Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: de wereld als een kunstwerk zien

1003

   

 
De belangrijkste gebeurtenis van onze tijd is de wederkomst van Christus. De belangrijkste opgave van onze tijd is de bewustwording van die gebeurtenis. Want zonder bewustzijn brengt de wederkomst van Christus het grootst mogelijke onheil over de wereld. Dat zien we nu al honderd jaar gebeuren: nog nooit heeft de wereld zoveel dood, vernietiging en ellende gekend. Tragischer kan het niet: we beleven de wederkomst van Christus – het wezen van de liefde – en dat resulteert in een nooit geziene uitbarsting van haat en geweld. Toch is het volkomen logisch: als het goede verschijnt, moet ook het kwaad verschijnen, anders zou de mens geen vrije keuze hebben. De wederkomst van Christus zou dan het paradijs op aarde brengen en iedereen zou gelukkig zijn. Maar de vraag zou rijzen: kon Christus niet wat eerder gekomen? Waarom liet hij de mensheid zolang in de penarie zitten? Ja, waarom was al die penarie nodig? 

Het lijden van de mensheid heeft slechts zin in het licht van de vrijheid. Zonder het kwaad zouden we ons niet kunnen ontwikkelen tot vrije mensen. Als de wederkomst van Christus niet gepaard ging met de wederkomst van de Antichrist dan zou ze onze moeizaam veroverde vrijheid tenietdoen. De hele mensheidsgeschiedenis zou gereduceerd worden tot een kwalijke grap. Om dezelfde reden kunnen Christus en de Antichrist ook niet duidelijk herkenbaar en gescheiden verschijnen. Niemand kiest immers voor een wezen dat hem haat als hij ook kan kiezen voor een wezen dat hem liefheeft. Van een vrije keuze kan maar sprake zijn als beide geesten moeilijk van elkaar te onderscheiden zijn, als het een inspanning vergt om voor het goede te kiezen. En aangezien het gaat om een extreme tegenstelling – het absoluut goede tegenover het absoluut kwade – moet de keuze extreem moeilijk zijn.  

Dat is alleen mogelijk als Christus en de Antichrist als een eenheid verschijnen. Dat strookt ook met het wezen van Christus: hij is louter liefde, hij wijst het kwaad niet af maar omarmt het. Hij neemt het kwaad in zich op en wordt er één mee. Daarom valt hij zo moeilijk te onderscheiden van de Antichrist. Daarom ook werd hij tweeduizend jaar geleden terechtgesteld als een misdadiger: omdat men in hem de Antichrist zag, een Godslasteraar, iemand die zich uitgaf voor de Messias. En dat gebeurt ook vandaag weer. De wedergekomen Christus wordt opnieuw voor de Antichrist gehouden. Beiden worden verwisseld omdat ze niet onderscheiden worden. Daarom slaat de mensheid Christus opnieuw aan het kruis – dit keer niet op fysiek-materieel vlak, maar op etherisch-geestelijk vlak. 

Bewust worden van Christus’ wederkomst betekent in de eerste plaats: onderscheid maken tussen de echte Christus en de valse. Dat vergt een strijd met de draak, want die wil dat onderscheid juist uitwissen. Daarom moet de strijd met de draak een bewustzijnsstrijd zijn, anders wordt het een strijd tegen Christus in naam van Christus. Deze ‘omgekeerde’ strijd wordt vandaag overal gevoerd: overal laait de verontwaardiging over het kwaad in de wereld hoog op, overal wordt het verwoed bestreden. Het is een ‘heilige’ strijd die gestreden wordt in naam van de meest verheven mensheidsidealen. Daarom is hij ook zo fanatiek, zo vernietigend, zo onmenselijk. Want het is een blinde strijd: we zien niet waartegen we strijden, we strijden zonder onderscheid te maken. Op die manier keert de Antichrist onze blinde liefde voor Christus om tot blinde haat en brengt hij ons ertoe hem met inzet van al onze krachten te bestrijden. En omdat Christus ons eigen diepste wezen is, is deze ‘heilige’ strijd een strijd tegen onszelf, een zelfvernietigende strijd. 

Alleen door onderscheid te maken tussen Christus en de Antichrist kunnen we voorkomen dat de mensheid een strijd van allen-tegen-allen ontketent. Maar hoe is dat mogelijk als we geen geestelijke wezens kunnen waarnemen? Zeker, we hebben de antroposofie, waarin Rudolf Steiner een uitgebreid beeld schetst van de geestelijke wereld. Maar zolang we die wereld niet kunnen waarnemen, blijft de geesteswetenschap abstract en theoretisch. Ze helpt ons nauwelijks om onderscheid te maken tussen goed en kwaad in een wereld die steeds ingewikkelder en steeds chaotischer wordt. We mogen niet vergeten dat nogal wat antroposofen zich destijds hebben laten misleiden door het nazisme. Hoe onwaarschijnlijk het ook klinkt, ze zagen geen wezenlijk verschil tussen Steiner en Hitler. Hun enthousiasme voor de eerste plantten ze gewoon over op de tweede. Ook vandaag zijn er heel wat antroposofen die met veel sympathie spreken over de islam en hun ogen sluiten voor de antichristelijke geest die er werkzaam in is. Er zijn er zelfs die zich tot de islam bekeren …  

Nee, de geesteswetenschap is geen garantie voor een duidelijk onderscheid tussen Christus en de Antichrist. Dat wordt ze pas als we haar verbinden met de kunst, want de kunst is in onze tijd de enige manier waarop we nog tot een echte waarneming van de geestelijke wereld kunnen komen. De religie biedt die mogelijkheid niet meer. Haar plaats is ingenomen door de kunst. Zij is vandaag onze navelstreng met de geestelijke wereld. Zonder haar kunnen we geen mens meer blijven. We staan er zelden bij stil, maar we zouden niet meer kunnen leven zonder muziek, zonder beelden, zonder teksten, zonder kunst in al haar vormen. We zouden doodeenvoudig gek worden. De zielepijn om te moeten leven in een louter materiële wereld, zonder enig contact met de geest, zou zo ondraaglijk worden dat hij alleen nog met grof geweld verdoofd kon worden. Zonder kunst worden we regelrecht in de armen van de Antichrist gedreven, en de antroposofie kan ons daar niet van weerhouden. 

Daarom richt de Antichrist zijn meest vernietigende pijlen niet op de antroposofie maar op de kunst. Nergens ontbindt hij zo zijn duivels, nergens oefent hij zoveel macht uit. Het is beslist geen toeval dat in de moderne islam kunst verboden wordt. Zelfs vrouwen mogen zich niet meer mooi maken. Deze vrouwelijke behoefte is dan ook een oervorm van kunst, ze is een herinnering aan hoe de mens als ziel ‘gekleed’ was in de geestelijke wereld. Door vrouwen te dwingen zich te hullen in zwarte sluiers en gewaden, verraadt de islam zijn materialistische karakter. Het feit dat het Westen zich daar nauwelijks aan stoort en dit soort praktijken zelfs verdedigt, geeft aan dat ook hier de Antichrist zijn anti-kunstzinnige werk grondig gedaan heeft. Hij heeft de moderne mens zo ongevoelig gemaakt voor het kunstzinnige dat hij geen verschil meer ziet tussen kunst en anti-kunst. 

De Antichrist weet heel goed dat hij alleen ontmaskerd kan worden door een kunstzinnig onderscheidingsvermogen. Met zijn gewone verstand heeft de mens immers geen toegang meer tot de wereld van de geest, hij is er volkomen blind voor geworden. Hij merkt dus niet dat de geest steeds meer doordringt in de materiële wereld en deze kunstzinniger maakt. Hij beseft ook niet dat wie blind is voor de kunst ook blind voor de moderne werkelijkheid. En dat is precies wat de Antichrist wil: een blinde mensheid die hulpeloos rondtast in een duistere wereld waar ze geen verschil meer ziet tussen goed en kwaad. Zo’n mensheid heeft hij reeds gecreëerd in de wereld van de kunst en zo’n mensheid creëert hij nu ook daarbuiten. Hij hoeft daar zelfs niks voor te doen, want hoe verder de impuls van de wedergekomen Christus zich uitbreidt, des te meer wordt de wereld een kunstwerk en des te blinder wordt de mens. Hij hoeft er alleen voor te zorgen dat de mens geen onderscheid maakt op kunstzinnig vlak en dat hij gewoon doorgaat om alles als kunst te zien.

Onder impuls van Christus gaat de mens de wereld steeds meer als een kunstwerk zien. Daardoor wordt hij zelf ook meer en meer kunstenaar. Dat ligt in de lijn van de evolutie, daar kan zelfs de Antichrist niks aan veranderen. Maar hij kan er wel voor zorgen dat deze evolutie niet doordringt tot het bewustzijn van de mens. Daardoor wordt die mens tot een blinde kunstenaar die niet beseft dat zijn scheppen een vernietigen is geworden. Het is alsof je een schilder zou blinddoeken en zeggen: ga nu maar je gang! Het resultaat zou beslist heel ‘modern’ zijn. De moderne kunst is een kunst gemaakt door blinde kunstenaars, door mensen die werken met nieuwe (door Christus geïnspireerde) scheppingskrachten maar met een oud (door Ahriman geïnspireerd) bewustzijn. Het resultaat is een onoverzienbare chaos, een chaos die zich nu ook buiten de kunstwereld verspreidt. Want de kunst bootst niet langer de werkelijkheid na, de werkelijkheid bootst de kunst na. In de hedendaagse kunstwereld zien we dus wat ons te wachten staat als we niet wakker worden, als we geen nieuw, kunstzinnig bewustzijn ontwikkelen. 

