Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: Donald Trump

La nausée (de walging)

  

Toen ik een tijdje geleden (op mijn computerscherm) tienduizenden mensen door de straten van Boston zag marcheren om te protesteren tegen de gebeurtenissen in Charlottesville, waar een neo-nazi iemand had omver gereden, sloeg de schrik me om het hart. Niet dat ik er problemen zou mee hebben dat er geprotesteerd wordt tegen iemand die met zijn auto op mensen in rijdt, dat spreekt (hoop ik) vanzelf. Maar dat was niet de reden waarom die mensenmassa op straat was gekomen. Er zijn de afgelopen jaren al zoveel mensen met auto’s op andere mensen in gereden dat niemand daar nog voor op straat komt. Zeker, er worden nog altijd kaarsjes gebrand, bloemen gelegd en liedjes gezongen als terroristen weer eens een aanslag hebben gepleegd, maar dat zijn uitingen van liefde en sereniteit, geen uitbarstingen van woede en verontwaardiging zoals in Boston. Daar werd niet geprotesteerd omdat er een aanslag was gepleegd, er werd geprotesteerd omdat de dader rechts was. 

Mensen komen niet langer op straat om te protesteren tegen terreuraanslagen. De aandacht is verschoven van de misdaad naar het motief. Is dat links of islamitisch is, dan kraait geen haan ernaar. Moslims mogen zoveel aanslagen plegen als ze willen, hun ideologie blijft buiten schot. Ook als zwartgemaskerde antifa’s tekeer gaan, wordt links niet met de vinger gewezen. Maar doet één rechtse neo-nazi precies hetzelfde, dan kent de verontwaardiging geen grenzen. Waarom? Wat maakt een rechtse terrorist zoveel erger dan een linkse terrorist of een moslimterrorist? Alvast niet zijn fanatisme, want rechtse fanatici plegen veel minder aanslagen. Zijn rechtse aanslagen dan misschien zo gruwelijk dat ze de veel talrijker moslimaanslagen doen vergeten? Evenmin. De aanslag in Charlottesville verschilde in niets van soortgelijke moslimaanslagen. Waarschijnlijk was hij niet eens met voorbedachten rade gepleegd, zodat er niet echt van een aanslag kan gesproken worden. En toch brengt die ene rechtse moordenaar tienduizenden mensen op de been. 

Links heeft in het verleden – net als de islam – veel grotere bloedbaden aangericht dan rechts, maar toch blijft men links geweld en moslimgeweld vergoelijken en rechts geweld verketteren. Wee degene die het zou wagen de rollen om te keren! Die wordt beschouwd als de Satan in hoogsteigen persoon. Dat overkwam onder meer Donald Trump. De grote betogingen in Boston en andere Amerikaanse steden waren ook – en misschien zelfs vooral – tegen hem gericht. Hij had het namelijk bestaan om de schuld voor de gebeurtenissen in Charlottesville niet alleen bij rechts te leggen. Hij had de kerk in het midden willen houden en gewezen op het aandeel van de linkse tegenbetogers. Dat volstond om een explosie van verontwaardiging te veroorzaken die tienduizenden mensen op de been bracht. Het was trouwens niet de eerste keer. De betoging in Boston was de zoveelste massamanifestatie tegen Donald Trump in het bijzonder en rechts in het algemeen. 

Met stijgend ongeloof kijk ik naar de wereldwijde reactie die de nieuwe Amerikaanse president teweeg heeft gebracht. Er gaat geen dag voorbij of er verschijnen krantenartikels die Donald Trump door het slijk sleuren, die hem een barbaar noemen, een krankzinnige, een psychopaat, een Hitler. Dat duurt nu al meer dan een half jaar lang, zonder onderbreking. Iedere dag weer opnieuw breekt dat artillerievuur los. Onafgebroken wordt er munitie aangevoerd, het geeft niet wat, als het maar ontploft. Iedere krant, iedere televisiezender, iedere journalist, iedere intellectueel doet eraan mee. De zaak heeft bijna apocalyptische proporties aangenomen, alsof de Antichrist verschenen is en de grote eindstrijd begonnen. Wat Donald Trump overkomt is trouwens niet nieuw. Het overkwam in ons eigenste land ook Bart De Wever. Nog altijd, na al die jaren, kan de man zijn mond niet opendoen of de verontwaardiging barst los. En om precies dezelfde reden: omdat hij rechts is. 

Ondanks de onvoorstelbare gruwelen en onmenselijkheden die het op zijn geweten heeft, wordt links door de intellectuele wereld nog altijd beschouwd als de vertegenwoordiger van alles wat goed, waar en schoon is. Ondanks het feit dat de misdadigheid van Donald Trump en Bart De Wever zich beperkt tot woorden en uitlatingen waarmee links het niet eens is, worden beiden nog altijd beschouwd als het vleesgeworden kwaad. Hoe is zoiets mogelijk? De vraag roept een herinnering op. Ik zit in de grote aula van de Leuvense universiteit en probeer niet in slaap te vallen tijdens de cursus fundamentele wijsbegeerte. Opeens vliegen de deuren open en stormen een aantal langharige figuren de zaal binnen. Ze duwen de docent ruw opzij, rukken de micro uit zijn handen, en beginnen er allerlei slogans in te roepen. Ofschoon ik blij ben dat er eens iets gebeurt tijdens die saaie les, ben ik toch geschokt door de brutaliteit van die linkse ‘revolutionairen’. Zoiets doet een beschaafd mens niet, vind ik.

Maar ik ben blijkbaar de enige, want de aula staat als één man op en applaudisseert luid voor de rustverstoorders. Ik peins er niet over om mee te doen en blijf zitten. Dat gaat niet onopgemerkt voorbij. Een van de langharigen schreeuwt ‘fascist!’ naar me. Ik heb geen idee wat dat woord betekent, maar ik begrijp wel dat het niet veel goeds is. Het raakt echter mijn koude kleren niet, want ik ken de schreeuwer. Iedere maandag wordt hij door de glimmende Mercedes van papa afgeleverd aan zijn kot, waar hij dan samen met een ander rijkeluiszoontje de revolutie van het proletariaat begint te prediken. Dat zijn ze in mijn ogen trouwens allemaal, al die Marxisten, Trotskisten, Leninisten en Maoïsten: rijkeluiszoontjes die op kosten van hun ouders in Leuven voor Che Guevara komen spelen. Acteurs die vergeten dat ze acteurs zijn. Want het is hen bloedige ernst, dat zie je zo. Een glimlach kan er niet af. Je kunt deze grimmige barbaren beter niet tegen de (lange) haren in strijken. 

