Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: dromen

Droompje (1)

Ik weet het niet meer.
Dat is de stemming die sinds eind september in mijn ziel heerst: ik weet niet meer wat ik moet doen.
Op 13 september wist ik het nog wel, heel duidelijk zelfs.
Maar toen kwam Michaël en sindsdien ben ik het noorden kwijt.
Dat laatste is niet nieuw voor me.
Het overkomt me met de regelmaat van een klok.
Gewoonlijk wacht ik dan tot het over is, en het licht opnieuw gaat branden.
Maar iets zegt me dat het dit keer anders is.
Dit keer moet ik zelf het licht weer aansteken.
Ik weet alleen niet hoe.

En dus vroeg ik het aan Michaël.

Zijn antwoord liet niet op zich wachten.
Het kwam in de vorm van een droom.
Een droompje eigenlijk, want langer dan een paar seconden kan het niet geduurd hebben.
Michaël houdt de dingen graag bondig.

Ik was in Mechelen, op weg naar de academie.
Het was donker en achter de ramen van het gebouw scheen een warm geelroodbruin licht.
Ik was te laat en wist dat ik niet meer naar binnen kon.
Dus keerde ik me naar rechts, waar de Sint Romboutskathedraal staat.
Die was echter veranderd in een soort stenen 3D labyrint.
Even later bevond ik me ergens in de hoogte en verloor de grond onder mijn voeten.
Ik klampte me vast, maar voelde m’n greep verslappen.
Dus riep ik om hulp.
Beneden zag ik een keurig geklede man omhoog kijken.
Er verscheen een vermakelijke blik in zijn ogen, en hij liep verder.
Wel verdorie, dacht ik, terwijl ik naar beneden viel.
Het volgende ogenblik stond ik met mijn twee voeten op de grond.
En voor ik van m’n verbazing bekomen was, werd ik wakker.

Wat een onnozele droom! dacht ik bij mezelf.
Ik kon er niks van maken en voelde me een beetje bekocht.
Was dát het antwoord van Michaël?
Het was geen antwoord maar een vraag, een onoplosbaar raadsel.
Hoe ik me ook inspande, ik kon er kop noch staart aan krijgen.
En ik viel weer in slaap, beschaamd en gefrustreerd.
Gekweld door een aards probleem had ik een vraag gesteld aan een hemels wezen, maar ik had een nonsensikaal antwoord gekregen.
Tja, zo gaat dat als een mens zich met zijn problemen richt tot wezens die niet bestaan.
Hij staat voor paal, hij maakt zichzelf belachelijk.

’s Morgens aan het ontbijt zei ik tegen An: moet je nu eens wat weten?
Ik heb gedroomd!
Dat was groot nieuws, want ik droom nooit.
Dat wil zeggen: soms herinner ik me wel eens dat ik gedroomd heb, maar van de dromen zelf blijft me nooit iets bij.
Dit keer was het anders.
Ik herinnerde mij de droom heel goed.
Juist daarom voelde ik me in het ootje genomen: héb ik nu eens een echte droom, blijkt hij nergens op te slaan!
An moest erom lachen.
Gewoonlijk is zij het die droomt en dan – tenminste als het in het weekend gebeurt – ’s morgens vertelt wat ze ’s nachts allemaal beleefd heeft.
Ze vond het vermakelijk dat het nu eens omgekeerd was.
Vertel! zei ze.

En ik vertelde dat ik naar de academie ging, dat ik te laat was en niet meer naar binnen durfde.
Maar was je niet altijd te laat? vroeg An.
Hé, daar had ik niet aan gedacht!
Ik was inderdaad altijd te laat.
De lessen begonnen om 9 uur en doorgaans arriveerde ik niet voor tienen.
In Leuven was het niet anders: alle vroege lessen sloeg ik over.
Zelfs toen ik in Brussel ging werken, arriveerde ik meestal niet vroeger dan 10 uur.

De academie in mijn droom was onmiskenbaar de Mechelse academie.
Het beeld was dus concreet, maar tegelijk was het ook een metafoor, want ik kwam niet alleen te laat op de academie, ik kwam overal te laat.
Nee, niet overal.
Op afspraken bijvoorbeeld kom ik nooit te laat, daar houd ik me stipt aan.
Maar afspraken worden me niet opgelegd, ik maak ze zelf, ik heb er deel aan.
Ik kom alleen te laat in de ‘wereldse’ tijd, de dwingende machinale tijd die nergens rekening mee houdt.
In mijn eigen tijd, de tijd waar ik zelf aan deelneem, ben ik nooit te laat, letterlijk én figuurlijk.
Het is vaak op het nippertje, zoals op 13 september, toen ik op de valreep weer mensen begon te tekenen. Had ik daarmee nog een of twee weken gewacht, dan zou het te laat zijn geweest. Maar ik haalde het. Ik was niet te laat.
In mijn eigen tijd ben ik nooit te laat.

