Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: dood en opstanding

De goede dood

  

Met je verstand, zei Rudolf Steiner ooit, kun je veel verder in de geestelijke wereld doordringen dan op gelijk welke andere wijze. Dat ondervond ik zelf – in het klein – toen ik onder deskundige leiding leerde tekenen. Door de zintuiglijke werkelijkheid met mijn verstand te herleiden tot abstracte vormen, drong ik er veel dieper in door dan ik door kinderlijk nabootsen ooit had gekund. De zintuiglijke wereld is natuurlijk de geestelijke wereld niet, maar beide liggen wel in elkaars verlengde. Ze verhouden zich tot elkaar zoals kunstwerk en kunstenaar. Het kunstwerk behoort tot de materiële werkelijkheid, maar het is een schepping en uitdrukking van de geest van de kunstenaar. En die geest – zijn Ik – leren we beter kennen door het kunstwerk dan door de kunstenaar zelf, want veel van wat in deze laatste verborgen blijft, wordt zichtbaar in het kunstwerk. Op voorwaarde dat we doordringen tot bovenzintuiglijke dimensie van dat kunstwerk en daarvoor hebben we ons verstand nodig. 

Het menselijk gelaat is het kunstwerk waarin de geest het duidelijkst tot uiting komt. In de portretten die ik tekende, werden – tot mijn eigen verbazing – soms eigenschappen zichtbaar die ik op geen enkele (bewuste) manier had waargenomen aan mijn model. Door me uitsluitend te concentreren op de uiterlijke vormen van zijn gezicht, was ik doorgedrongen tot zijn geestelijke wezen. In bepaalde gevallen werd ik dat wezen reeds gewaar tijdens het tekenen zelf. Ik stuitte dan bijvoorbeeld op onverwachte weerstanden bij mensen die naar buiten toe heel open en sociaal waren, maar die innerlijk een onzichtbare vesting bleken die ik moest belegeren. Ook het omgekeerde gebeurde. Mensen die heel gesloten en terughoudend waren, legden me innerlijk niets in de weg. Ze gaven me vrij toegang tot hun diepste wezen, ofschoon daar uiterlijk niks van te merken was. Weerstand of medewerking: alles speelde zich af op geestelijk niveau, een niveau dat zij noch ik konden waarnemen – tot ik begon te tekenen. 

Dat niveau had ik nooit kunnen bereiken als ik op kinderlijk nabootsende wijze was blijven tekenen, als ik niet mijn verstand had gebruikt om iemands gezicht te herleiden tot louter abstracte vormen. Hoe is dat mogelijk? Waarom dringen we met ons verstand dieper door in de wereld van de geest dan bijvoorbeeld met ons gevoel? Staat het gevoel niet veel dichter bij de levende geest dan het verstand, dat de geest juist doodt? En toch kunnen we met dat dodelijke verstand dieper in iemands ziel doordringen dan met ons empathische gevoel. Dat ondervond ik bij het tekenen van portretten. Wat ik waarnam door iemands gezicht louter verstandelijk te analyseren en weer op te bouwen als was het een meetkundige constructie, kon ik op geen enkele andere manier waarnemen. Sprekende portretten – waarin het Ik van een mens tot uitdrukking komt – ontstaan dan ook niet doordat de kunstenaar zich zo goed kan inleven in zijn model, maar doordat hij er zo goed afstand kan van nemen. 

Hoe valt die paradox te verklaren? Dat lijkt misschien een vraag voor kunstliefhebbers, maar de manier waarop een kunstenaar de werkelijkheid benadert is vandaag de enige manier waarop we nog kunnen doordringen tot de wereld van de geest. Er bestaan weliswaar ook andere manieren, maar die brengen ons niet zover als de kunstzinnige benadering en ze openen bovendien de deur voor allerlei vormen van misleiding. Niet voor niets baseerde Rudolf Steiner zijn antroposofie op de werkwijze van Goethe, die kunstenaar was in alles wat hij deed. De Goetheaanse fenomenologie vormde de brug tussen de zintuiglijke en de bovenzintuiglijke wereld. En die brug zocht hij, want hij wilde meer dan enkel spreken over de bovenzintuiglijke wereld die hij als helderziende waarnam. Hij wilde die wereld ook ontsluiten voor niet-helderzienden door hem te verbinden met de zintuiglijke wereld, of beter: door aan te tonen dat de zintuiglijke en de bovenzintuiglijke wereld zijden van eenzelfde medaille zijn. 

