Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: de Weihnachtstagung

Antroposofie en karmabewustzijn (9)

  

Een lezer vroeg me onlangs waarom ik het thema van oude en jonge zielen zo belangrijk vind. Ik zette mijn argumenten nog eens op een rijtje. Maar hij vond mijn antwoord te lang, het moest korter en bondiger. Daar moest ik wel even om glimlachen. Hoe vaak krijg je als antroposoof niet de vraag: antroposofie, wat is dat eigenlijk, leg dat eens uit in een paar woorden! Dat lukt natuurlijk niet, en nu vroeg een antroposoof mij exact hetzelfde in verband met het zielenthema! Maar ik begreep hem wel. Als je doordringt tot de essentie van iets, kun je die essentie ook kernachtig formuleren (wat nog niet wil zeggen dat die formulering ook begrepen wordt). Ik kon dat niet. Ik kon niet in een paar woorden zeggen waarom het zielenthema in mijn ogen zo belangrijk is. De kern van de zaak heb ik nog steeds niet te pakken. Maar ik blijf proberen. Eén ding is alvast zeker: ik heb iets met oude en jonge zielen, ik ben er karmisch mee verbonden. Anders (en bondiger) gezegd: ik heb het zielenthema niet gekozen, het zielenthema heeft mij gekozen. 

Ook nu weer. Ik was helemaal niet van plan om opnieuw een reeks beschouwingen aan het zielenthema te wijden. Waarom zou ik ook? Het brengt geen aarde aan de dijk. Maar toen las ik in de biografie van Ludwig Polzer-Höditz (een vuistdik boek dat een bevriend antroposoof me had aangeraden) een zinnetje dat mijn belangstelling weer deed opleven. Het was een uitspraak van Ita Wegman die zei dat de golven van haat die haar na Rudolf Steiners dood overspoelden (en die tot haar afzetting als lid van de Vorstand zouden leiden) niet tegen haar persoonlijk waren gericht maar tegen het karmabewustzijn. Dat trof me, want het betekende dat de krachten die het zielenthema – volgens Rudolf Steiner toch de basis van het karmaonderzoek – verhinderen wortel te schieten in het antroposofische bewustzijn, dezelfde zijn die in de jaren 30 van de vorige eeuw geleid hebben tot de meest beschamende bladzijde in de geschiedenis van de antroposofie (en niet van de antroposofie alleen). 

De muur waar ik steeds weer tegenaan bots bij mijn pogingen om antroposofen warm te maken voor het zielenthema, bestaat dus niet alleen uit onverschilligheid. Er is veel meer in het spel. Ik heb te maken met een tegenstander die blinde haat opwekt en waar zelfs vooraanstaande leerlingen van Rudolf Steiner niet tegen opgewassen waren. Het begint me langzaam te dagen waarom antroposofen met een grote boog om dit thema heenlopen, waarom ze het zelfs zover drijven dat ze zich tegen Rudolf Steiner keren. Karmabewustzijn maakt machtige demonen wakker. Dat had ik me nooit gerealiseerd. Het zielenthema leek me juist zo kinderlijk onschuldig: er bestaan twee soorten antroposofen, ze moeten elkaar leren kennen en ze moeten met elkaar leren samenwerken. Wat kon er eenvoudiger en vanzelfsprekender zijn! Het was een gemeenschappelijk uitgangspunt, een duidelijke richtlijn die voor iedereen gold. Daar kon ik iets mee! Maar blijkbaar dachten de tegenmachten precies hetzelfde …

Dat ene korte zinnetje in dat dikke boek over Ludwig Polzer deed het oude vuur weer oplaaien. Ik begon mezelf vragen te stellen. Waarom heeft het zielenthema mij ‘gekozen’? Waarom kiest het geen andere mensen uit? Wat is er tussen mij en dit thema? Waarom is het voor mij belangrijker dan andere antroposofische thema’s? Zeer persoonlijke vragen allemaal. Maar is het zielenthema niet juist een bovenpersoonlijk thema? Is het volgens Rudolf Steiner niet bedoeld voor alle antroposofen? Of heb ik dat verkeerd begrepen? Heeft mijn persoonlijke relatie met het onderwerp mij wellicht parten gespeeld en heb ik Steiners woorden ‘kreatief’ geïnterpreteerd zonder mij daarvan bewust te zijn? Maar geldt dat niet even goed voor antroposofen die dit thema zorgvuldig vermijden? Waarom zouden ook bij hen geen (onbewuste) persoonlijke motieven meespelen? Ik heb genoeg antroposofen gekend die ervan overtuigd waren zich te laten leiden door bovenpersoonlijke motieven, terwijl het in werkelijkheid omgekeerd was. 

Als er werkelijk zoiets als karma bestaat, dan wordt het leven van een mens bepaald door zaken waarvan hij zich totaal niet bewust is. En dat zijn zeer persoonlijke zaken, want geen twee levens zijn gelijk. Persoonlijker dan karma vind je niet. Je karma leren kennen is de hoogste vorm van zelfkennis, intiemer dan welke zelf-introspectie ook. En toch is dit uiterst persoonlijke karma onlosmakelijk verbonden met het uiterst persoonlijke karma van tal van andere mensen. Karma is een vereffening van oude relaties die gestalte krijgt in nieuwe relaties. Het veronderstelt een netwerk van relaties dat zich zowel in tijd als ruimte uitstrekt tot de hele mensheid, want via via is ieder mens verbonden met alle andere mensen op aarde. Dat maakt karma tot een duizelingwekkend gegeven. Het regelt niet alleen ieder afzonderlijk leven, het stemt al die afzonderlijke levens ook nog eens op elkaar af. Het is met andere woorden zowel persoonlijk als bovenpersoonlijk, en dat in de allerhoogste mate.

Voor de moderne mens, die zijn eigen leven niet eens op orde krijgt en ziet dat ook leiders, regeringen en overheden er een potje van maken, is het bestaan van een dergelijk wereldomspannend ordeningsprincipe volstrekt ongeloofwaardig. Daar zijn ze weer met hun God, denkt hij. Als die God werkelijk bestond, waarom laat hij de zaken dan zo in het honderd lopen! Waar de geërgerde materialist echter geen rekening mee houdt is zijn eigen vrije wil. Zonder die vrije wil zou God de zaken prima kunnen regelen, denk maar aan de natuur. Maar dat wil hij niet. Hij wil dat de mens een vrij wezen wordt en regelt de zaken daarom via het karma. Hij geeft de mens de kans om fouten maken en ze daarna te herstellen. Dat veronderstelt natuurlijk een afwisseling van leven en dood, want als de mens wist wat hem allemaal te wachten stond, zou hij zich nooit vrij kunnen voelen. Om vrijheid mogelijk te maken, is het noodzakelijk dat de mens (bij de geboorte) zijn levensplan ‘vergeet’.

