Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: driegeleding

Lichtbaken (21)

  

Honderd jaar nadat Rudolf Steiner zijn driegeledingsidee lanceerde, is de wereld dualistischer dan ooit. Niets illustreert dat beter dan de hedendaagse politiek. De traditionele partijen bestaan nog wel, maar ze zijn schijn geworden. In werkelijkheid zijn er nog slechts twee politieke partijen: links en rechts. Allebei streven ze hetzelfde ideaal na: de vernietiging van de ander. Voor minder doen ze het niet. De gedachte aan een compromis, verstandhouding of samenwerking komt niet eens meer bij hen op, wel integendeel. Het kleinste toenaderingsgebaar wordt beschouwd als hoogverraad. En deze politieke situatie is geen uitzondering, zij is de regel. Overal, op ieder gebied staan de tegenpolen met getrokken messen tegenover elkaar. Het oeroude ideaal van het gulden midden is vervangen door zijn tegendeel. Wat vroeger gold als het grootste goed, wordt nu beschouwd als het grootste kwaad. Jean-Paul Sartres beroemde uitspraak is werkelijkheid geworden: l’enfer, c’est les autres

De moderne, gepolariseerde wereld is het volstrekte tegendeel van de driegelede samenleving die Rudolf Steiner voor ogen stond. De antroposofie is er dus niet in geslaagd de driegeledingsidee ingang te doen vinden. Ze is er zelfs niet in geslaagd ze in haar eigen kleine kring te realiseren. Driegeledingsinitiatieven eindigen telkens weer in ruzie, conflicten en tegenstellingen. Hoe komt dat? Wat gaat er mis? Ligt het misschien aan de driegeledingsidee zelf? Dat is weinig waarschijnlijk, want ze spreekt voor zich. Aan de moderne werkelijkheid ligt het ook niet, want zonder haar dualisme zou de mens nooit het vrije en zelfstandige Ik zijn geworden dat de hoeksteen vormt van de antroposofie. Bijgevolg moet de oorzaak van het falen van de driegeledingsbeweging – en bij uitbreiding van de hele antroposofie – gezocht worden in de relatie tussen beide polen, in de manier waarop driegeledingsidee en dualistische werkelijkheid met elkaar verbonden worden. 

Dat kan alleen een kunstzinnige manier zijn. De antroposofie streeft ernaar ieder gebied van het menselijk leven tot een kunst te verheffen. Van de geneeskunde wil ze een geneeskunst maken, van de opvoedkunde een opvoedkunst, van de landbouwkunde een landbouwkunst, enzovoort. Daarvoor moet ze natuurlijk weten wat kunst is en hoe een kunstenaar tewerk gaat. Rudolf Steiner heeft het daar uitvoerig over gehad. Nog vóór hij zijn Filosofie der Vrijheid schreef, had hij zijn visie op kunst reeds samengevat in zijn voordracht over Goethe en de nieuwe esthetica. Die nieuwe esthetica noemde hij een ‘gezond fundament van de antroposofie’ en hij plaatste ze tegenover de moderne esthetica, die in zijn ogen een ‘ongezond’ fundament was, want hij wees ze radicaal af. In die tegengestelde visies op kunst moet de oorzaak van het falen van de driegeleding gezocht worden, want de antroposofie neemt de verkeerde visie tot uitgangspunt van haar handelen.  

Rudolf Steiner baseerde zijn visie op Goethe en Schiller. Hij zag kunst als ‘een zintuiglijke verschijning in de vorm van de idee’ terwijl ze in de moderne visie precies het omgekeerde is, namelijk ‘de idee in de vorm van een zintuiglijke verschijning’. Deze misvatting had lange tijd geen invloed op de kunstpraktijk omdat kunstenaars en kunstliefhebbers zich – vanuit een instinctief wantrouwen voor abstracte ideeën – niks aantrokken van de denkbeelden van de esthetica. Maar in de 20ste eeuw drong het wetenschappelijke denken door in de wereld van de kunst en daaruit werd een geheel nieuwe kunst geboren. Ze kreeg de naam ‘hedendaags’ en wortelde niet langer in het instinctieve aanvoelen van kunstenaars en kunstliefhebbers, maar in de abstracte – en vooral verkeerde – ideeën van kunstwetenschappers. Uitgerekend deze hedendaagse kunst, die de rechtstreekse toepassing is van de visie die Rudolf Steiner aan de kaak stelde, heeft de antroposofie tot voorbeeld gekozen. 

Dat werd duidelijk toen men in Dornach de 100ste verjaardag vierde van het congres van Munchen, waar Rudolf Steiner als het ware officieel de antroposofie met de kunst had verbonden. Die viering werd gecombineerd met de herdenking van de dood van Joseph Beuys, een van de boegbeelden van de hedendaagse kunst. Ofschoon Beuys met zijn werk (niet met zijn ideeën) dwars ingaat tegen de kunstopvattingen van Rudolf Steiner, kwam daar zo goed als geen protest tegen. De antroposofische vereniging koos met andere woorden voor de (materialistische) visie die Steiner ondubbelzinnig afgewezen had. Daarmee keerde ze zich tegen haar stichter, maar niemand leek dat op te merken. Men zag immers geen verschil tussen het werk van Rudolf Steiner en dat van Joseph Beuys. Men zag alleen de overeenkomst tussen hun ideeën. En daar, in die blindheid voor het verschil tussen ideeën en kunst, moet de oorzaak van het falen van de driegeleding gezocht worden. 

Als idee behoort de driegeleding tot het gebied van de wetenschap. Als werkelijkheid behoort ze tot het gebied van de kunst. In de moderne visie is er geen wezenlijk verschil tussen deze twee gebieden: kunst is niet meer dan een soort toegepaste wetenschap, ze giet ideeën in een zintuiglijke vorm. Wat de wetenschap met woorden en begrippen zegt, zegt de kunst met beelden en vormen. De moderne kijker gaat er dan ook als vanzelfsprekend vanuit dat er geen wezenlijk verschil is tussen de ideeën van een kunstenaar en zijn werk. Als de ideeën van Joseph Beuys antroposofisch zijn, redeneert hij, dan is zijn kunst dat ook. Maar dat is een groteske misvatting. Kunst is, zoals Rudolf Steiner beklemtoont, géén wetenschap. Het is een heel ander, autonoom gebied dat niks te maken heeft met de ideeën van de wetenschap, ook niet met die van de geesteswetenschap. Het is dus onzin om kunst te beoordelen aan de hand van de ideeën of intenties van de kunstenaar. 

Dat iemand geesteswetenschapper is, maakt van hem nog (lang) geen kunstenaar. Toch is het een eerste stap, want de antroposofie is een wetenschap die kunst wil worden. Maar als ze zich laat leiden door de omgekeerde opvatting over kunst, dan maakt ze als het ware rechtsomkeer, dan gaat ze tegen zichzelf in. Daarom wordt haar driegelede streven telkens weer in zijn tegendeel gekeerd en bereikt ze nooit haar doel. Die omkering kan maar op één manier voorkomen worden: door bewust te worden van het onderscheid tussen kunst en wetenschap. In de loop der eeuwen is dat onderscheid uitgegroeid tot een diepe kloof, die de weerspiegeling is van de afgrond die ook in de ziel, tussen verstand en gevoel, gaapt. Door die tegenstelling wordt de moderne mens innerlijk verscheurd en hij probeert dan ook uit alle macht zijn ziel te ‘helen’. Maar hij doet dat niet bewust onderscheidend, hij doet het door instinctief de ogen te sluiten voor de kloof die zowel zijn uiterlijke als zijn innerlijke wereld verdeelt. 

Zo reageert de moderne mens op de kloof waarmee hij geconfronteerd wordt: door ze te negeren, door te doen alsof ze niet bestaat. Als gevolg daarvan les extrêmes se touchent : de tegenpolen vermengen zich met elkaar en verliezen hun eigen karakter: de wetenschap houdt op objectief te zijn, de kunst houdt op subjectief te zijn. Het verstand maakt zich los van de waarheid en wordt leugenachtig, het gevoel verliest het contact met het Ik en wordt emotioneel met neiging tot massahysterie. Samen vormen ze de karikaturale mens die niet beseft dat hij een levende contradictie is geworden. Die vermenging is het gevolg van zijn terechte maar blinde streven naar heling, genezing en eenwording. Door de ogen te sluiten voor de dualiteit en geen onderscheid meer te maken tussen de tegenpolen, probeert de mens hun oorspronkelijke eenheid te herstellen. Maar dat lukt natuurlijk niet. De evolutie kan niet omgekeerd worden. Dat leidt tot zelfvernietiging, niet tot heling.

Hoe weinig de mens zich dat realiseert, blijkt uit het feit dat hij deze reactionaire beweging ‘progressief’ noemt. De hedendaagse kunst bijvoorbeeld – resultaat van het blinde streven naar eenwording van kunst en wetenschap – ziet hij als de avant-garde van de moderniteit, terwijl ze in werkelijkheid de belichaming is van een eeuwenoude misvatting die pas in onze tijd haar ware gezicht toont. Dat gezicht is weerzinwekkend, maar het brengt de mens er niet toe de ogen te openen. Hij ziet geen verschil met de oude, vertrouwde gezicht van de kunst, want hij slaapt. Nergens kunnen we beter waarnemen hoe diep de moderne mens slaapt dan in de hedendaagse kunst. Ze helpt ons ook te begrijpen wat de oorzaak van die (bewustzijns)slaap is: het gebrek aan onderscheid tussen kunst en wetenschap, de weigering om de kloof tussen beide onder ogen te zien. Het is dan ook de bewuste confrontatie met deze kloof die ons wakker maakt en verhindert dat ons eenheidsstreven ‘omkeert’ tot een vernietigingsstreven. 

Rudolf Steiner hamerde er steeds weer op dat we wakker moeten worden. Antroposofen moeten de wereld niet verbeteren, want dat doet iedereen. Ze moeten het kwaad niet bestrijden, want ook dat doet iedereen. Ze moeten alleen maar wakker worden. Dat is hun – cruciale – bijdrage aan de moderne tijd. Antroposofen moeten onderscheid maken tussen kunst en wetenschap, ze moeten zich bewust worden van het autonome wezen van de kunst. Dat is hun core business: onderscheid maken. De rest is immers gegeven, want sinds het einde van het Kali Yuga dringt de geestelijke wereld opnieuw door tot de mens en wekt in hem een onweerstaanbaar streven naar eenheid. Maar of dat eenheidsstreven een scheppende dan wel een vernietigende werking heeft, hangt af van het onderscheidingsvermogen van de mens, van zijn vermogen om wakker te blijven in een ‘vergeestelijkende’ wereld. Daar ligt de opgave van de antroposofie: zij moet het verschil maken door het verschil te zien. 

Dat maakt de antroposofie ook tot vijand nummer één van de geest die vandaag zo actief is in de wereld, de geest die de mens wil beletten om verschillen te zien, die hem dwingt om de ogen te sluiten voor de kloof tussen kunst en wetenschap, tussen Oost en West, tussen blank en zwart, tussen man en vrouw, tussen mens en dier, kortom tussen alle tegenpolen. Deze geest stelt de dualiteit voor als de bron van alle kwaad en drijft daardoor het dualisme ten top. Hij keert het (onbewuste) eenheidsstreven van de mens tegen diens (even onbewuste) tweeheidsstreven en ontketent in hem een zelfvernietigende strijd. Want de mens heeft zijn vrijheid en zelfstandigheid te danken aan zijn dualistische streven, aan zijn streven om de kloof tussen de tegenpolen steeds groter te maken. Door tegen dat streven in te gaan, keert hij zich tegen zichzelf, tegen zijn beschaving, tegen zijn evolutie. Dat is wat de anti-menselijke geest wil bewerkstelligen, en dat is wat de antroposofie wil verhinderen. 

Hoever deze strijd tegen de dualiteit gaat, zien we in de zogenaamde genderbeweging die, in naam van de gelijkheid tussen de geslachten, het verschil tussen de geslachten wil uitwissen. La guerre des sexes wordt op die manier een oorlog tegen de geslachten, en dus ook tegen de mens. Want de scheiding der geslachten is een beeld van de oerscheiding die het ontstaan van de mens mogelijk maakte. De geestelijke wereld deelde zichzelf in twee – God kreeg een zoon, zegt men in het christendom – en schiep daardoor de ruimte waarin de mens zich kon ontwikkelen. Wie deze kloof teniet wil doen, keert zich niet alleen tegen het bestaan van de mens, hij keert zich ook tegen de geestelijke wereld en met name tegen de liefde die deze wereld ertoe bracht een kloof in zichzelf te slaan. De kwaadaardige geest waartegen de antroposofie zich verzet, is dan ook de Antichrist, de grote tegenstander van Christus, die het wezen van de liefde is, het centrum van de geestelijke wereld. 

Lichtbaken (1)

  

Zoals u heeft kunnen merken is er de laatste maanden weinig activiteit te bespeuren geweest op deze blog. Dat wil echter niet zeggen dat ik mijn dagen in ledigheid heb doorgebracht, wel integendeel. Ik was me al die tijd aan het voorbereiden op de internationale antroposofische conferentie Lichtbaken die afgelopen weekend in Antwerpen plaatsvond en waar ik een workshop moest geven, iets wat ik nog nooit had gedaan. Een half jaar lang ben ik daarmee bezig geweest, ononderbroken, dag in dag uit, van ’s morgens tot ’s avonds, weekends inbegrepen. Alleen de verhuis van Destelbergen naar Scheldewindeke onderbrak wat de langst volgehouden inspanning van mijn leven is geworden. En dat allemaal om één uur lang te spreken en daarna wat vragen te beantwoorden. Was ik dan zo bang om een figuur te slaan in dat internationale gezelschap? Dat ook natuurlijk, maar er was nog een andere reden. 

Laat ik echter eerst iets vertellen over die conferentie. Het was lang geleden dat er in ons land nog eens een internationale antroposofische conferentie plaatsvond. De vraag is zelfs of dat ooit gebeurd is. Het ging dus om een uitzonderlijk evenement. Wat was de aanleiding? Waarover ging het? Wel, het ging om 1917. Dit jaar is het honderd jaar geleden dat … ja, wat gebeurde er eigenlijk in 1917? Wat was er zo bijzonder aan dat jaar dat er een hele conferentie werd aan gewijd? Tijdens een inleidende voordracht van Wilbert Lambrechts, de initiatiefnemer en ook degene die me gevraagd had om mee te doen, vernam ik dat 1917 het annus horribilis was van Europa. Het was het jaar dat de Amerikanen zich in de oorlog mengden, het was ook het jaar dat de bolsjevisten in Rusland aan de macht kwamen. Beide machtsblokken – het kapitalistische en het communistische – zouden Europa in twee scheuren en haar midden vernietigen. 

Duitsland werd vernederd, verketterd en gedemoniseerd, Europa gedegradeerd tot een vazalstaat van Amerika, en de EU breidde haar macht uit in communistische stijl. De uitersten vielen samen en het midden verdween spoorloos. Maar niet helemaal. Want in datzelfde onheilsjaar 1917 presenteerde Rudolf Steiner zijn driegeledingsidee, waar hij 30 jaar had aan gewerkt. De sociale toepassing ervan was volgens hem de enige oplossing voor het oorlogsgeweld dat een dualistische wereld teisterde. Dat werd uiteraard niet begrepen, laat staan aanvaard, maar het was een zaadje dat, aldus Steiner, gezaaid moest worden. En dat wilde de Antwerpse Lichtbaken-conferentie van 2017 herdenken. Ze wilde tevens een stand van zaken opmaken. Wat was er van dat zaadje geworden? Hoe had de driegeleding zich de afgelopen honderd jaar ontwikkeld? Daar mocht ik dus mijn steentje toe bijdragen.

