Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: Filosofie der Vrijheid

Het levende denken (epiloog)

  
 
Met mijn beschouwingen over het levende denken heb ik een grens bereikt. Welke grens dat precies is weet ik niet, maar ik heb het gevoel dat ik niet meer verder kom, dat ik in een kringetje begin te draaien. Dat geldt trouwens niet alleen voor de afgelopen beschouwingen, maar ook voor mijn denken en schrijven in het algemeen. Misschien ben ik gewoon vermoeid en moet ik er een tijdje tussenuit, maar ik denk dat er meer aan de hand is. Het is alsof er een cirkel rond is. Toen ik, in antwoord op een lezersvraag, begon na te denken over het levende denken, knoopte ik – zonder me dat te realiseren – aan bij het boek waarmee het 35 jaar geleden allemaal begon: Rudolf Steiners Filosofie der Vrijheid. Daarin denkt hij na over het denken en dat trok me over de streep. Opeens kwam er een eind aan mijn jarenlange verzet tegen de antroposofie. Ik gaf me over, zonder enige terughouding. Nadat ik dit meest onleesbare van al zijn boeken had uitgelezen, was ik antroposoof geworden. En ik ben het nog altijd.

Ik herinner het mij nog goed. Het was de avond van mijn 30ste verjaardag. Ik zat in mijn zetel en voelde me lethargisch, verveeld en leeg. Het enige wat ik wilde, was iets om mijn gedachten bezig te houden. We hadden geen televisie en dus greep ik het boek dat toevallig naast me op de grond lag. Het bleek de Filosofie der Vrijheid te zijn. Geen idee waar het vandaan kwam. Had ik het zelf gekocht of was het van mijn vrouw? Het maakte niet uit. Als het de leegte van die lange herfstavond maar kon vullen. En dat deed het. Ik las het in één ruk uit en op slag waren al mijn weerstanden tegen de antroposofie overwonnen. Wat me overstag deed gaan was de gedachte dat denken en waarnemen samenhoren, dat binnen- en buitenwereld twee kanten van dezelfde werkelijkheid zijn, en dat ze alleen in ons bewustzijn gescheiden optreden. Dat was voor mij een enorme geestelijke verlossing, want ik voelde me opgesloten in mezelf, niet in staat om de mij omringende wereld te bereiken. 

Het dualisme – de leer van de twee werelden – was voor mij geen overtuiging, maar een staat van zijn, een existentiële ervaring. Aan de ene kant was er de wereld van mijn gedachten, gevoelens, dromen en verlangens, aan de andere kant de buitenwereld, die vreemd, onherbergzaam en dreigend was. In de ene wereld kon ik mezelf zijn, in de andere werd ik gedwongen iemand anders te zijn. Ik leefde in twee werelden die volkomen haaks op elkaar stonden en die tegenstelling was een voortdurende kwelling. Eén uitzondering: de kunst. Toen ik als 11-jarig jongetje naar de academie ging, ontdekte ik een wereld waar ik helemaal mezelf kon zijn en die niettemin deel uitmaakte van de buitenwereld. Het was een soort vrijplaats waar ik de ruimte en de tijd kreeg om al tekenend stap voor stap door te dringen in die buitenwereld. Was dat niet dezelfde situatie die Rudolf Steiner beschrijft in de Filosofie der Vrijheid wanneer hij het heeft over het denken? Alleen trof ik die situatie niet in mezelf aan, maar in de buitenwereld.

De verwantschap tussen kunst en denken ondervond ik al op de eerste dag, want in plaats van me vol genot over te kunnen geven aan de vormenrijkdom van de wereld – wat ik voordien al tekenend placht te doen – moest ik mij de discipline van het meetkundige denken eigen maken. Ik deed wat me gezegd werd en in de loop der jaren veranderden al die rechte lijnen langzaam in vloeiende lijnen waarmee ik de zintuiglijke werkelijkheid beter kon beschrijven dan ooit. Toen ik later op school dezelfde meetkunde kreeg – maar dan in zuiver abstracte vorm, los van iedere concrete werkelijkheid – blokkeerden mijn hersenen, ze weigerden alle dienst. Het was een soort allergische reactie op alles wat met wiskunde te maken had en ik kreeg ze niet onder controle. Mijn schooltijd eindigde in een complete ramp. Zoals ik er nu op terugkijk, was het die tweedeling tussen zinnelijkheid en abstractie, tussen waarnemen en denken, tussen kunst en wetenschap die zo’n heftige, instinctieve reactie bij me teweegbracht.

De academie was voor mij de plaats waar denken en waarnemen met elkaar verzoend werden, de school was de plaats waar ze uit elkaar werden gedreven en alle zintuiglijkheid aan de deur werd gezet. Die school vertegenwoordigde de moderne wereld waar de wetenschap oppermachtig heerste, de academie daarentegen was een restant van de oude kunstzinnige wereld wier dagen geteld waren. Dat ondervond ik aan den lijve: onder druk van ‘de wereld’ werd de kunst geleidelijk uit mijn leven geperst. Toen ik op mijn 30ste verjaardag de Filosofie der Vrijheid ter hand nam, was ze er helemaal uit verdwenen en in mijn ziel was een doffe leegte achtergebleven. Al tekenend was ik nog in staat geweest om de diepe kloof tussen mezelf en de buitenwereld te overbruggen, maar nu was die brug ingestort en zat ik hopeloos gevangen in mezelf, in een hoofd vol nutteloze gedachten en een hart vol machteloos verlangen. Ik had de grenzen van het dualisme bereikt, ik was helemaal verscheurd. 

De Filosofie der Vrijheid verloste me uit die gevangenschap, net zoals de kunst dat eerder had gedaan. Ze deed dat op het niveau van het bewuste denken, terwijl de kunst dat had gedaan op het niveau van het fysieke handelen. Maar wat er op die twee – schijnbaar zover uit elkaar liggende – gebieden actief was, was hetzelfde en het had een geestelijk karakter, een denkkarakter. De meetkunde bijvoorbeeld, die ten grondslag lag aan het tekenen (en bij uitbreiding aan alle beeldende kunst) was niet ontleend aan de zintuiglijke werkelijkheid, ze had zich zuiver in het denken zelf ontwikkeld. En dat zuivere denken was in staat door te dringen in de zintuiglijke werkelijkheid en zichzelf te transformeren tot het vermogen om kunstzinnige beelden te scheppen, beelden die deel uitmaakten van de zintuiglijke werkelijkheid, die hetzelfde karakter en uitzicht hadden, met dat verschil dan dat ze niet leefden, dat ze dezelfde abstracte, onbeweeglijke aard hadden als de meetkunde.

In de kunst wordt het denken zintuiglijk maar niet levend. Wie naar een kunstwerk kijkt, kijkt naar een buitengewoon complex denken, waarvan iedere beweging is vastgelegd in een tekening of een schilderij. Want de kunstenaar denkt op papier en op doek, hij denkt niet in gedachten die hij vervolgens uitvoert. Nee, zijn denken en handelen vallen samen. Iedere lijn die hij trekt of iedere penseelstreek die hij aanbrengt, is in wezen een denkbeweging, en al die denkbewegingen samen vormen het kunstwerk. Een kunstliefhebber is dan ook een denkliefhebber, iemand die er niet genoeg kan van krijgen te kijken naar iemands denken. Maar het is niet diens denken-in-gedachten waar hij naar kijkt (want dat is onzichtbaar), het is een denken-in-beelden, een denken dat in de materie is afgedaald en daardoor zodanig vertraagd is dat het zichtbaar is geworden. Kunst maakt het denken zichtbaar (of hoorbaar, zoals in de muziek).

Het wonderlijke is nu dat dit zintuiglijk geworden denken rechtstreeks tot het gevoel spreekt. Het spreekt ook nog wel tot het verstand, maar dat is bijzaak geworden, want het verstand kan nooit doordringen tot het wezen van de kunst, het blijft erbuiten staan. Wie dit aspect miskent, reduceert kunst tot wetenschap voor kinderen, tot science for dummies, en dat is ze niet. Kunst maakt het mogelijk dat een uiterst complex geheel van denkbewegingen in één oogopslag waargenomen en beoordeeld wordt. De kwaliteit van dit denken komt tot uiting in de schoonheid van het kunstwerk, en die kan nooit waargenomen worden met het verstand. Schoonheid wordt waargenomen met het hart, en dat gevoelsmatige waarnemen is een oordelen, een Anschauende Urteilskraft zoals Goethe het noemt. Iedereen die in staat is met zijn hart te kijken, ziet dat het ene kunstwerk van een hoger niveau is dan het andere, maar bewijzen kan hij dat nooit, het is een strikt individuele waarneming. 

Toen ik 35 jaar geleden de Filosofie der Vrijheid las, deed ik dat met mijn verstand, maar begrijpen deed ik het boek met mijn hart. Ik ‘zag’ als het ware waar het om ging en dat zien had op mij hetzelfde verlossende, vreugdevolle effect als een kunstwerk. Het boek was een uiterst complex geheel van zeer abstracte gedachten waar ik, toen ik ze later opnieuw las, nog maar weinig van begreep, maar op de een of andere manier vormden ze een kunstwerk, anders hadden ze nooit tot mijn hart kunnen doordringen en erdoor begrepen worden. Zoiets had ik nog nooit gelezen: een boek dat tegelijk wetenschappelijk en kunstzinnig was, een boek dat in de praktijk bracht waar het in theorie over sprak, namelijk het samengaan van waarnemen en denken, van het in wezen kunstzinnige waarnemen en het rationele, wetenschappelijke denken. Zonder het te beseffen bevond ik mij tijdens het lezen van de Filosofie der Vrijheid in wat Rudolf Steiner de ‘uitzonderingstoestand’ noemde: het waarnemen van het denken. 

Kort daarna trof ik, op dezelfde toevallige manier, in de boekhandel een ander antroposofisch werk aan dat hetzelfde deed, maar dan in omgekeerde zin: Van Bethlehem tot de Jordaan, van Emil Bock. Ik was in die tijd al lang van mijn geloof afgevallen, en zonder de Filosofie der Vrijheid zou ik nooit een boek over Jezus van Nazareth hebben gelezen. Dat deed ik nu wel, zij het niet zonder enige aarzeling, en tot mijn verbazing was ik van bij de eerste regels enthousiast. Zoiets had ik ook nog nooit gelezen: iemand die op een buitengewoon kunstzinnige en beeldende manier aan wetenschap deed. Het mocht dan wel geen natuurwetenschap zijn, het was toch een zeer nuchter en nauwkeurig tekst- en geschiedkundig onderzoek dat zeker niet bedoeld was als fictie. Ook dit boek las ik in één ruk uit en opnieuw was er dat intense gevoel van bevrijding: samen met de beelden van het christendom kon ik mijn jeugd weer omarmen. Na de brug naar de buitenwereld werd er nu een brug naar het verleden geslagen, een brug in de tijd. 

Enkele jaren later volgde er nog een derde boek, dat me eveneens toevallig in handen viel: Christussucher und Michaëldiener van Hans Peter van Manen. Ik had nooit een woord Duits geleerd, maar ik las het boek, net als beide vorige, in één ruk uit (met behulp van een Prisma-woordenboekje). Ten derde male voelde ik het enthousiasme opvlammen, wat (achteraf gezien) niet zo verwonderlijk was, aangezien het in wezen om dezelfde zaak ging: de coincidentia oppositorum, het samenvallen der tegendelen. Ging het in de Filosofie der Vrijheid om waarnemen en denken, en in Van Bethlehem tot de Jordaan om de twee Jezuskinderen, dan ging het dit keer om oude en jonge zielen. Het waren drie variaties op hetzelfde thema. De eerste variatie speelde zich af op denkgebied, de tweede op gevoelsgebied, en de derde op wilsgebied. Iedereen is immers ofwel een oude ofwel een jonge ziel en dus kun je niet buiten dit thema blijven staan. Het komt pas tot leven als je je er – heel persoonlijk – mee verbindt.

Die verbinding is een vrije daad. Dat blijkt wel uit het feit dat vrijwel geen enkele antroposoof hem stelt, ondanks de aanmaningen van Rudolf Steiner. De Filosofie der Vrijheid is een cultboek, er wordt in de antroposofische wereld hoog over opgegeven ofschoon ik betwijfel dat veel mensen het gelezen hebben. Ook het verhaal van de twee Jezuskinderen is algemeen bekend, maar veel wordt er niet over nagedacht, heb ik de indruk. Het blijft grotendeels in de gevoelssfeer steken, de sfeer van eerbied en verering. Over het zielenthema echter wordt helemaal niet nagedacht, de drempel naar de wilssfeer blijkt te hoog te zijn. Het gaat hier niet om het willen op zich – men kan moeilijk beweren dat antroposofen niet actief zijn – het gaat om een willen dat zowel met het denken als het voelen verbonden is. En dit bewuste en vrije willen roept heel sterke weerstanden op. Dat heb ik de afgelopen 30 jaar meermaals mogen ondervinden. Mensen worden zelfs kwaad als ze met het zielenthema geconfronteerd worden.

Voor mij is het thema van de oude en de jonge zielen het mooiste uit de antroposofie. Het maakt me enthousiast en ik beleef er vreugde aan, zoals aan alles wat kunstzinnig is. Maar het bezorgt me ook veel verdriet. Niet alleen vind ik het pijnlijk om te zien hoe antroposofen Rudolf Steiner negeren, juist wanneer hij met de grootste aandrang spreekt, maar de miskenning van het zielenthema schept ook afstand tussen mezelf en de antroposofische beweging. Die beweging had in feite de opvolger moeten worden van de academie zoals ik die in mijn jeugd heb gekend: een spirituele oase in een woestijn van materialisme, een vrijplaats waar ik me thuisvoelde en helemaal mezelf kon zijn. Dat is de antroposofische vereniging echter nooit geweest. Juist de wilssfeer, waar kunst ontstaat en vrijheid reëel wordt, waar het dode denken tot leven komt en zich transformeert tot een scheppende kracht, bleek het grote struikelblok. Zodra ik die sfeer betrad werd ik de deur gewezen, en niet altijd op zachtzinnige wijze.

Op de meest pregnante manier kwam dat tot uiting toen ik (ongeveer) zeven jaar na het lezen van de Filosofie der Vrijheid nog een vierde variatie op hetzelfde tweeledige thema leerde kennen. Dat gebeurde opnieuw volkomen onverwacht. Dit keer betrof het geen antroposofisch werk – althans niet in naam – maar een kunstwerk dat helemaal wortelde in de wereld van onze tijd. Wat ik ervaren had aan de drie boeken beleefde nu zijn Steigerung. Niet alleen de vreugde was veel groter, maar ook het verdriet, want de miskenning en afwijzing van de antroposofische wereld was nu totaal. Wat hebben wij daarmee te maken! zeiden ze in koor. Het klonk me in de oren als: wat hebben wij met jou te maken! Maar meer nog klonk het als: wat hebben wij te maken met de wereld van onze tijd! Voor het eerst in mijn leven had ik werkelijk het gevoel over de brug te zijn geraakt en mijn isolement overwonnen te hebben. En uitgerekend op dat moment zei de antroposofische wereld: ga weg met die onzin, laat ons met rust!