Het is dat michaëlisch bewustzijn dat Rudolf Steiner ontwikkeld heeft. Hij was de eerste die met zijn heldere, rationele bewustzijn doordrong tot de bron van de scheppende krachten in de mens, tot het Christuswezen dat hij onbewust begint waar te nemen. Daardoor werd hij de Johannes de Doper van onze tijd, de verkondiger van de wederkomst van Christus. Maar hij deed dat niet op de oude, religieuze manier, hij deed dat op een eigentijdse wetenschappelijke manier. Daarom noemde hij zijn antroposofie ook een geesteswetenschap. Zij verschilt niet wezenlijk van de moderne wetenschap, want zij heeft dezelfde inhoud: de waarheid. Maar zij heeft wel een andere vorm omdat zij de waarheid niet enkel in de materie ziet. Zij ziet de waarheid als een levend wezen dat de afgelopen 2000 jaar werkzaam is geweest in de materie, maar nu haar werkterrein verruimd heeft tot de etherische sfeer. Om de waarheid ook in haar etherische gedaante te kunnen bestuderen, moet de wetenschap een kunstzinnige vorm aannemen: zij moet tot een kunst worden. 

Daarom heeft Rudolf Steiner zijn antroposofie ontwikkeld in nauwe relatie tot de kunst. Hij baseerde haar op een kunstenaar die tevens wetenschapper was: Goethe. Zelf was hij een zuivere wetenschapper, maar hij hing wel voortdurend rond in kunstenaarsmilieus. Toen hij in 1907 het theosofische congres in München moest organiseren, deed hij dat uitdrukkelijk in het teken van de kunst. Van meet af aan associeerde hij wetenschap met kunst en de antroposofie is dan ook ondenkbaar zonder de kunst. Neem de kunst weg uit een steinerschool en je hebt geen steinerschool meer. Dat geldt ook voor de andere antroposofische werkgebieden: als zij niet kunstzinnig zijn, zijn ze niet antroposofisch. Kunst en antroposofie kunnen eenvoudig niet gescheiden worden, ze zijn één ondeelbaar geheel. 

Wetenschap kun je uitleggen, kunst niet. Kunst moet je doen. Antroposofie kun je uitleggen, maar dan heb je slechts de halve antroposofie. En eigenlijk heb je dan helemaal géén antroposofie, want antroposofie zonder kunst is geen antroposofie. Het is antroposofie-in-potentie: ze moet nog gerealiseerd worden, ze moet nog tot kunst worden gemaakt. Antroposofie is in feite een twee-componentenlijm: ze werkt pas als beide componenten – wetenschap en kunst – met elkaar verbonden worden. Los van elkaar stellen ze niets voor. Als wetenschap is de antroposofie een verzameling van vreemde abstracte begrippen en gedachten waar een modern mens niks kan (of wil) mee aanvangen. Als kunst is de antroposofie … onzichtbaar. Want alle kunst is in wezen antroposofisch, ze heeft dezelfde inhoud als de antroposofie, namelijk Christus. Maar dat wordt niet waargenomen, althans niet bewust. 

Christus is de inhoud van zowel de antroposofie als de kunst, maar hij wordt gescheiden waargenomen: in de (geestes)wetenschap door het verstand, in de kunst door het gevoel. In beide gevallen zien we maar één aspect van Christus, wat betekent dat we hem eigenlijk niet zien. Als een levende werkelijkheid wordt hij pas zichtbaar wanneer – en in de mate dat – we antroposofie en kunst met elkaar verbinden. Dat is uiteindelijk het doel van de antroposofie: Christus zien – en daardoor ook Christus worden. Daarom moet de antroposofie een kunst worden, en dat is iets wat Rudolf Steiner niet voor ons kan doen, dat moeten we zelf doen. 

Maar Feind hört mit. De Antichrist wil niet dat we Christus zien, want dan zien we ook hem en dan verliest hij zijn macht over ons. Hij zal er dus alles aan doen om kunst en antroposofie gescheiden te houden. Dat plaatst hem echter voor een probleem: Rudolf Steiner heeft de kunst vast verankerd in de antroposofie. Denken we maar aan Goethe, Schiller, Rafaël, Novalis: allemaal kunstenaars die in de antroposofie een richtinggevende, ja zelfs leidende rol spelen. Denken we maar aan het kunstzinnige karakter van de steinerpedagogie en de andere antroposofische werkgebieden. Nee, de Antichrist kan de antroposofie nooit losmaken van de kunst. Maar hij kan wel iets anders doen: hij kan een nieuwe kunst creëren, een antichristelijke kunst die hij stiekem in plaats van de oude, christelijke kunst stelt. Op die manier kan hij de antroposofie in haar tegendeel keren zonder dat iemand het merkt. 

En dat heeft hij inderdaad gedaan. Op hetzelfde moment dat Rudolf Steiner een ‘nieuwe wetenschap’ introduceert, creëert de Antichrist een ‘nieuwe kunst’. In plaats van tekeningen, schilderijen en beeldhouwwerken presenteert hij pispotten, conservenblikken en bananenschillen. Het is zo’n brutale omslag dat iedereen met verstomming is geslagen. Maar in feite is het niet ‘krankzinniger’ dan wat Rudolf Steiner doet, want hij baseert zijn wetenschap niet op atomen en elementaire deeltjes, maar op engelen en geestelijke wezens. Een grotere ommekeer is niet mogelijk. Maar langzaam went de moderne mens aan zowel de nieuwe wetenschap als de nieuwe kunst. En de Antichrist bereikt zijn doel: 100 jaar na het congres van München hernieuwt de antroposofie haar verbintenis met de kunst, maar dit keer niet met de ‘oude’ christelijke kunst. Ze treedt in het huwelijk met de nieuwe, antichristelijke kunst en dat wordt feestelijk gevierd door het Goetheanum vol te strooien met … verdroogde bananenschillen. 

Het meest tragische aspect van deze ‘hernieuwing van de trouwbeloften’ is dat niemand gemerkt heeft dat de bruid verwisseld werd. De madonna van Rafaël werd symbolisch vervangen door bananenschillen en niemand gaf een kik. Integendeel, het enthousiasme was groot en is sindsdien alleen maar toegenomen. De ene prestigieuze kunsttentoonstelling volgt de andere op: allemaal ‘hedendaagse kunst door Rudolf Steiner geïnspireerd’. In alle antroposofische tijdschriften wordt de lof gezongen van deze opening naar de wereld van onze tijd. En wee degene die de wittebroodsweken zou durven verstoren! Dat kan alleen maar iemand zijn die de verbinding van kunst en antroposofie wil verhinderen, iemand die geïnspireerd wordt door … de Antichrist. Ja, het wekt onwillekeurig bewondering om te zien hoe de Antichrist erin geslaagd is antroposofen niet alleen de mond te snoeren, maar hen zelfs tot enthousiaste volgelingen te maken. Dat is een kunststuk waar je mond van openvalt. 

 Is de Antichrist dan zo’n groot kunstenaar? Neen, dat is hij niet. Maat hij beschikt enerzijds over een geniaal (ahrimanisch) intellect en anderzijds over een dierlijk (luciferisch) instinct waarmee hij feilloos de zwakke plek van zijn tegenstander weet te vinden. Hij weet dat Jeder Mensch ein Künstler is geworden en hij weet ook hoe hij daar gebruik kan van maken. Zelf beschikt hij niet over scheppingskrachten, maar hij weet wel hoe hij ze moet omkeren in vernietigingskrachten. En dat is wat hij doet. Door toedoen van Ahriman had de scheppingskracht van de mens zich teruggetrokken in de kunstwereld, door toedoen van de wedergekomen Christus heeft ze zich daaruit bevrijd en is ze als het ware in de werkelijkheid geboren. Het is van dit ‘kind’ dat de Antichrist zich meester heeft gemaakt en dat hij omgekeerd heeft tot de grootste vernietigende kracht die de mensheid ooit gezien heeft. 

Zolang we dat ‘scheppende kind’ niet bevrijden uit de klauwen van de Antichrist zal het blijven groeien en steeds grotere ravages aanrichten. Want het weet niet wat het doet, het verkeert in de overtuiging dat het zijn moeder, de mensheid, dient. En die moeder kan op haar beurt niet anders dan haar kind liefhebben, wat het ook doet. Daarom heeft de mensheid vóór alles behoefte aan een ‘vader’, dat wil zeggen aan een scherp onderscheidend bewustzijn dat licht brengt in de ‘wereld van de moeders’, in de scheppende krachten van de etherische wereld. Niets hebben we meer nodig dan een michaëlisch bewustzijn dat de strijd met de draak aangaat, niet om die draak te overwinnen, laat staan uit te roeien, maar om hem zijn goud te ontfutselen, zijn inzicht in de scheppende krachten van de mens. Want het is dankzij dat inzicht dat hij erin slaagt die scheppende krachten tegen zichzelf te keren. De strijd met de draak is de strijd om zijn inzicht, want juist omdat hij als Antichrist tegenover Christus staat, kent hij Christus beter dan wie ook. 

1002

  
Volgens Rudolf Steiner is de wederkomst van Christus de belangrijkste gebeurtenis van onze tijd, een gebeurtenis die onder geen beding onopgemerkt voorbij mag gaan, want dat zou het grootst mogelijke onheil over de wereld brengen. De moderne mens is zich echter totaal niet bewust van die wederkomst. Zelfs in de christelijke kerken wordt er met geen woord over gesproken. Alleen de antroposofen houden het vuur brandende, het vuur van het Christusbewustzijn. Daarmee vervullen ze volgens Rudolf Steiner ‘de belangrijkste mensheidstaak voor de toekomst’. Zonder hoogmoedig te worden, zegt hij, moeten ze zich realiseren hoe groot het verschil is tussen mensen die zich langzaam inleven in de geestelijke wereld en mensen die geen flauw benul hebben van geestelijke zaken en dat ook niet willen hebben. 

Buitenstaanders halen natuurlijk de schouders op wanneer ze zoiets horen. Wie denken die antroposofen wel dat ze zijn! Maar wie ziet aan welke verwarring het moderne bewustzijn ten prooi is en daar ook de oorzaak van begrijpt, beseft steeds beter dat er geen andere remedie bestaat dan wat de antroposofie doet: de groeiende helderziendheid van de moderne mens doordringen met bewustzijn. En dat betekent in de eerste plaats: onderscheid maken tussen Christus en de Antichrist, tussen de geestelijke boven- en onderwereld. Daarom ook is de leidende geest van de antroposofie Michaël, de aartsengel wiens naam een vraag is: wie is als God?