Het bijzondere van mijn droom was dus niet dat ik te laat was.
Het bijzondere was dat ik me erdoor liet tegenhouden.
Ik vond het destijds normaal dat ik te laat was op de academie, of beter: ik vond het abnormaal dat ik op tijd moest komen. Ik volgde gewoon mijn eigen tijd, en die tijd werd gerespecteerd. Mijn leraar was een uiterst stipt en plichtbewust man, maar nooit heeft hij één opmerking gemaakt over het feit dat ik altijd te laat was. Hij zag dat ik innerlijk op tijd was en dat was voor hem het belangrijkste.
Beide tijden, de uiterlijke en de innerlijke, leefden in zijn klas vreedzaam naast elkaar.
In mijn droom was dat niet langer het geval.
Er stond een onzichtbare muur tussen mij en de academie.
De vrede was voorbij, het duister was ingetreden.
Het heldere ochtendlicht had plaats gemaakt voor het kunstlicht van de avond.
Hoe gezellig en huiselijk dat er aan de buitenkant ook uitzag, ik kon er niet meer naar binnen.
Het was mijn tijd niet meer, het was mijn wereld niet meer.

Ik stond ervan te kijken, toen ik dat allemaal vertelde.
Het beeld uit mijn droom klopte als een bus.
De academie van Mechelen is inderdaad al lang niet meer wat ze geweest is.
Er heerst nu een heel andere geest, een geest die ‘de tijd’ van de leerlingen niet meer respecteert.
Uiterlijk is ze natuurlijk wél mee met haar tijd: ze heeft zich aangepast aan de moderniteit, ze is niet langer een buitenbeentje meer.
Leerlingen die afstuderen krijgen nu een boek over Jan Hoet.
Het is donker geworden in Mechelen: het (scheppende) licht van de zon heeft plaats gemaakt voor het (nabootsende) licht van de maan: men doet er nu gewoon wat iedereen doet, en men is daar allemachtig trots op.
Het licht dat ik achter de vensters zag branden, was niet het warm-gele licht dat je ’s avonds in woonkamers ziet branden, het was een geelbruinrood licht dat je … en het beeld dat in me opkomt is: in de hel ziet branden.
Dat kan overdreven klinken, maar wat er vandaag aan academies en kunstscholen gebeurt, beschouw ik werkelijk als ‘des duivels’.
Het is precies het omgekeerde van wat er vroeger gebeurde.
Respect voor de ‘eigen tijd’ van de leerlingen heeft plaats gemaakt voor de niets ontziende dwang om zich aan te passen aan de ‘wereldse tijd’.
Het individuele Ik kan er niet meer aan zijn eigen tempo groeien, het wordt genadeloos opgejaagd en vermorzeld.
Er is geen verschil meer tussen de academie en de gewone school.
De academie is geen academie meer.

In Mechelen heb ik nog een laatste oplichten beleefd van de vrijheidsgeest die heerste aan de oude academies. Het waren vrijplaatsen waar jonge mensen konden ontsnappen aan de verstikkende dwang van de wereldse tijd, waar ze konden opgroeien in hun eigen tijd: oases van ‘willen’ in een woestijn van ‘moeten’.
En uitgerekend die ‘vrije plaatsen’ worden vandaag voorgesteld als duistere oorden waar het verstikkende ‘academisme’ heerst en alle oorspronkelijkheid de nek wordt omgedraaid.
Zo keert de duivel de zaken om en zet hij de wereld op zijn kop.
In de ‘eigentijdse’ academies die ik later bezocht, trof ik een bekrompen schoolmeestersmentaliteit aan waar ik meteen mee in aanvaring kwam.
Ik trof er ook een hatelijke geest aan die het niet moe werd de ‘oude’ en ‘achterhaalde’ academies te bespotten en te kleineren.
Toen ik mijn leraar ooit zei hoe blij ik was nog een echte academie gekend te hebben, antwoordde hij: ach jongen, jij weet niet wat een echte academie is, zelfs ik heb dat niet meer meegemaakt!

Ik heb inderdaad de zomer niet meer meegemaakt, maar ik heb in Mechelen wel nog een zalige Sint Michielszomer beleefd, en die heb ik als een gouden schat meegenomen in de winter die volgde.
Ik was precies op tijd om die nabloei te beleven, zoals ik ook dit jaar in Brugge precies op tijd was om een nabloei te beleven van de jaren dat ik tijdens de Gentse Feesten, in het hartje van de zomer, honderden, ja duizenden mensen heb getekend.
De kans is trouwens reëel dat men de folkloremarkt in Brugge binnenkort zal afschaffen. Het stadsbestuur wil namelijk komaf maken met het ‘oubollige’ imago van Brugge en heeft een ambtenaar aangesteld die de stad moet ‘updaten’ en bij de tijd brengen.
Ook hier dus weer een Sint Michielszomer.

