Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: dubbelganger

Adriaen Brouwer (15)

  

Toen ik voor de tweede keer naar Adriaen Brouwer ging kijken, was het Allerzielen. De zon scheen stralend en onderweg naar Oudenaarde keek ik mijn ogen uit naar de grijsbruine herstkleuren met hun stralend gele en gloeiend rode accenten. Opeens viel het me in: dit zijn precies de kleuren waarmee Brouwer schildert! Hij is een bij uitstek ‘herfstige’ schilder. Zijn werk vertoont de typische transparantie die de natuur krijgt in november: de bomen verliezen hun bladeren en je kunt overal doorheen kijken. Zo kijkt ook Scorpio naar de wereld: niets blijft verborgen voor zijn doordringende blik. Zoals hij de natuur uitkleedt, zo kleedt ook Brouwer de mens uit: hij zet hem in zijn hemd. Dat levert ontluisterende beelden op, maar doet tevens een mysterieuze schoonheid verschijnen: de schoonheid van de stervende ziel die zich losmaakt uit het lichaam en zich hult in louter kleuren. Zoals de aarde een beetje zon wordt als gele en rode bladeren haar bedekken, zo heeft ook de herfstige wereld van Adriaen Brouwer zonnekwaliteiten.

Natuurlijk heeft Scorpio ook een duistere kant: de kille, door merg en been gaande natheid van de herfst, die onder je huid kruipt en waartegen je je niet kunt verweren. Dat aspect wordt bij Brouwer zichtbaar in zijn gore kroegen, maar ook in de onheilspellende figuren die er zich in verbergen. Soms dragen ze een masker, soms hebben ze een dierenkop. Lugubere schimmen zijn het, echte dubbelgangersfiguren. Vreemd genoeg merk je hun aanwezigheid niet op, evenmin als het feit dat Brouwer sommige andere figuren ‘verminkt’: ze missen een arm, een been, een hand of zelfs een hele onderkant. Heel bizar. Waarom zou hij dat doen? Eén ding is zeker: Brouwer weet de onheilspellende Schorpioen heel goed te camoufleren. Ook dat hoort bij dit teken: camoufleren en verbergen is zijn tweede natuur, de keerzijde van zijn transparantie. Niemand komt op het idee iets te zoeken achter Brouwers transparante schilderijen. Wat zouden ze kunnen verbergen? Tonen ze de mens niet juist zoals hij is, zonder masker, onopgesmukt?

Het duurt een tijdje voor je in dit werk het dubbele karakter van het novemberteken ontdekt: de lage schorpioenkant en de verheven adelaarskant. Hoever beide tegenpolen ook uit elkaar liggen, Brouwer slaagt erin ze te verenigen en daardoor onzichtbaar te maken. De duistere dubbelgangersfiguren en vreemde verminkingen blijven onopgemerkt. Niemand voelt de dreiging van de Schorpioen, wel integendeel, het is een vrolijke boel bij Brouwer. Maar niemand merkt ook iets van de verheven inzichten van de adelaar. Geen mens zoekt iets diepzinnigs in het werk van deze drinkebroer, deze nar, deze Tijl Uylenspieghel. Wellicht is dat de reden waarom zijn werk in de vergetelheid is geraakt: men vindt Brouwer veel te gewoon, veel te oppervlakkig. Hij is een humoristische noot in de kunstgeschiedenis, meer niet. Groter vergissing kan men natuurlijk niet maken. Als er ooit een ‘occulte’ schilder is geweest – in alle betekenissen van het woord – dan wel Adriaen Brouwer.

Die ‘verborgen’ dimensie beperkt zich niet tot zijn schilderijen en zijn leven. Ze strekt zich ook uit tot de kijker. Mijn eerste bezoek aan de tentoonstelling verliep onder de auspiciën van Michaël: een heerlijke nazomer, een verkwikkende fietstocht, een rustig museum – wat wil een mens nog meer! Maar na mijn tweede bezoek werd ik geconfronteerd met de keerzijde, met de draak zeg maar. Toen ik de tentoonstelling verliet, weerklonk er door het hele stadhuis een kabaal alsof er beneden een fuif aan de gang was. De overgang van kunst naar werkelijkheid was bepaald ontnuchterend. De vorige keer had ik het ook al gehoord, maar ik had er geen aandacht aan geschonken, vol als ik was van mijn eerste ontmoeting met Brouwer. Het lawaai bleek afkomstig van de ‘educatieve voorstelling’ op het gelijkvloers: in een met glas afgeschermde ruimte werden de schilderijen van Brouwer, enorm uitvergroot, op de muren geprojecteerd terwijl uit de boxen een met muziek afgewisselde uiteenzetting over leven en werk van de schilder schalde. 

Ik wilde dit audiovisuele inferno snel passeren, toen ik aangesproken werd door een keurige mevrouw van de organisatie die me vroeg of ik de presentatie al had gezien. Nee, antwoordde ik naar waarheid. Of ik niet geïnteresseerd was? Toch wel mevrouw, maar mijn zenuwen zijn niet bestand tegen zoveel decibels. Dat leek op haar geen enkele indruk te maken, en dus vroeg ik: waarom staat dat geluid eigenlijk zo hard? O, antwoordde ze, enigszins verrast omdat ik dat zelf niet had kunnen bedenken: dat is voor de slechthorenden! Die had ik niet zien komen, en ik stond even met mijn mond vol tanden. En de goedhorenden, vroeg ik, moeten zij dan maar watten in hun oren stoppen? Daar kon ze niet om lachen. Wij willen ook de slechthorenden de gelegenheid bieden om kennis te maken met Adriaen Brouwer, zei ze een beetje bits. Het klonk alsof ze me een auditieve racist vond, en ik slikte gauw mijn volgende vraag in: en hoe zit het eigenlijk met de slechtzienden, wordt er voor hen ook iets gedaan? 

Was het dit soort domheid waarvoor Adriaen Brouwer wegvluchtte in zijn kroegen, buiten het bereik van ’s werelds ydel goet? Werd ook hij geconfronteerd met de morele schone schijn van zijn tijd en zocht hij daarom het gezelschap van deplorables die lak hadden aan de 17de eeuwse politieke correctheid? Blijkbaar is die schaduw hem gevolgd tot in de 21ste eeuw, want het lawaai in het museum en het gekakel van de audiogids lijken Brouwer nog altijd het zwijgen te willen opleggen. Deze schilder spreekt in stille herfstbeelden, in een taal die onhoorbaar is door het luide gesnater en getater van onze tijd. De moderne mens is als de dood voor de stilte waarin beelden beginnen spreken. Hij is bang voor hun fluisterende stem, die spreekt van een heel andere wereld dan waar de woorden over toeteren, de luidruchtige, geleerde, abstracte woorden die ons van ’s morgens tot ’s avonds omringen, als een cordon sanitaire dat ons moet beschermen tegen wat beelden ons willen vertellen.

We leven in een herfstige wereld, een wereld die steeds donkerder wordt. De beschaving verliest haar bladeren, de doodskrachten rukken op. Het zijn apocalyptische tijden, vol dreiging, verminking en ontbinding. Echte Scorpio-tijden. Maar apocalyps betekent ook openbaring: er wordt in onze tijd een mysterie zichtbaar dat gekend wil worden. Het spreekt met stille stem, in beelden die doorzien willen worden, zoals de beelden van Adriaen Brouwer. Ze lijken trouwens in elkaar over te gaan: de beelden van Brouwer en de beelden van onze tijd. In de prachtige raadzaal van een prachtig stadhuis hingen in gouden lijsten de meest ontluisterende kroegtaferelen die een kunstenaar ooit geschilderd heeft. Is dat geen sprekend beeld van onze moderne wereld? Nooit was er zoveel rijkdom, nooit was er zoveel pracht, maar al dat bladgoud verbergt een wereld die tot een gore kroeg is geworden waar de mens zich overgeeft aan zijn dierlijke driften en zijn bewustzijn verdooft met drank en drugs.

Maar ook het omgekeerde is waar. Zoals de vuile, stinkende kroegen van Brouwer een diep mysterie verbergen, zo verbergt ook onze vuile, stinkende, moderne wereld een onvermoed geheim, een kerstgeheim. De stal waarin destijds het Jezuskind werd geboren, bevond zich in een donkere grot waar mensen zich in vroeger tijden hadden overgegeven aan hun laagste driften en hun menselijkheid helemaal verdoofd hadden. Uitgerekend op die duistere plek werd het nieuwe licht ontstoken, zoals ook onze eigen duistere wereld het toneel is van de wederkomst van Christus. In onze apocalyptische tijd wil iets heel groots zich openbaren, maar het doet dat heel klein en heel stil, voor de mensen van goede wil, die de stem van hun hart niet laten overstemmen door het kabaal van degenen die niet willen zien. Zoals in de grot van Bethlehem een ziel werd geboren die nooit eerder op aarde was geweest, zo dook in Oudenaarde een schilder op die nog nooit een tentoonstelling had gekregen. 

Adriaen Brouwer onthult het wezen van onze tijd, een wezen waar wij niet durven naar kijken omdat het zo lelijk, zo duister en zo laag-tegen-de-grond is, maar ook – en misschien zelfs vooral – omdat het zo mooi, zo mysterieus en zo verheven is. Zoals de kunstwetenschap al eeuwenlang de neus ophaalt voor de boertige taferelen van Brouwer, zo is de moderne mens vol afkeer en morele verontwaardiging over de laagheid van zijn tijd. Maar juist daardoor blijft hij blind voor het genie dat zich uitdrukt in de beelden van die tijd. De verborgen, geestelijke dimensie van de wereld was nooit zo dichtbij en toegankelijk als vandaag. Net als de schilderijen van Brouwer vergen haar beelden geen bijzondere kennis, het volstaat om er met ons hart naar te luisteren. Maar daar ligt juist het probleem. Niet alleen is het bijzonder pijnlijk om ons hart open te stellen voor de ‘kwetsende’ beelden van onze tijd, er staat ook een legioen moraalridders klaar om iedere uiting van ons hart neer te sabelen en ons aan het kruis te nagelen als misdadigers. 

In zo’n hart-vijandige wereld is het werk van Adriaen Brouwer als een godsgeschenk. Zonder angst voor lijf of ledematen kunnen we hier ons hart laten spreken. Alleen en van geen mens gestoord kunnen we een gesprek op gang brengen tussen hoofd en hart. Daarvoor moeten we ons wel afschermen van het-lawaai-dat-uit-de-kelder-komt en van gidsen allerhande die in onze plaats willen spreken. We moeten ons weerloze hart verdedigen, zowel tegen de wilde driften als tegen het arrogante intellect. Maar dat is lang niet zo’n onmogelijke strijd als in het gewone leven. Kunst is tenslotte schijn en geen werkelijkheid. Het is echter wel ware schijn. Wat we in de kunst leren – het lezen van beelden – kunnen we daarna ook toepassen op de realiteit. De kloof tussen beide is weliswaar diep, maar in Adriaen Brouwer hebben we een bruggenbouwer van formaat. Zijn stille stem heeft een grensoverschrijdend karakter: ze klinkt niet alleen over de eeuwen heen, ze klinkt ook tot ver buiten de gouden lijsten van zijn kunst.

Ik vernam die stem reeds nog voor ik de tentoonstelling gezien had. Hoe merkwaardig was het niet dat Adriaen Brouwer na 400 jaar opeens opdook, en dan nog wel vlak naast mijn deur, kort nadat ik in zijn geboortestreek was komen wonen. Dat was nog eens een welkomstgeschenk! Mijn hart sprong op en ik begon de maanden af te tellen. Het stond meteen vast dat ik er met de fiets naartoe zou gaan, in alle rust en stilte, langs de Schelde, tussen de eerste ritselende herfstbladeren. Ik besefte nog niet hoe goed die beelden pasten bij het werk dat ik nog moest zien. En er waren nog meer beelden: de Walburgakerk die al van ver te zien was, de grote markt met haar fontein, het stadhuis als een reliekschrijn, de moderne beeldenstorm die binnenin had plaatsgevonden, de beide boeken die ter gelegenheid van de tentoonstelling verschenen waren, het codeklavier naast de toegangsdeur, de kist met het ingewikkelde beveiligingsmechanisme, de twee portretten van Lievens en Van Dijck, de drie handtekeningen …

Uit dat alles klonk reeds de stem van Adriaen Brouwer nog voor ik hem had gezien. Maar dat realiseerde ik me pas achteraf, nadat zich in mijn gedachten een gesprek ontsponnen had met een man die al vierhonderd jaar dood was, maar wiens geest nog volop leefde en erom vroeg begrepen te worden. In de weken die volgden leerde ik de taal van Brouwers beelden begrijpen. En het waren niet alleen geschilderde beelden. Zo werd ik tijdens mijn ‘taallessen’ drie keer kort na elkaar opgeschrikt door een luide bons. Er was een vogel tegen het raam gevlogen. De eerste overleefde het niet, de twee andere lagen op hun buik met opengesperde bek te hijgen maar waren een uur later alweer verdwenen. Ik stond er niet bij stil, ik legde geen verband tussen buiten en binnen. Dat begon ik pas te doen toen mijn computer opeens uitviel, vlak nadat ik een bericht had geplaatst over de hond op de Gentse boekentoren. Toen begon ik mijn aandacht ook te richten op wat er buiten de schilderijen gebeurde.

De reële beelden bleken echter veel moeilijker te lezen dan de kunstzinnige beelden. Ik zag wel een verband tussen Ahriman en die hond, en misschien stond die dode vogel wel voor Lucifer, maar wat hadden ze met Brouwer te maken? Technisch werkloos zijnde, ging ik dan maar een eindje wandelen. Zoals zo vaak voerde mijn wandeling me naar Dikkele, het stilste dorp in de buurt. Tot mijn ontzetting klonk er dit keer echter luide muziek door de straten. Arbeiders waren een huis aan het verbouwen en dat kon uiteraard niet zonder assistentie van een radio die de tere herfststilte brutaal aan flarden scheurde. Ik haastte me verder en sloeg de hoek om. Daar was het kerkje van Dikkele al, omringd door zijn zwijgende doden. Maar tot mijn verbazing klonk ook daar luide muziek: iemand was het orgel aan het bespelen. Het moest een flink uit de kluiten gewassen instrument zijn, want het dreunde door de hele straat. Eens gaan luisteren, dacht ik. Maar ik morrelde vergeefs aan de kerkdeur. De organist wilde niet gestoord worden.

Ik vervolgde mijn weg en bereikte de rand van het dorp. Alle gerucht was nu verdwenen, je kon de bladeren horen vallen. Ik passeerde een keurig gerestaureerd boerderijtje en wierp er een jaloerse blik op: hier te wonen! Toen zag ik de hond. Opgewonden liep hij achter de haag heen en weer, zijn uiterste best doend om me de stuipen op het lijf te jagen. Maar dat lukte niet, want uit zijn keel klonk alleen wat amechtig gekuch. Dat ik dat nog mocht meemaken: een hese hond! Gewoonlijk zijn het vervaarlijke monsters die ik tijdens mijn wandelingen tegenkom, schuimbekkend van razernij en oorverdovend blaffend. Wat had dit allemaal te betekenen? Waar anders diepe stilte heerste, klonk nu lawaai, waar anders oorverdovend geblaf klonk, was nu alleen wat gekuch te horen. Het leek de omgekeerde wereld wel. Was dat een gevolg van mijn taallessen, van mijn pogingen om de beelden van Brouwer te begrijpen? Ik wist het niet. Ik kon alleen maar ijverig voort studeren, want de wereld telt meer beelden dan Brouwer ooit kon schilderen. 

 

Advertenties

Antroposofie en karmabewustzijn (10)

  

Ik herinner me nog … Zo beginnen veel verhalen van oude mensen. Hun toekomst wordt steeds kleiner en daarom wenden ze zich naar het verleden. Paradoxaal genoeg is deze terugblik tegelijk een voorbereiding op de toekomst, want na hun dood zullen ze zich pas echt met hun voorbije leven gaan bezighouden. Ze zullen het helemaal opnieuw bekijken en beleven, maar dit keer als buitenstaander, als een kunstcriticus die een schilderij beoordeelt. Het is echter wel hun eigen ‘schilderij’ dat ze bekijken, hun eigen levenskunstwerk. Je kunt het vergelijken met het moment waarop een leerling een werkstuk voltooid heeft en de leraar zegt: laten we dat nu eens samen bekijken! Hij wijst de leerling op fouten waarvan hij zich geen rekenschap gaf, maar ook op kwaliteiten waarvan hij zich niet bewust was. Op die manier – onder deskundige leiding – vormt de mens zich na zijn dood langzaam een objectief oordeel over zijn leven. Tegelijk groeit in hem het verlangen om het opnieuw te proberen.