Ook voor mezelf is 1917 een cruciaal jaar, want toen werd de hedendaagse kunst geboren, waarvan ik het bestrijden tot mijn levensmissie heb gemaakt. Precies honderd jaar geleden stelde Marcel Duchamp de pispot tentoon die in geen tijd de wereld zou veroveren en een eind maken aan een eeuwenoude artistieke traditie. Na al die tijd is mijn verbijstering daarover nog altijd even groot. Hoe is het in godsnaam mogelijk dat de schitterende Europese cultuur in pakweg vijftig jaar aan de kant werd geschoven door een ‘kunst’ wier spectrum zich uitstrekt tussen pispot en kakmachine? Het is in wezen dezelfde vraag hoe het mogelijk was dat het land van Goethe en Schiller in de ban kon raken van iemand als Hitler. Die vraag blijft tot op de huidige dag onbeantwoord. Er worden tal van redenen en verklaringen aangevoerd, maar geen ervan raakt de kern van de zaak. Want die kern is geestelijk van aard. De oorzaak van de val van Europa kan niet in de materiële wereld worden gevonden. 

Zou de conferentie doordringen tot de kern van de zaak? Zou zij antwoord geven op de vraag die ik al m’n hele leven stel? Dat was weinig waarschijnlijk. In een wereld die Joseph Beuys op handen draagt, kun je geen ‘helderziendheid’ op artistiek vlak verwachten. Ik zou het dus zelf moeten doen. Maar laat ik niet op de zaken vooruitlopen. Dat alles was nog niet aan de orde toen ik geëngageerd werd. De afspraak was dat ik het zou hebben over de relatie tussen tweegeleding en driegeleding. Daarover had ik enkele gedachten geformuleerd die blijkbaar in goede aarde waren gevallen. Over kunst was in eerste instantie geen sprake, laat staan over hedendaagse kunst. Het was dan ook het verst van mijn gedachten om daar op de Antwerpse conferentie over te beginnen. Dat zou ik bij mijn internationale debuut nooit gewaagd hebben. Een mens moet zijn plaats kennen. Maar het lot besliste daar anders over. 

(wordt vervolgd)

De bijbel en de koran

Op de website Zaman Vandaag lees ik dat er volgens de islamitische rechtsgeleerde Ahmet Kurucan geen enkele rechtvaardiging voor de recente aanslagen in Parijs te vinden is in de koran, de soenna, de hadith of andere bronnen van het islamitische recht.
Kurucan studeerde in 1985 af aan de Faculteit der Godgeleerdheid van de Universiteit van Ankara.
Daarna werkte hij 7 jaar als imam in Manisa, Izmir en Istanbul.
In 2006 promoveerde hij aan de Erzurum Atatürk Universiteit op het onderwerp ‘vrijheid van gedachte in het islamitische recht’.

Volgens Kuracan kent de koran weliswaar waarschuwingen, directieven en verboden met betrekking tot ongewenst gedrag, zoals belediging en laster, maar hij legt geen specifieke straf op voor het beledigen van de profeet Mohammed.
Sterker nog, de koran adviseert moslims zelfs om weg te lopen wanneer ze beledigingen van de koran of islamitische percepties moeten aanhoren.
De hadith (of overlevering) zegt hetzelfde.
Toen Abdullah ibn Saba Mohammed en de moslims in Medina beledigde, reageerde de profeet niet.
Hij verwierp het aanbod van moslims die de beledigingen met geweld wilden vergelden.

Er is dus, aldus Kuracan, niets binnen de islamitische traditie dat de aanslagen rechtvaardigt.
Uiteraard kent de geschiedenis veel bloedige oorlogen, onenigheden, politieke onrust, listen en onlusten, maar dat waren tribale geschillen, die bestonden al vóór de islam.
We moeten er duidelijk over zijn dat noch de aanslagen van 11 september noch de aanslagen in Parijs islamitisch van aard zijn.
Uit de verhalen in de koran over de verschillende profeten, kunnen we concluderen dat God de moord op ongelovigen niet goedkeurt noch dat hij hen straffen oplegt.
Religieuze geschriften moedigen het gebruik van de rede en het intellect aan en waarschuwen weliswaar dat er een eeuwige straf in het hiernamaals zal zijn, maar schrijven geen straffen in deze wereld voor.

Tot daar deze moslimgeleerde.

Als ik zijn woorden lees, kan ik niet anders dan besluiten dat er twee totaal verschillende islams bestaan: een vredelievende en een gewelddadige.
Ik heb immers geen reden om eraan te twijfelen dat Ahmet Kuracan een echte moslim is.
Hij heeft lang genoeg gestudeerd om te weten waarover hij het heeft.
Maar dat heeft al-Baghdadi ook, hij kent zijn koran als geen ander.
Niemand kan eraan twijfelen dat ook hij een echte, overtuigde moslim is.
En toch zeggen die twee vrome moslims precies het tegenovergestelde.

Hoe kan dat?

Het is geen geheim dat er in feite twee korans bestaan.
In het heilige boek van de moslims komen twee soorten verzen voor: de verzen die Mohammed in Mekka schreef en verzen die hij later in Medina schreef.
De Mekka-verzen zijn vredelievend.
De Medina-verzen zijn gewelddadig.
Wil een moslim in vrede leven met zijn medemensen, dan vindt hij steun in de oudere Mekka-verzen.
Wil hij zich aansluiten bij IS, dan vindt hij een rechtvaardiging in de latere Medina-verzen.
Voor elk wat wils dus.
Oorlog of vrede: met de koran kun je alle kanten uit.

Het doet me onwillekeurig denken aan het christendom.
Dat bestaat eveneens in twee versies: een vredelievende en een gewelddadige.
De gewelddadige versie is het Oude Testament.
De vredelievende het Nieuwe Testament.
En daar heeft men, net als in de islam, één boek van gemaakt: de bijbel.
Wie oorlog wil voeren, vindt in dat boek ruim zijn gading.
Wie in vrede wil leven eveneens.
Net als de moslim kan de christelijke lezer dus kiezen.

Nochtans weet iedere christen (of hoort hij te weten) dat Christus gekomen is om het oude verbond of testament te vervangen door een nieuw.
In het Oude Testament is God hardvochtig en meedogenloos.
Wie zijn geboden overtreedt, wordt genadeloos gestraft.
Zonder verpinken geeft hij opdracht tot bloedig geweld.
De joodse Jahweh lijkt heel sterk op de islamitische Mohammed.
In het Nieuwe Testament treedt echter een heel andere God op, een God die louter liefde is.
En dat zijn geen loze woorden want Hij stuurt zijn Zoon, die de goddelijke liefde tot in zijn uiterste consequenties belichaamt.
Jezus is een totaal andere figuur dan Mohammed.
Groter verschil is niet mogelijk.

De christen hoort zich dus niet op het Oude maar op het Nieuwe Testament te baseren.
Het Oude Testament is niet christelijk, het is joods.
Die oud-testamentische joden hebben Christus zelfs gekruisigd, want in hun ogen was hij een Godslasteraar.
Duidelijker kan de tegenstelling tussen oud en nieuw niet zijn.
Christenen die zich alleen baseren op het Oude Testament zijn dus eigenlijk joden
Echte christenen volgen het Nieuwe Testament.

In de islam is het niet anders.
De meer recente Medina-verzen – het islamitische nieuwe testament dus – vervangen de oudere Mekka-verzen.
Als ze elkaar tegenspreken, dan moet de moslim voor de nieuwe kiezen.
Daarom is hij trouwens ook moslim: omdat de islam recenter is dan het jodendom of het christendom.
De koran is het ‘allernieuwste testament’ en vervangt alle voorgaande testamenten.
Mohammed is ‘het zegel der profeten’: hij vervangt alle voorgaande profeten.
Hij ‘bezegelt’ het profetendom: na hem komen er geen profeten meer.
Hij is de laatste – en daarom grootste – der profeten.

Van alle gelovigen is de moslim dus de ‘progressiefste’.
Hij onderscheidt zich van de christenen zoals de christenen zich onderscheiden van de joden: door voor het nieuwe te kiezen.
Om die reden zijn de echte moslims dan ook de moslims die kiezen voor de ‘nieuwste’ koran, de koran van de Medina-verzen.
Tussen alle overeenkomsten komt hier het wezenlijke verschil tussen moslims en christenen naar boven.
Beiden kiezen voor het nieuwste, het jongste, het meest recente.
Maar voor de christen betekent dat dat hij vrede boven oorlog en liefde boven haat verkiest.
Voor de moslim betekent het dat hij oorlog en haat boven vrede en liefde verkiest.

De gewelddadige Al-Baghdadi is méér moslim dan de vredelievende Kurucan.
Zo wordt het ook begrepen door veel moslim-jongeren.
Zij leven in een verwarrende wereld, ze zijn losgerukt van hun wortels en weten niet meer wie ze zijn.
Ze willen duidelijkheid, ze willen helderheid.
En die vinden ze bij Al-Baghdadi.
Hij trekt een scherpe lijn tussen echte moslims en valse moslims.
Hij maakt duidelijk onderscheid tussen de ‘oude’ koran en de ‘nieuwe’ koran, en laat er geen twijfel over bestaan welke van de twee de echte moslim dient te volgen.
Alleen door ingewikkelde theologische redeneringen kan men iets tegen zijn argumenten inbrengen.
Maar de jongeren zijn dat verstikkende en troebele intellectualisme beu.
Zij willen leven, zij willen het bloed weer door hun aderen voelen stromen.
En die mogelijkheid biedt Al-Baghdadi hen.
Hij voegt de daad bij het woord.
Hij doet de echte islam weer verrijzen, de oorspronkelijke islam, ontdaan van alle compromissen en toegevingen en aanpassingen die hem onherkenbaar hebben gemaakt.
Door zich met die islam te identificeren, voelen ook de moslimjongeren zichzelf weer verrijzen.
Hun ziel klaart op, ze herkennen zichzelf weer, ze weten weer wie ze zijn.

Maar wat de moslimjongeren (menen te) herkennen is niet hun eigen Ik, het is een oud groeps-Ik dat niet meer van deze tijd is en daarom kwaadaardig is geworden.
Dat is eigenlijk de grote tragiek van onze tijd.
Doordat de mensheid ‘over de drempel’ gaat, wordt haar ziel als het ware in twee gespleten.
Er ontstaat ruimte voor het Ik van de mensheid, voor Christus.
Zoals het vrouwelijk lichaam in twee wordt gespleten bij de geboorte van een kind, zo wordt de mensheid in twee gespleten bij de geboorte van haar Ik.
Dat in-twee-splijten vindt in iedere hedendaagse mensenziel plaats, de westerse zowel als de oosterse.
De moderne mens herkent zichzelf niet meer.
Hij is zijn oude groeps-Ik kwijt en heeft zijn nieuwe individuele Ik nog niet gevonden.
Maar dit ‘vinden’ hangt van hemzelf af.
Hij beleeft vandaag het grote vrijheidsmoment in de geschiedenis: hij moet kiezen.
Want er dienen zich twee nieuwe Ikken aan: een echt en een vals.
Als dat niet zo was, zou er geen vrije keuze zijn.

Het echte Ik is het christelijke, vredelievende en menslievende Ik.
Het valse Ik is het antichristelijke, gewelddadige en menshatende Ik.
Diep van binnen heeft ieder mens weet van dit onderscheid.
Daarom is er in de moslimwereld een massale emigratie naar het christelijke Westen op gang gekomen.
Moslims weten onbewust dat de lege ruimte in hun ziel veel kans loopt om gevuld te worden met een anti-Ik als ze de islamitische wereld niet verlaten.
Ze komen naar het Westen om als Ik ‘geboren’ te worden.
Maar ze herkennen dat Ik niet in het Westen.
Hun luciferische aard deinst terug voor het ahrimanische materialisme dat daar aantreffen.
In al die hardheid vinden ze het zachte kind niet dat ze onbewust zoeken.

En hier raakt hun tragiek die van het Westen.
Want het Westen is zwanger van dat kind en weet het niet.
Het beschouwt dat Ik-kind als een kwaadaardig gezwel en doet er alles aan om het te onderdrukken en verborgen te houden.
Daardoor onthoudt het dat mensheids-kind echter ook aan de moslims die van zover komen om het te zoeken en te begroeten.
Want het is ook hún kind, ze zijn er als het ware de vader van.
Christus is in het Midden-Oosten op aarde gekomen, niet in het Westen.
De bevruchting met het zaad van het Ik vond in het Oosten plaats.
De bevalling vindt in het Westen plaats.
En zoals moderne vaders vandaag aanwezig zijn in de verloskamer, zo zijn de moslims vandaag in het Westen aanwezig bij de geboorte van hun kind.

Maar zij vinden in de Westerse verloskamer geen moeder die gaat bevallen.
Ze vinden daar een vrouw die zich laat behandelen voor een kankergezwel, een moeder die niet alleen niets afweet van haar kind maar het zelfs wil vernietigen.
Het is als een soort herhaling van het bijbelse geboorteverhaal: de drie koningen komen uit het Oosten om ‘het kind’ te zoeken, maar de plaatselijke koning – Herodes – heeft geen weet van een (mensheids)kind.
Hij ziet dat onbekende kind als een bedreiging voor zijn eigen (ahrimanische) koningschap en probeert het te vermoorden.
Dat lukt hem niet omdat de ouders van het Jezuskind in een droom verwittigd worden.
Ook de drie wijzen waren verwittigd door de nachtwereld van de sterren.
Vandaag vindt het drama echter overdag plaats, op het grote wereldtoneel.
De vrije, bewust handelende mens speelt er een cruciale rol in.

Dertienhonderd jaar geleden gebeurde het omgekeerde.
Men probeerde toen het Ik van de mens veel te vroeg geboren te laten worden, en wel in het Oosten, in Gondisjapur (in het huidige Iran) waar in de 6de en 7de eeuw de grootste intellecten van de wereld waren samengestroomd.
Die (fatale) vroeggeboorte werd verhinderd door de islam, die volgens Rudolf Steiner speciaal daarvoor in het leven werd geroepen.
Vandaag doet de islam nog altijd hetzelfde: ze wil de geboorte van het Ik verhinderen.
Maar wat destijds een zegen was, is vandaag een vloek geworden.
Want het Ik moet dit keer wel geboren worden, zijn tijd is gekomen.

Het ahrimanische materialisme dat het Westen verhindert zich bewust te worden van het Ik dat in zijn schoot leeft, is afkomstig uit Gondisjapur.
Daar werd Aristoteles namelijk ‘geahrimaniseerd’ en kwam hij in de vorm van de materialistische wetenschap terug naar het Westen.
Aan de fysieke immigratie van de moslims die we vandaag meemaken, ging dus een geestelijke immigratie vooraf: die van het abstracte, intellectuele denken.
Zoals het ahrimanische denken van Gondisjapur werd afgezwakt door de luciferische islam, zo werd het ahrimanische intellectualisme in het Westen afgezwakt door het christendom, met name door Thomas van Aquino.
Maar het werd er niet door tegengehouden want vandaag viert het zijn grootste triomfen, terwijl het christendom alle kracht verloren heeft.