Dat heb ik dan ook gedaan: afgezien van enkele zure oprispingen heb ik hen sindsdien met rust gelaten. Er was trouwens geen doorkomen aan, het was alsof ik op een muur botste. Ik zag maar één manier om deze kloof te overbruggen en dat was: denkend doordringen in het kunstwerk dat mij bevrijd had en dat als geen ander het denken in beeld bracht. Het bleek het spannendste te zijn wat ik ooit gedaan had, maar ook het moeilijkste. Ik realiseerde me dat ik nog nooit echt nagedacht had in mijn leven. Pas nu – nel mezzo del cammin di nostra vita – begon ik dat te doen. Zoals ik destijds naar de kunstacademie ging om echt te leren tekenen, zo zette ik nu mijn eerste stappen in een ‘denkacademie’, en die heb ik sindsdien niet meer verlaten. Ik ben blijven nadenken over dit kunstwerk, telkens weer botsend op de grenzen van mijn denken, telkens weer mijn onmacht belevend. Vandaag wil ik een laatste poging doen om deze zaak rond te krijgen, de zaak waar mijn hele leven rond gedraaid heeft: de coincidentia oppositorum

De Tuin van Heden (7)

  

Op het dieptepunt van mijn leven – tussen mijn 30ste en mijn 33ste levensjaar – vond ik eindelijk de toegang tot de antroposofie. Er was een lange worsteling aan voorafgegaan, maar de ‘intrede’ zelf verliep moeiteloos. Ze gebeurde in drie stappen, telkens door het lezen van een boek dat me toevallig in handen viel: De Filosofie der Vrijheid (denken), Tussen Bethlehem en de Jordaan (voelen) en Christussucher und Michaeldiener (willen). Alledrie waren het variaties op hetzelfde thema, het thema van de polariteit. Ik zette deze drie stappen in de antroposofie met groeiend enthousiasme. De Filosofie der Vrijheid bevrijdde me uit de gevangenis van het dualisme, het verhaal van de twee Jezuskinderen opende mijn hart weer voor de christelijke oerbeelden uit mijn jeugd, en met het thema van de oude en de jonge zielen kon ik zelf aan de slag, ik kon het verbinden met mijn eigen leven. Vooral dat laatste sprak me aan, het maakte van de antroposofie een persoonlijke zaak. 

Speelde De Filosofie der Vrijheid zich nog helemaal in de regionen van de geest af, de twee Jezuskinderen brachten die geest naar de aarde in de vorm van oerbeelden, en het zielenthema individualiseerde hem ten slotte. Stap voor stap kwam de antroposofie naar me toe, eerst als iets vreemds en onaantrekkelijks, dan als iets verhevens dat uit de hemel neerdaalde, en uiteindelijk als iets eenvoudigs, iets gewoon-menselijks. Zo werd het zielenthema door Rudolf Steiner ook voorgesteld: als iets heel gewoons, een kleinigheid die hij bijna terloops vermeldde. Maar die kleinigheid bracht hij wel in verband bracht met het allergrootste – het voortbestaan van de menselijke beschaving – en hij verbond ze bovendien met het persoonlijke lot van zijn toehoorders. Hoewel hij zijn best deed om een lichte toon aan te slaan, kon hij de ernst van de zaak toch niet verbergen. Zijn publiek deinsde dan ook terug, zoals het dat eerder al had gedaan toen hij over karma sprak. Maar dit keer zette hij door. 

Ook voor Rudolf Steiner was het zielenthema een persoonlijke aangelegenheid, want voor het eerst in zijn leven kon hij openlijk spreken over wat hem het nauwst aan het hart lag: zijn eigen levensopgave, karma en reïncarnatie. Tot nog toe had hij daarover moeten zwijgen omdat de weerstanden – uiterlijk zowel als innerlijk – te groot waren. Maar nu onthulde hij de ‘geïncarneerde’ versie van De Filosofie der Vrijheid. De relatie tussen waarnemen en denken was een relatie tussen mensen geworden, tussen oude en jonge zielen. Tijdens de Weihnachtstagung had Rudolf Steiner de antroposofische vereniging opnieuw opgericht. Hij begon als het ware helemaal opnieuw en hij deed dat met een metamorfose van De Filosofie der Vrijheid. Zoals dit boek de grondslag vormde voor de oude antroposofie, zo vormde het zielenthema de grondslag voor de nieuwe antroposofie. Het was de hoeksteen van het nieuwe (geestelijke) Goetheanum, van de nieuwe mysteriën. 

Het was een grote stap van de oude wijsheidsmysteriën naar de nieuwe wilsmysteriën, een stap van denken naar willen, een stap ook van de oude naar de jonge zielen. Reeds vóór de Weihnachtstagung had die overgang zware problemen veroorzaakt. De antroposofische vereniging was aanvankelijk een oude-zielenvereniging, een vereniging van mensen die de wijsheid van Rudolf Steiner opnamen en verzorgden. Na de eerste wereldoorlog stroomden echter talloze jonge zielen de vereniging binnen en dat waren mensen die iets wilden doen, die de wereld wilden veranderen. Daardoor botsten ze met de oude zielen, die gesteld waren op hun rust. De conflicten escaleerden en de verhitte gemoederen materialiseerden zich in de brand van het Goetheanum. Ze vernietigden de tot kunst geworden antroposofie, de brug tussen oud en nieuw stortte in. Rudolf Steiner zag zich genoopt de vereniging helemaal opnieuw op te richten, dit keer niet als een wijsheidsvereniging maar als een wilsvereniging.

De nieuwe wilsmysteriën waren openbare mysteriën. Esoterie en exoterie vielen samen, de vroegere (strenge) scheiding was opgeheven. In de karmavoordrachten sprak Rudolf Steiner openlijk over de vorige levens van zijn leerlingen. De Lohengrin-vraag (die niet gesteld mocht worden) was vervangen door de Parsifalvraag, de vraag naar het lijden van de antroposofie. Dat lijden werd veroorzaakt door de conflicten tussen oude en jonge zielen. De toehoorders kenden die – al te persoonlijke – conflicten uit eigen ervaring, maar nu werden ze gelieerd aan diepe esoterische waarheden, en daar schrokken ze van. De antroposofie kwam nu toch wel heel dichtbij. Moeten we daar echt over gaan nadenken? vroegen ze. Ja, antwoordde Rudolf Steiner, daar moeten jullie echt over nadenken, iedere antroposoof moet dat doen. Hij liet er geen twijfel over bestaan: de antroposofie moest een persoonlijke aangelegenheid worden. Daarin bestond de vernieuwing die hij tijdens de Weihnachtstagung had doorgevoerd.

Rudolf Steiner had de mysteriewijsheid ‘in de harten’ gelegd en daar leefde ze nu als de meest intieme beleving. Hij kreeg echter de kans niet om deze ‘menswording’ nader toe te lichten, want de tegenmachten reageerden furieus. Ze ontketenden reactionaire krachten die hem het leven kostten en de vereniging in twee scheurden. Honderd jaar later lijkt de wonde geheeld te zijn, maar het zielenthema blijft onbespreekbaar en de reactionaire krachten bestaan nog altijd. Nadenken over het eigen karma is not done. Het geldt nog altijd als ongepast om de antroposofie in verband te brengen met persoonlijke zaken. Ik kreeg dan ook het deksel op mijn neus met mijn enthousiasme over het zielenthema. Wat ik ook probeerde, ik botste op een muur van onverschilligheid. Pas toen ik een vooraanstaand antroposoof zijn publiek hoorde bezweren niet na te denken over dit thema, begon ik te vermoeden dat het om meer ging dan onverschilligheid alleen. Het was onwil, het was openlijk verzet tegen Rudolf Steiner zelf. 

Mijn stap in de wilswereld van de antroposofie, leidde tot de ontmoeting met de anti-antroposofie, de vijand-in-de-eigen-gelederen waar Rudolf Steiner meer dan eens over gesproken had. De nieuwe wilsmysteriën omvatten ook het mysterie van het kwaad, en met dat mysterie werd ik nu geconfronteerd. Dat gebeurde overigens niet alleen in de antroposofie, het gebeurde ook in de kunst. Ik ontmoette de anti-antroposofie op hetzelfde moment als de anti-kunst. Deze laatste was me al langer bekend, maar ik kwam er pas echt mee in contact nadat ik radicaal gekozen had voor de kunst. Deze gelijktijdigheid was geen toeval: anti-kunst en de anti-antroposofie werden bezield door één en dezelfde geest. Maar dat besefte ik toen nog niet. Het was me nog niet duidelijk wat kunst en antroposofie met elkaar te maken hadden. Dat begreep ik pas enkele jaren later toen ik de antroposofie onverwacht herkende in de kunst. Toevallig gebeurde dat vlakbij een brug over de Schelde …

Opnieuw weerspiegelde de buitenwereld wat er in mijn ziel gebeurde. Daar werd namelijk een brug geslagen tussen de wereld waarin ik leefde en de antroposofie (die zich voornamelijk in mijn gedachten en gevoelens afspeelde). De antroposofie verscheen hier niet voor een kleine groep uitverkorenen, maar voor het oog van de hele wereld en ze maakte miljoenen jonge mensen enthousiast. Ze deed dat in de vorm van een mysteriedrama dat enerzijds diep in de hedendaagse wereld wortelde en anderzijds reikte tot in de hoogste gebieden van de geest. Exoterie en esoterie vielen hier naadloos samen. Ik herkende de geest van de kunst, die ik gestorven waande en nu in een geheel nieuwe, eigentijdse vorm zag verrijzen. Maar ik herkende tegelijk ook de geest van de antroposofie, die nu pas echt tot leven kwam voor mij. En langzaam begon ik te begrijpen wat Rudolf Steiner bedoelde toen hij zei dat kunst en antroposofie dezelfde geest in de cultuur doen stromen. 

Voor de vierde keer op rij ontmoette ik het thema van de polariteit, dit keer niet in de vorm van een boek, maar in de vorm van een kunstzinnig drama. Nadat de antroposofie achtereenvolgens mijn denken, voelen en willen had aangesproken, sprak ze nu rechtstreeks mijn Ik aan. Maar dit keer deed ze dat niet vanuit de antroposofische wereld maar – geheel onverwacht – vanuit de vijandige buitenwereld. Toch herkende ik in dit onwaarschijnlijke mysteriedrama meteen de geest die mij zo lief was, die uit mijn leven was verdwenen en die ik nergens meer terugvond: de geest van de kunst. Ik trof hem uitgerekend daar aan waar ik hem nooit had verwacht. Hetzelfde gold voor de geest van de antroposofie: ik zag hem verschijnen op een plek waar antroposofen hem nooit zouden zoeken. Nochtans zegt Rudolf Steiner dat het Ik van de mens van buitenaf op hem toekomt. Ik stelde vast dat het voor de antroposofie niet anders is: ik zag haar Ik vanuit de buitenwereld op haar toekomen. 

Ik beleefde dat Ik-wezen tot in de kern van mijn ziel, maar mijn denkende bewustzijn kon het nog niet bevatten. Daardoor was ik niet in staat de zaak uit te leggen aan mijn mede-antroposofen. Ze waren ervan overtuigd dat ik me maar wat inbeeldde. Sommigen vonden het zelfs blasfemisch dat ik de antroposofie in verband bracht met iets zo werelds en laag-bij-de-gronds als het drama waar ik hen op wees. Ik was op mijn beurt geschokt door zoveel gebrek aan kunstzinnig gevoel. Het grote struikelblok was dat de makers van dit moderne mysteriedrama geen antroposofen waren. Ze hadden geen antroposofische ideeën in hun werk gelegd en bijgevolg konden die ideeën daar ook niet in aanwezig zijn. Deze redenering druiste volkomen in tegen Rudolf Steiners opvattingen over kunst, maar dat wist ik toen nog niet. Ik kon de onverschilligen en verontwaardigden niet duidelijk maken hoe anti-antroposofisch hun houding wel was. Het zou trouwens geen verschil hebben gemaakt. 

De dualistische leer van de twee werelden zit zo diep ingebakken in de ziel van de moderne mens dat zelfs de antroposofie daar niet tegenop kan. Antroposofen kunnen het monisme van De Filosofie der Vrijheid in theorie nog wel aanvaarden, maar zodra ze de grens met de wilswereld overschrijden en in de praktijk terechtkomen, vallen ze weer in het oude, dualistische spoor. Daarvan getuigt hun houding tegenover kunst. Ik had het hen vroeger al eens gevraagd: hoe komt het toch dat antroposofen op alle gebieden tegen de stroom inroeien, behalve op één gebied: dat van de kunst? Uitgerekend daar waar de tegenpolen (door een wilsdaad) met elkaar verbonden worden en het dualisme overwonnen wordt, roeien ze vrolijk met de stroom mee, de lof zingend van de hedendaagse kunst, dat toppunt van dualisme. Ik kreeg nooit antwoord op mijn vraag. Net als het zielenthema is het thema kunst onbespreekbaar en wel om dezelfde reden: het confronteert antroposofen met hun dualisme, met hun anti-antroposofie. 

Ik heb nooit getwijfeld aan de goede wil van antroposofen (en doe dat nog altijd niet), maar in de loop der jaren is me steeds duidelijker geworden dat er in hun ziel ook een ‘slechte’ wil leeft, een wil die zich tegen de antroposofie keert. Ik leerde die anti-wil voor het eerst kennen in verband met het zielenthema. Toen ik een gerespecteerd antroposoof in dit verband dwars tegen Rudolf Steiner hoorde ingaan, viel ik van mijn stoel van verbazing. Die verbazing werd nog groter toen niemand bleek te protesteren tegen deze anti-antroposofie. En ze steeg ten top toen mijn – voorzichtige – vraag over dit ‘merkwaardige’ standpunt op verontwaardiging werd onthaald. Hoe durfde ik! Het was de omgekeerde wereld: ik nam het op voor Rudolf Steiner en ik werd beschouwd als een … anti-antroposoof. Aandringen had geen zin, want een gesprek was niet mogelijk. Het begon langzaam tot me door te dringen dat ik te maken had met een gevaarlijke vijand die je onmiddellijk met gelijke munt betaalde.