Michaël wordt wel eens ‘het aangezicht van Christus’ genoemd. Hij is degene aan wie we Christus kunnen herkennen. Dat laatste vergt een strijd met de draak, want dat is waar Michaël voor staat. Christus herkennen betekent: de confrontatie met het kwaad aangaan. Deze confrontatie is volgens Rudolf Steiner dan ook de belangrijkste opgave van het bewustzijnszieletijdperk, het tijdperk waarin we nu leven. Hij spreekt daarbij niet over het (vandaag zo populaire) uitroeien van het kwaad, en zelfs niet over het overwinnen ervan. Onze taak bestaat er eenvoudig in het kwaad te herkennen, het te ‘ontmaskeren’. Bewust worden van Christus betekent dus hetzelfde als bewust worden van de draak of de Antichrist. Het is één en dezelfde opgave. De één ontmaskeren is de ander herkennen. Het onderscheiden van beide tegengestelde geesten is de ‘belangrijkste mensheidstaak’ waarover Rudolf Steiner sprak. Het is de michaëlische vraag stellen: wie – van beide – is als God?

Vreemde gedachte is dat! Hoe zouden we ooit de draak als God kunnen zien! Een groter verschil dan tussen Christus en de Antichrist is toch niet denkbaar! Maar we vergeten dat het hier om geestelijke wezens gaat en dat we geen geestelijke wezens kunnen waarnemen. Hoe extreem verschillend ze op geestelijk vlak ook zijn – het absoluut goede tegenover het absoluut kwade – op materieel vlak zijn ze heel moeilijk van elkaar te onderscheiden, zeker in onze tijd. Denken we maar aan een fenomeen als de politieke correctheid. Mensen die daardoor gegrepen zijn twijfelen er niet aan dat ze het goede belichamen. Wie het niet met hen eens is belichaamt in hun ogen het kwaad, en ze voelen zich moreel verplicht dat kwaad te bestrijden. De manier waarop ze dat doen is echter allesbehalve michaëlisch: ze beschuldigen, demoniseren, excommuniceren, broodroven en bestraffen. Ze gedragen zich met andere woorden als … draken. Op die manier illustreren ze dat goed en kwaad in onze tijd zodanig met elkaar vervlochten zijn dat ze nauwelijks nog te onderscheiden zijn. Ja, juist hun onontwarbaarheid is het grootste kwaad geworden.

De strijd met het kwaad aangaan – de echte michaëlische strijd – betekent in onze tijd: goed en kwaad ontwarren, ze van elkaar onderscheiden. En dat is niet langer mogelijk zonder bewust door te dringen in de geestelijke dimensie van de werkelijkheid. Onze moraliteit dringt slechts gevoelsmatig in deze dimensie door en dat volstaat niet meer. We worden hoe langer hoe meer in een moreel labyrint gelokt en de enige manier om niet helemaal het spoor bijster te raken, is door aan geesteswetenschap doen, dat wil zeggen, door op wetenschappelijke wijze door te dringen in de wereld van de geest. Maar deze wetenschappelijke wijze moet tegelijk een kunstzinnige wijze zijn, want we kunnen de methoden van de materialistische wetenschap niet zomaar toepassen op de geestelijke wereld. Met name de etherische dimensie (waar Christus zich vandaag manifesteert) blijft voor ons een gesloten boek als we haar niet op kunstzinnige wijze benaderen. De etherische wereld is in hoge mate kunstzinnig van aard en het gelijke laat zich alleen door het gelijke kennen. 

Als we morele – en dus menselijke – wezens willen blijven, dan moeten we de wereld als een kunstwerk leren zien, niet onbewust en instinctief zoals we dat nu doen, maar bewust en wetenschappelijk. Wat betekent dat echter? Hoe kunnen we een kunstwerk wetenschappelijk benaderen? Alleszins niet met de methoden van de materialistische wetenschap. Want hoewel een kunstwerk altijd materieel is – geen kunst zonder materie – is datgene wat het tot kunst maakt – en het dus onderscheidt van materie die géén kunst is – geestelijk van aard. Het kan op geen enkele manier gemeten, gewogen, berekend of bewezen worden. Het kan alleen waargenomen worden. Maar niet door ons gewone rationele bewustzijn. Als we kunst willen waarnemen dan moeten we overschakelen op een ander bewustzijn, een droombewustzijn. En hier ligt het probleem: we kunnen niet tegelijk wakker zijn en dromen. We kunnen niet aan wetenschap doen wanneer we ons verstand moeten uitschakelen. 

De gewone werkelijkheid is in onze moderne, dualistische ogen ofwel materieel ofwel geestelijk. De materiële werkelijkheid bestuderen we in de natuurwetenschap, de geestelijke werkelijkheid in de filosofie. Maar we bestuderen nooit beide samen, want we kunnen onze aandacht niet tegelijk naar buiten (op de materie) en naar binnen (op de geest) richten. Het is het één of het ander. In de kunst is het echter beide tegelijk. Wat de kunst uniek maakt is dat ze zowel materieel als geestelijk is. Materie en geest zijn in de kunst onlosmakelijk met elkaar verbonden, ze kunnen niet afzonderlijk bestudeerd worden. Ofwel bestuderen we beide tegelijk ofwel bestuderen we helemaal geen kunst. Deze kunstzinnige eenheid van geest en materie kunnen we echter alleen waarnemen met ons droombewustzijn. Voor ons wakkere bewustzijn – dat we nodig hebben om aan wetenschap te doen – verdwijnt (onze waarneming van) kunst als sneeuw voor de zon en valt er niks meer te bestuderen. Juist onze wetenschappelijke instelling maakt ons blind voor de kunst. En dus rijst de vraag of het überhaupt wel mogelijk is om kunst wetenschappelijk te benaderen. 

Dat is een cruciale vraag, want van het antwoord hangt de toekomst van onze moraliteit, en dus ook van onze menselijkheid af. Als we kunst niet wetenschappelijk kunnen benaderen, dan zal het steeds moeilijker worden om goed en kwaad nog te onderscheiden. We zullen langzaam verdrinken in een zee van emoties en elkaar naar het leven staan in de overtuiging dat we het goede doen en het kwade bestrijden. We hoeven niet ver te kijken om ons te beseffen dat deze ‘demoralisering’ reeds volop aan de gang is. Reden genoeg dus om ons ernstig af te vragen of – hoe – het droombewustzijn (dat voorwaarde is om kunst waar te nemen) verzoend kan worden met een wakker wetenschappelijk bewustzijn. Is het met andere woorden mogelijk om wakker te dromen? 

Naar kunst kijken we anders dan naar de gewone werkelijkheid. Als we een museum bezoeken schakelen we automatisch over naar een droombewustzijn. Doen we dat niet, dan is het alsof we een grafkelder betreden, gevuld met voorwerpen die voor levende mensen geen enkele betekenis hebben. Hier wakker rondlopen, is een akelige ervaring. Je kunt het vergelijken met ‘wakker’ worden tijdens een film. Het overkomt ons wel eens dat we in de bioscoop zitten en dat de film ons niet meer kan boeien. We kijken dan om ons heen en zien ons omringd door allemaal zombies die in het donker bewegingloos naar een muur zitten te staren waarop schaduwen bewegen. Het is zo’n spookachtig tafereel dat we meteen weer overschakelen naar ons droombewustzijn en ‘onderduiken’ in de film. Nee, het is beslist geen aangename ervaring om volkomen wakker naar kunst te kijken. 

Het omgekeerde is natuurlijk ook waar. Het overkomt ons in de gewone werkelijkheid wel eens dat we beginnen te dromen, dat we even ‘weg’ zijn. Als dat gebeurt wanneer we in de auto zitten of de straat oversteken, dan kan het een akelige ervaring worden die ons – letterlijk in dit geval – in een dodenwereld terecht doet komen. Daarom zijn beide werelden – de kunstwereld en de gewone werkelijkheid – zorgvuldig van elkaar gescheiden. We kunnen de grens tussen kunst en werkelijkheid nooit onbewust overschrijden. Kunstwerken hebben namelijk een welbepaalde vorm: schilderijen, beeldhouwwerken, muziek, toneel, boeken, enzovoort. Daarbij hoort ook een heel duidelijke ‘omkadering’: de lijsten waarin de schilderijen zitten, de musea waarin ze hangen, de concertzalen waarin de muziek gespeeld wordt, de theaters waarin toneelopvoeringen plaatsvinden. Het zijn evenzovele ‘drempels’ die ons herinneren aan het onderscheid tussen kunst en werkelijkheid, en ervoor zorgen dat we telkens van bewustzijn veranderen. 

De wederkomst van Christus heeft het onderscheid tussen fictie en werkelijkheid echter doen vervagen. De kunst is als het ware buiten haar oevers getreden. Net als Christus heeft ze grens tussen de fysieke en de etherische wereld overschreden. Ze heeft zich bevrijd uit haar fysieke vormen – als een vlinder uit zijn cocon – en is een etherische eigenschap geworden. Ofschoon die etherische eigenschap zelf in hoge mate ongrijpbaar is, komt haar bevrijding op verschillende manieren tot uiting. Bijvoorbeeld: kunst was vroeger slechts toegankelijk voor heel weinig mensen. Vandaag heeft iedereen toegang tot kunst. Art is everywhere. Een museum was vroeger een soort gewijde tempel. Vandaag is het een drukke marktplaats geworden. Je vond er vroeger alleen klassieke kunstwerken, vandaag tref je er pispotten, conservenblikken en andere gewone voorwerpen aan. Enzovoort.

De werkelijkheid is met andere woorden in de kunstwereld binnengedrongen, maar de kunst is ook doorgedrongen in de werkelijkheid. Je treft ze vandaag op alle mogelijke openbare en niet openbare plaatsen aan. Fictie en werkelijkheid zijn in elkaar doorgedrongen en hebben zich met elkaar vermengd. De grens tussen beide valt steeds moeilijker waar te nemen. En we spreken hier nog maar alleen over de oude, fysieke grens. De etherische grens tussen fictie en werkelijkheid is helemáál onzichtbaar. We weten niet eens dat ze bestaat. Beide werelden vallen hier volkomen samen. Er wordt geen enkel onderscheid gemaakt tussen kunst en werkelijkheid, met als gevolg dat de kunst niet wordt waargenomen. We zien een louter materiële wereld en hebben er geen flauw idee van dat we die wereld als een kunstwerk zien. In ons (wakkere) bewustzijn is het alsof er niets gebeurd is, alsof alles bij het oude is gebleven. Anders gezegd: de wederkomst van Christus – zoals ze weerspiegeld wordt in de kunst – gaat volkomen aan ons voorbij. 