Hoe meer ik vertelde, des te verbaasder werd ik.
En ik verbaasde me over twee dingen.
Ik verbaasde me over de inhoud van mijn droom, en ik verbaasde me over de vorm.
Hij was aan me verschenen in de nacht, in de vorm van beelden die zo compact waren dat ze slechts één beeld leken, een bewegend beeld, een levend beeld.
Vervolgens was ik erover beginnen nadenken, zoals je dat doet met een beeld dat je niet begrijpt: je zoekt de overeenkomstige begrippen.
In de nacht had ik die echter niet gevonden.
Ik had ze pas gevonden toen de dag was aangebroken en ik was opgestaan.
Nochtans was ik toen niet anders gaan denken.
Ik gebruikte gewoon hetzelfde rationele denken dat ik ook ’s nachts had gebuikt.
En toch was het een verschil van … dag en nacht.
Daar stond ik heel erg van te kijken.
Wat een bewustzijnsverschil!

Ik had gedroomd en was vervolgens wakker geworden.
Althans dat dacht ik, want ik begon na te denken over mijn droom, ik probeerde erachter te komen wat hij te betekenen had. Maar ik kon er geen touw aan vastknopen, het verschil tussen droom en ratio was te groot.
En ik viel weer in slaap.
Pas toen ik opstond en mijn droom aan An begon te vertellen, kwam zijn ‘verborgen inhoud’ naar boven.
Ik deed nochtans niets anders dan wat ik ’s nachts in bed had gedaan: nadenken, proberen mijn droom te begrijpen.
Er bestonden dus blijkbaar twee soorten ratio’s: een ‘nachtelijke’ en een ‘dagelijkse’.
Het was alsof mijn verstand niet in staat was door te dringen in de kunstzinnige wereld van de beelden zolang het niet ondersteund werd door het licht van de zon.
’s Nachts werkte het bij wijze van spreken in het licht van de maan en kon het de droombeelden alleen maar nabootsen, navertellen, herkauwen. Het kon ze niet begrijpen.
Dat lukte pas toen de dag was aangebroken en ik was opgestaan.

Het deed me denken aan het onderscheid dat Rudolf Steiner maakt tussen passief denken en actief denken, een onderscheid dat hij ‘belangrijker dan al het andere’ noemt.
Het denken, zegt hij, heeft twee gezichten, het is een januskop.
Enerzijds is het afhankelijk van de hersenen en brengt het alleen tot bewustzijn wat zich in het zenuw-zintuigstelsel spiegelt.
Anderzijds kan het zich ook van zichzelf bewust worden en zich bevrijden van de gebondenheid aan de hersenen.
De eerste manier van denken noemt Steiner lui en gemakzuchtig. Ze leidt ertoe dat de mens in slaap valt, letterlijk en figuurlijk. Met dit passieve denken kan hij niet doordringen in de antroposofie, die dan ook wordt afgedaan als dromerij, gefantaseer of erger.
Alleen met een ‘vlijtig en actief’ denken dat zich inspant, kan de mens door de sluier van de zintuiglijke gebeurtenissen heen kijken en zich bewust worden van wat zich op bovenzintuiglijk gebied afspeelt.

In het passieve denken herken ik mijn ‘nachtelijke’ denken, dat niet in staat was mijn droombeelden te begrijpen. Het was een maan-denken zoals we dat ook in de moderne wetenschap aantreffen, die alles wat geestelijk en bovenzinnelijk is afdoet als nonsens en fantasie, precies zoals ik dat zelf ook deed met mijn ‘onnozel’ droompje.
Dit passieve maan-denken beschouwt zichzelf als heel wakker, maar eigenlijk ligt het nog in bed en is niet in staat om door de maja van de zintuiglijke werkelijkheid heen te kijken en licht te werpen op de wereld. Het produceert alleen schaduwen.

In het actieve denken herken ik dan weer mijn ‘ochtendlijke’ denken, dat zonder moeite de sluier van mijn droombeelden oplichtte en zag wat eronder zat. Dit zonne-denken richt zijn stralen op de duistere wereld van de nacht en is verrast door wat daaruit te voorschijn komt. Het is een denken zoals we dat aantreffen in de moderne kunst. Ook hier vinden we een denken dat in de meest onbenullige zaken de meest spirituele inhouden ontdekt.
Toch kan ik niet zeggen dat ik mijn eigen denken daarin herken, wel integendeel.
Ik ervaar het moderne denken over kunst als een pseudo-denken: het lijkt actief en ‘zonnig’, maar in wezen is het een passief maan-denken. Het bezit echter geenszins de helderheid van de maan en in feite is het dus noch een maan-denken noch een zonne-denken. Het is het denken van het niets, van de volslagen duisternis.