De Westerse intelligentsia begroet de islam dan ook als een oud familielid.
Ze herkent er (onbewust) haar eigen abstracte, ahrimanische geest in.
Want de islam is op uiterlijk, fysieke vlak dan wel luciferisch (religieus, spiritueel, opgewonden, driftig, gewelddadig) maar op innerlijk, geestelijk vlak is hij ahrimanisch (kil, abstract, intellectualistisch).
Wat we vandaag dus meemaken, is een hereniging van de twee aspecten van de islam: het uiterlijk luciferische (het blinde geloof) en het innerlijk ahrimanische (het intellectualistische denken).
Die twee aspecten hebben zich de afgelopen 1300 jaar afzonderlijk ontwikkeld – het ene in het Oosten, het andere in het Westen – en hun hereniging betekent de geboorte van een vervaarlijk antichristelijk Ik dat zijn kracht ontleent aan zijn dubbele natuur.

Het enige wat we daar tegenover kunnen zetten is een christelijk Ik dat deze dubbele natuur onderscheidt.
Onderscheidingsvermogen is ons enige wapen tegen de Antichrist, die ons van twee kanten tegelijk aanvalt: van buitenaf (de oosterse islam) en van binnenuit (het westerse intellectualisme).
We staan machteloos tegenover de islam omdat we niet beseffen dat hij ook in onszelf zit, in de vorm van ons intellectualistische, harteloze denken.
Als we er een christelijk – ook op het gebied van het hart scherp onderscheidend – denken tegenover zouden plaatsen, maakte de islam geen enkele kans.
Het is niet de uiterlijke moslim die ons zorgen moet baren, hoe grimmig en agressief hij er ook uitziet, het is de ‘innerlijke moslim’ met zijn beschaafde, menslievende, rationele voorkomen.

Daarmee ben ik weer bij de vriendelijke en beschaafde Ahmet Kurucan beland, het schoolvoorbeeld van de aaibare moslim: vredelievend, verstandig, volkomen aangepast, ein Mensch wie Du.
Wie leest wat hij schrijft, zou niets liever willen dan hem geloven.
Want als de islam werkelijk is zoals hij beweert, dan is er geen enkele reden om die islam niet met open armen te ontvangen.
En wie zou durven twijfelen aan de woorden van zo’n eminent islamgeleerde!
Maar wie zich niet in slaap laat wiegen, stelt zich toch enkele vragen.
Als het waar is dat er in de koran (of gelijk welk ander islamitisch geschrift) geen enkele rechtvaardiging te vinden is voor geweld en terrorisme, hoe komt het dan dat bijna iedere terrorist een moslim is?
Hoe komt het dat er sinds 9/11 al 25.000 moslim-aanslagen zijn gepleegd, de ene al bloederiger dan de andere?
Dat is bijna 5 per dag, 15 jaar lang, ononderbroken.
En er is niets dat erop wijst dat het zal verminderen, wel integendeel.
Toch beweert Kurucan, samen met steeds meer collega’s moslimgeleerden, dat al die ontelbare terreurzaaiers géén moslims zijn.

Hoe valt dat samen te rijmen?

De kern van de islam lijkt een broederstrijd te zijn.
Soennieten en sjiieten bevechten elkaar op leven en dood.
Dat doen ze al sinds Mohammed stierf.
De reden?
De anderen zijn geen echte moslims.
Maar dat zegt Kuracan ook: Baghdadi is geen echte moslim.
En Baghdadi zegt: Kurucan is geen echte moslim.
Wat ze zeggen maakt deel uit van die typisch islamitische broederstrijd.
Naarmate wij Kurucan geloven en zijn ideeën tot de onze maken, nemen we deel aan die strijd.
We laten ons – uit sympathie voor de vredelievende moslim – meesleuren in deze vernietigende broederstrijd.

Het enige wat we daartegen kunnen doen, is onderscheiden.
We moeten Kurucans woorden onderscheiden van de werkelijkheid.
We moeten de Mekka-verzen in de koran onderscheiden van de Medina-verzen.
We moeten het Nieuwe Testament onderscheiden van het Nieuwe Testament.
We moeten de islam onderscheiden van het christendom.
We moeten Mohammed onderscheiden van Jezus.
We moeten de Vader-God onderscheiden van de Zoon.
We moeten de Mattheus-Jezus onderscheiden van de Lucas-Jezus.
Enzovoort, enzovoort.

Als we al die aspecten van elkaar onderscheiden hebben, wordt er één grote dualiteit zichtbaar, de oer-dualiteit van deze wereld.
Tegelijk wordt ook de tegengestelde manier zichtbaar waarop christendom en islam deze dualiteit proberen te overwinnen.
Het christendom doet dat door het Christus-Ik te introduceren en een nieuwe driegelede wereld te creëren.
De islam doet dat door het Ik te ontkennen en de oude dualiteit ten top te drijven, want beide tegenpolen trachten de eenheid te herstellen door de ander te vernietigen.
En pas wanneer we die dualiteit in het oog krijgen – de tegenstelling tussen tweegeleding en driegeleding – zien we wat er aan allebei ontbreekt: bewustzijn.
Noch de moslims noch de christenen weten wat ze doen, omdat geen van beiden oog hebben voor de dualiteit, noch bij henzelf noch bij de ander.
De moslims beseffen niet dat hun doorgedreven dualisme tot zelfvernietiging zal leiden.
En de christenen beseffen niet dat er een diepe kloof gaapt tussen hun Oude en Nieuwe Testament, een kloof die in het evangelie tot uiting komt in de tegenstelling tussen de oude Jezus en de jonge Jezus.

De moslims leven in een oude wereld die zichzelf aan het vernietigen is.
Ze beseffen dat wel maar ze weten niet wat ze eraan kunnen doen, gevangen als ze zijn in een uitzichtloos dualisme dat telkens weer ontaardt in een bloedige broederstrijd.
Wijzelf leven in een nieuwe, christelijke wereld, maar we laten hem vernietigen omdat we ons niet bewust zijn van het dualisme dat (nog) in die driegelede wereld leeft.
We kennen de tegenstelling niet tussen het materialisme (de moeder) en ons Ik (het kind).
We beseffen niet hoe materialistisch we zijn, en we beseffen niet hoe christelijk we zijn.
Die twee vormen in ons bewustzijn één geheel, en juist daardoor verandert de geboorte van het Ik in een vernietigend gevecht tussen moeder en kind.
Dat is de reden waarom de christelijk bijbel – in tegenstelling tot de koran – bestaat uit twee duidelijk van elkaar gescheiden delen: het Oude en het Nieuwe Testament.
Het gaat in het christendom namelijk niet (zoals in de islam) om het vervangen van het oude door het nieuwe.
Het gaat om de relatie tussen beide, om het geboorteproces waarbij het kind zich losmaakt van de moeder om er zich op een nieuwe, bewustere manier mee te verbinden.

Het driegelede christendom – Vader, Zoon en Geest – is geboren uit de dualistische wereld van het Midden-Oosten en daar moet dit ‘kind’ zich nu weer mee verbinden.
Anders zal het ten gronde gaan.
Het heeft de scherp onderscheidende kracht van het dualisme nodig opdat zijn nieuwe eenheid in leven zou blijven in plaats van te verstarren tot een dode schijneenheid.
Hoe die schijneenheid eruitziet toont ons de ene koran.
Hoe de levende eenheid eruitziet toont ons de dubbele bijbel.

Driegeleders

Van een lezer kreeg ik, in reactie op mijn stukje ‘Arbeid en inkomen’ van 22 september, de volgende opmerking:
‘Bedenk dat er zelfs in het geestesleven geen productie kan zijn zonder vraag. Weinigen kunnen uit het geestesleven een volledig inkomen halen, ook in de driegeleding zal dat zo zijn.’
Toevalligerwijs kreeg ik die mail op hetzelfde moment dat de Vlaamse cultuursector moord en brand schreeuwt over de besparingsmaatregelen van de regering.
De kwestie is dus actueel, zowel voor mezelf als voor de hele kunst- en cultuursector van het land.
Van dezelfde lezer kreeg ik een dag later een nieuwe mail.
‘Onder de schrijvers zijn er tamelijk wat die nog ander werk deden. Elsschot was toch bankier, Maurice Gilliams werkte als archivaris of bibliothecaris, Spinoza brillenmaker. Maar hoe zit dat bij de schilders ? Blijkbaar ken ik te weinig biografieën. Ik heb zo het gevoel dat ze ofwel arm waren en bleven ofwel van thuis uit welstellend waren.’

20140926-133557.jpg

Afgezien van het feit dat Elsschot geen bankier maar reclamemaker was, klopt het dat veel schrijvers uit zijn tijd een job hadden, vaak in staatsdienst. Het was de toenmalige vorm van subsidiëring.
Ik heb zelf nog op een ministerie ‘gewerkt’, en als ik toen schrijver was geweest, had ik het grootste deel van mijn tijd aan het schrijven kunnen wijden.
Iedereen zou immers gedacht hebben dat ik ijverig aan m’n dossiers aan het werken was.
Nu heb ik ook wel eens zitten schilderen op m’n kantoor, maar dát viel nogal op.
Dus trok ik er ’s middags op uit, naar het Brusselse Warandepark of de oude Leopoldswijk.
Dat begon echter ook op te vallen, want een schilderij maak je niet op een uur tijd.
Ik bracht met andere woorden meer tijd buiten kantoor door dan op kantoor.
Schrijven mag dan wel compatibel zijn met een staatsjob, schilderen is dat zeker niet.
Ze hebben mij dan ook aan de deur gezet.
Dat was de gelukkigste dag uit m’n leven want nu kon ik de hele dag tekenen en schilderen en hoefde ik niet te doen alsof ik werkte.
Lang duurde dat geluk evenwel niet, want zonder werk en mét vrouw en drie kinderen, is tekenen en schilderen een stúk minder aangenaam.

Ik wil maar zeggen: was ik een schrijver geweest, dan zat ik daar waarschijnlijk nóg, op dat stoffige kantoor in de Brusselse Wetstraat.
Maar ik was een tekenaar-schilder, en dat valt NIET te combineren met een job in staatsdienst. Of in privé-dienst.
Het valt eigenlijk met geen enkele job te combineren, tenzij een job in het kunstonderwijs, maar dat kun je bezwaarlijk een echte job noemen.
Ik moet dan ook heel hard denken om een voorbeeld te vinden van een beeldend kunstenaar die een vaste job heeft of had.
Er komt er geen bij me op.
Vóór de subsidiëring werd uitgevonden, waren de meeste beeldende kunstenaars ofwel arm, ofwel van huis uit gefortuneerd, ofwel hadden ze een broer die Theo heette, ofwel hielden ze zich in leven met allerlei tijdelijke jobs die ze zo kort mogelijk hielden omdat ze hen beletten om te werken (sic).
Hun maatschappelijke positie viel niet te vergelijken met die van schrijvers of zangers.
Ze waren nu eenmaal vertegenwoordigers van het beeld en niet van het woord.
Hoe succesvol de uitzonderingen ook waren, de diepe kloof tussen die twee zo verschillende werelden konden ze niet overbruggen.
Zelfs Rubens, zowat de meest succesvolle aller schilders, kind aan huis bij de machtigen der aarde, werd op een vernederende manier op zijn nummer gezet als hij die diepe kloof niet respecteerde. Want hij was ‘maar’ een schilder, iemand die met zijn handen werkte.
Daarom kon hij – in tegenstelling tot de schrijvers – nooit tot de hogere kringen behoren, ondanks al zijn roem en rijkdom.

20140926-133646.jpg

Het verschil tussen woord en beeld, tussen schrijven en schilderen, raakt het wezen van de Europese beschaving zoals we die sinds de Oudheid kennen.
Hoeveel prachtige beelden die beschaving ook heeft voortgebracht, ze was toch altijd in de eerste plaats een beschaving van het woord.
Als antroposofen nu deze bij uitstek dualistische beschaving willen omvormen tot een driegelede beschaving, dan zullen ze eens heel diep moeten nadenken over die kloof tussen woord en beeld.
Want als ik lees dat ook in een driegelede samenleving kunstenaars een job zullen moeten gaan zoeken net als iedereen, dan vraag ik me af waarin zo’n samenleving verschilt van de huidige dualistische samenleving.

Ik hoor m’n tekenleraar nog verzuchten: ‘Vroeger, toen we jong waren, spraken wij over niets anders dan over kunst. Als ik vandaag luister naar de gesprekken van mijn leerlingen, dan gaan die over niets anders dan … geld. Hoe raak ik aan een job? Daar houden ze zich mee bezig, dat is voor hen het belangrijkste.’
Ik herinner me ook nog hoe onaangenaam ik getroffen was toen een antroposofisch kunstenaar me haarfijn uitlegde hoe je aan subsidies en werkbeurzen kon raken.
Maar zo is de realiteit: kunstenaars zijn vandaag meer bezig met geld dan met kunst.
En ze beseffen het zelf niet, want de grens tussen geld en kunst is zo vaag geworden dat beide gemakkelijk omgewisseld worden.
Verkopen is tot kunst geworden en kunst is een kwestie van verkopen geworden.

Waarom kiest vrijwel iedere jonge kunstenaar vandaag voor de Hedendaagse kunst?
Theoretisch gezien is hij volkomen vrij: voor het eerst in de geschiedenis kan hij doen wat hij wil. Geen artistieke wetten of regels binden hem nog.
Alles kan, alles mag.
En toch kiest hij bijna uitsluitend voor die ene, zeer extreme en buitenissige kunstrichting die zichzelf ‘hedendaags’ noemt.
Waarom?
Omdat alleen met dát soort kunst geld valt te verdienen (tenzij men natuurlijk over bijzondere commerciële talenten beschikt, wat bij kunstenaars zelden het geval is).
Wie NIET voor deze kunst kiest, krijgt het heel, heel moeilijk.
En jonge mensen wéten dat, ze zijn niet dom.
Of beter: ze hebben nooit iets anders geweten.
Ze zijn opgegroeid in een sfeer die geen onderscheid maakt tussen kunst en geld, tussen cultuur en economie, tussen geest en materie.
Het vormt allemaal één troebel geheel, en buiten dat geheel is er … niets.

Daarom zetten studenten het op een zuipen aan het begin van het nieuwe academiejaar: omdat op de grens tussen vakantie en school, tussen vrijheid en dwang, even het besef daagt dat de vrijheid van het geestesleven schijn is.
En dat besef willen ze instinctief verdoven, anders houden ze hun studie niet vol.

20140926-133759.jpg

Vandaag schreeuwt de gesubsidieerde kunst- en cultuursector moord en brand omdat er bespaard moet worden.
Maken ze zoveel misbaar omdat het geestesleven in gevaar komt?
Wel neen!
Ze zijn zo ontzet omdat ze dreigen te ontwaken, omdat ze dreigen geconfronteerd te worden met het feit dat er helemaal geen vrij geestesleven meer is en dat ze geen van allen zijn wat ze denken (en voorgeven) te zijn: vrije geesten die de samenleving broodnodig heeft.
Wat hen doet losbarsten in collectieve verontwaardiging is de dreiging, hoe klein ook, om naar zichzelf te moeten kijken en zich bewust te worden van le trahison des clercs waar ze zich schuldig aan maken.
Want allemaal hebben ze hun ziel verkocht voor geld.
Je krijgt vandaag immers geen subsidies – zelfs geen halve euro – als je je niet ten dienste stelt van de Mammon.