Vroeger geloofde de mens rotsvast in God en onderwierp zich lijdzaam aan diens wil. Om vrij te kunnen worden, moest hij God echter ‘afschaffen’. Dat had tot gevolg dat zijn lijden opeens zinloos werd en daarom veel zwaarder om dragen. Tegen dat zinloze lijden revolteert de mens momenteel zo hevig. De zinloosheid kan hij niet opheffen en dus keert hij zich tegen het lijden zelf, met name tegen de bron van alle lijden: de dualiteit, de diepe kloof die het bestaan in twee deelt. Die wil hij uit de weg ruimen en hij gaat daar zeer ver in. Maar die dualiteit is tevens de grondslag van zijn vrijheid en dus keert hij zich (zonder het te beseffen) tegen zijn eigen vrijheid. Aangezien die vrijheid de zin is van zijn lijden, maakt hij zijn lijden nog zinlozer en ondraaglijker dan het al is en sluit hij zichzelf op in een vicieuze cirkel die hem – letterlijk – tot waanzin drijft. Het wordt met de dag duidelijker: de moderne mens die het recht opeist niet meer gekwetst te worden, verliest langzaam maar zeker zijn verstand.  

Terugkeren naar het oude Godsgeloof kan hij niet en wil hij niet, en dus is er maar één uitweg uit die zelfvernietigende vicieuze cirkel: karmabewustzijn. Zonder dat bewustzijn ervaart de mens zijn lot als iets wat hem van buitenaf wordt opgelegd, door God – of erger nog – door het toeval. Hij spant zich tot het uiterste in om de plaats van God en toeval in te nemen en zijn leven de richting uit te sturen die hij wil, maar hoe meer hij zich inspant, des te minder lukt het. Het gevecht tegen datgene wat hij niet wil, put hem uit en zijn wil begeeft het: hij wil niet meer, hij kan niet meer willen – het droeve lot van de hedendaagse mens. Wordt die uitgeputte, wanhopige mens zich echter bewust van zijn karma, dan begint hij te beseffen dat zijn ongewilde levenslot wel degelijk door hem gewild wordt. Het is niet zomaar een onpersoonlijke, willekeurige kooi waarin hij opgesloten wordt, het is een zeer persoonlijke constructie waar hij zelf voor gekozen heeft. In zijn bewustzijn beginnen het persoonlijke en het bovenpersoonlijke langzaam naar elkaar toe te groeien …

Deze geleidelijke toenadering van de tegenpolen geeft zijn leven een geheel nieuwe zin zonder dat hij beroep moet doen op een God die vanuit onbereikbare hoogten zijn wil oplegt aan de mens en daardoor zijn vrijheid geweld aandoet. De mens die zijn karma leert kennen, ontdekt dat de vrijheid in dat karma ingebakken zit, en wel op twee manieren. Enerzijds heeft hij dat karma (voor zijn geboorte) zelf gevormd, weliswaar met de hulp van (veel verstandiger) geestelijke wezens maar toch met eigen instemming. Anderzijds stelt karma-inzicht hem in staat om nieuw karma te vormen, karma dat later niet hersteld moet worden (omdat het reeds rekening houdt met het bovenpersoonlijke). De paradox is dat de acceptatie van oud karma de wil versterkt en de mens in staat stelt om steeds vrijer te worden. Het omgekeerde – het uitzichtloze gevecht tegen het eigen karma – maakt de mens steeds onvrijer. Geen wonder dat de tegenmachten al hun duivels ontbinden om de ontwikkeling van karmabewustzijn te verhinderen.

Beter dan wie ook weten ze hoe belangrijk dit karmabewustzijn is. Zolang ze het kunnen verhinderen, maakt de mens geen kans. Hij raakt dan steeds meer in hun greep. Begint hij zijn aandacht echter te richten op het karma, dan dreigen ze hun greep te verliezen en slaan ze alarm. Nergens wordt dat zo duidelijk als in de geschiedenis van de antroposofie. Het was Rudolf Steiners levensopdracht om de moderne mens tot karmabewustzijn te brengen, en vanaf het allereerste moment probeerden de tegenmachten dat te verhinderen. Het scheelde niet veel of het pasgeboren kind was doodgebloed. Daarna werd hij in het geboorteregister verkeerdelijk ingeschreven als Adolf Steiner, een wel zeer perfide streek. Toen hij Karl Julius Schröer ontmoette, werd hij ‘gedwongen’ om diens opgave – de ontwikkeling van de antroposofie – over te nemen. Daar moest hij zijn leven aan wijden en pogingen om het te combineren met karmaonderzoek stuitten op onoverkomelijke weerstanden, zowel uiterlijke als innerlijke. 

Toen Rudolf Steiner tijdens de Weihnachtstagung de levenstaak van Schröer afsloot en eindelijk kon beginnen met zijn eigen taak, werd hij ‘als door een zwaardhouw’ getroffen. De tegenmachten wilden en zouden niet toestaan dat hij over karma zou spreken. In een uiterste krachtinspanning kon hij zijn leerlingen echter de basisprincipes van het karma meegeven, en dan vooral de eerste stap: het thema van de oude en de jonge zielen. Hij overwon in extremis de weerstanden waar hij zijn leven lang mee gevochten had, maar na zijn dood barstten ze in alle hevigheid los. Hoe antroposofen toen tekeer gingen tegen Ita Wegman valt alleen te verklaren door haar diepe (karmische) verbondenheid met de Weihnachtstagung en Rudolf Steiners eigen levensopgave. Reactionaire krachten wilden de stap van antroposofie naar karmabewustzijn ongedaan maken. Hoe ongemeen sterk ze waren – en nog altijd zijn – kan worden afgelezen aan het feit dat het zielenthema tot op de huidige dag niet is doorgedrongen tot het antroposofische bewustzijn. 

Wie aan de slag wil met dit elementaire karma-thema krijgt te maken met de dubbelganger van de antroposofie. Als een wachter staat hij aan de drempel van het karmabewustzijn, dat in wezen een geestelijk bewustzijn is, een bewustzijn zoals de mens het ontwikkelt na de dood, aan gene zijde van de drempel. Als antroposoof ben je (karmisch) niet alleen verbonden met het wezen ‘antroposofie’ maar ook met haar dubbelganger. Die dubbelganger is in feite de dekadent en kwaadaardig geworden geest van de oude mysteriën, die een scherpe grens trokken tussen het persoonlijke en het bovenpersoonlijke, het materiële en het geestelijke. Men kreeg alleen toegang tot de mysteriën van de geest wanneer men het eigen Ik aan de kant schoof. Rudolf Steiner heeft daar een eind aan gemaakt door tijdens de Weihnachtstagung de ‘nieuwe mysteriën’ in te stellen, die juist uitgingen van het eigen Ik en het persoonlijke en bovenpersoonlijke tot een onlosmakelijke eenheid smeedden. 

