Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: dualiteit

Het levende denken (5)

  

Levend denken is denken met het hart, dood denken is denken met het hoofd. Wat dat laatste is, weten we allemaal, maar wat is het eerste? En hoe komen we van ons dode denken tot een levend denken? Een antwoord op die vraag vinden we in de Weihnachtstagung, toen Rudolf Steiner de Grondsteen ‘in de harten van de aanwezigen’ legde. Die Grondsteen was een spreuk waarin hij de hele antroposofie had samengebald als in een zaadje, en waarmee hij de harten van zijn leerlingen ‘bevruchtte’. Deze (geestelijke) bevruchting betekende het prille begin van een nieuwe antroposofische vereniging, van een nieuwe omgang met het antroposofische gedachtengoed waarbij de nadruk lag op het hart en het gevoel. Rudolf Steiner wees in dat verband op de fout van sommige van zijn leerlingen die gemeend hadden de antroposofie wetenschappelijk te moeten bewerken. Dat was in zijn ogen een terugval in het dode denken. De antroposofie moest juist de tegenovergestelde richting uit: die van het levende denken, het denken met het hart.

Nochtans keert het levende denken-met-het-hart keert zich niet af van het dode denken-met-het-hoofd, integendeel. Het neemt het in zich op, het is inclusief. Maar het is dat niet in de moderne, modieuze betekenis. De inclusiviteit zoals die vandaag gepropageerd wordt, is het omgekeerde van wat Rudolf Steiner bedoelde. Niet het hart neemt hier het hoofd in zich op, maar het hoofd hult zich in de gedaante van het hart. Door zich voor te doen als inclusief en verbindend kan het dode denken des drastischer uitsluiten en scheiden. Deze wolf-in-een-schaapsvacht gebruikt het hart als vermomming om de mens te misleiden en nog veel dieper in zijn ziel te kunnen doordringen. Daarom is het van kapitaal belang de nieuwe, schaapachtige gedaante van het dode denken niet te verwarren met het levende denken dat Rudolf Steiner voorstond. Dat gevaar is reëel wanneer we het denken-met-het-hart opvatten als een abstract begrip en een mooie slogan in plaats van te zoeken naar de werkelijkheid achter de woorden. 

Die werkelijkheid is het kloppende hart dat onafgebroken pendelt tussen uitsluiting en verbinding, tussen verstand en gevoel. Want alleen op die manier kunnen de tegenpolen met elkaar verbonden worden. We spreken hier natuurlijk niet over het oude (louter gevoelsmatige) hart dat het (verstandelijke) hoofd uitsluit. We spreken over een nieuw, etherisch hart dat ontstaat uit de bewuste en vrijwillige pendelbeweging tussen het oude hart en het nieuwe hoofd. Rudolf Steiner legde de grondslag van dit etherische hart toen hij op de Weihnachtstagung de harten van de aanwezigen bevruchtte met het ‘hoofd’ – de geconcentreerde vorm – van de geesteswetenschap. Het nieuwe hart moet dus niet geboren worden uit het ahrimaanse hoofd (zoals dat vandaag overal gebeurt) maar uit het luciferische hart. Dat onvolmaakte, egoïstische, al te menselijke hart is de baarmoeder waarin het nieuwe, christelijk-etherische hart – de drager van het levende denken – zich moet ontwikkelen. 

Volgens Rudolf Steiner was de hele antroposofie slechts voorbereiding op de samenwerking tussen platonici en aristotelici die aan het eind van de 20ste eeuw moest plaatsvinden. De tijd tussen de Weihnachtstagung en het begin van de 21ste eeuw kan dus opgevat worden als een geestelijke zwangerschap die in onze tijd had moeten uitmonden in de geboorte van het nieuwe, etherische hart, dat met zijn levende denken de menselijke beschaving uit het slop zou halen. Dat is helaas niet gebeurd. In plaats daarvan is er een geheel ander, onderaards hart geboren, een ahrimaanse wolf die zich hult in luciferische wolligheid en onder het mom van inclusiviteit louter uitsluiting creëert. Dit kwaadaardige hart zet mensen tegen elkaar op en sleurt de beschaving de afgrond van de onderwereld in. Hoe verschrikkelijk dat ook is, we moeten dit ahrimaanse hart-in-wording zorgvuldig onder ogen zien teneinde het niet te verwarren met zijn spiegelbeeld, het christelijk-etherische hart. 

Want we moeten kiezen welk hart we in de toekomst willen hebben. In het ahrimaanse geval is dat een onbewuste en instinctieve keuze, een willoos en gedachtenloos meedrijven op de mainstream. In het christelijke geval is het een bewuste en vrije keuze, die grote gevolgen heeft. Want wie zich niet overgeeft aan de wolf-in-de-schaapsvacht ondervindt al gauw wat zijn inclusiviteit inhoudt. De antroposofische beweging ondervond het na de Weihnachtstagung. Rudolf Steiner werd zwaar ziek en onmiddellijk na zijn voortijdige dood begonnen de uitsluitingen. Ze gingen niet toevallig uit van Albert Steffen en Marie Steiner, de twee kunstenaars in het nieuwe bestuur. Ze vertegenwoordigden het (oude) hart en lagen aan de basis van de uitsluiting van de vertegenwoordigers van het (nieuwe) hoofd, de wetenschappers Ita Wegman en Elisabeth Vreede. Het ahrimaanse zaad ontkiemde zeer snel en leidde tien jaar later reeds tot de scheuring – en lamlegging – van de hele antroposofische beweging. 

De uitsluitingen waren een gevolg van de onbewuste afwijzing van de Weihnachtstagung. Veel harten waarin Rudolf Steiner de Grondsteen had gelegd, stootten dit ‘hoofd’ instinctief af. Dezelfde gevoelsmatige afwijzing trad op toen Rudolf Steiner het thema van de oude en de jonge zielen aansneed. Was de Weihnachtstagung een mysteriehandeling die alleen met het hart begrepen kon worden, dan was het zielenthema de sleutel tot het verstandelijk begrijpen ervan. De Grondsteen was het zaadje dat door Rudolf Steiner in het hart werd gelegd, het zielenthema was het eerste ontkiemen van dat zaadje, de eerste klop van het etherische hart. Maar het oude hart keerde zich tegen dat nieuwe hart. Er ontstonden sterke weerstanden onder de toehoorders toen Rudolf Steiner voor de eerste keer sprak over het feit dat er in de antroposofische beweging twee groepen van mensen zijn die duidelijk van elkaar te onderscheiden zijn. Deze fundamentele tweedeling bleek gevoelsmatig onverteerbaar te zijn.

Ze is dat nog altijd. Tot op de huidige wordt het thema van de oude en de jonge zielen – de eerste tweedeling van de bevruchte eicel zeg maar – afgewezen, en dat gebeurt in naam van eenheid en verbinding. De eerste slachtoffers van deze ahrimaanse inclusiviteit – Ita Wegman en Elisabeth Vreede – zijn intussen wel gerehabiliteerd, maar de vraag is of dat meer was dan een kosmetische behandeling. Intussen gaan er alweer stemmen op om ongewenste elementen te verwijderen, van een vruchtbare samenwerking tussen kunst en wetenschap is niets te merken en een gesprek over het zielenthema is nog altijd niet aan de orde. Er is met andere woorden niet veel veranderd sinds de Weihnachtstagung, het (onbewuste) verzet tegen de nieuwe mysteriën is nog altijd even groot als toen. Dat doet de vraag rijzen naar de reden van dat verzet. Waarom wil het (oude, luciferische) hart zich niet laten bevruchten door het (michaëlische) hoofd? Of nog: hoe werkt de draak in de ziel van de moderne mens?