Dat doe ik ook niet. Ik laat ze links liggen (sic). Alle macht aan de arbeiders? Wat is dat voor onzin! Studenten die staken? Are you kidding me! Met de beste wil van de wereld kan ik die would be revolutionairen niet au serieux nemen. Ik voel een diep wantrouwen voor deze wereldverbeteraars, voor hun bloedige ernst, hun gebrek aan humor, hun onderhuidse agressie. Maar ik ben blijkbaar de enige, want als die agressie aan de oppervlakte komt, zoals tijdens hun optreden in de grote aula, wordt ze op algemeen applaus onthaald. Het zal me later nog wel meer overkomen dat ik zit te kijken naar slechte acteurs, dat de zaal na afloop van hun vertoning opstaat en begint te applaudisseren, en dat ik de enige ben die blijft zitten. Een mens zou voor minder aan zichzelf beginnen twijfelen. Het is dan ook die twijfel die me aan het denken heeft gezet over een fenomeen dat ik meer dan 40 jaar geleden reeds leerde kennen, zowel in de wetenschappelijke wereld als in de kunstwereld.

In allebei zag ik hetzelfde gebeuren: een kleine groep ‘revolutionairen’ voert een barbaars spektakel op dat ieder beschaafd mens tegen de borst zou moeten stoten, maar dat vreemd genoeg op luid applaus onthaald wordt. Een grappenmaker stelt bij wijze van kunst een pispot tentoon en even later wordt het uitgeroepen tot het grootste kunstwerk van de eeuw. Enkele rijkeluiszoontjes brutaliseren het professorenkorps, en wat later worden ze zelf professor, alsof hun gedrag niet bestraft maar beloond wordt. Ze hebben hun haar geknipt en hun baard afgeschoren, maar hun streken hebben ze niet verleerd. Nog altijd zeggen ze dezelfde dingen en nog altijd worden ze daarvoor beloond en toegejuicht. Er is de afgelopen 100 jaar met andere woorden niks veranderd, behalve dan dat de revolutionaire studenten van toen de bourgeois van vandaag zijn geworden: ze zitten in regeringen, aan universiteiten, in de media, zelfs in het bedrijfsleven. Idem voor de revolutionaire kunstenaars en hun bewonderaars.

Wat is het toch dat die bewonderaars bewonderen? Waarom applaudisseren zoveel (vooral) jonge mensen voor het beschamende vertoon van linkse machthebbers, linkse intellectuelen, linkse kunstenaars? Waarom laten ze zich opruien door hun holle slogans? Waarom komen ze massaal op straat als één neonazi door het lint gaat en blijven ze thuis als honderd moslims hun duivels ontketenen? Waarom gedragen ze zich zo irrationeel? Waarom gebruiken ze hun verstand niet? Het antwoord op al die vragen is volgens mij hetzelfde als het antwoord op de vraag waarom de grote aula van de Leuvense universiteit destijds als één man opstond om te applaudisseren voor het brutale optreden van een paar linkse studenten. Dat antwoord vind ik door in mijn eigen ziel te kijken. Hoewel ik een diepe weerzin voelde voor het gedrag van die linkse barbaren, voelde ik ook nog iets anders: opwinding omdat er eindelijk eens iets gebeurde, vreugde omdat de verveling doorbroken werd. 

Mijn oude tekenleraar was 10 jaar toen de tweede wereldoorlog uitbrak en zijn eerste reactie was: joepie, geen school! Ik maak me sterk dat het applaus in de Leuvense aula, meer dan 40 jaar geleden, in wezen dezelfde kinderlijke reactie was. Men juichte de linkse revolutionairen niet toe omdat men het eens was met hun Marxistische idealen, maar omdat ze de les onderbraken, omdat ze opriepen niet meer naar school te gaan. Wat wisten al die piepjonge studenten van Marx en Lenin en het hele communisme? Ze kwamen recht uit de middelbare school en daar werd toen nog niet gesproken over die linkse helden. De gruwelen van het communisme waren nog niet doorgedrongen tot het algemene bewustzijn, laat staan tot het onderwijs. Al die juichende jongens en meisjes hadden geen flauw idee wat communisme was, net zomin als mijn tekenleraar als kind wist wat oorlog was. Maar ze wisten allebei heel goed wat onderwijs betekende. Het stond voor eindeloze verveling en saaiheid.

Toen ik naar de universiteit ging, haatte ik mijn oude school uit de grond van mijn hart. Ze had me vernederd, ze had me gedwongen dingen te doen die ik niet wilde doen, en daardoor had ik een afkeer van mezelf gekregen. In Leuven ging dat verhaal gewoon verder. Ik moest er voortdurend vechten tegen de weerzin die de dode leerstof, de saaie professoren, de vervelende lessen, de kwellende examens in me wekten. Tegelijk moest ik ook vechten tegen de weerzin die mijn eigen onderworpenheid wekte, want ik bezat niet de moed of de kracht om me aan die vernedering te onttrekken. Hoe groter mijn minachting werd voor de intellectuele fabriek die de universiteit was, des te groter werd ook mijn minachting voor mezelf. Maar de kelk was nog niet leeggedronken. Na het behalen van mijn diploma ging ik in Brussel op het ministerie werken. Daar steeg de ellende ten top. Zeven jaar hield ik het vol, tot de weerzin me aan de lippen kwam. Pas toen vond ik de moed – der wanhoop – om me te verzetten.

Het was natuurlijk niet allemaal kommer en kwel aan de universiteit. Ik hield er ook goede herinneringen aan over. Voor het eerst op eigen benen staan bijvoorbeeld, niet langer gecontroleerd worden, proeven van de vrijheid, doen wat ik wilde, ja daar lustte ik wel pap van. Ook het samenleven met andere studenten was een openbaring. Zo heb ik trouwens mijn vrouw leren kennen en via haar de antroposofie. Dat is niet niks. Maar toch werd ik telkens weer misselijk als ik later Leuven nog eens bezocht. Hoe mooi ik de stad ook vond en hoe groot de opluchting ook was dat ik er niet langer hoefde te studeren, Leuven wekte braakneigingen in me op. Al die jaren had ik mijn weerzin met zoveel kracht moeten onderdrukken dat ze als het ware samengeperst zat in mijn ziel (of was het mijn lichaam?) en het volstond de plaats delict weer te zien om de samengeperste weerzin los te maken in golven die me overspoelden zonder dat ik er iets kon aan doen. 