Niet alleen onder antroposofen zaaide hij twist en tweedracht, hij trok ook een muur op tussen antroposofen en de buitenwereld. Dat ondervond ik door de afwijzende reacties op het mysteriedrama waarin ik de antroposofie in kunstzinnige vorm had zien verschijnen. Ook hierover was geen gesprek mogelijk. Ik besloot er dan ook het zwijgen toe te doen, niet zozeer omdat ik mezelf onmogelijk maakte, maar vooral omdat ik de zaak zelf schade berokkende. En die zaak was dat dit mysteriedrama een brug sloeg naar miljoenen mensen over de hele wereld. Die (overwegend jonge) mensen waren enthousiast geworden over de antroposofie, maar ze beseften het niet, het moest hen verteld worden. Was dit geen uitgelezen kans om vele antroposofen-in-spe te bereiken door hen aan te spreken in een taal die zij begrepen? Was dat niet waar antroposofen naar streefden: aansluiting vinden bij de moderne wereld, de taal spreken van deze tijd? Dat was tenminste wat ze steeds weer beweerden.

Maar het was niet wat ze wilden. Ze toonden geen enkele belangstelling voor dit unieke kunstwerk. Ze haalden hun schouders op en zeiden: wat hebben wij daarmee te maken! Het klonk me in de oren als: wat hebben wij te maken met de wereld daarbuiten! Wat hebben wij te maken met al die jonge mensen die de antroposofie zoeken! Wat hebben wij te maken met … de antroposofie! Zoals ik het wezen van de antroposofie vanuit de buitenwereld op me toe had zien komen, zo zag ik nu het wezen van de anti-antroposofie vanuit de antroposofische wereld op me toe komen. En zo verrukt als ik was over het eerste, zo ontzet was ik over het tweede. Ik zou deze anti-antroposofische geest later nog twee keer zien verschijnen en telkens wekte hij een diepe afschuw en verontwaardiging in me op. Maar ik stond machteloos want telkens wekte ook ik diepe afschuw en verontwaardiging bij anderen op. Het was onmogelijk om deze anti-geest te confronteren zonder daar zelf het slachtoffer van te worden. 

De Tuin van Heden (6)

  

Op mijn 30ste verjaardag greep ik uit verveling een willekeurig boek vast. Het bleek De Filosofie der Vrijheid van Rudolf Steiner te zijn. Sinds ik mijn vrouw zeven jaar geleden had leren kennen, worstelde ik met de antroposofie. Ik had voordien al een aantal boeken van Rudolf Steiner gelezen, maar was nooit verder geraakt dan halverwege. Hun inhoud sprak mij wel aan, maar de saaie ‘wetenschappelijke’ vorm maakte ze voor mij onverteerbaar. In antroposofische kringen was het dan weer de religieuze sfeer die me op de maag lag. Men sprak er over engelen, kabouters en ‘elementaarwezens’ alsof het niks was. Hebben jullie wel eens een kabouter gezien? wilde ik weten. Neen, dat hadden ze niet. Dus jullie geloven gewoon dat ze bestaan? Dat wilden ze dan weer niet toegeven. De steinerschool had me door haar kunstzinnige karakter meteen overtuigd, maar wat moest ik met de antroposofie, een geloof dat pretendeerde wetenschap te zijn? Ik had voor geen van beide enige aanleg. 

Mijn vrouw daarentegen bleek er geen moeite mee te hebben en dat intrigeerde me. Hoe kon een nuchter en verstandig iemand zoals zij zich inlaten met mensen die geloofden in het bestaan van sprookjeswezens? Talloze gesprekken en dicussies hadden we daarover, maar het lukte haar niet me te overtuigen. Het water tussen mij en de antroposofie was te diep. Uiteindelijk vond ik dan toch een brug, een volkomen onverwachte brug nog wel. De Filosofie der Vrijheid was het meest onverteerbare boek van de hele antroposofie. Om redenen die ik nog altijd niet begrijp, las ik het in één ruk uit. Ik voelde me als ijzeren Hendrik nadat de prinses de kikker had gekust: de ijzeren banden rond mijn hart sprongen los. Ze waren gesmeed uit de overtuiging die de moderne wereld overheerst: wat zich afspeelt in het menselijk hart heeft niks te maken met de wereld daarbuiten. De onzichtbare muur tussen beide was voor mij realiteit, hij had me opgesloten een in een onzichtbare gevangenis.

Uit die gevangenis bevrijdde Rudolf Steiner me door uit te leggen dat die muur alleen in ons bewustzijn bestaat. De werkelijkheid is één, maar in ons bewustzijn verschijnt ze als gescheiden in waarneming en denken. We hebben die scheiding zelf veroorzaakt en we kunnen ze ook weer opheffen door een brug te slaan tussen waarneming en denken. Vermoedelijk herkende ik in de gortdroge uiteenzetting van Rudolf Steiner mijn eigen situatie. Zoals de scheiding tussen stad en platteland in mijn (uiterlijke) leven steeds groter was geworden, zo was in mijn ziel een steeds groter wordende kloof ontstaan tussen mijn waarnemingen en gedachten. Nergens was die kloof zo duidelijk als op school, in de lessen wiskunde. Ik had geen idee wat die abstracte wereld van cijfers en getallen te maken had met de zintuiglijke wereld waarin ik leefde en niemand kon het me uitleggen. Het werd als volkomen vanzelfsprekend beschouwd dat waarneming en denken niks met elkaar te maken hadden.

Aan de academie had ik een heel andere ervaring. Daar beleefde ik al tekenend de vanzelfsprekende eenheid van waarneming en denken. Het eerste wat ik er leerde was een assenstelsel op mijn blad te tekenen en aan de hand daarvan de plaats van punten bepalen. Die les duurde hooguit vijf minuten en het was de enige die ik ooit kreeg. Al de rest vloeide eruit voort. De lijnen en punten ontwikkelden zich tot een koffiepot, een plant, een dier, een mens. In iedere tekening ging ik de weg van de meest abstracte wiskunde naar de meest zintuiglijke werkelijkheid. Het een was een metamorfose van het ander, er was geen wezenlijke scheiding. Maar deze kunstzinnige ervaring van de eenheid der tegendelen moest het in mijn puberteit steeds meer afleggen tegen de wetenschappelijke ervaring van hun scheiding. En die scheiding werd totaal toen ik volwassen werd. Het bewustzijn van de eenheid verdween en tegenpolen vielen uit elkaar in twee werelden waartussen een diepe kloof gaapte. 

In die kloof vond ik De Filosofie der Vrijheid. Het boek toonde aan dat waarnemen en denken twee zijden van dezelfde medaille waren, dat ze allebei tot dezelfde werkelijkheid behoorden. In scherpe, wetenschappelijke begrippen legde Rudolf Steiner uit wat ik in de kunst telkens weer had beleefd: dat er slechts één werkelijkheid was, dat we ze op twee zeer verschillende manieren ervaren – als zintuiglijke waarneming en als abstract, meetkundig denken – en dat we die twee weer met elkaar kunnen verbinden. Hoe had mijn hart niet kunnen opspringen nu het in de kern van de wetenschap – in dit denken-over-het-denken – de kunst herkende? Die herkenning was een begrijpen-met-het-hart, ze was nog lang geen begrijpen-met-het-hoofd. Ik beleefde De Filosofie der Vrijheid als een ziele-aangelegenheid, niet als de oplossing van een filosofisch raadsel. Toen ik het later opnieuw las, begreep ik er niks meer van. De herkenning was een moment van genade geweest. 

In feite was De Filosofie der Vrijheid een herhaling van mijn eerste tekenles. Opnieuw toonde een leraar mij dat waarneming en denken één zijn. Opnieuw deed hij dat op een zeer zakelijke, nuchtere manier die ogenschijnlijk niks te maken had met de kunstzinnige, zintuiglijke wereld die eruit zou voortvloeien. Wie zou bij het lezen van dit droog-filosofische boek ooit kunnen denken dat de hele antroposofie eruit is voortkomen, die wonderbaarlijke wereld met zijn ontelbare beelden en praktische toepassingen! Ik had destijds ook nooit kunnen denken dat de hele wereld van de kunst, met zijn grenzeloze vormenrijkdom, voortkwam uit een simpel assenstelsel, een zuiver meetkundige constructie. Maar ik was een kind, ik deed gewoon wat de leraar zei en ondervond dat hij gelijk had. Zo verging het me ook met De Filosofie der Vrijheid. Rudolf Steiner gaf me opnieuw vertrouwen in mijn denken, en door dat denken te verbinden met mijn waarnemingen ondervond ik gaandeweg dat hij gelijk had. 

De gedachte is de vader van het gevoel, schreef hij in De Filosofie der Vrijheid. Dat werd algauw bewaarheid, want kort daarna las ik een boek dat rechtstreeks mijn gevoel aansprak. Ik aarzelde toen ik in de boekhandel Tussen Bethlehem en de Jordaan zag liggen, het boek van Emil Bock over de onbekende jaren van Jezus van Nazareth. Wat moest ik met een boek over Jezus? Had ik de godsdienst en de bijbel niet al jaren geleden achter me gelaten? Maar ik dacht bij mezelf: wie A zegt, moet ook B zeggen. En ik kocht het boek. Al op de eerste bladzijden was ik verrukt over de kunstzinnige beschrijving van Palestina’s geografie en de diepe betekenissen die daarin verborgen lagen. Dit was een taal die ik begreep en ik las ook dit boek in één ruk uit. Ik had nog nooit gehoord over het bestaan van twee Jezuskinderen, maar het stoorde me niet, integendeel. Ik vond het buitengewoon kunstzinnig, vanzelfsprekend en zelfs onvermijdelijk. Mijn gevoel accepteerde het onmiddellijk.

In feite was het verhaal van de twee Jezuskinderen de kunstzinnige versie van De Filosofie der Vrijheid. Het ene Jezuskind was een uitgesproken denker, het andere was één en al waarneming. Maar hoe verschillend ze ook waren, ze herkenden in elkaar het Christuswezen dat boven hen zweefde en waarvan ze in zekere zin de twee menselijke verschijningsvormen waren. De wederzijdse herkenning bracht hen ertoe samen te smelten tot een menselijke schaal die de Christusgeest kon ontvangen. Rudolf Steiner had deze ‘schaalvorming’ in De Filosofie der Vrijheid denkend verwezenlijkt. In Tussen Bethlehem en de Jordaan beschreef Emil Bock datzelfde ‘smeltproces’ aan de hand van bijbelse oerbeelden. Na het denken, de waarneming. Wat zich tussen de twee Jezuskinderen afspeelde kon ik me veel beter voorstellen dan wat Rudolf Steiner in abstracte begrippen beschreef. Het was de tweede – kunstzinnige – stap in de overbrugging van de kloof tussen mezelf en de antroposofie. 

De derde stap volgde niet lang daarna, opnieuw in de vorm van een boek: Christussucher und Michaëldiener van Hans Peter van Manen. Op een dag trof ik het op de keukentafel aan. Mijn vrouw had het te leen gekregen van een vriend die het op zijn beurt kado had gekregen van iemand die het uit Dornach had meegebracht. Het was alleen te krijgen in het Goetheanum, en dan nog alleen voor leden van de vereniging. Hoe groot was de kans dat ik het in handen zou krijgen? Maar daar lag het, gewoon op tafel. Ik had nooit een woord Duits geleerd, laat staan een Duitse tekst gelezen, maar toen ik het boek opensloeg, las ik het – net als beide vorige boeken – in één ruk uit, het woordenboek in de aanslag. Het was mijn eerste kennismaking met Rudolf Steiners karamaonderzoek en ik herkende mezelf meteen in zijn beschrijving van de oude zielen. Ik herkende ook mijn vrouw onmiddellijk als een jonge ziel, en dat verklaarde veel, heel veel. Dit was antroposofie naar mijn hart, ik was meteen verkocht.

Opnieuw was dit boek een variatie op hetzelfde thema. Na waarnemen en denken in De Filosofie der Vrijheid, en de twee Jezuskinderen in het boek van Emil Bock, ging het hier om oude en jonge zielen, of Christuszoekers en Michaëldienaars zoals Hans Peter van Manen ze noemde. Na het denken en het voelen was het nu de beurt aan het willen. En dat was een heel andere wereld, dat zou ik al vlug ondervinden. Ik betwijfel of veel mensen De Filosofie der Vrijheid gelezen hebben, maar er wordt alleszins veel gesproken en geschreven over dit boek. Er worden zelfs cursussen en conferenties over gehouden. Ondanks zijn onaantrekkelijkheid heeft het niet te klagen over de aandacht die het krijgt. Ook het verhaal van de twee Jezuskinderen is in de antroposofische wereld welbekend. Maar ofschoon het boeiender en kleurrijker is dan De Filosofie der Vrijheid moet ik toch diep nadenken om me een boek voor de geest te halen dat dit onderwerp behandelt.

Dat is echter nog niets vergeleken bij het lot van het zielenthema. Bijna 40 jaar na zijn verschijnen is het boek van Hans Peter van Manen nog altijd het enige dat het onderwerp ernstig neemt. De eerste druk is nog steeds verkrijgbaar en de vertaling die ik er later van maakte, staat intussen in de ramsj, want de uitgever raakt het aan de straatstenen niet kwijt. Er is waarschijnlijk geen enkel ander antroposofisch onderwerp waar zo weinig over geschreven en gesproken wordt dan juist het zielenthema. In al die jaren heb ik er welgeteld één voordracht weten over houden, en die gaf dan nog de niet mis te verstane boodschap mee dat antroposofen zich verre moesten houden van het zielenthema. Dat dit de algemene houding is in antroposofische kringen heb ik meer dan eens mogen ondervinden. Ik was dan ook diep teleurgesteld toen niemand (behalve mijn vrouw, met wie ik talloze gesprekken over het onderwerp voerde) mijn enthousiasme bleek te delen. Het zielenthema was gewoon taboe.

Ik begreep het niet. Hoe konden antroposofen zo onverschillig blijven tegenover een thema waar Rudolf Steiner zo sterk de nadruk had op gelegd! Tijdens zijn karmavoordrachten had hij verklaard dat iedere antroposoof over dit onderwerp hoort na te denken. Honderd jaar later wordt in antroposofische kringen precies het tegenovergestelde verkondigd. Mijn kennismaking met het wilsgebied van de antroposofie, betekende tegelijk mijn ontmoeting met de anti-antroposofie. Tot mijn verbazing stuitte ik in de antroposofische wereld op een (onbewuste) wil die zich hardnekkig tegen de antroposofie verzette. Later zou ik vernemen dat Rudolf Steiner zelf had gezegd dat in de antroposofische vereniging de uitgesproken tendens  bestond om hem dood te zwijgen. Nu kon ik alleen maar vaststellen dat het waar was.  Hoe was zoiets mogelijk? Hoe konden mensen met evenveel overtuiging voor én tegen de antroposofie zijn? Hoe konden er twee tegengestelde ‘willen’ in hun ziel leven zonder dat ze het beseften?