De culturo’s zwelgen in verontwaardiging zoals de studenten zwelgen in bier.
Ze verdoven zichzelf om niet herinnerd te worden aan het feit dat hun geestesleven niet in de geest wortelt maar in de materie.
Ze proclameren luidkeels het maatschappelijk belang van kunst en cultuur om niet onder ogen te moeten zien dat ze de slaaf zijn van de subsidiërende staat en de handeldrijvende economie.
En die geven gene ene moer om kunst en cultuur.
Dat zijn voor hen slechts middelen om hun macht en rijkdom te vergroten.
De vertegenwoordigers van het geestesleven, of dat nu kunstenaars zijn of wetenschappers, hebben slechts één vaste grond: de wereld van de geest.
En die geest leeft in het hart van de mens, in het hart van ieder mens.

Maar als er nu één plaats is waar de hedendaagse kunst- en cultuurwereld NIET leeft, dan is het wel in het hart van de mensen.
De moderne mens draagt de zogenaamde ‘kunst van zijn tijd’ niet in zijn hart.
Hij draagt ze hoogstens in zijn hoofd (als hij tot de intellectuele elite behoort).
Of hij draagt ze in zijn buik (als hij veel geld heeft en zich een plaats bij de ‘geestelijke elite’ wil kopen).
Maar hij draagt ze zeer beslist NIET in zijn hart.
Hoe zou hij ook kunnen!
De Hedendaagse kunst doet er (letterlijk) alles aan om dat ‘hart’ af te schrikken, om het uit te lachen, om het te laten voelen dat het geen toegang heeft tot de nieuwe, glorieuze kunst van onze tijd, de kunst van de nieuwe goden, de kunst van de ingewijden.
De allereerste voorwaarde om tot deze nieuwe Parnassus toegelaten te worden, is dat men zijn hart het zwijgen oplegt.
Maar juist in dat hart leeft de geest die de voedingsbodem is voor alle kunst en cultuur.
De geest die in hoofd en buik leeft, en die zich vandaag zo nadrukkelijk manifesteert via de staat en de vrije markt, brengt geen kunst voort, tenzij anti-kunst.
Hij doet een cultuur niet groeien en bloeien, hij vernietigt ze, keert ze om tot een anti-cultuur.

Dát is het besef dat – even – daagt wanneer de kunst- en cultuurwereld wakker wordt geschud door een besparingsmaatregel van de regering: we hebben geen enkele vaste grond onder de voeten, we leven in een luchtbel.
Maar die wereld slaapt veel te diep dan dat het besef echt zou kunnen doordringen.
Toen de Nederlandse regering enkele jaren geleden overging tot een besparing van maar liefst 20%, organiseerde de kunst-en cultuursector prompt een ‘Mars der Beschaving’.
De boodschap was duidelijk: zij, de culturo’s, waren de steunpilaren van de beschaving en die beschaving wankelde omdat er in hun subsidies werd gesnoeid.
De kranten stonden er vol mee, maar de toeschouwers – het gewone volk langs de weg – haalde de schouders op voor zoveel eigendunk.
Het lachte de beschavingspilaren vierkant uit.
And that was that.
Er werd verder niet meer over gesproken.

20140926-133921.jpg

Hier in Vlaanderen zal het niet anders gaan.
De ‘culturo’s’ zullen flink van jetje geven, maar niemand zal daar wakker van liggen.
Ik maak me sterk dat er flink gegniffeld wordt om al die culturele ontzetting.
Menigeen zal denken: eindelijk beleven we nog eens wat plezier aan die kunstenmakers!
Ik zou zelfs zover durven gaan om te zeggen dat de bevolking ten aanzien van de culturele sector slechts één echte vraag heeft: wanneer houden jullie eindelijk eens op met die verspilling van ons belastinggeld!
Wie heeft er nood aan het werk van Jan Fabre, Panamarenko, Wim Vandekeybus en consoorten?
Een heel klein kringetje van ‘uitverkorenen’.
En dan rijst nog de vraag of hun behoefte dat werk geldt dan wel hun eigen uitverkorenheid.
De kunst- en cultuursector is alleen bezig met zichzelf.
Zij geeft geen moer om de behoeften van de bevolking.

Nu naderen we de kern van het probleem, want de paradox is dat kunstenaars zich nooit hebben beziggehouden met de behoeften van anderen.
Daar ligt nu net het verschil tussen kunst en ambacht.
De ambachtsman maakt waar hem om gevraagd wordt.
De kunstenaar maakt alleen waar hijzelf behoefte aan heeft.
Wordt hij gedwongen om toch in te gaan op een vraag van anderen, dan zal hij er alles aan doen om die vraag om te buigen tot zijn eigen vraag.

De beeldhouwer Aristide Maillol kreeg op een dag de vraag of hij een beeld kon maken dat de glorie en het heldendom van het Franse volk tot uitdrukking bracht.
Geen probleem, antwoordde hij.
Heeft u al een concept in gedachten? informeerden de afgevaardigden van de Franse regering.
Zeker, knikte de kunstenaar.
En wat zal het worden, denkt u?
Zoals gewoonlijk, antwoordde Maillol met een uitgestreken gezicht, een koppel blote billen!

20140926-134102.jpg

Maillol kon dat zeggen omdat hij de opdracht waarschijnlijk niet nodig had.
Maar ook kunstenaars die wél opdrachten nodig hadden, pasten er een mouw aan.
Goya bijvoorbeeld, de hofschilder van de Spaanse koning, stelde de koninklijke familie voor als een verzameling dégénérés.
Maar hij deed het wel op zo’n manier dat ze het niet merkten.
En Rubens dan, met zijn uitstalling van fijne vleeswaren!
Kan men zich werkelijk voorstellen dat zijn extreem zinnelijke schilderijen een antwoord waren op een vraag die leefde bij de strenge jezuïetenorde en de pilaarbijtende Spaanse koning, twee van zijn grootste opdrachtgevers?
Was het niet veeleer zo dat al dat blote vlees beantwoordde aan zijn eigen intense behoefte aan zinnelijke weelde, en dat hij geniaal genoeg was om die persoonlijke behoefte voor te stellen als de behoefte van anderen?

Het antwoord op die vraag is complex.

Geen schilderkunst is ooit zo populair geweest als de impressionistische.
Ze voorziet duidelijk in een grote en blijvende behoefte van ontelbare mensen.
Toch was iedereen geschokt toen de eerste impressionistische schilderijen opdoken.
Men schreeuwde zijn verontwaardiging van de daken.
Zo wil het althans de mythe.
Of het werkelijk zo erg was, is nog de vraag.
Eén ding is echter zeker, niemand zat te wachten op de impressionisten, niemand had hen wat gevraagd.
Als Monet en co gewacht hadden op die vraag, dan was het impressionisme er nooit gekomen.
Men kan zich zelfs de vraag stellen of er ooit kunst was ontstaan als kunstenaars gewacht hadden op een vraag van anderen.

Ik ondervind dat nu zelf in Brugge.
Ik zit daar al bijna een jaar ieder weekend op de markt met schilderijtjes.
Maar niemand van die tienduizenden toeristen heeft me ooit gevraagd om een portret te maken.
Nochtans doen ze zelf niets anders dan selfies maken.
Pas toen ik vanuit een eigen, zeer persoonlijke behoefte portretten begon te tekenen, stelden verschillende mensen vast: hé, dat wil ik ook wel!
Pas toen ze me een portret zágen tekenen, werd in hen de vraag wakker.
Maar heb ik die behoefte in hen gecreëerd (zoals de vrije markt aan één stuk door nieuwe behoeften creëert) of bestond ze reeds in hen en heb ik ze alleen wakker gemaakt door mijn voorbeeld?

Dat is eigenlijk de vraag waar het allemaal om draait.

Ik herinner me nog altijd een zonovergoten zondagochtend in oktober, meer dan veertig jaar geleden.
Ik woonde toen nog in Mechelen en zoals iedere week was ik m’n boeken gaan terugbrengen naar de bibliotheek.
Maar om de een of andere reden was die gesloten.
Het was zo’n prachtig herfstweer dat ik besloot om niet meteen naar huis terug te keren, maar van die gouden herfstochtend te genieten.
Zo kwam ik op een gegeven moment boven op de (nieuwe) Winketbrug te staan waar ik een panoramisch uitzicht had over de oude stad.
Ik zag mijn oude school liggen, het Scheppersinstituut met zijn sterrenwacht, en daarachter rees, imposant als altijd, de Sint-Romboutstoren, wakend over de nog slapende stad.
Ik stond dromerig uit te kijken over de oude daken toen het opeens was alsof ze woordenloos riepen: teken ons, teken ons!
Ik was verrast, want de idee dat de wereld getekend wil worden, was nog nooit in me opgekomen.
Ik was juist opgegroeid met de tegenovergestelde idee: dat tekenen iets uiterst persoonlijks was, iets waar de buitenwereld niks mee te maken had.

20140926-134340.jpg

Ik herinner me nog altijd heel goed dat ik op een dag in de academie stond te zwoegen op een tekening die maar niet wilde lukken.
Ik was de wanhoop nabij, en zoals steeds verscheen mijn leraar als uit het niets, precies op het moment dat ik het wilde opgeven.
Jongen, zei hij, maak je toch niet druk. Ze staan daarbuiten echt niet te wachten op je tekening, weet je!
Dat was zijn manier om mij moed in te spreken.
In die sfeer ben ik opgegroeid: een sfeer waarin kunst iets was wat je alleen voor jezelf deed, iets waar niemand anders zich voor interesseerde, iets wat in het beste geval gedoogd werd.
Niemand heeft me ooit gestimuleerd om te tekenen, zelfs mijn eigen tekenleraar niet, de man die zoveel voor me betekend heeft.
Nooit heb ik een woord van aanmoediging uit zijn mond gehoord, in al die jaren niet.
Hij was daar uiterst consequent in: tekenen moest helemaal uit jezelf komen, niemand anders had daar zaken mee.

Toen ik daar op die betoverende ochtend in oktober het slapende Mechelen ‘hoorde’ vragen om getekend te worden, was ik verbaasd en ook ontroerd.
Was het werkelijk mogelijk dat wat ik zo graag wilde ook gewild werd door de wereld daarbuiten, zelfs door een slapende stenen wereld?
Die gedachte was zo nieuw en zo ongewoon dat ik ze niet kon bevatten.
Ik dacht er dan verder ook niet over na, maar ik sloot de ervaring wel in mijn hart.
Pas tien jaar later, kwam de idee op een volkomen onverwachte manier weer naar boven, en dat was toen ik de Filosofie der Vrijheid van Rudolf Steiner las.
De idee die als een bliksem bij me insloeg, was dat de gedachten van de mens niet los staan van de wereld om hem heen: ze maken er deel van uit. Wat de mens buiten zich met zijn zintuigen waarneemt en wat er in hemzelf opduikt aan gedachten, gevoelens en impulsen, zijn twee kanten van een zelfde medaille. Er is maar één werkelijkheid, ze doet zich alleen op twee manieren aan de mens voor: in de vorm van uiterlijke, zintuiglijke waarnemingen en in de vorm van innerlijke ‘zieleroerselen’.

20140926-134436.jpg

Ik begreep van de hele Filosofie der Vrijheid geen jota, maar die ene centrale idee sloeg in als een bom en bevrijdde me van een diepe en kwellende geestelijke eenzaamheid.
Ik zat niet langer opgesloten in de overtuiging dat alles wat ik in mijn ziel beleefde niks te maken had met de wereld om me heen.
Ik dacht er op dat moment niet aan, maar Steiner bevestigde als het ware dat wat ik op die oktoberochtend op de Winketbrug gehoord had, reëel was, of toch op z’n minst reëel zou kunnen zijn.
Want uiteraard sluit niet alles wat in een mens opkomt naadloos aan bij de buitenwereld.
Juist in die kloof tussen buiten en binnen nestelen zich de tegenmachten, en met hen moet de mens worstelen om de oorspronkelijke eenheid van mens en wereld weer te herstellen.
Maar het is heel wat anders om je van die situatie bewust te zijn, dan om in de overtuiging te leven dat harmonie alleen bereikt kan worden door je ofwel aan te passen aan de buitenwereld ofwel die buitenwereld aan te passen aan jezelf.

En dat is ook waar het in die hele heisa over de besparingen in de culturele sector om gaat.
In die culturele sector leeft nog altijd, en zelfs meer dan ooit, de (materialistische) overtuiging waar ik in mijn jeugd zo zwaar onder gebukt ging: de overtuiging dat wat in de kunstwereld gebeurt niks te maken heeft met wat in de buitenwereld gebeurt, dat de behoeften van de kunstenaar niks te maken hebben met de behoeften van de bevolking.
En omdat men daarvan overtuigd is, bestaat er tussen beide werelden een fundamentele vijandschap: de kunstwereld voelt zich enerzijds gedwongen om zich te conformeren aan de buitenwereld (in de hoop dat ze ondanks haar anders-zijn mag blijven bestaan) en anderzijds wil ze die buitenwereld dwingen om zich te conformeren aan de kunstwereld en te worden zoals zij zelf is.
Maar van die vijandschap is de kunstwereld zich niet van bewust, en dus vloeien die twee houdingen – onderwerping en machtsuitoefening – samen.
Ze worden één verwarrend en paradoxaal geheel: een mengsel van slaafse onderwerping en agressieve intimidatie.

De moderne kunst- en cultuursector is met andere woorden niets anders dan een Westerse variant van de Islamitische Staat.
Ze is een soort terroristische organisatie die een vernederende onderwerping aan staat en economie paart aan niets ontziend (geestelijk) geweld tegen de gewone bevolking.
Daardoor wekt zij begrijpelijkerwijs een diepe weerzin bij de bevolking, die ook na honderd jaar overheersing nog altijd niks moet weten van de zichzelf ‘hedendaags’ noemende ‘kunst’.
Daarom is die kunstwereld ook ontzet wanneer haar broodheren dreigen de subsidiekraan ook maar een beetje dicht te draaien: de Islamitische Staat waar iedereen nu vol ontzetting naar kijkt, dreigt dan … een spiegel te worden.

20140926-134542.jpg

Ik vraag me af of de antroposofische driegeleders bereid zijn om in die spiegel te kijken.
Ze willen een nieuwe en een betere wereld scheppen, net zoals de kunst- en cultuursector dat wil.
En net als deze ‘hedendaagse’ cultuurwereld zijn ze in 100 jaar nog geen stap verder gekomen.
De driegelede maatschappij waar ze voor ijveren, is vandaag verder weg dan ooit.
De maatschappij is nog nooit zo dualistisch geweest als vandaag.
En nog altijd komen antroposofen er niet toe om hun eigen dualistische aard onder ogen te zien.
Als rasechte moslims weigeren ze naar zichzelf te kijken en wijten hun onvermogen aan de buitenwereld, aan de materialistische maatschappij, alsof ze daar niets mee te maken hebben, alsof het materialisme ook niet in henzelf leeft.