Mensen zoals Rudolf Steiner, die van nature de geestelijke wereld kunnen waarnemen, zijn uiterst zeldzaam. De moderne mens heeft in de regel zijn oude helderziende vermogens verloren, zelfs in die mate dat hij niet meer gelooft in het bestaan van een geestelijke wereld. Hij doet geen enkele moeite meer om die wereld waar te nemen, overtuigd als hij is dat de zintuiglijke werkelijkheid de enige, echte werkelijkheid is. Slechts één soort mensen heeft nog iets van de oude helderziendheid bewaard en dat zijn de kunstenaars. Ze zijn kunstenaar geworden omdat ze (onbewust) nog iets waarnemen van de bovenzintuiglijke dimensie van de wereld. In hun kunst proberen ze een brug te slaan tussen die bovenzintuiglijke dimensie en de gewone zintuiglijke dimensie. Ze creëren beelden die zowel materieel als geestelijk zijn. Op die manier houden kunstenaars in een steeds materialistischer wordende wereld een plekje vrij voor de geest, ook al is dat een geest die enkel gevoelsmatig waargenomen wordt. 

In die zin is iedere kunstenaar of kunstliefhebber een onbewuste antroposoof. Zonder het te beseffen, gaat hij een scholingsweg die leidt van de zintuiglijke waarneming naar de bovenzintuiglijke waarneming, van materie naar geest. Op die manier blijft hij, alle materialisme ten spijt, verbonden met de wereld van de geest. Maar vandaag dreigt die verbinding verloren te gaan doordat de kunst in toenemende mate vervangen wordt door een schijnkunst die de mens geen toegang meer biedt tot de geestelijke wereld. Het loutere feit dat deze ‘hedendaagse’ kunst erin geslaagd is de plaats van de ‘oude’ kunst in te nemen, toont aan hoe zwak ons zintuig voor de geest geworden is. Het dreigt helemaal in te slapen en ons over te leveren aan een geestloze, kunstloze wereld waarin het niet langer mogelijk is mens te blijven. We realiseren ons niet hoe groot het gevaar voor ontmenselijking en verdierlijking is, nu we langzaam maar zeker ons laatste contact met de geest – de kunst – kwijtraken. 

Paradoxaal genoeg wordt deze ontmenselijking aangevuurd door onze … vergeestelijking. Tijdens de zogenaamde Godenschemering trok de geestelijke wereld zich langzaam terug en verloren we stap voor stap al onze helderziende vermogens. Vandaag is het Duistere Tijdperk afgelopen en dringt de geestelijke wereld opnieuw tot ons door. Als gevolg daarvan worden we op natuurlijke wijze weer helderziend. Maar onze helderziende waarnemingen – die tussen haakjes kunstenaars en wereldverbeteraars van ons maken – vinden geen toegang tot ons materialistische bewustzijn. Ze worden er als het ware door teruggestoten en zien zich verplicht via ons onderbewustzijn een weg te banen naar ons hart. In die onbewuste, slapende wereld zijn ze echter niet meer op hun plaats en ze ontketenen er wilde driften en begeerten. Als we er niet in slagen deze instinctief werkende geest in ons bewustzijn te heffen en te verbinden met onze vrije wil, dan zal hij ons verdierlijken in plaats van vergeestelijken. 