Maar ze gaat beslist niet voorbij aan ons onderbewustzijn. Daar dringt Christus diep in door en hij doet ons de wereld (onbewust) als een kunstwerk zien. Maar die wereld is – op materieel vlak – helemaal (nog) geen kunstwerk, wel integendeel. Het is een anti-kunstwerk: lelijk, chaotisch, lawaaierig, ziek, decadent, gewelddadig. Het is een wereld die pijn doet aan de ogen, die ons hart doet bloeden en ons met diepe schaamte vervult. Het is een wereld die we in korte tijd herschapen hebben tot een gigantische vuilnisbelt. En uitgerekend die stinkende vuilnisbelt gaan we in toemende mate als … een kunstwerk zien. Dat is de grote tragedie van onze tijd: de wederkomst van Christus brengt ons ertoe om het slechte als het goede te zien. De vreugde die we vroeger aan het ware, het schone en het goede beleefden, die gaan we nu langzaam maar zeker aan de leugen, de lelijkheid en het kwaad beleven. Dat zien we reeds duidelijk weerspiegeld in de hedendaagse kunstwereld waar ontwikkelde, beschaafde mensen vol bewondering en enthousiasme kijken naar … afval. 

De wederkomst van Christus zou het meest verheugende nieuws moeten zijn dat de mensheid in eeuwen heeft gekregen. In plaats daarvan is ze uitgegroeid tot de grootste nachtmerrie die de mensheid ooit heeft meegemaakt. Ze heeft het grootst mogelijke onheil over de wereld gebracht en dat onheil zal niet ophouden zolang we ons niet bewust worden van die wederkomst. Rudolf Steiner heeft het meer dan eens gezegd: wat we nodig hebben is niet Christus, maar bewustzijn van Christus. Wat hij daarmee bedoelde, wordt met de dag duidelijker. Zolang we geen bewustzijn ontwikkelen voor Christus, zal zijn wederkomst in haar tegendeel keren: ze zal een wederkomst van de Antichrist worden. We zullen ons steeds sterker aangetrokken voelen tot alles wat antichristelijk is. We zullen tot manicheïstische karikaturen worden: mensen die het kwaad liefhebben, niet om het ten goede te keren, maar omdat ze in de overtuiging leven dat het (reeds) het goede is. We zullen met andere woorden tot ‘omgekeerde’ mensen worden die het kwaad liefhebben en het goede haten.   

Het klinkt allemaal behoorlijk apocalyptisch, maar wanneer we kijken naar de situatie in onze 21ste eeuwse wereld dan kunnen we moeilijk ontkennen dat het realiteit is. Het kwaad komt steeds dichterbij. Het lijkt van buitenaf op ons toe te komen, maar dat is slechts de weerspiegeling van het kwaad dat in onszelf leeft. En dat kwaad is ons gebrek aan Christusbewustzijn, ons gebrek aan onderscheidingsvermogen. We zien de wereld als een kunstwerk, maar we doen dat niet bewust. We maken geen onderscheid tussen wat kunst is en wat geen kunst is. We gooien alles op één hoop. Daar ligt onze opgave: in het onderscheiden. Daar ligt ook onze vrijheid. De wederkomst van Christus zou onze vrijheid tenietdoen als ze tot ons bewustzijn doordrong. We zouden dan geen andere keuze hebben dan christelijk te worden. Nu hebben we die keuze wel, we hebben de keuze tussen Christus en de Antichrist, en het is een buitengewoon moeilijke keuze. Dringen we vrijwillig en bewust door in de etherische sfeer waar Christus zich manifesteert of doen we dat niet? That is the question waar het vandaag allemaal om draait. Dat is de belangrijkste mensheidstaak. 

1001

  

In mijn vorige blogbericht – het duizendste – kwam ik tot de verrassende conclusie dat … iedereen de wereld als een kunstwerk ziet. En ik maar denken dat ik de enige was! Hoe heb ik daar zolang naast kunnen kijken? Natúúrlijk ziet de moderne mens de wereld als een kunstwerk! Waarom zou hij het anders normaal vinden dat je in musea naast tekeningen, schilderijen en beeldhouwwerken nu ook pispotten, bananenschillen en gebruikte condooms aantreft? En waarom zou hij anders zo fel reageren als iemand beweert dat iets géén kunst is? Dat doet hij alleen omdat hij de hele wereld als een kunstwerk ziet, met alles erop en eraan. Het is heus niet enkel een handvol avant-gardisten dat gelooft in de kunstzinnigheid van de wereld, iederéén gelooft daar vandaag in. Wie dat geloof niet deelt, is niet meer van deze tijd, hij leeft in het verleden, hij heeft de boot gemist. Hij is passé, een dinosaurus, een oude draak, een barbaar. 

Dit moderne geloof is sterker dan een geloof ooit geweest is. Het heerst van Noord tot Zuid, van Oost tot West, over alle politieke, geografische, etnische, raciale, sexuele, ideologische en religieuze grenzen heen. De hele mensheid gelooft dat de wereld een kunstwerk is. Hoe fanatiek de Hedendaagse kunst dit geloof ook in de praktijk brengt, nergens stuit ze op protest. Overal ter wereld worden voor haar luxueuze tempels opgericht. Overal zijn schriftgeleerden in de weer om de nieuwe kunst te verdedigen, te becommentariëren en te verspreiden. Gigantische geldsommen worden ervoor vrijgemaakt, zowel door regeringen, bedrijven als privé-personen. Westerse kapitalisten en Oosterse oliesjeiks, allemaal willen ze er hun naam mee verbinden. Vijftig jaar, meer had deze nieuwe kunst niet nodig om de wereld te veroveren. Nooit verspreidde een geloof zich zo snel, nooit was het zo machtig, nooit was het zo universeel. 

Maar dit nieuwe geloof is niet alleen universeel, het is ook – en vooral – onbewust. Iedereen ziet de wereld als een kunstwerk, maar niemand weet het. Het is het allerlaatste waar een modern mens aan denkt als hem gevraagd wordt wat zijn diepste overtuiging is. En toch kan zijn houding tegenover kunst – die model staat voor zijn houding tegenover de wereld – niet anders verklaard worden dan door het onbewuste geloof dat de wereld een kunstwerk is. Dit geloof is volkomen instinctief en dringt totaal niet door tot het bewustzijn van de ‘gelovige’. Het is een geloof waarmee hij als het ware samenvalt en waar hij derhalve niks van weet. Dat is zowat het omgekeerde van wat we vandaag onder geloof verstaan: een stelsel van regels, dogma’s en idealen die we heel bewust en met veel moeite proberen toe te passen in ons leven. Zo’n onbewust en instinctmatig geloof zouden we dan ook een ‘omgekeerd’ geloof kunnen noemen.

Dit universele, omgekeerde geloof is zonder twijfel het meest tragische verschijnsel van onze tijd. Want uitgerekend op het moment dat de mensheid wereldwijd hetzelfde geloof deelt, wordt ze verscheurd door oorlogen, geweld en godsdiensttwisten. Nooit was de mensheid zo eensgezind, nooit was ze zo verdeeld. Nooit heerste er zoveel vrede, nooit was er zoveel oorlog. Nooit waren mensen het zo roerend met elkaar eens, nooit maakten ze zoveel ruzie. En het wordt steeds erger. Overal stapelen de problemen zich op, overal neemt het geweld toe. De angst voor de toekomst maakt iedereen gespannen en agressief. De moderne wereld wordt langzaam maar zeker meegesleurd in een vicieuze cirkel van haat en geweld. En dat alles gebeurt zonder enig besef van de keerzijde, zonder dat iemand weet dat uitgerekend in onze tijd Alle Menschen Brüder zijn geworden. 

Gebrek aan bewustzijn, dat is de grote tragedie van onze tijd. Het ontbreekt de moderne mens niet aan goede wil, want hij wordt bezield door een groots, gemeenschappelijk project. Hij ziet de wereld als een kunstwerk en daardoor wordt ook de kunstenaar in hem wakker. Kunst zien doet kunst maken. Jeder Mensch ist ein Künstler geworden die mee wil bouwen aan de nieuwe wereld. Niets kan hem daarvan weerhouden, want een kunstenaar heeft alles over voor zijn kunst. De artistieke roeping appelleert aan het diepste wezen van de mens, aan zijn scheppende geest. Ze gaat ook uit van een scheppende geest: de scheppende wereldgeest. En dat is niemand anders dan Christus. Hij is het die zich vandaag op een geheel nieuwe manier manifesteert. Hij is het die onbewust door iedereen waargenomen wordt en waardoor we allemaal de wereld als een kunstwerk gaan zien. Het is zijn ‘wederkomst’ die iedereen tot kunstenaar maakt. 

Het was Rudolf Steiner die als een moderne Johannes de Doper de wederkomst van Christus aankondigde. Als een roepende in de woestijn van het materialisme wees hij de mensheid op de belangrijkste gebeurtenis van onze tijd. Hij waarschuwde de mensheid ook deze gebeurtenis niet verslapen want dan zou het grootst mogelijke onheil over haar komen. Zijn hele leven lang heeft hij onvermoeibaar gewerkt om daar bewustzijn voor te wekken. Hij heeft er zelfs zijn leven voor gegeven, net als zijn illustere voorganger. Honderd jaar later verkeert de moderne mensheid echter nog altijd in volslagen onwetendheid over de wederkomst van Christus. Iedereen reageert wel op die wederkomst, maar niemand is zich ervan bewust. Niemand herkent Christus, niemand ziet hem, niemand begrijpt hem …

… behalve de antroposofen, zou ik nu moeten zeggen. Antroposofen spreken inderdaad veel over Christus, ze schrijven dikke boeken over zijn wederkomst. Ze weten zelfs waar die plaatsvindt: in de etherische wereld, ‘op de wolken’ zoals de bijbel zegt. Er kan geen twijfel over bestaan: Christus vormt het middelpunt van de antroposofie. Alles draait rond hem. Maar Christus is een naam, een begrip dat deel uitmaakt van het christelijke geloof, en de antroposofie wil helemaal geen geloof zijn. Ze wil een wetenschap zijn, ze wil haar inzichten baseren op waarneming en denken. Het is haar niet te doen om de naam Christus maar om de geestelijke realiteit die zich daarachter verbergt. Die realiteit wil ze leren kennen, die wil ze waarnemen. En dat schept natuurlijk een probleem, want de moderne mens kan geen geesten meer waarnemen. Hij ziet geen engelen of demonen meer, geen kabouters of elfen. Hij ziet alleen nog materie. Als hij zich dus bewust wil worden van de wedergekomen Christus, als hij hem wil waarnemen in plaats van alleen maar in hem te geloven, dan moet hij weer helderziend worden. 