Voor jonge mensen is het heel moeilijk om naar hun eigen leven te kijken. Je kunt nu eenmaal niet kunstenaar en criticus tegelijk zijn. Het scherpe oordeelsvermogen van de criticus verlamt het scheppingsvermogen van de kunstenaar, en omgekeerd. Een kunstwerk kan pas beoordeeld worden wanneer het af is. Met het levenskunstwerk is dat pas het geval na de dood. De teerlingen zijn dan geworpen, er valt niks meer te veranderen, en de mens kan eindelijk afstand nemen van zijn leven. Maar dat alles kondigt zich reeds tijdens de ouderdom aan. Herinneringen duiken op en vragen om aandacht. Steeds weer schuiven ze aan het innerlijk oog voorbij en willen gezien worden. Zonder het te beseffen bereiden oude mensen zich voor op het grote karma-onderzoek dat hen ‘aan gene zijde’ te wachten staat. Ze zullen hun leven daar grondig analyseren, niet enkel met een scherp oordelend verstand, maar ook met een intens meelevend hart. Beide zullen daar tot één enkel vermogen worden. 

Dit post-mortemvermogen heeft de moderne mens steeds meer reeds tijdens zijn leven nodig. Het louter verstandelijke oordeelsvermogen is niet langer opgewassen tegen de complexe problemen van onze tijd, en het emotioneel reagerende hart spreekt zichzelf voortdurend tegen en veroorzaakt chaos en verwarring. Karma-onderzoek dringt zich op. Het is de enige manier waarop de mens nog kan voorkomen dat hij het noorden verliest, en dat is nu toch wel duidelijk aan het gebeuren. Je zou kunnen zeggen dat we terug naar de (menselijke) natuur moeten, maar dit keer op een veel bewustere manier. Het karmaonderzoek waar de ouderdom ons op een natuurlijke, instinctieve en dromerige manier toe brengt, moeten we wakker en doelbewust opnemen. Dat is trouwens waar Rudolf Steiner steeds weer toe oproept: wakker worden. Het is zeker geen toeval dat hij karmaonderzoek in verband brengt met het voortbestaan van de beschaving. Het gaat om de redding van de ziel …

Maar genoeg theorie, laat ik de daad eens bij het woord voegen. Ik herinner me nog … de voorstelling in Den Haag van de vertaling van Hans Peter van Manens Christussucher und Michaëldiener. We waren de stad binnengereden door onder een mastodontisch gebouw een tunnel in te duiken en ik had het gevoel opgeslokt te worden door een groot monster. Toen we weer bovenkwamen bleek Den Haag het toneel van een grote marathonloop en het was geen sinecure om de overkant van de straat te bereiken. Als ik daar nu aan terugdenk, waren het stuk voor stuk beelden die een aspect van het zielenthema illustreerden. Dit thema heeft veel weg van een marathon: er lijkt geen eind aan te komen. Tegelijk is het een ontmoeting met de dubbelganger: je zit in de ingewanden van een monster en zoekt de uitweg uit dat labyrint. En wie aan karmaonderzoek doet, probeert ‘de overkant’ te bereiken. Maar daar dacht ik toen allemaal niet aan. Ik keek vooruit. Mijn vertaling was net verschenen en ik was vol goede hoop.

IJdele hoop, zo zou blijken, en ik had het kunnen weten. Het grote, statige gebouw aan de Riouwstraat – het hoofdkwartier van de antroposofische vereniging in De Haag – maakte van binnen een uitgeleefde indruk. Nu ja, dat krijg je met gebouwen die echt gebruikt worden. Maar wat me pijnlijk trof, was dat ergens verloren in een donkere gang, op een sokkel die ieder moment omver kon worden gelopen, het bronzen portret stond van Willem Zeylmans van Emmichoven. Ik kende dat portret toevallig – in Gent hebben ze ook een exemplaar – anders had ik misschien niet geweten wie het voorstelde. Ik kende ook de maker, de Antwerpse beeldhouwer René Smits, die me wel eens verteld had over zijn gesprekken met Willem Zeylmans terwijl hij poseerde. Zeylmans was niet de eerste de beste: oprichter van de antroposofische vereniging in Nederland en naaste medewerker van Rudolf Steiner. Bovendien was hij een medestander van Ita Wegman en een onvermoeibaar propagandist van de Weihnachtstagung

Ik vond dat zo’n man beter verdiende. Nu ik eraan terugdenk komt de gedachte in me op dat de verwaarlozing van zijn portret wel eens een beeld zou kunnen geweest zijn van een veel grotere verwaarlozing: die van de Weihnachtstagung en het karmabewustzijn. Intussen heb ik vernomen dat het huis aan de Riouwstraat helemaal gerenoveerd is. Het heeft ook een nieuwe naam gekregen: het Elisabeth Vreedehuis. En in Dornach wordt geijverd voor de officiële rehabilitatie van Ita Wegman en Elisabeth Vreede. Allemaal heel mooi, zij het wel rijkelijk laat, want binnenkort zal het 100 jaar geleden zijn dat beide (door Rudolf Steiner zelf gekozen) vrouwen uit de Vorstand werden gezet. Wat ik me echter afvraag: wat is er gebeurd met dat portret van Willem Zeylmans? Heeft het eindelijk de ereplaats gekregen die het verdient, of is het in de kelder terechtgekomen? Dat laatste zou wel een veeg teken zijn, want het is ook het lot van het karmabewustzijn. 

Die beelden zijn natuurlijk bijkomstigheden waar doorgaans geen aandacht wordt aan geschonken. Maar volgens Rudolf Steiner vormen juist die bijkomstigheden – imponderabiliën noemt hij het – de sleutel tot het karma. God verbergt zich in de details. Heeft men dit detail – het portret van Willem Zeylmans – over het hoofd gezien bij de herinrichting van het huis aan de Riouwstraat? Ik hoop van niet, maar ik vrees ervoor. Ik heb net een petitie getekend voor de rehabilitatie van Ita Wegman en Elisabeth Vreede, en het verbaasde me dat zoiets überhaupt nodig was. Spreekt het niet vanzelf dat men de fouten uit het verleden probeert te herstellen? Maar als de dubbelganger er zich mee moeit, is niets nog vanzelfsprekend. Wie hem eens aan het werk wil zien, moet het fameuze ‘Denkschrift’ lezen dat de inleiding vormde tot die uitsluitingen van 1935. Het is opgenomen in het 3de deel van ‘Wer war Ita Wegman‘, de inmiddels 25 jaar oude poging tot rehabilitatie van Ita Wegman door Emanuel Zeylmans, zoon van Willem Zeylmans. 

Dit ‘Denkschrift’ heeft zelfs iemand als Friedrich Rittelmeyer om de tuin geleid. Dubbelgangers zijn dan ook doortrapte wezens. Ze gaan ongeveer als volgt te werk. Hun doel is macht en dus beschuldigen ze mensen ervan … de macht te willen grijpen. Verdedigen die mensen zich en zeggen ze dat het precies omgekeerd is, dan reageert de dubbelganger verontwaardigd: ze willen de macht grijpen en wie zich daartegen verzet beschuldigen ze ervan … de macht te willen grijpen! Resultaat: twee partijen die elkaar van exact hetzelfde beschuldigen en niemand die nog weet wie gelijk heeft. Want hoe kom je achter de waarheid? Door de feiten te controleren. Maar wat als je die feiten niet kent en moet voortgaan op wat anderen vertellen? Hoe weet je of hun weergave van de feiten juist is? Dit is gewoonlijk het punt waarop men partij kiest voor de mensen die men persoonlijk kent. Toen het ‘Denkschrift’ verscheen kenden weinig mensen de ware toedracht van de zaak, en dus kozen ze partij. Zo raakte de antroposofische vereniging verdeeld in twee kampen.

Vandaag blijft er niemand meer over die de feiten uit eerste hand kent. We zijn helemaal aangewezen op geschreven verslagen, verhalen en getuigenissen. Emanuel Zeylmans heeft duizenden documenten bestudeerd en is tot de conclusie gekomen dat Ita Wegman ten onrechte gedemoniseerd werd. Maar hij is de zoon van Willem Zeylmans en die was een overtuigd medestander van Ita Wegman. Hoe kunnen we weten of hij zich daar niet door heeft laten beïnvloeden? En dan is er nog iets. Als hij gelijk heeft en Ita Wegman ten onrechte werd uitgesloten, dan betekent dat dat haar opponente, Marie von Sivers, ongelijk had en nog geen klein beetje. Wie leest hoe ze tekeer ging tegen Ita Wegman kan niet anders dan concluderen dat ze haar verstand verloren had. Maar ze was de vrouw van Rudolf Steiner! Bovendien was het ‘Denkschrift’ ondertekend door 12 vooraanstaande antroposofen en was er een overweldigende meerderheid vóór de uitsluitingen. Hadden al die mensen dan hun verstand verloren?

Als de dubbelganger in het spel is, ontstaat er een kluwen waar zelfs een kat haar jongen niet meer in terugvindt. Waarheid en leugen vallen niet meer van elkaar te onderscheiden, tenzij door het hart. On ne voit bien qu’avec le coeur. Maar het moet dan wel een bijzonder sterk hart zijn, een hart dat zich niet laat verblinden door emoties en dat even helder kan onderscheiden als het hoofd. Om zo’n ‘wakker’ hart te ontwikkelen zijn er geen betere manieren dan kunst- en karmaonderzoek. Die twee komen trouwens op hetzelfde neer, want karma is een kunst, de grootste die er is. Er gaat dan ook veel tijd overheen om op dit gebied helderheid te krijgen. Ars longa vita brevis, en dat geldt zowel voor het scheppen als voor het beoordelen. Na bijna 100 jaar is nu wel duidelijk geworden dat de uitsluitingen van 1935 onterecht waren. Daar kunnen tal van argumenten voor aangevoerd worden, maar uiteindelijk is het toch het hart dat oordeelt: je voelt dat het ‘Denkschrift’ grondig fout zit, je voelt dat vader en zoon Zeylmans het bij het rechte eind hadden. 

Maar daarmee is het probleem niet opgelost. Tijd en karma hebben wel hun werk gedaan, maar het onze moet nog beginnen: we moeten dat karma leren begrijpen, we moeten voorkomen dat het zich herhaalt. Want dat laatste gebeurt nog altijd: er worden nog altijd mensen uitgesloten, zonder dat we ons daar bewust van zijn. Waar zijn de miljoenen die volgens Rudolf Steiner voorbestemd waren om antroposoof te worden? Het aantal leden van de antroposofische vereniging blijft maar dalen, en de gemiddelde leeftijd blijft maar stijgen. Hoe kan zo’n ‘verschrompelende’ antroposofie iets betekenen voor de ontelbaren die nood hebben aan haar inzichten? Ze worden weggejaagd door de antroposofische dubbelganger, het onzichtbare wezen waarvan antroposofen zich niet (of veel te weinig) bewust zijn. Daarom is karmaonderzoek dringender dan ooit. Het eigen antroposofische karma moet onderzocht worden, met name dan het karma van de uitsluitingen van 1935, want toen dook de dubbelganger reuzengroot op. 

Lichtbaken (19)

  

Ik herinner mij nog altijd het moment dat mijn leraar me op de karikatuur wees. Ik moet een jaar of 15 zijn geweest. Hij had gezien dat ik in een doodlopend straatje was terechtgekomen en greep in. Je tekent uitstekend, zei hij, maar het blijft allemaal nogal braaf, er ontbreekt ‘leven’ aan. Je zou eens moeten proberen om het specifieke van iemand naar voor te halen, zoals dat in een karikatuur gebeurt. En hij tekende een vierkant, een cirkel en een driehoek waarin hij vervolgens een gezicht tekende: drie smiley’s avant la lettre. Snap je? zei hij. Ik snapte het. Meer hoefde hij niet te vertellen. Vanaf dat moment begon ik karikaturen te tekenen met een hartstocht waarvan hij later (monkelend) zou zeggen: had ik dát geweten …! Het was alsof hij olie had aangeboord: het spoot eruit, er was geen tegenhouden aan. Maar het werkte: door karikaturen te tekenen ontwikkelde ik de beweeglijkheid, de levendigheid en de expressiekracht die in mijn ‘ernstige’ tekeningen ontbraken. Tekenen werd een spel, en de brandstof was … pure vernietigingskracht. Uit de diepten van mijn wil kwam iets naar boven dat zwart was als de nacht.  

Ik nam het mensen vreselijk kwalijk dat ze zo lelijk waren, dat ze zo diep ‘gevallen’ waren (uiterlijk gezien dan). Mijn autistische bewustzijn bevond zich meer buiten dan in mijn lichaam en daardoor had ik een sterkere beleving van het Ik (van anderen) dan normaal. Volgens Rudolf Steiner leeft het Ik immers niet in maar rondom de mens. Zonder het te beseffen, werd ik het enorme verschil gewaar tussen het geestelijke wezen van de mens en diens fysieke verschijning. En die tegenstelling kon ik niet verteren. Ze een diepe weerzin in me , een woede waarvan ik me niet bewust was en die ik instinctief onderdrukte. Samen met die woede onderdrukte ik echter ook mezelf: ik kon niet zijn wie ik was, ik wist niet eens wie ik was. Door karikaturen te tekenen werd die ban gebroken: ik had een manier gevonden om uiting te geven aan mijn weerzin en tegelijk ook aan mezelf. In mijn tekeningen kon ik mijn afschuw botvieren want ze werd in toom gehouden door mijn tekentechniek. Dat moest wel, want het had geen zin om mensen af te beelden als monsters als ze niet op die monsters leken. 

Wat ik wilde, was mensen confronteren met hun dubbelganger en dat lukte alleen als ze er zichzelf in herkenden. Het was niet moeilijk om monsters te tekenen, maar dubbelgangers werden het pas als mensen niet anders konden dan toegeven: ja, dat ben ik! En dat was precies wat ik beoogde. Ik wilde hen als het ware dwingen hun ‘gevallen’ toestand onder ogen te zien. Of juister: mijn eigen dubbelganger wilde dat. Hij was het die mensen in het stof wilde zien kruipen en erkennen dat ze afzichtelijke wezens waren. Maar ik hield hem in toom. Ik gebruikte mijn tekeningen nooit om mensen te vernederen of te choqueren. Ik tekende hen stiekem en liet het resultaat alleen zien als ze erom vroegen. Ik was me maar al te zeer bewust van mijn eigen aandeel in de zaak: als ik mensen (een glimp van) hún dubbelganger liet zien, liet ik hen tegelijk ook de mijne zien, en daar schaamde ik me voor. Maar het belette me niet om – in mijn eentje – volop te genieten van het ‘vernietigen’ van mensen, van het uitoefenen van macht over hun Ik (waar ik me, als autist, zo zwaar door geïntimideerd voelde).

Ik gaf mijn dubbelganger dus de vrije teugel. Hij kon – binnen de grenzen van mijn tekening – razen en tekeer gaan zoveel hij wilde. Ik legde hem geen strobreed in de weg. Dit botvieren van mijn laagste driften was echter niet de reden waarom ik karikaturen tekende. Het was slechts een middel om mijn doel te bereiken, en dat was: betere tekeningen maken. Dat is trouwens altijd het doel van de kunstenaar: beter worden. Wie niet langer probeert beter te worden, houdt op kunstenaar te zijn. Hij houdt ook op mens te zijn, want is dit onophoudelijke streven om zich te verbeteren niet juist wat een mens tot mens maakt? Toen enkele jongeren ooit aan Rudolf Steiner vroegen wat ze hic et nunc konden doen, antwoordde hij: doe wat je doet, en probeer het beter te doen! Bondiger heeft hij het (kunstzinnige) wezen van de antroposofie nooit uitgedrukt. De antroposofie is geen doel op zich, ze is slechts een middel om beter mens te worden. En centraal in dat middel staat momenteel de confrontatie met de dubbelganger, de omgang met het kwaad. Dat is de grote opgave van de mens van deze tijd.

Je zou dan ook kunnen zeggen dat de hele antroposofie niets anders is dan een voorbereiding op deze confrontatie met het kwaad, een voorbereiding op de beslissende geestelijke strijd die vandaag aan de gang is en het hele wereldgebeuren bepaalt. Rudolf Steiner vertelde aan het eind van zijn leven dat de hele antroposofische arbeid niets anders was dan een voorbereiding op het eind van de 20ste eeuw. Dan zouden, zei hij, de grote platonici voor het eerst sinds eeuwen weer op aarde zijn en moesten ze samenwerken met de aristotelische antroposofen. Wat hij er niet bij vertelde (maar wat je uit andere uitspraken kon opmaken) was dat op datzelfde moment het Beest uit de duistere diepten van de aarde zou oprijzen. De confrontatie met dit apocalyptische kwaad zou de mens alleen aankunnen als hij erop voorbereid was en daarvoor moest de antroposofie zorgen. Het kloppende hart van die voorbereiding was de samenwerking tussen oude en jonge zielen, tussen platonici en aristotelici. Zij moest het kader vormen waarbinnen het Beest zijn duivels kon ontbinden zonder (al te) veel schade aan te richten.