Antroposofie en karmabewustzijn (5)

  

Afgelopen kerst was het (op twee maanden na) precies 33 jaar geleden dat ik antroposoof werd. Dat gebeurde op mijn 30ste verjaardag. Na een lamlendige dag zat ik me ’s avonds stierlijk te vervelen en pikte zonder te kijken een boek op dat naast mij op de grond lag. Het bleek de Filosofie der Vrijheid van Rudolf Steiner te zijn. Mijn vrouw moest dat ooit eens gekocht hebben. Ach ja, dacht ik, waarom niet? Als het me maar bezig hield. Ik had vroeger al eens geprobeerd een paar boeken van Steiner te lezen, maar ik was er nooit doorheen geraakt. Onverteerbaar, vond ik. Het beterde er niet op toen ik de eerste antroposofen leerde kennen. Ze hadden het over de geestelijke wereld alsof het niks was. Ik begreep niet hoe mijn vrouw zich met dergelijke goedgelovige lieden kon inlaten. Nee, antroposofie was niks voor mij. Maar die avond was ik te lui om een ander boek te zoeken en dus begon ik te lezen. Toen ik uren later de laatste bladzijde omsloeg, was ik antroposoof geworden.

Hoe kwam dat? Hoe kon één enkel boek me tot de antroposofie bekeren, en dan nog wel het meest onverteerbare? Later zou ik nog verschillende keren proberen het te herlezen, maar het ging mijn petje te boven. Hoe meer ik las, des te minder ik ervan begreep. Nochtans stond me nog altijd helder voor de geest wat me precies over de streep had getrokken. Dat was de gedachte dat waarnemen en denken twee kanten van dezelfde medaille zijn. Wat we buiten ons waarnemen en wat zich in ons innerlijk afspeelt, staat volgens Rudolf Steiner niet los van elkaar. Het zijn geen twee afzonderlijke werelden, maar twee complementaire manieren waarop we de ene, ondeelbare werkelijkheid benaderen. Rechtstreeks kunnen we die werkelijkheid niet waarnemen. Ofwel zien we haar zintuiglijke dimensie, ofwel denken we haar bovenzintuiglijke dimensie, maar nooit verschijnen beide samen. Dat is onze condition humaine: in ons bewustzijn treden geest en materie gescheiden op, hoewel ze in werkelijkheid één zijn. 

Deze (aristotelische) gedachte was voor mij een enorme bevrijding. Ik realiseerde me opeens hoezeer ik geterroriseerd was geweest door de (in oorsprong platonische) overtuiging dat er twee werelden waren – een zintuiglijke en een bovenzintuiglijke – waartussen geen enkel contact bestond. Ik was me totaal niet bewust van dit verstarde platonisme, maar ik ondervond er wel de implicaties van. Als wat ik dacht, voelde en wilde niks te maken had met de werkelijkheid buiten mij, dan was ik fundamenteel alleen, dan zat ik hopeloos opgesloten in mezelf. En zo beleefde ik het ook. Ik had geen echt contact met de wereld om me heen, ik stond erbuiten. Mijn leven verliep als in een droom, ik had er geen enkele greep op. Ik deed mijn uiterste best om te voldoen aan de verwachtingen en net als de anderen te zijn, maar hoe meer ik probeerde, des te meer had ik het gevoel ‘anders’ te zijn. Uiterlijk paste ik me zo goed mogelijk aan, maar innerlijk verborg ik me angstvallig. 

Ik leefde een dubbelleven. In de buitenwereld was ik een toneelspeler die een rol vertolkte maar in voortdurende angst leefde om ontmaskerd te worden. Er zou, dat voelde ik, iets verschrikkelijks gebeuren als men erachter kwam wie ik werkelijk was. Niet dat ik dat zelf wist – het woordje ‘ik’ had voor mij geen enkele betekenis – maar toch was ik doodsbang ‘ontdekt’ te worden. Ik trok mij zoveel mogelijk terug in een fantasiewereld. Dromen, dat was het liefste wat ik deed, en slapen natuurlijk, want dan kon ik eindelijk ontsnappen aan het voortdurende heen en weer pendelen tussen droom en werkelijkheid. Ik bestond als het ware uit twee personen, die in gescheiden werelden leefden. Naarmate ik opgroeide, dreven ze steeds verder uit elkaar en beleefde ik mezelf als een leegte, een zwart gat, een ‘niets’. En daar viel ik steeds vaker in. Dan ging het licht uit en zonk ik weg in donkere diepten waar ik alleen maar kon wachten tot ik weer boven zou komen.

Begreep mijn verstand niet wat Rudolf Steiner met zijn Filosofie der Vrijheid bedoelde, mijn hart herkende het maar al te goed. Wat hij met filosofische begrippen beschreef, was de werkelijkheid waarin ik leefde: een gebroken werkelijkheid, een gespleten werkelijkheid. Doorheen zijn woorden zag ik duidelijk wat die innerlijke verscheurdheid veroorzaakte: het dualisme, de leer van de twee werelden. En dat inzicht was voor mij een enorme bevrijding, een verlossing, een geboorte. Uiteraard waren beide werelden – de buitenwereld en de binnenwereld – nog altijd gescheiden, maar ik had een gaatje gevonden, een opening. Ik was niet langer gedoemd om in dat beklemmende niemandsland te leven, dat grauwe schimmenrijk. En degene die me de uitweg had gewezen, degene die een lichtje had doen branden in de duisternis, was Rudolf Steiner. Daarom werd ik antroposoof: niet omdat ik begreep wat hij allemaal vertelde, maar omdat hij me ‘verlost’ had.  

Zoals het hoort, werd ik enkele dagen na mijn (geestelijke) geboorte ‘gedoopt’. In de Fnac trof ik een antroposofisch boek aan (dat kon toen nog): Emil Bocks Tussen Bethlehem en de Jordaan, over de onbekende jaren van Jezus van Nazareth. Die ‘onbekende jaren’ intrigeerden me wel, maar wat moest ik met een boek over Jezus? Ik was al zeker 15 jaar atheïst, op dezelfde manier als ik dualist was geweest: niet uit overtuiging, maar als beleving. Ik had niks tegen God of religie, maar ik begreep niet hoe mensen daar nog konden in geloven, evenmin als ik begreep hoe antroposofen konden geloven in kabouters, engelen en andere wezens die ze niet konden zien. Na een lange aarzeling besloot ik het boek te kopen. Wat de doorslag gaf was de gedachte: wie A zegt, moet B zeggen. Wie antroposoof werd, moest Christus erbij nemen, het een ging niet zonder het ander. En zo werd ik van de ene op de andere dag gelovig, net zoals ik van de ene op de andere dag antroposoof was geworden. 

Reeds de eerste bladzijden van het boek – over de geografie van Palestina – brachten me in verrukking. Zo had ik de wereld nog nooit weten beschrijven: alsof hij een kunstwerk was. En dat gold voor het hele onderwerp: één groot kunstwerk dat op een nuchtere, wetenschappelijke manier beschreven werd. Hart en hoofd: het blijft een heerlijke combinatie. Later zou ik vernemen dat de toehoorders van Rudolf Steiner geschokt waren toen hij hen voor het eerst vertelde dat er niet één maar twee Jezuskinderen waren geweest. Zelf voelde ik alleen maar verbazing: was de oudere Jezus werkelijk in een huis geboren en niet in de stal? Ik ging het meteen nakijken en inderdaad, daar stond het: de Jezus uit het Mattheusevangelie werd geboren in een huis! Meer had ik niet nodig om overtuigd te worden. De hele geschiedenis was te mooi om niet waar te zijn. Zoiets kon je onmogelijk bedenken, en algauw vond ik de hele zaak vanzelfsprekend: natúúrlijk waren er twee Jezuskinderen geweest!

Opnieuw viel er een gewicht van me af waarvan ik niet wist dat ik het al die tijd met me mee had gesleurd. Ik was blij de bijbelse beelden waar ik als kind mee opgegroeid was, weer in mijn bewustzijn te kunnen toelaten. Niet dat ik zo godvruchtig was geweest – religie maakte deel uit van de buitenwereld die ik als een kameleon nabootste – maar het is toch verre van aangenaam te moeten beseffen dat je als kind bedrogen bent. Hoewel ik nooit de – momenteel zo populaire – gedachte gekoesterd heb dat religie een middel is om mensen te hersenspoelen, was ik toch blij dat de bijbelse beelden geen ballast waren die ik onbewust meezeulde. Integendeel, ze bleken diepe waarheden te bevatten, waarheden die in mijn ziel wortel hadden geschoten en die ik nu weer onbekommerd aan het licht kon laten komen. Wat een akelig denkbeeld trouwens dat de mensheid, misleid door religieus bedrog, altijd in duisternis heeft gedwaald en pas in onze tijd het licht heeft gezien! 

Het is een van de grote pluspunten van de antroposofie dat ze niet alleen een weg wijst naar de toekomst, maar dat ze het heden ook weer verbindt met het verleden. Terwijl het hedendaagse materialisme de mens afsnijdt van zijn verleden en hem doet geloven dat zijn voorouders louter bedriegers en bedrogenen waren, stelt de antroposofie de menselijke geschiedenis voor als een organisch geheel. De toekomst ontwikkelt zich uit het verleden en we leven des te meer in het heden naarmate we ons daarvan bewust zijn. Het platonische dualisme speelt zich niet alleen in de ruimte af, maar ook in de tijd. Het scheidt niet alleen buiten en binnen, het scheidt ook verleden en heden. En het doet ons geloven dat we het een bereiken door het andere af te wijzen. Het aristotelische monisme van Rudolf Steiner ontkent de platonische scheiding niet, maar neemt ze op in een groter, driegeleed geheel dat zich zowel in ruimte als tijd ontwikkelt volgens de wetmatigheden van de metamorfose. 

Het was dan ook niet meer dan logisch dat op mijn geboorte in het denken (de Filosofie der Vrijheid) en mijn geboorte in het voelen (de herontdekking van het christendom) nog een derde geboorte zou volgen. Die werd opnieuw bewerkstelligd door een boek dat me toevallig in handen viel: Christussucher und Michaëldiener van de hand van Hans Peter van Manen. Op een dag trof ik het op de keukentafel aan. Mijn vrouw had het te leen gekregen van wijlen Peter Vanden Berghe die het cadeau had gekregen van iemand die het uit Dornach had meegebracht (elders was het niet te krijgen). Nietsvermoedend sloeg ik het boek met de vreemde titel open en wat me zo’n 12 jaar eerder met de Filosofie der Vrijheid was overkomen, overkwam me opnieuw: ik las het in één ruk uit en was verkocht. Dat was des te merkwaardiger omdat ik geen woord Duits kende en nog nooit een Duits boek had gelezen. Maar met een Prisma-woordenboekje lukte het wel.

Opnieuw was ik enthousiast. Wat een spannend thema! Dat het in wezen hetzelfde thema was dat me ook beide vorige keren geestdriftig had gemaakt, realiseerde ik me nog niet. Geboeid las ik wat Rudolf Steiner zei over oude en jonge zielen. Meteen begreep ik waarom mijn vrouw en ik zo verschillend waren, en waarom we de antroposofie zo totaal anders benaderden. Het zielenthema zou het onderwerp worden van talloze gesprekken tussen ons, gesprekken waarin veel begrijpelijk werd wat anders onverklaarbaar was gebleven en voor heel wat onbegrip en ergernis had gezorgd. Mijn vrouw, onmiskenbaar een jonge ziel, was een zogenaamde ‘driegeleder’: ze dacht altijd in termen van drie. Als oude ziel kon ik daar echter niks mee beginnen. Ik ervoer die driegeleding als iets van de buitenwereld, iets dat me werd opgelegd en dat ik moest nabootsen (als ik er tenminste wilde bijhoren). Maar innerlijk was het me volkomen vreemd. Mijn wereld was een door en door dualistische wereld.

Zei Rudolf Steiner niet steeds dat je als antroposoof moet beginnen met wat er is (en niet met wat er zou moeten zijn)? Welnu, de drie boeken die mij tot de antroposofie brachten, en achtereenvolgens mijn denken, voelen en willen aanspraken, maakten dat mogelijk. Alledrie gingen ze uit van een dualiteit, die echter niet als een onoverkomelijke tegenstelling maar als een vruchtbare polariteit werd voorgesteld. En daar kon ik iets mee. De driegeleding was veel te hoog gegrepen voor me. Ik vond al geen aansluiting bij de werkelijkheid, laat staan bij een ideale werkelijkheid. Maar de ‘tweegeleding’, ja die kende ik, daar bestond ik als het ware uit. Ik beleefde het dan ook als een diepe, persoonlijke acceptatie dat Rudolf Steiner die dualistische wereld niet afwees maar hem juist tot uitgangspunt – en zelfs voorwaarde – van zijn driegelede streven maakte. Zonder waarneming en denken geen vrijheid, zonder twee Jezuskinderen geen Christus, zonder oude en jonge zielen geen antroposofische vereniging. 

De spiegel van de kunst

‘Men moet zich bij het beleven tegenover de idee kunnen plaatsen, anders wordt men door de idee geknecht’.
Aldus Rudolf Steiner in zijn Filosofie der Vrijheid.
Hij heeft het hier natuurlijk niet over de dode, abstracte gedachte (die ons juist vrij laat) maar over de levende idee, dat wil zeggen over het geestelijke wezen achter de gedachte.

De belangrijkste ‘idee’ van onze tijd is ongetwijfeld Christus.
Dat we vandaag zijn wederkomst beleven, plaatst ons voor de opgave om tegenover hem te gaan staan, anders worden we als mensheid ‘geknecht’.
Geknecht worden door Christus is natuurlijk een contradictio in terminis.
Christus is wel de laatste die de vrijheid van de mens in het gedrang zou willen brengen.
Nee, het is door zijn tegenpool, de Antichrist, dat we geknecht worden als we niet tegenover Christus kunnen gaan staan.
En dat is wat vandaag op grote schaal gebeurt.
De Antichrist probeert de hele mensheid te knechten en hij gebruikt daarvoor onze blinde overgave aan Christus.

We raken in toenemende mate in de greep van de Antichrist omdat we de wederkomst van Christus ‘verslapen’.
Die wederkomst vindt namelijk plaats in de etherische wereld, de wereld die geest en materie verbindt.
Aangezien we als mens zowel uit lichaam als uit geest bestaan, is de etherische wereld ons eigenlijke element.
We zwemmen erin rond als een vis in het water, maar net als die vis zijn we ons niet bewust van dat zo vertrouwde element.
Het verschijnen van Christus in de etherische wereld plaatst ons voor de opgave om dit element te leren kennen, anders kunnen we Christus niet onderscheiden van de Antichrist en zal deze laatste ons knechten zonder dat we het zelfs maar merken.

De beste manier om de etherische wereld te leren kennen, is door de kunst.
De etherische wereld is namelijk een bij uitstek kunstzinnige wereld en het zijn etherische krachten die de kunstenaar gebruikt om materie te verheffen tot kunst.
Die kunst bezit dan ook de bij uitstek etherische eigenschap geest en materie met elkaar te verbinden.
Wanneer we naar een kunstwerk kijken, nemen we een etherische wereld waar en we doen dat op een etherische manier.
Wanneer we de wereld van de kunst betreden, dompelen we ons onder in het etherische element.
Maar we zijn ons daar niet van bewust want we gaan kopje onder in dit ‘water’, we kunnen er niet tegenover blijven staan.