Toch is helderziend worden niet waar het in de antroposofie om gaat. De reden is simpel: de moderne mens wordt sowieso weer helderziend, daar heeft hij de antroposofie niet voor nodig. Het is gewoon een gevolg van het einde van het Kali Yuga, het ‘duistere tijdperk’ waarin de mens langzaam maar zeker zijn oude helderziendheid – en daarmee ook het contact met de geestelijke wereld – verloor. Nu dat tijdperk afgelopen is, wordt die natuurlijke, aangeboren helderziendheid weer wakker en maakt de moderne mens opnieuw contact met de wereld van de geest. Maar bevangen als hij is door het materialisme, merkt hij daar helemaal niks van. En dat heeft zware gevolgen. Want de geestelijke wereld is veel levendiger en beweeglijker dan de dode materie waarop zijn huidige bewustzijn gebaseerd is. Ze is wat vuur is voor droog hout: een vernietigende kracht. Daarom is het van cruciaal belang dat de moderne mens zijn oplevende helderziende vermogens doordringt met rationeel denken, anders dreigen ze zijn dorre, ‘houterige’ bewustzijn in brand te steken en hem te beroven van de vrijheid en zelfstandigheid waar hij zo hard voor gewerkt heeft. 

De vernietigende werking van de (onbewust waargenomen) geestelijke wereld wordt steeds zichtbaarder. De moderne mens is langzaam maar zeker zijn verstand aan het verliezen. Zijn denken wordt steeds verwarder, onsamenhangender en tegenstrijdiger. Hij slaagt er niet meer in om orde scheppen in de chaos van zijn gedachten. We herkennen dat verschijnsel in de zogenaamde ‘politieke correctheid’: de mens wordt overspoeld door (christelijke) idealen en omdat hij dat niet beseft, raakt zijn (materialistische) denken verstrikt in tegenstrijdigheden. Voorbeelden genoeg: in naam van de godsdienstvrijheid wordt de vrijheid van meningsuiting aan banden gelegd, in naam van de vrede wordt oorlog gevoerd, in naam van de verdraagzaamheid worden mensen beschuldigd en gedemoniseerd, in naam van de vrouwenemancipatie wordt de hoofddoek verdedigd, in naam van de democratie moeten landen en volkeren zich onderwerpen, in naam van de liefde wordt er intens gehaat, enzovoort, enzovoort. Het is een beschamend schouwspel.

Maar één schouwspel is nog beschamender: de zogenaamde ‘hedendaagse’ kunst. Hier zien we de moderne mens niet alleen volslagen onzin uitkramen, we zien hem ook in bewondering staan voor pispotten, bananenschillen, uitwerpselen en ander afval. Hier is geen verward maar een omgekeerd bewustzijn aan het werk. Het allerlaagste wordt hier als het allerhoogste beschouwd. Wat een normaal mens bewondert, wordt hier verafschuwd, en wat hij verafschuwt wordt bewonderd. Het is een wereld die compleet op zijn kop staat en waar het gezond verstand helemaal uitgeschakeld is. Hier kunnen we zien wat er gebeurt als de moderne mens er niet in slaagt zijn helderziendheid met helder denken te doordringen: hij komt in de onderwereld terecht. Het is niet meer dan logisch dat deze onderwereld juist in de kunst zichtbaar wordt. Meer dan wie ook is de kunstenaar degene die de wereld als een kunstwerk ziet, anders zou hij geen kunstenaar zijn geworden. Meer dan wie ook voelt hij zich geroepen door Christus. En meer dan wie ook wordt hij slachtoffer van het gebrek aan Christusbewustzijn. 

Nergens wordt de tragedie van onze tijd – die een bewustzijnstragedie is – zo duidelijk zichtbaar als in de kunst. Nergens ook wordt ze zo weinig waargenomen. Op geen enkel gebied wordt het heldere, rationele bewustzijn méér ontbeerd dan in de kunst van onze tijd. Die kunst schrééuwt als het ware om bewustzijn, om begrip, om inzicht. Op de meest aanschouwelijke wijze toont ze ons wat er gebeurt als de moderne mens zich zonder bewustzijn overgeeft aan de scheppende krachten die de ontwakende helderziendheid in hem wekt. Hij begint dan pispotten tentoon te stellen, hij gaat vleugelpiano’s met een drilboor te lijf, hij boetseert zijn zelfportret met zijn eigen uitwerpselen, hij neemt deel aan weerzinwekkende rituelen, hij verliest kortom zijn verstand. En net als een Alzheimerpatiënt merkt hij dat niet. Integendeel, hij reageert bijzonder agressief als iemand hem op zijn beschamende gedrag wijst. Hij begint dan te schelden en de betrokken persoon (op zeer overtuigende wijze) verdacht te maken. Hij verzet zich met andere woorden heftig tegen datgene wat hij het meest nodig heeft: bewustzijn. 

Dat is de tragedie van de kunst van onze tijd: ze toont ons de onderwereld en … we zien het niet. We maken geen onderscheid tussen een pispot en een schilderij van Rafaël. Een kakmachine of het Lam Gods van Van Eyck: het is allemaal kunst in onze ogen. Of een kunstwerk nu geïnspireerd wordt door de bovenwereld van Christus of de onderwereld van de Antichrist, we reageren altijd op dezelfde manier: door te applaudisseren, door te bewonderen, door ons over te geven, door lief te hebben. Dat is wat de ‘hedendaagse’ kunst bewerkstelligt: we leren de Antichrist liefhebben en Christus haten – met geheel ons hart, met geheel onze ziel en met al onze krachten. En we beseffen het niet, integendeel, we zijn ervan overtuigd dat het net omgekeerd is. Wee dan ook degene die het waagt om iets negatiefs te zeggen over onze liefde voor de ‘hedendaagse’ kunst! We beschouwen hem als de Antichrist zelve …

Dat is het ‘grootst mogelijke onheil’ waarvoor Rudolf Steiner ons waarschuwde: als de mensheid zich niet bewust wordt van de wederkomst van Christus, dan zal ze hopeloos verliefd worden op de Antichrist. Niets zal haar daarvan kunnen weerhouden, want de liefde overwint alles. De aarde zal dan inderdaad herschapen worden in een ‘planeet van liefde’ zoals Steiner voorspelde, maar het zal niet de liefde voor Christus zijn die de substantie vormt van deze nieuwe wereld, het zal de ‘omgekeerde’ liefde zijn, de liefde voor de Antichrist. De aarde zal ‘de planeet van de haat’ worden. Bij dat vooruitzicht verzinken alle rampen in het niets en daarom werd Rudolf Steiner gezonden om de mensheid te waarschuwen. Daarom heeft hij de antroposofie in het leven geroepen: niet om onze helderziende krachten te ontwikkelen, maar om ons bewustzijn te ontwikkelen, om ons te leren onderscheid te maken op geestelijk gebied, zodat we ons – verblind door liefde – niet in de armen van de Antichrist werpen. 

Daarom wordt de antroposofie ook geïnspireerd door Michaël, wiens naam betekent: wie is als God? Deze vurige geest zegt ons niet wie als God is, want dat zou onze vrijheid in het gedrang brengen. Hij stelt alleen de vraag, ja hij is die vraag. De menselijke vrijheid is de inzet van het hele mensheidsdrama, van de hele schepping, en juist daarom worden we op het keerpunt der tijden voor de keuze geplaatst tussen Christus en de Antichrist. Het spreekt vanzelf dat die keuze niet gemakkelijk kan zijn. Integendeel, het is de moeilijkste keuze waarvoor we kunnen komen te staan. Alles wat we vandaag in de wereld zien gebeuren, vertelt ons hoe ontzettend moeilijk het is om voor Christus te kiezen. Het vergt het uiterste van ons om niet meegesleurd te worden in de vicieuze cirkel van haat en geweld die de Antichrist creëert. De zuigkracht die van hem uitgaat is werkelijk ontzettend en wie denkt hem te kunnen weerstaan, vergist zich schromelijk. Het enige wat we bij deze ‘neerdaling ter helle’ kunnen doen, is wakker blijven. Dat is ook wat Rudolf Steiner zijn leerlingen steeds weer op het hart drukte: blijf wakker, laat je bewustzijn niet in slaap wiegen. Dat is waar het in de antroposofie om gaat: blijf onderscheid maken, blijf zoals Michaël de vraag stellen: wie is als God? Wéés die vraag, met geheel je hart, met geheel je ziel en met al je krachten. 

1000

  

Negenhonderdnegenennegentig berichten heb ik tot nog toe op deze blog geplaatst. Dit is het duizendste. Een bezig baasje dus, want de meeste berichten waren niet kort. Sommigen zouden zelfs zeggen: lang. Om niet te zeggen: veel te lang. Ik ben de laatste om dat tegen te spreken. Ik moet dringend eens wieden. Als ‘biologisch schrijver’ laat ik alles opkomen wat op mijn gedachtenakker wil groeien, en pas als de scheuten groot genoeg zijn om herkend te worden, begin ik te wieden. Met chemische bestrijdingsmiddelen die een ‘correct’ denken garanderen laat ik mij niet in. Ik heb de waarheid niet in pacht, ik weet niet wat er in mijn hof ‘moet’ groeien. Dus laat ik de natuur zijn gang gaan vóór ik ingrijp. Wieden is echter lastig en mijn rug doet al zo’n pijn. Ik weet dus niet wanneer het er zal van komen, zelfs niet óf het er nog zal van komen. 