Een (begin van) antwoord op die vraag vinden we in de fysieke bevruchting: de zaadcel die de eicel binnendringt, veroorzaakt daar een totale chaos. Van de oorspronkelijke structuur van de eicel blijft niets meer over en dat schept de mogelijkheid voor de incarnerende geest om zich een nieuw lichaam te bouwen. Deze wetmatigheid geldt ook voor de Christusgeest, die de ziel van de mens wil bevruchten om daar een nieuw etherisch lichaam te bouwen (te beginnen met het hart). Hij kan dat maar doen in de mate dat er chaos ontstaat in het menselijk hart. En dat kan op twee manieren: vrijwillig of onvrijwillig. In het eerste geval werkt de mens bewust mee aan de omvorming van zijn hart door het nieuwe hoofd, een hoofd dat is doorgedrongen tot de kern van de zaak, dat wil zeggen tot Christus zelf. Die ‘kern van de zaak’ vinden we vandaag in de antroposofie, en in zijn meest gebalde vorm in de Grondsteen. Pas wanneer de mens zijn hart door dit zaadje laat bevruchten, kan Christus aan zijn ziel beginnen werken.

In het tweede geval stoot hij dit ‘antroposofische zaadje’ af en schept daarmee – zonder het te beseffen – ruimte voor het ahrimaanse zaad. Dat dringt het (luciferische) hart binnen en doet daar een chaos ontstaan die Ahriman de kans geeft om een eigen lichaam te bouwen. Want Ahriman wordt niet alleen geboren in een fysiek lichaam, hij wordt ook – en vooral – geboren in talloze harten. De deadline die Rudolf Steiner stelde voor de samenwerking van platonici en aristotelici aan het eind van de 20ste eeuw valt samen met de incarnatie van Ahriman die hij voorspelde voor het begin van de 21ste eeuw. Het christelijk-etherische hart dat door die samenwerking moest beginnen kloppen, had die incarnatie niet kunnen verhinderen, maar het had wel kunnen beletten dat zoveel mensenharten – onbewust en instinctief – voor Ahriman zouden gaan kloppen. Het is dat heftige, dwangmatige kloppen dat vandaag steeds luider klinkt en mensen opzweept om anderen ongenadig uit te sluiten. 

Wat de moderne mens massaal in de armen van Ahriman drijft is liefde, luciferische eigenliefde. Zij brengt hem in een roes van morele superioriteit wanneer hij uitsluit, verkettert en demoniseert. Nooit voelt hij zich beter dan wanneer kan haten in naam van de liefde. De samenwerking van Lucifer en Ahriman is zo verwarrend en misleidend dat ze alleen doorzien kan worden door een hart dat (levend) kan denken. En ze is zo dwingend en dreigend dat ze alleen weerstaan kan worden door een hart dat onzelfzuchtig liefheeft. Denken-met-het-hart is denken uit liefde, en alleen dit michaëlische denken is opgewassen tegen de luciferisch-ahrimaanse religie die vandaag de wereld verovert en zichtbaar wordt in allerhande nieuwe kerken: de kunstkerk, de linkse kerk, de klimaatkerk, enzovoort. Deze kerken zijn buitengewoon onverdraagzaam: wie niet toetreedt, wordt uitgestoten. Ze zijn ook buitengewoon machtig: een uitsluiting heeft zware gevolgen die alleen gedragen kunnen worden door een denkend hart. 

Voor welke religie de mens ook kiest – de luciferisch-ahrimaanse religie of de christelijke religie van het levende denken – de uitkomst is chaos, een chaos die Christus in staat stelt om in de menselijke ziel een nieuw, etherisch lichaam te bouwen. Dat nieuwe lichaam, en die nieuwe wereld die ermee gepaard gaat, zullen er hoe dan ook komen. Maar het is de mens die bepaalt welke prijs hij daarvoor betaalt. Is dat de prijs van het individuele lijden dat veroorzaakt wordt door de uitsluitingen die een gevolg zijn van de keuze voor het levende denken, of is het de prijs van het collectieve lijden dat veroorzaakt wordt door de rampspoed die de luciferisch-ahrimaanse religie over de mensheid brengt? Het eerste lijden is de onvermijdelijke metgezel van de scholingsweg die men bewust en vrijwillig gaat wanneer men kiest voor het levende denken. Het tweede lijden overkomt de mens zonder dat hij erop bedacht is, zonder dat hij er iets kan aan doen en zonder dat hij er de zin van inziet.  

Scholingsweg of katastrofe: dat is de keuze waarvoor de moderne mens staat. Maar uiteindelijk komen ze allebei samen. Het is door te lijden dat de mens leert denken en het is door te denken dat hij lijdt. Hoe bewuster hij lijdt en denkt, des te vruchtbaarder wordt dat lijden en denken, des te meer draagt het bij tot de schepping van het nieuwe etherische hart (en lichaam). Hoe onbewuster de mens lijdt en denkt – doordat hij zich laat meesleuren door de draak – des te groter is het gevaar op onherstelbare schade. Het kwaad waarmee de mens vandaag geconfronteerd wordt, dringt veel dieper door in zijn ziel en kan volgens Rudolf Steiner zelfs stukken uit zijn Ik scheuren die dan onherroepelijk verloren zijn. We kunnen het vergelijken met de aarde waarop steeds meer diersoorten uitsterven. Er blijven er nog altijd meer dan genoeg over, maar toch, het is een verarming en ze kan niet meer ongedaan worden gemaakt. Om maar te zwijgen over hoelang dit uitsterven nog zal doorgaan.

De hedendaagse mens weet diep in zijn ziel dat hij voor een beslissende keuze staat. Het is voor hem een halszaak geworden ‘aan de goede kant van de geschiedenis te staan’. Hij voelt als het ware hoeveel daarvan afhangt. Maar jammer genoeg heeft hij geen helder beeld van die keuze en laat hij zich misleiden Ahriman, die hem gebruikt om mensen uit te sluiten en tegen elkaar op te zetten. Er rust dus een zware verantwoordelijkheid op de schouders van de antroposoof, die tot opdracht heeft het levende denken te ontwikkelen waarmee een beeld kan worden gevormd van de keuze waarvoor de mensheid staat. Hoe moeilijk die opdracht is en hoe gemakkelijk men op dwaalsporen kan raken, daarvan getuigt de geschiedenis van de antroposofische beweging. Er zijn de uitsluitingen van 1935, er zijn de antroposofen die voor het nazisme kozen, en er is vandaag de politieke correctheid. Maar wat als een rode draad doorheen dat alles loopt, is de afwijzing van het zielenthema, het verzet tegen de bewustwording van deze fundamentele dualiteit. 

Van dit gebrek aan bewustzijn maakt Ahriman gebruik om van de ziele-dualiteit een morele dualiteit te maken. Steeds weer, niet alleen in de antroposofische wereld maar ook daarbuiten, komen beide zielensferen tegenover elkaar te staan, waarbij ze zichzelf identificeren met het goede en de tegenpartij met het kwade. Verre van boven de ziele-dualiteit uit te stijgen en ze dankbaar te zien als een middel om de materiële wereld tot de geest te verheffen, zakt men weg in de wereld van de materie en beschouwt haar dualiteit als een kwaad dat uitgeroeid moet worden (door de tegenpartij te vernietigen). Dat leidt tot een niets ontziende strijd die zich vandaag zelfs vertaalt in een nieuwe guerre des sexes. De emoties die daarbij oplaaien, maken het zielenthema niet alleen nog onbespreekbaarder dan het al is, ze brengen ook de menselijke moraliteit – de kostbaarste eigenschap van het hart – in gevaar. Als we er niet in slagen deze moraliteit te verbinden met ons heldere bewustzijn, dan zal ze tot een instrument worden van onze laagste driften. 