Wat daar de gevolgen van zijn, zien we in de hedendaagse kunst.

Door hun vertrouwdheid met de etherische wereld waren kunstenaars de eersten die de wederkomst van Christus gewaarwerden.
Hun kunst ondergaat in de 20ste eeuw dan ook een ware metamorfose.
De ene dag maakten ze nog impressionistische schilderijen, de volgende dag stelden ze … een pispot tentoon.
Ze breken radicaal met het verleden: de kunst van na 1900 kan zelfs niet meer vergeleken worden met de kunst van daarvoor.
Wie de figuur van Christus een beetje kent, kan zich moeilijk voorstellen dat hij zich bij zijn wederkomst artistiek zou uitdrukken door middel van pispotten en kakmachines.
Wie weet hoe een rups verandert in een vlinder kan zich ook maar moeilijk voorstellen dat in de kunst precies het tegenovergestelde zou gebeuren en dat vlinders daar veranderen in rupsen.
En wie ten slotte vaststelt dat één ding géén metamorfose heeft ondergaan – ons bewustzijn – begrijpt wat er gebeurd is: we hebben de wederkomst van Christus ‘verslapen’ en daardoor is de kunst van de 20ste eeuw in handen van de Antichrist gevallen.

Christus en de Antichrist werken vandaag allebei in de etherische wereld.
Zolang we geen zintuig ontwikkelen voor die wereld, zullen we in toenemende mate ‘geknecht’ worden.
Diep in onze ziel – waar ons bewustzijn niet doordringt – begroeten we onze Heiland namelijk met groot enthousiasme.
Onze behoefte aan redding en genezing is zo groot dat we ons blindelings in zijn armen werpen.
We zijn eenvoudig niet in staat om afstand te houden.
Maar die afstand hebben we juist nodig om Christus te kunnen onderscheiden van de pseudo-Heiland.
Het volstaat dat deze laatste door middel van magische beelden en woorden rechtstreeks inwerkt op de onderbewuste lagen van onze ziel en we verliezen alle bezinning.
De gevolgen hebben we gezien in nazi-Duitsland.
En we zien ze vandaag ook in de hedendaagse kunst.

Dat wil zeggen, we zien ze eigenlijk NIET.

We kijken met verbijstering naar het Duitsland van de jaren ’30 en begrijpen niet hoe een hoogontwikkeld en vooruitstrevend volk als de Duitsers in de ban kon raken van zo’n onderwereldbeweging als het nazisme. Op hetzelfde moment staan de meest ontwikkelde en progressieve geesten onder ons vol bewondering voor een onderwereldkunst die bestaat uit pispotten, uitwerpselen en ander afval, en geen moment komt het in hen op dat ze eigenlijk precies hetzelfde doen.
Integendeel, ieder die hun ‘hedendaagse’ kunst in vraag durft te stellen, wordt ervan beschuldigd een … nazi te zijn, een gevaarlijke cultuurbarbaar.
Ze maken dus geen onderscheid meer tussen Christus en de Antichrist, evenmin als de Duitsers destijds.
Ze zijn op etherisch vlak volkomen blind geworden.
Het verontrustende is dat die blindheid vandaag niet slechts één volk treft, maar de hele mensheid.
De hedendaagse anti-kunst wordt bewonderd over de hele wereld, over alle grenzen heen.
Nog verontrustender is dat deze ‘etherische’ blindheid zich nu ook buiten de kunstwereld verspreidt.
Overal ter wereld zijn de hedendaagse intellectuelen behept met de onweerstaanbare drang om zich te onderwerpen aan een ronduit barbaarse ideologie.
Ze laten zich massaal knechten door de Antichrist.

Een en ander maakt duidelijk hoe belangrijk het is dat we bewustzijn ontwikkelen op etherisch gebied.
Het gaat om niets minder dan de redding van onze ziel, want wie eenmaal in de greep is van de Antichrist raakt er niet zomaar weer uit.
Wie ooit geprobeerd heeft in gesprek te gaan met zo’n ‘geknechte’ intellectueel weet dat het onbegonnen werk is: deze mensen zijn niet meer voor rede vatbaar.
We moeten dus uit de greep van de Antichrist blijven, en dat kan maar op één manier: door ons bewustzijn te verruimen, door ons inzicht in de materiële wereld uit te breiden tot de etherische wereld.
En dat is iets wat we kunnen oefenen in de kunst.
Dat is trouwens ook wat de Antichrist gedaan heeft: hij heeft de huidige ‘blindheid’ voorbereid in de kunst.

Door te midden van de klassieke kunstwereld (met zijn tekeningen, schilderijen en beeldhouwwerken) opeens een pispot neer te poten, heeft hij ons onverhoeds overvallen met de vraag: wat is kunst?
Op zich is dat geen slechte zaak, want die vraag leidt ons tot het bewustzijn van de etherische Christus.
Christus is namelijk het wezen van de kunst.
Het menselijke Ik schept zich een spiegel in de kunst, en juist omdat het deel is van het grote mensheids-Ik, schept het tegelijk een spiegel van Christus.
Wanneer we naar een kunstwerk kijken, zien we dus niet alleen onszelf weerspiegeld maar ook Christus.
We zijn ons daar alleen niet van bewust.
Hadden we, toen Marcel Duchamp zijn pispot tentoonstelde, werkelijk de vraag gesteld ‘wat is kunst?’ dan waren we ons bewust geworden van Christus – niet als een abstract, religieus begrip maar als een levende, geestelijke werkelijkheid.
Duchamps pispot verscheen echter in 1917, midden in de eerste wereldoorlog.
We hadden toen wel andere zaken aan ons hoofd dan te vragen naar het wezen van de kunst.

De Antichrist werkte dus op twee vlakken tegelijk: het materieel-fysieke (waar hij dood en vernieling zaaide) en het etherisch-kunstzinnige (waar hij de grootst mogelijke verwarring zaaide).
Dat doet hij trouwens nog altijd.
Door middel van een waar bombardement met intellectualistische beschouwingen over kunst schept hij zoveel verwarring over de vraag wat kunst nu eigenlijk is, dat niemand nog het antwoord vindt.
Tegelijk creëert hij in de buitenwereld zoveel dreiging en angst dat niemand het nog waagt om op die vraag een ander antwoord te geven dan dat van de Antichrist.
En dat antwoord luidt: kunst bestaat niet.
Kunst is gewoon een consensus, een naam die we afspreken ergens aan te geven.
Er is geen wezenlijke inhoud, er zit geen geestelijke realiteit achter.

Door in plaats van een kleurrijk impressionistisch schilderij opeens een pispot voor onze neus te zetten, heeft de Antichrist ons met een schok wakker gemaakt: kunst is niets anders dan een luciferische illusie, een mooie droom.
Die schoktherapie paste hij ook toe op de hele menselijke beschaving.
Met twee wereldoorlogen doorbrak hij de illusie dat de mens een beschaafd wezen was.
Beschaving, zo toonde hij aan, is niet meer dan een laagje vernis waaronder zich de ware roofdieraard van de mens verbergt.
Die ‘nuchtere waarheid’ houdt de Antichrist ons sindsdien onafgebroken voor ogen, in de wetenschap, in de kunst, in de media, ja zelfs in de religie: we zijn een bende wilde dieren die getemd moeten worden, anders loopt het verkeerd af.

De Antichrist is buitengewoon sluw.
Kunst is inderdaad schijn.
Wanneer we naar een schilderij kijken of naar muziek luisteren, zijn we even ‘weg’ van de gewone werkelijkheid: we bevinden ons in een droomwerkelijkheid waaruit we daarna weer ontwaken.
Daar valt niets op af te dingen.
De vraag is echter of die droomwerkelijkheid niet even werkelijk is als de zogenaamde echte werkelijkheid.
Het vermogen om kunst te scheppen en ervan te genieten maakt deel uit van onze menselijke natuur.
Zolang de mens bestaat, maakt hij kunst, iets wat geen enkel dier ooit gekund heeft.
Juist dat scheppende vermogen onderscheidt ons van de dieren.
Het is eigenlijk het meest werkelijke wat er bestaat: zonder dat vermogen zouden we niet meer kunnen leven.
We zouden zonder meer gek worden, we zouden elkaar kapot maken.
Een terugkeer naar het dier-zijn zou pas echt wilde roofdieren van ons maken.

Dat is wat de Antichrist met ons doet: door ons blind te maken voor de kunstenaar-in-ons verandert hij ons in roofdieren die elkaar verscheuren.
Hij doet dat door ons te beletten in de spiegel te kijken, want dat is de enige manier om de kunstenaar-in-ons te leren kennen.
We zijn die kunstenaar namelijk zelf, en als geestelijk wezen kunnen we niet naar onszelf kijken zonder hulp van de spiegelende materie.
De meest concrete spiegel die we hebben, zijn andere mensen, maar sinds de Antichrist zijn duivels ontbonden heeft, is het ontzettend moeilijk geworden om in die spiegel te kijken.
Gelukkig is er ook nog de spiegel van de kunst.
Juist doordat het geen levende spiegel is, stelt hij ons in staat om in alle rust en vrijheid het scheppende wezen van de mens – en dus ook Christus – te benaderen zonder gevaar te lopen geknecht te worden.
Hoe intens onze beleving van kunst ook is, we blijven er altijd tegenover staan.
Dat is vooral het geval met de beeldende kunst.
Haar zeer materiële karakter maakt het nagenoeg onmogelijk om in haar te ‘verdwijnen’ zoals we dat wel kunnen met muziek of dans of literatuur.
Het nadeel is dan weer dat het ons meer moeite kost om ‘erin’ te komen.
Maar in tijden als de onze is dat nadeel juist een voordeel.

(wordt vervolgd)

Driegeleders

Van een lezer kreeg ik, in reactie op mijn stukje ‘Arbeid en inkomen’ van 22 september, de volgende opmerking:
‘Bedenk dat er zelfs in het geestesleven geen productie kan zijn zonder vraag. Weinigen kunnen uit het geestesleven een volledig inkomen halen, ook in de driegeleding zal dat zo zijn.’
Toevalligerwijs kreeg ik die mail op hetzelfde moment dat de Vlaamse cultuursector moord en brand schreeuwt over de besparingsmaatregelen van de regering.
De kwestie is dus actueel, zowel voor mezelf als voor de hele kunst- en cultuursector van het land.
Van dezelfde lezer kreeg ik een dag later een nieuwe mail.
‘Onder de schrijvers zijn er tamelijk wat die nog ander werk deden. Elsschot was toch bankier, Maurice Gilliams werkte als archivaris of bibliothecaris, Spinoza brillenmaker. Maar hoe zit dat bij de schilders ? Blijkbaar ken ik te weinig biografieën. Ik heb zo het gevoel dat ze ofwel arm waren en bleven ofwel van thuis uit welstellend waren.’

20140926-133557.jpg

Afgezien van het feit dat Elsschot geen bankier maar reclamemaker was, klopt het dat veel schrijvers uit zijn tijd een job hadden, vaak in staatsdienst. Het was de toenmalige vorm van subsidiëring.
Ik heb zelf nog op een ministerie ‘gewerkt’, en als ik toen schrijver was geweest, had ik het grootste deel van mijn tijd aan het schrijven kunnen wijden.
Iedereen zou immers gedacht hebben dat ik ijverig aan m’n dossiers aan het werken was.
Nu heb ik ook wel eens zitten schilderen op m’n kantoor, maar dát viel nogal op.
Dus trok ik er ’s middags op uit, naar het Brusselse Warandepark of de oude Leopoldswijk.
Dat begon echter ook op te vallen, want een schilderij maak je niet op een uur tijd.
Ik bracht met andere woorden meer tijd buiten kantoor door dan op kantoor.
Schrijven mag dan wel compatibel zijn met een staatsjob, schilderen is dat zeker niet.
Ze hebben mij dan ook aan de deur gezet.
Dat was de gelukkigste dag uit m’n leven want nu kon ik de hele dag tekenen en schilderen en hoefde ik niet te doen alsof ik werkte.
Lang duurde dat geluk evenwel niet, want zonder werk en mét vrouw en drie kinderen, is tekenen en schilderen een stúk minder aangenaam.

Ik wil maar zeggen: was ik een schrijver geweest, dan zat ik daar waarschijnlijk nóg, op dat stoffige kantoor in de Brusselse Wetstraat.
Maar ik was een tekenaar-schilder, en dat valt NIET te combineren met een job in staatsdienst. Of in privé-dienst.
Het valt eigenlijk met geen enkele job te combineren, tenzij een job in het kunstonderwijs, maar dat kun je bezwaarlijk een echte job noemen.
Ik moet dan ook heel hard denken om een voorbeeld te vinden van een beeldend kunstenaar die een vaste job heeft of had.
Er komt er geen bij me op.
Vóór de subsidiëring werd uitgevonden, waren de meeste beeldende kunstenaars ofwel arm, ofwel van huis uit gefortuneerd, ofwel hadden ze een broer die Theo heette, ofwel hielden ze zich in leven met allerlei tijdelijke jobs die ze zo kort mogelijk hielden omdat ze hen beletten om te werken (sic).
Hun maatschappelijke positie viel niet te vergelijken met die van schrijvers of zangers.
Ze waren nu eenmaal vertegenwoordigers van het beeld en niet van het woord.
Hoe succesvol de uitzonderingen ook waren, de diepe kloof tussen die twee zo verschillende werelden konden ze niet overbruggen.
Zelfs Rubens, zowat de meest succesvolle aller schilders, kind aan huis bij de machtigen der aarde, werd op een vernederende manier op zijn nummer gezet als hij die diepe kloof niet respecteerde. Want hij was ‘maar’ een schilder, iemand die met zijn handen werkte.
Daarom kon hij – in tegenstelling tot de schrijvers – nooit tot de hogere kringen behoren, ondanks al zijn roem en rijkdom.

20140926-133646.jpg

Het verschil tussen woord en beeld, tussen schrijven en schilderen, raakt het wezen van de Europese beschaving zoals we die sinds de Oudheid kennen.
Hoeveel prachtige beelden die beschaving ook heeft voortgebracht, ze was toch altijd in de eerste plaats een beschaving van het woord.
Als antroposofen nu deze bij uitstek dualistische beschaving willen omvormen tot een driegelede beschaving, dan zullen ze eens heel diep moeten nadenken over die kloof tussen woord en beeld.
Want als ik lees dat ook in een driegelede samenleving kunstenaars een job zullen moeten gaan zoeken net als iedereen, dan vraag ik me af waarin zo’n samenleving verschilt van de huidige dualistische samenleving.

