker zijn.
Of wel?

Van die die vraag hangt eigenlijk alles af.
Als we niet wakker kunnen worden IN de etherische wereld, dan is de toegang tot de geest voorgoed afgesloten, dan vinden we Christus nooit.
Laten we dus proberen om die cruciale vraag wat scherper te stellen.

Als we naar kunst kijken dan schakelen we (bewust of onbewust) ons verstand uit.
Kunst is namelijk bij uitstek het gebied waar on ne voit bien qu’avec le coeur.
De Antichrist heeft de zaken natuurlijk op z’n kop gezet: hij heeft van de kunst een intellectuele aangelegenheid gemaakt.
Hij dwingt ons om bij het betreden van de (etherische) wereld van de kunst niet ons verstand maar ons gevoel uit te schakelen.
Hij keert de zaken dus gewoon om.
Op die manier is het natuurlijk niet moeilijk om bewust door te dringen in de etherische wereld.
Het is dan echter wel een etherische onderwereld die we leren kennen, een wereld waar niet Christus maar de Antichrist de scepter zwaait.
En we beseffen dat niet, want we kunnen geen onderscheid maken in deze geestelijke wereld.
Dat kunnen we alleen met ons hart, maar dat hebben we juist in de vestiaire achtergelaten.

In de materiële wereld kunnen we alleen onderscheiden met ons hoofd.
De gevoelens van ons hart vertroebelen het heldere verstand.
In de geestelijke wereld is het precies omgekeerd.
Hier kunnen we alleen onderscheiden met ons hart.
De gedachten van het hoofd leiden er ons op dwaalwegen.
In de materiële wereld verschaffen ze ons objectieve, algemeen geldende kennis, maar in de geestelijke wereld hebben we er niets aan.
We kunnen deze gedachten niet meenemen over de drempel, we moeten ze achterlaten.
Aan de ‘andere kant’ zijn we aangewezen op de gevoelens van ons hart, zoals we dat ook zijn in de wereld van de kunst.
Maar die gevoelens verschaffen ons geen objectieve kennis, daarvoor zijn ze te subjectief, te persoonlijk.
Ze sluiten ons als het ware op in een klein stukje van de geestelijke en kunstzinnige wereld.
Over het wezen van die wereld – Christus – vertellen ze ons niets, behalve op uitzonderlijke momenten buiten onze vrije wil om.

Wakker worden in de etherische wereld betekent dus tegelijk wakker worden in onze gevoelens, licht ontsteken in ons hart.
Want ons hart kan wel voelen, maar het kan niet zien.
Het kan onderscheiden, maar alleen tastend.
En daardoor loopt het gevaar eveneens geen verschil te zien tussen Christus en de Antichrist, want deze laatste draagt een schaapsvacht.
Nee, op een veilige manier de etherische wereld betreden – dat wil zeggen zonder in handen te vallen van de Antichrist – is alleen mogelijk met een hart dat ziende is geworden en even helder en objectief waarneemt als een hoofd.

En hier rijst opnieuw de vraag: is zoiets mogelijk?
Kan het menselijk hart een zintuig worden, kunnen gevoelens objectief zijn?
Het postmoderne antwoord op die vraag is een luid NEEN!
Maar dat is niet ons antwoord, het is het antwoord van de Antichrist.
Dat ondervinden we wel als we die vraag bevestigend beantwoorden.
Want dan gaan de poppen aan het dansen.

(wordt vervolgd)

Inhoud en verpakking

Maggie De Block staat momenteel in het middelpunt van de belangstelling, niet omdat ze de nieuwe minister van Volksgezondheid is, en ook niet omdat ze zo dik is, maar omdat de combinatie van die twee vraagtekens doet rijzen.
Volgens de enen kán het niet dat een minister van Volksgezondheid zo overduidelijk lijdt aan DE beschavingsziekte van het moment: obesitas, zwaarlijvigheid, vetzucht. Ze vinden dat Maggie het voorbeeld moet geven en een De Wevertje doen: dieet volgen en 50 kilo afvallen.
Volgens de anderen heeft het een niks met het ander te maken. Hoe een minister eruitziet, doet er niet toe. Het gaat om zijn of haar prestaties. Ze vinden het niet kunnen dat een mens beoordeeld wordt op zijn uiterlijk. Dat zweemt naar racisme en dat is volstrekt verwerpelijk.

Wie heeft gelijk?