Antroposofie en karmabewustzijn (7)

  

Zijt ge daar weer met uw gezaag over oude en jonge zielen! Zo reageerde een lezer op mijn reeks over antroposofie en karmabewustzijn. Het was vriendschappelijk bedoeld, maar het illustreerde niettemin de houding van de antroposofische wereld tegenover het zielenthema: het is een vervelende zaak, er kan maar best niet te veel over gesproken worden. Ik heb die onverschilligheid nooit begrepen. Neem nu de Filosofie der Vrijheid. Hoeveel mensen zouden dat boek gelezen hebben? Niet veel, denk ik. Daarvoor is het te veel moeilijk en veel te saai. Toch heeft het onder antroposofen een cult-status verworven: er worden cursussen over gegeven, artikels geschreven, zelfs congressen gehouden. Het heeft een grote naam. Vergelijk daarmee het zielenthema: onbekend en onbemind. Nochtans is het voor iedereen begrijpelijk en het is ook voor iedereen bedoeld. Rudolf Steiner was categoriek: iedere antroposoof moest hier (minstens) over nadenken. Maar dat gebeurt niet. Het onderwerp wordt al (bijna) 100 jaar genegeerd.

Als er al eens een zeldzame keer over gesproken of geschreven wordt, dan is het meestal om de zaak te relativeren en te minimaliseren. Ik heb zelf meegemaakt hoe een vooraanstaand antroposoof publiekelijk verklaarde dat men niet hoorde na te denken over het zielenthema. Toen ik voorzichtig opmerkte dat Rudolf Steiner iets heel anders zegt, kreeg ik de wind van voren. Hoe durfde ik de goede naam van de spreker zo door het slijk te sleuren! Het was niet de eerste keer dat ik in verband met het zielenthema streng terecht werd gewezen, maar nooit werden de zaken zo op scherp gesteld. Rudolf Steiner vindt dat antroposofen hier in ieder geval moeten over nadenken, maar antroposofen zelf vinden dat ze er in geen geval moeten over nadenken. Daar kwam het op neer. Dit was geen onverschilligheid meer. Hier keerde een antroposoof zich openlijk tegen Rudolf Steiner en niemand zag daar graten in. Integendeel, men was verontwaardigd toen iemand het voor Steiner opnam. 

Het valt niet te ontkennen: antroposofen keren Rudolf Steiner de rug toe als het zielenthema ter sprake komt. Ze doen het misschien niet bewust en ze doen het zeker niet allemaal zo radicaal en openlijk als hierboven, maar ze doen het wel. Hoe is dat mogelijk? Die vraag stel ik me al zowat 30 jaar. De voor de hand liggende verklaring is natuurlijk dat ik me vergis. Maar dan moet ook Rudolf Steiner zich vergissen, want zijn karmavoordrachten over het thema laten weinig ruimte voor twijfel. Ook Hans Peter van Manen moet zich vergissen. Nochtans gaat hij in Christussucher und Michaëldiener heel zorgvuldig tewerk, het boek is een schoolvoorbeeld van tekstonderzoek. Maar hoe onwaarschijnlijk ook, vergissen is altijd mogelijk. Ik heb echter nog nooit een afdoend argument gehoord of gelezen om die toch wel boude stelling te staven. Intellectuele relativeringen en emotionele reacties, iets anders lijkt het zielenthema niet te genereren. Men wil er eenvoudig niet over nadenken.  

De hardnekkigheid waarmee de antroposofische wereld het zielenthema ontwijkt, doet onwillekeurig denken aan de manier waarop de kerk het bestaan van de twee Jezuskinderen uit de weg gaat. De bijbel laat er nochtans weinig twijfel over bestaan: de twee verschillende geboorteregisters en de twee verschillende geboorteverhalen wijzen duidelijk op twee verschillende kinderen. Ook in de wereld van de kunst wist men hiervan: op heel wat beelden en schilderijen figureren twee Jezuskinderen in plaats van één. Maar alle kunst- en bijbelstudie ten spijt is daar tot op de huidige dag niets van in de openbaarheid gekomen. Zelfs de talloze boeken die proberen het christendom in diskrediet te brengen door allerlei onfrisse geheimen aan het licht te brengen, maken er geen gewag van. Het zijn dus geen geringe krachten die dit geheim houden en die zowel in de kerkelijke als in de antroposofische wereld de toegang versperren tot het zielenthema. 

Maar ook elders zijn die krachten werkzaam. Steeds meer raakt de mensheid verdeeld in twee groepen die elkaar als het vleesgeworden kwaad beschouwen. Links en rechts, man en vrouw, blank en zwart, moslim en westerling, Gutmensch en Bösmensch. We leven in een gepolariseerde wereld, daar kunnen we niet meer naast kijken. En toch is dat precies wat we doen. Ofwel richten we de aandacht naar buiten en geven ‘de ander’ de schuld voor het kwaad in de wereld, ofwel richten we de aandacht naar binnen en beschuldigen onszelf. Maar nooit richten we de aandacht op beide polen tegelijk, nooit trekken we ons uit die polariteit terug om te kijken naar wat zich afspeelt tussen de tegenpolen. Dat links en rechts bijvoorbeeld samenhoren als twee handen, komt niet in ons op. We verliezen onze bezinning bij de gedachte dat ze zouden moeten samenwerken. Liever dan ons (in de geest) boven de dualiteit te verheffen, vereenzelvigen we ons met één van beide polen en geven ons over aan het genot van de strijd. 

De krachten die ons verhinderen de dualistische werkelijkheid onder ogen te zien (en er afstand van te nemen), zijn zwaartekrachten, krachten die ons naar beneden trekken, in het gebied van de lagere driften. Eenheid wordt daar nagestreefd door het bewustzijn van de tweeheid op te heffen. De sexualiteit bijvoorbeeld lost het verlangen naar eenheid op in het zinnelijk genot van de ‘strijd’ tussen twee lichamen. Dat fysieke genot maakt echter geen eind aan de tweedeling tussen man en vrouw, het verdooft alleen ons bewustzijn ervan. Op die blinde, ‘sexuele’ manier streven we vandaag ook naar vrede. De spanningen die veroorzaakt door de extreme tegenstellingen in de wereld, proberen we op te lossen door er onze ogen voor te sluiten, door ons bewustzijn uit te schakelen. Maar evenmin als sex een huwelijk kan redden, kan een verdoofd bewustzijn de problemen van onze tijd oplossen. Dat we dit niet eens meer beseffen, geeft aan hoe sterk de ‘zwaartekrachten’ zijn die ons naar beneden trekken. 

Het zijn de krachten van het materialisme die de moderne mens blind voor de gepolariseerde werkelijkheid, die de gelovige mens blind maken voor het bestaan van de twee Jezuskinderen, die de antroposofische mens blind maken voor het zielenthema. Deze laatste brengen ze er zelfs toe zich tegen Rudolf Steiner te keren. Het is tamelijk verbijsterend om dat mee te maken. Er ontstaat dan een soort collectieve bewustzijnsverdoving die iedereen in slaap doet vallen zonder dat hij het beseft. En degene die wakker blijft, heeft de boter gegeten. Dat moet ook de situatie zijn geweest in de antroposofische wereld na de dood van Rudolf Steiner. De anti-antroposofie waarover hij reeds tijdens zijn leven had gesproken (en waarmee hij niet de vijandige buitenwereld maar het verzet binnen de eigen gelederen bedoelde) brak toen werkelijk los. Ze veroorzaakte een algemene black out die de antroposofische beweging in twee strijdende partijen verdeelde en uiteindelijk leidde tot de uitsluitingen van 1935.

Vandaag schudden we het hoofd over wat toen gebeurd is. Hoe was zoiets mogelijk! Hoe konden overtuigde antroposofen zich zo massaal tegen Rudolf Steiner keren! Want dat was tenslotte wat ze deden door (onder meer) Ita Wegman, zijn belangrijkste medewerkster, aan de deur te zetten. Dit jaar gaat men haar in Dornach officieel in ere herstellen. Een mooi maar hol gebaar, want er is sindsdien niets wezenlijks veranderd. Dezelfde krachten die toen het antroposofische bewustzijn verdoofden, zijn nog altijd werkzaam. Dezelfde krachten die zowel de antroposofische beweging als Europa verdeelden, doen dat vandaag nog altijd. Minder dan ooit slaagt de moderne mens erin zich te verzetten tegen de zwaartekracht van het materialisme. Het lukt hem niet meer tegenover de gepolariseerde werkelijkheid te gaan staan, haar zuigkracht is te groot. Van die (geestelijke) onmacht is hij zich echter niet bewust, dat blijkt nergens beter dan in de antroposofische wereld, waar het thema van de oude en de jonge zielen al bijna 100 jaar ‘slaapt’. 