Het is geen toeval dat Rudolf Steiner als één van zijn allereerste basiswerken een esthetica schreef. Hij had ondervonden hoe cruciaal de kunst was voor de toekomstige ontwikkeling van de mens en wees met nadruk op twee diametraal tegengestelde opvattingen over kunst: een Goetheaanse opvatting die de menselijke cultuur zou vergeestelijken en redden, en een materialistische opvatting die de menselijke cultuur ten gronde zou richten. Deze laatste opvatting wordt belichaamd door de hedendaagse kunst, die inderdaad een niet te miskennen beeld ophangt van een beschaving in verval. Toch wordt het dehumaniserende karakter van deze schijnkunst nauwelijks waargenomen, en dat is een veeg teken. Eén van de gevolgen van de verdierlijking is namelijk dat de mens er zich niet van bewust is. Een mens weet wel dat hij mens is, maar een dier weet niet dat het dier is. Het bezit de gave des onderscheids niet en juist die – typisch menselijke – gave is vandaag zienderogen aan het verdwijnen.  

Daarom is het van het grootste belang dat we ons bewust worden van de kunstzinnige benadering van de werkelijkheid en daarbij duidelijk onderscheid maken tussen twee tegengestelde visies op kunst die Rudolf Steiner, niet zonder reden, centraal plaatste in zijn esthetica. Kunst, zei hij, is niet een idee in zintuiglijke vorm (zoals vandaag algemeen wordt aangenomen), het is een zintuiglijke werkelijkheid in ideële vorm. Anders gezegd, kunst is geen geest die materie wordt, maar omgekeerd, materie die geest wordt. Blijven we kunst zien als iets wat de geest ‘materialiseert’, dan zal deze benadering ons steeds dieper in de materie trekken, en dat des te meer naarmate we helderziender worden en de kunst instinctief tot voorbeeld nemen. Het zal dus paradoxaal genoeg onze (onbewuste) honger naar geest en kunst zijn die ons de onderwereld in drijft, die ons verdierlijkt en ontmenselijkt, en ons tegelijk in de waan brengt dat we steeds kunstzinniger en menselijker worden. 

Deze duivelse valstrik kunnen we alleen vermijden door kunst te zien als een zintuiglijke werkelijkheid in de vorm van de idee – als vergeestelijkte materie zeg maar – en niet omgekeerd. Zolang we nog enig gezond gevoel bezitten, doen we dat vanzelf. Niemand kan ons dan wijsmaken dat een pispot net zo goed kunst is als de madonna van Rafaël. Maar als dat gevoel zo zwak wordt dat we geen verschil meer zien tussen kunst en onkunst, dan kan alleen bewust inzicht ons nog helpen. En daarvoor moeten we met ons verstand doordringen in de wereld van de kunst, we moeten de manier waarop zij de wereld benadert in heldere begrippen gieten. Dat is wat Rudolf Steiner gedaan heeft in zijn esthetica en in zijn andere werken over Goethes Weltanschauung. Op dat fundament bouwde hij vervolgens zijn hele antroposofie waarmee hij de moderne mens de weg toonde om op een bewuste en vrijwillige manier – niet instinctief en dwangmatig dus – weer in contact te komen met de geestelijke wereld.

Om die reden is het van cruciaal belang dat we de twee kunstvisies waar Rudolf Steiner op wijst, duidelijk onderscheiden. Want als het fundament waarop we onze brug naar de geestelijke wereld bouwen verkeerd is, als het een omgekeerd fundament is, dan bouwen we geen brug naar de hemel maar naar de hel. We dalen dan steeds dieper in de onderwereld af, terwijl we ervan overtuigd zijn steeds hoger te stijgen. We hoeven maar aan moslimterroristen te denken om te begrijpen hoe reëel dit gevaar is. Deze mensen begaan gruwelijke misdaden, maar ze wanen zichzelf halve heiligen, martelaars voor de goede zaak. Dezelfde mentaliteit vinden we bij de politiek-correcten, de zogenaamde Gutmenschen. Ze richten de menselijke beschaving ten gronde in de overtuiging dat zij haar redden. Deze terreurzaaiers – Oostelijke zowel als Westerse – worden bezield door grootse idealen en gedreven door louter goede wil, maar zij steunen op het verkeerde fundament. 