Rudolf Steiner verwacht van ons dat we actiever gaan denken.
Over het passieve denken laat hij zich nogal negatief uit, maar hij verwacht niet dat we het gewoon aan de kant schuiven.
Beide manieren van denken horen namelijk samen: ze vormen samen het gezonde denken en dat denken kan niet gezond blijven als een van beide delen ontbreekt.
Vandaag is ons denken uiterst passief geworden, het is helemaal aan de hersenen gebonden, en we zien dan ook dat het ziek wordt.
Maar het is niet de bedoeling dat we het ene ‘gezicht’ van het denken inruilen voor het andere. Dan komen we van de regen in de drop terecht.
Het is de bedoeling dat de kwaliteiten van het maan-denken meegenomen worden in het zonne-denken.
De genezing van ons denken moet komen van het samengaan van actief én passief denken.
En dat kan kan op twee manieren gebeuren.
De twee gezichten van het denken kunnen op zo’n manier met elkaar verbonden worden dat ze elkaar bevruchten en dat er uit hun eenwording een nieuw gezicht ontstaat dat straalt als een lente-zon.
Maar ze kunnen ook op zo’n manier met elkaar verbonden worden dat er een heel ander gezicht ontstaat: het gezicht dat ons toegrijnst in de ‘hedendaagse’ kunst.
Naast de tegenstelling tussen passief denken en actief denken, verschijnt nu een heel andere tegenstelling: die tussen het michaëlische denken en het drake-denken.
Het is de tegenstelling tussen het dode maan-denken dat door zijn vereniging met het zonne-denken weer tot leven komt, en datzelfde maan-denken waar het laatste restje leven wordt uitgeperst en dat zich vervolgens voordoet als een verblindend zonne-denken.

Toen ik ’s ochtends over mijn droom vertelde en er begon over na te denken, was ik veel wakkerder dan toen ik dat ’s nachts probeerde. Toch was ik nog omgeven door de nachtelijke sfeer van mijn droom. Daardoor konden dag- en nachtsfeer elkaar bevruchten en samen brachten ze een stroom van onverwachte gedachten op gang. Er ontstond een ‘zonne-denken’, een actief denken dat probleemloos doordrong in mijn droom en hem bij wijze van spreken deed open bloeien.
Gaandeweg loste de nachtsfeer echter op en bleef alleen het gewone dagelijkse maan-denken over.
Mijn pas ontwaakte ‘zonne-denken’ begon te sputteren en ik kreeg het steeds moeilijker om nog door te dringen in mijn droom. De deuren tussen dag en nacht sloten zich en ik stond weer buiten, in de gewone dagelijkse werkelijkheid waar dromen bedrog zijn.

Maar ik had genoeg van de binnenkant van mijn droom gezien om te beseffen dat hij géén bedrog was.
En wat ik ook zag, was dat mijn ‘zonne-denken’ nog lang niet helder was. De resultaten ervan waren … rommelig. Het ontbrak nog aan de helderheid van het maan-denken. Dat moest duidelijk nog versterkt worden. Beide ‘gezichten’ van het denken waren nog lang niet harmonisch met elkaar verbonden. Het was slechts een begin, een ontwaken. Het michaëlische denken, het levende zonne-denken, lag nog in de luiers.

(wordt vervolgd)

Een beschaafde hond

Ik droom vrijwel nooit.
Toch niet ’s nachts.
Dromen doe ik vooral overdag.
En dat begint soms ’s morgens al, met de verwarde beeldflarden die bij het ontwaken – even – in mijn hoofd blijven hangen.
Zo werd ik gisteren wakker met de herinnering aan iemand die me, samen met zijn hond, kwam bezoeken.
Ze kwamen langs de keuken binnen en de kop van het beest schuurde tegen het plafond.
Sorry, zei ik, geen paarden in mijn huis!
Waarop de hond statig weer naar buiten schreed en uit de dakgoot ging drinken.

20131219-170521.jpg

Dat van die dakgoot heb ik erbij gefantaseerd om het een beetje interessanter te maken.
Want geef toe: er bestaan boeiender dromen.
Er waren nog andere beeldflarden, maar daar herinner ik me – zoals gewoonlijk – niks meer van.
Wat ik me wel nog herinner, is een idee.
Het is een heel simpel idee, maar het bijzondere eraan is dat het, toen ik ontwaakte, nog geen abstract idee was, u weet wel, het soort ideeën dat we overdag denken: heel helder, heel bewust, en heel dood.
Het was een idee dat nog een beetje leefde.
Want ’s nachts denken we levende ideeën.

Volgens de antroposofie keren we iedere nacht terug naar de geestelijke wereld, dezelfde wereld dus waar we voor onze geboorte vandaan kwamen. In die wereld denken we de meest levende ideeën die er bestaan, dat wil zeggen: we verkeren er onder geestelijke wezens. Want dat is wat denken in feite is: sociaal verkeer met geestelijke wezens. Maar van dat nachtelijke denken herinneren we ons niks meer: het is een volkomen onbewust denken.

In slaap vallen is dus niets anders dan het betreden van de geestelijke wereld.
De veel intensere manier van denken die daar heerst, kunnen we alleen opbrengen doordat we onze ‘lagere natuur’ – in casu ons fysiek lichaam – achterlaten. We laten ook ons etherisch lichaam achter, anders zou ons fysiek lichaam sterven en konden we ’s morgens niet meer terug. Bevrijd van de zwaarte van de materie kan ons denken zich machtig ontplooien en stijgt het met brede vleugelslag op naar de geestelijke wereld. (Met excuses voor de poëtische oprisping). Die geestelijke wereld ervaren we als veel reëler dan de aardse wereld die we net verlaten hebben, maar zoals gezegd ervaren we die ‘hogere’ realiteit niet bewust. Met ons fysieke lichaam laat we immers ook de helderheid van ons aardse, rationele bewustzijn achter.