Toen ik karikaturen begon tekenen, ging ik de confrontatie aan met het beest in mezelf. Ik was daar goed op voorbereid want ik had leren tekenen onder leiding van een man die met zijn nuchtere, bijna wetenschappelijke aanpak zowat de tegenpool was van de dromerige oude ziel die ik zelf was. Zijn ‘aristotelische’ manier van werken was me vreemd, maar ik gedijde in de sfeer van helderheid en vrijheid die in zijn klas heerste. Binnen het strikte kader dat hij creërde liet hij me vrij mijn gang gaan en toen hij merkte dat er verstarring optrad, stimuleerde hij mijn Spieltrieb door me op de karikatuur te wijzen. Dat hij tevens duistere krachten in me aanboorde, kon hij niet vermoeden. Hij deed alleen wat noodzakelijk was om van mij een betere tekenaar te maken. Daar ging het om, de rest was niet belangrijk. In de kunst wordt alles ondergeschikt gemaakt aan de kunst, ook duistere krachten van het kwaad. De kunst gebruikt alles wat ze aantreft – zowel wat onder de luciferische Formtrieb valt als wat onder de ahrimaanse Stofftrieb valt – en zelf laat ze zich nergens door gebruiken. 

De vormkrachten die ik aan de academie ontwikkeld had (door nauwgezet en gedisciplineerd dode vormen te tekenen) bleken bestand tegen het geweld van de vernietigingskrachten die in me ‘ontketend’ werden: de ‘monsters’ die ik tekende waren gelijkend. De ontketende vernietigingskrachten spoorden me op hun beurt aan om mijn vormkrachten verder te ontwikkelen, want hoe meer ruimte die duistere krachten kregen, des te sterker werden ze. Er school – zeker voor een autist – een intens genot in het gevoel van macht dat de karikatuur me verleende, en daar wilde ik steeds meer van: alle Lust will Ewigkeit, tiefe, tiefe Ewigkeit. Op die manier – door het (gecontroleerde) wisselspel tussen Lucifer en Ahriman – werden mijn karikaturen langzaam beter, werd ik een betere tekenaar. Hoewel het hard werk bleef – ik kreeg er altijd grote honger van – werd tekenen steeds meer een spel. En zo hoort het ook: kunst is in wezen een spel, een ernstig spel. Uiteindelijk ging het om de kunstzinnige kwaliteit van mijn karikaturen. De vreugde die ik daaraan beleefde deed het genot van macht en vernietiging verbleken. 

Dit streven naar (de vreugde van de) verbetering bracht ongemerkt een transformatie op gang. Door de jarenlange ‘training’ werden mijn vormkrachten sterk en beweeglijk genoeg om op een gegeven moment de stap te zetten naar het tekenen (van karikaturen) om den brode. Dat diende in het openbaar te gebeuren want ik had (en heb) er een ontzettende hekel aan om naar foto’s te werken. Ik moest me dus blootstellen aan de oordelende blikken (of woorden) van de omstaanders, en dat waren opnieuw ‘vernietigende’ krachten. Maar ik bleek ertegen bestand (en voor een autist wil dat heel wat zeggen). Terwijl mijn vormkrachten opschoven in de richting van het spel, deden mijn vernietigingskrachten precies hetzelfde. Mede door het feit dat ik alleen mensen tekende die dat echt wilden en alles dus in een sfeer van vrijheid plaatsvond, verloor mijn dubbelganger (en ook die van mijn model) zijn grimmigheid en kreeg hij amusementswaarde. Men moest er hartelijk om lachen, zoals men ook moet lachen om een klein kind dat zich verschrikkelijk kwaad maakt en wiens engelengezicht verandert in een duivelstronie. 

Noch ikzelf noch de toeschouwers beseften dat door het zichtbaar maken van het dierlijke-in-de-mens ook het geestelijke-in-de-mens zichtbaar wordt en een sfeer van kinderlijke onschuld verspreidt. Die onschuld ontwapent de dubbelganger en maakt hem tot een bron van vreugde. Hoe reëel die ‘ontwapening’ van mijn vernietigingskrachten was, ondervond ik toen kinderen mij om een karikatuur begonnen te vragen. Aanvankelijk weigerde ik dat. Zoiets deed je niet, vond ik. Je bracht het onschuldige wezen van een kind niet in contact met het monsterlijke wezen van de dubbelganger. Bovendien was het, louter tekenkundig, heel moeilijk om niet te zeggen onmogelijk, om de zachtheid van een kindergezicht te bewaren als je er een karikatuur van maakte. Karikaturen verdierlijken én verouderen de mens. Een kind houdt op een kind te zijn als je er een karikatuur van tekent. Was dat niet juist wat me zo kwelde: dat het engelachtige Ik-wezen van de mens ‘viel’ en harde, dierlijke trekken kreeg? En nu zou ik die ‘zondeval’ zelf tot stand brengen? Nee, dat wilde ik niet.

Maar dat was zonder de kinderen gerekend. Ze bleven aandringen. Wil je dan niet liever een gewoon portret? vroeg ik hen. Neenee, het moest zo’n tekening zijn – ze konden het woord ‘karikatuur’ niet eens uitspreken. Tegen kinderen is geen kruid gewassen en dus gaf ik toe: ik begon karikaturen van kinderen te tekenen. Daarmee voorzag ik duidelijk in een behoefte, want algauw zag ik me op feestjes, kermissen, markten en andere plaatsen waar ik mijn kunsten vertoonde, omringd door kinderen die getekend wilden worden en geduldig hun beurt afwachtten, desnoods urenlang. Ik stond ervan te kijken hoe stil en rustig ze waren. Het was alsof deze woelwaters voelden dat er iets bijzonders te gebeuren stond. En eigenlijk was dat ook zo. Als ik een kind tekende, zag ik – of voelde ik – hun Ik tevoorschijn komen als een bloem die openbloeide. Dat was tenminste de indruk die deze ‘bovenzintuiglijke waarneming’ op me maakte. Ik zag dat ook wel bij volwassenen, maar in veel, veel mindere mate. Het was een wonderlijk gebeuren dat me diep ontroerde en dat (af te lezen aan hun gedrag) ook door de kinderen zelf werd waargenomen. 

Als de karikatuur dan klaar was en ik ze toonde, knikten ze heftig maar durfden nauwelijks te kijken. Ze waren nog niet bestand tegen een confrontatie met hun dubbelganger, maar ze hadden wel behoefte aan een beeld van hun Ik. Als ze er zich sterk genoeg voor voelden – zo stelde ik mij voor – zouden ze de tekening uit de omslag halen en een blik werpen in een spiegel die ze nergens anders vonden. Want waar konden ze een waarheidsgetrouw beeld vinden van zichzelf? Wie vertelde hen wie ze werkelijk waren? Aan de ene kant werden ze verwend zoals moderne kinderen verwend worden: alsof het engeltjes waren. Aan de andere kant leerden ze op school dat de mens eigenlijk een dier is en tot duivelse dingen in staat. Hoe moesten ze die twee uitersten aan elkaar knopen? De karikatuur die ik van hen had gemaakt, zou hen – tenminste dat wilde ik graag geloven – tonen dat zoiets mogelijk is, dat de mens zowel een engel als een dier is. Dat hadden ze trouwens tijdens het tekenen reeds ondervonden: ze poseerden als engeltjes, om daarna weer te veranderen in kwajongens en -meisjes. 

De transformatie van duivel(tje) tot engel werd bewerkstelligd door mijn geconcentreerde aandacht. Dat was zeker niet de ‘liefdevolle’ (luciferische) aandacht die ze gewoon waren en evenmin het harde (ahrimaanse) oordeel waaraan ze onderworpen werden. Het was de volstrekt nuchtere, ‘technische’ aandacht voor hun zintuiglijke verschijning, met voorbijgaan aan hun engelachtige aard. Ja, met die verleidelijke engel moest ik het gevecht aangaan, want het is heel moeilijk om afstand te nemen van het kinderlijke, om je er niet aan over te geven. Zonder afstand kun je echter niemand tekenen en dus moest ik al mijn vernietigende krachten inschakelen om die afstand te creëren. Het gevecht met de (luciferische) engel bracht me echter in contact met het Ik van het kind. Het deed dat Ik (even) openbloeien, maar werkte ook in de andere richting. De voortdurende inspanning van mijn vernietigende krachten putte die krachten langzaam maar zeker uit. Door jarenlang karikaturen te tekenen van kinderen verloor ik gaandeweg de behoefte om mensen in monsters te veranderen. 

Mijn dubbelganger beet zich bij wijze van spreken zijn tanden stuk op … kinderen. Tientallen jaren had hij zijn vernietigende krachten kunnen botvieren, zonder dat ik hem ook maar één beperking – tenzij de gelijkenis – had opgelegd. En het resultaat was dat hij onschadelijk werd. Ik liet me bij het tekenen van mensen (nog altijd) volledig gaan, maar dat leverde in toenemende mate tekeningen op die nauwelijks nog karikaturen genoemd konden worden. Het waren gewoon levendige, sprekende portretten geworden. Dubbelganger en Ik waren – zowel in de tekening als in de tekenaar – samengesmolten, en in plaats dat de dubbelganger het Ik had doen ‘vallen’, had hij precies het omgekeerde gedaan: hij had zich door het Ik laten ‘verheffen’, hij had er zich dienstbaar aan gemaakt en het zijn kracht en levendigheid ter beschikking gesteld. Door me op de karikatuur te wijzen had mijn leraar destijds (ongewild) een doos van Pandora geopend. Maar hij had het omwille van de kunst gedaan, en daardoor was die doos veranderd in een schatkist waaruit ik naar believen kon putten. 

Lichtbaken (18)

  

De karikatuur doet ons lachen omdat we (zonder ons dat echt te realiseren) de discrepantie waarnemen tussen het Ik van de geportretteerde en zijn fysieke uiterlijk. Je zou het kunnen vergelijken met een peuter die zijn voetjes in de schoenen van zijn vader of moeder steekt en ermee door het huis klost. Het tafereel is onweerstaanbaar humoristisch omdat het contrast tussen die kinderlijke voetjes en die volwassen schoenen zo groot is. De vergelijking is trouwens treffender dan ze lijkt, want het Ik van de mens verhoudt zich tot diens fysieke lichaam inderdaad als een peuter tot een volwassene. Het fysieke lichaam is het oudste (en meest volmaakte) deel van het menselijk wezen, terwijl het Ik de allerjongste (en nog zeer onvolmaakte) telg is. Dit nog piepjonge Ik draagt geweldige mogelijkheden in zich (die de mens vroeger niet bezat) maar het moet die nog ontwikkelen, het moet nog een verhouding vinden tot dat veel oudere (en veel wijzere) lichaam. De karikatuur maakt deze wanverhouding tussen Ik en lichaam zichtbaar en brengt ons daardoor aan het lachen. Het is een bevrijdende lach omdat we herinnerd worden aan het feit dat we een geestelijk wezen zijn. De karikatuur doorprikt de (in wezen deprimerende) materialistische illusie dat we louter lichaam zijn. 

Maar niet iedereen kan lachen met een karikatuur. Heel wat mensen zijn er als de dood voor en willen onder geen beding getekend worden. Dat kan natuurlijk een kwestie van ijdelheid zijn – niemand wordt graag geconfronteerd met zijn tekortkomingen – maar net als bij het lachen speelt ook hier nog iets anders mee. Doordat de karikatuur een wig drijft in onze waarneming worden twee zaken zichtbaar die we anders nooit te zien krijgen: ons geestelijke wezen en ons aardse wezen. In normale omstandigheden zien we alleen hun mengvorm en daarin zijn geen van beide samenstellende delen nog terug te vinden. Dat is maar best ook, want zo aantrekkelijk als ons geestelijke wezen is, zo onaantrekkelijk is ons aardse, fysieke wezen. Het is namelijk dierlijk van aard. De karikatuur maakt dit (anders onzichtbare) dierlijke wezen zichtbaar en dat is niet meer dan logisch want dieren zijn karikaturen van mensen. Lang geleden zijn ze ontstaan uit eigenschappen die van de mens werden afgesplitst teneinde diens (nog ongeboren) Ik meer ruimte te geven. Die afgesplitste menselijke eigenschappen ontwikkelden zich tot zelfstandige wezens: de dieren. Het dierenrijk zoals we dat nu kennen, is dus een extreme uitvergroting of karikatuur van de mens.

Volgens de moderne wetenschap waren gedomesticeerde dieren (zoals we die bijvoorbeeld op een boerderij aantreffen) in oorsprong wilde dieren die in de loop der tijden door de mens getemd en dienstbaar gemaakt werden. Volgens de antroposofie is het precies omgekeerd. Paarden, koeien, schapen, enzovoort zijn dieren die nog iets bewaard hebben van hun oorspronkelijke vreedzame, aan de mens verwante aard, terwijl de andere dieren verwilderd zijn en zich ver van de mens verwijderd hebben. Als we dat verwilderde dierenrijk konden samenvatten in één enkel dier, dan zouden we een beeld hebben van het dierlijke wezen van de mens. Dat monsterlijke dier maakt deel uit van de mens, want destijds werd slechts een overmaat aan ‘dierlijkheid’ afgesplitst. Er bleef nog genoeg over om de mens parten te spelen en dat ‘overschot’ ontwikkelde zich als een schaduw, een negatief, een dubbelganger van het Ik. Hoe meer dat Ik zich losmaakte uit het geestelijke (moeder)verband, des te meer verwilderde het dierlijke dubbelgangerswezen. Goethe drukte dat lapidair uit: hoe groter geest, hoe groter beest. Het is dan ook geen toeval dat uitgerekend het meest ontwikkelde volk ter wereld – het Duitse – in de vorige eeuw ten prooi viel aan zijn dubbelganger en zich te buiten ging aan beestachtig gedrag.

Het is ook geen toeval dat diezelfde Duitsers vandaag het tegenovergestelde doen en vluchtelingen, migranten en gelukszoekers uit de hele wereld welkom heten in hun land. Dit ‘heilige’ gedrag is een spiegelbeeld van het vroegere ‘beestachtige’ gedrag (en zal waarschijnlijk al even rampzalig blijken te zijn). De Duitsers vormen met dit ‘spiegelgedrag’ trouwens geen uitzondering: meer dan ooit staat de mens voor de opgave om een gulden middenweg te vinden tussen zijn dierlijke en zijn geestelijke wezen. Het eerste is als het ware de bodem waarop hij leeft, het tweede is de kosmos die daarop inwerkt, en de mens is de ‘tuinman’ die beide in een vruchtbaar evenwicht moet houden. Maar om dat evenwicht tot stand te kunnen brengen, moet hij beide tegenspelers eerst van elkaar kunnen onderscheiden, en daar ligt het grote probleem. Niet alleen ziet de moderne, materialistische mens enkel nog hun mengvorm, hij weet ook niet meer dat het een mengvorm is. Onderscheid maken is dus het laatst van zijn gedachten, het druist in tegen zijn beleving van de werkelijkheid die hij als één (want louter materieel) en zeker niet als dubbel ervaart. Dat wordt weerspiegeld door zijn instinctieve verzet tegen alles wat de wereld verdeelt in tegenpolen. 

Dit verzet maakt de moderne mens blind voor de realiteit en dat is in de eerste plaats de realiteit van de drempeloverschrijding: de mensheid maakt weer contact met de geestelijke wereld. Ze ondergaat een inwijding en ontmoet daarbij zowel haar (hogere) geestelijke wezen als haar (lagere) dierlijke wezen. Op wereldschaal is dat geestelijke wezen Christus, het mensheids-Ik, en het dierlijke wezen is het Beest, de dubbelganger van de mensheid. De ontmoeting met deze twee (kosmische) wezens vormt de achtergrond van alles wat vandaag in de wereld gebeurt. En de tragiek is dat de moderne mens niets van deze ontmoeting af weet: ze vindt plaats in zijn onderbewuste. Als gevolg daarvan worden de krachten die van beide grote tegenpolen uitgaan niet onderscheiden en vermengen ze zich ongemerkt. Het gevolg is een toenemende chaotisering van denken, voelen en willen. We herkennen die chaos in de drie grote kwalen van onze tijd: de politieke correctheid, de islam en de hedendaagse kunst. Ze hebben met elkaar gemeen dat de mens de wereld wil redden, maar hem – door gebrek aan onderscheidingsvermogen – de afgrond in jaagt. Hij is enerzijds verblind door (het luciferische beeld van) het hogere Ik en anderzijds wendt hij de blik af van de (ahrimaanse) duisternis van de dubbelganger.