We beseffen nog nauwelijks de impact en draagwijdte van die overgang van oud naar nieuw. Rudolf Steiner was er de man niet naar om dat met veel bombarie te doen. Alles speelde zich af tijdens een van de jaarlijkse kerstbijeenkomsten, en aangezien het Goetheanum was afgebrand vond alles plaats in een schuur. Het was een veelzeggend beeld: de schitterende oude mysteriën waren op rituele wijze in vlammen opgegaan, de nieuwe leken veel eenvoudiger en onaanzienlijker. Ze waren echter op een geheel nieuwe wijze esoterisch: hun spirituele karakter moest ontdekt worden, het was alleen zichtbaar voor het hart. Daarom legde Rudolf Steiner de grondsteen nadrukkelijk ‘in de harten van de aanwezigen’, niet in hun hoofd, want dat was iets van de oude tijd. In de karmavoordrachten die hij daarna hield, legde hij er de nadruk op dat er op een geheel nieuwe manier met de antroposofische inhouden moest worden omgegaan. Dat gold heel in het bijzonder voor het zielenthema: dat kon alleen met het hart worden begrepen.

Zo heb ik het thema van oude en jonge zielen ook altijd ervaren: als een hartsaangelegenheid. Ik wist helemaal niet waarom het me zo aansprak, en eigenlijk weet ik het nog altijd niet. Maar het inzicht groeit. Langzaam begin ik met mijn hoofd te begrijpen wat ik met mijn hart reeds begrijp. Dat is geen vervanging van het ene weten door het andere, maar een samengroeien van hoofd en hart, in wederzijds respect maar wel onder leiding van het hart. Dat is de grote omkering die Rudolf Steiner tijdens de Weihnachtstagung doorvoerde: het hoofd stelt zich ten dienste van het hart. En hij voegde de daad bij het woord. Als hoofd van de (geestelijke) antroposofische beweging had hij altijd zorgvuldig afstand bewaard tot de (menselijke) antroposofische vereniging, maar nu stelde hij zich helemaal ten dienste van dit ‘hart’. Hij werd voorzitter van de vereniging, wat niet betekende dat hij haar ging leiden, maar dat hij de volledige verantwoordelijkheid op zich nam voor alles wat de leden deden (en niet deden). 

Heel wat antroposofen die erbij aanwezig waren, hebben de betekenis van de Weihnachtstagung met hun hart begrepen. Maar daarmee begrepen ze het nog niet met hun hoofd. Dat onbegrip – de kloof tussen hoofd en hart – heeft Rudolf Steiner het leven gekost. Maar dat wist hij. Hij kende de dubbelganger van de antroposofie maar al te goed. Toen hij zich verbond met de vereniging hing zijn lot af van de mate waarin zijn leerlingen in staat waren (via hun persoonlijke dubbelganger) de confrontatie met deze (bovenpersoonlijke) dubbelganger aan te gaan. Ze faalden deerlijk en Rudolf Steiner betaalde (vrijwillig) het gelag met zijn leven. Door deze offerdaad is de verbinding van hoofd en hart die hij belichaamde een geestelijk wezen geworden waarmee iedere antroposoof zich kan verbinden in de mate dat hij de confrontatie met zijn dubbelganger (en daarmee ook de dubbelganger van de antroposofie) aangaat. Dat is en blijft de opgave – het karma – van de antroposofische beweging. Hoe meer ze zich daar bewust van wordt, des te dichter zal ze de essentie van de antroposofische zaak kunnen benaderen.  

Advertenties

Antroposofie en karmabewustzijn (4)

  

Tijdens de lange reeks karmavoordrachten die Rudolf Steiner aan het eind van zijn leven hield, zegt hij op een bepaald moment dat de antroposofie niets anders is dan een voorbereiding op het einde van de 20ste eeuw. Dan moeten platonici en aristotelici onze beschaving de grote geestelijke impuls geven die haar van de ondergang zal redden. Dat is waar het om gaat: de beschaving redden. In het licht van dat grootse doel lijkt de geschiedenis van de antroposofie een aaneenschakeling van louter mislukkingen, en de vraag rijst: hoe kon het zó mislopen met dit reddingsplan? Of beter: hoe had het ooit kunnen slagen? Want het begon al met een valse start: Karl Julius Schröer, de man die de antroposofie moest ontwikkelen, raakte niet uit de startblokken. Hij werd vervangen door Rudolf Steiner, die veel beter toegerust was voor deze taak maar voortijdig stierf. Daarna viel de antroposofische beweging uit elkaar en van de reddende samenwerking tussen platonici en aristotelici kwam niets in huis. 

Het falen van de antroposofie vestigt de aandacht op die andere wereldhistorische mislukking: de kruisdood van Christus. Ook daar begon alles met een valse start. Het oudste Jezuskind, waarin men de langverwachte Messias zag, stierf nog voor hij aan zijn heilstaak kon beginnen. De jongere Jezus nam het dan van hem over, maar kwam voortijdig aan zijn eind, waarna zijn leerlingen in alle windrichtingen werden verstrooid. De gelijkenissen tussen deze twee mislukte reddingsoperaties zijn opvallend, en in beide gevallen speelt de relatie tussen oude en jonge zielen een cruciale rol. Wat er in de tempel gebeurt tussen beide Jezuskinderen, heeft tot gevolg dat Christus uiteindelijk de marteldood zal sterven. Immers, als de joden hadden geweten dat de heilstaak van de oudere Jezus was overgegaan op de jongere Jezus, dan zouden ze nooit hun Messias aan het kruis hebben geslagen. Maar ze wisten het niet en die onwetendheid besliste over leven en dood.

In de antroposofie is het niet anders. Als voldoende antroposofen hadden ingezien dat een jonge ziel (Rudolf Steiner) de levenstaak van een oude ziel (Karl Julius Schröer) had overgenomen, en als ze begrepen hadden dat die ‘overname’ een oerbeeld is van de antroposofie, dan zouden de spanningen tussen beide zielengroepen nooit zo hoog opgelopen zijn dat het Goetheanum er (bij wijze van spreken) door in brand vloog, dan zouden ze nadien Rudolf Steiner niet aan het kruis hebben geslagen, dan zouden na zijn dood de leiders van de jonge zielen niet uit de vereniging zijn gezet, en dan zou ten slotte de samenwerking tussen platonici en aristotelici niet op een mislukking zijn uitgedraaid. Zeker weten kan men dat natuurlijk nooit, maar men kan wel inzien dat de relatie tussen oude en jonge zielen een beslissende rol heeft gespeeld in het hele drama. En die rol vestigt dan weer de aandacht op de gelijkenis met die andere mislukking: het leven en sterven van Christus. 