Als ik nu kijk naar wat er de afgelopen 28 maanden allemaal opgeschoten is in mijn blogtuin, dan stel ik vast dat ik geprobeerd heb de wereld als een kunstwerk te zien. Dat was van meet af aan het motto en dat is het nog altijd. Ik bekijk de wereld niet alleen alsof hij een kunstwerk is, ik bekijk hem ook op dezelfde manier waarop ik een kunstwerk bekijk. Met mijn hart dus. Waarmee anders? Waarmee bekijk je een kinderportret van Rubens? Waarmee luister je naar een aria van Bach? Waarmee lees je een gedicht van Rilke? Toch niet met je verstand! Dat is de beste manier om een kunstwerk om zeep te helpen. Het is trouwens ook de beste manier om de wereld om zeep te helpen. En dat vertik ik. Ik weiger zowel de kunst als de wereld om zeep te helpen door ze niet met mijn hart te benaderen. 

Dat wil natuurlijk niet zeggen dat ik mijn verstand niet gebruik. Maar ik laat het niet de baas spelen. Ik laat het mijn hart niet vertellen welke (nieuwe) gevoelens het moet voelen. Ik doe net het omgekeerde: mijn hart vertelt mijn verstand wat het moet denken. Met andere woorden: ik stel mijn verstand ten dienste van mijn hart. Je zou dat michaëlisch kunnen noemen, want Michaël, de behoeder van de intelligentie, is één en al dienstbaarheid aan Christus, die in het hart van de mens leeft. De gedachte dat hij Christus zou vertellen wat hij moet voelen, is een blasfemische drakengedachte waar ik mij met hand en tand tegen verzet. M’n hele leven al voer ik strijd tegen de draak die met fysiek en intellectueel geweld de mens wil dwingen zijn hart ‘om te keren’ en lief te hebben wat hij verafschuwt en te verafschuwen wat hij liefheeft. 

Ik herinner me niet meer wanneer ik die ‘omkeringsdraak’ voor het eerst tegenkwam. Ik herinner me wel nog een voorval uit mijn studententijd. We zaten samen op mijn kot en het gesprek kwam op kunst. Iemand wees op mijn bureaulamp en zei: voor mij is dit kunst! Ik antwoordde: dat is geen kunst, dat is een bureaulamp! Hij hield bij hoog en bij laag vol dat het wél kunst was. Je bent gek, zei ik, als dit kunst is dan ben ikzelf een kunstwerk! Het ‘gesprek’ eindigde ermee dat hij woedend de kamer uitliep en de deur achter zich dichtsloeg. Ik begreep er niks van. Waarom wilde die kerel mijn bureaulamp per se kunst noemen? En waarom werd hij zo kwaad als ik zei dat het gewoon een lamp was?  

Het was het eerste van een hele reeks incidenten die me leerden dat het onderwerp kunst bijzonder gevoelig lag. God mocht weten waarom, want er werd in die dagen nooit over kunst gesproken, zelfs niet op de academie. Als het dan per ongeluk toch eens gebeurde, raakten de gemoederen zo snel verhit dat er ruzie van kwam. Ik maakte daar dankbaar gebruik van om de verveling te verdrijven tijdens familiefeestjes en andere saaie gelegenheden. Ik stuurde het gesprek dan stiekem richting kunst door te vragen: iemand laatst nog een goeie film gezien? Het duurde dan nooit lang of het spel zat op de wagen. Ik hoefde alleen maar te zeggen: nee, dat is geen kunst! Meer was er niet nodig om de verontwaardiging te doen oplaaien.

Op die manier heb ik tal van mensen tegen me in het harnas gejaagd. Het verbaasde me telkens weer hoe zwaar ze tilden aan een onderwerp waarvoor ze anders nooit enige belangstelling toonden. Voor mij was het de meest vanzelfsprekende zaak van de wereld dat sommige dingen kunst zijn en andere niet, maar voor hen was het heiligschennis. Ik begreep er niks van. Hoe kun je nu van kunst spreken als er geen norm bestaat, als om het even wat kunst kan genoemd worden! Dat is wat ze doen in de Hedendaagse kunst, maar wie interesseert zich nu voor pispotten en kakmachines! Dat is iets voor in het zwart geklede culturo’s die zich beter voelen dan de rest. Ik ging om met normale mensen, en juist daarom trof het mij dat ze – als het erop aankwam – net zo hartstochtelijk de normloosheid in de kunst verdedigden als de avant-gardisten. 

Als ik daar nu aan terugdenk, valt de gedachte me in dat al die mensen … de wereld als een kunstwerk zagen. Wanneer ik beweerde dat een onderdeel van die wereld – een lamp of een paal of een pispot – géén kunstwerk was, reageerden ze als door een wesp gestoken. Ik kreeg met andere woorden telkens ruzie met mensen die … precies hetzelfde dachten als ikzelf. Daar sta ik nu toch wel van te kijken. Die gedachte had ik niet zien komen. Ze is wel de allerlaatste die ik verwacht had tijdens het schrijven mijn 1000ste blogbericht. Maar hoe onverwacht ook, ik voel dat ze waar is. Ze verklaart tal van zaken, met name al die botsingen. Zijn de zwaarste ruzies immers geen broedertwisten? Gaan ze niet altijd tussen mensen die het roerend met elkaar eens zijn, maar over één ding van mening verschillen?   

Ik herinner mij nog altijd het moment waarop ik mijn levensmotto vond. Ik had mezelf de vraag gesteld: wat wil ik? Bij ieder antwoord vroeg ik mezelf af: is er niet nog iets wat ik méér wil? Op die manier kwam ik uit bij: de wereld als een kunstwerk zien. Daar hield het vragen op, daar zat alles in, meer wilde ik niet. Zelfs het maken van kunst zat erin vervat, want kunst zien doet kunst maken. Ik was opgetogen met mijn motto. Het gaf richting aan m’n leven. Nog opgetogener was ik toen ik begreep dat ‘de wereld als een kunstwerk zien’ de meest kernachtige samenvatting van de antroposofie is. Het vraagt natuurlijk een beetje denkwerk om dat in te zien, maar het klopt, daar twijfel ik niet aan. 

En vandaag kom ik dan tot de conclusie dat het nog verder gaat: niet alleen antroposofen willen de wereld als een kunstwerk zien, iederéén wil dat. Ieder modern mens wil vandaag de wereld als een kunstwerk zien. Anders zou hij niet zo heetgebakerd reageren als iemand daartegen ingaat. Anders zou hij het niet pikken dat pispotten, kakmachines en getatoeëerde varkens in musea als kunst worden tentoongesteld. Maar dat doet hij wél. Hij is bereid de meest degoutante en weerzinwekkende zaken als kunst te accepteren. En wee degene die daartegen protesteert! Die wordt beschouwd als een cultuurbarbaar, een reactionair, een bedreiging voor de toekomst. Daar kan geen andere verklaring voor bestaan dan dat de moderne mens de wereld als een kunstwerk wil zien. Niet omdat het een leuke gedachte is, maar omdat hij er hartstochtelijk, zelfs fanatiek in gelooft. 

Eindelijk heb ik de verklaring gevonden voor wat in mijn ogen het meest verbijsterende en meest verontrustende fenomeen van onze tijd is: de Hedendaagse kunst. Er zijn nochtans veel verontrustende en verbijsterende zaken in onze wereld. Er is het moslimterrorisme, de klimaatverandering, de kloof tussen rijk en arm, de vluchtelingenkwestie, het speculeren met geld, de vernietigingswapens, de overbevolking, enzovoort. Maar het meest verontrustende en verbijsterende is dat mensen niet meer reageren op … verontrustende en verbijsterende verschijnselen. Zoals: de intelligentsia die overal ter wereld vol bewondering staat te kijken naar … pispotten, blikjes stront, bananenschillen en ander afval. De meest intelligente en gecultiveerde mensen gedragen zich alsof ze compleet stoned zijn en … niemand zegt daar iets van, niemand maakt zich daar zorgen over. Kijk, dát is pas verontrustend! 

Ik voel me vaak als de man uit het verhaal van de vergiftigde bron. Een man komt te weten dat de bron van het dorp vergiftigd zal worden en dat iedereen die ervan drinkt gek zal worden. De man verwittigt zijn dorpsgenoten, maar niemand gelooft hem. Ze drinken allemaal van de bron en worden gek. Behalve die ene man, die wist dat het water vergiftigd was. Maar hij beleeft niet veel plezier aan zijn geestelijke gezondheid. Hij wordt namelijk opgesloten, want iedereen in het dorp denkt dat hij … gek is geworden. Zo voel ik mij in de wereld van de kunst: omringd door gekken die denken dat ik gek ben geworden. Ze maken kakmachines, pissen op elkaar bij wijze van performance, gaan vleugelpiano’s te lijf met een drilboor, zagen koeien doormidden, kruipen over de grond met een konijn tussen de tanden, enzovoort enzovoort. Je kunt het zo gek niet bedenken of ze doen het. Maar als je zegt: ‘dit is geen kunst’, kijken ze je stomverbaasd aan en zeggen: ben je gek geworden of wat?