Ik was dan misschien niet de meest representatieve student, maar zou het verschil tussen mezelf en de anderen werkelijk zo groot zijn geweest dat alleen ik die onderdrukte weerzin ontwikkelde? Het applaus in de Leuvense aula (en elders) leek dat alleszins tegen te spreken. Ligt het niet voor de hand dat het moderne, intellectualistische onderwijs bij iedereen een stijgende weerzin opwekt die jarenlang moet onderdrukt worden? Is die weerzin niet des te groter naarmate men langer studeert en treft men hem bijgevolg niet vooral aan onder intellectuelen, die zowat een derde van hun leven op de schoolbanken doorbrengen? En bieden linkse ideeën geen gedroomd alibi om die weerzin te ventileren? Tenslotte is ieder mens een geestelijk wezen dat kreunt onder het gewicht van het ahrimaanse intellectualisme en verheugd opspringt wanneer het enige spiritualiteit bespeurt. De linkse ideeën mogen dan utopisch en luciferisch zijn, het blijven spirituele ideeën, grote mensheidsidealen. Alle Menschen werden Brüder: wie zou daartegen kunnen zijn! 

Het probleem met het linkse idealisme is niet alleen zijn luciferische wereldvreemdheid maar ook, en vooral, zijn verbinding met de onderdrukte ahrimaanse weerzin in de menselijke ziel. Dat idealisme werkt als een lucifer (sic) die aan een vat vol buskruit wordt gestoken. Het resultaat is een explosie van woede, verontwaardiging, beschuldigingen, haat en geweld. Opvallend is dat de ‘exploderenden’ zich totaal niet bewust zijn van dat linkse geweld. De idealistische roes maakt hen blind voor hun eigen woede en haat: ze wanen zich vervuld van louter liefde en verdraagzaamheid. De revolutionaire studenten die ik destijds in Leuven aan het werk zag, hadden de grootste moeite om hun weerzin te verbergen: ze stond als het ware op hun gezicht geschreven. Maar ze verklaarden wel voortdurend hun liefde aan de onderdrukte arbeidersklasse. Hoe luciferisch die schijnliefde was, blijkt vandaag: niemand is zo van weerzin voor die arbeidersklasse vervuld als juist de linkse intellectueel. 

Die linkse intellectueel (het is bijna een pleonasme want links is intellectueel en de intellectueel is links) heeft twee gezichten – een liefdevol en een haatdragend – die hij voortdurend verwisselt, al naargelang van de omstandigheden. Het kwaad schuilt in het feit dat hij zich van die innerlijke gespletenheid niet bewust is. De afwisseling van Lucifer en Ahriman is niet zijn werk, ze is het werk van een geest die in zijn ziel voortdurend het vuur aan de lont steekt en een kettingreactie van explosies veroorzaakt, explosies van weerzin en walging, van woede en haat. Toen Rudolf Steiner voorspelde dat het intellect kwaadaardig zou worden, had hij het over deze geest, een geest waar de moderne mens zich totaal niet van bewust is. Het was deze geest die mij de schrik rond het hart deed slaan toen ik die mensenmassa door de straten van Boston zag schuiven, overwegend jonge mensen die achter het linkse gepijp van de hedendaagse rattenvanger van Hamelen aanliepen, en zich niet bewust waren van de weerzin die hen dreef.  

Advertenties

Lichtbaken (20)

  

Toen ik karikaturen begon te tekenen, werd het ‘beest’ in me ontketend. Had ik me tot dan braaf gehouden aan de grenzen die de wereld me stelde, nu overschreed ik ze zonder schroom. Tenminste op papier. In mijn tekeningen kon ik ongeremd stout zijn en mijn vernietigingsdriften botvieren. Een doel op zich was dat echter niet. Het was een middel om beter te leren tekenen. Het beest bleef ondergeschikt aan de kunst en onder haar invloed verloor het langzaam zijn wildheid. Dat werd bevestigd toen kinderen me vroegen om karikaturen van hen te tekenen. Mijn vernietigende krachten vormden geen bedreiging meer, ik had ze getransformeerd tot het vermogen om al tekenend iemands Ik zichtbaarder te maken. En daar hadden die kinderen (blijkbaar) behoefte aan. Mijn modellen werden steeds jonger en uiteindelijk maakten ze het beest in me helemaal onschadelijk. Het was er nog wel en het had nog al zijn tanden, maar het deed nu wat ik wilde, niet omgekeerd. 

Kinderen zijn wijzer dan volwassenen. Ze begrepen altijd veel beter waar het om ging in mijn karikaturen. Bij momenten begrepen ook volwassenen het, maar evenmin als bij de kinderen drong het tot hun bewustzijn door. Dat was ook bij mezelf niet het geval. Pas nu, vele jaren nadat ik gestopt ben met het tekenen van karikaturen, begin ik me een beeld te vormen van wat er allemaal speelde. Dat kost me veel moeite, want duisternis is eigen aan het scheppingsproces. Pas wanneer het voltooid is, kan het licht van het bewustzijn ontstaan. Die volgorde is essentieel, want als je ze omkeert worden scheppingskrachten vernietigingskrachten. Dat valt goed waar te nemen in de hedendaagse kunst, die niet vertrekt vanuit de duisternis van de wil, maar vanuit het licht van de ideeën, en daardoor (zelf)vernietigend wordt. In de werkelijkheid gebeurt hetzelfde: ook daar wordt steevast uitgegaan van bewuste ideeën, concepten en theorieën, en ook daar wordt de scheppende wil vernietigend. 