De confrontatie met het zielenthema is een confrontatie met onze onmacht. De kloof die oude en jonge zielen van elkaar scheidt, is ook de kloof die ons bewustzijn scheidt van hun polariteit. Volgens Rudolf Steiner was het zielenthema ‘een intensieve toepassing op het leven’. We kunnen er inderdaad niet (denkend) tegenover gaan staan, zonder er tegelijk ook (voelend en willend) middenin te staan. Naar deze dualiteit kijken, betekent naar onszelf kijken, want (als oude of als jonge ziel) maken we er deel vanuit en ze maakt ook deel uit van onszelf. De dualiteit leeft in onze ziel als een wonde, als een diep gemis. Om ons daar bewust van te worden, moeten we zowel naar buiten als naar binnen kijken. Dat is de voorwaarde voor echte zelfkennis. We leren onszelf niet kennen door (enkel) in onze eigen ziel te kijken, maar door ook naar de (geheel) andere ziel kijken. Pas dan dringen we door tot ons echte Ik en ontwikkelen we het bewustzijn dat nodig is om de kloof te overbruggen die mens en wereld steeds meer verdeelt. 

De paradox is dat we deze kloof nodig hebben om tot zelfbewustzijn te komen, om ons te ontwikkelen tot zelfstandige Ik-wezens. Zonder dualiteit kan er geen vrijheid bestaan, zonder vrijheid kan er geen liefde zijn. Toch verklaren we in naam van de liefde en de vrijheid de oorlog aan alle tegenstellingen. We moeten naar verbinding streven! We moeten ophouden met polariseren! We moeten een eind maken aan het wij-zij denken! Dat zijn de grote slogans van onze tijd. Het waren ook de argumenten waarmee ik ooit bezworen werd niet na te denken over het zielenthema. Maar verre van vrede te stichten, roepen deze slogans op tot geweld. Wie blindelings naar eenheid streeft – zonder onderscheid te maken – keert zich niet alleen tegen de wereld (die uit louter tegenstellingen bestaat), hij keert zich ook tegen de ander (die door zijn anders-zijn een tegenstelling vormt) en hij keert zich ten slotte ook tegen de geest (die als drieëenheid ook drie tegenstellingen omvat).

De geest zou geen liefde kunnen zijn als hij louter eenheid was, want liefde veronderstelt tweeheid. De geest zou zich ook niet bewust kunnen zijn van deze liefde als hij louter tweeheid was. Daarom is hij een drieheid, een drieëenheid, en naar dat voorbeeld is de mens geschapen. Maar dat is hij in de loop der eeuwen vergeten: het driegelede mensbeeld veranderde in een tweegeleed mensbeeld. De geest verdween en alleen lichaam en ziel bleven over. Maar dit dualisme was noodzakelijk opdat de mens vrij zou kunnen worden. Zolang hij zich bewust bleef van de geest, kon hij zijn eigen gang niet gaan. Hij moest geestelijk eerst in slaap vallen en wakker worden op aarde. Vandaag is dat gebeurd, de (moderne) mens heeft zijn vrijheid veroverd. Nu moet hij de volgende stap zetten: hij moet weer ontwaken in de geest. Maar als hij op aarde weer in slaap valt, dat wil zeggen: als hij er zijn bewustzijn en zijn vrijheid voor opgeeft, dan is alles voor niets geweest, dan wordt de geschiedenis van de mensheid een kwalijke grap.  

De Filosofie der Vrijheid heeft niet voor niets zo’n grote roep in de antroposofische wereld (ook al hebben weinigen het boek gelezen): Rudolf Steiner is de heraut van de vrijheid. Hij wil ons niet zomaar in contact brengen met de wereld van de geest, want dat gebeurt sinds het einde van het Kali Yuga wel vanzelf. Hij wil ons in de eerste plaats tonen hoe we de wereld van de geest als vrije mensen kunnen betreden, dat wil zeggen zonder alles op te geven wat we met zoveel moeite, zoveel geweld en zoveel lijden hebben opgebouwd. Sinds de ‘poorten van de hemel’ weer openstaan, streven we instinctief naar eenheid, naar verbinding, naar liefde. De groeiende invloed van de geest verdooft ons bewustzijn en wiegt ons in slaap. De roep om alle grenzen op te heffen, ieder onderscheid uit te wissen, alle verschillen te negeren, klinkt steeds luider. Wat daar de gevolgen van zijn, lezen we iedere dag in de krant: haat, geweld, strijd. Anders gezegd: niet minder maar meer dualisme.

Gebrek aan onderscheidingsvermogen doet liefde in haat veranderen. Liefde zonder onderscheidingsvermogen is blinde liefde, luciferische liefde, eigenliefde. Ze is de keerzijde van de ahrimaanse haat, ze roept die haat op, ze kan niet bestaan zonder die haat. Pas als we die dualiteit onder ogen zien en duidelijk onderscheid maken tussen Lucifer en Ahriman, kan de echte liefde zichtbaar worden. Ze wordt zichtbaar door ons onderscheidingsvermogen en in ons onderscheidingsvermogen. Ja, het is ons onderscheidingsvermogen zelf dat liefde wordt. Die potentie had het altijd al, maar ze wordt pas gerealiseerd wanneer we – bewust en vrijwillig – de blik richten op de fundamentele dualiteiten van het leven. We worden ons dan bewust van de (echte) liefde en staan er tegelijk middenin, zoals dat ook het geval is wanneer we de blik richten op het onderscheid tussen oude en jonge zielen. De bewustwording van het zielenthema is de geboorte van de broederliefde, ze is het eerste ontkiemen van de antroposofische grondsteen, van de ‘liefdessteen’.  

Lichtbaken (21)

  

Honderd jaar nadat Rudolf Steiner zijn driegeledingsidee lanceerde, is de wereld dualistischer dan ooit. Niets illustreert dat beter dan de hedendaagse politiek. De traditionele partijen bestaan nog wel, maar ze zijn schijn geworden. In werkelijkheid zijn er nog slechts twee politieke partijen: links en rechts. Allebei streven ze hetzelfde ideaal na: de vernietiging van de ander. Voor minder doen ze het niet. De gedachte aan een compromis, verstandhouding of samenwerking komt niet eens meer bij hen op, wel integendeel. Het kleinste toenaderingsgebaar wordt beschouwd als hoogverraad. En deze politieke situatie is geen uitzondering, zij is de regel. Overal, op ieder gebied staan de tegenpolen met getrokken messen tegenover elkaar. Het oeroude ideaal van het gulden midden is vervangen door zijn tegendeel. Wat vroeger gold als het grootste goed, wordt nu beschouwd als het grootste kwaad. Jean-Paul Sartres beroemde uitspraak is werkelijkheid geworden: l’enfer, c’est les autres

De moderne, gepolariseerde wereld is het volstrekte tegendeel van de driegelede samenleving die Rudolf Steiner voor ogen stond. De antroposofie is er dus niet in geslaagd de driegeledingsidee ingang te doen vinden. Ze is er zelfs niet in geslaagd ze in haar eigen kleine kring te realiseren. Driegeledingsinitiatieven eindigen telkens weer in ruzie, conflicten en tegenstellingen. Hoe komt dat? Wat gaat er mis? Ligt het misschien aan de driegeledingsidee zelf? Dat is weinig waarschijnlijk, want ze spreekt voor zich. Aan de moderne werkelijkheid ligt het ook niet, want zonder haar dualisme zou de mens nooit het vrije en zelfstandige Ik zijn geworden dat de hoeksteen vormt van de antroposofie. Bijgevolg moet de oorzaak van het falen van de driegeledingsbeweging – en bij uitbreiding van de hele antroposofie – gezocht worden in de relatie tussen beide polen, in de manier waarop driegeledingsidee en dualistische werkelijkheid met elkaar verbonden worden. 