Ik hoor m’n tekenleraar nog verzuchten: ‘Vroeger, toen we jong waren, spraken wij over niets anders dan over kunst. Als ik vandaag luister naar de gesprekken van mijn leerlingen, dan gaan die over niets anders dan … geld. Hoe raak ik aan een job? Daar houden ze zich mee bezig, dat is voor hen het belangrijkste.’
Ik herinner me ook nog hoe onaangenaam ik getroffen was toen een antroposofisch kunstenaar me haarfijn uitlegde hoe je aan subsidies en werkbeurzen kon raken.
Maar zo is de realiteit: kunstenaars zijn vandaag meer bezig met geld dan met kunst.
En ze beseffen het zelf niet, want de grens tussen geld en kunst is zo vaag geworden dat beide gemakkelijk omgewisseld worden.
Verkopen is tot kunst geworden en kunst is een kwestie van verkopen geworden.

Waarom kiest vrijwel iedere jonge kunstenaar vandaag voor de Hedendaagse kunst?
Theoretisch gezien is hij volkomen vrij: voor het eerst in de geschiedenis kan hij doen wat hij wil. Geen artistieke wetten of regels binden hem nog.
Alles kan, alles mag.
En toch kiest hij bijna uitsluitend voor die ene, zeer extreme en buitenissige kunstrichting die zichzelf ‘hedendaags’ noemt.
Waarom?
Omdat alleen met dát soort kunst geld valt te verdienen (tenzij men natuurlijk over bijzondere commerciële talenten beschikt, wat bij kunstenaars zelden het geval is).
Wie NIET voor deze kunst kiest, krijgt het heel, heel moeilijk.
En jonge mensen wéten dat, ze zijn niet dom.
Of beter: ze hebben nooit iets anders geweten.
Ze zijn opgegroeid in een sfeer die geen onderscheid maakt tussen kunst en geld, tussen cultuur en economie, tussen geest en materie.
Het vormt allemaal één troebel geheel, en buiten dat geheel is er … niets.

Daarom zetten studenten het op een zuipen aan het begin van het nieuwe academiejaar: omdat op de grens tussen vakantie en school, tussen vrijheid en dwang, even het besef daagt dat de vrijheid van het geestesleven schijn is.
En dat besef willen ze instinctief verdoven, anders houden ze hun studie niet vol.

20140926-133759.jpg

Vandaag schreeuwt de gesubsidieerde kunst- en cultuursector moord en brand omdat er bespaard moet worden.
Maken ze zoveel misbaar omdat het geestesleven in gevaar komt?
Wel neen!
Ze zijn zo ontzet omdat ze dreigen te ontwaken, omdat ze dreigen geconfronteerd te worden met het feit dat er helemaal geen vrij geestesleven meer is en dat ze geen van allen zijn wat ze denken (en voorgeven) te zijn: vrije geesten die de samenleving broodnodig heeft.
Wat hen doet losbarsten in collectieve verontwaardiging is de dreiging, hoe klein ook, om naar zichzelf te moeten kijken en zich bewust te worden van le trahison des clercs waar ze zich schuldig aan maken.
Want allemaal hebben ze hun ziel verkocht voor geld.
Je krijgt vandaag immers geen subsidies – zelfs geen halve euro – als je je niet ten dienste stelt van de Mammon.

De culturo’s zwelgen in verontwaardiging zoals de studenten zwelgen in bier.
Ze verdoven zichzelf om niet herinnerd te worden aan het feit dat hun geestesleven niet in de geest wortelt maar in de materie.
Ze proclameren luidkeels het maatschappelijk belang van kunst en cultuur om niet onder ogen te moeten zien dat ze de slaaf zijn van de subsidiërende staat en de handeldrijvende economie.
En die geven gene ene moer om kunst en cultuur.
Dat zijn voor hen slechts middelen om hun macht en rijkdom te vergroten.
De vertegenwoordigers van het geestesleven, of dat nu kunstenaars zijn of wetenschappers, hebben slechts één vaste grond: de wereld van de geest.
En die geest leeft in het hart van de mens, in het hart van ieder mens.

Maar als er nu één plaats is waar de hedendaagse kunst- en cultuurwereld NIET leeft, dan is het wel in het hart van de mensen.
De moderne mens draagt de zogenaamde ‘kunst van zijn tijd’ niet in zijn hart.
Hij draagt ze hoogstens in zijn hoofd (als hij tot de intellectuele elite behoort).
Of hij draagt ze in zijn buik (als hij veel geld heeft en zich een plaats bij de ‘geestelijke elite’ wil kopen).
Maar hij draagt ze zeer beslist NIET in zijn hart.
Hoe zou hij ook kunnen!
De Hedendaagse kunst doet er (letterlijk) alles aan om dat ‘hart’ af te schrikken, om het uit te lachen, om het te laten voelen dat het geen toegang heeft tot de nieuwe, glorieuze kunst van onze tijd, de kunst van de nieuwe goden, de kunst van de ingewijden.
De allereerste voorwaarde om tot deze nieuwe Parnassus toegelaten te worden, is dat men zijn hart het zwijgen oplegt.
Maar juist in dat hart leeft de geest die de voedingsbodem is voor alle kunst en cultuur.
De geest die in hoofd en buik leeft, en die zich vandaag zo nadrukkelijk manifesteert via de staat en de vrije markt, brengt geen kunst voort, tenzij anti-kunst.
Hij doet een cultuur niet groeien en bloeien, hij vernietigt ze, keert ze om tot een anti-cultuur.

Dát is het besef dat – even – daagt wanneer de kunst- en cultuurwereld wakker wordt geschud door een besparingsmaatregel van de regering: we hebben geen enkele vaste grond onder de voeten, we leven in een luchtbel.
Maar die wereld slaapt veel te diep dan dat het besef echt zou kunnen doordringen.
Toen de Nederlandse regering enkele jaren geleden overging tot een besparing van maar liefst 20%, organiseerde de kunst-en cultuursector prompt een ‘Mars der Beschaving’.
De boodschap was duidelijk: zij, de culturo’s, waren de steunpilaren van de beschaving en die beschaving wankelde omdat er in hun subsidies werd gesnoeid.
De kranten stonden er vol mee, maar de toeschouwers – het gewone volk langs de weg – haalde de schouders op voor zoveel eigendunk.
Het lachte de beschavingspilaren vierkant uit.
And that was that.
Er werd verder niet meer over gesproken.

20140926-133921.jpg

Hier in Vlaanderen zal het niet anders gaan.
De ‘culturo’s’ zullen flink van jetje geven, maar niemand zal daar wakker van liggen.
Ik maak me sterk dat er flink gegniffeld wordt om al die culturele ontzetting.
Menigeen zal denken: eindelijk beleven we nog eens wat plezier aan die kunstenmakers!
Ik zou zelfs zover durven gaan om te zeggen dat de bevolking ten aanzien van de culturele sector slechts één echte vraag heeft: wanneer houden jullie eindelijk eens op met die verspilling van ons belastinggeld!
Wie heeft er nood aan het werk van Jan Fabre, Panamarenko, Wim Vandekeybus en consoorten?
Een heel klein kringetje van ‘uitverkorenen’.
En dan rijst nog de vraag of hun behoefte dat werk geldt dan wel hun eigen uitverkorenheid.
De kunst- en cultuursector is alleen bezig met zichzelf.
Zij geeft geen moer om de behoeften van de bevolking.

Nu naderen we de kern van het probleem, want de paradox is dat kunstenaars zich nooit hebben beziggehouden met de behoeften van anderen.
Daar ligt nu net het verschil tussen kunst en ambacht.
De ambachtsman maakt waar hem om gevraagd wordt.
De kunstenaar maakt alleen waar hijzelf behoefte aan heeft.
Wordt hij gedwongen om toch in te gaan op een vraag van anderen, dan zal hij er alles aan doen om die vraag om te buigen tot zijn eigen vraag.

De beeldhouwer Aristide Maillol kreeg op een dag de vraag of hij een beeld kon maken dat de glorie en het heldendom van het Franse volk tot uitdrukking bracht.
Geen probleem, antwoordde hij.
Heeft u al een concept in gedachten? informeerden de afgevaardigden van de Franse regering.
Zeker, knikte de kunstenaar.
En wat zal het worden, denkt u?
Zoals gewoonlijk, antwoordde Maillol met een uitgestreken gezicht, een koppel blote billen!

20140926-134102.jpg

Maillol kon dat zeggen omdat hij de opdracht waarschijnlijk niet nodig had.
Maar ook kunstenaars die wél opdrachten nodig hadden, pasten er een mouw aan.
Goya bijvoorbeeld, de hofschilder van de Spaanse koning, stelde de koninklijke familie voor als een verzameling dégénérés.
Maar hij deed het wel op zo’n manier dat ze het niet merkten.
En Rubens dan, met zijn uitstalling van fijne vleeswaren!
Kan men zich werkelijk voorstellen dat zijn extreem zinnelijke schilderijen een antwoord waren op een vraag die leefde bij de strenge jezuïetenorde en de pilaarbijtende Spaanse koning, twee van zijn grootste opdrachtgevers?
Was het niet veeleer zo dat al dat blote vlees beantwoordde aan zijn eigen intense behoefte aan zinnelijke weelde, en dat hij geniaal genoeg was om die persoonlijke behoefte voor te stellen als de behoefte van anderen?

Het antwoord op die vraag is complex.

Geen schilderkunst is ooit zo populair geweest als de impressionistische.
Ze voorziet duidelijk in een grote en blijvende behoefte van ontelbare mensen.
Toch was iedereen geschokt toen de eerste impressionistische schilderijen opdoken.
Men schreeuwde zijn verontwaardiging van de daken.
Zo wil het althans de mythe.
Of het werkelijk zo erg was, is nog de vraag.
Eén ding is echter zeker, niemand zat te wachten op de impressionisten, niemand had hen wat gevraagd.
Als Monet en co gewacht hadden op die vraag, dan was het impressionisme er nooit gekomen.
Men kan zich zelfs de vraag stellen of er ooit kunst was ontstaan als kunstenaars gewacht hadden op een vraag van anderen.

Ik ondervind dat nu zelf in Brugge.
Ik zit daar al bijna een jaar ieder weekend op de markt met schilderijtjes.
Maar niemand van die tienduizenden toeristen heeft me ooit gevraagd om een portret te maken.
Nochtans doen ze zelf niets anders dan selfies maken.
Pas toen ik vanuit een eigen, zeer persoonlijke behoefte portretten begon te tekenen, stelden verschillende mensen vast: hé, dat wil ik ook wel!
Pas toen ze me een portret zágen tekenen, werd in hen de vraag wakker.
Maar heb ik die behoefte in hen gecreëerd (zoals de vrije markt aan één stuk door nieuwe behoeften creëert) of bestond ze reeds in hen en heb ik ze alleen wakker gemaakt door mijn voorbeeld?

Dat is eigenlijk de vraag waar het allemaal om draait.

Ik herinner me nog altijd een zonovergoten zondagochtend in oktober, meer dan veertig jaar geleden.
Ik woonde toen nog in Mechelen en zoals iedere week was ik m’n boeken gaan terugbrengen naar de bibliotheek.
Maar om de een of andere reden was die gesloten.
Het was zo’n prachtig herfstweer dat ik besloot om niet meteen naar huis terug te keren, maar van die gouden herfstochtend te genieten.
Zo kwam ik op een gegeven moment boven op de (nieuwe) Winketbrug te staan waar ik een panoramisch uitzicht had over de oude stad.
Ik zag mijn oude school liggen, het Scheppersinstituut met zijn sterrenwacht, en daarachter rees, imposant als altijd, de Sint-Romboutstoren, wakend over de nog slapende stad.
Ik stond dromerig uit te kijken over de oude daken toen het opeens was alsof ze woordenloos riepen: teken ons, teken ons!
Ik was verrast, want de idee dat de wereld getekend wil worden, was nog nooit in me opgekomen.
Ik was juist opgegroeid met de tegenovergestelde idee: dat tekenen iets uiterst persoonlijks was, iets waar de buitenwereld niks mee te maken had.

20140926-134340.jpg

Ik herinner me nog altijd heel goed dat ik op een dag in de academie stond te zwoegen op een tekening die maar niet wilde lukken.
Ik was de wanhoop nabij, en zoals steeds verscheen mijn leraar als uit het niets, precies op het moment dat ik het wilde opgeven.
Jongen, zei hij, maak je toch niet druk. Ze staan daarbuiten echt niet te wachten op je tekening, weet je!
Dat was zijn manier om mij moed in te spreken.
In die sfeer ben ik opgegroeid: een sfeer waarin kunst iets was wat je alleen voor jezelf deed, iets waar niemand anders zich voor interesseerde, iets wat in het beste geval gedoogd werd.
Niemand heeft me ooit gestimuleerd om te tekenen, zelfs mijn eigen tekenleraar niet, de man die zoveel voor me betekend heeft.
Nooit heb ik een woord van aanmoediging uit zijn mond gehoord, in al die jaren niet.
Hij was daar uiterst consequent in: tekenen moest helemaal uit jezelf komen, niemand anders had daar zaken mee.

Toen ik daar op die betoverende ochtend in oktober het slapende Mechelen ‘hoorde’ vragen om getekend te worden, was ik verbaasd en ook ontroerd.
Was het werkelijk mogelijk dat wat ik zo graag wilde ook gewild werd door de wereld daarbuiten, zelfs door een slapende stenen wereld?
Die gedachte was zo nieuw en zo ongewoon dat ik ze niet kon bevatten.
Ik dacht er dan verder ook niet over na, maar ik sloot de ervaring wel in mijn hart.
Pas tien jaar later, kwam de idee op een volkomen onverwachte manier weer naar boven, en dat was toen ik de Filosofie der Vrijheid van Rudolf Steiner las.
De idee die als een bliksem bij me insloeg, was dat de gedachten van de mens niet los staan van de wereld om hem heen: ze maken er deel van uit. Wat de mens buiten zich met zijn zintuigen waarneemt en wat er in hemzelf opduikt aan gedachten, gevoelens en impulsen, zijn twee kanten van een zelfde medaille. Er is maar één werkelijkheid, ze doet zich alleen op twee manieren aan de mens voor: in de vorm van uiterlijke, zintuiglijke waarnemingen en in de vorm van innerlijke ‘zieleroerselen’.

20140926-134436.jpg

Ik begreep van de hele Filosofie der Vrijheid geen jota, maar die ene centrale idee sloeg in als een bom en bevrijdde me van een diepe en kwellende geestelijke eenzaamheid.
Ik zat niet langer opgesloten in de overtuiging dat alles wat ik in mijn ziel beleefde niks te maken had met de wereld om me heen.
Ik dacht er op dat moment niet aan, maar Steiner bevestigde als het ware dat wat ik op die oktoberochtend op de Winketbrug gehoord had, reëel was, of toch op z’n minst reëel zou kunnen zijn.
Want uiteraard sluit niet alles wat in een mens opkomt naadloos aan bij de buitenwereld.
Juist in die kloof tussen buiten en binnen nestelen zich de tegenmachten, en met hen moet de mens worstelen om de oorspronkelijke eenheid van mens en wereld weer te herstellen.
Maar het is heel wat anders om je van die situatie bewust te zijn, dan om in de overtuiging te leven dat harmonie alleen bereikt kan worden door je ofwel aan te passen aan de buitenwereld ofwel die buitenwereld aan te passen aan jezelf.