Juist die gelijkenis doet vermoeden dat de antroposofische ‘mislukking’ net zo onafwendbaar was als de christelijke. Rudolf Steiner onthulde het geheim van de oude en de jonge zielen pas helemaal aan het eind van zijn leven. Dat moet voor zijn toehoorders een flinke schok zijn geweest want ze hadden zich altijd hevig verzet tegen het karma-thema en nu werd het hen ineens op een zeer persoonlijke manier voorgeschoteld. Nog voor ze van de schok bekomen waren, volgde er een tweede: Rudolf Steiner stierf. En er volgde nog een derde: de antroposofische vereniging werd in twee gescheurd. En een vierde: Hitler kwam aan de macht en de tweede wereldoorlog brak uit. De antroposofen kregen eenvoudig niet de kans om het zielenthema te verwerken. Bovendien had slechts een beperkt aantal onder hen de bewuste karmavoordrachten bijgewoond. De meesten wisten van niets en het zou nog tot 1980 duren vooraleer de eerste grondige studie over het onderwerp verscheen: Christussucher und Michaëldiener van Hans Peter van Manen.

Slechts 20 jaar bleven over tot het eind van de 20ste eeuw en de bewustwording van het zielenthema moest nog beginnen. Dat was onbegonnen werk. De enige die het mislukken van de samenwerking tussen platonici en aristotelici had kunnen voorkomen, was Rudolf Steiner zelf. Als hij was blijven leven en evenveel tijd had kunnen besteden aan zijn eigen levenstaak als aan die van Karl Julius Schröer, dan had hij zijn leerlingen misschien kunnen doordringen van het belang van het zielenthema. Misschien. Want de weerstanden waren groot. Maar Rudolf Steiner stierf en met hem stierf ook het antroposofische reddingsplan. Of toch niet? Maakte zijn voortijdige dood wellicht deel uit van het reddingsplan, zoals ook de dood van Christus deel uitmaakte van het heilsplan? Was de dood van Rudolf Steiner met andere woorden geen mislukking maar juist datgene waar het allemaal om draaide? Om daar achter te komen, moeten we de gelijkenis tussen het antroposofische karma en het Christus-karma verder uitdiepen. 

Dat Christus-karma begint in zekere zin bij de 12-jarige Jezus in de tempel. Wanneer het Ik van de oudste Jezus in hem overgaat, wordt het lot van Christus bezegeld: hij zal sterven. Zijn kruisdood is een soort herhaling van wat zich tussen beide Jezuskinderen afspeelt, want op Golgotha gaat het Christus-Ik over in de aarde (en daarmee in de hele mensheid). Maar eerst heeft er nog een andere ‘Ik-verhuizing’ plaatsgevonden: tijdens de doop in de Jordaan gaat het Ik van Christus over in het lichaam van Jezus. Dat zijn drie Ik-verhuizingen, drie variaties op hetzelfde thema. In drie stappen wordt de geboorte van de nieuwe mens en de nieuwe aarde verwezenlijkt: eerst de vereniging van een oude en een jonge ziel, dan de vereniging van deze geheelde mensenziel met Christus, en ten slotte de vereniging van de mensgeworden Christus met de aarde. Het zijn drie metamorfosen van hetzelfde oerbeeld en de eerste begint op menselijk niveau met de vereniging van een oude en een jonge ziel.

Deze eerste ‘menselijke’ metamorfose wordt weerspiegeld in de antroposofie. En opnieuw kunnen we drie stappen onderscheiden. Drie keer verenigen een oude en een jonge ziel zich met elkaar: eerst Karl Julius Schröer en Rudolf Steiner, daarna Marie von Sivers en Rudolf Steiner, en ten slotte Ita Wegman en Rudolf Steiner. Het zijn drie stadia op weg naar de volmaakte eenwording zoals die gerealiseerd wordt door beide Jezuskinderen. Tussen Karl Julius Schröer en Rudolf Steiner wil het nog niet goed lukken: de platoonse ziel is niet in staat de stap te zetten naar de aristotelische wereld. In dat stadium bevindt de antroposofische beweging zich vandaag: ze slaagt er niet in de kloof tussen beide zielenwerelden te overbruggen. Net als Karl Julius Schröer beseft ze niet dat dit haar werkelijke opgave is. Ze is zich niet bewust van haar oude-zielenaard en leeft grotendeels in een platonische ideeënwereld waaruit ze de weg niet vindt naar de moderne werkelijkheid zoals de aristotelicus Rudolf Steiner dat wel kon. 

Ook Marie von Sivers is een oude ziel die zich thuisvoelt in de platonische ideeënwereld. Rudolf Steiner zei ooit van haar dat ze een kosmisch wezen was. Maar anders dan Karl Julius Schröer kan ze zich wel verbinden met de ‘aardse’ Steiner. Het feit dat ze een vrouw is, zal daar wel een rol in gespeeld hebben. 21 jaar lang zal deze zeer spirituele ziel zich ten dienste stellen van Rudolf Steiner en de praktische kant van de antroposofische beweging op zich nemen: ze doet de administratie, houdt de boekhouding bij, organiseert de voordrachten en reizen, verzorgt de uitgave van boeken en voordrachten. Zonder haar zou Rudolf Steiner nooit in staat zijn geweest zijn rol als geestelijk leraar op te nemen en hij was haar daar zeer dankbaar voor. Hij wist wat een offer het voor haar betekende, niet alleen om zich met dergelijke ‘banale’ zaken bezig te houden, maar ook om zich ten dienste te stellen van een man. Reeds in haar Griekse incarnatie als Hypatia was ze immers een sterke, vrijgevochten vrouw.