Beide vormen van blindheid – te veel licht, te veel duisternis – herkennen we in de tegengestelde reacties op de karikatuur. De lachers zien vooral het (opwekkende) Ik van de mens, maar verliezen de (dreigende) dubbelganger uit het oog. De afkerigen zien vooral het dierlijke wezen van de mens en vergeten in hun ontzetting dat de mens ook een hoger Ik heeft. Ze bekijken de karikatuur vanuit een diametraal tegenovergesteld standpunt en hebben in die zin allebei gelijk en ongelijk. Het lachen met een karikatuur heeft iets oppervlakkigs in die zin dat de lachers slechts een beeld van het hoger Ik waarnemen, een weerspiegeling ervan in het fysieke lichaam. Het plezier dat ze aan de karikatuur beleven, vormt tegelijk een scherm dat het eigenlijke geestelijke wezen van de mens aan het oog onttrekt. Het is een kortstondig luciferisch genot, een oplichten en weer uitdoven. De afkeer voor een karikatuur heeft dan weer iets ahrimaans: het is een verlammende emotie die de mens belet de dubbelganger nuchter onder ogen te zien. Beide reacties – plezier en afkeer, sympathie en antipathie – zijn gevoelsmatig en als zodanig reeds een vorm van bewustwording, maar tot de eigenlijke waarheid dringen we pas door wanneer we een ‘hoger’ standpunt innemen vanwaar we hun polariteit kunnen zien. 

Maar dan moeten we wel de confrontatie met de dubbelganger aangaan. Het is niet moeilijk om onszelf te herkennen in (het luciferische spiegelbeeld van) ons hoger Ik. We geloven maar al te graag dat we vervuld zijn van liefde en goede wil. Het is echter bijzonder moeilijk om ons ook te herkennen in het dierlijke wezen van onze dubbelganger en in te zien dat er veel meer haat dan liefde in ons leeft (volgens Rudolf Steiner wel honderd keer meer). Er bestaan in de dierenwereld heel wat monsterlijke vormen die ons doen griezelen. Maar omdat we heel goed weten dat we met die gedrochten niks te maken hebben, schuilt er ook genot in dat griezelen. In het geval van onze dubbelganger is er echter geen sprake van genot, wel integendeel. Juist omdat we niet anders kunnen dan toegeven ‘ja, dat ben ik!’, worden we diep geschokt door de ontmoeting met ons dierlijke wezen (dat we in normale omstandigheden nooit te zien krijgen). We zijn daar eigenlijk niet tegen bestand en verdringen deze ontmoeting dan ook uit alle macht. Maar ze is een realiteit, want ieder mens gaat vandaag ‘over de drempel’ en ontmoet daarbij zijn dubbelganger. We kunnen zijn bestaan (gevoelsmatig) niet ontkennen, maar we kunnen het evenmin (bewust) erkennen, en dus projecteren we onze dubbelganger buiten onszelf. 

Niets kenmerkt onze ‘drempeloverschrijdingstijd’ meer dan de vicieuze cirkels die ontstaan wanneer mensen hun dubbelganger op elkaar projecteren. Dit (onbewuste) projecteren is bijzonder besmettelijk, want wie onverhoeds het slachtoffer wordt van zo’n projectie en ervan beschuldigd wordt kwaadaardig te zijn, kan er maar moeilijk aan ontsnappen de beschuldigers op zijn beurt te verdenken van kwade wil. De ene dubbelganger maakt met andere woorden de andere wakker. En wanneer twee dubbelgangers met elkaar in de clinch raken, is de mens tot machteloosheid gedoemd want hij is niet opgewassen tegen de dierlijke kracht en sluwheid van deze schaduwwezens. De vicieuze cirkels die ze creëren omvatten niet alleen individuele mensen, maar ook groepen van mensen, volkeren, rassen en zelfs geslachten. De hele wereld wordt langzaam herschapen in één grote vicieuze cirkel, een wereldwijde draaikolk die mensheid naar beneden zuigt. Het enige wat we kunnen doen, is proberen het hoofd boven water te houden, want tegen ontketende dubbelgangers is geen kruid gewassen. We kunnen alleen proberen hen onder ogen te zien, want als we er niet in slagen tegenover onze dubbelganger te gaan staan, maakt hij ons tot slaaf en doet met ons wat hij wil. 

Onze dubbelganger maakt deel uit van ons wezen. We komen er nooit los van, want we zijn dit wilde dier. We zitten er als het ware samen mee in een kooi. Als we sterven worden we daar even uit verlost, maar als we opnieuw geboren worden, moeten we weer in de kooi. Dat is een harde waarheid, maar gelukkig hebben we de kunst om de waarheid te overleven (Nietzsche). In de kunst – zowel het maken als het bekijken – gaan we de confrontatie met de dubbelganger aan. Ja, kunst is het resultaat van die confrontatie. We maken het Ik even los van het dier-in-ons en verbinden beide opnieuw met elkaar. Het is telkens een kleine inwijding, een klein sterven-en-opnieuw-geboren-worden. Op die manier verlossen we stap voor stap onze dubbelganger en ‘domesticeren’ onze verwilderde dierlijkheid, zonder dat het rechtstreekse gevolgen heeft, want alles speelt zich af in de wereld van de beelden, in de wereld van de schijn. Die schijn is echter ware schijn: we kunnen eraan aflezen hoe we de dubbelganger moeten aanpakken, we kunnen ook beleven wat dat inhoudt. Maar dan moeten we de schijn van de kunst wel ernstig nemen en er niet alleen om lachen of huilen. Dat geldt heel in het bijzonder voor de karikatuur, die het hele proces overdrijft en daardoor zichtbaar maakt.    

Kunst en maatschappij (4)

De geschiedenis herhaalt zich: we leven opnieuw in de tijd van de volksverhuizingen.
Moslims stromen massaal Europa binnen.
Dat hebben ze in de Middeleeuwen ook al eens gedaan, maar toen werden ze weer naar huis gestuurd.
Gelukkig maar, anders zou er van de moderne beschaving geen sprake zijn.
De islam creëert namelijk geen beschavingen, ze vernietigt ze.
We zitten dus met een gigantisch probleem, want de moslims weer naar huis sturen, dat zal dit keer niet lukken.
Ze zijn te talrijk geworden, en hun aantal blijft toenemen.
In Duitsland bijvoorbeeld is de helft van de jeugd moslim.
Over tien, twintig jaar zullen er in Duitsland dus meer moslims dan Duitsers wonen.
Officieel zijn die moslims natuurlijk óók Duitsers, maar iedereen weet hoe (vooral) jonge moslims tegenover Europa staan: ze keren er zich steeds meer van af, ze zijn veel meer moslim dan Duitser. Of Fransman, of Engelsman, of Belg, of noem maar op.
Het is enkel een kwestie van tijd voor de moslims in Europa een meerderheid vormen.
En iedereen weet wat er gebeurt als moslims een meerderheid vormen: ze willen dan dat iederéén moslim wordt.
Tot zolang heeft Europa dus nog de tijd om tot een overeenkomst te komen met de ingeweken moslims.
Daarna zal het licht uitgaan, zoals het overal is uitgegaan waar de islam aan de macht kwam.

20140909-102539.jpg

De islam bezit geen scheppende kracht.
Ze is een louter oordelende kracht.
Ze velt vernietigende oordelen over alles en iedereen, behalve over zichzelf.
In die zin is ze een spiegel van het moderne Europese bewustzijn.
Want dat kan ook niets anders meer dan oordelen, vernietigend oordelen, behalve over zichzelf.
De moslim-invasie is eigenlijk een materialisering van iets wat op geestelijk vlak had moeten gebeuren: het moderne bewustzijn had in de spiegel moeten kijken en zich bewust worden van zichzelf.
Maar dat heeft het niet gedaan en het doet dat nog altijd niet.
Het weigert de vernietigende kracht van de moslimwereld onder ogen te zien omdat het weigert de vernietigende kracht van zijn eigen intellectualistische, materialistische denken onder ogen te zien.

De mens heeft het al moeilijk om naar zijn fysieke uiterlijk te kijken.
Nog veel moeilijker heeft hij het om naar zijn innerlijk te kijken, naar zijn karakter, zijn persoonlijkheid.
Maar het allermoeilijkst valt hem het kijken naar zijn bewustzijn, naar zijn denken.
Want dan moet hij zichzelf als het ware binnenstebuiten keren: zijn bewustzijn moet zich bewust worden van zichzelf, zijn denken moet over zichzelf denken.
En dat lukt niet.
Eén man is daar wel in geslaagd: Rudolf Steiner, de Aristoteles van onze tijd.
Door zijn denken op zichzelf te richten, is hij erin geslaagd door te dringen tot het wezen van dat denken, tot de denker zelf dus.
En die denker blijkt een geestelijk wezen, een Ik, geen pond hersenen.
Rudolf Steiner is het – als eerste – gelukt om denkend, en dus volledig bewust, over de drempel van de geestelijke wereld te gaan.
Dat heeft in hem de omwenteling veroorzaakt die gestalte heeft gekregen in de antroposofie, de wetenschap van de geest (in ons huidige bewustzijn nog altijd een contradictio in terminis).

20140909-102843.jpg

Het is die omwenteling die Europa nodig heeft als het zijn beschaving wil redden.
Het moet bewust over de drempel gaan en contact maken met de geest.
Maar dan moet het eerst wel voorbij zijn dubbelganger, die nu levensgroot opdoemt in moslimgedaante.
In de Middeleeuwen heeft Europa deze dubbelganger met het zwaard en het geloof overwonnen.
Vandaag moet het hem overwinnen door hem te herkennen.
Want deze dubbelganger hoort bij Europa, hij is de ‘schaduw’ van de Europese beschaving en wil als zodanig ook herkend en erkend worden, anders zal hij de toegang tot de geestelijke wereld versperren.
En dan zal Europa helemaal in de greep van zijn dubbelganger raken en moeten leven als een dhimmi.

Europa staat dus voor de drempel, en het kan nu twee kanten op.
Ofwel gaat Europa ten onder en komt er een eind aan zijn beschaving: de oase wordt weer woestijn.
Ofwel wordt Europa opnieuw geboren en zal het geleidelijk alle woestijnen ter wereld in oases veranderen.
Het verschil zal gemaakt worden door het bewustzijn van de Europeaan.
Als het blijft zoals het nu is, valt er niets meer te redden.
Als het zich echter bewust wordt van zichzelf, dan is er nog hoop.
Dit nieuwe zelfbewustzijn is natuurlijk niet het gewone zelfbewustzijn, want dat is gebaseerd op het fysieke lichaam.
Het is een hoger zelfbewustzijn, een geestelijk zelfbewustzijn, een bewustzijn van het Ik.

20140909-103321.jpg

Over dit Ik zegt Rudolf Steiner dat het van buitenaf op ons toekomt.
Dat is een beetje een vreemde uitspraak, want is het Ik niet het meest eigene van de mens, het meest nabije?
Een en ander wordt begrijpelijker wanneer we het bekijken in het licht van de dubbelgangersproblematiek.
De mensheid gaat over de drempel en ontmoet daar de dubbelganger.
Hij komt van buitenaf op ons toe, doemt als het ware onverwachts voor ons op, als een controleur aan de grens.
Maar die dubbelganger is geen vreemdeling, hij lijkt alleen zo.
Hij is een deel van onszelf dat we vergeten zijn, dat we weggedrukt en genegeerd hebben, omdat we het veel te druk hadden met het ontwikkelen van het andere deel, het bewuste deel, ons rationele zelf.
Dankzij die zelf-ontwikkeling hebben we een indrukwekkende, rijke beschaving opgebouwd.
Maar nu zijn we aan een grens gekomen en komt het ‘andere’ deel zijn deel (sic) opeisen.
Want het heeft zich als het ware opgeofferd om de ontwikkeling van het andere deel mogelijk te maken, en nu die ontwikkeling klaar is, wil het daar ook deel aan hebben.
Daarom komen de moslims naar hier.
Maar evenmin als wij hebben ze weet van hun offer.
Het duikt in hun bewustzijn alleen op als een intens gevoel van buitengesloten te zijn, dat zich vervolgens vertaalt in rancune, agressie en zelfs haat.
Slechts één ding kan die brandende gevoelens blussen en dat is het gemeenschappelijke inzicht in hun offer, een inzicht dat alleen kan ontstaan door een tegenoffer.
Het Westerse bewustzijn moet op geestelijk vlak doen wat de moslims op fysiek vlak gedaan hebben: ze hebben hun thuisland verlaten en zijn ‘in den vreemde’ gaan wonen.

20140909-104102.jpg

Dat is ook wat het Westerse bewustzijn moet doen, of beter: wat het Ik – de kern van dat bewustzijn – moet doen: het moet het huidige zelfbewustzijn verlaten. Het moet eruit emigreren en ‘in den vreemde’ gaan leven.
Het is een soort geboorte: het Ik verlaat het moederlichaam en komt terecht in een wereld die hem volslagen vreemd is en waarin het maar één ankerpunt heeft: het mater-ialistische bewustzijn.
Deze vreemde wereld is de geestelijke wereld en het pasgeboren Ik zou daarin niet kunnen overleven zonder de steun, verzorging en bescherming van zijn ‘moeder’, het bewustzijn dus waar het tegenover is komen te staan.
Er moet dus intense relatie ontstaan tussen het oude en het nieuwe zelfbewustzijn.
Dat oude, rationele zelfbewustzijn moet veel actiever worden dan tijdens de ‘zwangerschap’, en het nieuwe zelfbewustzijn geeft er zich vol liefde en vertrouwen aan over.
Zo groeit het Ik langzaam op in de geestelijke wereld terwijl het verbonden blijft met het aardse rationele bewustzijn.
De paradox is dus dat de geestelijke ontwikkeling van de mens afhankelijk is van zijn aardse ontwikkeling en dat deze laatste afhankelijk is van de eerste.
Als de moeder haar kind in de steek laat, kan het zich niet handhaven in de geestelijke wereld.
Wordt het kind niet geboren, dan gaat de moeder mee ten gronde.
En hier treedt een derde, essentieel element op: de moeder moet weten dat ze zwanger is.

Op het fysieke vlak is dat geen probleem: het lichaam verraadt de zwangerschap.
Maar op geestelijk vlak is er geen buik die opzwelt.
Het weten van de zwangerschap, van het kind-in-de-mens, van het Ik dus, moet de mens verteld worden.
Eigenlijk is dat ook op fysiek vlak het geval.
Hoe kan een meisje weten dat ze een kind verwacht als ze niks afweet van de bloemetjes en de bijtjes?
Tot in de 20ste eeuw waren er vrouwen die niet wisten wat er met hen aan de hand was toen hun buik begon op te zwellen.
Ook de lichamelijke symptomen moeten dus begrepen worden.
Hoeveel te meer is dat niet het geval met de symptomen van een Ik-zwangerschap!
Er moet dus een geestelijke versie van sexuele opvoeding zijn die de Ik-zwangere mens vertelt wat er met hem aan de hand.
Gebeurt dat niet dan bestaat het gevaar dat hij zijn ‘zwangerschap’ als een ziekte beschouwt en het Ik als een gezwel dat moet weggesneden worden.

20140909-104958.jpg

Die geestelijke ‘sexuele opvoeding’ is de antroposofie: zij is het weten omtrent de mens als drager van een Ik.
Uiteindelijk bestaat de antroposofie – net als de gewone sexuele opvoeding – uit het duiden van fysieke beelden.
Ze spreekt niet over een geestelijke wereld ergens ver weg, zij spreekt over de geestelijke dimensie van de wereld hier en nu.
Zij ‘vertaalt’ de zintuiglijke beelden in geestelijke begrippen.

Een dankbare bemiddelaar tussen deze – voor het huidige materialistische bewustzijn – ver uit elkaar liggende sferen, is de kunst.
Zij levert namelijk beelden die zowel zintuiglijk als bovenzintuiglijk zijn.
Niet toevallig is het populairste beeld in de antroposofie een schilderij: de Sixtijnse madonna van Rafaël.