Je zou het kunnen vergelijken met kijken naar een draaiend wiel. Hoe trager dat wiel draait (ons denken op aarde), hoe duidelijker je de beweging kunt zien. Hoe sneller het draait (het denken in de geest), hoe minder je de beweging kunt waarnemen. Tot het wiel ten slotte helemaal stil lijkt te staan. Maar het is natuurlijk niet het wiel dat stilstaat, het is ons bewustzijn dat de beweging niet meer kan volgen.
Zo stel ik mij ook voor dat het ’s avonds gaat als we inslapen en de geestelijke wereld betreden: ons (gewone aardse) dagbewustzijn kan niet meer mee en we schakelen over naar ons veel snellere ‘nachtbewustzijn’.

Het is dus niet zo dat we bij het inslapen ons bewustzijn verliezen.
Integendeel, we schakelen over naar een hoger bewustzijn, een hogere versnelling van denken.

20131219-170728.jpg

Wanneer we ’s morgens terugkeren uit de geestelijke wereld gebeurt het omgekeerde: we schakelen weer terug naar een (veel) lagere versnelling.
De snelheid van ons denken wordt machtig afgeremd.
Je kunt het vergelijken met een eend die op het water landt.
Het water spat omhoog en vangt de snelheid van het dier op.
Kort daarop dobbert de eend weer rustig op het water, de vleugels netjes opgevouwen.
Die vleugels, dat is ons ‘hogere’ bewustzijn.
Dat opspattende water, dat zijn onze dromen.
We duiken met grote denksnelheid het element van ons etherische lichaam binnen en doen daar droombeelden ‘opspatten’.
Meteen daarna dringen we ons fysieke lichaam binnen, ons denken komt tot stilstand, en we worden wakker.

Maar goed.
Dit was slechts een omleiding om duidelijk te maken dat de ideeën die we ’s morgens soms meebrengen van ‘de andere kant’ nog een stuk levendiger zijn dan de ideeën die we overdag denken.
Daarom zijn ze ook zo moeilijk vast te houden.
Hun etherische omhulling is als een spartelende vogel die we niet meester kunnen en die we weer moeten laten vliegen.
Alles wat we overhouden, zijn een paar pluimen.
Als we geluk hebben, tenminste.

Maar gisteren kon ik dus zo’n gedachtenpluimpje grijpen.
Het klonk ongeveer als volgt: de mens is een wezen dat zowel IN de dingen als TEGENOVER de dingen kan gaan staan.
Beetje vreemde formulering, maar zo gaat het als het trage, dode denken nog iets probeert te (be)grijpen van het levende denken.

Dat we tegenover dingen kunnen gaan staan, is duidelijk.
Hier op aarde, in de materie, staan de dingen sowieso tegenover elkaar.
Geen ding kan de plaats van een ander ding innemen.
Ook de mens is een ding onder de dingen, tenminste wat zijn fysieke lichaam betreft.
Met dat lichaam (en het daarbij behorende wakkere bewustzijn) kan hij tegenover andere dingen gaan staan en deze helder en scherp omlijnd waarnemen.

20131219-170845.jpg

Maar de mens kan ook IN de dingen gaan staan, of toch zeker in één ding: zijn lichaam.
Als hij ’s morgens ontwaakt, duikt hij dat lichaam binnen.
Dat gaat vanzelf, zo lijkt het.
Maar in feite is het iets geweldigs: je stapt van de ene wereld in de andere, zoals Alice in Wonderland.
Het is zo geweldig dat we niet meer (kunnen) geloven dat die andere, geestelijke wereld bestaat.
Het is inderdaad iets ongelooflijks dat een mens heen en weer kan pendelen tussen twee werelden die zo zeer van elkaar verschillen als de materiële en de geestelijke.
Hoe we dat voor mekaar brengen, hoe we – als geest – in een materiële wereld kunnen leven, daar heeft de wetenschap geen flauw idee van.
Ze probeert het zelfs niet te begrijpen.
Ze doet geen onderzoek naar geestelijke realiteiten.
Stel je voor dat ze die enorme hoeveelheid kennis die ze verzameld heeft over de materiële wereld nu ook nog eens zou moeten verbinden met kennis over een geestelijke wereld!
Dan zou ze helemaal opnieuw moeten beginnen!
En wie wil nu opnieuw beginnen als hij net gearriveerd is.
Of dat althans denkt.