Ik kan het allemaal niet echt volgen in de kranten omdat er steeds meer beknibbeld wordt op gratis digitale informatie en ik er niet over peins om geld te betalen voor kranten. Tussen haakjes, de vernieuwingsoperatie van De Morgen onder het motto POET blijkt inderdaad over geld te gaan. Het was gewoon een cover-operatie om meer geld in het laatje te brengen: voor de meeste digitale artikels moet je nu betalen. Bovendien is het eerste wat opvalt aan de nieuwe layout de combinatie van (veel) zwart en rood. Die akelige combinatie doet me denken aan … wat was het ook alweer?
Ik weet dus niet hoe de meningen verdeeld zijn, maar de kranten kennende en de lucht opsnuivende zullen de Maggie-verdedigers wel in de meerderheid zijn en zal de verontwaardiging over de kritiek op Maggie’s kilo’s het zwaarst doorwegen.

Wat zegt Maggie er zelf van?
Ze zegt: ‘Ik hou me met de inhoud bezig, niet met de verpakking.’
Kort en goed dus, zoals Maggie zelf.
Wat valt daartegen in te brengen?
Niks, behalve dat het niet waar is.
Wie naar foto’s van Maggie De Block kijkt, ziet daar weliswaar een zeer dikke maar ook een zeer verzorgde vrouw. Ze ziet er altijd onberispelijk uit en is zeer smaakvol gekleed. Wat ze te kort komt (sic) qua fysieke inhoud compenseert ze door de vestimentaire verpakking.
En dat zou ze terloops doen, zonder er aandacht aan te besteden?
M’n oor!
Volgens mij brengt Maggie véél tijd door voor de spiegel.
Ze is overduidelijk een vrouw.

Haar spiegelbeeld in de Belgische politiek was Jean-Luc Dehaene: even dik, even opgeblazen, even kundig, maar … een man.
Dehaene was evenveel man als Maggie vrouw is.
Dat wil zeggen: hij trok zich van zijn uiterlijk niks maar dan ook niks aan.
Ik herinner mij nog altijd dat ik voor het eerst een foto van hem zag.
Dat was meer dan 30 jaar geleden tijdens zijn eerste politieke campagne.
Ik zag zowat de meest onaantrekkelijke man die je je kunt voorstellen: een gestampte boer.
De foto was ook nog eens van de meest belabberde kwaliteit: als je NIET verkozen wil worden, dan hang je zó’n foto in de straten.
Ik voelde onwillekeurig bewondering: het kon Dehaene overduidelijk geen zier schelen hoe hij eruitzag. Dát was nu eens iemand die niks om de verpakking gaf! Van hem zou ik het meteen geloofd hebben als hij zei wat Maggie zei.
Maar uit háár mond klinkt het zo overtuigend als … een vrouw die zegt dat ze niks om haar uiterlijk geeft.

Ik zit in Brugge vaak genoeg naar de toeristen te kijken, en de gedachte dat vrouwen niks om hun uiterlijk zouden geven, doet me luidkeels in lachen uitbarsten.
Soms denk ik wel eens dat er voor een vrouw niks belangrijker is dan haar uiterlijk, maar dat zeg ik natuurlijk niet.
Ik ken mijn (politiek-correcte) wereld.
Het is een cliché van hier tot ginder, maar zoals de meeste clichés is het waar: mannen zijn vooral geïnteresseerd in de inhoud, vrouwen zijn vooral geïnteresseerd in de verpakking.
Tenminste wanneer het om henzelf gaat.
Als het om het andere geslacht gaat, is het net omgekeerd.
Mannen zijn dan vooral geïnteresseerd in het (vrouwelijke) uiterlijk en vrouwen in de (mannelijke) inhoud.
Ik denk niet dat iemand daar iets kan tegen inbrengen.
Tenzij dat er uitzonderingen zijn, maar die bevestigen de regel.
En juist in die ‘regel’ kunnen we het antwoord vinden op de vraag: wie heeft gelijk over onze dikke minister van Volksgezondheid?

Dat antwoord luidt: ze hebben allebei gelijk.