Marie von Sivers slaagt waar Karl Julius Schröer faalde, en belichaamt op die manier het tweede antroposofische stadium: oude en jonge zielen werken eendrachtig samen. Het derde stadium is echter te hoog gegrepen voor haar. Dat is voorbehouden aan Ita Wegman die aan de zijde van Rudolf Steiner staat wanneer het Goetheanum afbrandt. Marie von Sivers kan die ramp (veelzeggend genoeg) slechts van op afstand gadeslaan, want ze raakt de heuvel niet meer op. Het is mede-lijden met Rudolf Steiner dat Ita Wegman ertoe brengt haar leven in zijn dienst te stellen. Bovendien maakt de schok van de brand haar bewust van de oude karmische band die tussen haar en Rudolf Steiner bestaat. Reeds als Gilgamesj en Enkidu waren ze met elkaar verbonden, en ook in hun incarnatie als Alexander de Grote en Aristoteles werkten ze nauw samen. Dankzij dit karma-bewustzijn kan Ita Wegman de weg openen naar het derde antroposofische stadium, het stadium van de nieuwe mysteriën. 

Deze nieuwe mysteriën zijn Christus-mysteriën. Ze vormen de overgang naar de tweede metamorfose van het christelijke oerbeeld. In het medelijden van Ita Wegman herkennen we reeds iets van het medelijden dat Jezus voelde met de hulpeloze mensheid. De deerniswekkende toestand waarin de oude mysteriën verkeerden, bracht Jezus ertoe zichzelf te openen voor Christus. Op dezelfde manier brengt de aanblik van de zwartgeblakerde resten van het Goetheanum Ita Wegman ertoe haar hart te openen voor Rudolf Steiner en zijn lijden tot het hare te maken. Vanuit dat mede-lijden stelt ze dan de vraag naar de nieuwe mysteriën. Het is deze (Parsifal)vraag die Rudolf Steiner in staat stelt tijdens de Weihnachtstagung de antroposofische vereniging geheel te vernieuwen. Ook de oude vereniging was ontstaan door een vraag, dit keer van Marie von Sivers. 21 jaar eerder had ze Rudolf Steiner gevraagd naar een christelijke versie van de oude mysteriën en die vraag vormde het begin van de antroposofische beweging. 

Karl Julius Schröer vertegenwoordigt de oude, voorchristelijke mysteriën die hij als Plato onderwezen had. Marie von Sivers staat voor de gekerstende en ‘gemoderniseerde’ oude mysteriën, zoals we die terugvinden in de antroposofie van vóór de Weihnachtstagung. Ita Wegman ten slotte vertegenwoordigt de nieuwe mysteriën die rechtstreeks van Christus uitgaan en door Michaël naar de mensen worden gebracht die er wakker voor zijn. Deze drie antroposofische stadia herkennen we (op een hoger niveau) ook in het christelijke heilsgebeuren. De oudste Jezusziel draagt het hele mysterieverleden van de mensheid in zich. Tijdens het gebeuren in de tempel wordt die alomvattende wijsheid verbonden met de alomvattende liefde van de jonge Jezusziel. Maar dat volstaat niet om de wereld te redden. Er is nog een derde factor nodig en dat is Christus. Pas in het samengaan van Jezus en Christus kunnen de mysteriën volledig vernieuwd en verjongd worden. 

Het zielenthema maakt deel uit van die nieuwe mysteriën. De bewustwording van de rol die oude en jonge zielen spelen in het reddingsplan van de mensheid is de eerste prille stap in de uitvoering van dat plan. Het is in wezen een mysteriedaad, net zoals het gebeuren in de tempel toen het ik van de oude Jezusziel overging op de jonge Jezusziel. Maar die oude tempel bestaat niet meer, ook niet in zijn antroposofische versie. Hij moet opnieuw gebouwd worden en de eerste steen wordt gelegd wanneer we gevolg geven aan Rudolf Steiners laatste, dringende oproep om het zielenthema ter harte te nemen. Dit onaanzienlijke, kinderlijk eenvoudige thema is het zaadje waarin de hele (oude) antroposofie vervat zit. Om haar opnieuw tot leven te wekken moet ware aard van dit zaadje herkend worden. Nadenken over oude en jonge zielen, zei Rudolf Steiner, is geen vrijblijvende theorie maar een intensieve toepassing op het leven. Het is een daad, een stap over de drempel van oud naar nieuw. 

Karmaonderzoek (2)

Vanaf februari 1924 houdt Rudolf Steiner een hele reeks voordrachten over algemene karmische wetmatigheden en over het karma van enkele historische figuren.
Eind juni, midzomer, acht hij het moment gekomen om te spreken over de karmische achtergronden van de antroposofen zelf.
Daar waren twee redenen voor.
Ten eerste: de menselijke verhoudingen tussen de antroposofen waren zeer gespannen, en Rudolf Steiner meende dat die spanningen alleen konden worden opgelost wanneer er inzicht ontstond in de spirituele achtergronden van de verschillende groeperingen.
Ten tweede: de tijd was rijp om met betrekking tot karma en reïncarnatie concreet te worden. Steiner had al vaak betoogd dat de antroposofie de praktijk van het leven nodig had om de geldigheid van haar inzichten aan te tonen. Dat gold ook voor het karma-begrip: pas wanneer het praktisch werd toegepast, zou het ingang kunnen vinden in de westerse cultuur.

Rudolf Steiner begint zijn voordracht van 22 juni 1924 (de 27ste karmavoordracht) met een oproep tot ernst.

Wanneer we over karma spreken, kijken we binnen in de diepste achtergronden van het bestaan. Alles wat we zien, alles wat we beleven, de hele werkelijkheid waarin we leven berust op het karma.
Waarom bestaat de kosmos? Waarom zijn er sterren, waarom zijn er wolken? Waarom een zon en een maan? Waarom zijn er dieren, planten en stenen? Waarom zijn er beken, rivieren en stromen? Waarom rotsen en bergen?
Omdat de wereld een voorraadkamer is waaruit de goden putten om het karma zichtbaar te maken.
De hele kosmos staat in dienst van het werk van de hiërarchieën aan de mens.
Zij kiezen uit die eindeloze kosmos wat ieder mens te zien krijgt tijdens zijn leven.
Alles berust dus op het karma, tot zelfs de natuurverschijnselen.

We moeten dan ook een gevoel van verantwoordelijkheid ontwikkelen ten opzichte van de karma-inzichten. We spreken hier immers over de meest esoterische zaken.
Sinds de Weihnachtstagung is dat ook aan de orde.
De Antroposofische Vereniging werd toen volledig heropgericht en vernieuwd.
Alles werd anders.
Er moest op een geheel nieuwe manier worden omgegaan met de antroposofische wijsheid.
De oude gewoonten dienden losgelaten te worden.
Wie dus toegeeft aan jaloersheden en onderlinge rancunes of meent de antroposofie wetenschappelijk te moeten bewerken, kan niet op de juiste manier over het karma nadenken.
Er moet een nieuwe, gemeenschappelijke geest door de hele antroposofische beweging gaan, er moet uit het antroposofische werk een nieuwe esoterische toon spreken.
En die vereist een nieuwe ernst.