Als ik lees dat in de nieuwe driegelede maatschappij kunstenaars nog altijd zullen moeten vechten om te overleven, dan vraag ik mij af: wat is er zo nieuw aan die maatschappij?
Waarom al die inspanningen om een maatschappij tot stand te brengen die in wezen niet verschilt van de vorige en waarin beeldende kunstenaars gewoon het slaafje blijven van ‘de heren van het woord’?
Wat een verspilling van krachten!
Wat een tragische blindheid!
Maar ik geef toe: het IS moeilijk om in de spiegel te kijken en daar een fanatieke moslim te ontwaren.
Een mens zou voor minder de blik afwenden.
Maar is dat nu niet precies wat Rudolf Steiner van zijn leerlingen verwachtte: dat ze de blik NIET afwendden?
Was dat niet zijn eerste en belangrijkste eis: wakker blijven, de ogen niet sluiten?
Die eis gold ook de ‘driegeleders’.
Of vergis ik mij?

20140926-134623.jpg

De Weihnachtstagung (1)

In deel (2) van ‘Van twee naar drie’ heb ik aan de hand van de Weihnachtstagung, de kerstbijeenkomst van 1923 in Dornach, proberen aan te tonen dat er eigenlijk twee soorten driegeleding bestaan: een dode en een levende.
Het is namelijk één ding om OVER driegeleding te spreken, maar het is een heel ander ding om VANUIT de driegeleding te spreken (en dus driegeleed te denken).
De brug tussen beide is de tweegeleding.
Zij is het kloppende hart van de driegeleding.

Tijdens de Weihnachtstagung heeft Rudolf Steiner de kloof tussen beide overbrugd.
Hij heeft de stap van hoofd naar hart gezet, van de gedachte driegeleding naar de beleefde driegeleding.
Hij heeft meteen ook getoond wat het wezen van die stap is.
Het is een offer, een liefdesoffer.
Steiner heeft tijdens de Weihnachtstagung het grootste offer gebracht dat een mens kan brengen: hij gaf zijn leven voor zijn vrienden.
Door zich in hoogsteigen persoon te verbinden met de verdeelde Antroposofische Vereniging werd hij er het hart van en maakte er een levende driegelede vereniging van.
Dat bekocht hij met de dood.
De Weihnachtstagung was nog niet goed en wel afgelopen of het was reeds bijna zover.
Steiner werd vergiftigd.
Hij overleefde de aanslag slechts op het nippertje.
Met een enorme wilsinspanning kon hij zijn leven nog 15 maanden rekken.
Het werd één lange doodsstrijd die eindigde op de heuvel van Dornach.

20131103-140004.jpg

Het is moeilijk om in dit levenseinde geen parallel te zien met het lijden en sterven van Christus.

Dat begon eveneens met een bijeenkomst, het Laatste Avondmaal, waarop Christus zijn leerlingen zijn eigen lichaam en bloed aanbood in de vorm van brood en wijn.
Na het beëindigen van die plechtige gebeurtenis ging hij naar de Hof van Olijven, waar hij in doodsstrijd raakte.
Slechts met inspanning van al zijn krachten wist Christus zijn sterven uit te stellen.
Vervolgens werd hij verraden door een van zijn leerlingen.
Hij werd overgeleverd aan de joodse leiders en de Romeinse machthebbers, die hem berechtten, veroordeelden en kruisigden.
Ontdaan van alle menselijke waardigheid stierf hij op de heuvel van Golgotha.

Tijdens de Weihnachtstagung was Steiner samen met zijn leerlingen, en bood hen eveneens zichzelf aan, dit keer niet in de vorm van brood en wijn, maar in de vorm van woord en daad.
Het woord was de Grondsteenspreuk waarin hij al zijn wijsheid als in een ‘steen der wijzen’ had samengebald. En die steen legde hij niet in de mond maar in het hart van zijn leerlingen.
De daad spiegelde het woord: hij verbond zich met de vereniging, hij werd er het hart van, het bloed. Zijn leerlingen dronken hem als het ware op.
Na het beëindigen van dit ‘etherische avondmaal’ raakte hij in doodsstrijd.
Steiner worstelde met de dood en overwon hem.
Vervolgens werd hij ‘verraden’ door zijn leerlingen, wier karma hij op zich had genomen en die niets deden om het te verlichten.
Steiner werd overgeleverd aan de dubbelgangers van de twee zielengroepen in de vereniging: de ‘schriftgeleerden’ (de oude zielen) en de ‘Romeinse heersers’ (de jonge zielen). Zij sloegen hem aan het kruis.
Ten slotte stierf hij op de heuvel van Dornach een pijnlijke en vernederende dood.

Vlak voor zijn dood verbond Christus zijn moeder Maria met Johannes, de leerling die hij liefhad. Ze werd nadien het inspirerende middelpunt van de kring van leerlingen.
Niet lang daarna verwoestten de Romeinen de joodse tempel, het teken van het Oude Verbond, en begon de lijdensweg van de joden in de diaspora.

20131103-140200.jpg

Vlak voor zijn dood verbond Rudolf Steiner het wezen van de mens (Antropos) met het wezen van de wijsheid (Sofia) en maakte dit nieuwe wezen (Antroposofia) tot het inspirerende middelpunt van de Antroposofische Vereniging.
Hij onthulde ook het geheim van de oude en de jonge zielen, en toonde daarmee zijn leerlingen hoe zij hem konden navolgen door als ‘sofen’ (de oude zielen) samen te werken met de ‘antropo’s’ (de jonge zielen), en op die manier een aardse Antroposofia te vormen, een lichaam waarin de hemelse Antroposofia kon neerdalen.

Vandaag zijn we er getuige van hoe de antroposofische tempel, het Goetheanum in Dornach, verwoest wordt. De geestelijke verloedering waarover onder meer Prokofieff spreekt, is het etherische spiegelbeeld van de fysieke verwoesting van de joodse tempel door de Romeinen, die ook vandaag, als moderne materialisten, het Goetheanum ontheiligen en geestelijk met de grond gelijk maken.

Het leven van Rudolf Steiner was één lange navolging van Christus, zelfs in die mate dat we hem ‘de Christus van de moderne tijd’ zouden kunnen noemen.
Maar hij heeft er zelf met nadruk op gewezen dat de menswording van Christus een eenmalig gebeuren was in de mensheidsgeschiedenis.
Steiner wist dat Christus zou terugkomen, maar niet in de fysieke wereld.
Zijn wederkomst zou ‘op de wolken’, dat wil zeggen in de etherische wereld plaatsvinden en daarvan zou Steiner getuigen.
Als een aardse Michaël hield Rudolf Steiner de blik gericht op de etherische Christus en weerspiegelde hem in zijn leven en werk.

Aan het eind van zijn leven, zette Steiner de kroon op zijn werk.
Hij zette de stap van Michaël naar Christus.
Van bevoorrechte getuige werd hij tot liefdevolle navolger.
Na zijn wijsheid gaf hij nu ook zijn leven voor zijn vrienden.
Die wijsheid had hij ontleend aan het waarnemen van Christus.
Maar nu werd die wijsheid tot liefdesdaad.
En uit die liefdesdaad werd het wezen Antroposofia geboren.

Het is de taak van de Antroposofische Vereniging om als ouderpaar op te treden voor dit geestelijke kind, om het een lichaam te geven zodat het op aarde kan komen en daar werkzaam zijn.
Na de ‘conceptie’ van dit kind (tijdens de Weihnachtstagung) wees Rudolf Steiner zijn leerlingen op hun ouderlijke plichten (tijdens de karmavoordrachten).
Hij spoorde de oude zielen aan om een nieuw verbond te sluiten met de jonge zielen, een etherisch huwelijk, zeg maar.
Want op het eind van de eeuw moest de antroposofie de ‘schaal’ worden waarin het wezen Antroposofia kon neerdalen, net zoals het wezen van Rudolf Steiner tijdens de Weihnachtstagung was neergedaald in de schaal van de Antroposofische Vereniging.
En zoals Steiner uit vrije wil was ‘neergedaald’ in die gebarsten schaal om ze weer heel te maken, zo moesten nu ook de beide zielengroepen uit vrije wil de antroposofische schaal helen zodat het wezen Antroposofia erin kon neerdalen.
Want dat is het verschil tussen een menselijk wezen zoals Steiner en een geestelijk wezen zoals Antroposofia: het eerste kan neerdalen in een gebarsten schaal, het tweede niet.

Rudolf Steiner was een geest van de hoogste orde, maar hij was tevens een mens.
En als mens kon hij neerdalen in een wereld die aan scherven lag.
Antroposofia kan dat, als zuiver geestelijk wezen, niet.
Zij heeft een ongebarsten schaal nodig, zoals ook Christus die nodig had om mens te kunnen worden.
In zijn geval werd die schaal gevormd door de eenwording van de oude en de jonge Jezus.
De verticale eenwording (een geest die in een lichaam incarneert) werd dus mogelijk gemaakt door de horizontale eenwording (van een oude en een jonge ziel).
En die horizontale eenwording kan alleen maar een vrijwillige eenwording zijn, een eenwording uit liefde.
Een geest kan alleen in liefde ontvangen worden.

20131103-140314.jpg

Toen Rudolf Steiner zich verbond met de Antroposofische Vereniging deed hij dat uit zuivere, zelfopofferende liefde waarmee ook het oudere Jezuskind zichzelf geofferd had aan het jonge Jezuskind.
Die (horizontale) vereniging was de aardse schaal waarin het hemelse wezen Sofia kon neerdalen en zich verbinden met de mens, de Antropos.
Maar dat wezen daalde slechts tot in de etherische wereld af, waar het zich verbond met de etherische grondsteen, de geconcentreerde antroposofie, het zaadje dat Steiner in de harten van zijn leerlingen had gelegd.
Of het geestelijke wezen Antroposofia vanuit die etherische wereld van het hart kan afdalen tot in de fysieke wereld van het lichaam en werkzaam worden op aarde, hangt af van de mate waarin de oude en de jonge zielen zich in liefde met elkaar kunnen verbinden.

Uit dit beeld kan men ook opmaken dat de geest van Rudolf Steiner niet teruggekeerd is naar de geestelijke wereld, maar zich – in navolging van Christus – blijvend met de aarde en de mensheid verbonden heeft en nu in de etherische wereld leeft, verbonden met het wezen Sofia en wachtend tot de oude en jonge zielen zich op aarde vrijwillig verenigen.

Deze vrijwillige vereniging houdt in dat beide zielengroepen zich eerst bewust worden van hun onderscheid.
Zonder dat ‘dualistische’ bewustzijn kan er nooit sprake zijn van een vrijwillige, dat wil zeggen liefdevolle vereniging.
Oude en jonge zielen kunnen zich op alle mogelijke manieren verenigen, maar als het een blinde vereniging is, zonder bewustzijn van hun tegenstelling, dan kan ze nooit de schaal worden voor het wezen van de antroposofie.
Zo’n instinctieve, liefdeloze vereniging wordt dan veeleer de schaal voor het wezen van de anti-antroposofie.
Dat wezen was reeds tijdens het leven van Rudolf Steiner werkzaam en wilde hem de toegang tot zijn eigen vereniging ontzeggen.
Steiner heeft daar zelf meer dan eens op gewezen.
De vijand komt vooral van binnenuit.
Dat is ook vandaag nog het geval.
De tegenstand in de buitenwereld is relatief beperkt.
Buiten de gebruikelijke (ahrimanische) onverschilligheid en wat (luciferische) beschuldigingen van racisme, blijft het rustig aan het front.
Maar die rust is bedrieglijk, want hij verhult dat de vijand binnen de muren aan het werk is.
Hij brengt zelfs vooraanstaande antroposofen ertoe zich – in naam van Steiner – tegen Steiner te keren.

Men moet niet vragen hoe gevaarlijk deze anti-antroposofische geest is, want het is nauwelijks mogelijk om hem aan te klagen zonder zelf van anti-antroposofie beschuldigd te worden.
Het is deze geest die de antroposofische wereld keer op keer in twee deelt.
Het adderkluwen dat dan telkens ontstaat, ontneemt een mens de moed om zich nog met deze kwestie in te laten.

De bewustwording van het bestaan van oude en jonge zielen is onvermijdelijk een strijd met de draak en vergt veel liefde.
Ja, in feite is deze bewustwording een oefening in liefde, een oefening die tegelijk een bewustwording van de liefde is.
Want zonder scheiding, geen liefde.
Er kan geen bewuste (en dus vrije) liefde zijn als er geen bewustzijn is van de scheiding die de liefde mogelijk maakt.
Het feit dat de antroposofische beweging uit twee soorten zielen bestaat, is niet een of andere rampzalige omstandigheid.
Het is de voorwaarde voor de menswording van het wezen Antroposofia, dat wijsheid en liefde in zich verenigt, het wezen van de vrije liefde.

De scheiding tussen oude en jonge zielen dateert – net als de scheiding tussen man en vrouw – uit de tijd van de (inmiddels door de wetenschap bevestigde) scheiding van aarde en maan.
Die scheiding was geen gevolg van het optreden van de draak, maar een voorzorgsmaatregel van de goden.
Adam en Eva bestonden al toen de slang hen te grazen nam.
En juist omdat de mens met twee was, kon hij de zondeval overleven.
Alleen had hij dat niet gekund.
Maar de draak nam wraak voor die ‘ontdubbeling’ van de mens.
Hij maakte van de relatie tussen man en vrouw een oorlog: la guerre des sexes.
Hetzelfde gebeurde met de ‘geestelijke geslachten’, de oude en jonge zielen.
Ze hebben elkaar in het verleden te vuur en te zwaard bestreden, en dragen dus een zwaar onderling karma met zich mee.
Dat karma is een vloek, want het neemt de antroposofische vereniging keer op keer te grazen.
Maar het is ook een zegen, want het houdt een enorme potentie aan liefde in zich.
Op het huidige keerpunt der tijden is het zaak om die opgestapelde haat weer in liefde om te zetten, in plaats van ze te laten exploderen zoals dat in de 20ste eeuw gebeurd is en vandaag nog altijd gebeurt.
Want het is niet alleen de antroposofische beweging die uit twee soorten zielen bestaat.
De hele mensheid bestaat uit oude en jonge zielen.
En met name in onze tijd zien we dat hun werelden steeds weer slaags raken.
Over de hele wereld staan tegengestelde partijen met getrokken messen tegenover elkaar.
En juist omdat die twee partijen in wezen een polariteit vormen en dus niet los van elkaar kunnen komen, is de strijd zo hevig.
Geen vernietigender strijd dan een broederstrijd.
Geen gruwelijker oorlog dan een burgeroorlog.

Maar in wezen vechten beide partijen niet tégen elkaar, ze vechten mét elkaar.
Ze vechten omdat ze zich in liefde willen verenigen, maar daarbij hun vrijheid en zelfstandigheid niet willen verliezen.
Ze willen niet met elkaar versmelten tot één wezen.
Ze willen elkaar bewust liefhebben.
Daarom vechten ze met elkaar.

20131103-140600.jpg

De bewustwording van het wezen dat zich uit deze strijd probeert te bevrijden – het wezen Antroposofia, het wezen van de bewuste, vrije liefde – is het begin van de verlossing uit de broederstrijd.
Rudolf Steiner wist wat er na zijn dood zou gebeuren.
Hij kende de drakenkrachten waarmee hij zijn hele leven gevochten had.
Hij wist dat ze het vuur van de broederstrijd hoog zouden doen oplaaien als hij er niet meer was.
Maar hij kon die strijd niet zonder meer voorspellen en zijn leerlingen uitdrukkelijk waarschuwen voor wat hen te wachten stond.
Dat zou een aantasting van hun vrije wil zijn geweest, een vermindering van hun potentiële liefde.