Ik heb die omkering eens op een heel merkwaardige manier meegemaakt toen ik nog tekende op de Gentse Feesten. Dat was geen plek om (gewone) portretten te maken, maar er waren altijd mensen die geen karikatuur wilden. Omdat ik de centen goed kon gebruiken, probeerde ik dat probleem op te lossen door dubbel zoveel te vragen voor een portret. Dat hield mensen echter niet altijd tegen, en op een dag vroeg een jonge vrouw me om haar portret te tekenen, een gewoon portret drukte ze me op het hart, géén karikatuur. Dat laatste zou me waarschijnlijk toch niet gelukt zijn, want ze was een verbluffende schoonheid. Zo’n model had ik nog nooit van m’n leven gehad, en er kwam een gedachte in me op die ik ook nog nooit van m’n leven had gehad. Als ik nu eens, in plaats van deze vrouw zo lelijk mogelijk te maken, precies het omgekeerde deed en haar nóg mooier maakte dan ze al was! Als ik met andere woorden eens een geïdealiseerd portret van haar maakte! 

Een bevriend antroposoof had me dat ooit eens gesuggereerd. Mijn karikaturen riepen gemengde gevoelens bij hem op. Waarom toch altijd de klemtoon leggen op het lagere in de mens! Waarom niet eens proberen het hogere zichtbaar te maken! Hij was wat je noemt ‘een mens van goede wil’, hij probeerde overal het goede te zien. Zei je iets negatiefs, dan plaatste hij daar steevast het positieve tegenover. Heel vermoeiend, vond ik dat. Toch dacht ik bij mezelf: waarom niet eigenlijk? Waarom zou ik voor de verandering niet eens de schijnwerpers richten op het hogere, geestelijke Ik van de mens? Tenslotte was ik toch antroposoof. Maar alle goede voornemens ten spijt, kon ik mezelf er niet toe brengen het eens te proberen. Het was zoveel plezieriger en spannender om stout te zijn. En dus bleef ik karikaturen tekenen en mijn uiterste best doen om mensen zo lelijk mogelijk te maken. Tot die dag op de Gentse Feesten, toen die onwaarschijnlijk mooie vrouw op mijn stoel plaatsnam.

Ik dacht meteen: nu ga ik het eens proberen! Ik ga deze vrouw nog mooier maken dan ze al is! Ik hoefde er mezelf niet eens geweld voor aan te doen: haar schoonheid ontwapende me. Je moest echt wel een onmens zijn om dit godenkind naar beneden te willen halen. Zelfs ík was zo slecht niet. En zo kwam het, dat op die zomerse dag, te midden van de feestdrukte, mijn betere Ik de bovenhand kreeg en ik mijn allereerste geïdealiseerde portret tekende. Het resultaat mocht er best wezen, vond ik. De vrouw op mijn papier was nóg knapper dan de vrouw die voor me zat, en ik verheugde me al op haar reactie. Toch zat het me niet helemaal lekker. Ik had het gevoel niet eerlijk te zijn en de boel te belazeren. Slijmerd die je bent, dacht ik bij mezelf, schijnheiligaard! Het scheelde niet veel of ik had een hekel aan mezelf gekregen. Ik begreep het niet. Was ik voor één keer niet onversneden positief geweest? Had ik mijn slechte Ik niet het zwijgen opgelegd? En uitgerekend nu kreeg ik een vieze smaak in de mond.

Ik haalde m’n schouders op. Waarschijnlijk voelde mijn lagere Ik zich verongelijkt omdat het zijn tanden niet in mijn model had mogen zetten. Trots en vol verwachting toonde ik de vrouw het resultaat van mijn inspanningen. Ze bevroor. Met opengesperde ogen staarde ze naar mijn tekening. Ben ík dat? kon ze uiteindelijk uitbrengen. Ze was in shock. Ben ik dan ZO lelijk? stond er in grote letters op haar verbijsterde gezicht geschreven. Mijn eigen gezicht moet het hare weerspiegeld hebben, want ik was op mijn beurt verbijsterd. Ik had deze vrouw nóg mooier gemaakt dan ze al was, en wat ze zag was … een monster! Zo’n reactie hadden zelfs mijn kwaadaardigste karikaturen nooit teweeggebracht. Ik begreep er niks van. Wat was hier aan de hand? Mijn portret mocht dan misschien niet zo ‘ideaal’ zijn als ik wel dacht, maar een karikatuur was het heel zeker niet. En toch was de vrouw vervuld van afgrijzen en ongeloof. Wat had zij eigenlijk verwacht? Welk beeld had zij van zichzelf? 

Ik moest denken aan de onaantrekkelijke vrouwen die af en toe in mijn stoel kwamen zitten. Soms waren ze ronduit lelijk. Toch lieten ze een karikatuur van zich maken en ze konden er nog hartelijk om lachen ook. Het wekte onwillekeurig mijn bewondering. Dat zelfrelativeringsvermogen heb ik ooit eens in de overtreffende trap meegemaakt toen ik twee zwaar spastische mensen tekende. Ze waren vreselijk om aan te zien, ik durfde haast niet te kijken. Ben je zeker dat ze een karikatuur willen? vroeg ik aan hun begeleider. Heel zeker, antwoordde hij. Het was trouwens onmogelijk om van hen iets anders dan een karikatuur te maken, karikaturaler dan ze eruitzagen kon eenvoudig niet. En dus tekende ik gewoon wat ik zag. Toen ik aarzelend het resultaat liet zien, kregen ze allebei een soort epileptische aanval. Ze hingen half uit hun rolstoel, liepen paars aan, maakten piepende geluiden en schokkende bewegingen. O God, dacht ik, wat heb ik gedaan! Maar hun begeleider stelde me gerust: ze komen niet bij van het lachen!

Hij vertelde me dat er niks mis was met hun verstand, innerlijk waren ze net als iedereen. Alleen uiterlijk zagen ze er monsterlijker uit dan zelfs mijn ‘beestachtigste’ karikaturen. En met dat afschuwelijke uiterlijk waren ze nu als gek aan het lachen. Later op de dag zag ik ze in de verte passeren. Ze waren nog altijd naar mijn tekening aan het kijken. Het voorval maakte een diepe indruk op mij. Deze ‘ongelukkigen’, zoals ze vroeger genoemd werden, hadden niet alleen vrede met hun uiterlijk, ze konden er zelfs hartelijk om lachen. Zoveel relativeringsvermogen kwam me bijna bovenmenselijk voor. Het verschil met de vrouw die geschokt naar haar geïdealiseerde portret staarde, kon niet groter zijn. Haar reactie had iets ‘ondermenselijks’: ze was begiftigd met een uiterlijk dat velen haar ongetwijfeld benijdden, maar in plaats van dit geschenk naar waarde te schatten, was ze diep teleurgesteld omdat het niet mooier was. Mijn portret mocht dan geïdealiseerd zijn, haar reactie was een groteske karikatuur. 