Uit deze woorden valt op te maken dat we met de bespreking van het karma, en meer bepaald het karma van de antroposofen, een nieuw gebied betreden dat van ons een nieuwe instelling vraagt.
Het ontsluiten van dit gebied was een geweldig waagstuk.
Toen Steiner besloot de Weihnachtstagung – de kerstbijeenkomst van 1923 – samen te roepen, ging het heel slecht met de Antroposofische Vereniging. Ze verkeerde in een diepe crisis en Steiner stond op het punt de hele zaak op te geven en zich met enkele getrouwen terug te trekken.
Uit wat hij zegt over de ‘oude gewoonten’ kunnen we opmaken dat de vereniging verscheurd werd door luciferische hoogmoed enerzijds en ahrimanisch intellectualisme anderzijds.
Ofwel sloten antroposofen zich op in de ‘esoterie’ en vormden ze kliekjes die zichzelf antroposofischer en spiritueler vonden dan anderen.
Ofwel kozen antroposofen radicaal voor de ‘exoterie’ en ontdeden ze de antroposofie van alle esoterie in een poging haar salonfähig te maken.
Slechts weinigen slaagden erin de kerk in het midden te houden.
Deze tweespalt maakt Steiner radeloos, maar in plaats van deze poel van kleinzieligheid en kleingeestigheid te laten voor wat hij was, ging hij er midden in staan.
Hij maakte zichzelf tot het levende bindmiddel tussen beide extremen.

Steiner wist niet of de geestelijke wereld dit paardenmiddel zou accepteren.
De kans was reëel dat de goden zich van hem af zouden keren, want hij had de oeroude wet overtreden die zei dat esoterie en exoterie streng gescheiden moesten worden gehouden.
Op het overtreden van die wet stond sinds oudsher de doodstraf.
Wie mysteriegeheimen onthulde, en esoterie dus exoterisch maakte, moest sterven.
Maar het was niet de fysieke dood die Steiner vreesde, het was de geestelijke dood waarover hij zich zorgen maakte: de mogelijkheid dat ‘de bronnen van de antroposofie zouden opdrogen’ zoals hij het zelf uitdrukte.
Als de goden zijn ‘wetsovertreding’ niet hadden geduld, dan zou er een eind zijn gekomen aan de antroposofie. Ze zou samen met de vereniging ten gronde zijn gegaan en zijn hele levenswerk zou voor niets zijn geweest.
Dat was het kwellende dilemma waar Steiner toen voor stond: zou hij zich terugtrekken en het antroposofische wijsheidsgoed op de oude esoterische wijze behoeden zodat het niet verloren ging, of zou hij alles in de weegschaal werpen met het risico dat hij alles kwijt zou raken?

Het was niet zomaar een persoonlijk dilemma: Steiner had de antroposofie niet uitgebouwd voor zijn eigen eer en glorie. Wel integendeel, hij had zichzelf helemaal weggecijferd om te kunnen doen wat de wereld nodig had: het bewust leren kennen van de wereld van de geest, het vinden van een uitweg uit het materialisme.
Toen Julius Schroër niet opgewassen bleek tegen die taak, rustte de hele verantwoordelijkheid op de schouders van Rudolf Steiner.
Van hem, en van hem alleen, hing de voortgang van de menselijke bewustzijnsontwikkeling af.
Het was die verpletterende verantwoordelijkheid waarmee Steiner in het crisisjaar 1923 worstelde: er hing ontzettend veel af van wat hij zou doen.
In feite lag het lot van de mensheid in zijn handen.

We kunnen ons geen voorstelling maken van de grenzeloze eenzaamheid van deze man.
Hij werd in de steek gelaten door zijn leerlingen en de geestelijke wereld zweeg.
De goden konden op dit beslissende moment niet ingrijpen zonder de vrijheid van de mens teniet te doen.
Ademloos keken ze toe.
Zou de mens waar maken waar ze hem gedurende aeonen op hadden voorbereid?
Zou er op zijn minst één iemand zijn die – op eigen kracht en uit vrije wil – datgene deed wat moest gebeuren opdat de ontwikkeling van de mens verder zou kunnen gaan?

Die noodzakelijke vrije daad bestond erin dat Rudolf Steiner zich verzette tegen de goden, dat hij De Wet overtrad die ze sinds oeroude tijden hadden ingesteld.
Als esotericus mocht hij zich niet inlaten met een exoterische vereniging.
Hij was dan ook geen lid van de Antroposofische Vereniging die hij zelf had opgericht.
Maar hij zag dat deze vereniging ten gronde ging en dat de antroposofie geen ‘schaal’ meer zou hebben waarin ze bewaard zou kunnen worden.
Ze zou verspild worden, ze zou verdampen en weer ‘ten hemel’ stijgen.
Wat moest hij doen?

Steiner besloot alles op alles te zetten.
Hij maakte zichzelf tot schaal voor de antroposofie.
Tot dan had hij alleen de inhoud verzorgd, het wijsheidsgoed.
Nu nam hij ook de vorm op zich.
Hij verbond zich met de vereniging, hij werd haar voorzitter.
De man die zichzelf tot spreekbuis van de goden had gemaakt en onmetelijke geestelijke schatten op aarde had gebracht, maakte zich nu tot dienstknecht van de mensen.
Hij nam de verantwoordelijkheid op zich voor de meest onbenullige zaken, zoals het ondertekenen van de lidmaatschapskaarten.
Hij maakte zich ook aansprakelijk voor het gedrag van de ruziemakende leden van zijn vereniging.
Hij nam hun zonden op zich.
Hij deed met andere woorden hetzelfde als Christus.

Maar is dat niet juist de grootste blasfemie die een mens kan begaan: denken dat hij Christus kan imiteren? Denken dat hij de wet kan overtreden ‘omdat Christus dat ook gedaan heeft’?
Steiner was in al zijn grootheid nederig genoeg om te beseffen dat hij maar een mens was, dat hij zich kon vergissen, en dat vergissingen op dit niveau enorme gevolgen kunnen hebben.
Hij hield dus de adem in na de Weihnachtstagung, want er stond ontzettend veel op het spel.
Had ooit een mens zoveel verantwoordelijkheid gedragen?
Had ooit een sterveling zo’n zwaarwegende beslissing moeten nemen?