20140909-105239.jpg

Het is een kunstzinnige verbeelding van de mens die zijn Ik draagt.
Het is natuurlijk moeilijk om in de jonge moeder het moderne rationele bewustzijn te herkennen, maar dit schilderij toont ons dan ook het resultaat van een geslaagde geboorte of drempeloverschrijding.
Ratio en Ik hebben zich op zo’n manier van elkaar gescheiden en weer met elkaar verbonden dat het rationele bewustzijn (dat nu in de greep van Ahriman zit) zijn onschuld heeft herwonnen – de moeder is weer ‘maagd’ geworden – en het Ik gezuiverd is van alle egoïsme en dus bevrijd van Lucifer.
Deze ‘manier’ van scheiden en verbinden is in feite het wezen van hun beider relatie, het is een soort ‘derde persoon’.
We zien op het schilderij dan ook heel duidelijk dat moeder en kind naar iets of iemand kijken, en ze kijken op zo’n manier dat men er mag van uitgaan dat er ook teruggekeken wordt.
Hun relatie is dus eigenlijk een driehoeksrelatie.
Zoals bij iedere geboorte is er een derde in het spel: de vader.
Hij is degene die het hele geboorteproces – het scheiden en (her)verbinden – bewaakt.
Hij belichaamt ook het weten van dat proces.
Hij is degene die moeder en kind vertelt wat er tussen hen speelt.
Hij is degene die het bewustzijn bewaart op het moment dat het kind dat nog niet heeft en de moeder het (tijdens het baren) niet meer heeft.
Hij is de kijker.

Op dit moment bereiken we een grens: we worden ons (vaagweg) bewust van het kijken zelf.
Als we dit nu verder willen zetten, dan moeten we het weer verbinden met ‘moeder en kind’.
Als we verder willen doordringen in dit kunstwerk, dan moeten we ons kijken weer verbinden met zowel het rationele vermogen tot afstand nemen als het kinderlijke vermogen tot overgave.
We moeten dan met andere woorden een ‘driegeleed’ kijken ontwikkelen, een kijken dat zowel oordelend als scheppend is.
Daarmee betreden we het gebied van het imaginatieve bewustzijn waarover de antroposofie spreekt en waarvan zij zelf een voorbeeld is.

20140909-105809.jpg

Op dit gebied is alles in beweging.
De kijker wordt schepper en de schepper wordt kijker en beiden zijn zich daar volkomen van bewust.
Het is een soort onafgebroken metamorfose van een triniteit, waarvan de personen voortdurend in elkaar overgaan en uit elkaar geboren worden.
Voor ons huidige bewustzijn is dat allemaal zo moeilijk te volgen dat het in zwijm valt.
Het ziet niets meer.
Daarom moet het geoefend en versterkt worden.
En de kunst is daarvoor een uitstekend middel.

Als we voor de Sixtijnse madonna staan, dan kijken moeder en kind eigenlijk naar … ons.
Wij zijn op dat moment de kijker en in feite verwachten moeder en kind dat we ons bewust worden van hun relatie.
Het bewustzijn dat zij in het geboorteproces opgeofferd hebben, verwachten ze nu van ons terug.
En hier wordt een ander aspect van de driegeleding zichtbaar.
De Sixtijnse madonna is in feite een zelfportret van Rafaël.
Hij had dit tafereel niet kunnen schilderen als het niet in zijn ziel had geleefd.
Rafaël moet vervuld zijn geweest van het verlangen om zichzelf – dat wil zeggen de moeder en het kind in zijn ziel – beter te leren kennen.
Maar hij offerde dat verlangen op om dit onsterfelijke schilderij te kunnen scheppen, want de (zelf)bewustwording zou dat onmogelijk gemaakt hebben.
Als gevolg van dat offer is zijn wezen gevoelsmatig toegankelijk geworden voor ontelbare mensen.
Als die mensen zijn schilderijen tot bewustzijn brengen, en doen wat Rafaël als kunstenaar niet kón doen, dan zal hij duizendvoudig terugkrijgen wat hij opgeofferd heeft.
Maar dan moeten die kijkers wel op hun beurt een offer brengen.
Ze moeten afstand doen van hun gevoelsmatige liefde voor het schilderij.
Ze moeten afstand nemen zoals alleen een kijker dat kan.
En vervolgens moeten ze zich weer verbinden met het schilderij.
Ze moeten dus zowel verstand (afstand) als gevoel (verbinding) opofferen.
Anders gezegd: ze moeten afstand nemen van hun huidige bewustzijn en een hoger bewustzijn ontwikkelen.

20140909-110326.jpg

Deze onuitgesproken vraag (die in ieder kunstwerk leeft) is tegelijk een geschenk, want ze spoort de kijker ertoe aan om zijn Ik geboren te laten worden en daardoor zijn eigen ziel te redden.
Het is geen toeval dat uitgerekend Rafaël de mensheid zo’n prachtig geschenk heeft gegeven.
Van Rudolf Steiner weten we namelijk dat hij de reïncarnatie was van Johannes de Doper, die op zijn beurt de reïncarnatie was van Adam, de allereerste mens.
Rafaël beschikte dus over een gigantisch bewustzijn, maar in plaats van een profeet die de mensheid onderwijst, werd hij een kunstenaar die beelden maakt.
Hij zette dus een stap terug: de koninklijke profeet werd een kinderlijke kunstenaar.

Dat brengt ons helemaal onder aan het schilderij, bij de twee beroemde engeltjes.
Rafaël brengt hier een onverwacht komische noot in wat toch een zeer verheven beeld is: de hemelse Sofia met haar kind, de Antroposofia zeg maar.
De twee engeltjes kijken ietwat verveeld omhoog alsof ze zeggen: de grote mensen zijn weer bezig!
Juist deze engeltjes zijn een uitdrukking van het heel bijzondere bewustzijn van Rafaël: een enorm koninklijk bewustzijn dat zich van zichzelf bewust wordt en daardoor van zijn troon afdaalt en menselijk wordt.
Van Jos Verhulst weten we dat die engeltjes de twee Jezuskinderen voorstellen, en als dusdanig de twee zielengroepen van de mensheid vertegenwoordigen: de oude en de jonge zielen.

20140909-110435.jpg

De Sixtijnse madonna is een groot schilderij (2,50 x 2 meter) en hoewel ik het nooit in het echt gezien heb, stel ik mij voor dat beide engeltjes zich ongeveer op ooghoogte bevinden.
Ze staan alleszins het dichtst bij de kijker en geven als het ware aan waar hij moet beginnen, wil hij de blik omhoog kunnen richten naar dat verheven beeld van de menselijke ziel en haar Ik.
De bewustwording van het feit dat er oude en jonge zielen bestaan, is de eerste stap in het offer dat de kijker – de moderne afstandelijke mens dus – moet brengen om zijn ziel en zijn beschaving te kunnen redden.
Rudolf Steiner heeft daar op het eind van zijn leven met grote nadruk op gewezen.
Dat het zielenthema desondanks niet is doorgedrongen tot het antroposofische bewustzijn, toont aan hoe moeilijk het de moderne mens valt om dit offer te brengen.
Het lukt hem niet om afstand te nemen van zichzelf.
Daarom worden nu de grote middelen ingezet: de oude-zielenwereld van de islam dringt de jonge-zielenwereld van het Westen binnen in de hoop dat beide zich bewust zullen worden van hun onderlinge relatie.
Het ziet er voorlopig echter niet naar uit dat dit paardenmiddel succes zal kennen.

(Wordt vervolgd)

Kunst en maatschappij (1)

Vrijdag moest ik op bezoek bij de RVA.
Ik was uitgenodigd voor een gesprek omdat in Brugge vastgesteld was (zie 26 mei: een Memorabele Dag) dat ik als werkloze op de markt stond zonder in het bezit te zijn van een (aangekruiste) controlekaart.
In gewonemensentaal: ik moest het gaan uitleggen.
Veel viel er niet uit te leggen: ik verkeerde gewoon in de mening dat ik geen kaart meer hoefde bij te hebben.
Daar was ik twee jaar geleden, na 28 jaar stempelen, officieel van ontslagen wegens te oud, en dus onbruikbaar op de arbeidsmarkt.
Als ik van mijn (on)verdiende rust had genoten, was er dus niks aan de hand geweest.
Ik had echter de vergissing begaan iets te willen ondernemen.
En dan is de RVA er als de pinken bij om je het leven zuur te maken.
Ik had toelating moeten vragen.
Ik had een formulier C99 moeten invullen.
Ik had een stempelkaart moeten aanvragen.
Ik had die moeten aankruisen op de dagen dat ik op de markt stond.
Ik had met andere woorden weer in die vernederende tredmolen moeten stappen waarvan ik – eindelijk – verlost meende te zijn.
Niet dus.
Resultaat: ik moet boete doen.
Niet alleen moet ik het stempelgeld terugbetalen voor de dagen dat ik in Brugge stond, ik moet ook terugbetalen voor de dagen dat ik er niet stond (wegens niet klaar, geen zin, ziek, rugpijn, regen, wind, hagel, overmacht of vakantie).
Want ik kan niet bewijzen dat ik op die dagen elders was.
Ik moet dus dubbel zoveel terugbetalen als ik de Belgische Staat ‘schuldig’ ben.
Zo’n 1000 euro.
Dat is niet alleen een financiële maar ook een morele klap.
Ik zal nu de rest van het jaar naar Brugge moeten in het besef dat ik er geen euro zal mee verdienen.
Dat zou anders ook wel het geval zijn geweest, maar ik zou dan misschien uit de kosten zijn geraakt.
Nu zal ik flink mijn broek scheuren aan mijn eerste marktjaar.
En dat allemaal omdat ik wil schilderen.
Want de enige reden waarom ik marktkramer ben geworden, is om schildermateriaal te kunnen kopen.

De hele zaak drukt me weer eens met mijn neus op de status die een kunstenaar bekleedt in de maatschappij.
Met name voor de beeldende kunstenaar is dat: helemaal onder aan de sociale ladder.
Ik ben intussen 30 jaar werkloos.
Veel lager kun je niet zakken.
Voor mij was het echter de enige manier om kunstenaar te kunnen zijn, en ik ben zeker niet de enige in dat geval.
Hoe ging dat vroeger dan, zult u vragen, toen er nog geen sociale zekerheid was?
Eenvoudig: kunstenaars leden honger.
De meesten gaven de kunst eraan, sommigen slaagden erin als kunstenaar te overleven, en een enkele keer brachten ze het zelfs tot roem en rijkdom.
Maar dat waren de zeldzame uitzonderingen op de regel.

Toen ik eens aan de klaagmuur ging staan, zei mijn tekenleraar: ach jongen, het is vandaag véél gemakkelijker om kunstenaar te zijn dan vroeger!
En hij vertelde hoe vaak hij door de stad had gezworven met een lege maag, omdat hij al in dagen niets meer had gegeten.
Zijn eigen leraar durfde zelfs aan niemand te vertellen wat hij had had moeten doen om te overleven.

Nee, het is lang niet zo moeilijk meer om kunstenaar te zijn.
Althans financieel en materieel.
Geestelijk en psychisch: dat is een ander verhaal.
De houding van de RVA toont aan hoe bitter weinig begrip er is voor kunst, en dat in een tijd dat art is everywhere.
Vertegenwoordigt de RVA niet de Belgische Staat?
En zegt men niet dat een volk de overheid krijgt die het verdient?
Als dat waar is, dan kan kunst de Vlaming geen ene moer schelen.
De kunstenaar is in zijn ogen een mens als een ander: hij moet werken om zijn brood te verdienen en dat doet hij ofwel in loondienst ofwel als zelfstandige.
In het eerste geval moet hij doen wat zijn baas hem opdraagt, anders wordt hij ontslagen.
In het tweede geval moet hij doen wat de markt vraagt, anders verdient hij niks.

Dat een kunstenaar vrij moet zijn om te kunnen scheppen, daar heeft de Vlaming geen enkel begrip voor.
Een kunstenaar is voor hem simpelweg iemand die geld verdient met kunst.
Of dat nu is in de vorm van subsidies of in de vorm van verkoop, dat maakt niet uit.
Als het maar geld opbrengt.
Anders is het geen kunst.
De klassieke vraag die ik altijd weer te horen krijg als ik buiten sta te schilderen, luidt: doe je dat voor je beroep of is het een hobby?
Eigenlijk vragen ze mij: bent u een kunstenaar of niet?
Want een schilder die geen geld verdient met zijn schilderijen, is in hun ogen geen kunstenaar.
Geld en kunst, dat is voor de Vlaming hetzelfde.

Wie schildert zonder daar geld mee te verdienen – dus louter uit liefde voor de zaak zelf – wordt in dit land niet als kunstenaar beschouwd.
Elders zal het wel niet veel beter zijn.
België mag dan wel een karikatuur zijn, het is een gelijkende karikatuur.
Iedereen kan er zich in herkennen.

De hedendaagse houding tegenover kunst komt neer op een totale omkering van het begrip ‘kunstenaar’.
Wie kunst wil scheppen, doet dat uit liefde en liefde kan alleen in vrijheid bestaan.
Een kunstenaar laat zich dus niets voorschrijven door staat of markt.
Daardoor komt hij in het spanningsveld te staan tussen twee tegengestelde krachten, en net als Odysseus moet hij ertussen door laveren om te kunnen overleven.
Die gulden middenweg komt hem echter duur te staan.
Hij wordt als het ware in twee gescheurd door de Scylla en Charybdis van onze tijd, de staat en de vrije markt.
Dat resulteert in twee ‘soorten’ kunstenaars: de ‘gesubsidieerden’ en de ‘ondernemers’.
De enen doen wat de overheid hen opdraagt, de anderen wat de vrije markt van hen vraagt.

Het verschil tussen beide wordt echter steeds kleiner.
In feite vormen ze samen een nieuw soort kunstenaar: de gespleten extremist.
En die ‘nieuwe’ kunstenaar is het tegenovergestelde van de ‘oude’: hij bedient zowel de overheid als de vrije markt.
Hij heeft met andere woorden zijn vrijheid opgegeven.
Hij maakt kunst op bevel.
Nieuwe kunst.
Hedendaagse kunst.

Het begrip kunst heeft in onze tijd een totaal andere invulling gekregen.
Het betekent precies het omgekeerde van wat het vroeger betekende.
Door deze ‘begripsomkering’ kon de kunst vervangen worden door anti-kunst zonder dat iemand het merkte.
Het Lam Gods of een kakmachine: men ziet geen verschil meer.
Ze zijn allebei veel geld waard.
Dus ze zijn allebei kunst.

Wie wél nog onderscheid maakt tussen kunst en geld (of tussen kunst en stront) krijgt zowel de staat als de vrije markt tegen zich.
Dat ondervind ik momenteel aan den lijve.
Ik heb niet alleen van de RVA een financiële én morele oplawaai gekregen.
Ik heb die ook op de markt in Brugge gekregen.
De verkoop gaat namelijk niet goed.
Als het niet betert, zal ik ermee moeten stoppen.
Ik probeer er van alles aan te doen, maar dat jaagt me telkens weer op nieuwe kosten zodat de put nooit gevuld raakt.
Is mijn werk dan misschien niet goed genoeg?
Dat is het eeuwige filisterargument: goede kunst komt altijd bovendrijven.
Dat merk ik ook altijd als mijn toiletpot overloopt.
’t Is maar wat je onder kunst verstaat.
In ieder geval, het is alsof de markt me zegt: dit is jouw wereld niet, jij hoort hier niet thuis!
Precies wat ook de RVA me probeert diets te maken: werklozensteun dient niet om kunstenaars te onderhouden, ze is er voor mensen die willen werken.

Ze hebben natuurlijk allebei gelijk.
Ik hoor niet thuis onder de werklozen (ik heb werk zat) en ik hoor ook niet thuis op een markt (ik ben geen verkoper).
Maar waar hoor ik dan wél thuis?
Voor mensen zoals ik – kunstenaars die echt vrij willen zijn en noch aan de staat noch aan de markt willen toegeven – is er eenvoudig geen plaats in de maatschappij.
Dat is de harde realiteit: er is geen ruimte meer voor vrije scheppende geesten.
Ze horen niet thuis in de hedendaagse maatschappij.

Ik sta dus voor de keuze: ofwel geef ik mijn kunstenaarsdroom op (en word ambtenaar of sales manager) ofwel onderwerp ik mij aan de vernederingen van zowel staat als markt, wat overigens op hetzelfde neerkomt.
Zonder de RVA en de Brugse folkloremarkt kan ik als kunstenaar niet bestaan.
Dus moet ik maar staatsambtenaar en sales manager worden.
In ruil voor een staatsinkomen (dat me in leven houdt) moet ik formulieren invullen, aanwezigheidslijsten aankruisen, regelmatig ‘op den bureau’ komen, alle regels en regeltjes zorgvuldig nakomen.
Precies wat een ambtenaar dus doet.
En natuurlijk mag ik geen persoonlijk initiatief tonen, want dan moet ik nog meer formulieren invullen, nog meer lijsten aankruisen, nog meer verantwoording afleggen.
In ruil voor wat geld om schildermateriaal te kopen (daar voorziet de RVA niet in) moet ik dan weer een zelfstandig verkoper worden die zijn waren op de markt brengt.
Aan beide grote maatschappelijke machten moet ik tol betalen, want buiten hen is er niets.
Er is geen midden tussen staat en markt, geen vrije ruimte waar kunstenaars zouden kunnen gedijen zonder in het stof te moeten kruipen.