En dus onthulde hij bijna terloops, alsof het slechts een detail was, het geheim van de oude en jonge zielen.
Hij onthulde het vlak voor de draak toesloeg.
En daarmee was hij hem te vlug af.
Steiner had dit geheim (of het recht om het te onthullen) bevochten op de dood, en nu bezat de antroposofische vereniging een zaadje dat ze kon ontwikkelen en waarmee ze op eigen kracht haat in liefde kon omzetten.
In de 9 maanden na de Weihnachtstagung schreef Rudolf Steiner bij wijze van spreken zijn ‘nieuwe testament’.
Daarin brak hij met de ‘oudtestamentische’ driegeleding, die inhield dat de antroposofie moest bestaan uit een geest (Steiner zelf, als spiritueel leraar), een ziel (de Vereniging) en een lichaam (de werkgebieden), die alle drie zorgvuldig gescheiden moesten te blijven.
Steiner mocht geen lid worden van de Vereniging en hij mocht evenmin meewerken in de werkgebieden. Beide moesten overgelaten worden aan zijn leerlingen.
De vereniging en de werkgebieden dienden eveneens gescheiden te blijven. Wereldse praktijken hadden hun plaats op het werkveld maar niet in de vereniging. Omgekeerd mocht in bijvoorbeeld steinerscholen geen antroposofie worden gegeven.

In de ‘nieuwtestamentische driegeleding’ is de mens vrij en niet verplicht de grenzen tussen de drie deelgebieden te respecteren.
Steiner gaf het voorbeeld door voorzitter te worden van de Vereniging, met alle praktische beslommeringen en verantwoordelijkheden van dien. Hij vroeg nu ook uitdrukkelijk dat de werkgebieden vanuit de antroposofie zouden werken.
En van de vereniging maakte hij een open vereniging die midden in de wereld zou staan.
De drie gebieden moesten één worden.
Maar dat betekende niet dat ze moesten samensmelten.
Nee, de grenzen moesten blijven bestaan, maar ze mochten niet langer als een plicht van buitenaf worden opgelegd. Ze moesten voortaan van binnenuit, uit vrije wil, uit inzicht en liefde getrokken worden.

De oude driegelede vereniging moest met andere woorden sterven en opnieuw geboren worden.
En ze stierf in de tweegelede, dualistische vereniging, waarin oude en jonge zielen onverzoenlijk tegenover elkaar kwamen te staan.
Dat sterven spiegelde zich in de Goetheanumbrand: de Antroposofische Vereniging werd door de tegenmachten in de as gelegd.
Maar juist daardoor kreeg Rudolf Steiner de kans om uit de assen van de oude vereniging de nieuwe driegelede vereniging te doen verrijzen, zoals hij ook de kans kreeg om op uit de assen van het oude Goetheanum het nieuwe Goetheanum te laten verrijzen.
En die kans greep hij.
Wat de vereniging als lijdend voorwerp had ondergaan, onderging Rudolf Steiner als ‘meewerkend’ voorwerp: hij liet zich vrijwillig, uit liefde en inzicht, aan het kruis slaan door de tegenmachten.
Hij offerde zijn vlees en bloed.

20131103-140750.jpg

Het was het derde grote offer van Rudolf Steiner.
Het tweede was het Goetheanum waarin hij al zijn levens- en vormkrachten had geïnvesteerd.
Toen het afbrandde – Steiner wist dat het zou gebeuren en deed niets om het te verhinderen – stierf zijn etherlichaam.
Het eerste offer bracht hij toen hij als jongeman de geestelijke taak van de oudere Julius Schroër overnam.
Deze oude ziel had de antroposofie op aarde moeten brengen, maar slaagde daar niet in.
En dus deed Steiner, de jonge ziel, het in zijn plaats.
De hele antroposofie zoals wij die kennen, was dus niet Steiners levensopgave.
Hij was op aarde gekomen om inzicht te brengen in karma en reïncarnatie.
Die levenstaak schoof hij opzij om de antroposofie op aarde te brengen.
Pas na de Weihnachtstagung kwam hij weer aan zijn eigen levenstaak toe.
En die moest hij samenballen in de 9 maanden die hem nog restten.

Het hart van die samengebalde levenstaak – de kiem van het zaadje – vormde het inzicht in de relatie tussen de oude en jonge zielen.
Het heeft dan ook iets aangrijpends om (in de karmavoordrachten) te lezen hoe hij de kern van zijn levenswerk een ‘intermezzo’ noemt, als om zijn leerlingen niet te belasten met de samengebalde kracht ervan.
Het geeft een idee van de enorme, zelfopofferende terughouding waarmee Rudolf Steiner te werk ging.
Na meer dan 60 jaar al zijn krachten te hebben gewijd aan andermans levenstaak, komt hij eindelijk, op de valreep, toe aan zijn eigen opgave.
En wanneer hij de kern ervan onthult, doet hij dat bijna terloops, alsof het allemaal zó belangrijk niet is.
Maar het is wél zo belangrijk.
Het is wat Steiner zijn hele leven geprobeerd heeft, van kindsbeen af: het verzoenen van twee tegengestelde werelden.
En aan het eind van zijn leven kan hij dat levenslange streven eindelijk doen ‘incarneren’: hij kan het een concrete, persoonlijke vorm geven.
Door het inzicht in het zielenthema wordt iedere antroposoof persoonlijk verbonden met de kern van Steiners levensopgave.
Hij moet nu kleur bekennen: is hij een oude of een jonge ziel?
Want een derde mogelijkheid is er niet.
Die ontstaat pas door het inzicht in het dualisme, dat niet alleen een vorm van denken is, maar ook een vorm van zijn.
Men IS een oude of een jonge ziel, en men blijft dat ook.
Het is een zijnswijze die men doorheen alle incarnaties meeneemt.
Zelfs de dood kan daar niets aan veranderen.
Slechts één ding kan deze fundamentele menselijke tweespalt overwinnen, en dat is de vrijwillige dood, de liefdesdood, het offer.

Toen Rudolf Steiner dat geheim onthulde, onthulde hij zijn eigen wezen, want op hetzelfde moment stierf hij vrijwillig die liefdesdood.
Hoe bewust hij dat offer bracht, blijkt uit het feit dat hij tegelijk ook het inzicht erin onthulde.
Hij deed dat op een bijzonder kunstzinnige wijze, door de vurige kracht van dat inzicht zodanig te milderen dat het bewustzijn van zijn leerlingen er zich niet aan brandde.
Toch bleek het nog te schokkend.
Reeds tijdens de voordrachten waarin hij het ‘liefdesgeheim’ onthulde, en die plaatsvonden in de zomer, op het moment dat de zon hoog aan de hemel stond, werd Steiner geconfronteerd met sterke weerstanden.
Hij vatte ze zelf samen in de vraag: moeten we daar nu echt over gaan nadenken?
En hij beantwoordde die vraag ondubbelzinnig: ja, beslist, in ieder geval.
Iedere antroposoof, zonder uitzondering, moest zich met het zielenthema bezighouden.
Weten of je een oude dan wel een jonge ziel was, moest voor een antroposoof even vanzelfsprekend worden als weten of je een Belg was of een Nederlander, of een Duitser, of een Engelsman.

Steiner vroeg zijn leerlingen in feite om zijn liefdesoffer te begrijpen, het offer dat hij op hetzelfde moment bracht door als levend koppelteken tussen beide zielengroepen in te gaan staan.
Het was dezelfde vraag die Christus aan zijn leerlingen stelde in Gethsemane: waakt met mij!
Hij wilde dat ze bewust getuige zouden zijn van zijn liefdesoffer.
Maar het vuur van dat offer was te sterk voor hen, hun bewustzijn was er niet tegen opgewassen, het viel in slaap.
Ook het bewustzijn van Steiners leerlingen was niet bestand tegen de intensiteit van het offer dat hij bracht.
Ze konden het geheim van de oude en de jonge zielen niet verteren.

20131103-141158.jpg

Uit het bijbelse oerbeeld kunnen we aflezen dat zulks niet tot de mogelijkheden behoorde.
Pas nu, honderd jaar na de Weihnachtstagung, kunnen we langzaam beginnen ontwaken uit de bewustzijnsslaap die ons zolang blind heeft gemaakt voor het wezen van het zielenthema.
Het is voor veel antroposofen nog altijd een schokkend thema waar ze liever niet willen over nadenken, want het impliceert een offer, eenzelfde offer als Rudolf Steiner honderd jaar geleden gebracht heeft.
Het vraagt van ons dat we ons losmaken van onze eigen zielenaard en onze eigen levensopgave, en dat we tussen beide zielenaarden en levensopgaven in gaan staan.
Want daar is het dat we een nieuwe gulden middenweg moeten banen.
Deze nieuwe ‘derde’ weg is de uit wijsheid geboren liefdesweg.
Het is de weg van de vrije liefde.
De weg van Michaël naar Christus.
De weg van de navolging van Rudolf Steiner.

We zijn niet verplicht om deze antroposofische weg te gaan.
We kúnnen hem zelfs niet uit plichtsbesef gaan.
We kunnen hem alleen uit inzicht gaan, uit vrijheid en uit liefde.
En dat is een zeer persoonlijke zaak.

Van twee naar drie (2)

In deel (1) van ‘Van twee naar drie’ heb ik proberen uit te leggen dat driegeleding niet compleet is – lees: niet leeft – als ze niet verbonden is met tweegeleding.

Dat komt mijns inziens tot uiting in de Grondsteenspreuk, die Rudolf Steiner aan het eind van zijn leven formuleerde en die de hele antroposofie in een notedop bevat.
Deze spreuk-der-spreuken bestaat uit een drieledig gedeelte (drie keer ‘O mensenziel’) en een tweeledig gedeelte (over de koningen en de herders).
Zowel het onderscheiden als het verbinden van deze twee werelden – de drieledige en de tweeledige – blijkt nog altijd een struikelblok.
Ook Henk Verhoog belicht in zijn boek ‘Al het goede komt in drieën’ uitvoerig het drieledige luik van de Grondsteenspreuk, maar wijdt aan het tweeledige luik slechts een paar terloopse regels.
En hij is geen uitzondering.
De stiefmoederlijke behandeling van het ‘tweeledige luik’ is in de antroposofische wereld de regel.

De tweeledige, dualistische wereld is de aardse, materialistische wereld van vandaag.
De drieledige wereld is de spirituele antroposofische wereld.
En het water tussen beide is te diep.
Er gaapt een diepe kloof tussen de antroposofie en de moderne wereld.
Maar die kloof loopt ook dwars door de antroposofie heen.
Het is de kloof tussen driegeleding en tweegeleding.
Het is ‘de wonde van de visserkoning’.
Het is de onmacht die men wel beleeft, maar niet onder ogen ziet.
De moderne antroposoof komt er niet toe de verlossende Parsifalvraag te stellen.
En dus dwaalt hij eenzaam rond in de moderne wereld, terwijl de antroposofie een kwijnend bestaan leidt, niet in staat om overeind komen, laat staan om de wereld redden.

20131031-160459.jpg

De Parsifalvraag is eigenlijk een vraag van een ‘herder’ aan een ‘koning’.
Zij luidt: Sire, wat scheelt er met u?
Men begrijpt meteen het probleem: zoiets vraag je niet aan een koning.
En zeker niet als ‘dwaze’ herder.

De driegeleding is het kroonjuweel van de antroposofie, en dat wil men niet in tweegelede handen laten vallen.
De tragiek is echter dat Parsifal, de ‘reine dwaas’, geroepen is om die kroon op zijn hoofd te zetten.
En dat kan hij niet, zolang hij de verlossende vraag niet heeft gesteld.

Ik wil hier eens proberen om die Parsifalvraag te stellen, en dus een brug te slaan tussen de aardse, herderlijke tweegeleding en de hemelse, koninklijke driegeleding. Het zal ‘koninklijke’ antroposofen misschien in het verkeerde keelgat schieten, maar de kans dat deze ‘dwaze’ blog lezen is niet bijster groot.

In deel (1) heb ik een en ander in abstracto gedaan, in deel (2) wil ik een stapje verder gaan.

Ik begin met een korte schets van de Weihnachtstagung, de fameuze kerstbijeenkomst van 1923 in Dornach, waarop Rudolf Steiner de Grondsteenspreuk formuleerde en beide werelden – de wereld van de exoterische tweegeleding en de wereld van de esoterische driegeleding – met elkaar verbond.

Rudolf Steiner nam daarmee het grootste risico van zijn leven.
Hij deed iets wat nog nooit gedaan was.
Hij doorbrak de eeuwenoude esoterische wet die zei dat spirituele en wereldse zaken gescheiden moesten blijven.
Daarom was Steiner zelf geen lid van de Antroposofische Vereniging.
Hij liet zich niet in met het bestuur en de werking ervan.
Hij was de geestelijke leraar, hij nam alleen de spirituele kant voor zijn rekening.
De materiële kant moest door anderen worden opgenomen.

Maar die anderen maakten er een potje van, zelfs in die mate dat Steiner het niet meer zag zitten en wilde kappen met de hele vereniging.
Hij overwoog ernstig om zich samen met een paar leerlingen terug te trekken en alleen nog met hen verder te werken.
De malaise bereikte een hoogtepunt toen het Goetheanum op nieuwjaarsavond 1923 in brand werd gestoken.
De brandstichter kwam van buitenaf (een katholieke priester), maar de brandstof, aldus Steiner, kwam van binnenuit.
Ze bestond uit een mengsel van hoogmoed, sektarisme en bureaucratische verstarring.
Dat kwam pijnlijk tot uitdrukking in de manier waarop de oude garde de jongere generatie behandelde.
Die oudere generatie bestond niet zelden uit ontwikkelde, aristocratische figuren, mensen die iets betekenden in de wereld en dat ook wisten.
Zij hadden de Antroposofische Vereniging opgebouwd en daarbij heel wat weerstanden moeten overwinnen.
Ze waren trots op hun werk en wilden het niet zomaar in handen geven van een paar jonge blagen die van toeten of blazen wisten.
Veel van die jonge blagen kwamen recht van de slagvelden van de eerste wereldoorlog.
Ze hadden het inferno fysiek overleefd, maar hun ziel was diep geschokt.
Ze hadden het vertrouwen in de oude wereld verloren en zochten iets nieuws.
Dat vonden ze in de antroposofie.
Maar ze botsten op een Vereniging die nog helemaal volgens de oude hiërarchische structuren was opgebouwd.
Rudolf Steiner ervoer dat als een tragedie, want hij herkende in de jonge generatie degenen die de antroposofie in de wereld moesten plaatsen.
Hij koos dan ook hun zijde, maar kon en mocht niet ingrijpen in de Vereniging.

20131031-160603.jpg

De situatie toen is vergelijkbaar met de situatie vandaag.
De Antroposofische Vereniging is weliswaar veel groter geworden en heeft nu vertakkingen over de hele wereld, maar ook de geestelijke nood van de wereld is gegroeid en met name de jongere generaties snakken naar iets nieuws.
Ze zouden dat in de antroposofie kunnen vinden, maar ze botsen op een Antroposofische Vereniging die, net als 100 jaar geleden, vastgeroest is in oude vormen en haar sektarisme niet kan overwinnen.
Ik kan ervan meespreken, want ofschoon ik al 30 jaar een overtuigd en enthousiast antroposoof ben, heb nooit toegang gevonden tot de Antroposofische Vereniging.
Ik heb ooit op het punt gestaan om lid te worden, maar toen gebeurde er weer iets waarvan ik dacht: met dat soort mentaliteit wil ik niks te maken hebben.
Als ik soms naar een bijeenkomst of een voordracht ga (en dat doe ik hoogst zelden), dan lijkt het wel of ik in een ouderlingentehuis terechtkom.
Jonge mensen vormen de uitzondering op de regel.