Ik denk dat we in dit licht de verantwoordelijkheid moeten zien waartoe Steiner oproept in deze karmavoordracht.
Er staat veel op het spel.
We moeten ons maar eens proberen voor te stellen wat het zou betekenen voor de wereld als de moderne mens geloofde dat het met de dood niet afgelopen is, en dat alles wat hij in dit leven goed of verkeerd doet, terugkeert in een volgend leven.
Het zou wellicht de Grootste Revolutie ooit zijn.
Spreken over karma mag dus niet licht worden opgevat.
Het vergt eenzelfde soort verantwoordelijkheidszin als Steiner zelf opbracht toen hij de Wet verbrak en esoterie met exoterie verbond.

Hij begint deze 27ste voordracht dan ook met een ietwat intimiderende waarschuwing: niets van wat hij hier zegt mag op een andere manier voor een publiek uitgesproken worden dan door een letterlijke herhaling van zijn woorden.
Een vrije weergave is uitgesloten.
Ieder die het besprokene aan een of ander publiek wil doorgeven, moet eerst toestemming vragen aan Rudolf Steiner zelf.
Dat is even slikken.
Maar Steiner verzacht meteen zijn strengheid.
Alles is in orde, zegt hij, als antroposofen zich ten volle bewust zijn van de moeilijkheden die gepaard gaan met het spreken over karma.
Welke moeilijkheden dat precies zijn, is niet meteen duidelijk.
Steiner spreekt enerzijds over het feit dat men een reeks (karma)voordrachten eigenlijk van begin tot eind zou moeten bijwonen, en anderzijds over kleinzielige gewoonten zoals jaloezie en persoonlijke rancunes.
Hij lijkt daarmee te wijzen op de luciferische en ahrimanische gevaren en op de noodzaak om daartussen het gulden midden te bewaren.
Even later maant hij zijn toehoorders aan om wat hij zegt niet met het verstand te begrijpen maar met het gevoel.
Hij wil dat zijn woorden door het hart worden opgenomen.
Want, zegt hij, wie niet diep wordt aangegrepen door de karmische verbanden die hier ter sprake komen, die kan in geen enkel opzicht karma bestuderen.

Dat klinkt al heel anders dan de eerste strenge waarschuwing.
Die was blijkbaar nog bestemd voor de ‘oude’ antroposofen, de antroposofen die verdeeld waren in (esoterische) denkers en (exoterische) doeners.
Wilden zij over karma spreken, dan moesten ze dat via Rudolf Steiner doen.
Voor de ‘nieuwe’ antroposofen lag dat anders, zij namen de karma-inhouden op in hun hart en beseften heel goed hoe moeilijk het was esoterie en exoterie met elkaar te verbinden.
Steiner maant de antroposofen dus aan om zichzelf te vernieuwen zoals ook de Antroposofische Vereniging sinds de Weihnachtstagung vernieuwd is.
Hij spoort ze aan om de tweespalt tussen denken en doen te overwinnen en zich te concentreren op het midden, op het hart.
Karma is geen intellectuele aangelegenheid en het is evenmin iets wat je zomaar eventjes doet.
Het is iets dat uit het hart moet komen en met de hele ziel moet worden beleefd en begrepen.
Dat is de nieuwe gemeenschappelijke geest die door de antroposofische beweging moet gaan: antroposofie mag geen louter studieonderwerp blijven, maar het mag ook geen louter praktische zaak worden.
Het moet in de eerste plaats een hartsaangelegenheid worden.

Steiner verwijst daarmee ongemerkt naar zichzelf.
Toen hij het besluit nam om de Wet te overtreden en zich persoonlijk te verbinden met de (exoterische) Antroposofische Vereniging deed hij dat niet uit rationele overwegingen. Hij deed het evenmin omwille van de praktische resultaten die hij daarmee zou boeken.
Hij deed het louter uit liefde.
Het was een daad die uit zijn hart opwelde, uit zijn zuivere, onzelfzuchtige hart.
We lezen in de voordrachten die hij na de Weihnachtstagung hield dan ook voortdurend de oproep om vanuit het hart tot het hart te spreken.
Als dat gebeurt, dan spreken we goed.
Ook over het karma, vooral over het karma.

Karma is werkzaam in alles wat mensen meemaken, het gaat alleen schuil achter de uiterlijke gebeurtenissen.
Een biografie vermeldt gewoonlijk alleen deze zichtbare gebeurtenissen.
Zij beschrijft wat er overdag in iemands leven gebeurd is.
Maar ze zegt niks over wat er ’s nachts gebeurd is, als de mens slaapt en in de geestelijke wereld vertoeft.
Dan wordt namelijk het karma gevormd en beleefd.
De nacht is karma-tijd.
Van zodra de mens inslaapt, begint zich meteen karma te vormen.
Alles wat wij beleefd hebben, alles wat wij gedacht hebben, alles wat we aan kwaad of goed gedaan hebben, begint zich om te zetten in de karmische ontwikkelingsstroom.
Zo begint de slaap.
Later duiken we onder in ons vorige leven, en daarna in het leven daarvoor, en zo verder tot helemaal aan ons eerste leven.
Pas dan kunnen we weer wakker worden.
Het vreemde is dat dit ook gebeurt tijdens een kort dutje, bijvoorbeeld wanneer we indommelen tijdens een antroposofische voordracht (het voorbeeld is van Steiner zelf).
In sneltreinvaart doorlopen we dan al onze levens.

Steiner geeft dit als voorbeeld van hoe het karma, ons hele karma, voortdurend aanwezig is, zij het niet bewust.
Hij voegt er een beschouwing bij over het inslapen en ontwaken.
Het bestuderen van wat er dan gebeurt, zegt hij, behoort tot de moeilijkste opgaven van de geesteswetenschap.
En hij beschrijft hoe de mens tijdens het inslapen zijn lichaam via het hoofd verlaat en het bij het ontwaken weer binnenkomt via de handen en de voeten.
Dat gaat heel geleidelijk, in die zin dat de mens pas ’s avonds helemaal in zijn lichaam zit en er pas tegen de morgen helemaal uit is.
Eigenlijk is de mens voortdurend aan het incarneren en excarneren. Het is één doorlopende beweging tussen lichaam en geest, een voortdurend in elkaar overvloeien.