Maar het is niet alleen hoogmoed en vadsigheid die de wetenschap parten speelt.
Er is ook angst.
Er is altijd angst.
De wetenschap – of beter: de wetenschappers – lijden aan koudwatervrees, aan vrees voor het ‘waterelement’ van de etherische wereld.
De etherische wereld is de (onzichtbare) wereld die geest en materie verbindt.
In die wereld worden de dingen uit de materiële wereld tot beelden.
In de astrale wereld worden ze tot gedachten en gevoelens.
En in de geestelijke wereld worden ze tot levende ideeën of wezens.
Deze opeenvolgende metamorfosen maken we iedere dag mee, als we gaan slapen of ontwaken.
Maar het is de etherische wereld die ons onttrekt aan de zwaarte.
Zonder haar kunnen we nooit loskomen van de dode materie.
En daar begint de angst: bij het ‘te water’ gaan, bij het verdwijnen van de vaste grond onder onze voeten.

20131219-171846.jpg

De geschiedenis van de mens toont ons een bewustzijn dat langzaam ontwaakt, dat zich stap voor stap losmaakt uit geestelijke sferen, dat in de Griekse tijd begint te dromen, en dat in de moderne tijd helemaal wakker wordt en zijn geestelijke verleden vergeet alsof het nooit had bestaan.
Maar de mens is nu eenmaal een geestelijk wezen. Hij kan zich niet losmaken van zichzelf en doen alsof hij een louter fysiek wezen is, een ding eigenlijk.
Hij moet vroeg of laat weer gaan slapen, lees: hij moet vroeg of laat weer contact maken met de ‘nachtelijke’ wereld van de geest.
Anders loopt het slecht met hem af.
Slaapdeprivatie is een foltertechniek.
Volgehouden materialisme is dat ook.

Het komt er dus op neer dat we weer moeten leren slapen.
Zowel in letterlijke als in figuurlijke zin.
We zijn overdag zo wakker, en dus verbonden met ons fysieke lichaam (lees: onze hersenen) dat we dat lichaam ’s avonds soms niet meer kunnen loslaten.
We raken niet in slaap.
Maar het is vooral in figuurlijke zin dat we weer moeten leren slapen.
We moeten ons weer bewust van de wereld van de nacht, van de geestelijke wereld.
We moeten ons denken zodanig versterken dat het in staat is wakker te blijven in die geestelijke wereld.
En een goede manier om dat te oefenen, is nadenken over de (nog levende) ideeën en de droombeelden waarmee we ’s morgens soms ontwaken.
Maar eenvoudig is dat natuurlijk niet.
Ik heb bijvoorbeeld nog altijd geen idee wat die hond-zo-groot-als-een-paard te betekenen had.
Het was gelukkig wel een beschaafde hond, dus dat is al iets.

20131219-172654.jpg

Een avondwandeling

Gisteren mijn ouders gaan bezoeken in Mechelen-waar-is-de-tijd.
Het ouderlijk huis in de Voetbalstraat (waar lang geleden de terreinen van de Malinwa lagen) is verkocht en nu wonen ze in een assistentiewoning of een serviceflat of een rusthuis of een home of hoe die dingen ook genoemd worden.
De gezamenlijke leeftijd van bewoners is in ieder geval aan de duizelingwekkende kant.
Oud, ouder, oudst.
Mijn vader is net 87 geworden.
Mijn moeder is een jong ding van 81.

Na een paar uur geluisterd te hebben naar verhalen over het-leven-zoals-het-is ging ik een luchtje scheppen.
Het was zes uur en de zon neigde reeds ter kimme zoals ze dat in de oude tijd deed.
Alles was rustig, afgezien van de kreten van de dementen.
Ik ontdekte vlakbij een wandelpad dat er zeer uitnodigend uitzag.
Ik kwam meteen in een andere wereld terecht.
Het eerste wat ik zag, was dit:

20130828-101446.jpg

Het waren wel geen Douglassparren, maar ze maakten toch een verdomd Ardeense indruk.
Die had ik echt niet zien komen.
Mechelen mag dan wel dichter bij de Ardennen liggen dan Destelbergen, ik bleef het een merkwaardig zicht vinden.
Toeval, ja dat zal het wel geweest zijn!

Ik wandelde verder, tussen sparren en tuinen.
Groententuinen, siertuinen, speeltuinen, gazontuinen, verwilderde tuinen.
Het leek wel een beeld van mijn leven, met aan de ene kant dat intense verlangen naar een plek op aarde, een huis-met-een-tuin, en aan de andere kant dat hemelbestormende streven van de spar.
Ik wandelde in een werkelijkheid die tegelijk een beeld was.
Maar dat realiseerde ik me op dat moment (nog) niet.
Doen we dat niet allemaal?
Wandelen we niet allemaal in beelden zonder dat we het ons realiseren?

We leven temidden van mysteries, schreef Goethe.
En we verslapen ze grotendeels.
Ook ik.
Maar soms ontwaken we even, zoals wanneer we ’s nachts wakker worden en denken: hé, ik was aan het dromen! Waarna we weer in slaap vallen en verder dromen.
Ook overdag slapen we. Maar op de omgekeerde manier.
We noemen het ‘wakker zijn’, maar in feite verslapen we een hele wereld.
Als we ons van die wereld bewust worden, noemen we dat ‘dromen’.