En dat is ook waar het in die hele heisa over de besparingen in de culturele sector om gaat.
In die culturele sector leeft nog altijd, en zelfs meer dan ooit, de (materialistische) overtuiging waar ik in mijn jeugd zo zwaar onder gebukt ging: de overtuiging dat wat in de kunstwereld gebeurt niks te maken heeft met wat in de buitenwereld gebeurt, dat de behoeften van de kunstenaar niks te maken hebben met de behoeften van de bevolking.
En omdat men daarvan overtuigd is, bestaat er tussen beide werelden een fundamentele vijandschap: de kunstwereld voelt zich enerzijds gedwongen om zich te conformeren aan de buitenwereld (in de hoop dat ze ondanks haar anders-zijn mag blijven bestaan) en anderzijds wil ze die buitenwereld dwingen om zich te conformeren aan de kunstwereld en te worden zoals zij zelf is.
Maar van die vijandschap is de kunstwereld zich niet van bewust, en dus vloeien die twee houdingen – onderwerping en machtsuitoefening – samen.
Ze worden één verwarrend en paradoxaal geheel: een mengsel van slaafse onderwerping en agressieve intimidatie.

De moderne kunst- en cultuursector is met andere woorden niets anders dan een Westerse variant van de Islamitische Staat.
Ze is een soort terroristische organisatie die een vernederende onderwerping aan staat en economie paart aan niets ontziend (geestelijk) geweld tegen de gewone bevolking.
Daardoor wekt zij begrijpelijkerwijs een diepe weerzin bij de bevolking, die ook na honderd jaar overheersing nog altijd niks moet weten van de zichzelf ‘hedendaags’ noemende ‘kunst’.
Daarom is die kunstwereld ook ontzet wanneer haar broodheren dreigen de subsidiekraan ook maar een beetje dicht te draaien: de Islamitische Staat waar iedereen nu vol ontzetting naar kijkt, dreigt dan … een spiegel te worden.

20140926-134542.jpg

Ik vraag me af of de antroposofische driegeleders bereid zijn om in die spiegel te kijken.
Ze willen een nieuwe en een betere wereld scheppen, net zoals de kunst- en cultuursector dat wil.
En net als deze ‘hedendaagse’ cultuurwereld zijn ze in 100 jaar nog geen stap verder gekomen.
De driegelede maatschappij waar ze voor ijveren, is vandaag verder weg dan ooit.
De maatschappij is nog nooit zo dualistisch geweest als vandaag.
En nog altijd komen antroposofen er niet toe om hun eigen dualistische aard onder ogen te zien.
Als rasechte moslims weigeren ze naar zichzelf te kijken en wijten hun onvermogen aan de buitenwereld, aan de materialistische maatschappij, alsof ze daar niets mee te maken hebben, alsof het materialisme ook niet in henzelf leeft.

Als ik lees dat in de nieuwe driegelede maatschappij kunstenaars nog altijd zullen moeten vechten om te overleven, dan vraag ik mij af: wat is er zo nieuw aan die maatschappij?
Waarom al die inspanningen om een maatschappij tot stand te brengen die in wezen niet verschilt van de vorige en waarin beeldende kunstenaars gewoon het slaafje blijven van ‘de heren van het woord’?
Wat een verspilling van krachten!
Wat een tragische blindheid!
Maar ik geef toe: het IS moeilijk om in de spiegel te kijken en daar een fanatieke moslim te ontwaren.
Een mens zou voor minder de blik afwenden.
Maar is dat nu niet precies wat Rudolf Steiner van zijn leerlingen verwachtte: dat ze de blik NIET afwendden?
Was dat niet zijn eerste en belangrijkste eis: wakker blijven, de ogen niet sluiten?
Die eis gold ook de ‘driegeleders’.
Of vergis ik mij?

20140926-134623.jpg

Wat is kunst? (2)

Onlangs trof ik in de Fnac een boekje aan waarvan de titel luidde: ‘Wat is kunst?’
Tjonge, dacht ik, dat iemand die vraag anno vandaag nog durft te stellen!
De naam van de auteur maakte al een en ander duidelijk. Het was niemand minder dan Leo Tolstoj, een schrijver uit de tijd toen er nog vragen werden gesteld.
De lezing van het boek maakte nog meer duidelijk.
Het betoog van Tolstoj is namelijk zo karikaturaal dat het als het ware illustreert hoe onzinnig het is je af te vragen: wat is kunst?
Misschien heeft men het boek dáárom wel uitgegeven: niet om de vraag op te werpen, maar om ze de grond in te boren.
Tolstoj maakt het zo bont dat niemand hem ernstig zal nemen.

Oordeelt u zelf.

20140501-200922.jpg

‘Kunst vormt de grootste sta-in-de-weg voor de verwezenlijking van het goede in dit ondermaanse.’

‘De conclusie luidt dat er in de nieuwe tijd geen literatuur is die onvoorwaardelijk voldoet aan de eisen die aan kunst mogen worden gesteld. (…) Daarbij zij aangetekend dat ik al mijn literaire werk reken tot de slechte kunst, met uitzondering van het korte verhaal ‘God ziet de waarheid.’

‘De critici, die tot in onze tijd de loftrompet steken over de grove, primitieve en dikwijls idiote schrijfsels van de oude Grieken – Sofocles, Euripides, Aeschylus en bovenal Aristofanes – en van hun vroege Europese collega’s Dante, Tasso, Milton en Shakespeare, en van de onbenullige schilderkunst van Rafael en Michelangelo – inclusief diens bizarre Laatste Oordeel – of de totaal overschatte muziekcomposities van Bach en Beethoven: die critici die het bestaan mogelijk hebben gemaakt van alle Ibsens, Maeterlincks, Verlaines en Mallarmés, van alle Wagners, Liszten, Berliozen, Brahmsen en Straussen en noem ze maar op, het immense leger na-apers van na-apers die geen enkel nut of doel hebben.’

‘Wat nu? Moeten we de Negende Symfonie slechte muziek vinden?’ hoor ik verontwaardigde stemmen roepen. ‘Zonder enige twijfel,’ luidt mijn antwoord.’

‘Goethes Faust is ongetwijfeld heel knap vormgegeven, maar echte kunst is het niet.’

‘… een halfwild slavendrijversvolkje met een speciale gave om de naaktheid van het menselijk lichaam uit te beelden en prettig vormgegeven bouwwerken op te richten.’ (Bedoeld is: de oude Grieken)

‘Het wordt miljoenen mensen onmogelijk gemaakt voor zichzelf en hun gezin te zorgen omdat ze, onder schrijnend gebrek en hoge werkdruk tien, twaalf, veertien uur per dag bezig zijn om verderfelijke boeken te drukken, of niet minder verderfelijke toneelstukken, concerten en tentoonstellingen mogelijk te maken. Maar nog gruwelijker is de wetenschap dat levenslustige kinderen van kleins af worden ingezet om gedurende tien tot vijftien jaar zes, acht of tien uur per dag te verdoen met het spelen van toonladders, met solfège zingen en verzen declameren, met het schilderen en tekenen van borstbeelden en naakten, en met het schrijven van opstellen. De gedachte dat al die mensenkinderen hun geest en lichaam geheel en al opofferen aan dergelijke mensonterende bezigheden is ronduit stuitend. Al die mensenkinderen die zichzelf lichamelijk, geestelijk en in zedelijk opzicht verminken, terwijl ze bezig zijn hun aangeboren capaciteiten dood te maken …

Iedereen met een idealistische levensvisie zou zich moeten inzetten om het bestaande kunstbedrijf uit te roeien, omdat het een van de wreedste kwaden is die de mensheid bedreigen.’

Enzovoort, enzovoort.

20140501-201306.jpg

U merkt het: Tolstoj zaagt van dik hout planken en waar de spaanders vliegen zal hem een zorg wezen.
Van de oude Grieken tot heden: er is nauwelijks iets dat genade vindt in zijn ogen.
Sofocles, Rafael, Goethe, Shakespeare, Bach, Tolstoj zelf, het is allemaal één pot nat: geen echte kunst dus.
Je zou haast denken dat hier iemand aan het woord is die ze niet alle vijf meer op een rijtje heeft.
Dostojevski schreef dan ook aan zijn vrouw: ‘Ik heb vernomen dat Tolstoj gek is geworden.’ Hij deed dat weliswaar niet na het lezen van ‘Wat is kunst?’, maar nadat hij gehoord had van Tolstojs ‘bekering’ (waarvan dit boek de rechtstreekse vrucht is).

Op het hoogtepunt van zijn roem, omstreeks zijn 40ste levensjaar, gooit Tolstoj het roer drastisch om.
De adellijke schrijver die over de hele wereld bewonderd wordt en in Rusland een bijna goddelijke status geniet, gaat opeens leven als een boer en wordt een soort wereldverbeteraar.
Hij sticht scholen voor armen en predikt een christendom van eigen maaksel.

20140501-201552.jpg

‘Wat is kunst?’ draagt duidelijk het stempel van de nieuwe Tolstoj, een strenge moralist en asceet.
De enige kunst die in zijn ogen genade vindt is een christelijke, ja zelfs katholieke kunst, in de zin van: voor iedereen geldend.
Kunst moet volgens hem door boeren, arbeiders en huisvrouwen kunnen gesmaakt worden, anders heeft ze geen recht van bestaan.

Wie dit boek met moderne ogen leest, vraagt zich af: was Tolstoj werkelijk gek geworden toen hij dit schreef?
Het boek is bij momenten zo grotesk dat je niet anders kunt dan in lachen uitbarsten.
Maar hoewel Tolstoj duidelijk een klap van de (christelijke) molen heeft gekregen, is het niet minder duidelijk dat hier niet de eerste de beste aan het woord is.
Wie zei ook alweer: grote geesten maken grote vergissingen?
Tolstoj slaat er inderdaad soms gigantisch naast.
De Griekse tragedieschrijvers idioten noemen, dat grenst aan … idiotie.
Maar op andere plaatsen merk je dan weer dat deze ‘dwaas’ zeer rake, bijna visionaire dingen zegt.

20140501-201721.jpg

Arnon Grunberg schrijft in zijn voorwoord: ‘Tolstoj zag een miljoenenleger van beroepskunstenaars oprukken om het ongelimiteerde aanbod van pseudo-artistiek massavermaak te produceren dat de rijken in staat stelt hun tegennatuurlijke leven te leiden.’
Wie kan ontkennen dat dit miljoenenleger vandaag inderdaad bestaat?
En wie kan ontkennen dat het in dienst staat van een dekadente en immorele elite van rijken en superrijken?

Tolstoj zag de oorzaak van de decadentie van de kunst in het a-religieus worden van de elite.
‘Het wegvallen van het geloof bij de Europese maatschappelijke bovenklasse leidde ertoe dat de kunst (…) voortaan bedoeld was om deze bevolkingslaag zoveel mogelijk genot te verschaffen. Daarmee eigende zich een miniem, exclusief segment uit het reusachtige domein van de kunst zich het alleenrecht op het etiket ‘kunst’ toe.’
Tolstoj schreef dit in 1897 maar het lijkt of hij het over de Hedendaagse Kunst heeft: een klein segment van het hele kunstspectrum dat zichzelf uitgeroepen heeft tot de enige echte kunst van onze tijd en dat het exclusieve speelterrein is geworden van nouveaux riches die hun geestelijke leegte proberen op te vullen met steeds weer nieuwe sensaties.

20140501-202232.jpg

Hij begint zijn boek met een 25 bladzijden lang overzicht van zowat alles wat er sinds Alexander Baumgarten, de grondlegger van de esthetica, over kunst geschreven was. En hij besluit zijn huiswerk met de conclusie dat ‘al die zogenaamde definities van kunst helemaal geen definities van kunst zijn, maar uitsluitend dienen als smoes ter rechtvaardiging enerzijds van de offers die van de mensheid geëist worden in naam van het hersenspinsel dat kunst heet, en anderzijds van het egoïstische genot en de immoraliteit van de bestaande kunst.’
Heel die lange lijst van denkers deed volgens Tolstoj niets anders dan de kloof tussen elite en volk in standhouden, waarbij het volk in dienst staat van het decadente kunstgenot van de elite.

Ware Tolstoj niet zo christelijk van signatuur geweest, hij had kunnen doorgaan voor een Marxist avant la lettre.
De tegenstelling tussen volk en elite vormt inderdaad de rode draad die doorheen zijn boek loopt.
Hij hekelt alle kunst die zowel ontoegankelijk als onbegrijpelijk is voor de gewone mens
Kunst die de tegenstelling tussen de gewone en de ‘buitengewone’ mens in stand houdt, is in zijn ogen geen echte kunst.
Kunst is pas waarachtig kunst als ze mensen verbindt.
Daarin ligt volgens hem het criterium dat echte van valse kunst onderscheidt.

20140501-202433.jpg

‘Om een exacte definitie te kunnen opstellen, moeten we in kunst niet langer een genotsmiddel maar een levensvoorwaarde zien.
Kunst is in de eerste plaats immers een communicatiemiddel.
Elk kunstwerk zorgt ervoor dat de ‘consument’ in een bepaalde relatie treedt met de ‘producent’ én met alle andere – vroegere, gelijktijdige of latere – ‘consumenten’ van dat kunstwerk.
Kunst werkt net zoals het woord, dat ervaringen van mensen overdraagt en daardoor mensen met elkaar verenigt. Het verschil is dat woorden gedachten overbrengen, terwijl kunst gevoelens communiceert.
Kunst is een communicatiemiddel waar het leven niet buiten kan en dat noodzakelijk is voor de weg naar het heil van het individu en de mensheid.
Kunst, die bij alle mensen gelijkgestemde gevoelens weet wakker te roepen, verenigt de mensen.
Indien de mens niet in staat zou zijn om door te dringen tot de gedachten die zijn ontsproten aan het brein van zijn verre voorouders, noch om zijn eigen gedachten door te geven aan anderen, dan zou hij gelijk zijn aan de dieren des velds of aan Kaspar Hauser. En als hij niet zou beschikken over dat andere vermogen, om langs de weg van de kunst getroffen en aangestoken te worden door andermans gevoelens, dan zou de mensheid zo mogelijk nog minder beschaafd zijn en vooral: nog verdeelder, nog vijandiger in woord en daad.
Daarom is kunst zo belangrijk.’