Op die manier zou de biografie van een mens ook moeten geschreven worden: als een onafgebroken door elkaar weven van lichaam en geest, van zichtbaar en onzichtbaar, van toeval en karma.
Zoiets is in onze huidige cultuur alleen maar mogelijk via de stijl, via de manier van beschrijven dus.
Als we bij iedere concrete gebeurtenis zouden vertellen hoe ze samenhangt met het karma van de desbetreffende persoon, dan zou dat een dorre abstractie zijn.
‘Veel mensen, aldus Steiner, zouden waarschijnlijk heel sensationeel vinden, maar het zou werkelijk niet spiritueler zijn dan de kortzichtige biografieën die we tegenwoordig lezen en die geschreven zijn door mensen die geen benul hebben van het karma’

Steiner geeft hier een hint van hoe we het karma moeten benaderen: op een kunstzinnige manier.
Het geeft geen pas dat we concrete gebeurtenissen en hun karmische betekenis naast elkaar zetten: dat is een ahrimanische abstractie.
We moeten die gebeurtenissen zodanig beschrijven dat de karmische draden voelbaar worden.
Hier duikt weer Steiners hoofdbekommernis op: karma moet tot het hart spreken.
Op een andere manier komen we het niet op het spoor.
Wat het hart niet aanspreekt, wat de mens niet diep aangrijpt, zet ons op dwaalsporen.
Ik ken in onze vereniging, zei Steiner ooit, minstens vijf mensen die er allemaal van overtuigd zijn de reïncarnatie van Maria Magdalena te zijn.
Hij stak bij momenten stevig de draak met de luciferische nieuwsgierigheid naar vorige levens of de ahrimanische bekrompenheid waarmee karmische zaken benaderd werden.
Een kunstzinnige benadering is noch intellectualistisch noch egoïstisch.
Ze is in wezen driegeleed.
Ze ziet het zichtbare als een manifestatie van het onzichtbare en maakt de relatie tussen beide zichtbaar.
Haar inhoud is dus concreet, maar haar vorm is geestelijk.
En die inhoud en die vorm worden verenigd tot iets nieuws: een kunstwerk.

Karma is een kunstwerk en zo moet het ook benaderd worden.
Wie een kunstwerk alleen met zijn verstand benadert, ziet doodeenvoudig geen kunstwerk.
Hij ziet alleen de materiële buitenkant en daarin is het karma onzichtbaar.
Pas wanneer we het leven met ons hart bekijken, wordt de kunstzinnige, karmische dimensie ervan zichtbaar.
We mogen het karma dus zeker niet benaderen zoals we hedendaagse kunst benaderen, dat wil zeggen: door ons hart het zwijgen op te leggen en te speculeren over wat het kunstwerk zou kunnen betekenen.
Daar komen we trouwens nooit achter, want Hedendaagse kunst hééft in de regel geen betekenis.
Ze is door en door dualistisch: (geestelijke) inhoud en (materiële) vorm staan volkomen los van elkaar.
Er is geen verbindend element, er is geen hart.
We kunnen deze kunst dan ook niet met ons hart benaderen, dat is veel te pijnlijk.
We komen dan immers tegenover het Niets te staan, niet in zijn negatieve vorm, als de afwezigheid van Iets, maar in zijn positieve vorm, als een actief ver-niet-igende kracht.
Daar deinzen we instinctief voor terug: we sluiten ons hart hermetisch af en vluchten naar ons verstand.
En we weten niet beter of dát is de moderne manier om kunst te benaderen.

Het is verhelderend om die twee eens naast elkaar te plaatsen: de Hedendaagse kunst en de Grote Kunst van het karma.
Groter tegenstelling bestaat er niet.
De Hedendaagse kunst is als het ware de artistieke belichaming van oude tweespalt tussen esoterie en exoterie.
Wanneer Joseph Beuys één van zijn performances houdt, dan is dat een openbaar gebeuren dat gefilmd wordt en de wereld rondgaat. Tegelijk is het echter een onmiskenbaar esoterisch gebeuren, met vreemde sacrale gebaren en rituelen.
Tussen beide loopt evenwel een scherpe grens.
De buitenstaander, die de hele performance bekijkt als een publiek gebeuren en dus deel van het gewone leven, komt nooit achter de esoterische betekenis ervan.
Die blijft voor hem als niet-ingewijde volstrekt ontoegankelijk.
Pas wanneer hij de grens overschrijdt en ingewijd wordt in de antroposofische geheimen die de achtergrond vormen van Beuys’ werk, kan hij de betekenis van de performance doorgronden.
Normaliter zou hij die grens opnieuw in de andere richting moeten (kunnen) overschrijden om de buitenstaanders-die-er-niks-van-begrijpen te helpen zodat ook zij deel kunnen hebben aan de geestelijke rijkdom van Beuys’ kunst.
Maar wat kan hij die buitenstaanders vertellen?
Hij weet (als ex-buitenstaander) hoe de performance er ‘van buiten’ uitziet.
Hij weet (als ingewijde) ook hoe ze er ‘van binnen’ uitziet.
Hij kent met andere woorden materie én geest.
Maar hij heeft geen flauw idee hoe die twee samenhangen.
Dát hebben de ‘ingewijden’ hem niet verteld.
Daar houden ze zich niet mee bezig.
Het verband tussen buiten en binnen, tussen exoterie en esoterie is niet hun zorg.
Zij zijn alleen met de esoterie bezig.
Aan de andere kant van de grens zijn ze alleen met exoterie bezig.
Het verband tussen beide werelden is ook daar geen bekommernis.
En dus is het niémands zorg en drijven beide werelden steeds verder uit elkaar.

Dit is een beschrijving van hoe het er in de Hedendaagse Kunst aan toe gaat.
Helaas is het ook een beschrijving van hoe het er in de antroposofische wereld aan toe gaat.
Geen wonder dat die twee het zo goed met elkaar kunnen vinden: ze weerspiegelen en bevestigen elkaar.
Geen wonder ook dat het karmaonderzoek tot op de dag van vandaag een dode letter blijft.
Door zich met de Hedendaagse Kunst te associëren, door haar geest en haar gebruiken over te nemen, wijst de antroposofische wereld de Weihnachtstagung af.
Ze keert terug naar de Oude Mysteriën en hun strenge scheiding tussen exoterie en esoterie.
Ze wendt zich af van Rudolf Steiner, die in zijn eentje deze grens overschreed en de Nieuwe Mysteriën proclameerde.
Ondanks alle dikke boeken die er over de Weihnachtstagung geschreven zijn, blijven deze Nieuwe Mysteriën onbegrepen.
Ze kunnen dan ook niet met het verstand worden benaderd.
Ze kunnen alleen met het hart worden benaderd, een hart dat zich niet de mond laat snoeren door oude, achterhaalde esoterie, maar dat zichzelf durft te zijn en de wereld benadert zoals hij benaderd wil worden: als een kunstwerk, als een gigantisch karmisch kunstwerk.

Habt doch endlich einmal die Courage
euch den Eindrucken hinzugeben,
euch ergötzen zu lassen,
euch rühren zu lassen,
euch erheben zu lassen,
ja euch belehren und entflammen zu lassen.

(Goethe)

20140923-113356.jpg