Ik bevond me tijdens die wandeling inderdaad in een dromerige toestand.
Het was dan ook een betoverende avond.
Overal hing een nauwelijks te definiëren rust.
Een man was in zijn tuin aan het harken, een uitermate keurige en verzorgde tuin.
In een andere tuin waren twee jonge honden aan het dollen, terwijl een klein meisje stond te kijken.
Nog wat verder klonk bestek: een gezin zat onder een boom te eten.
Vredig was het allemaal.
Het eenvoudige leven, ver weg van alle drukte.
Een droom. Maar tegelijk heel concreet en nuchter.
Want al die stille tuinen, met hun zonoverschenen gazons en lommerrijke bomen, getuigden van zorgzaamheid en vlijt.
Hier woonden nijvere mensen, die een droom gerealiseerd hadden: een huisje met een tuintje.
En ik benijdde hen.
Wat kan een mens zich nog meer wensen?
Een plek om te wonen, te werken, te spelen.

Ik dacht aan de krankzinnige autostrade waar we net vandaan kwamen.
Twee baanvakken vol vrachtwagens.
De hele dag door, zonder onderbreking.
Is dat allemaal echt nodig?
Kan het echt niet met wat minder?
Een stukje groen om in te wonen, een stukje groen om in te werken, een stukje groen om op te eten, een stukje groen om naar te kijken, een stukje groen om in te wandelen, een stukje groen om te schilderen.
Wat wil een mens nog meer?

Goethe antwoordde op die vraag: iets anders.
De mens wil iets anders.
Dat is la condition humaine, het menselijk gebrek.
We willen allemaal iets anders.
We willen allemaal een andere wereld.

Het tragische is dat die ‘andere wereld’ reeds bestaat.
We zien hem alleen niet.
Want we slapen, en noemen dat ‘wakker zijn’.
En wanneer we even ontwaken, noemen we dat ‘dromen’.
En dromen zijn bedrog.

Maar de droom die ik gisteren beleefde was heel concreet.
En ik was heel wakker.
Ik beeldde me die sparren niet in.
En die huizen-met-tuin staan er ook vandaag nog.
Maar er was ook iets wat er niét iedere dag is.
En dat was die onbeschrijflijk tere zomeravond.
Felix Timmermans zou gezegd hebben: er dreef wierook door de lucht …

Ik realiseerde me opeens dat de zon inmiddels in Maagd was gekomen.
En ja, die bijna heilige rust, het stille bezig zijn in huis en tuin, het vlijtige zorgen voor het leven, het realiseren van kleine dromen: het was allemaal typisch Maagd.
En Mechelen is een typische Maagd-stad.
Vroeger stond in het centrum van de stad, pal in het midden van de Grote Markt, het standbeeld van Margaretha van Oostenrijk, de landvoogdes van de Nederlanden (jaja, Mechelen was ooit de hoofdstad van Vlaanderen én Nederland), die het grootste deel van haar leven ‘als maagd’ heeft doorgebracht.
In de voortuin van de Koninklijke Academie stond vroeger ook het beeld ‘Huiselijke Zorgen’ van Rik Wouters. Eveneens een typisch Maagd-beeld.
Het is inmiddels ook verdwenen.
Maagden zijn immers niet cool.
Maagdelijkheid is niet modern.
Mechelen wil natuurlijk wél modern zijn en schaamt zich voor haar Maagdelijkheid.
Daarom moeten die typische Maagd-beelden uit het zicht verdwijnen.

Er is echter één beeld dat ze niet van zijn plaats krijgen: de Sint-Romboutstoren.

20130828-114024.jpg

Deze imposante toren moest de grootste ter wereld worden: 167 meter.
Men is blijven steken op 97 meter.
Want het geld was op.
Sindsdien (1520) staat de stompe toren daar, van heinde en verre zichtbaar, als een symbool van het geknakte Douglassparstreven van de oude hoofdstad der Nederlanden.
Mechelen was ooit een stad die naar het hoogste streefde.
Maar ze heeft haar al te grote droom niet kunnen waar maken.
Ze is halverwege blijven steken.
Zoals Margaretha van Oostenrijk met haar doodgeboren kind.
Mechelen is als één grote pièta.
Een stad vol kerktorens.
Een stad vol scholen.
Een stad met meer historische gebouwen dan Brugge.
Een stad die ooit weergaloos mooi moet zijn geweest, met al haar inmiddels dichtgegooide reien.
Maar die een oude vrijster is geworden omdat haar kind, haar grote droom, gestorven is.