Dat kan alleen een kunstzinnige manier zijn. De antroposofie streeft ernaar ieder gebied van het menselijk leven tot een kunst te verheffen. Van de geneeskunde wil ze een geneeskunst maken, van de opvoedkunde een opvoedkunst, van de landbouwkunde een landbouwkunst, enzovoort. Daarvoor moet ze natuurlijk weten wat kunst is en hoe een kunstenaar tewerk gaat. Rudolf Steiner heeft het daar uitvoerig over gehad. Nog vóór hij zijn Filosofie der Vrijheid schreef, had hij zijn visie op kunst reeds samengevat in zijn voordracht over Goethe en de nieuwe esthetica. Die nieuwe esthetica noemde hij een ‘gezond fundament van de antroposofie’ en hij plaatste ze tegenover de moderne esthetica, die in zijn ogen een ‘ongezond’ fundament was, want hij wees ze radicaal af. In die tegengestelde visies op kunst moet de oorzaak van het falen van de driegeleding gezocht worden, want de antroposofie neemt de verkeerde visie tot uitgangspunt van haar handelen.  

Rudolf Steiner baseerde zijn visie op Goethe en Schiller. Hij zag kunst als ‘een zintuiglijke verschijning in de vorm van de idee’ terwijl ze in de moderne visie precies het omgekeerde is, namelijk ‘de idee in de vorm van een zintuiglijke verschijning’. Deze misvatting had lange tijd geen invloed op de kunstpraktijk omdat kunstenaars en kunstliefhebbers zich – vanuit een instinctief wantrouwen voor abstracte ideeën – niks aantrokken van de denkbeelden van de esthetica. Maar in de 20ste eeuw drong het wetenschappelijke denken door in de wereld van de kunst en daaruit werd een geheel nieuwe kunst geboren. Ze kreeg de naam ‘hedendaags’ en wortelde niet langer in het instinctieve aanvoelen van kunstenaars en kunstliefhebbers, maar in de abstracte – en vooral verkeerde – ideeën van kunstwetenschappers. Uitgerekend deze hedendaagse kunst, die de rechtstreekse toepassing is van de visie die Rudolf Steiner aan de kaak stelde, heeft de antroposofie tot voorbeeld gekozen. 

Dat werd duidelijk toen men in Dornach de 100ste verjaardag vierde van het congres van Munchen, waar Rudolf Steiner als het ware officieel de antroposofie met de kunst had verbonden. Die viering werd gecombineerd met de herdenking van de dood van Joseph Beuys, een van de boegbeelden van de hedendaagse kunst. Ofschoon Beuys met zijn werk (niet met zijn ideeën) dwars ingaat tegen de kunstopvattingen van Rudolf Steiner, kwam daar zo goed als geen protest tegen. De antroposofische vereniging koos met andere woorden voor de (materialistische) visie die Steiner ondubbelzinnig afgewezen had. Daarmee keerde ze zich tegen haar stichter, maar niemand leek dat op te merken. Men zag immers geen verschil tussen het werk van Rudolf Steiner en dat van Joseph Beuys. Men zag alleen de overeenkomst tussen hun ideeën. En daar, in die blindheid voor het verschil tussen ideeën en kunst, moet de oorzaak van het falen van de driegeleding gezocht worden. 

Als idee behoort de driegeleding tot het gebied van de wetenschap. Als werkelijkheid behoort ze tot het gebied van de kunst. In de moderne visie is er geen wezenlijk verschil tussen deze twee gebieden: kunst is niet meer dan een soort toegepaste wetenschap, ze giet ideeën in een zintuiglijke vorm. Wat de wetenschap met woorden en begrippen zegt, zegt de kunst met beelden en vormen. De moderne kijker gaat er dan ook als vanzelfsprekend vanuit dat er geen wezenlijk verschil is tussen de ideeën van een kunstenaar en zijn werk. Als de ideeën van Joseph Beuys antroposofisch zijn, redeneert hij, dan is zijn kunst dat ook. Maar dat is een groteske misvatting. Kunst is, zoals Rudolf Steiner beklemtoont, géén wetenschap. Het is een heel ander, autonoom gebied dat niks te maken heeft met de ideeën van de wetenschap, ook niet met die van de geesteswetenschap. Het is dus onzin om kunst te beoordelen aan de hand van de ideeën of intenties van de kunstenaar. 

Dat iemand geesteswetenschapper is, maakt van hem nog (lang) geen kunstenaar. Toch is het een eerste stap, want de antroposofie is een wetenschap die kunst wil worden. Maar als ze zich laat leiden door de omgekeerde opvatting over kunst, dan maakt ze als het ware rechtsomkeer, dan gaat ze tegen zichzelf in. Daarom wordt haar driegelede streven telkens weer in zijn tegendeel gekeerd en bereikt ze nooit haar doel. Die omkering kan maar op één manier voorkomen worden: door bewust te worden van het onderscheid tussen kunst en wetenschap. In de loop der eeuwen is dat onderscheid uitgegroeid tot een diepe kloof, die de weerspiegeling is van de afgrond die ook in de ziel, tussen verstand en gevoel, gaapt. Door die tegenstelling wordt de moderne mens innerlijk verscheurd en hij probeert dan ook uit alle macht zijn ziel te ‘helen’. Maar hij doet dat niet bewust onderscheidend, hij doet het door instinctief de ogen te sluiten voor de kloof die zowel zijn uiterlijke als zijn innerlijke wereld verdeelt. 

Zo reageert de moderne mens op de kloof waarmee hij geconfronteerd wordt: door ze te negeren, door te doen alsof ze niet bestaat. Als gevolg daarvan les extrêmes se touchent : de tegenpolen vermengen zich met elkaar en verliezen hun eigen karakter: de wetenschap houdt op objectief te zijn, de kunst houdt op subjectief te zijn. Het verstand maakt zich los van de waarheid en wordt leugenachtig, het gevoel verliest het contact met het Ik en wordt emotioneel met neiging tot massahysterie. Samen vormen ze de karikaturale mens die niet beseft dat hij een levende contradictie is geworden. Die vermenging is het gevolg van zijn terechte maar blinde streven naar heling, genezing en eenwording. Door de ogen te sluiten voor de dualiteit en geen onderscheid meer te maken tussen de tegenpolen, probeert de mens hun oorspronkelijke eenheid te herstellen. Maar dat lukt natuurlijk niet. De evolutie kan niet omgekeerd worden. Dat leidt tot zelfvernietiging, niet tot heling.

Hoe weinig de mens zich dat realiseert, blijkt uit het feit dat hij deze reactionaire beweging ‘progressief’ noemt. De hedendaagse kunst bijvoorbeeld – resultaat van het blinde streven naar eenwording van kunst en wetenschap – ziet hij als de avant-garde van de moderniteit, terwijl ze in werkelijkheid de belichaming is van een eeuwenoude misvatting die pas in onze tijd haar ware gezicht toont. Dat gezicht is weerzinwekkend, maar het brengt de mens er niet toe de ogen te openen. Hij ziet geen verschil met de oude, vertrouwde gezicht van de kunst, want hij slaapt. Nergens kunnen we beter waarnemen hoe diep de moderne mens slaapt dan in de hedendaagse kunst. Ze helpt ons ook te begrijpen wat de oorzaak van die (bewustzijns)slaap is: het gebrek aan onderscheid tussen kunst en wetenschap, de weigering om de kloof tussen beide onder ogen te zien. Het is dan ook de bewuste confrontatie met deze kloof die ons wakker maakt en verhindert dat ons eenheidsstreven ‘omkeert’ tot een vernietigingsstreven. 