Met ons verstand doordringen in de kunst, is doordringen in de fundamenten van onze wereldbeschouwing. Dat vergt een strijd met het kwaad, want de tegenmachten weten beter dan wie ook hoe belangrijk de kunst is voor de moderne mens. Ze weten ook dat de mens dat weet (dankzij zijn nieuwe helderziendheid) en dat het dus geen zin heeft hem ervan af te willen brengen. Wat ze echter wel kunnen doen – en wat ze, met doorslaand succes, ook gedaan hebben – is de kunst vervangen door een ‘nieuwe’ kunst, die precies hetzelfde doet als de oude maar dan omgekeerd. Ze hebben de kunstenaar en de kunstliefhebber – die altijd zijn uitgegaan van de zintuiglijke werkelijkheid – laten geloven dat ze in feite uitgaan van de bovenzintuiglijke werkelijkheid. Dat denkbeeld was des te aantrekkelijker omdat het materialisme de mens geestelijk uithongerde en hem tot een gemakkelijke prooi voor deze omkering maakte. De uitgehongerde mens wilde maar al te graag geloven dat hij uitging van de geest.

Rudolf Steiner doorzag deze duivelstruc en stelde hem aan de kaak in zijn esthetica. Maar hij werd niet begrepen. De ‘geestelijke honger’ verdoofde het onderscheidingsvermogen van zijn leerlingen. Honderd jaar nadat Rudolf Steiner de antroposofie officieel verbond met de kunst – en daardoor de afscheuring van de theosofie bewerkstelligde – openden ze de poorten van het Goetheanum voor de hedendaagse kunst. Ze begrepen niet dat deze schijnkunst de visie belichaamde die Rudolf Steiner in zijn esthetica ontmaskerd had en dat ze dus het paard van Troje binnenhaalden. Ze dachten een brug te slaan naar de moderne wereld, maar in werkelijkheid deden ze net het tegenovergestelde en keerden ze terug naar het theosofische stadium. In plaats van uit te gaan van de zintuiglijke werkelijkheid gingen ze uit van de geest. Ze negeerden het dualistische karakter van de materiële wereld en probeerden hem – vergeefs uiteraard – de idee van de driegeleding op te leggen. 

Rudolf Steiner was geen dromer. Hij zag de mogelijkheid onder ogen dat de antroposofie een werktuig van de tegenmachten zou worden en drukte ons daarom op het hart om wakker te blijven. Dat laatste is vandaag niet meer mogelijk zonder de omkering van de kunst te doorzien. Het grote struikelblok daarbij, is de rol die het verstand speelt in het scheppingsproces. Die rol wordt onomwonden verwoord in het beroemde vers van Oscar Wilde: each man kills the thing he loves. Om scheppend werkzaam te kunnen worden, moet de kunstenaar (en moet ieder mens) datgene doden waarvan hij het meeste houdt: de geest. Het is de waarneming van de geest die een mens tot kunstenaar maakt, die in hem de liefde wekt voor de zintuiglijke werkelijkheid, en juist die liefde moet hij ‘doden’ door de zintuiglijke werkelijkheid (met zijn verstand) te herleiden tot dode, abstracte vormen. Dat is het – schokkende – mysterie van de kunst, het mysterie waarvoor de moderne mens instinctief terugdeinst.

James Ensor verafschuwde het academische kunstonderwijs, maar hij was eerlijk genoeg om het een noodzakelijk kwaad te noemen. Hij behoorde tot de generatie kunstenaars die na het aflopen van het Kali Yuga de geest steeds sterker begonnen waar te nemen en het daarom steeds moeilijker kregen die geest – waarnaar ze zozeer hongerden – te ‘doden’. Uiteindelijk konden ze dat niet meer opbrengen en werden ze met waanzin geslagen. Deze waanzin bedreigt vandaag de hele mensheid, want de werking van de geest wordt steeds sterker en grijpt steeds meer mensen aan. Daarom moet het mysterie van de kunst openbaar worden gemaakt. Het moet onttrokken worden aan de kunstscholen waar het in zijn tegendeel wordt gekeerd. We moeten leren begrijpen en beleven dat de geest niet sterft wanneer we hem met ons verstand doden, maar dat hij verrijst, stralender dan ooit. Dat is het pijnlijke maar verlossende geheim van de kunst, het wonder van het vermoorde kind dat lacht en in der eeuwigheid blijft zingen.