De ‘oude’ kunst heeft geen plek meer in de hedendaagse wereld, maar de ‘nieuwe’ kunst, de ‘omgekeerde’ kunst, voelt er zich volkomen thuis.
Ze wordt gesubsidieerd door de overheid, bejubeld in de pers, onderwezen in het onderwijs, verhandeld op de markt, vereerd in tempels en paleizen.
Toch is die anti-kunst niet de oorzaak van de penibele en vernederende situatie waarin ik me als kunstenaar bevind.
Het is immers nooit anders geweest.
Ook toen de Hedendaagse kunst nog niet bestond, hadden kunstenaars het bijzonder moeilijk.
Ze werden door de hogere klassen geduld omdat men ze nodig had om kunstwerken te maken, maar men wilde niet met hen in contact komen, daarvoor waren ze te ‘laag’.
Tot het gewone volk behoorden ze echter ook niet, want ze hielden zich bezig met dingen die nergens toe dienden.
Voor de hogere klassen behoorden ze dus tot de lagere klassen en voor de lagere klassen behoorden ze tot de hogere klassen.
Ze behoorden met andere woorden tot geen enkele klasse.
Ze waren ‘niet van deze wereld’.
Dat was in de oudheid al zo en het is nog altijd zo.

De anti-kunst is dus niet de oorzaak, ze is een gevolg.
Ze hangt een beeld op van een wereld zonder kunstenaars, een wereld waaruit de vrije scheppende geest verdwenen is.
Ze brengt de Grote Leegte in beeld.
En in die leegte leeft de aloude vijand van de kunst, hij die de maatschappij verdeeld heeft onder staat en markt.
De Grote Verdeler zeg maar.
En hij is niemand anders dan de dubbelganger van de kunst.
De kunst staat vandaag oog in oog met haar dubbelganger.
En die dubbelganger is tevens de dubbelganger van de mens, die in zijn diepste wezen een scheppende geest is, geroepen om een vrije schepper te worden, naar het voorbeeld van zijn maker.
Die mensheidsdubbelganger, die anti-scheppende geest, is het die de kunst vandaag onafgebroken afbeeldt.
Ze kan niet anders.
Ze maakt immers de geestelijke dimensie van de werkelijkheid zichtbaar.
Dat is wat ze doet, dat is haar wezen.
En de geestelijke dimensie van de hedendaagse werkelijkheid is de dubbelganger.
De hele mensheid gaat ‘over de drempel’ en ontmoet haar tegenbeeld: de ‘omgekeerde’ mens, de anti-mens.
Het hele hedendaagse leven wordt gekleurd – of beter: ontkleurd – door deze ontmoeting.
Alles verbleekt vergeleken bij dit kapitale gebeuren.
Dat zien we in de kunst: alles moet wijken voor de dubbelganger.

De tragiek is echter niet dat de kunst helemaal in de ban is geraakt van de dubbelganger.
Want om hem uitbeelden, moet ze zich aan hem overgeven.
De kunstenaar moet één worden met zijn onderwerp, anders kan hij geen kunst scheppen.
De Hedendaagse kunst – de kunst die in de greep zit van de dubbelganger – is dus onvermijdelijk.
Het stond als het ware in de sterren geschreven dat de kunst in het stof zou bijten, dat ze ten prooi zou vallen aan de vreselijkste geest die de mens kent.
Het was de enige manier om de moderne mens te tonen met wie hij te maken heeft.
Hoe zou hij, de grote ongelovige, anders geconfronteerd moeten worden met zijn grote geestelijke tegenstander?

Deze ‘zondeval’ van de kunst was dus noodzakelijk om de hedendaagse mens bewust te maken van de situatie waarin hij zich bevindt: de drempeloverschrijding, de ontmoeting met de dubbelganger.
Maar de mens is vrij, hij heeft een keuze.
Hij is niet verplicht zijn dubbelganger onder ogen te zien.
Hij is niet verplicht zijn ogen te openen voor diens geestelijke realiteit.
Hij kan gewoon verder slapen.
En dat is dan ook wat hij doet.
Hij houdt de ogen stijf dicht voor de dubbelganger die vlak voor hem staat, in de ontelbare beelden van de hedendaagse kunst.
Want in plaats van geschokt te zijn tot in het diepst van zijn ziel, applaudisseert hij.
Het is immers kunst, nietwaar?

Wereldwijd klinkt er een oorverdovend applaus op voor de dubbelganger van de mensheid.
De overheid, de vrije markt, de kunstliefhebbers, de hele intellectuele wereld, ja zelfs de antroposofen: allemaal zijn ze wild enthousiast over de (beelden van de) grote anti-menselijke geest.
Ze kunnen er maar niet genoeg van krijgen.
De Hedendaagse anti-kunst wordt niet zomaar bewonderd, ze wordt vereerd, ze wordt aanbeden, ze wordt beschouwd als het hoogste wat de mens ooit bereikt heeft.

En dát stond niet in de sterren geschreven.
Daartoe was de mens niet verplicht.
Het is zijn eigen vrije keuze.
De keuze om de ogen te sluiten voor de weerzinwekkende beelden van de Hedendaagse kunst.
Iedereen kan dat bij zichzelf navoelen: je bewondert de Hedendaagse kunst niet spontaan.
Daar is een inspanning voor nodig.
Daar moet je echt voor kiezen.
Het gaat niet vanzelf.
En deze vrije keuze is dan ook de Grote Tragedie van onze tijd.
Want ze had helemaal niet hoeven te gebeuren.
De mens – de vrije mens, de bewuste, ontwikkelde mens – had ook zijn ogen kunnen openen voor het wezen van de Hedendaagse anti-kunst.
Maar dat heeft hij niet gedaan.
En daarmee heeft hij de kunst – die zich voor hem opgeofferd heeft en zich door de dubbelganger heeft laten grijpen – in de steek gelaten.
Hij heeft haar verraden.

Deze trahison des clercs is de meest tragische daad van onze tijd.

Als de hedendaagse kunstenaar zich overlevert aan de dubbelganger om zo zijn ‘portret’ te kunnen maken, dan is dat in wezen een offer.
Hij brengt dat offer om de mensheid haar dubbelganger te kunnen tonen, om haar over de drempel te helpen, om haar weer in contact te brengen met de geest.
Dat is trouwens altijd de taak van de kunst geweest.
Kunst is een drempeloverschrijding en de drempeloverschrijding is een kunst.
De voorwaarde voor die kunst is: de ontmoeting met de dubbelganger.
Hij bepaalt of je over de drempel kunt.
In de mate dat je hem onder ogen kunt zien, in die mate maak je ook weer contact met de geest.
En dat laatste is absoluut noodzakelijk.
Als de mensheid er niet in slaagt weer in contact te komen met de geestelijke wereld dan is ze ten dode opgeschreven.
Het offer van de kunst is dus noodzakelijk.

Toch brengt de kunstenaar dat offer uit vrije wil.
Hij is kunstenaar omdat hij dat wil, niet omdat hij het moet.
Niemand kan een mens verplichten om kunstenaar te worden.
Toch heeft iedere kunstenaar het gevoel dat hij niet anders kan.
Hij moét scheppen, hij ervaart zijn kunstenaarschap als een innerlijke dwang waaraan hij niet kan ontsnappen.
En alle gevolgen van die dwang – de vernederingen waaraan hij zich moet blootstellen om als kunstenaar te kunnen (over) leven – ervaart hij als een zinloos lijden.
De tragiek van de kunstenaar is dus dat hij niet weet dat hij vrij is.
Hij weet niet dat hij een vrijwillig offer brengt, laat staan waaróm hij het brengt.
Zelfs de Hedendaagse kunstenaar, die door zowel de overheid als de vrije markt op handen wordt gedragen, die met roem en geld wordt overladen, die kan doen wat hij wil en voor wie alle deuren opengaan, is een gekwelde ziel.
Want al die eer en roem is niet wat hij wil.
Wat hij wil, is begrip, inzicht, erkenning van zijn offer.
Hij wil weten waarom hij doet wat hij doet.

De hele Hedendaagse kunst is één grote schreeuw om begrip.
En in plaats daarvan krijgt ze … applaus.
Dat is het ten hemel schreiende verraad van de ‘klerken’: in plaats van tot in het diepst van hun ziel geschokt te zijn door de beelden van de Hedendaagse kunst, barsten ze uit in gejuich en gooien met geld, als zaten ze te kijken naar een ordinaire strip-tease.
Nooit heeft de kunst zo’n behoefte gehad aan begrip.
Nooit heeft ze er minder gekregen.
De miskenning en verloochening van de kunst die zichzelf vrijwillig aan het kruis heeft laten nagelen: ziedaar de Grote Tragedie van onze tijd, de tragedie waar alle andere tragedies een afspiegeling van zijn, en die op haar beurt zelf een afspiegeling is van de oertragedie van de mens.

(Wordt vervolgd)

Pooiers van het Woord

20140331-084829.jpg

Het verhaal is intussen bekend: enkele bewoners van het Antwerpse Zuid hebben klacht ingediend tegen de overlast van de jaarlijkse Sinksenfoor. Ze hebben gelijk gekregen van de rechter en de foor dient nu uit te wijken naar een plein in Borgerhout. Dat is echter niet naar de zin van de foorkramers, die hevig protesteren tegen wat zij broodroof noemen.
Hoé hevig, dat konden we verleden woensdagochtend in de krant lezen: ze blokkeerden de hele Antwerpse ring met hun vrachtwagens.
Wie de Antwerpse ring een beetje kent, weet wat dat betekent: een enorme verkeerschaos.
Er zijn die ochtend ongetwijfeld heel wat moorddadige gedachten richting de foorkramers gegaan, en terecht.
Wie duizenden mensen veroordeelt om urenlang in de file te staan, verdient het daarvoor te boeten. En dan spreek ik nog niet over de economische schade die de protesteerders veroorzaakt hebben.
Als het systeem van de GAS-boetes eerlijk en rechtvaardig wordt toegepast, dan zijn die foorkramers failliet, en is het probleem opgelost.
Maar dat zal ongetwijfeld niet gebeuren, want geldverdienen is heilig in ons land.
Alles moet ervoor wijken.

Dat lees ik vandaag in de commentaren van De Morgen, de socialistische krant die zogezegd opkomt voor de rechten van de kleine man.
Men is er verontwaardigd omdat het ‘volksvermaak’ van de kermis dreigt te verdwijnen in Antwerpen.
Onder meer Hugo Camps trekt weer eens al zijn registers open.

‘In ‘Terzake’ liet kakelnicht Karel Van Eetvelt zijn licht schijnen over het escalerende conflict. Er sprak weinig liefde uit zijn woorden. Je kon zien dat hij niet veel op heeft met foorkramers. Gêne voor het proletariaat van botsauto’s kleurde zijn gezicht.’

‘Kortom, Antwerpen beleefde weer een hoogmis van repressie. Naar de wanhoop van de foorkramers werd nauwelijks omgekeken. Dat de verbanning van de Sinksenfoor naar een uithoek van de stad pure broodroof is, kon niemand wat schelen.’

‘Foorkramers zijn namelijk economisch nutteloos en plezier in de stad leidt af, soms tot ellende.

‘De gedachte alleen al het leger in te zetten tegen foorkramers getuigt van diepe sociale verachting en vunzig elitarisme.’

20140331-131230.jpg

Aldus sprak Hugo Camps, na baron Lippens de bekendste inwoner van Knokke, het paradijs van proletariër.
Ja, het hééft ongetwijfeld iets om ’s morgens in je appartement op de zeedijk aan je espresso te nippen, uit te kijken over zee, te luisteren naar het vage gekrijs van de meeuwen, en vervolgens vol verontwaardiging te schrijven over het lot van de werkende mens in de grote stad.
Ik droom daar ook soms van: opkomen voor de verworpenen der aarde, terwijl de zon op mijn gezicht schijnt en de zee in mijn oren ruist.
Dát is pas genieten!
Fysiek bevoorrecht én moreel superieur: wat wil een mens nog meer!

Eerbied voor de waarheid misschien, eerbied voor het woord?

Ik gun Hugo Camps zijn appartement (of is het een villa?) in Knokke.
Maar wat ik hem niét gun is zijn morele superioriteit.
Ongemerkt is de reactionaire idee het moderne bewustzijn binnengeslopen dat rijkdom en morele superioriteit samenhoren. Want al die politiek correcte intellectuelen, die zich moreel en geestelijk zo ver verheven wanen boven de racistische, bekrompen, achterlijke, haatdragende en verzuurde bevolking, zijn stuk voor stuk succesvolle, welgestelde, geziene burgers. En als ze dat (nog) niet zijn, dan willen ze het dolgraag worden. Ze hebben er alles voor over om zich los te trekken uit de ‘Vlaamse klei’, verlost te worden uit de anonimiteit van de ‘massa’ en zich te distantiëren van het domme ‘plebs’.

Deze aloude idee – dat rijkdom en aanzien een beloning van God is voor morele superioriteit – vloekt natuurlijk met de nieuwe idee dat alle mensen gelijk zijn, en dus wendt de hedendaagse elite voor in naam van het volk te spreken, hetzelfde volk waar ze zo’n diepe afkeer en minachting voor voelt.
Ik kan die minachting nog begrijpen, want als ik mij op zondagochtend, op weg naar mijn (nieuwe) werk, de weg versperd zie door een groep wielertoeristen die midden op de weg fietst en het vertikt het (ruime) fietspad te gebruiken, dan voel ik ook een diepe afkeer in me opkomen voor dit ‘klootjesvolk’ (al betwijfel ik dat er nog veel ‘volks’ is aan kerels die zich zich fietsen van een paar duizend euro kunnen permitteren).
Maar wat ik niet kan begrijpen, en wat ik ook niet pik, is dat deze nouveaux riches, of het nu wielertoeristen of intellectuelen zijn, zich boven de wet verheven wanen.
En in het geval van Camps en co is dat de wet van de waarheid, de eerbied voor het woord.

20140331-131400.jpg

Wat ik Hugo Camps en zijn politiek correcte soortgenoten zeer kwalijk neem, is dat zij van hun bevoorrechte positie geen gebruik maken om de waarheid te zoeken en het woord te cultiveren.
Ze doen precies het omgekeerde: ze gebruiken de waarheid en het woord om zichzelf te verheffen, om zich te verrijken, om samen een nieuwe elite te vormen die de bevolking eens gaat vertellen hoe het moet.
Wat ik hen kwalijk neem is dat zij zich voordoen als dienaars van het woord terwijl zij in werkelijkheid pooiers van het woord zijn.
Zij misbruiken en verkrachten wat ze, als intellectuelen, zouden moeten dienen en liefhebben.

Hun verontwaardiging over de gedwongen verhuis van de Sinksenfoor is daar mooi (?) voorbeeld van.

De Sinksenfoor wordt voorgesteld als volksvermaak, als het vertier van de gewone man, en kinderen in het bijzonder.
Degenen die klacht hebben ingediend tegen de foor worden voorgesteld als … nouveaux riches, als het bekakt soort volk dat op het Zuid is komen wonen en de oorspronkelijke bewoners daar heeft weggejaagd.
Het stadsbestuur dat het vonnis van de rechtbank moet uitvoeren, en dat onder de leiding staat van – kijk eens aan! – Bart De Wever, wordt voorgesteld als een verzameling fascisten.
En de journalisten, schrijvers en intellectuelen stellen zichzelf voor als de verdedigers van het volk, van de gewone man, van de foorkramer en de foorbezoeker.

Laten we nu eens kijken naar de werkelijkheid waarop al die woorden en voorstellingen betrekking zouden hebben.

De Sinksenfoor, een volksvermaak?
Mijn idee van volksvermaak is: het volk amuseert zichzelf.
Bijvoorbeeld door met loodjesgeweren op gipsen pijpjes te schieten.
Bijvoorbeeld door plastic eendjes uit het water te vissen.
Bijvoorbeeld door je krachten te meten met een gepensioneerde bokser.
Bijvoorbeeld door met een hamer op een kop van jut te slaan.
Bijvoorbeeld door op de paardjesmolen de ‘flosj’ te grijpen.
Bijvoorbeeld door met een bal blikjes om te gooien.
Enzovoort.