Waarom bracht mijn streven om mensen zo lelijk mogelijk te maken het beste in hen naar boven? Waarom beleefden zij, net als ikzelf, ongeremd plezier aan het zichtbaar worden van hun lager Ik, terwijl het omgekeerde – het zichtbaar worden van hun hoger Ik – hen met afschuw vervulde? Ik heb weliswaar maar één keer geprobeerd een geïdealiseerd portret te maken, en misschien was die ene vrouw toevallig een uitzondering. Maar als ik denk aan een fenomeen als de politieke correctheid, dan meen ik daarin dezelfde reactie te herkennen. De moderne mens is, althans uiterlijk, een ‘mooie’ mens: beschaafd, vriendelijk, verdraagzaam, vredelievend, enzovoort. De wereld waarin hij leeft steekt schril af tegen de vele landen waar oorlog heerst, armoede, honger, onderdrukking, enzovoort. Toch is deze mooie mens niet te spreken over zijn wereld. Als iemand er een beeld van schetst dat de positieve kanten accentueert, reageert hij geschokt en ziet alleen maar monsterlijk racisme.

Die mooie vrouw was dus geen uitzondering, evenmin als die twee spastische mensen. Samen belichaamden ze een regel: probeer iemands hoger Ik zichtbaar te maken (door bijvoorbeeld een geïdealiseerd portret van hem te maken) en zijn lager Ik komt tevoorschijn, probeer hem daarentegen zo lelijk mogelijk te maken (door bijvoorbeeld een karikatuur van hem te maken) en hij wordt mooi. Anders gezegd, het hogere maakt het lagere wakker, het lagere het hogere. Of nog: positief-zijn werkt averechts, negatief-zijn ook. Dat is natuurlijk de omgekeerde wereld. Mijn vriend de antroposoof zou het er zeker niet eens mee zijn. En hij zou nog gelijk hebben ook. Want er ontbreekt iets aan mijn regel, iets essentieels: hij geldt alleen in de kunst. De klemtoon leggen op het lagere in de mens, werkt alleen ‘verhogend’ als het een middel is om kunst te maken. In de werkelijke wereld maakt het accentueren van het lagere de mens niet beter, wel integendeel. En het accentueren van het hogere maakt hem ook niet slechter. Dat gebeurt alleen in de kunst. 

Maar als deze (omkering)regel alleen geldt in de kunst, hoe komt het dan dat je hem ook aantreft in de politieke correctheid, die maar al te werkelijk is? Men probeert uit alle macht het hogere Ik van de mens tevoorschijn te roepen door te hameren op verheven idealen als gelijkheid, verdraagzaamheid, liefde, diversiteit, enzovoort. Het resultaat is een schrikbarende ‘verlaging’ van de mens, want de haat, de afschuw, de onverdraagzaamheid en de verontwaardiging nemen hand over hand toe. Met andere woorden, de moderne mens reageert in toenemende mate zoals de mooie vrouw op mijn poging tot idealisering. Wat in de kunst gebeurt, gebeurt dus ook in de werkelijkheid. De grenzen tussen beide vallen weg. Toch blijft er nog altijd één groot verschil: de moderne mens reageert beslist niet zoals de twee ‘ongelukkigen’ op mijn (getekende) karikatuur. Wanneer hij geconfronteerd wordt met een levende karikatuur barst hij niet in lachen uit, maar in woede en verontwaardiging.

Geen mooier voorbeeld dan de Amerikaanse presidentsverkiezingen van dit jaar. Ze waren een karikatuur van wat verkiezingen horen te zijn en de verkozen president was een karikatuur van wat een president hoort te zijn. Maar daar werd niet om gelachen, o nee. Overal ter wereld braken protesten uit, de mensheid leek wel ten prooi aan massahysterie. De reacties op Donald Trump waren nog karikaturaler dan de man zelf. Ze getuigden van een gebrek aan relativeringsvermogen dat in de kunst ondenkbaar is. Want zelfs als mensen niet kunnen lachen om een karikatuur, beseffen ze dat ze dat eigenlijk wel zouden moeten kunnen, en dat het getuigt van zwakheid om je kwaad maken. Wat de mens in de kunst wél kan, kan hij niet in de werkelijkheid. En hij kan het niet omdat hij niet weet dat de grenzen tussen kunst en werkelijkheid verdwenen zijn. Hij realiseert zich niet dat de moderne wereld één grote karikatuur is geworden waar hij eigenlijk zou moeten kunnen om lachen.  

De moderne mens beseft niet dat het omkeringsprincipe van de kunst vandaag ook in de werkelijkheid werkzaam is en dat hij de wereld dus niet zal kunnen verbeteren door er louter positieve, idealiserende krachten op los te laten. Dat zal juist averechts werken, de actualiteit bewijst het iedere dag. Het enige wat echt zal helpen, is het omgekeerde: een karikatuur maken van de werkelijkheid. Alleen door het negatieve uit te vergroten zal de mens kunnen doen wat hij zo graag wil: een nieuwe, mooiere wereld maken. Hij moet ‘het beest’ in zich loslaten, maar dan wel op een kunstzinnige manier: niet als een doel op zich, maar als een middel om kunst te maken. Daarvoor moet hij echter eerst een beeld hebben van wat kunst is, hij moet weten hoe een kunstwerk ontstaat. En dat betekent in de eerste plaats dat hij zich bewust moet worden van het omkeringsprincipe dat in de kunst werkzaam is. Want als hij dat niet doet, zal al zijn idealisme, al zijn streven naar wereldverbetering hem alleen maar in het ongeluk storten. 