Skopiumschuivers

  

In de Zwarte Zaal van het Gentse KASK (Koninklijke Academie voor Schone Kunsten) loopt momenteel een tentoonstelling over de ontstaansgeschiedenis van Studio Skoop, de alternatieve filmzaal waar je de ‘betere’ film kan gaan zien, de zogenaamde arthouse-film. Studio Skoop vormt in Gent de tegenhanger van de Decascoop, het grote bioscoopcomplex waar bijna uitsluitend Hollywoodfilms gedraaid worden. Het verschil tussen die twee is enorm. De Decascoop telt 12 zalen waarvan de kleinste groter is dan de grootste van Studio Skoop. Het is een ultramodern complex waar je in het weekend over de koppen kunt lopen. Vanuit alle richtingen stromen de – meestal jonge – mensen dan toe en het is drummen geblazen om binnen te raken. Op hetzelfde moment staat voor de ouderwetse kassa van Studio Skoop een mager rijtje – vaak oudere – mensen aan te schuiven om even later in een groezelig zaaltje naar een Europese of Aziatische film te gaan kijken. 

Beide bioscopen belichamen de tegenstelling tussen Amerika en Europa, tussen jong en oud, tussen commercie en kunst, tussen mainstream en alternatief, tussen conservatief en progressief, tussen ontspanningszoeker en meerwaardezoeker, tussen rechts en links zeg maar. Mijn voorkeur is altijd ondubbelzinnig uitgegaan naar de Decascoop. Daar kreeg je namelijk meer waar voor je geld. Je kon er niet alleen parkeren, de zalen waren ook ruimer, de zetels comfortabeler, het scherm groter, de geluidsinstallatie beter, en last but not least: er waren volop ijspralines, cornetto’s en popcorn voorhanden. Kortom, de filmbeleving was er veel intenser. Daar stond dan weer tegenover dat je er alleen maar oppervlakkig maakwerk te zien kreeg en geen diepgravende kunst zoals in de Skoop. Hollywood, dat was louter entertainment, voer voor de massa! Wie meer wilde dan wat goedkoop amusement, die moest in Studio Skoop zijn. Tenminste, zo werd daar in beschaafde kringen over gedacht.

Aangezien ik mezelf tot die beschaafde kringen rekende, nam ik die overtuiging gewoon over. Ik ging zelfs nog een stap verder: ik ging helemaal niet meer naar de film. Als student had ik dat nochtans heel graag gedaan: eerst een goeie film zien en er daarna op café over napraten: wat kon een jongmens zich meer wensen (of permitteren)! Maar langzamerhand kreeg ik mijn buik vol van de moderne cinema. Die leek me steeds meer om sex en geweld te draaien. Dus bleef ik liever thuis met een boekje in een hoekje. Radio en televisie had ik al vroeger buitengezwierd. Die waren in hetzelfde bedje ziek als de film. En zo werd ik ouder en wijzer, bedaagder en beschaafder. Tenminste dat dacht ik. Want toen ik op een keer toevallig in de Decascoop terechtkwam, op zoek naar iets om mijn gedachten stop te zetten, gingen mijn ogen open. Ik had me vergist. Hollywood was niet (enkel) de geestdodende filmfabriek, het was heel wat meer dan dat, en dat ‘meer’ zag ik nu heel duidelijk.

Ik begon weer naar de cinema te gaan, en ik ging zowel naar de Decascoop als naar Studio Skoop. Want ik zag geen reden waarom het ‘meer’ dat ik in de Amerikaanse film had ontdekt, niet ook in de Europese film te vinden zou zijn. Maar ik vergiste me. De zogenaamde ‘betere’ film die ze in Studio Skoop draaiden, bleek in werkelijkheid de slechtere film te zijn. Aanvankelijk weigerde ik dat te geloven. Maar ik kwam steeds weer van een kale reis thuis. Enkele uitzonderingen niet te nagesproken was de zogenaamde arthouse-film gewoon een minderwaardige film, vergeleken met de commerciële blockbusters van Hollywood. Ze waren niet alleen slechter gemaakt, ze gingen vaak ook helemaal nergens over. Het oude, verwaarloosde huis aan het Sint-Annaplein waarin Studio Skoop gevestigd was, weerspiegelde de films die er werden gedraaid: ze waren uitgeleefd, ze waren niet meer van deze tijd. Ze beschouwden zichzelf als progressief en vernieuwend, maar in werkelijkheid waren ze precies het omgekeerde: verleden tijd.