De Sint- Romboutstoren-zonder-spits is een versteende vrouw-zonder-kind.
Nee, er is geen twijfel mogelijk: Mechelen is een Maagd-stad.
Toen ik er opgroeide, was het een slapende, vergeten stad.
Een stad vol stille dromen.
Toen Baudelaire – die een hekel had aan België – het Mechelse begijnhof bezocht, zei hij (of zou hij gezegd hebben): hier wil ik komen sterven!
Ja, Mechelen was toen één grote ‘assistentiewoning’.
Maar nu is Mechelen ontwaakt.
Het heeft de stap naar het moderne leven gezet.
Het droomt nu niet meer.
Het denkt dat het wakker is.

Maar soms, op zomeravonden als gisteren, kun je die betoverende Maagdelijke sfeer van het oude Mechelen nog waarnemen.
Ik voelde ze al toen ik over de brug van Temse reed, waar de Schelde zo majesteitelijk breed is.
Van dan af wordt alles stelselmatig kleiner, althans in uiterlijke zin.
Maar innerlijk voel je als het ware het naderen van ‘het kind’.
En dat wekt een stille ontroering.

Die stille ontroering voelde ik ook toen ik op dat smalle wandelpad liep.
Er was eigenlijk niks bijzonders te zien, het was allemaal heel gewoon en heel burgerlijk.
En toch droeg een belofte van hemelse dingen in zich.

Ja, zo stel ik mij de hemel voor, althans in het begin.
Als een groene wereld waar een diepe rust heerst, waar de zon zijn zachte gouden stralen over uitgiet en waar iedereen met heel gewone dingen bezig is, vol verwachting van de Grote Droom die langzaam nader komt en die in feite de Grote Werkelijkheid is, de werkelijkheid die we hier slechts in beelden waarnemen.
Als we tenminste wakker worden uit de droom dat we wakker zijn …

20130828-121959.jpg

Ik had de sparren inmiddels achter me gelaten en drong steeds dieper door in een steeds groenere wereld.
In de verte hoorde ik een koe loeien, ook weer een typisch Ardeens geluid.
Het leek wel of België werkelijk één werd.
Maar ik vond dat die Vlaamse koe toch wel behoorlijk luid loeide.
Het machtige geluid spande een onzichtbaar gewelf over de hele streek.
Toen realiseerde ik me dat het geen koe was die ik hoorde.
Het was een … leeuw!

Ik naderde namelijk de Leuvense vaart en aan de overkant van die vaart ligt Planckendael, de dierentuin.
En vandaar klonk dat indrukwekkende gebrul.
Het was alweer een beeld: de Vlaamse leeuw die af en toe wel eens brult, maar niemand nog schrik aanjaagt omdat hij opgesloten zit in een kooi ter vermaak van de toeristen.

Maar het was welletjes geweest met al die beelden.
Van te veel beelden wordt een mens dronken, en ik moest nog rijden.
Ik ging even op een bank aan het water zitten, het spiegelgladde water van de loodrechte Leuvense vaart.
Naast me zat iemand te vissen vanuit zijn auto.
Achter mijn rug reden de wielertoeristen in trosjes voorbij.
Hijgende joggers passeerden.
In de tuin van een riante villa zag ik midden op het gazon een enorme rode plastic hond staan.
Hedendaagse Kunst!
Tijd om terug te keren.
Ik wandelde het pad weer af.
De zon was achter de bomen verdwenen.
De betovering was verbroken.
Was dit dezelfde wereld waar ik nog maar net doorgewandeld was?
Mijn verstand zei ja.
Maar mijn hart herkende niets meer.

Afscheid genomen, handen gezwaaid en de autostrade weer op.

Maar hé, wat was dat daar?
Tussen de struiken op de middenberm door ving ik glimpen op van een zon die sprookjesachtig onderging tussen allemaal roze wolkjes, als een moeder te midden van haar kinderen, gloeiend van trots.
Maar nee, het was geen trots.
Dit was niet meer de blakende augustus-zon.
Dit was een veel mildere zon, een Maagd-zon.
Ze straalde. Letterlijk.
Je kon haar stralen zien.

Het was gelukkig niet zo druk meer op de autostrade.
Maar toch nog niet zo rustig dat ik had kunnen uitstappen om een foto te nemen.
Dat kon vroeger nog wel, toen de wereld nog niet zo diep in slaap lag en droomde dat hij wakker was.
Ik herinner me nog dat we 40 jaar geleden met vijf vrienden in een kleine Mazda over de autostrade reden. Richard zat aan het stuur.
Hij had niet alleen een leeuwenhart, hij was ook een onverbeterlijke speelvogel.
We keken naar buiten. Het was een grijze dag.
Iemand zei: regent dat nu of niet?
Onmiddellijk ging Richard op de rem staan, stapte uit en hield zijn handpalmen omhoog.
Nee, schudde hij het hoofd, ik voel niks.
Waarna hij weer instapte en verder reed.
Ja, dat kon toen nog.

Nu kon ik alleen maar vanuit de auto naar de zon kijken.
En luisteren naar Simon & Garfunkel.

Hello darkness, my old friend;
I’ve come to talk with you again.
Because a vision softly creeping
Left its seeds while I was sleeping,
And the vision that was planted in my brain
Still remains within the sound of silence.