Onwaarschijnlijk, verbijsterend, hallucinant: andere woorden heb ik niet om aan te duiden wat er in de wereld van de kunst gaande is. Ik hoef maar een krant open te slaan, een tijdschrift in te kijken of Das Goetheanum te doorbladeren: telkens weer opnieuw staan er lange artikels in die één grote lofzang zijn op de meest beschamende dingen. En telkens weer opnieuw stel ik mij de vraag: zijn zij gek geworden of ben ik het? Het antwoord lijkt voor de hand te liggen, maar de ‘krankzinnigen’ zijn overal, hun getal is legioen. En er is niemand die het tegen hen opneemt. Nergens lees of hoor je ook maar één kritische opmerking over hun wereldwijde verering van afval en vuiligheid. Ook niet in antroposofische kringen. Heel, heel uitzonderlijk gebeurt het wel eens dat iemand opstaat en zegt: nu is het welletjes geweest met al die onzin! Maar hij wordt in alle stilte afgevoerd en niemand verneemt ooit nog iets van hem. Je zou voor minder aan jezelf gaan twijfelen …

Nu kan men zeggen: ach, het is maar kunst! Ze doen maar, al die artiesten en intellectuelen, wat hebben wij daarmee te maken? Maar dat is het nu net: als het erop aankomt, doet iedereen net als zij. Jeder Mensch ein Künstler. Zelf kom ik nooit in artistieke kringen. Ik verafschuw ze, iedereen heeft daar van de ‘vergiftigde bron’ gedronken, anders kom je er trouwens niet in. Ik ga alleen om met ‘normale’ mensen die zich van kunst niks aantrekken. Niet dat het voetbalsupporters of wielertoeristen zijn, dat ook weer niet. Maar ze maken zeker geen deel uit van het artistieke ‘wereldje’. Daarom voelde ik mij ook thuis op de markt in Brugge: allemaal gewone mensen, allemaal mensen die werkten om een centje bij te verdienen. De onzin vond aan de overkant van de straat plaats, in de drie kunstgalerijen. Maar ik weet dat die grens een illusie was. Als ik met die ‘gewone mensen’ over kunst had gesproken, zouden ze zich net zo zijn gaan gedragen als aan de overkant.  

Ik heb het al vaker gezegd: de grens tussen kunst en werkelijkheid is zeer smal geworden. De krankzinnige geest die in de kunstwereld heerst – en er heerst zoals nog nooit een geest heeft geheerst – heeft iederéén aangetast. Iedereen reageert als door een wesp gestoken als deze ‘hedendaagse’ geest wordt tegengesproken. Hij is tot een tweede natuur geworden, een instinct, een onbewuste reflex. Om hem uit zijn kot te lokken moet je natuurlijk wel weten waar hij zit, want hij verbergt zich en hij verbergt zich goed. In de kunstwereld laat hij onbeschaamd zijn gezicht zien, maar niemand durft daar nog te kijken. Ook daarbuiten is hij druk bezig een regime te installeren dat ieder verzet brutaal de mond snoert en tegenstanders het gevoel geeft dat ze krankzinnig zijn geworden. Want deze geest werkt niet alleen op het verstand, hij werkt ook op het gevoel en de wil. Hij werkt op de hele mens, want het is op diens Ik dat hij het gemunt heeft. Deze even brutale als geraffineerde geest is niet Lucifer of Ahriman, het is Sorat, het is de Antichrist, de geest die de mens helemaal wil ‘omkeren’ en zijn hart veroveren, de geest die de plaats van Christus wil innemen. 

Dat is natuurlijk geen goed nieuws, want deze omkeringsgeest is reeds heel diep in de ziel van de moderne mens doorgedrongen. Hij vreet zich ongestoord een weg naar diens kern. Maar het is als in Jurassic Parc, de film over de monsters die de moderne mens ‘gebaard’ heeft. Het beklemmendste deel van de film is het eerste deel, het deel waarin de monsters niet te zien zijn. In het tweede deel breekt de hel los, maar dan zién we de tegenstanders tenminste en dat is ondanks alles een opluchting. Ook voor mezelf is het een opluchting om eindelijk te begrijpen welke geest me al m’n hele leven terroriseert, om eindelijk de missing link te vinden die me in staat stelt een beeld te vormen van de situatie waarin ik me bevind. Ik begrijp nu ook dat ik deze strijd nooit had kunnen voeren zonder de – niet altijd even zachtzinnige – leiding van Michaël. Zonder hem zou ik geen schijn van kans maken tegen dit omkeringsmonster. En hij is dan weer goed nieuws. 
  

The war to end all wars

20130906-212024.jpg

Wij, moderne mensen, zijn geneigd om overal iets achter te zoeken.
Wij nemen geen genoegen met de buitenkant der dingen.
Wij willen dieper graven.
Wij willen doordringen tot de kern van de zaak.
En die kern is verborgen.
Daar gaan we vanuit.

We geloven niet dat de werkelijkheid zoals we die zien de echte werkelijkheid is, want de echte werkelijkheid bevindt zich áchter de zintuiglijke schijn.
Dat geloven wij, zonder er ons echt bewust van te zijn.
En dat geloof is de grondslag van ons materialisme.

Werkelijkheid zijn alleen de atomen en de elementaire deeltjes.
Werkelijk zijn alleen de hersenen.
Werkelijk is alleen wat verborgen is.
Verborgenheid staat garant voor werkelijkheid.
Zichtbaarheid is synoniem met schijn.

Het is dit materialistische geloof in het onzichtbare dat ons belet om de wereld als een kunstwerk te zien.
Want een kunstwerk is helemaal zichtbaar.
Het heeft geen binnen- of buitenkant.
Een schilderij omdraaien ten einde het ‘echte’ schilderij te zien, leidt er alleen maar toe dat we niets meer zien.
Het heeft geen zin om achter de coulissen van het theater te gaan kijken in de hoop daar de ware toedracht van het toneelstuk te ontdekken.
Het toneelstuk is enkel wat we op de scéne zien.
Kunst hééft geen achterkant.
We kunnen er niets over te weten komen dat niet zichtbaar is.
De enige onzichtbaarheid of verborgenheid ligt in onze manier van kijken.
In ons geloof dat het zichtbare niet het ware is.

Dat ‘platonische’ geloof is er ook de oorzaak van dat we ons verliezen in speculaties over de ware toedracht van Obama’s voornemen om Syrië te gaan bombarderen.
We besteden geen aandacht aan wat de man werkelijk zegt.
Want we gaan ervan uit dat hij zijn ware motieven verbergt.
En dat doet hij nu juist niét.
Hij verkondigt aan de hele wereld waar het hem om te doen is.
Niet omdat hij zo goudeerlijk is, maar omdat hij weet dat de naakte waarheid vertellen de beste manier is om ze te verbergen.

Wat is het dat Obama verbergt door het te tonen?
Gisteren verkondigde hij het op een persconferentie in Sint-Petersburg.
Voor de hele wereld verklaarde hij:

‘Ik ben verkozen om een eind te maken aan oorlogen, niet om ze te beginnen’.

Onnozelaar, denken we dan meteen, smoelentrekker!
Hij doet zich voor als een vredesapostel en hij gaat een land bombarderen!
Maar in al die – begrijpelijke – emotie vergeten we te luisteren naar wat hij zegt.
We staan er niet bij stil, we denken er niet over na.
We duiken meteen in de troebele wereld achter de woorden.

Wie een beetje geschiedenis kent, weet dat Obama een Amerikaanse leuze verkondigt die al minstens 100 jaar oud is.
Zijn voorganger, president Woodrow Wilson, werd eveneens verkozen onder de belofte dat hij geen oorlog zou voeren, dat hij zich niet zou mengen in ‘het Europese conflict’.
Wat hij vervolgens prompt deed.
Hij ging namelijk geen oorlog voeren, hij ging er juist een einde aan maken.
Hij ging ‘the war to end all wars’ uitvechten.

Hoe vaak zijn die gevleugelde woorden al niet gebruikt!
Ze kunnen gelden als het motto van de 20ste eeuw.
Al 100 jaar lang voert men oorlog om een eind te maken aan alle oorlogen.
En dat grote vredesideaal blijft onverminderd van kracht.
Ook de 21ste eeuw begon met een oorlogsverklaring aan de oorlog.
The War on Terror.
En Obama wil zijn duit in het zakje doen.
Hij verklaart The War on Chemicals.
Zo kunnen we natuurlijk nog een tijdje bezig blijven, want er breekt altijd wel ergens een oorlog uit, en die moeten allemaal ‘beëindigd’ worden.
Het ideaal is immers: to end ALL wars.

De Amerikanen gaan voor de wereldvrede.
Voor minder doen ze het niet.
Zolang er ergens nog een land is waar oorlog heerst, zal Amerika oorlog blijven voeren.
Dat is het aan zichzelf verplicht.
De mensheid wil immers vrede op aarde, en Amerika voelt zich geroepen om dat grote mensheidsideaal waar te maken.
Daarom voert het onafgebroken oorlog: om vrede te stichten.
En pragmatisch als het is, vindt het altijd wel een reden om de oorlog aan de oorlog te verklaren.
Is het Pearl Harbour niet, dan is het 9/11 of de Syrische aanval met gifgas.
Om wereldvrede te bereiken, zijn alle middelen goed.

Er is natuurlijk maar één (materialistische) manier om deze felbegeerde wereldvrede te realiseren, en dat is: de hele wereld onderwerpen, wereldheerser worden.
Het is een gigantisch ideaal, maar dat krijg je nu eenmaal als je idealisme en materialisme met elkaar vermengt.
De materiële kracht van Amerika is immens.
Maar ook het idealisme van de Amerikanen is grenzeloos.
Samen levert dat de onstuitbare wil op om een eind te maken aan alle oorlogen, om het kwaad in de wereld uit te roeien, om de hemel op aarde te brengen.
Het resultaat van dit ‘materialistische idealisme’ is voorspelbaar: de wereld wordt één groot slagveld.
Steiner noemde het ‘de strijd van allen tegen allen’.
Stap voor stap, en met inzet van al zijn krachten, werkt Amerika aan de verwezenlijking van dat ideaal: de eeuwige oorlog om de eeuwige vrede te bewerkstelligen.

Maar is het alleen Amerika dat bezield wordt door dit idealisme?
Wordt niet ook het communisme erdoor bezield?
En de islam?
Streeft die ook niet de wereldvrede na door iedereen te willen bekeren?

De grootste mensheidsidealen en het grootste materialisme zijn vandaag zo innig met elkaar verstrengeld dat oorlog en vrede verwisselbare begrippen zijn geworden.
Ik heb dan ook altijd een akelig gevoel gehad bij het lezen van de stickers met de tekst:
‘Niets is belangrijker dan vrede.’
Het is dit soort idealisme dat ten oorlog trekt om een eind te maken aan de oorlog.
Het is dit soort idealisme dat ons allemaal bezielt.
Het is een idealisme dat vermengd is met materialisme.
Het is gericht op een onzichtbare werkelijkheid.
Het heeft geen oog voor de zichtbare werkelijkheid.
Het gelooft niet dat de wereld een kunstwerk is.