De antroposofie spreekt nog altijd niet de taal van de wereld waarin ze leeft, zoals Steiner dat van haar verwachtte.
En dat is doodjammer, zowel voor die wereld als voor haarzelf.
Want die twee hebben elkaar nodig, meer dan ze beseffen.

Rudolf Steiner zag in het afbranden van het (eerste) Goetheanum een beeld van de toestand waarin de Antroposofische Vereniging verkeerde.
Het laaiende vuur was de luciferische hoogmoed en sektarische sfeer.
De zwarte assen waren de dode, bureaucratische structuren en de harteloosheid waarmee men de jongeren behandeld had.
Steiner kwam in een diepe crisis terecht, hoewel daar, zoals steeds, uiterlijk niet veel van te merken was.
Hij zag niet alleen het Goetheanum, maar zijn hele levenswerk ten gronde gaan.
De brand was slechts de buitenkant van een veel grotere innerlijke ramp.

Zoals gezegd worstelde Steiner met de vraag of het nog zin had om verder te doen.
Maar toen nam hij een onverwacht besluit.
Een jaar na de brand stak hij … zichzelf in brand.
In plaats van zijn handen af te trekken van de Vereniging, ging hij er middenin staan, midden in dat luciferische vuur van hoogmoed en sectarisme.
En door dat vuur werd hij verteerd.
Vijftien maanden later was zijn lichaam opgebrand en verast.
Maar dit keer was het geen vreemde (lucifer) die het vuur had aangestoken.
Steiner koos er zelf voor om in dat luciferische vuur te gaan staan.
Bovendien nam hij ook het kruis van het voorzitterschap op zich, met alle bestuurlijke beslommeringen en verantwoordelijkheden van dien.
En hij deed dat uit vrije wil, volkomen bewust van de gevolgen die het kon hebben.
Achteraf heeft hij meer dan eens gezegd dat hij wist niet of de goden zijn beslissing – die een overtreding van hun wetten inhield – zouden accepteren.
Als ze dat niet deden, zou hij niet alleen zijn leven verliezen, maar ook de zin ervan.
Al zijn werk zou dan vergeefs zijn geweest.

Tot zijn grote vreugde stemden de goden in met zijn besluit.
Het feit dat de draak onmiddellijk wraak nam, kon die vreugde niet doven.
Meteen na de Weihnachtstagung, nog tijdens het gezellig samenzijn na afloop, werd hij dodelijk ziek, vergiftigd volgens sommigen.
‘Als door een zwaardhouw getroffen’, zei zijn vrouw.
Steiner overleefde die slag slechts met de grootste wilsinspanning.
Het was het begin van zijn kruisweg.
De tijd die hem nog restte, werd één lange worsteling met de dood, een doodsstrijd die op een uiterst pijnlijke en vernederende manier eindigde.
Hij werd letterlijk gesloopt, en dat was hem ook aan te zien.
Maar terwijl zijn lichaam ‘opbrandde’, steeg zijn geest als een feniks tot steeds grotere hoogten.
In dat laatste jaar leverde hij zijn grootste geestelijke prestaties.
Hij onthulde toen ook het geheim van de oude en de jonge zielen, het geheim dat tot op de dag van vandaag onverteerbaar blijft voor de meeste antroposofen.
Het is hét tweeledige geheim bij uitstek.
De antroposofische beweging bestaat namelijk uit twee ‘soorten’ antroposofen: oude, koninklijke zielen en jonge, herderlijke zielen.
Andere zielen zijn er niet.

20131031-160811.jpg

Op dit geheim – het ontbreken van een antroposofisch midden – rust nog altijd een loodzwaar taboe.
Op alle mogelijke manieren wordt dit dualisme ontweken, genegeerd of gerelativeerd.
Ook Henk Verhoog doet dat.
Aan het eind van zijn boek schrijft hij:

‘Bij het maken van de opzet van dit boekje was ik niet van plan ook iets over stromingen binnen de antroposofische beweging te zeggen. De aanleiding om dit toch te doen, vormde de hernieuwde lezing van het boek ‘Over de redding van de ziel’ van Lievegoed.’

En in navolging van Bernard Lievegoed onderscheidt hij drie stromingen: de antroposofische stroming, de manicheïsche stroming en de rozenkruisersstroming.

Over oude en jonge zielen: geen woord.

Nochtans is deze tweedeling (en niet de driedeling) voorwaarde voor de antroposofische vrijheid. Want ze laat – in het midden – ruimte voor de vrije mens.
Tijdens zijn leven stond Rudolf Steiner in dit midden, tussen beide zielengroepen in, bemiddelend, verzoenend, verbindend.
Tijdens de Weihnachtstagung wérd hij zelfs dit midden: de levende trait d’ union tussen de oude en de jonge zielen.
Toen hij een half jaar later het geheim van de twee zielentypes onthulde, was dat in feite zijn ‘nieuwe testament’.
Want hij wist dat er na zijn dood een gat zou vallen in het midden van de vereniging, en hij wilde zijn leerlingen het werktuig geven waarmee ze dat gat konden dichten.
Zijn ‘oude testament’ – de driegeleding – zou daarvoor niet volstaan, want het veronderstelde een (bestaand) middengebied, en dat zou er dan juist niet meer zijn.
Hij wilde zijn leerlingen tonen hoe ze, vanuit het dualisme dat na zijn dood zou ontstaan, weer tot een driegelede Antroposofische Vereniging zouden kunnen komen.
Dat dualisme was er vóór de Weihnachtstagung trouwens ook al.
Het was de oorzaak van de grote crisis in de vereniging: er was geen midden.
Oude en jonge zielen slaagden er niet in overeen te komen en samen te werken.
En dus werd Rudolf Steiner zelf dat midden.

Het was zijn navolging van Christus.
Zoals Christus de Vader verliet om een mens van vlees en bloed te worden, zo verliet Steiner de driegelede wereld van de geest om voorzitter te worden van een (in twee) verdeelde aardse vereniging.
Toen hij na zijn dood weer terugkeerde naar de geestelijke Vaderwereld, was het aan zijn volgelingen om zijn – christelijke – voorbeeld te volgen en zelf ‘midden’ te worden.

Zoals Steiner Christus navolgde, zo worden antroposofen verondersteld Steiner na te volgen, en eveneens de stap van de (geestelijke) driegeleding naar de (aardse) tweegeleding te zetten.
Het is de stap naar de ‘menswording’ van de antroposofie.
Naast een aangelegenheid van het hoofd en de wil, wordt ze nu ook – en vooral – een aangelegenheid van het hart.
De paradox is dus dat door de stap naar de tweegeleding te zetten, de antroposofie opnieuw drieledig wordt.
Haar midden dat door de dood van Steiner leeg achterbleef, wordt dan weer ‘bemand’ en veroverd op de draak.
De stap van driegeleding naar tweegeleding is dus tegelijk een stap van tweegeleding naar driegeleding.
Het is een stap van het (antroposofische en dus drieledig denkende) hoofd naar het (tweeledige) hart, een stap die de mens weer heel zal maken en hem doen stralen als een vijfvoudige ster.
Het is ook een stap over de kloof tussen de antroposofie en de moderne wereld, want het licht van die ster zal schijnen in de moderne duisternis en waargenomen worden door al wie zoekende is.
Het is, kortom, een stap over de drempel, en dat is een stap die alleen in vrijheid kan worden gezet.

20131031-161806.jpg

Het is in dat verband bijna ontroerend om zien hoe omzichtig Rudolf Steiner omgaat met de vrije wil van zijn leerlingen.
Enerzijds legt hij de grootst mogelijke nadruk op het oude- en jonge-zielenthema.
Hij brengt het zelfs in verband met het voortbestaan van de menselijke beschaving.
Anderzijds noemt hij de onthulling van dit geheim een ‘intermezzo’, alsof het een soort entr’acte is, een pauze, een moment van ontspanning en gezellig samenzijn.
Hij laat het als het ware aan zijn toehoorders over om dit begrip in de letterlijke of figuurlijke zin te begrijpen.
In de figuurlijke zin is een intermezzo iets waar je geen aandacht moet aan besteden.
In de letterlijke betekenis is het de vrije ruimte tussen twee bedrijven in, en als zodanig het sluitstuk, het hart van de hele antroposofie.

Over dat hart spreekt Steiner op waarlijk Michaëlische toon.
Enerzijds slaat hij spijkers met koppen en brengt hij de oorzaak van de voorbije (en toekomstige) malaise in de vereniging aan het licht.
Hij strijdt met de draak en ontmaskert hem, tot ontzetting van zijn publiek.
Anderzijds spreekt hij bijna badinerend over een intermezzo, alsof het niet om een hevige strijd maar om een spel gaat, dat opgewekt en vrolijk moet gespeeld worden.

We mogen niet vergeten dat de draak uitgerekend tijdens zo’n ‘intermezzo’ Rudolf Steiner een dodelijke slag toebracht, namelijk tijdens het gezellig samenzijn na afloop van de Weihnachtstagung, tussen de thee en de koekjes zeg maar.
Het was een voorafspiegeling van wat er na zijn dood zou gebeuren.
Want ook toen sloeg de draak verwoestend toe op een moment waarop niemand het verwachtte, namelijk onmiddellijk na afloop van de ‘begrafenisplechtigheid’, het moment waarop het gezelschap zich naar de koffietafel begeeft.

De draak sloeg toe als een Schorpioen en raakte heel precies de achillespees van de antroposofische beweging: het lege midden tussen beide zielengroepen.
In die vrije ruimte raasde hij als een herfststorm door Dornach en rukte er alle bladeren af.
De meest vooraanstaande leerlingen van Steiner stonden er opeens in al hun kleinmenselijke naaktheid.
De Antroposofische Vereniging ontmoette haar dubbelganger en raakte in zijn greep.
Ze kon hem niet onder ogen zien.
En dat kan ze nog altijd niet.
Het vernederende fiasco roept onbewust nog altijd diepe schaamte op.
Instinctief wordt de hele kwestie uit de weg gegaan.
En dat heeft niet alleen tot gevolg dat de antroposofische beweging voor de drempel blijft staan, maar ook dat de wereld aan de overkant – de moderne, in duisternis dwalende wereld – het zonder licht moet doen.

Noblesse oblige.

De antroposofische beweging heeft een roeping.
Ze is niet verplicht die te volgen, want ze is vrij.
Maar de gevolgen moet de hele wereld dragen.
Want die wereld heeft de antroposofie nodig.
Ze wacht tot de antroposofie de stap over de drempel zet en haar de helpende hand reikt.
Ze wacht tot de antroposofie een hart krijgt en begint te stralen in de duisternis.

20131031-162023.jpg

Op het keerpunt der tijden
Betrad het wereldgeesteslicht
De aardse wezensstroom.
Nachtduister
Heerste niet langer,
Daghelder licht
Straalde in mensenzielen.
Licht,
Dat verwarmt
De arme herdersharten.
Licht,
Dat verlicht
De wijze koningshoofden.

Goddelijk licht,
Christuszon,
Verwarm
Onze harten.
Verlicht
Onze hoofden.
Dat goed worde
Wat wij
Vanuit ons hart oprichten,
Wat wij
Vanuit ons hoofd leiden
Willen.

(Grondsteenspreuk, tweede luik)

Van twee naar drie (1)

‘Al het goede komt in drieën’, zo heet een boek van Henk Verhoog waarin hij het principe van drieledigheid in het werk van Rudolf Steiner belicht.

Ik citeer:

‘…dat het bij het idee van de drieledigheid om de kern van de antroposofie gaat, om het meest eigene en oorspronkelijke idee dat Steiner heeft ontwikkeld. Met het principe van drieledigheid wilde Steiner een tegenwicht geven tegen het (dualistische) denken in elkaar uitsluitende tegenstellingen. Dat dualistische denken was niet alleen in de tijd van Steiner belangrijk. Ook nu nog speelt het een belangrijke rol, in de vorm van de tegenstelling tussen geloof en wetenschap, tussen cultuur en natuur, tussen geest en lichaam (hersenen), enzovoort.’

‘Drieledigheid is als kerngedachte in het leven van Steiner steeds aanwezig. Het is een kerngedachte die zich in de loop van de tijd ontwikkelt en steeds meer aan inhoud wint. Bij verschillende gelegenheden geeft Steiner aan dat het ongeveer 30 jaar geduurd heeft voordat hij alle facetten van dit principe had doorgrond.’

Henk Verhoog geeft dan een hele reeks voorbeelden van die drieledigheid:

Geest, ziel en lichaam.
Denken, voelen, willen.
Hoofd, hart en ledematen.
Zenuw-zintuigsysteem, ritmisch systeem, stofwisselingssysteem.
Geestesleven, rechtsleven, economisch leven.
Vrijheid, gelijkheid, broederlijkheid.
Religie, kunst en wetenschap.
Vader, Zoon en Heilige Geest.
Lucifer, Christus, Ahriman.
Licht, kleur, duisternis.
Bloem, blad, wortel.
Zwavel, kwik, zout.
Ruimte, tijd, eeuwigheid.
Denken, spreken, schrijven.
Eerste, tweede en derde engelenhiërarchie.
Antroposofie, manicheïsme, rozenkruisers.
Michaëlieten, graalridders, rozenkruisers.
Enzovoort.

Hij vervolgt:

‘Prokofieff noemt Michaël de behoeder van het principe van drieledigheid. Inspiraties die van Michaël uitgaan zijn altijd drieledig.’

‘Ahrimanische en luciferische wezens hebben er baat bij als mensen in dualistische termen denken, door bijvoorbeeld geloof en wetenschap, of goed en kwaad, als elkaar uitsluitende activiteiten tegenover elkaar te stellen. Zij stellen alles in het werk om het principe van drieledigheid te verhullen.
In ‘Die Sendung Michaels’ zegt Steiner dat de strijd tussen luciferische en ahrimanische krachten in de kosmos alles doordringt en dat we de wereld waarin de mens in werkelijkheid staat alleen kunnen begrijpen als we hem drieledig opvatten.’

Zo, tot zover Henk Verhoog.
Dat moet voorlopig volstaan.

20131027-141251.jpg

De aandachtige lezer zal zich nu vragen beginnen stellen.
Zoals: hoe valt deze drieledigheid te rijmen met het feit dat ik niks liever doe dan … in tegenstellingen denken?
Ik kom met dat tweeledige denken zelfs tot de conclusie dat we in onze tijd voor een keuze staan, een keuze tussen goed en kwaad, zonder derde optie.
Als ik daarover in antroposofische kringen spreek (iets wat ik intussen wel afgeleerd heb) zie ik altijd weer monden openvallen.
Ze hebben geen idee waarover ik het heb.
Ze kunnen mijn dualisme niet rijmen met de antroposofische drieledigheid.
Het doet hen dan ook steigeren.
Al van zolang ik me kan herinneren, krijg ik er opmerkingen over.
Je veralgemeent!
Je moet nuanceren!
Je bent veel te absoluut!
Er gaapt met andere woorden een kloof tussen mij en mijn mede-antroposofen.
Zij begrijpen mij niet, en ik begrijp hen niet.