Trumpe l’oeil

  

Black Donald

  

Volgens de New York Times trad Donald Trump in 1998 al op als Zwarte Piet tijdens het Sinterklaasfeest op de Nederlandse ambassade (!). “We’re gonna paint our faces so black, it’s gonna be great, believe me folks”, zou hij bij die gelegenheid hebben gezegd. Profetisch, en nu pas snappen we, dankzij de witwasoperatie van deBuren en het Vlaamse Minderhedenforum, waarom Donald voor zwart ging. Trump is Zwarte Piet, Hillary was Sinterklaas. Trump liep met zijn fouten te koop, Hillary veegde alles onder de mat. Trump was dom, Hillary slim. Trump gleed door de schoorsteen, Hillary kwam op een wit paard. En viel er finaal af. In feite waren ze best wel een leuk stel tijdens de campagne, de bitsigste aller tijden. Maar veel meer dan Obama, lieveling van politiek-correct links, blijkt Trump nu de neger die het Witte Huis vuil maakt en de goegemeente schandaliseert. Dat is een schok, evenals het feit dat de zogenaamde racist nogal wat stemmen bleek gekregen te hebben van zwarten, latino’s, en andere verschoppelingen der aarde: Trump bleek geloofwaardiger als profeet van de verandering dan Clinton, net omdat hij zichzelf was en niemand anders.

(Johan Sanctorum)

The American Dream

  
Je staat in een rij. Het is als een pelgrimstocht. Ergens aan de horizon bevindt zich de Amerikaanse Droom. De rij is tot stilstand gekomen. Er zit al een tijdje geen beweging in. Je staat al een tijd geduldig te wachten met een zekere hoopvolle verwachting. Voor je zie je met name andere blanken, vooral mannen, wat ouder, veelal christenen. Sommigen hebben geleerd, anderen niet. Allemaal hebben ze altijd hard gewerkt en hun best gedaan, net als jij. Dan zie je opeens mensen die voordringen. Het zijn zwarten die dankzij programma’s voor positieve discriminatie voorrang krijgen bij huisvesting of onderwijs. Het zijn vrouwen die ineens baantjes toebedeeld krijgen die voorheen altijd naar mannen gingen. Het zijn immigranten en vluchtelingen, die helemaal niet in de Verenigde Staten zijn geboren, maar ook al een speciale behandeling krijgen. Er wordt om begrip gevraagd. Ach, je ziet jezelf als een goed mens met een goed hart, dus enig begrip voel je wel. Maar toch klopt er iets niet. En dan zie je de president, Barack Hussein Obama. Hij zwaait vrolijk naar al die mensen die zijn voorgedrongen. En ineens besef je: verrek, dát is de vent die al die anderen laat voorgaan! Trouwens, is hij zelf niet ook voorgedrongen? Hoe kon die Obama eigenlijk op Harvard studeren, als zoon van een alleenstaande moeder? En wacht eens even: de rij staat helemaal niet stíl, je wordt terúggedrongen! Hij geeft zelfs voorrang aan bedreigde diersoorten, want zelfs díe vindt hij belangrijker dan jou. Dit is niet langer jouw president. Dit is niet de overheid die jouw steun verdient.

(Arlie Hochschild)

Eén beeld zegt meer dan duizend woorden

  

Go for it, Donald!

  

Ja dit had ik niet voorspeld./ Maar de grootste verliezer is niet de polls of de voorspellers./ De grootste verliezer heet stabiliteit.

Zo gaat het twitterbericht van Geert Noels, bestuurder van de Koninklijke Schenking, en zo wordt heel politiek-correct Vlaanderen vandaag verdrietig wakker. En ja, ook deze keer werkt het bij mij weer, zoals bij Zwarte Zondag en de Brexit-uitslag: een licht gevoel van euforie, niet omwille van Trumps zege zelf, maar vooral omwille van de verslagenheid die hij teweeg brengt bij het soort lieden dat altijd weer in onze plaats probeert te denken en voor “stabiliteit” gaat: de verzamelde Vlaamse pers (van meetaf aan trouwens anti-Trump), de culturele sector inclusief de show-bizz (al is Trump toch een geboren entertainer waar ze nog veel van kunnen leren), de complete politieke klasse (behalve het uitschot dat VB heet), alle economen, sociologen, psychologen, filosofen, etcetera. Down, depri, ontdaan, gedegouteerd. 

Twitter en Facebook dragen vandaag een rouwband en verbijstering is bijna een plicht. De nachtmerrie van Francesca Vanthielen ‎(What’s next? Volgend jaar Marine Le Pen presidente in Frankrijk? Nachtmerrie maar klaarwakker. #Frexit #ElectionNight) drukt een raar soort ongeloof uit in de democratie, om niet te zeggen een afkeer van de volkswil. Alleen als mensen stemmen voor de juiste partij hebben ze stemrecht, zo wil het een oude linkse onhebbelijkheid. Daarna komt Hitler boven water, sneren naar het populisme, en de roep om een loterijdemocratie. Ik bedoel maar: hoeveel plezier kan je hebben in het pruilemondje van Francesca, de eeuwige politieke maagd en sociaal bewogen glamour-actrice met een bloeiende vennootschap?  

Daarnaast zijn de holebi’s en feministen teleurgesteld: Trump is niet alleen een racist die muren wil bouwen, maar ook een seksist, ook al draagt Hillary de naam van de grootste scheefpoeper in de Amerikaanse presidentengalerij, te weten haar man die overal achter haar aanhuppelde tijdens de campagne. Niettemin is Trump een geile, verdorven, perverte opschepper en seksmaniak, dat weten we dankzij stiekeme opnames in een busje waar hij zich verbaal eens laat gaan. Maar liever de leugenachtigheid van de vrouw Hillary dan het plompe parler-vrai van den Donald, zo willen het de tetterkransen van de vrouwenbeweging.  

Last but not least ontduikt hij belastingen en heeft een paar frauduleuze faillissementen op zijn naam. Andermaal: de morele verontwaardiging slash diabolisering bij het Vlaams-Belgische establishment steigert zodanig, dat mijn donkere kant steeds donkerder wordt, en begint te sympathiseren met deze arme duivel die toch maar doet wat hij moet doen, namelijk winnen. Tegen en ondanks al de rest.   