Degenen die zeggen dat je een mens niet op zijn uiterlijk mag beoordelen en dat het zeker in het geval van een minister om zijn of haar prestaties gaat, hebben overschot van gelijk.
Ik heb gisteren nog zitten kijken naar wat youtube filmpjes over Jacques Brel.
Nou! Als men die man op z’n uiterlijk had beoordeeld dan kende vandaag niemand Jacques Brel. Je vraagt je af hoe die vogelschrik ooit een podium is durven opstappen. Maar hij heeft het gedaan, en gelukkig maar, want … er kon nauwelijks een groter tegenstelling zijn tussen inhoud en verpakking.
Nee, als je mensen op hun uiterlijk beoordeelt, dan mis je misschien wel het beste wat er is.
Maggie De Block staat er trouwens om bekend dat ze buitengewoon bekwaam is.

Dat neemt echter niet weg dat ook haar critici gelijk hebben: het kán niet dat uitgerekend een minister van Volksgezondheid zo buitensporig dik is en dus lijdt aan de kwaal die ze verondersteld wordt te bestrijden. Dat is als een … kwalijke grap. Het is alsof ze tijdens de verdeling van de ministerpostjes gezegd hebben: hoe kunnen we die onnozele kiezers eens zo hard mogelijk uitlachen? Oh ja, we weten het: we geven Volksgezondheid aan Maggie!
Seriously?
Waarom moest uitgerekend Maggie De Block Volksgezondheid krijgen?
Zijn haar capaciteiten elders niet dringender nodig?
Geen enkele bedrijfsleider zou het in zijn hoofd halen om op een representatieve functie iemand te plaatsen wiens uiterlijk iedereen doet gniffelen. Zo iemand plaats je elders. Dat spreekt vanzelf.
Jamaar, zal men zeggen, Maggie is toch maar mooi éen van de populairste politici in dit land, en dat ondanks haar uiterlijk!
Ondanks?
Ik denk dat haar uiterlijk daar juist wél een rol in speelt.
Mensen denken: dat vind ik nu eens moedig zie, zó dik en toch minister!
Dehaene dwong destijds ook mijn onwillekeurige bewondering af doordat hij ondanks zijn uiterlijk doorzette.
Een nadeel wordt een voordeel als je het kunt overwinnen, als je het een plaats kunt geven.
Maar dat het géén rol zou spelen?
Nee, dat geloof ik niet.

Natuurlijk valt de rol van Maggies zwaarlijvigheid niet te meten.
Maar dat ze niet zou bestaan, is je reinste onzin.
Zeg tegen een vrouw maar eens dat haar uiterlijk er niet toe doet, dat je haar accepteert zoals ze is.
Ze zal dodelijk beledigd zijn.
Je mag nog zoveel zeggen dat het uiterlijk van een mens er niet toe doet, dat het om de inhoud gaat en niet om de verpakking, dat echte schoonheid vanbinnen zit en meer van die idealistische frasen, maar in de realiteit doet dat uiterlijk er wél toe, in de realiteit speelt de verpakking wél een rol.
Ja, goed en wel bekeken leven we in een wereld waar zowat ALLES om de verpakking en het uiterlijk draait!

Wat is de mens?
Een ziel in een lichaam? Een geestelijke inhoud in een materiële verpakking?
Het zou wat!
Er IS helemaal geen ziel, er IS helemaal geen inhoud, er is alleen verpakking, er is alleen materie, vlees en beenderen en snot.
Meer niet.
Natuurlijk zou de mens wel willen dat er méér was, maar sprookjes bestaan nu eenmaal niet, tenzij in onze fantasie.
Wat wel bestaat is materie, and that’s it.

Dát is de diepste overtuiging van de moderne mens.
En al dat halfzachte, idealistische geleuter over schoonheid die vanbinnen zit en een uiterlijk dat er niet toe doet, is alleen maar compensatiegedrag.
Men probeert een leugen te compenseren met een andere leugen.
En dat levert geen waarheid op, maar een dubbele leugen.
Het levert een leugen-in-actie op, want mensen die allebei gelijk hebben, worden tegen elkaar opgezet en beginnen elkaar te beschuldigen van alles en nog wat.
Zoals in het geval van Maggie De Block.

Maar dat is nog het ergste niet.

Op de vraag van journalist Tom Van de Weghe of zo’n dikke minister wel kan, kwam een andere vraag: mag een journalist zoiets zeggen over een minister?
Die vraag klonk heel wat dreigender.
Ze klonk als: moet het niet verboden worden om iets te zeggen over iemands uiterlijk?
Aan de horizon verscheen … het hoofddoekendebat.
Ook daar gaat het – schijnbaar – over het uiterlijk van mensen.
Wie heeft er nu iets te maken met hoe moslimvrouwen zich willen kleden!
Maar in de grond gaat het om één van de belangrijkste discussies die vandaag kunnen gevoerd worden.
In de grond gaat het om het voortbestaan van de vrije samenleving.