Rudolf Steiner hamerde er steeds weer op dat we wakker moeten worden. Antroposofen moeten de wereld niet verbeteren, want dat doet iedereen. Ze moeten het kwaad niet bestrijden, want ook dat doet iedereen. Ze moeten alleen maar wakker worden. Dat is hun – cruciale – bijdrage aan de moderne tijd. Antroposofen moeten onderscheid maken tussen kunst en wetenschap, ze moeten zich bewust worden van het autonome wezen van de kunst. Dat is hun core business: onderscheid maken. De rest is immers gegeven, want sinds het einde van het Kali Yuga dringt de geestelijke wereld opnieuw door tot de mens en wekt in hem een onweerstaanbaar streven naar eenheid. Maar of dat eenheidsstreven een scheppende dan wel een vernietigende werking heeft, hangt af van het onderscheidingsvermogen van de mens, van zijn vermogen om wakker te blijven in een ‘vergeestelijkende’ wereld. Daar ligt de opgave van de antroposofie: zij moet het verschil maken door het verschil te zien. 

Dat maakt de antroposofie ook tot vijand nummer één van de geest die vandaag zo actief is in de wereld, de geest die de mens wil beletten om verschillen te zien, die hem dwingt om de ogen te sluiten voor de kloof tussen kunst en wetenschap, tussen Oost en West, tussen blank en zwart, tussen man en vrouw, tussen mens en dier, kortom tussen alle tegenpolen. Deze geest stelt de dualiteit voor als de bron van alle kwaad en drijft daardoor het dualisme ten top. Hij keert het (onbewuste) eenheidsstreven van de mens tegen diens (even onbewuste) tweeheidsstreven en ontketent in hem een zelfvernietigende strijd. Want de mens heeft zijn vrijheid en zelfstandigheid te danken aan zijn dualistische streven, aan zijn streven om de kloof tussen de tegenpolen steeds groter te maken. Door tegen dat streven in te gaan, keert hij zich tegen zichzelf, tegen zijn beschaving, tegen zijn evolutie. Dat is wat de anti-menselijke geest wil bewerkstelligen, en dat is wat de antroposofie wil verhinderen. 

Hoever deze strijd tegen de dualiteit gaat, zien we in de zogenaamde genderbeweging die, in naam van de gelijkheid tussen de geslachten, het verschil tussen de geslachten wil uitwissen. La guerre des sexes wordt op die manier een oorlog tegen de geslachten, en dus ook tegen de mens. Want de scheiding der geslachten is een beeld van de oerscheiding die het ontstaan van de mens mogelijk maakte. De geestelijke wereld deelde zichzelf in twee – God kreeg een zoon, zegt men in het christendom – en schiep daardoor de ruimte waarin de mens zich kon ontwikkelen. Wie deze kloof teniet wil doen, keert zich niet alleen tegen het bestaan van de mens, hij keert zich ook tegen de geestelijke wereld en met name tegen de liefde die deze wereld ertoe bracht een kloof in zichzelf te slaan. De kwaadaardige geest waartegen de antroposofie zich verzet, is dan ook de Antichrist, de grote tegenstander van Christus, die het wezen van de liefde is, het centrum van de geestelijke wereld. 

De bijbel en de koran

Op de website Zaman Vandaag lees ik dat er volgens de islamitische rechtsgeleerde Ahmet Kurucan geen enkele rechtvaardiging voor de recente aanslagen in Parijs te vinden is in de koran, de soenna, de hadith of andere bronnen van het islamitische recht.
Kurucan studeerde in 1985 af aan de Faculteit der Godgeleerdheid van de Universiteit van Ankara.
Daarna werkte hij 7 jaar als imam in Manisa, Izmir en Istanbul.
In 2006 promoveerde hij aan de Erzurum Atatürk Universiteit op het onderwerp ‘vrijheid van gedachte in het islamitische recht’.

Volgens Kuracan kent de koran weliswaar waarschuwingen, directieven en verboden met betrekking tot ongewenst gedrag, zoals belediging en laster, maar hij legt geen specifieke straf op voor het beledigen van de profeet Mohammed.
Sterker nog, de koran adviseert moslims zelfs om weg te lopen wanneer ze beledigingen van de koran of islamitische percepties moeten aanhoren.
De hadith (of overlevering) zegt hetzelfde.
Toen Abdullah ibn Saba Mohammed en de moslims in Medina beledigde, reageerde de profeet niet.
Hij verwierp het aanbod van moslims die de beledigingen met geweld wilden vergelden.

Er is dus, aldus Kuracan, niets binnen de islamitische traditie dat de aanslagen rechtvaardigt.
Uiteraard kent de geschiedenis veel bloedige oorlogen, onenigheden, politieke onrust, listen en onlusten, maar dat waren tribale geschillen, die bestonden al vóór de islam.
We moeten er duidelijk over zijn dat noch de aanslagen van 11 september noch de aanslagen in Parijs islamitisch van aard zijn.
Uit de verhalen in de koran over de verschillende profeten, kunnen we concluderen dat God de moord op ongelovigen niet goedkeurt noch dat hij hen straffen oplegt.
Religieuze geschriften moedigen het gebruik van de rede en het intellect aan en waarschuwen weliswaar dat er een eeuwige straf in het hiernamaals zal zijn, maar schrijven geen straffen in deze wereld voor.

Tot daar deze moslimgeleerde.

Als ik zijn woorden lees, kan ik niet anders dan besluiten dat er twee totaal verschillende islams bestaan: een vredelievende en een gewelddadige.
Ik heb immers geen reden om eraan te twijfelen dat Ahmet Kuracan een echte moslim is.
Hij heeft lang genoeg gestudeerd om te weten waarover hij het heeft.
Maar dat heeft al-Baghdadi ook, hij kent zijn koran als geen ander.
Niemand kan eraan twijfelen dat ook hij een echte, overtuigde moslim is.
En toch zeggen die twee vrome moslims precies het tegenovergestelde.

Hoe kan dat?

Het is geen geheim dat er in feite twee korans bestaan.
In het heilige boek van de moslims komen twee soorten verzen voor: de verzen die Mohammed in Mekka schreef en verzen die hij later in Medina schreef.
De Mekka-verzen zijn vredelievend.
De Medina-verzen zijn gewelddadig.
Wil een moslim in vrede leven met zijn medemensen, dan vindt hij steun in de oudere Mekka-verzen.
Wil hij zich aansluiten bij IS, dan vindt hij een rechtvaardiging in de latere Medina-verzen.
Voor elk wat wils dus.
Oorlog of vrede: met de koran kun je alle kanten uit.

Het doet me onwillekeurig denken aan het christendom.
Dat bestaat eveneens in twee versies: een vredelievende en een gewelddadige.
De gewelddadige versie is het Oude Testament.
De vredelievende het Nieuwe Testament.
En daar heeft men, net als in de islam, één boek van gemaakt: de bijbel.
Wie oorlog wil voeren, vindt in dat boek ruim zijn gading.
Wie in vrede wil leven eveneens.
Net als de moslim kan de christelijke lezer dus kiezen.

Nochtans weet iedere christen (of hoort hij te weten) dat Christus gekomen is om het oude verbond of testament te vervangen door een nieuw.
In het Oude Testament is God hardvochtig en meedogenloos.
Wie zijn geboden overtreedt, wordt genadeloos gestraft.
Zonder verpinken geeft hij opdracht tot bloedig geweld.
De joodse Jahweh lijkt heel sterk op de islamitische Mohammed.
In het Nieuwe Testament treedt echter een heel andere God op, een God die louter liefde is.
En dat zijn geen loze woorden want Hij stuurt zijn Zoon, die de goddelijke liefde tot in zijn uiterste consequenties belichaamt.
Jezus is een totaal andere figuur dan Mohammed.
Groter verschil is niet mogelijk.