Wat zouden mijn FB-vrienden nu doen die met een Hillary-petje naar New-York waren afgereisd? Hun verdriet verdrinken in een bar op Manhattan? Zwijgend naar de luchthaven sleffen om in het vliegtuig met andere Hillaristen op gedempte stem door te bomen over het einde van de wereld? Komaan zeg, jongens, het was maar entertainment en binnen een paar maanden begint den Donald gewoon een presidentiële soap, hopelijk ook weer gekruid met pittige slippartijen in en rond de Oval Room

Voor het politieke establishment aan de Noordzee, zie hoger, breekt nu een tijd aan van het betere bochtenwerk, daar zijn ze goed in. Want met die vervelende Trump moeten ze nu natuurlijk wel kersen gaan eten, en van de slag wordt de racistische seksist met al zijn praatjes de man die hier met de hoogste protocollaire eer zal ontvangen worden. Buigen als knipmessen zullen ze, en alle eerdere verwensingen inslikken, in naam van de Noordatlantische vriendschap en de Westerse bondgenootschappen.  

Voor de rest wens ik alle kunstenaars, acteurs, journalisten, uitgevers, TV-presentatoren, politicologen en Gutmenschen allerhande, niet het minst de door een Antwerpse mini-Trump vervolgde redactie van Apache, een aangenaam rouwproces toe. Want ook verdriet schept verbondenheid, en creëert nog sterker een gevoel van morele superioriteit tegenover de onmens die het allemaal veroorzaakte. Ach, het solidaire gevoel tegen de slechterik, het is zo speelplaats lagere school. Wie een meter achteruit gaat staan, kan toch niet anders dan zich vrolijk maken om deze opstoot van nationale rouw. En zich verder afvragen hoeveel hypocrisie er achter geëtaleerde weldenkendheid schuil gaat. Go for it, Donald, je hebt de meerderheid van de kiezers achter je, meer moet dat niet zijn.

(Johan Sanctorum)

Getrumpeerd

  

Toch nog één lichtpuntje in deze natte novemberduisternis: Donald Trump heeft de verkiezingen in Amerika gewonnen. Ben ik dan een fan van The Orange Man? Hahaha. Ik ben net iets te oud geworden om nog te geloven dat er enig heil te verwachten is van ‘onze leiders’. Trump zal de Nobelprijs voor de Vrede wel niet krijgen, maar verder zal er geen verschil zijn met de warlords die hem zijn voorafgegaan. Nee, waar ik me over verheug, is dat al die anti-Trumpers nu flink op hun neus kijken. Want ze hebben hun uiterste best gedaan om Donald Trump voor te stellen als de nieuwe Hitler. Waar hebben we dat nog gehoord? O ja, in de United States of Belgium. Weet u nog, Adolf De Wever en zijn nazi-Vlamingen? Wat die allemaal naar hun hoofd hebben gekregen van de beschaafde, ontwikkelde, kunstminnende inwoners van dit land! Ja, wij Belgen weten wel waar de Amerikanen hun mosterd hebben gehaald. Of is het omgekeerd? Want in Amerika swingt de politieke correctheid echt wel de pan uit. In Ontario bijvoorbeeld wordt al gesproken over het afschaffen van de woorden ‘vader’ en ‘moeder’ wegens te discriminerend. Hier bij ons zijn ze nog bezig met het afschaffen van ‘allochtoon’, ‘neger’ en Zwarte Piet, maar aan de overkant van de oceaan staan ze al een stuk verder. En dan is het natuurlijk verfrissend om zo’n Donald Trump bezig te horen die alles zegt wat niet mag gezegd worden – al is ‘verfrissend’ niet echt het juiste woord in de huidige weersomstandigheden. 

Waarom werd er zo buitensporig veel aandacht besteed aan de Amerikaanse presidentsverkiezingen? Omdat ons een beeld moest ingeprent worden. We staan voor een uiterst belangrijke keuze, een keuze tussen goed en kwaad, een keuze die de toekomst van de wereld zal bepalen. En die keuze, wil men ons wijsmaken, is een keuze tussen twee mensen: een goede mens en een slechte mens. De goede mens was in dit geval een linkse, progressieve vrouw, de slechte mens een rechtse, conservatieve man. In werkelijkheid is dit natuurlijk een keuze tussen een luciferische mens en een ahrimanische mens. Het is het oude verhaal: nadat de geest is afgeschaft, wordt Lucifer (de abstracte idealist) beschouwd als het goede en Ahriman (de kille realist) als het slechte. De polarisatie tussen die twee wordt steeds groter en ze bestrijden elkaar steeds heviger. De fans van Lucifer, die over een buitengewoon groot ego beschikken en zichzelf zien als de vertegenwoordigers van alles wat goed, waar en mooi is, kijken met afschuw en walging naar de volgelingen van Ahriman, die geen boodschap hebben aan de mooie woorden van de gutmenschen. Deze Luciferianen hebben we weer volop aan het werk kunnen zien tijdens de voorbije verkiezingscampagne en het is lichtjes verbijsterend om al die haat, walging en minachting te horen uit de mond van mensen die ervan overtuigd zijn louter liefde en vrede te belichamen. Tja, Lucifer is zo vol van zichzelf dat het niet eens in hem opkomt dat hij misschien niet is wat hij denkt te zijn. 

Een Ahrimaniaan als Donald Trump ziet zichzelf als een realist en het kan hem niet schelen wat anderen van hem denken. Hij doet met hun meningen wat hij met alles doet: ze gebruiken. Hij heeft de haat van de Luciferianen gewoon tegen henzelf gekeerd. Hij heeft de gewone Amerikaan, de plattelandsamerikaan, laten zien: zo denken de keurige stadslui over jullie! En dat heeft gewerkt, zoals het ook in België gewerkt heeft en zoals het waarschijnlijk overal ter wereld werkt. Want het ego van Lucifer is groter dan zijn verstand (terwijl het bij Ahriman net omgekeerd is). Je zou denken dat al die politiek correcte intellectuelen en kunstenaars verstandig genoeg zijn om te beseffen dat hun haat alleen maar tegenhaat veroorzaakt, maar ze zijn zodanig verblind door hun eigen ego dat ze onbewust redeneren: je kunt het licht van de zon toch niet ontkennen! De tragedie die hierachter schuilgaat, is dat de echte zon – de Christuszon van het Ik – inderdaad in hen is opgekomen. Zij beleven onbewust de Wederkomst van Christus, maar verwisselen hem met Lucifer en maken hem op die manier tot een werktuig in handen van Ahriman. Zonder het te beseffen veroorzaken ze tussen Lucifer en Ahriman een vicieuze cirkel van haat waarvan de Antichrist het middelpunt is. 