Dit ‘ongelovige’ idealisme, dat zijn ogen en zijn hart niet vertrouwt, is gedoemd om eeuwig oorlog te blijven voeren.
Het creëert een vicieuze cirkel van geweld.
Het belet ons te zien wat er werkelijk is.
En te horen wat er werkelijk gezegd wordt.

President Obama heeft in Sint-Petersburg gezegd waar het op staat, zonder er doekjes om te winden.
Hij is verkozen om de oorlog te beëindigen en dat zal hij ook doen.
Hij zal oorlog voeren tegen de oorlog.
Zoals zijn voorgangers.
Zoals iedereen.
Want hij wil vrede op aarde voor alle mensen van goede wil.
En die vrede kan er alleen komen als de goede mensen de slechte mensen onder de knoet houden.
Als ze met andere woorden de macht in de wereld veroveren.
En uiteraard voelen de VS zich daartoe geroepen.
Het is hun heilige plicht als uitverkoren volk.
En die plicht verleent de Amerikanen uiteraard het recht om de olie te controleren die ze nodig hebben om hun grote roeping te vervullen.

Daarom gaat Obama Syrië bombarderen.
Hij maakt daar helemaal geen geheim van.
Wíj doen dat, door niet te luisteren naar wat hij zegt.
Door zijn woorden niet consequent door te denken.
Door van alles achter die woorden te gaan zoeken.

We zijn immers allemaal idealistische materialisten.
We geloven niet dat de wereld een kunstwerk is.
We geloven álles, maar dat niet.

En daar betalen we een zware prijs voor.

20130907-121540.jpg

The war to end all wars

20130906-212024.jpg

Wij, moderne mensen, zijn geneigd om overal iets achter te zoeken.
Wij nemen geen genoegen met de buitenkant der dingen.
Wij willen dieper graven.
Wij willen doordringen tot de kern van de zaak.
En die kern is verborgen.
Daar gaan we vanuit.

We geloven niet dat de werkelijkheid zoals we die zien de echte werkelijkheid is, want de echte werkelijkheid bevindt zich áchter de zintuiglijke schijn.
Dat geloven wij, zonder er ons echt bewust van te zijn.
En dat geloof is de grondslag van ons materialisme.

Werkelijk zijn alleen de atomen en de elementaire deeltjes.
Werkelijk zijn alleen de hersenen.
Werkelijk is alleen wat verborgen is.
Verborgenheid staat garant voor werkelijkheid.
Zichtbaarheid is synoniem met schijn.

Het is dit materialistische geloof in het onzichtbare dat ons belet om de wereld als een kunstwerk te zien.
Want een kunstwerk is helemaal zichtbaar.
Het heeft geen binnen- of buitenkant.
Een schilderij omdraaien ten einde het ‘echte’ schilderij te zien, leidt er alleen maar toe dat we niets meer zien.
Het heeft geen zin om achter de coulissen van het theater te gaan kijken in de hoop daar de ware toedracht van het toneelstuk te ontdekken.
Het toneelstuk is enkel wat we op de scéne zien.
Kunst hééft geen achterkant.
We kunnen er niets over te weten komen dat niet zichtbaar is.
De enige onzichtbaarheid of verborgenheid ligt in onze manier van kijken.
In ons geloof dat het zichtbare niet het ware is.

Dat ‘platonische’ geloof is er ook de oorzaak van dat we ons verliezen in speculaties over de ware toedracht van Obama’s voornemen om Syrië te gaan bombarderen.
We besteden geen aandacht aan wat de man werkelijk zegt.
Want we gaan ervan uit dat hij zijn ware motieven verbergt.
En dat doet hij nu juist niét.
Hij verkondigt aan de hele wereld waar het hem om te doen is.
Niet omdat hij zo goudeerlijk is, maar omdat hij weet dat de naakte waarheid vertellen de beste manier is om ze te verbergen.

Wat is het dat Obama verbergt door het te tonen?
Gisteren verkondigde hij het op een persconferentie in Sint-Petersburg.
Voor de hele wereld verklaarde hij:

‘Ik ben verkozen om een eind te maken aan oorlogen, niet om ze te beginnen’.

Onnozelaar, denken we dan meteen, smoelentrekker!
Hij doet zich voor als een vredesapostel en hij gaat een land bombarderen!
Maar in al die – begrijpelijke – emotie vergeten we te luisteren naar wat hij zegt.
We staan er niet bij stil, we denken er niet over na.
We duiken meteen in de troebele wereld achter de woorden.

Wie een beetje geschiedenis kent, weet dat Obama een Amerikaanse leuze verkondigt die al minstens 100 jaar oud is.
Zijn voorganger, president Woodrow Wilson, werd eveneens verkozen onder de belofte dat hij geen oorlog zou voeren, dat hij zich niet zou mengen in ‘het Europese conflict’.
Wat hij vervolgens prompt deed.
Hij ging namelijk geen oorlog voeren, hij ging er juist een einde aan maken.
Hij ging ‘the war to end all wars’ uitvechten.

Hoe vaak zijn die gevleugelde woorden al niet gebruikt!
Ze kunnen gelden als het motto van de 20ste eeuw.
Al 100 jaar lang voert men oorlog om een eind te maken aan alle oorlogen.
En dat grote vredesideaal blijft onverminderd van kracht.
Ook de 21ste eeuw begon met een oorlogsverklaring aan de oorlog.
The War on Terror.
En Obama wil zijn duit in het zakje doen.
Hij verklaart The War on Chemicals.
Zo kunnen we natuurlijk nog een tijdje bezig blijven, want er breekt altijd wel ergens een oorlog uit, en die moeten allemaal ‘beëindigd’ worden.
Het ideaal is immers: to end ALL wars.

De Amerikanen gaan voor de wereldvrede.
Voor minder doen ze het niet.
Zolang er ergens nog een land is waar oorlog heerst, zal Amerika oorlog blijven voeren.
Dat is het aan zichzelf verplicht.
De mensheid wil immers vrede op aarde, en Amerika voelt zich geroepen om dat grote mensheidsideaal waar te maken.
Daarom voert het onafgebroken oorlog: om vrede te stichten.
En pragmatisch als het is, vindt het altijd wel een reden om de oorlog aan de oorlog te verklaren.
Is het Pearl Harbour niet, dan is het 9/11 of de Syrische aanval met gifgas.
Om wereldvrede te bereiken, zijn alle middelen goed.

Er is natuurlijk maar één manier om deze felbegeerde wereldvrede te realiseren, en dat is: de hele wereld onderwerpen, wereldheerser worden.
Dat is altijd zo geweest.
De langste wereldvrede ooit bestond onder het Romeinse Rijk.
Om de eenvoudige reden dat de Romeinen de helft van de wereld onderworpen hadden.
Hitler had hetzelfde ideaal: langdurige vrede.
En daarom moest hij de wereld veroveren.
De islam, die ook alleen maar vrede nastreeft: idem.
Allemaal idealisten die wereldvrede nastreven, allemaal geweldenaars.

Het is een gigantisch ideaal, wereldvrede, maar dat krijg je nu eenmaal als je idealisme en materialisme met elkaar vermengt.
De materiële kracht van Amerika is immens.
Maar ook het idealisme van de Amerikanen is grenzeloos.
Samen levert dat de onstuitbare wil op om een eind te maken aan alle oorlogen, om het kwaad in de wereld uit te roeien, om de hemel op aarde te brengen.
Het resultaat van dit ‘materialistische idealisme’ is voorspelbaar: de wereld wordt één groot slagveld.
Want in de tijd van het individualisme wil niemand zich nog onderwerpen.
Steiner noemde het ‘de strijd van allen tegen allen’.
Stap voor stap, en met inzet van al zijn krachten, werkt Amerika aan de verwezenlijking van dat ideaal: de eeuwige oorlog om de eeuwige vrede te bewerkstelligen.

De grootste mensheidsidealen en het grootste materialisme zijn vandaag zo innig met elkaar verstrengeld dat oorlog en vrede verwisselbare begrippen zijn geworden.
Ik heb dan ook altijd een akelig gevoel gehad bij het lezen van de stickers met de tekst:
‘Niets is belangrijker dan vrede.’
Het is dit soort idealisme dat ten oorlog trekt om een eind te maken aan de oorlog.
Het is dit soort idealisme dat ons allemaal bezielt.
Het is een idealisme dat vermengd is met materialisme.
Het is gericht op een onzichtbare werkelijkheid.
Het heeft geen oog voor de zichtbare werkelijkheid.
Het gelooft niet dat de wereld een kunstwerk is.

Dit ‘ongelovige’ idealisme, dat zijn ogen en zijn hart niet vertrouwt, is gedoemd om eeuwig oorlog te blijven voeren.
Het creëert een vicieuze cirkel van geweld.
Het belet ons te zien wat er werkelijk is.
En te horen wat er werkelijk gezegd wordt.

President Obama heeft in Sint-Petersburg gezegd waar het op staat, zonder er doekjes om te winden.
Hij is verkozen om de oorlog te beëindigen en dat zal hij ook doen.
Hij zal oorlog voeren tegen de oorlog.
Zoals zijn voorgangers.
Zoals iedereen.
Want hij wil vrede op aarde voor alle mensen van goede wil.
En die vrede kan er alleen komen als de goede mensen de slechte mensen onder de knoet houden.
Als ze met andere woorden de macht in de wereld veroveren.
En uiteraard voelen de VS zich daartoe geroepen.
Het is hun heilige plicht als uitverkoren volk.
En die plicht verleent de Amerikanen uiteraard het recht om de olie te controleren die ze nodig hebben om hun grote roeping te vervullen.

Daarom gaat Obama Syrië bombarderen.
Hij maakt daar helemaal geen geheim van.
Wíj doen dat, door niet te luisteren naar wat hij zegt.
Door zijn woorden niet consequent door te denken.
Door van alles achter die woorden te gaan zoeken.

We zijn immers allemaal idealistische materialisten.
We geloven niet dat de wereld een kunstwerk is.
We geloven álles, maar dat niet.

En daar betalen we een zware prijs voor.

20130907-121540.jpg