De christen hoort zich dus niet op het Oude maar op het Nieuwe Testament te baseren.
Het Oude Testament is niet christelijk, het is joods.
Die oud-testamentische joden hebben Christus zelfs gekruisigd, want in hun ogen was hij een Godslasteraar.
Duidelijker kan de tegenstelling tussen oud en nieuw niet zijn.
Christenen die zich alleen baseren op het Oude Testament zijn dus eigenlijk joden
Echte christenen volgen het Nieuwe Testament.

In de islam is het niet anders.
De meer recente Medina-verzen – het islamitische nieuwe testament dus – vervangen de oudere Mekka-verzen.
Als ze elkaar tegenspreken, dan moet de moslim voor de nieuwe kiezen.
Daarom is hij trouwens ook moslim: omdat de islam recenter is dan het jodendom of het christendom.
De koran is het ‘allernieuwste testament’ en vervangt alle voorgaande testamenten.
Mohammed is ‘het zegel der profeten’: hij vervangt alle voorgaande profeten.
Hij ‘bezegelt’ het profetendom: na hem komen er geen profeten meer.
Hij is de laatste – en daarom grootste – der profeten.

Van alle gelovigen is de moslim dus de ‘progressiefste’.
Hij onderscheidt zich van de christenen zoals de christenen zich onderscheiden van de joden: door voor het nieuwe te kiezen.
Om die reden zijn de echte moslims dan ook de moslims die kiezen voor de ‘nieuwste’ koran, de koran van de Medina-verzen.
Tussen alle overeenkomsten komt hier het wezenlijke verschil tussen moslims en christenen naar boven.
Beiden kiezen voor het nieuwste, het jongste, het meest recente.
Maar voor de christen betekent dat dat hij vrede boven oorlog en liefde boven haat verkiest.
Voor de moslim betekent het dat hij oorlog en haat boven vrede en liefde verkiest.

De gewelddadige Al-Baghdadi is méér moslim dan de vredelievende Kurucan.
Zo wordt het ook begrepen door veel moslim-jongeren.
Zij leven in een verwarrende wereld, ze zijn losgerukt van hun wortels en weten niet meer wie ze zijn.
Ze willen duidelijkheid, ze willen helderheid.
En die vinden ze bij Al-Baghdadi.
Hij trekt een scherpe lijn tussen echte moslims en valse moslims.
Hij maakt duidelijk onderscheid tussen de ‘oude’ koran en de ‘nieuwe’ koran, en laat er geen twijfel over bestaan welke van de twee de echte moslim dient te volgen.
Alleen door ingewikkelde theologische redeneringen kan men iets tegen zijn argumenten inbrengen.
Maar de jongeren zijn dat verstikkende en troebele intellectualisme beu.
Zij willen leven, zij willen het bloed weer door hun aderen voelen stromen.
En die mogelijkheid biedt Al-Baghdadi hen.
Hij voegt de daad bij het woord.
Hij doet de echte islam weer verrijzen, de oorspronkelijke islam, ontdaan van alle compromissen en toegevingen en aanpassingen die hem onherkenbaar hebben gemaakt.
Door zich met die islam te identificeren, voelen ook de moslimjongeren zichzelf weer verrijzen.
Hun ziel klaart op, ze herkennen zichzelf weer, ze weten weer wie ze zijn.

Maar wat de moslimjongeren (menen te) herkennen is niet hun eigen Ik, het is een oud groeps-Ik dat niet meer van deze tijd is en daarom kwaadaardig is geworden.
Dat is eigenlijk de grote tragiek van onze tijd.
Doordat de mensheid ‘over de drempel’ gaat, wordt haar ziel als het ware in twee gespleten.
Er ontstaat ruimte voor het Ik van de mensheid, voor Christus.
Zoals het vrouwelijk lichaam in twee wordt gespleten bij de geboorte van een kind, zo wordt de mensheid in twee gespleten bij de geboorte van haar Ik.
Dat in-twee-splijten vindt in iedere hedendaagse mensenziel plaats, de westerse zowel als de oosterse.
De moderne mens herkent zichzelf niet meer.
Hij is zijn oude groeps-Ik kwijt en heeft zijn nieuwe individuele Ik nog niet gevonden.
Maar dit ‘vinden’ hangt van hemzelf af.
Hij beleeft vandaag het grote vrijheidsmoment in de geschiedenis: hij moet kiezen.
Want er dienen zich twee nieuwe Ikken aan: een echt en een vals.
Als dat niet zo was, zou er geen vrije keuze zijn.

Het echte Ik is het christelijke, vredelievende en menslievende Ik.
Het valse Ik is het antichristelijke, gewelddadige en menshatende Ik.
Diep van binnen heeft ieder mens weet van dit onderscheid.
Daarom is er in de moslimwereld een massale emigratie naar het christelijke Westen op gang gekomen.
Moslims weten onbewust dat de lege ruimte in hun ziel veel kans loopt om gevuld te worden met een anti-Ik als ze de islamitische wereld niet verlaten.
Ze komen naar het Westen om als Ik ‘geboren’ te worden.
Maar ze herkennen dat Ik niet in het Westen.
Hun luciferische aard deinst terug voor het ahrimanische materialisme dat daar aantreffen.
In al die hardheid vinden ze het zachte kind niet dat ze onbewust zoeken.

En hier raakt hun tragiek die van het Westen.
Want het Westen is zwanger van dat kind en weet het niet.
Het beschouwt dat Ik-kind als een kwaadaardig gezwel en doet er alles aan om het te onderdrukken en verborgen te houden.
Daardoor onthoudt het dat mensheids-kind echter ook aan de moslims die van zover komen om het te zoeken en te begroeten.
Want het is ook hún kind, ze zijn er als het ware de vader van.
Christus is in het Midden-Oosten op aarde gekomen, niet in het Westen.
De bevruchting met het zaad van het Ik vond in het Oosten plaats.
De bevalling vindt in het Westen plaats.
En zoals moderne vaders vandaag aanwezig zijn in de verloskamer, zo zijn de moslims vandaag in het Westen aanwezig bij de geboorte van hun kind.

Maar zij vinden in de Westerse verloskamer geen moeder die gaat bevallen.
Ze vinden daar een vrouw die zich laat behandelen voor een kankergezwel, een moeder die niet alleen niets afweet van haar kind maar het zelfs wil vernietigen.
Het is als een soort herhaling van het bijbelse geboorteverhaal: de drie koningen komen uit het Oosten om ‘het kind’ te zoeken, maar de plaatselijke koning – Herodes – heeft geen weet van een (mensheids)kind.
Hij ziet dat onbekende kind als een bedreiging voor zijn eigen (ahrimanische) koningschap en probeert het te vermoorden.
Dat lukt hem niet omdat de ouders van het Jezuskind in een droom verwittigd worden.
Ook de drie wijzen waren verwittigd door de nachtwereld van de sterren.
Vandaag vindt het drama echter overdag plaats, op het grote wereldtoneel.
De vrije, bewust handelende mens speelt er een cruciale rol in.

Dertienhonderd jaar geleden gebeurde het omgekeerde.
Men probeerde toen het Ik van de mens veel te vroeg geboren te laten worden, en wel in het Oosten, in Gondisjapur (in het huidige Iran) waar in de 6de en 7de eeuw de grootste intellecten van de wereld waren samengestroomd.
Die (fatale) vroeggeboorte werd verhinderd door de islam, die volgens Rudolf Steiner speciaal daarvoor in het leven werd geroepen.
Vandaag doet de islam nog altijd hetzelfde: ze wil de geboorte van het Ik verhinderen.
Maar wat destijds een zegen was, is vandaag een vloek geworden.
Want het Ik moet dit keer wel geboren worden, zijn tijd is gekomen.