Maar wat is het dan dat Amerika wel heeft, en de Europese film niet (meer)? In één woord: geest. Uiteraard produceert Hollywood veel ongeïnspireerd maakwerk, dat hoeft geen betoog. Maar is het ooit anders geweest? Echte, geïnspireerde kunst is altijd zeldzaam geweest, en dat is ze ook in de Amerikaanse filmindustrie. Maar ze is er wel. Hollywood heeft verbluffende meesterwerken voortgebracht. Je moet al ver in het verleden teruggaan om dat soort inspiratie aan te treffen in de kunst. Hoe vreemd het ook moge klinken, in Hollywood is een kunstzinnige geest werkzaam die in Europa al lang niet meer te vinden is. En het is dezelfde geest die Europa groot heeft gemaakt, een door en door christelijke geest. In Europa is hij gestorven, maar in de Amerikaanse filmkunst, in het beste van Hollywood, is hij opnieuw verschenen, in een geheel nieuwe, eigentijdse gedaante. Dat was wat ik 25 jaar geleden, tot mijn eigen stomme verbazing ontdekte in de Gentse Decascoop. 

Het betekende voor mij een enorme bevrijding, want ik hield hartstochtelijk van de Europese kunst. In mijn ogen was ze met geen andere te vergelijken en dat kwam door haar christelijke karakter. Toen ik die zo kunstzinnige geest in de 20ste eeuw zag verdwijnen was ik daar het hart van in. Waar ik ook zocht, ik kon hem niet meer vinden. Ik zag de Europese kunst voor mijn ogen in elkaar storten, en alsof dat nog niet erg genoeg was, werd het ook nog eens op gejuich onthaald. De dood van de Europese kunst werd beschouwd als de geboorte van een nieuwe, universele kunst. Hoe meer de oude kunst verminkt, vernederd en vernietigd werd, des te luider klonk het applaus. Pas veel later zou ik begrijpen dat het een manier was om de dood van Europa niet onder ogen te hoeven zien. Het was een soort neo-Egyptisch ritueel: het lijk werd gemummificeerd, in een praalgraf gestoken en vereerd alsof er niks veranderd was. Maar er was wel degelijk iets veranderd, iets heel ingrijpends: in plaats van het leven vereerde men nu de dood.

Eén blik op de actualiteit volstaat om vast te stellen dat die verandering niet alleen in de kunst plaatsvond. De dood van Europa wordt vandaag toegejuicht als was het een nieuwe religie. Men kan zich niets spirituelers voorstellen dan het vernietigen van het oude Europa. Van overal stromen de doodskrachten toe om deel te nemen aan deze nieuwe wereldgodsdienst. Het is een demonisch spektakel dat een mens doet verstijven. De Europese cultuur, die in de loop der eeuwen richtinggevend is geworden voor de hele wereld, wordt momenteel afgebroken in de overtuiging dat dit afbreken het nieuwe opbouwen is. En in zekere zin is dat ook zo: er wordt met man en macht gebouwd aan een antichristelijk, anti-kunstzinnig wereldrijk. Simpel gezegd: Christus wordt vervangen door de Antichrist. En dat allemaal omdat men de dood van Christus, de dood van de geest die de Europese kunst en cultuur groot heeft gemaakt, niet onder ogen kan zien. Men kan zich eenvoudig niet voorstellen dat hij kan sterven.