Ik ben nochtans een grote fan van het drieledigheidsprincipe.
Als er iemand is die steeds weer hamert op de afwezigheid van de kunst in de tegenstelling tussen geloof en wetenschap, dan ben ik het wel.
Maar ik ben een even grote fan van het tweeledigheidsprincipe.
Ik snap niet hoe je anders kunt denken dan juist in tegenstellingen.
Henk Verhoog schrijft trouwens zelf: ‘Rudolf Steiner verklaarde dat we de wereld alleen maar kunnen begrijpen vanuit de werking van tegenstellingen, dualistisch dus.’
Welaan dan.
Ik peins er dus niet over om de tweeledigheid op te geven in ruil voor de drieledigheid.
Ik wil ze allebei.
Voor minder doe ik het niet.
Ik zal me dan ook altijd blijven verzetten tegen de exclusiviteit van de drieledigheid.
Die drieledigheid is de sterkte van de antroposofie, maar ze is ook haar zwakte.

In het toch al vrij exclusieve antroposofische wereldje bestaat er een nog exclusiever clubje: dat van de ‘driegeleders’.
Iedere antroposoof weet: dat is een soort apart.
Ik ken er zo eentje.
Schat van een man.
Ik geniet er vooral van wanneer hij (in het Gents) begint te foeteren op de ‘sofen’ met al hun boeken en principes. Want hij is iemand die in de praktijk van het moderne leven staat, en daar heb je niet veel aan mooie theorieën.
Als hij dan uitgefoeterd is, zeg ik: maar ik ben zelf zo’n soof met een hoofd vol theorieën, ik sta geheel en al buiten de praktijk, en toch foeter je niet op mij!
Ik zou niet durven, antwoordt hij dan.
Waarop we alle twee in lachen uitbarsten en een slok van onze Westmalle tripel nemen.
Maar ondanks alle kameraadschap en goede verstandhouding blijft er tussen ons een kloof die onbespreekbaar is en die langzaam maar zeker verwijdering veroorzaakt.
Het is inmiddels alweer jaren geleden dat ik hem nog gezien heb, en ik heb de indruk dat hij mij vermijdt, vanuit een wantrouwen dat dieper ligt dan het gewoon menselijke.

Het is het wantrouwen tussen de twee- en de driegeleders.
En dat zit heel, heel diep.
Ik kan het weten, want ik ben al bijna 30 jaar getrouwd met een driegeleedster.
Zij foetert weliswaar nooit op antroposofen.
En het foeteren op mij heeft ze afgeleerd, want het helpt toch niks.
Maar als we discussiëren over twee- en driegeleding dan gaat het hard tegen hard.
Want het gaat niet zomaar om principes of ideeën.
Het gaat om veel meer.
Het gaat om wie wij in het diepst van onze ziel zijn.
Het gaat om roots die heel ver in het verleden reiken en waarvoor we door het vuur gaan.
Ja beslist, de gensters vliegen eraf als we dit gebied betreden.
Maar het is ook door dit gebied te betreden dat we een hechte eenheid zijn gaan vormen, een eenheid waar we veel plezier aan beleven.

20131027-141426.jpg

Die eenheid is uit strijd geboren.
De aardse strijd tussen man en vrouw enerzijds.
De geestelijke strijd tussen oude en jonge zielen anderzijds.
En de etherische strijd met de draak samen.

Ik had eerst geschreven: de strijd tégen de draak.
Maar dat is het nu juist niet.
La guerre des sexes is geen strijd van mannen tégen vrouwen of omgekeerd.
Het is evenmin een strijd tégen de scheiding der geslachten.
Want wie zou deze scheiding ongedaan willen maken?
Wie zou de ‘wrijvingen’ tussen man en vrouw willen missen?
Wie zou de … liefde willen missen?
Want daar gaat het uiteindelijk om.
Dat is de reden van die ‘oorlog’.
En de voorwaarde voor die liefdesoorlog is de scheiding,
de scheiding die er niet zou zijn zonder de draak.
We vechten dus niet tégen de draak.
We vechten mét de draak.
We vechten om de liefde Gods.

Misschien begrijpt u al een beetje waarom ik zo hardnekkig vasthoud aan mijn ‘tweeledig’ denken, tegen alle antroposofische protesten en bezwaren in.
Ik vecht helemaal niet tégen het drieledig denken, ik vecht mét het drieledig denken.
Ik vecht ermee zoals ik met mijn vrouw vecht: om er mij des te beter mee te kunnen verenigen.
Er staat veel op het spel als man en vrouw met elkaar vechten.
Want zij vechten uit liefde, om de liefde en voor de liefde.
De liefde is het begin en het einde van de strijd.
En daartussen groeit zij.
De liefde groeit door te leven, te sterven en te verrijzen.

Ziedaar de drieledigheid zoals ík ze zie:
een zich voortdurend transformerende tweeledigheid,
een onafgebroken metamorfose van het gevecht tussen de tegenpolen.
En dat gevecht zelf is de derde pool, een pool die steeds in ontwikkeling is.
Ze begint fysiek, bijvoorbeeld als la guerre des sexes.
En geleidelijk, heel geleidelijk wordt ze geestelijker.
Stap voor stap wordt ze een kunst.
En ten slotte eindigt het gevecht als een spel, in de hoge betekenis die Schiller eraan geeft.

Als we de dualiteit in de tijd plaatsen, als een steeds evoluerende relatie tussen twee polen, dan vormt ze geen tegenstelling met de driegeleding, dan IS ze reeds een driegeleding.
Dualisme en driegeleding als een tegenstelling zien, en de een verwerpen ten voordele van de andere, is geen driegeleed maar dualistisch denken.

20131027-141519.jpg

Maar ook de tijd heeft een structuur.
Ze verloopt in zeven fasen, waarvan de middelste een keerpunt is.
En op dat keerpunt moet de mens kiezen.
Daar moet hij kiezen tussen de fysieke liefde (de liefde voor de materie), en de geestelijke liefde (de liefde voor de geest).
In het ‘midden’ van de tijd wordt de liefde vrij of raakt ze definitief in de greep van de draak.
Want in dat midden ontmoeten de tegenpolen elkaar op volle kracht.
Les extrêmes se touchent.
Ofwel vindt dan de ‘Steigerung’ plaats, zoals Goethe het noemt,
ofwel gaat de ‘verlaging’ van de liefde onverminderd door.
Want anders dan in de plantenwereld vindt de ‘verhoging’ in de mensenwereld alleen plaats als de mens het wil, als hij ervoor kiest.
En dat is een buitengewoon moeilijke keuze.
Want in de uitersten die elkaar raken, leven Lucifer en Ahriman.
Zij reiken elkaar in het midden de hand en proberen de mens naar beneden te sleuren.

Over deze keuze lees ik niets in het boek van Henk Verhoog.
Het is alsof hij van het dualisme meteen overstapt naar de driegeleding zonder zich af te vragen hoé dat moet gebeuren.
Daardoor komt hij in een nieuw dualisme terecht: dat tussen dualisme en driegeleding.
Zou dat niet de reden zijn waarom de antroposofische driegeleding niet van de grond komt?
Het hart van de driegeleding ontbreekt, het levende midden, waar een vrije keuze wordt gemaakt.
En als er niet bewust gekozen wordt, krijgen (luciferisch) sektarisme en (ahrimanische) verstarring de antroposofie in hun greep.

Het grote probleem is dus de overgang van ruimte naar tijd.
Wanneer we de drempel overschrijden – en dat doen we allemaal in deze tijd – dan betreden we de etherische wereld, de wereld van de tijd.
Hier zijn geen vaste structuren zoals in de ruimte, alles is er in beweging, alles evolueert, alles metamorfoseert.
Hier vind je de afwisseling van dag en nacht, de afwisseling van de seizoenen, het eeuwig bewegende leven.
Als we hier het bewustzijn niet willen verliezen, dan moeten we ons ‘ruimtelijke’ dualistische denken verlossen uit zijn verstarring.
We moeten het als het ware bevochtigen en kneden zoals een beeldhouwer dat met zijn klei doet.
We moeten het ‘spiritualiseren’.

Dat betekent dat we in processen moeten leren denken.
En dat is heel, heel moeilijk.
Maar juist in de natuur hebben we een prachtig voorbeeld.
Want alles in de natuur speelt zich af tussen licht en donker, tussen hemel en aarde, tussen water en land.
De natuur is door en door dualistisch.
Maar wat een onvoorstelbaar kunstwerk is de kringloop van het jaar, dat dualisme-in-beweging!
En welke schitterende geest drukt zich daarin uit!
Die geest is Christus, de God die zich in de tijd manifesteert.
En hij doet dat vooral in het midden, op het keerpunt van de tijd.

20131027-141701.jpg

In de natuur is dat keerpunt de herfst.
In het denken is dat het tweegelede denken.

In dit tweegelede of polaire denken keert het dualisme om tot driegeleed denken.
Het is een overgangsdenken dat de brug slaat tussen het dualistische ruimtelijke denken en het driegelede geestelijke denken.
Het is het Michaëlische denken-in-actie.

In het dualistische denken komen we tot bewustzijn (ex Deo nascimur).
In het tweegelede denken sterft dit bewustzijn (in Christo morimur).
In het driegelede denken wordt het opnieuw geboren (per Spiritus Sanctus reviviscimur).

Het Michaëlische denken is een stervend dualistisch denken, een herfstdenken.
Maar het is een bewust stervend denken, een denken dat de herfst – en we leven in de herfst der tijden – bewust doormaakt.
En juist omdat het bewust sterft, verrijst het denken ook opnieuw, en wel in een driegelede vorm.
Het driegelede denken is het gestorven en verrezen dualistische denken.
Het is er de metamorfose van, niet het tegenovergestelde.
Een levend driegeleed denken wijst het dualistische denken derhalve niet af.
Het reikt het de hand en vormt er een eenheid mee, een driegelede eenheid:
dualisme – polariteit – driegeleding.
Wie het tweegelede polariteitsdenken niet onderscheidt van het dualistische denken en tegenover beide gaat staan, denkt niet driegeleed.
Hij denkt dualistisch.
En juist omdat hij zich tegen het dualisme keert, is zijn denken zelfvernietigend.

Dat is dan ook de keuze waarvoor de moderne mens vandaag staat:
ofwel leert hij tweegeleed denken ofwel vernietigt hij zijn denken.
En dat geldt ook voor de antroposoof.
Hij mag dan wel veel over de driegeleding denken, maar zolang hij het hart van de driegeleding – het tweegelede denken – vermijdt, zal hij de antroposofie niet kunnen beletten zichzelf te vernietigen.

Ik heb het boek van Henk Verhoog over de driegeleding met grote belangstelling gelezen.
Het is heel interessant en ik kan het iedereen aanbevelen.
Maar er ontbreekt iets in, en wel het belangrijkste: het hart.
Dat wil niet zeggen dat dit boek niet vanuit het hart geschreven is.
Henk Verhoog is duidelijke een enthousiaste, bezielde antroposoof.
Maar het ontbreekt hem aan bewustzijn van dat hart.
Hij betreedt het middengebied niet bewust (genoeg).
En daardoor blijft zijn betoog schematisch en abstract.

Lees bijvoorbeeld wat hij schrijft over de Weihnachtstagung, het Grote Keerpunt van de antroposofie.

‘De Grondsteenspreuk is uitgesproken tijdens de grondsteenlegging, een toespraak van Steiner op 25 december 1923, waarbij hij niet een fysieke grondsteen legde, zoals men pleegt te doen bij een nieuw gebouw, maar een geestelijke grondsteen. Deze grondsteen werd door Steiner ‘in de harten van de mensen gelegd’. Daarmee wordt bedoeld dat het niet alleen gaat om iets dat je met je verstand kunt begrijpen. Het gaat om iets dat in je ziel, in het middengebied van de mens, moet worden opgenomen als een ijkpunt voor al je denken, voelen en willen. Vandaar de grote nadruk in deze toespraak, en ook al tijdens de openingstoespraak op 24 december, op het hart.
In deze openingstoespraak zei Steiner dat de antroposofische vereniging (beweging) alleen recht van voortbestaan heeft als de leden er een aangelegenheid van het hart van maken. Hij gaf verder aan dat hij alle gedelegeerden bijeengeroepen had om ‘een harmonie van harten’ tot stand te brengen.
(…)
De Grondsteen werd door Steiner ter plekke in de etherwereld gevormd uit de krachten van de Triniteit: de geest der hoogten, de Christuskracht in de omtrek en de scheppende Vaderkracht die uit de diepten stroomt.
(…)
Steiner beschreef de Grondsteen als iets dat door de leden in hun hart kan worden opgenomen, iets waarop ze kunnen bouwen bij hun toekomstige werk binnen en buiten de vereniging.
(…)
Daarom sprak Steiner ook over een ‘liefdessteen’. Werkelijk iets nieuws scheppen dat in overeenstemming is met de goddelijke scheppingskrachten, is een daad van liefde. Antroposofie moet na de Weihnachtstagung niet meer alleen gedacht, maar ook geleefd en gedaan worden vanuit het hart als centrum.’

20131027-142015.jpg
(bron: http://www.stella-anthroposophica.de)

Dat is veel ‘hart’ en ‘liefde’.
Volkomen terecht overigens.
Maar wat moeten we ons in godsnaam voorstellen bij die ‘liefdessteen’?
Wat is ‘een grondsteen die in de etherwereld gevormd wordt uit de krachten van de Triniteit en in de harten van de mensen wordt gelegd’?
Het is dit soort formuleringen waar niet-antroposofen finaal op afknappen.
En er zullen ook wel niet veel antroposofen zijn die begrijpen waarover het hier gaat.
Dit is geen antroposofie die ‘niet alleen gedacht, maar ook geleefd en gedaan wordt vanuit het hart als centrum.’
Dit is pre-Weihnachtstagung-antroposofie.
Dit is dualistische antroposofie in een driegeleed kleedje.
Dit is antroposofie die netjes om de hete brij heen loopt.
Dit is het soort antroposofie dat nooit iets kan betekenen voor de wereld.
Goed bedoeld, dat wel, maar krachteloos.

Dat is een hard oordeel, en altijd wanneer ik zo’n oordeel vel, gaat er een alarmbelletje rinkelen.
Ik heb namelijk (met scha en schande) geleerd dat dergelijke oordelen ook altijd op jezelf slaan.
Hoe waar ze ook mogen zijn, als je ze niet op jezelf betrekt, maak je dezelfde fout als degene waarover je oordeelt.
Ik vermoed dus dat mijn eigen uiteenzetting over twee- en driegeleding mank gaat aan hetzelfde euvel: te abstract, te schematisch, te levenloos.
Het probleem is dat je dat zelf niet ziet, want je zit IN het denkproces en dat voelt heel levendig en spannend aan.
Je weet echter niet hoe het er van buitenaf uitziet, voor degene die leest wat je schrijft.

Dus wil ik een volgende keer proberen om een en ander wat concreter, wat levendiger te maken, met het risico dat ik in het andere uiterste val.
Maar dat kun je nu eenmaal niet vermijden.
Het middengebied is het gebied waar risico’s worden genomen.
Het is het gebied van de vrije keuze.
Het gebied ook waar de draak wordt bevochten.
En daar kom je nooit zonder kleerscheuren van af.

20131027-142840.jpg