Het ahrimanische materialisme dat het Westen verhindert zich bewust te worden van het Ik dat in zijn schoot leeft, is afkomstig uit Gondisjapur.
Daar werd Aristoteles namelijk ‘geahrimaniseerd’ en kwam hij in de vorm van de materialistische wetenschap terug naar het Westen.
Aan de fysieke immigratie van de moslims die we vandaag meemaken, ging dus een geestelijke immigratie vooraf: die van het abstracte, intellectuele denken.
Zoals het ahrimanische denken van Gondisjapur werd afgezwakt door de luciferische islam, zo werd het ahrimanische intellectualisme in het Westen afgezwakt door het christendom, met name door Thomas van Aquino.
Maar het werd er niet door tegengehouden want vandaag viert het zijn grootste triomfen, terwijl het christendom alle kracht verloren heeft.

De Westerse intelligentsia begroet de islam dan ook als een oud familielid.
Ze herkent er (onbewust) haar eigen abstracte, ahrimanische geest in.
Want de islam is op uiterlijk, fysieke vlak dan wel luciferisch (religieus, spiritueel, opgewonden, driftig, gewelddadig) maar op innerlijk, geestelijk vlak is hij ahrimanisch (kil, abstract, intellectualistisch).
Wat we vandaag dus meemaken, is een hereniging van de twee aspecten van de islam: het uiterlijk luciferische (het blinde geloof) en het innerlijk ahrimanische (het intellectualistische denken).
Die twee aspecten hebben zich de afgelopen 1300 jaar afzonderlijk ontwikkeld – het ene in het Oosten, het andere in het Westen – en hun hereniging betekent de geboorte van een vervaarlijk antichristelijk Ik dat zijn kracht ontleent aan zijn dubbele natuur.

Het enige wat we daar tegenover kunnen zetten is een christelijk Ik dat deze dubbele natuur onderscheidt.
Onderscheidingsvermogen is ons enige wapen tegen de Antichrist, die ons van twee kanten tegelijk aanvalt: van buitenaf (de oosterse islam) en van binnenuit (het westerse intellectualisme).
We staan machteloos tegenover de islam omdat we niet beseffen dat hij ook in onszelf zit, in de vorm van ons intellectualistische, harteloze denken.
Als we er een christelijk – ook op het gebied van het hart scherp onderscheidend – denken tegenover zouden plaatsen, maakte de islam geen enkele kans.
Het is niet de uiterlijke moslim die ons zorgen moet baren, hoe grimmig en agressief hij er ook uitziet, het is de ‘innerlijke moslim’ met zijn beschaafde, menslievende, rationele voorkomen.

Daarmee ben ik weer bij de vriendelijke en beschaafde Ahmet Kurucan beland, het schoolvoorbeeld van de aaibare moslim: vredelievend, verstandig, volkomen aangepast, ein Mensch wie Du.
Wie leest wat hij schrijft, zou niets liever willen dan hem geloven.
Want als de islam werkelijk is zoals hij beweert, dan is er geen enkele reden om die islam niet met open armen te ontvangen.
En wie zou durven twijfelen aan de woorden van zo’n eminent islamgeleerde!
Maar wie zich niet in slaap laat wiegen, stelt zich toch enkele vragen.
Als het waar is dat er in de koran (of gelijk welk ander islamitisch geschrift) geen enkele rechtvaardiging te vinden is voor geweld en terrorisme, hoe komt het dan dat bijna iedere terrorist een moslim is?
Hoe komt het dat er sinds 9/11 al 25.000 moslim-aanslagen zijn gepleegd, de ene al bloederiger dan de andere?
Dat is bijna 5 per dag, 15 jaar lang, ononderbroken.
En er is niets dat erop wijst dat het zal verminderen, wel integendeel.
Toch beweert Kurucan, samen met steeds meer collega’s moslimgeleerden, dat al die ontelbare terreurzaaiers géén moslims zijn.

Hoe valt dat samen te rijmen?

De kern van de islam lijkt een broederstrijd te zijn.
Soennieten en sjiieten bevechten elkaar op leven en dood.
Dat doen ze al sinds Mohammed stierf.
De reden?
De anderen zijn geen echte moslims.
Maar dat zegt Kuracan ook: Baghdadi is geen echte moslim.
En Baghdadi zegt: Kurucan is geen echte moslim.
Wat ze zeggen maakt deel uit van die typisch islamitische broederstrijd.
Naarmate wij Kurucan geloven en zijn ideeën tot de onze maken, nemen we deel aan die strijd.
We laten ons – uit sympathie voor de vredelievende moslim – meesleuren in deze vernietigende broederstrijd.

Het enige wat we daartegen kunnen doen, is onderscheiden.
We moeten Kurucans woorden onderscheiden van de werkelijkheid.
We moeten de Mekka-verzen in de koran onderscheiden van de Medina-verzen.
We moeten het Nieuwe Testament onderscheiden van het Nieuwe Testament.
We moeten de islam onderscheiden van het christendom.
We moeten Mohammed onderscheiden van Jezus.
We moeten de Vader-God onderscheiden van de Zoon.
We moeten de Mattheus-Jezus onderscheiden van de Lucas-Jezus.
Enzovoort, enzovoort.

Als we al die aspecten van elkaar onderscheiden hebben, wordt er één grote dualiteit zichtbaar, de oer-dualiteit van deze wereld.
Tegelijk wordt ook de tegengestelde manier zichtbaar waarop christendom en islam deze dualiteit proberen te overwinnen.
Het christendom doet dat door het Christus-Ik te introduceren en een nieuwe driegelede wereld te creëren.
De islam doet dat door het Ik te ontkennen en de oude dualiteit ten top te drijven, want beide tegenpolen trachten de eenheid te herstellen door de ander te vernietigen.
En pas wanneer we die dualiteit in het oog krijgen – de tegenstelling tussen tweegeleding en driegeleding – zien we wat er aan allebei ontbreekt: bewustzijn.
Noch de moslims noch de christenen weten wat ze doen, omdat geen van beiden oog hebben voor de dualiteit, noch bij henzelf noch bij de ander.
De moslims beseffen niet dat hun doorgedreven dualisme tot zelfvernietiging zal leiden.
En de christenen beseffen niet dat er een diepe kloof gaapt tussen hun Oude en Nieuwe Testament, een kloof die in het evangelie tot uiting komt in de tegenstelling tussen de oude Jezus en de jonge Jezus.

De moslims leven in een oude wereld die zichzelf aan het vernietigen is.
Ze beseffen dat wel maar ze weten niet wat ze eraan kunnen doen, gevangen als ze zijn in een uitzichtloos dualisme dat telkens weer ontaardt in een bloedige broederstrijd.
Wijzelf leven in een nieuwe, christelijke wereld, maar we laten hem vernietigen omdat we ons niet bewust zijn van het dualisme dat (nog) in die driegelede wereld leeft.
We kennen de tegenstelling niet tussen het materialisme (de moeder) en ons Ik (het kind).
We beseffen niet hoe materialistisch we zijn, en we beseffen niet hoe christelijk we zijn.
Die twee vormen in ons bewustzijn één geheel, en juist daardoor verandert de geboorte van het Ik in een vernietigend gevecht tussen moeder en kind.
Dat is de reden waarom de christelijk bijbel – in tegenstelling tot de koran – bestaat uit twee duidelijk van elkaar gescheiden delen: het Oude en het Nieuwe Testament.
Het gaat in het christendom namelijk niet (zoals in de islam) om het vervangen van het oude door het nieuwe.
Het gaat om de relatie tussen beide, om het geboorteproces waarbij het kind zich losmaakt van de moeder om er zich op een nieuwe, bewustere manier mee te verbinden.

Het driegelede christendom – Vader, Zoon en Geest – is geboren uit de dualistische wereld van het Midden-Oosten en daar moet dit ‘kind’ zich nu weer mee verbinden.
Anders zal het ten gronde gaan.
Het heeft de scherp onderscheidende kracht van het dualisme nodig opdat zijn nieuwe eenheid in leven zou blijven in plaats van te verstarren tot een dode schijneenheid.
Hoe die schijneenheid eruitziet toont ons de ene koran.
Hoe de levende eenheid eruitziet toont ons de dubbele bijbel.