20140331-132004.jpg

Als ik naar de huidige Sinksenfoor kijk, dan zich ik iets heel anders: het volk wordt vermaakt.
En dat gebeurt door middel van enorme machines waarin mensen worden vastgebonden en helemaal niks meer kunnen doen, behalve griezelen en gillen.
De machines zelf ‘gillen’ nog veel harder: ze maken een oorverdovend lawaai.
Hetzelfde oorverdovende lawaai dat je tegenwoordig ook op sportwedstrijden aantreft, en dat (heb ik me laten vertellen) bedoeld is om het publiek mak te maken, zodat het niet baldadig wordt.
Er is zelfs een tijd geweest dat het voetbalpubliek achter tralies werd gezet, als waren het wilde beesten.
Volksvermaak?
Uit het hele moderne massa-amusement spreekt een diep wantrouwen voor het volk.
Het wordt volkomen passief gemaakt en de mond gesnoerd.
En dat wordt, als altijd, verdedigd met de bewering: zij willen dat zélf, we kunnen er ook niks aan doen!
Jaja, als het volk rotzooi wordt voorgeschoteld, dan komt dat doordat het volk dat wil.
Als bijvoorbeeld de televisie slechte programma’s maakt, dan doet ze dat enkel en alleen omdat ‘de mensen dergelijke dingen willen zien’.
Als ze films onderbreekt met reclame: allemaal omdat de kijker dat wil!
Wat de elite ook doet, ze doet het allemaal omdat het volk dat wil.
Kijk maar naar de politiek: politici doen niets anders dan de wil van het volk uitvoeren.
Daarom zijn ze ook zo enthousiast over referendums, zoals in Zwitserland …

Tja, wat kan een mens anders doen dan sarkastisch worden bij zoveel schijnheiligheid en leugenachtigheid!
De Sinksenfoor volksvermaak? Laat me niet lachen.
De Gentse Feesten volksvermaak? Je moet maar durven.
Ooit waren ze dat, ongetwijfeld.
Maar tussen ooit en nu is er veel veranderd.
De klassieke voorstelling van Sinksenfoor en Gentse Feesten strookt al lang niet meer met de werkelijkheid.
Ze is er zelfs het omgekeerde van geworden.

20140331-132136.jpg

Degenen die nu tegen dit zogenaamde ‘volksvermaak’ protesteren zouden zogenaamd elitairen zijn, die niet kunnen verdragen dat hun buurt bevuild wordt door ‘het klootjesvolk’.
Dat het ‘elitairen’ zijn, is best mogelijk, want het Antwerpse Zuid is een exclusieve buurt geworden.
Maar hoe is dat gekomen?
Eén woord: MUHKA.
Het MUseum voor Hedendaagse Kunst Antwerpen.
In het zog van dat museum zijn er tientallen Hedendaagse kunstgalerijen gekomen.
En in het zog van die kunstgalerijen kwam het rijke volk.
Zo werd een volksbuurt a place to be voor welstellende mensen die hip en hedendaags willen zijn, hetzelfde soort mensen dus dat nu verontwaardigd is over de teloorgang van de ‘volkse’ Sinksenfoor.

Eerst jaagt de elite het volk weg van het Zuid middels Hedendaagse Kunst.
Dan jaagt ze de Sinksenfoor weg middels dure advocaten.
En vervolgens maakt ze daar luid misbaar over middels veel woorden in de kranten.

Wat is de crux in dit schijnheilige verhaal?
Het is de elite die geconfronteerd wordt met … zichzelf.
Door het Antwerpse Zuid in te palmen, wordt de hippe, rijke elite geconfronteerd met de Sinksenfoor, een volksvermaak dat in handen van het grote geld is gevallen en die spiegel kunnen ze niet verdragen.
Het gewone volk dat tot voor kort op het Zuid woonde, heeft nooit geprotesteerd tegen de foor.
Het verdroeg dat lijdzaam, want het had geen andere keuze.
Het bezat niet de middelen, noch intellectueel noch financieel, om te protesteren tegen wat een aanslag is op eenieders (nacht)rust.
De nieuwe elite heeft die middelen wél en dus protesteert ze, volkomen terecht overigens.
Want zij wordt geconfronteerd met de realiteit.

De Hugo Campsen daarentegen, die ver weg in alle rust en comfort leven, worden niet geconfronteerd met de realiteit en ze hoeven dus ook niet in de spiegel te kijken.
Het komt bijvoorbeeld niet in hen op dat ze grote voorstanders zijn van de Hedendaagse Kunst, die in dit geval aan de basis ligt van de hele foorkramersheisa die nu zodanig uit de hand dreigt te lopen dat men overweegt om het leger erbij te halen.
Nee, zover denken ze niet, want dat zou hun comfort, materieel én geestelijk, in het gedrang kunnen brengen.
En om niet te hoeven denken, geven ze zich over aan pseudo-denken.
Om de waarheid over zichzelf niet te moeten zien, misbruiken ze het woord.

20140331-132348.jpg

Uiteraard hebben ze daarbij een zondebok nodig, en – o, opperst geluk – die hébben ze!
Uitgerekend in Antwerpen is Bart De Wever burgemeester geworden: een geschenk uit de hemel.
Jarenlang reeds valt de politiek correcte elite iedere dag hun zwarte schaap aan in ontelbare ‘opiniestukken’.
Of het nu gaat over de Sinksenfoor, de wielertoeristen, vrouwen in boerka’s, de toegenomen criminaliteit, de miss België verkiezing of de subsidiëring van de kunst, telkens weer komen ze terecht bij die ene man, die ze uitgeroepen hebben tot hun grote gezamenlijke vijand: Bart de Verschrikkelijke.

En de paradox is alweer: Bart is één van hen.
Hij is namelijk een zeer elitaire intellectueel die in naam van het volk spreekt en – veel beter dan dat volk zelf – weet wat goed is voor het volk.
Bart De Wever dweept niet voor niets met de oude Romeinen.
Hij is een echte volkstribuun, een leider.
Democratie is niet aan hem besteed.
In referenda gelooft hij niet.
De reden waarom hij zo’n blinde haat opwekt bij de hele intellectuele elite van dit land is dan ook dat hij deze elite een spiegel voorhoudt.
Onbewust herkennen de Hugo Campsen dezer wereld zich in Bart De Wever, en dat maakt hen des duivels.

‘Diepe sociale verachting en vunzig elitarisme’: ziedaar wat ze bij zichzelf niet onder ogen durven zien en daarom projecteren op een zondebok.
En daarvoor gebruiken ze zowel het volk als het woord.

Als we het Volk en het Woord met een hoofdletter schrijven, dan weten we meteen waar het om gaat.
Wat onze intellectuelen in zichzelf beleven, is de Wederkomst van Christus, de centrale gebeurtenis van onze tijd.
Het licht begint weer te schijnen in de duisternis.
En nergens is die duisternis dieper dan in het intellectualistische, materialistische hoofd van de moderne mens.
De moderne intellectueel, die zichzelf zo beschaafd en ontwikkeld waant, is dan ook tot in het diepst van zijn wezen geschokt door wat dit licht zichtbaar maakt.

20140331-132545.jpg

Het volstaat om in het midden van een stikdonkere kathedraal één brandend theelichtje te plaatsen, om de enorme ruimte, met al zijn schaduwen en verborgenheden, zichtbaar te maken.
Dat is wat Franz Kafka in het grandioze negende hoofdstuk van Het Proces in beeld heeft gebracht, en tegelijk ook verwoord middels de parabel van de Wachter voor de Wet, die natuurlijk niemand anders is dan de Wachter aan de Drempel, de afschrikwekkende dubbelganger van de mens.

Dat is dus wat ik Hugo Camps en de zijnen kwalijk neem: dat ze hun rustige comfortabele appartement met zicht op zee (of op het golfterrein) – en dat is uiteraard een beeld van het ‘hoofd’ – niet gebruiken om hun dubbelganger te leren kennen, maar om hem te projecteren op een zondebok die ze aan het kruis slaan met woorden als spijkers.

Maar met dat kwalijk-nemen, moet je natuurlijk oppassen, want vóór je ’t weet doe je net hetzelfde als Hugo Camps en maak je van hem een zondebok en een alibi om je eigen dubbelganger niet onder ogen te moeten zien.

Het spreekt vanzelf dat IK zoiets nooit zou doen.
Als IK een appartement aan zee had, dan zou ik daar niet van profiteren om mijn gal te spuwen op de politiek correcten in het binnenland en me daardoor veel beter te voelen dan zij.
Nee, als IK aan zee woonde en ’s morgens aan mijn espresso nippend zou luisteren naar het gekrijs van de meeuwen, dan zou ik …

Ja, wat zou ik dan eigenlijk doen?

20140331-132633.jpg

Driekoningen-essay (deel 2: een paard van Troje)

In het eerste deel van mijn driekoningen-essay vertelde ik over mijn kersttijd, over hoe ik ieder jaar weer verlang naar vrede, en hoe die vrede ieder jaar weer verstoord wordt.
Alsof de duivel ermee gemoeid is.
Dit jaar was de duivel-van-dienst Joseph Beuys, de man die de Hedendaagse Kunst als een modern paard van Troje de antroposofische wereld heeft binnengehaald.
Dat binnenhalen is onder luid gejuich gebeurd. Het wordt gezien als een overwinning: eindelijk is de muur die de antroposofie scheidt van de moderne, hedendaagse wereld doorbroken!
Ik kan helaas niet delen in die feestvreugde.
Ik weet namelijk welke geest zich verbergt in de Hedendaagse Kunst.
Ik heb hem aan het werk gezien, ik heb hem aan de lijve ondervonden.
En ik twijfel er niet aan: hij zal de antroposofie ten gronde richten.

Maar dat is het ergste niet.

Het ergste is dat hij het zal doen zonder dat iemand het merkt.
Hij zal het antroposofische huis helemaal uithollen en alleen de buitenmuren laten staan.
Van buitenaf gezien, zal er niets veranderd zijn.
Integendeel, het antroposofische leven zal bruisen als nooit tevoren.
Maar het zal wel zíjn leven zijn.
Als een spin zal hij zijn prooi zorgvuldig inpakken, er zijn gif in spuiten, wachten tot de binnenkant veranderd is in een papje, en dat dan opzuigen.
Voor de antroposofen zal het zijn alsof ze ‘over de drempel’ gaan en terechtkomen in de geestelijke wereld. Maar het zal een onderwereld zijn. En daar zullen ze gevangen zitten, want in de roes van de drempeloverschrijding zullen ze niet beseffen dat ze zich in de buik van de draak bevinden.

20140112-190209.jpg

Hoe weet ik dat allemaal? Ben ik helderziend of zo? Kan ik de toekomst voorspellen?
Helemaal niet.
Ik weet het omdat ik het allemaal al eens meegemaakt heb in de wereld van de kunst.
Ik weet het omdat ik het vandaag opnieuw zie gebeuren.
En ik zie het niet alleen in de antroposofische wereld gebeuren.
Ik zie het overal gebeuren.
De geest van de Hedendaagse Kunst verspreidt zich vandaag over de hele aarde.
En hij doet dat op zijn eigen gekende manier: met een Blitzkrieg.
Er is tegen deze geest geen kruid gewassen.
Daarover maak ik mij geen enkele illusie.
Hij zal de wereld veroveren, zoals hij eerst de wereld van de kunst veroverd heeft.
Want de kunst bootst niet langer de werkelijkheid na.
Het is vandaag de werkelijkheid die de kunst nabootst.

Zoals ik al zei: dit is geen divinatie of speculatie, het is louter waarneming. Waarneming en denken natuurlijk, want deze beelden liggen niet zomaar voor het grijpen. Ze zijn in de werkelijkheid aanwezig, maar ze moeten al denkend zichtbaar worden gemaakt.
Antroposofen staan er niet voor bekend een scherp oog te hebben voor de wereld die hen omringt. In de afleveringen van ‘Das Goetheanum’ die verschenen tijdens de periode 1940-1945 werd met geen woord gerept over de wereldoorlog die buiten de muren aan de gang was.
De antroposofische blik is inderdaad vooral naar binnen gericht, en om die blik te beschermen, worden er dikke muren gebouwd.
Daar is op zich niets tegen.
De wereld heeft nood aan de naar binnen gerichte, geestelijke blik.
Maar zoals er gevaren verbonden zijn aan de eenzijdig naar buiten gerichte, materialistische blik, zo zijn er ook gevaren verbonden met de eenzijdig naar binnen gerichte, spirituele blik.
Echt bedreigend worden die gevaren echter pas wanneer ze zich verenigen, wanneer de beschermende muur tussen beide blikrichtingen doorbroken wordt, en materialisme en spiritualiteit zich vermengen.
Dat gebeurt in de vorm van een kunstwerk, want overal waar geest en materie één worden, ontstaat kunst.

20140112-190348.jpg

Het paard van Troje was een kunstwerk, en om het binnen te halen, sloopten de Trojanen de muren van hun stad.
Het werd hun ondergang.
De Griekse strijdmacht had zich te pletter gelopen op de muren van Troje, maar er was één Griek die de Trojanen van binnenuit kende en wist dat ze niet zouden kunnen weerstaan aan een kunstwerk dat hun zege symboliseerde.
Vandaag herhaalt die geschiedenis zich.
De antroposofie is een spiritueel bolwerk waartegen het materialisme zich te pletter loopt.
Na 100 jaar strijd staat het nog altijd overeind.
Maar onder de ‘materialistische strijdkrachten’ is er één man die de antroposofie van binnenuit kent en die weet dat antroposofen niet kunnen weerstaan aan een kunst die haar zege symboliseert: de kunst van Joseph Beuys.
In de persoon van deze kunstenaar hebben ze een antroposoof die het helemaal gemaakt heeft in de ‘buitenwereld’ en dus het ideaal van de antroposofie belichaamt.
Want de antroposofie wil geen klein spiritueel bolwerk blijven, waar de esoterische wijsheid zorgvuldig behoed wordt, zoals dat in vroeger tijden gebeurde. Nee, de antroposofie wil een vereniging zijn die tegelijk esoterisch en exoterisch is. Ze wil helemaal in de moderne, hedendaagse wereld staan. Ze wil die wereld bevruchten met haar geestelijke impuls.

En dat is het ideaal dat Joseph Beuys in hun ogen belichaamt.
Zijn hele leven heeft hij de antroposofische ideeën verkondigd, niet binnen de antroposofische muren zoals gebruikelijk, maar erbuiten, in de moderne, hedendaagse wereld. En hij werd daar niet weggehoond en bespot, nee hij werd daar bewonderd en geëerd, en hij groeide uit tot één van de bekendste kunstenaars van de 20ste eeuw.
Van zo’n succes kan een antroposoof alleen maar dromen.
Ja, in feite is Joseph Beuys de allereerste antroposoof die erin geslaagd is de ondoordringbare muur tussen antroposofie en moderne wereld te doorbreken.
Zelfs Rudolf Steiner is daar nooit in geslaagd.

20140112-190531.jpg

Het valt dus te begrijpen dat Joseph Beuys veel enthousiasme losweekt onder moderne antroposofen, dat ze hem zien als een eerste zwaluw die de antroposofische lente aankondigt, en dat hij voor hen een lichtend voorbeeld is dat ze willen volgen.
Ik begrijp dat allemaal heel goed.
Maar ik begrijp ook dat dit mes aan twee kanten snijdt.
Langs de bres die de antroposofen in hun muur hebben geslagen toen ze Joseph Beuys triomfantelijk binnenhaalden, kan de antroposofische geest zich inderdaad over de moderne, hedendaagse wereld verspreiden en doen wat van haar verwacht wordt en wat haar wezenlijke opgave is: de wereld bevruchten.
Maar ook het omgekeerde kan gebeuren: langs diezelfde bres kan ook de materialistische buitenwereld – vermomd als kunst – de antroposofie binnenstromen, haar verlammen met haar gif en haar helemaal leegzuigen.

In het licht van de enorme macht die het materialisme vandaag ontplooit in de wereld, lijkt het mij geen overbodige voorzorgsmaatregel om op zijn minst beide mogelijkheden onder ogen te zien.
Via Joseph Beuys en de Hedendaagse Kunst kan de antroposofie inderdaad de wereld veroveren, daar ben ik het volkomen mee eens, althans in theorie.
Maar via Joseph Beuys kan de wereld ook de antroposofie veroveren, en dat is helaas wat ik in de praktijk zie gebeuren.
Ik heb daar in het eerste deel van dit essay twee voorbeelden van gegeven, maar er zijn er veel meer.
In feite zie ik het overal gebeuren.
De ‘bres in de antroposofische muur’ is geen materiële bres, ofschoon ze zich wel in de materie uitdrukt. Het is een wereldwijd netwerk van scheuren en barsten waarlangs de materialistische geest langzaam binnensijpelt.
Maar nergens zie ik dit ‘worldwide web’ zo duidelijk als in de kunst, de kunst die zo essentieel is voor de antroposofie.