Het beeld dat de Luciferianen door middel van hun anti-Trumppropaganda in onze geesten willen prenten, is dat van de keuze tussen goed en kwaad, tussen Christus en de Antichrist. Dat beeld heeft zo’n succes omdat het op waarheid berust. We stáán inderdaad voor die keuze, de meest beslissende keuze waarvoor de mensheid ooit gestaan heeft, de keuze waarvoor Christus ons stelt: wie niet voor mij is, is tegen mij. Als gevolg van de afschaffing van de geest wordt die keuze echter automatisch op Lucifer en Ahriman geprojecteerd. Het is, zo denken we onbewust, van het allergrootste belang dat we partij kiezen voor Lucifer, anders vallen we in handen van de Antichrist en zijn we verloren. De Luciferianen zien Donald Trump werkelijk als de Antichrist, als het grootste gevaar ter wereld. Wat ze niet beseffen, is dat ze zelf dat gevaar zijn, dat ze pleitbezorgers van de Antichrist zijn. Vervuld van de stralendste idealen brengen ze hel en verdoemenis over de wereld, en juist omdat ze door Christuskrachten worden gedreven, zijn ze niet tegen te houden. Het enige wat hen een halt kan toe roepen, is het onderscheid tussen hun luciferische ego en hun christelijke Ik. Maar het bestaan van dat Ik wordt door zowel Luciferianen als Ahrimanianen in alle toonaarden ontkend, dus die zelfkennis zal nog niet voor morgen zijn. In plaats daarvan wordt ons het beeld van de strijd tussen goed en kwaad ingeprent als een strijd tussen Lucifer en Ahriman. En omdat we geen aandacht besteden aan beelden –  laat staan kritische aandacht – dringt dit beeld steeds dieper door in ons onderbewustzijn en wordt daar steeds meer in werkelijkheid omgezet. 

Man met haar

  

Hoe untouchable de islam ook in Amerika is, blijkt uit de reacties van vooraanstaande republikeinen op de uitspraken die Donald Trump deed naar aanleiding van de aanslag in Orlando. Wat voor verschrikkelijks had hij dan wel gezegd? Dat hij dit voorspeld had, dat hij als president een immigratiestop voor moslims zou afkondigen en dat de schuld van de schietpartij lag bij de radicale islam. O ja, en hij zou ook gesuggereerd hebben dat Obama begrip zou hebben voor de moordpartij. Een mens vraagt zich af wat daar zo verschrikkelijk aan is. Voorspellen dat dit zou gebeuren, kon iedereen. Dat de schuld ligt bij de radicale islam, begrijpt ook iedereen. En dat Obama zich in alle bochten wringt om de islam uit de wind te zetten, ziet ook iedereen. Blijft dus alleen nog die immigratiestop over. Is dát een reden om – zoals Obama deed – Trump voor te stellen als een bedreiging voor de veiligheid van Amerika? Wat zou de grootste bedreiging voor Amerika vormen: geen moslims meer toelaten in Amerika of het Midden-Oosten blijven bombarderen, zoals Obama nu al jaren doet? 

Ik ken Donald Trump niet (ik ken alleen zijn revolutionaire kapsel), ik weet ook niet wat hij zegt, ik weet alleen dat de verzamelde politieke correctheid zijn bloed wel kan drinken. En ik weet ook dat wat de kopstukken van zijn eigen partij hem vandaag verwijten ronduit pervers is. Het is zonneklaar dat de gevoelens van moslims ontzien, niet werkt. Hoe meer ze krijgen, hoe ontevredener ze worden (en als dit niets met de islam te maken heeft, vraag je je af waarmee dan wel). Aanslagen zoals in Orlando zullen steeds talrijker worden, zowel in Amerika als in Europa. Vroeg of laat zal er iets moeten gebeuren, tenminste als het Westen niet helemaal op de knieën wil gaan liggen voor de moslims (en dus zelf moslim worden) of als het niet wil afstevenen op een burgeroorlog (want hoelang zal het nog duren voor mensen het recht in eigen handen gaan nemen?). Maar als Donald Trump een immigratiestop voor moslims voorstelt (wat slechts een eerste stap kan zijn) staat iedereen op zijn achterste poten. Tenminste, dat willen de kranten ons doen geloven, en dat wil president Obama ons doen geloven.

Volgens hem wil Trump terug naar de tijd toen er nog geen vrijheid van religie was en er nog vrijelijk gediscrimineerd kon worden. ‘Gaan we nu alle moslims in de VS anders behandelen? Gaan we ze discrimineren op basis van hun geloof? Dat is niet het Amerika wat wij willen. Dit strookt niet met onze democratische idealen’, roept hij pathetisch uit. Een mens vraagt zich af wat die ‘democratische idealen’ dan wel inhouden. Jezelf laten vermoorden uit angst de moordenaars te discrimineren? Moslims carte blanche geven in naam van de vrijheid van godsdienst? Vergeten dat moslimterroristen niets anders doen dan wat hun godsdienst hen voorschrijft? De terroristen misbruiken de islam, beweerde Obama onlangs in een felgesmaakte speech. Maar zelf misbruikt hij de democratie. Hij vult haar naar eigen believen in, veel meer dan de terroristen doen met de islam. Als Obama-democratie betekent dat je je niet mag verdedigen en dat je een agressieve godsdienst als de islam geen duimbreed in de weg mag leggen, geef mij dan maar de democratie van Donald Trump. Die heeft tenminste haar op haar tanden. 

Kelly en Donald

  

‘Ongeveer elke Belg met een gemiddeld aantal hersencellen ter beschikking krijgt kop noch staart aan de populariteit van een figuur als Donald Trump aan de andere kant van de grote plas.’ Aldus Kelly Deriemaeker in De Standaard. Wel, Kelly, ik begrijp de populariteit van Donald heel goed. Dat komt natuurlijk doordat ik veel minder hersencellen ter beschikking heb dan jij. Vandaar ook mijn overtuiging dat de Kelly’s dezer wereld, met hun meer dan gemiddeld aantal hersencellen, een groter probleem vormen dan de Donalds dezer wereld, met hun minder dan gemiddeld aantal haarcellen.