Toen ik de christelijke geest aantrof waar ik hem nooit had verwacht – in Hollywood – begreep ik ook dat men de dood van deze geest niet onder ogen kan zien omdat men niet gelooft in zijn wederopstanding, in zijn vermogen om de dood te overwinnen. Ik geloofde daar zelf ook niet in. Wat ik beleefde als de dood van de kunst was in mijn ogen zo verschrikkelijk dat de gedachte aan een wederopstanding niet in me opkwam. Bovendien werd ik omringd door mensen die geen verschil zagen tussen leven en dood, die toejuichten wat ik verafschuwde. Hoe kon er uit zoveel ellende ooit nog iets goeds voortkomen! Nee, ik geloofde er niet meer in. Ik leefde in een wereld die ten onder ging, terwijl iedereen ervan overtuigd was dat we fantastische tijden beleefden. Dat laatste is ook de teneur van de tentoonstelling annex boek over de geschiedenis van Studio Skoop: wat een geweldige tijd was dat toch! Hier ontstond iets nieuws, hier ‘werden de bakens verzet in het door conservatieve krachten gedomineerde Vlaanderen.’

Het conservatieve Vlaanderen? Toen ik de Skoop bezocht, bestond dat Vlaanderen al lang niet meer, toch zeker niet in de kunst. Het was dood en verslagen. Maar men bleef hetzelfde plaatje draaien: de progressieve krachten moeten zich bundelen tegen het verstikkende conservatisme. Diep van binnen beseften de ‘progressieven’ nochtans dat ze tegen een imaginaire vijand vochten. Dat blijkt onder meer uit de geuzennaam die de oprichter van Studio Skoop bedacht voor zijn publiek (en die vandaag de titel van de tentoonstelling is): Skopiumschuivers. Wat kwam men zoeken in deze alternatieve arthouse-cinema? Niet de kunst van onze tijd, want die werd in de Decascoop gedraaid. Nee, men zocht er vergetelheid, verdoving, bedwelming, men zocht er opium-van-de-elite, want men kon de pijn van de stervende Europese geest niet verdragen. Men gaf er zich over aan zoete dromen over de superioriteit van de Europese geest en de inferioriteit van alles wat uit Amerika kwam. 

En dat doet men vandaag nog altijd, meer dan ooit zelfs. Want de Skopiumschuivers van weleer hebben het nu voor het zeggen, in de filmwereld, in de kunstwereld, in de wereld tout court. We worden (om de tuin) geleid door verslaafden, door druggebruikers die steeds weer nieuwe bedwelmende middelen creëren om de pijn te verdoven die veroorzaakt wordt door het sterven van de Europese geest, de geest van onze beschaving. Dat is een diepe en blijvende pijn die alleen genezen kan worden door het geloof in de opstanding. Dat geloof heb ik gevonden waar ik het nooit verwacht had: in de Decascoop. Maar daar zul je zelden een Skopiumschuiver tegenkomen, en zelfs als dat gebeurt, blijft hij blind voor wat daar te zien is. Hij is immers beneveld, bedwelmd door zijn eigen superioriteitswaan die hem belet om de pijn, de angst en de vernedering te voelen die diep in zijn ziel leven, waar hij deel heeft aan dat verschrikkelijke sterven van de Europese geest

Daar moest ik dus aan denken toen ik las over de ‘Skopiumschuivers’. Het is al een eeuwigheid geleden dat ik nog in Studio Skoop ben geweest, maar er is sindsdien niks veranderd. De beschaafden, de intellectuelen, de kunstliefhebbers zijn nog altijd even zelfgenoegzaam, even bedwelmd, even verslaafd. Nee, Europa gaat niet ten onder aan het sterven van de Europese geest, maar aan het onvermogen om dat sterven onder ogen te zien. Uiteindelijk is dat onvermogen niets anders dan een gebrek aan liefde. Wie de Europese, christelijke geest werkelijk liefheeft, lijdt en sterft samen met hem. Wat we vandaag overal zien, is de Petrus-reactie: ik ken die man niet, ik ben nooit zijn leerling geweest! Het is de reactie van de gewone man, de angstige mens die zijn wereld uiteen ziet vallen en in paniek raakt. Daarom is het zo tragisch dat we deze reactie aantreffen bij de elite, bij de intelligentsia, bij degenen die de Europese geest zouden moeten verdedigen. Wat een droevig schouwspel, die Skopiumschuivers!