20140112-190825.jpg

De grote kracht van de antroposofie ligt in haar kunstzinnigheid, in haar streven om geest en materie met elkaar te verbinden.
Het antroposofische streven is niet louter spiritueel van aard, het is evenmin louter materieel van aard, het is beide tegelijk.
Het uiteindelijke doel van de antroposofie is om van de wereld een kunstwerk te maken, noch meer noch minder.
Juist die kunstzinnigheid onderscheidt haar van vrijwel alle andere spirituele of materialistische bewegingen.
Maar diezelfde kunstzinnigheid is ook haar achilleshiel.
Daar, en daar alleen, is de antroposofie kwetsbaar.
En dat weet de draak heel goed.
Daarom richt hij zijn pijlen op deze plek.
Dat doet hij overigens niet alleen in de antroposofie, hij doet dat overal.
Er is geen gebied dat door de draak zo geviseerd wordt als de kunst, en met name dan de beeldende kunst.
Daar vinden in onze tijd de grootste verwoestingen plaats.
En het zijn ‘kunstzinnige’ verwoestingen, verwoestingen die tegelijk geestelijk en materieel van aard zijn.

We zijn in onze tijd niet alleen getuige van de verwoesting van de kunst, maar ook van het ontstaan van de kunst der verwoesting.
Anders gezegd: het verwoesten van de kunst gebeurt op kunstzinnige wijze.
Het gebeurt van binnenuit, met de middelen van de kunst zelf.
Weten waar de achilleshiel van de kunst zich bevindt, en die zwakke plek ook nog eens feilloos raken, dat is een kunststuk, daar moet je een kunstenaar voor zijn.
Ik voel dan ook onwillekeurig bewondering, niet voor de Hedendaagse Kunst, dat wil zeggen voor de verwoesting zelf, maar voor de geest die erachter zit, die buitengewoon intelligente en ‘kunstzinnige’ geest die erin geslaagd is het gehele artistieke verleden van de mensheid in pakweg 50 jaar van de aardbodem weg te vegen.
Voor alle duidelijkheid: ik heb het hier over de geest van de kunstzinnige traditie, niet over de materie, dat wil zeggen over de kunstwerken. Die bestaan nog altijd en worden nog altijd geëerd. Maar de geest waaruit ze zijn ontstaan, is dood. Hij is door de geest van de Hedendaagse Kunst als het ware met één reusachtige zwaardhouw doormidden gehakt.

20140112-191343.jpg

Hoezeer ik de ‘oude’ geest van de kunst ook liefheb, ik voel onwillekeurig ontzag voor de enorme kracht van de ‘nieuwe’ geest.
Je moet het maar kunnen: zo’n glorieus verleden met één enkele welgemikte slag vernietigen.
De antroposofie kan niet op zo’n indrukwekkend verleden bogen, integendeel, ze is nog piepjong. Toch heeft ze de afgelopen 100 jaar al heel wat gepresteerd. Alleen al het feit dat ze nog bestaat, mag als een prestatie van formaat gelden, want spirituele bewegingen zijn meestal kort van duur. De antroposofie heeft zich echter over de hele aarde verspreid: men treft ze aan van Amerika tot China, van de Noordpool tot de Zuidpool. Kwantitatief stelt het allemaal niet veel voor, maar kwalitatief wordt er overal ter wereld belangrijk werk verricht. Antroposofen zijn gedreven mensen, met een wereldvisie die tegen meer dan één stoot kan. De instellingen die ze overal opgericht hebben – scholen, landbouwbedrijven, artsenpraktijken, banken, economische associaties, wetenschappelijke onderzoekscentra, kunstzinnige initiatieven, religieuze verenigingen, zorginstellingen, ziekenhuizen, enzovoort – zijn voor veel zoekende mensen een toevluchtsoord, een thuishaven, een oord van inspiratie. Hoe bescheiden ook: het is een alternatief worldwide web.

Welnu, dit hele mondiale antroposofische web wordt vandaag geïnfiltreerd door de geest van de Hedendaagse Kunst. Overal kom je de naam van Joseph Beuys tegen, de grote voorman van deze kunst. Overal wordt hij enthousiast ontvangen, tot zelfs in Dornach. Deuren gaan voor hem open, fondsen worden vrijgemaakt, initiatieven opgestart. Met name jonge, geestdriftige antroposofen kiezen hem tot hun geestelijke leider. Ze zien in hem een eigentijdse versie van Rudolf Steiner: geen ernstige dominee met een zwart kostuum, maar een speelse, ondeugende kunstenaar die de ouderen choqueert, die uitdaagt en tot nadenken stemt. En die ouderen hebben geen verweer. Ze bekijken die vreemde nieuwlichter met wantrouwen, maar is dat niet wat ‘ouderen’ altijd doen? Het is volkomen normaal dat het oude weerstand biedt aan het nieuwe. Maar in het geval van Joseph Beuys is de oude garde machteloos. Ze moet toegeven dat de ideeën van deze avantgardist antroposofisch zijn en dat ze de jeugd weten te begeesteren. Dus wat kunnen ze anders doen dan hun bezwaren opzij zetten, in naam van de antroposofie? Een mens moet nu eenmaal offers brengen voor de goede zaak, nietwaar?

20140112-191515.jpg

En zo gebeurt het dat Joseph Beuys als een overwinnaar wordt binnengehaald.
Hij werd in Dornach zelfs herdacht op hetzelfde moment dat men de 100ste verjaardag vierde van de verbinding van de kunst met de antroposofie. Het was als één viering en daarom in zekere zin de officiële erkenning van de Hedendaagse Kunst als doel en middel van het moderne antroposofische streven.
Deze plechtige overhandiging van ‘de sleutels van de antroposofie’ aan de geest van de Hedendaagse Kunst ging vanzelfsprekend gepaard met een kunsttentoonstelling. Een leerlinge van Beuys had er niet beter op gevonden dan een zaal van het Goetheanum vol … verdroogde bananenschillen te strooien.
Voor sommige mensen (waaronder ikzelf) was dat de druppel die de emmer deed overlopen en ze deden iets ongehoords: ze protesteerden.
Zelf hoorde ik pas jaren later over de hele zaak toen ik twee artikels onder ogen kreeg die toen een fundamentele kritiek op Joseph Beuys en zijn Hedendaagse Kunst hadden geformuleerd. Voor mij was het de eerste kritische noot die ik in 30 jaar antroposofie hoorde. Ik voegde daar mijn eigen kritische noot bij, en samen ondergingen ze het lot dat alle kritiek op de Hedendaagse Kunst ondergaat: niemand sloeg er acht op.
Er kwamen in mijn geval twee ironische reacties, die het best vermakelijk vonden dat iemand zich druk maakte over die bananenschillen in het Goetheanum, en dat was dat. Ik heb nog even overwogen om op mijn beurt te reageren, maar de kans dat het tot een gesprek zou kunnen komen, was zo klein dat ik het maar opgaf.
Ik weet intussen wel dat de pleitbezorgers van de Hedendaagse Kunst de mond vol hebben van ‘kritische instelling’, ‘confrontatie’, ‘communicatie’ en ‘sociale sculptuur’, maar in de praktijk dulden ze geen enkele tegenspraak en reageren ze in de regel verontwaardigd op iedere kritische vraagstelling. Wie de vanzelfsprekendheid van de Hedendaagse Kunst niet aanvaardt, wordt beschouwd als een mens van slechte wil: hij komt niet in aanmerking voor een gesprek.

20140112-191652.jpg

Dat is in de antroposofische wereld niet anders dan daarbuiten.
De bijna totale afwezigheid van antroposofische kritiek op Joseph Beuys weerspiegelt de algemene kritiekloosheid ten aanzien van de Hedendaagse Kunst.
Het aantal kunstkenners dat ik ooit een fundamentele kritiek op de Hedendaagse Kunst heb weten formuleren, kan ik tellen op de vingers van één hand.
Vaste prik is ook dat van die klokkenluiders nadien nooit meer iets vernomen wordt. Ze verdwijnen geruisloos van het toneel.
Iedereen weet wat hem te wachten staat als hij zijn stem durft te verheffen tegen de Hedendaagse Kunst, en dus zwijgt iedereen als vermoord. Nergens is ook maar één spoor van kritiek te horen op de Heilige Hedendaagse Kunst (behalve dan die uiterst zeldzame druppels op de hete plaat). Overal heerst een ijzeren omerta die niemand straffeloos doorbreekt.

Dat is de werkelijkheid achter de Hedendaagse Kunst: een wereldwijde genadeloze dictatuur van een machtige geest waartegen geen kruid gewassen is.
Dat is ook de werkelijkheid achter Joseph Beuys, de antroposofische sjamaan die zoveel antroposofische geesten betovert.
Die (geestelijke) werkelijkheid dringt nu de antroposofische wereld binnen langs alle kieren en spleten.
Ik ken die geest al m’n hele leven, hij is mijn grootste kwelduivel.
Hij vernietigt alles wat mij lief is, hij steekt stokken in al mijn wielen.
Toen ik de antroposofie ontdekte, hoopte ik eindelijk een plek te vinden waar ik veilig voor hem was. Die illusie heeft niet lang geduurd. Ik heb hem in de antroposofische wereld zelfs beter leren kennen dan daarbuiten, juist omdat zijn duisternis zich daar duidelijker aftekent tegen het licht van de antroposofie.
De ontmoeting met Joseph Beuys is dan ook één van de grootste ontgoochelingen in mijn leven. Als een mens ook binnen de antroposofische muren niet veilig kan zijn voor de Grote Verwoester, waar dan wel?

20140112-191925.jpg

Ik heb echter leren begrijpen dat je als antroposoof niet kunt verlangen naar vrede op aarde aan alle mensen van goede wil, als je niet bereid bent de strijd met de draak aan te gaan. En daarvoor hoef je de antroposofische wereld niet te verlaten, o nee.
Dat heb ik de afgelopen kersttijd weer eens mogen ondervinden.
Ik was vast van plan mijn huis niet te verlaten en alle heilige dagen in mijn zetel naast de kerstboom door te brengen.
Maar dat was zonder de waard gerekend.
Toen ‘Antroposofie Vandaag’ in de bus viel, sloeg ik het nietsvermoedend open.
En daar was hij weer, de Herodes van mijn kerstdagen, de onvermijdelijke.
In liefst vier verschillende artikelen kwam ik Joseph Beuys tegen, twee keer expliciet en twee keer impliciet.
Het was meteen afgelopen met mijn kerstvrede.

Ik werd geconfronteerd met de vraag: wat moet ik doen?
Moet ik mijn mond houden, en de lieve vrede bewaren?
Of moet ik mijn mond opendoen, en Herodes wakker maken?
Dat is geen eenvoudige vraag.
In het verleden heb ik altijd gereageerd als ik deze kindermoordenaar zag verschijnen.
Ik kon mijn weerzin niet beteugelen.
Ook al verscheen hij in al zijn glorie tijdens de feestelijke afsluiting van een steinerschooljaar, ik stond op en klaagde hem aan.
Dat werd mij kwalijk genomen door ouders, leerkrachten én kinderen.
Hoe haalde ik het in mijn hoofd om dergelijke dingen te zeggen over mensen die zich het hele jaar hadden ingezet voor de school en de kinderen!
Waar was ik trouwens geweest dat hele jaar?
Men had me niet eens gezien!
Maar nu iedereen welverdiend aan het feestvieren was, verscheen ik om ieders vreugde te vergallen!
Wie was nu eigenlijk de Herodes?

20140112-192035.jpg

Ik droop af als een geslagen hond, met de staart tussen de poten.
Ik moest bekennen: ik had het feest verstoord met mijn geblaf.
Ik had leerkrachten in tranen doen uitbarsten.
Ik had ouders vol afkeer naar me zien kijken.
Ik had zelfs de verontwaardiging van de leerlingen gewekt.
Nee, ik had er absoluut geen goed gevoel bij.
Ik voelde me smerig, en ik had diepe spijt van wat ik gezegd had.
Maar van één ding had ik geen spijt: dát ik gesproken had.
Trots was ik er niet op, want ik had een figuur geslagen.
Maar ik had het tenminste geprobeerd.
Ik had geprotesteerd.
En toen ik nadien de kinderen van de klas – letterlijk en figuurlijk – in hun ondergoed zag staan, wist ik dat ik me niet vergist had.
Voor hen was ik opgekomen, al beseften ze dat zelf niet.
Ze beseften niet dat ze misbruikt werden.
Ook de ‘misbruikers’ beseften dat niet.
Ze waren ervan overtuigd in de geest van de Hedendaagse Kunst te handelen.
En wat kon daar verkeerd mee zijn?

Ik heb al die mensen gebruskeerd, al vermoed ik dat het nauwelijks tot hen doordrong.
Ze vonden het al te vergezocht wat ik zei, en de manier waaróp ik het zei bevestigde dat alleen maar.
Toen ik jaren later vernam dat diezelfde geest van de Hedendaagse Kunst ook in Dornach feestelijk ontvangen was, herhaalde de geschiedenis zich.
Ik protesteerde opnieuw, ik wekte opnieuw verontwaardiging en ik droop opnieuw af.
Als ik herlees wat ik toen geschreven heb, schaam ik me diep.
Maar ik schaam me over de vorm, niet over de inhoud.
Ik heb geen spijt dát ik geprotesteerd heb.
Iemand moest het doen, ook al was die iemand niet opgewassen tegen de geest waartegen hij protesteerde.

20140112-192154.jpg

En nu gebeurt het dus opnieuw.
There is a system in this madness.
Opnieuw zie ik – tijdens de kersttijd dan nog – een geest verschijnen die een diepe weerzin in me oproept, die mij letterlijk ziek maakt.
Ik zou me veel beter voelen als ik hem negeerde.
Het zou voor iedereen veel aangenamer zijn als ik mijn mond hield.
Maar er zou iets blijven knagen.
Mijn geweten zou geen rust hebben.
Zeker, ik zou het het zwijgen kunnen opleggen.
Dat zou mij, en ook anderen, vele voordelen opleveren, voordelen waar ik heel erg naar verlang.
Maar ik wil het niet, ik kan het niet.
Al m’n hele leven weiger ik dat zwakke, beverige stemmetje van mijn geweten de mond te snoeren als ik weer eens tegenover de Herodiaanse geest van de Hedendaagse Kunst kom te staan.
Ik zoek die afschuwelijke geest niet op, integendeel, ik probeer hem juist zoveel mogelijk te vermijden.
Maar ieder jaar komt hij mijn kersttijd verpesten, en ik wil nu toch eindelijk eens weten waarom.
Daarom schrijf ik dit ‘Driekoningen-essay’: in een (zoveelste) poging om de geest te begrijpen die mij al m’n hele leven kwelt, de geest die mij voor een verbijsterend raadsel stelt, de geest die mij niet los wil laten, de geest van de Hedendaagse Kunst.

Ik ken de risico’s die daarmee verbonden zijn.
Waarschijnlijk zal ik weer mensen voor het hoofd stoten.
Waarschijnlijk zullen mensen weer denken: o nee, niet opnieuw!
Waarschijnlijk zal ik een pak lezers verliezen.
Maar ik doe het toch.
Ik wil verlost raken van die pesterige Hedendaagse Geest.
En dat lukt nooit door hem te negeren.
Dus moet ik hem onder ogen zien.
En mijn diepe, diepe walg beteugelen.
Want hij is mijn dubbelganger.
Hij is mijn hoogstpersoonlijke kwelgeest, de nagel aan mijn doodskist.
Ik haat hem uit de grond van mijn hart.
Hij belichaamt alles wat ik verafschuw.
Hij is het kruis dat ik moet dragen, en waaraan ik weer eens gespijkerd zal worden.
Maar als ik dat niet accepteer, dan wordt dat kruis op iemand anders’ schouders gelegd, dan wordt iemand anders aan het kruis genageld, een onschuldig kind.
En dat kan ik niet hebben.

20140112-192847.jpg

Daarom trek ik weer eens ten strijde tegen de geest van de Hedendaagse Kunst, tegen die monsterachtige draak die zich voedt met onschuldige kinderen.
Ik zal die strijd weer smadelijk verliezen, maar het is al verliezend dat men wint van de draak.
Ik voel me bovendien gesterkt door de droom die ik had tijdens een van de heilige nachten, de droom waarin ik aan tafel zat en driekoningentaart at met een gangsterbende. Het was mijn buurman die op de boon beet en ze vloekend voor mij op tafel gooide, de boon die van goud bleek te zijn.

Ik hoor in antroposofische kringen al jaren spreken over de twaalf heilige nachten en over de heel bijzondere mogelijkheid die er dan bestaat om contact te maken met de geestelijke wereld.
Dat laatste lukte me nooit.
Mijn kerstnachten waren allesbehalve heilig, en dromen deed ik nooit.
Tot dit jaar.
Toen was er die slapstick-droom over die gangsterbende.
Niet bijster spiritueel, als je ’t mij vraagt.
Maar hé, ik ben een beginneling, het was mijn allereerste kerstdroom!
We zullen nu eens zien wat er waar is van al die mooie verhalen over de heilige nachten van de kersttijd.
We zullen eens zien of ik in staat ben mijn dubbelganger wat goud te ontfutselen.
Want the proof of the pudding is in the eating, isn’t it?

20140112-192350.jpg