Ik vind de discussie over de vetzucht van Maggie De Block belangrijk, niet omdat ze gaat over de vraag hoeveel een minister mag wegen, maar omdat er zich veel belangrijker vragen achter verbergen.
De hele kwestie of iemands uiterlijk er toe doet, verbergt de oer-tegenstelling tussen man en vrouw. Die tegenstelling wordt vandaag op de spits gedreven door een agressief feminisme en een niet minder agressieve ‘genderdiscussie’. Het is bepaald niet om vrolijk van te worden.
Maar ook dát is slechts de verpakking van een diepere inhoud, want de tegenstelling tussen man en vrouw is uiteindelijk de grondslag van alle tegenstellingen op aarde, zowel in letterlijke als in figuurlijke zin.
Veel, zo niet alle discussies en onenigheden gaan terug op de tegenstelling tussen man en vrouw.

Dat veroorzaakt veel ellende en lijden, dat spreekt.
Maar er is iets dat nog veel erger is dan die guerre des sexes in al zijn vormen.
En dat is het verbod op het spreken over de tegenstelling tussen man en vrouw.
Want als we niet meer mogen nadenken over die tegenstelling, als we er niet meer mogen over spreken – wegens te kwetsend – dan duwen we die tegenstelling in het onderbewuste en veroorzaken we veel grotere kwetsuren.
En de grootste kwetsuur van alle is dat we ons niet bewust worden van wat er uit die intense en vaak gewelddadige spanningen tussen man en vrouw geboren kan worden, en dat is: een kind.
De grootste kwetsuur wordt niet veroorzaakt door geweld maar door onvruchtbaarheid.
Dat geldt niet alleen op fysiek gebied en op zielegebied, het geldt ook – en vooral – op geestelijk gebied.
Het grootste gevaar dat de mensheid op geestelijk gebied bedreigt, is dan ook dat de geboorte van ‘Het Kind’ onopgemerkt voorbij gaat.
Want dit geestelijke mensheidskind is het wezen van alles wat vandaag op aarde gebeurt.
Dit mensheidskind is Christus, en zijn wederkomst of wedergeboorte is de belangrijkste gebeurtenis van onze tijd.
Het verslapen van die gebeurtenis, aldus Rudolf Steiner, is de grootste ramp die over de mensheid kan komen.

Het is ook de ramp die doorschemert in de vraag: mag een journalist zeggen dat Maggie De Block te dik is om minister te zijn?
Hoe onschuldig die vraag ook klinkt, ze suggereert dat er niet meer zou mogen gesproken worden over hoe verschillend mannen en vrouwen naar de wereld (en naar elkaar) kijken. En als dat verschil taboe wordt, als we niet meer mogen spreken en nadenken over deze meest fundamentele aller kwesties, dan kunnen we ons nooit bewust worden van het ‘kind’ dat zich verbergt in deze kwestie en dat er het wezen van is.
En dat zou een grotere ramp zijn dan Global Warming, Ebola en IS samen.

Ik ben dan ook heel blij dat (de jonge) journalist Tom Van de Weghe deze vraag gesteld heeft. Ik geloof niet dat hij dat uit sensatiezucht gedaan heeft, maar zelfs als het wel zo was, dan is die sensatiezucht minder erg dan Maggie De Blocks onverschilligheid wanneer ze de zaak met een schouderophalen afdoet als een non-issue.
De sensatiezucht is duidelijk luciferisch.
Maar de onverschilligheid is ronduit ahrimanisch.
En Ahriman is gevaarlijker dan Lucifer.
Maar veel gevaarlijker nog dan Ahriman is de geest die de tegenstelling tussen beide aan ons bewustzijn wil onttrekken, door bijvoorbeeld een discussie over deze kwestie te verbieden – in naam van de menselijkheid uiteraard.
Deze geest is het die over de mensheid de allergrootste ramp wil brengen: dat we blind blijven voor de Wederkomst van Christus.
Met een mensheid die zo diep in slaap is dat ze het allerbelangrijkste niet eens opmerkt, kun je namelijk letterlijk ALLES doen.
Daar zijn helaas al voorbeelden te over van.