20140501-202622.jpg

Wie leest hoe Tolstoj tekeer gaat tegen de kunst van Sophocles, Shakespeare, Bach, Rafael, Beethoven en noem maar op, zou kunnen denken dat hij zich tegen de kunst op zich keert.
Maar niets is minder waar.
Tolstoj keert zich zo heftig tegen de valse, decadente kunst omdat hij (de echte) kunst zo belangrijk vindt.
Hij wil de Augiasstal van de kunst reinigen en daar gebruikt hij de grote middelen voor: alles moet eruit.
Ik kan me niet voorstellen dat een geniale kunstenaar als Tolstoj de grootheid van Bach of Shakespeare – of zelfs van zichzelf – niet zou erkend hebben. Maar hij was gegrepen door een Herculestaak en daarvoor moest alles wijken.

We mogen niet vergeten dat het voor Tolstoj niet bij woorden bleef.
Hij bracht ze ook in de praktijk.
In plaats van op zijn landgoed dikke romans te schrijven over de hogere kringen, ging hij als een boer leven en het land ploegen.
Dat was in het Rusland van die dagen niet niks: een graaf die afstand doet van al zijn bezittingen en boer wordt.
Het doet denken aan de rijke jongeling uit het evangelie.
Is het toeval dat Tolstoj deze drastische stap zette precies op het moment dat het nieuwe Michaëltijdperk aanbrak?
En is het toeval dat hij zich toen ook boog over de vraag ‘Wat is kunst?’

20140501-203223.jpg

Het ontbreekt alleszins niet aan strijdbaarheid in het boek met die titel.
Tolstoj hanteert hier, zou je kunnen zeggen, het Michaëlszwaard waarmee hij het kaf van het koren wil scheiden.
Hij neemt zich voor een criterium te vinden waarmee hij onderscheid kan maken tussen echte, waarachtige kunst en valse pseudo-kunst.
Maar hij gaat een beetje tewerk als die andere Michaëliet, Alexander de Grote: hij ontwart de Gordiaanse knoop niet, hij hakt hem gewoon in twee.
Tolstoj was een kunstenaar, geen denker.
Hij wist uit eigen ervaring wat kunst was, maar om die ervaring in heldere begrippen te kunnen gieten, moest hij als het ware tegenover zichzelf gaan staan, en dat is voor een kunstenaar een enorm waagstuk.
De hele geschiedenis van de moderne kunst getuigt daarvan.
Ze begon trouwens in dezelfde tijd toen graaf Tolstoj zijn schrijfkamer verliet en het land ging ploegen.
Hij deed met andere woorden precies hetzelfde als de impressionisten’: hij zette de stap van binnen naar buiten, en het gevolg van die ‘grensoverschrijding’ was dat hij als kunstenaar tegenover zichzelf kwam te staan.
Hij werd zich bewust van zijn eigen kunstenaarschap en van de plaats van de kunst in de maatschappij.

Dat was een enorme schok en het is dan ook niet goed afgelopen met Tolstoj.
Als 80-jarige ontvluchtte hij vrouw en huis, en stierf in een stationnetje in the middle of nowhere.

20140501-203825.jpg

Ook met de moderne kunst is het niet goed afgelopen. Net als Tolstoj kwam ze tegenover zichzelf te staan, en dat gaf haar een klap van de molen die ze nog altijd niet te boven is gekomen.

Tolstoj keert zich in zijn boek hevig tegen de kunst van zijn tijd, maar in feite is hij in hetzelfde bedje ziek.
De moderne kunst, die in feite de kunst was die zich bewust werd van zichzelf, is niet bestand gebleken tegen de scherpe, ongenadige blik die ze op zichzelf wierp.
Ze heeft als het ware zichzelf vernietigd.
Ook Tolstoj was niet bestand tegen de manier waarop hij naar zichzelf en de kunst keek.
Hij had ongetwijfeld gelijk toen hij zei dat de kunst ziek was, maar wat hij niet besefte, was dat de manier waarop hij naar die zieke kunst keek eveneens ziek was.
En hij wist het nochtans!
Hij veegt niet alleen de vloer aan met de hele kunstwetenschap, hij schrijft ook:

‘Die uiteindelijke doelstelling (de kunst weer op het goede spoor krijgen) heeft alleen kans van slagen wanneer eerst orde op zaken wordt gesteld in de wetenschap, die net zo belangrijk is voor ons geestelijk welzijn als de kunst, en die net zozeer het spoor bijster is.
Die twee hebben altijd ten nauwste met elkaar samengehangen. Ze zijn even hecht met elkaar verbonden als het hart met de longen, zodat bij gebreke van het ene orgaan ook het andere niet zuiver kan functioneren.’

Tolstoj zag heel goed dat niet alleen de kunst maar ook de wetenschap ziek was.
Maar toen hij zelf in het kamp van de wetenschap ging staan en naar de kunst keek, vergat hij dat.
Tolstoj trok wel boerenkleren aan, maar daaronder bleef hij een graaf.
Hoe dun dat laagje boerenvernis was, bleek uit het feit dat hij zijden ondergoed bleef dragen.
Hij werd dus helemaal geen eenvoudige, naïeve ziel die onbevangen naar de kunst keek. Hij bleef een adellijke geest die op een ‘adellijke’ manier naar zichzelf keek, dat wil zeggen met een scherp standsbewustzijn.

20140501-204821.jpg

Tolstoj keek naar de adel op dezelfde manier als de adel naar het gewone volk keek: neerbuigend en vol afkeer.
Op het fysieke vlak was hij over de grens gegaan: hij was boer ‘geworden’.
Ook op gevoelsvlak ging hij over de grens: hij nam afstand van zijn eigen kunst.
Maar op het gebied van het denken ging hij niet over de grens: hij bleef denken in scherpe, onverzoenbare tegenstellingen.
Hij was zich met andere woorden niet bewust van de grens die hij overstak.
Eerst stond hij aan de ene kant: die van de adel.
Toen stond hij aan de andere kant: die van het volk.
Maar wat bleef was de tegenstelling, de vijandigheid tussen beide.
Die tegenstelling stelt Tolstoj niet in vraag, integendeel.
Hij schrijft: ‘wie zichzelf eerlijk en weldenkend noemt, zal moeten toegeven dat de kunst van de elite nooit en te nimmer de kunst van het volk zal worden.’
De idee dat deze twee met elkaar verzoend zouden kunnen worden, komt niet eens bij hem op.
Hij gaat dus over de grens maar heeft alleen oog voor de gevolgen van die grens – de tegenstelling tussen elite en volk – niet voor de grens zelf, en daardoor ook niet voor het geheel. Want de grens maakt deel uit van dat geheel, zij is er zelfs het centrale gegeven van.

20140501-205114.jpg

Hetzelfde geldt voor de grens tussen kunst en wetenschap.
Tolstoj overschrijdt die grens door van kunstenaar wetenschapper te worden, dat wil zeggen: iemand die nadenkt over kunst.
Maar hij struikelt over die grens, want hij ziet ze niet.
En precies daardoor is hij in hetzelfde bedje ziek als de wetenschap.
Want wat de wetenschap in wezen doet, is grenzen trekken, onderscheid maken.
Alle grenzen die de mens in de wereld getrokken heeft, op welk gebied ook, zijn het resultaat van het langzame ontwaken van het denken, dat in de wetenschap zijn hoogste vorm van wakkerheid bereikt.
De hoogste vorm van wakkerheid op één na.
Want er ontbreekt aan de wetenschap nog één ding, en dat is het bewustzijn van haar eigen diepste wezen, het wezen dat grenzen trekt.

De wetenschap dankt haar objectiviteit – en daarmee haar algemeen geldende waarheden – aan het feit dat zij tegenover de werkelijkheid gaat staan.
Hoe meer afstand ze van de werkelijkheid neemt, des te objectiever is haar kijk, des te groter haar waarheid.
De hele moderne beschaving zoals we die vandaag kennen, is ontstaan door dit afstand nemen, door het steeds scherper trekken van de grens tussen wetenschap en werkelijkheid.
Maar wat zich tot op de huidige dag onttrekt aan het wetenschappelijke denken, is juist die grens.
De moderne wetenschapper doet alsof hij buiten de werkelijkheid gaat staan, alsof hij een standpunt inneemt vanwaar hij de werkelijkheid volkomen objectief kan waarnemen.
Maar hij kán helemaal niet buiten de werkelijkheid gaan staan.
Dat is wat de quantumfysica destijds ontdekte: de waarnemer en het waargenomene maken deel uit van één en dezelfde werkelijkheid.
Wie de werkelijkheid dus écht objectief wil bestuderen, moet ook zichzelf in die studie betrekken.
Die filosofische consequentie is echter niet getrokken.

20140501-205411.jpg

De wetenschap is er niet in geslaagd zich bewust te worden van zichzelf, behalve in één man: Rudolf Steiner.
In zijn filosofische basiswerk, de Filosofie der Vrijheid, beschrijft hij het denken over het denken: het denken dat tegenover zichzelf komt te staan, het volkomen bewuste denken dus dat tegelijk subject en object is.
Aangezien denken in wezen het trekken van grenzen is, beschrijft Steiner hier dus een ‘grensbewustwording’, een drempelervaring.
De Filosofie der Vrijheid is in feite de beschrijving van een volkomen bewuste drempeloverschrijding, een drempeloverschrijding in het denken.
Daarmee was Steiner niet alleen de voltooier van de oude wetenschap, maar tegelijk ook de pionier van de nieuwe wetenschap.

En anders dan Tolstoj keert hij zich niet tegen het oude.
Hij zoekt het nieuwe niet aan de andere kant van de grens.
Hij zoekt het op de grens, want daar ligt de bron van alle tegenstellingen, en alleen daar kan de oude dualistische wereld zich vernieuwen.
Wie de Filosofie der Vrijheid een beetje kent, weet hoe ontzettend moeilijk het is zich te handhaven op die grens.
Immers, de mens dankt zijn bewustzijn (en alles wat daarmee samenhangt) juist aan die grens en de tegenstellingen die erdoor ontstaan.
Als hij nu tegenover die grens gaat staan – en de wereld der tegenstellingen verlaat – dan verliest hij zijn bewustzijn.
Dat is de paradox: wie zich bewust wordt van de grens, verliest het bewustzijn.
Dat maakt het denken-over-het-denken ook zo moeilijk: het vernietigt als het ware zichzelf.

20140501-205600.jpg

Dat zien we ook bij Tolstoj. Bij het aanbreken van het nieuwe Michaëltijdperk gaat hij ‘over de drempel’.
In zijn geval neemt die drempeloverschrijding de vorm aan van het overschrijden van de grens tussen adel en boerenvolk. Als gevolg daarvan komt hij opeens tegenover zijn eigen kunstenaarsschap te staan: hij wordt zich bewust van de kunst en haar plaats in de samenleving.
In ‘Wat is kunst?’ zien we duidelijk hoe vernietigend deze bewustwording inwerkt op de kunst: Tolstoj hakt er lustig op los alsof hijzelf zijn grootste vijand is geworden.
En dat gebeurt altijd wanneer iemand over de drempel gaat en er niet in slaagt wakker te worden in de geest: zijn oude, aan de materie gebonden bewustzijn begint dan zichzelf te vernietigen.

We hoeven maar naar onze tijd te kijken om te beseffen hoe reëel dit gevaar van zelfvernietiging is: we zijn bezig ons oude bewustzijn, met alles wat we eraan te danken hebben (onze vrijheid, onze zelfstandigheid, onze beschaving), te vernietigen.
We zien de gevolgen daarvan overal in de werkelijkheid, maar de oorzaak is een proces dat zich diep in ons bewustzijn afspeelt en heel moeilijk op te sporen valt.
Tussen die twee polen staat echter de kunst.
Haar beelden weerspiegelen zowel de werkelijkheid als het bewustzijn.
Als we die beelden kunnen lezen, dan begrijpen we wat zich zowel in de zichtbare werkelijkheid afspeelt als in ons onzichtbare bewustzijn, waar het denken tegenover zichzelf komt te staan.

20140501-210123.jpg

In de Hedendaagse Kunst bijvoorbeeld zien we als in een spiegel het zelfvernietigingsproces dat zich diep in ons bewustzijn afspeelt: we zien immers een kunst die zichzelf vernietigt maar niet kan sterven.
Ze is als de lever van Prometheus: overdag wordt ze opgegeten, ’s nachts groeit ze weer aan.
In feite zien we in de Hedendaagse Kunst een doodzieke Anfortas, die niet kan leven maar ook niet sterven, en wiens lijden blijft duren tot tegenover hem een Parsifal komt te staan die de verlossende vraag stelt.
Maar juist die vraag wordt niet gesteld.
Niemand vraagt: ‘Kunst, wat scheelt er met u?’

Tolstoj stelt die vraag wel.
‘Wat is kunst?’ is immers een rechtstreekse uitdrukking van zijn bezorgdheid over de doodzieke kunst waar hij, als een moderne Parsifal, onverwachts mee geconfronteerd wordt doordat hij ‘over de grens’ gaat.
Maar Tolstoj stelt de vraag niet op de goede manier.
Hij stelt ze niet uit medelijden, het medelijden dat ontstaat wanneer we op de grens doordringen tot de geest en van daaruit het ‘gewonde’ geheel kunnen zien: de in twee gedeelde kunst.
Hij stelt zijn vraag op de oude, scherpe, in-twee-delende manier die geen genezing brengt maar de ziekte alleen maar bestendigt.

20140501-210524.jpg

Dat hij zelf deel heeft aan de ziekte die hij aanklaagt, blijkt aan het slot van zijn boek.
Daar komt de aap als het ware uit de mouw.
Tolstoj schrijft daar namelijk:

‘Wetenschappelijke kennis wordt door de kunst getransponeerd naar het gevoel.’

Men kan de kunst moeilijk méér miskennen dan Tolstoj hier doet, want hij beschouwt haar als een soort toegepaste wetenschap.
Wat de wetenschap aan inzichten ontdekt, steekt de kunst in een fleurig kleedje dat het gevoel aanspreekt. Want het oog wil ook wat, nietwaar?
In feite is het deze misvatting die de hele moderne kunst ten gronde heeft gericht en die tot op de huidige dag onuitroeibaar blijkt.
Rudolf Steiner spreekt over ‘een dwaling die de (Duitse) esthetica nooit meer te boven is gekomen.’
Tolstoj bestrijdt een dwaling dus met een dwaling, en dat kan nooit goed aflopen.

‘Wat is kunst?’ is een boek van iemand die over de drempel gaat en daar een klap van de molen krijgt.
Als we daar rekening mee houden, is de lectuur ervan opwekkend en stimulerend, want het is een heel avontuur om, al is het maar in gedachten, over de drempel te gaan.
Doen we dat echter niet, dan kunnen we Tolstoj alleen maar zien als een halve gek die over kunst de meest groteske dingen uitkraamt.
En daarmee doen we hem onrecht.

20140501-210626.jpg

De Weihnachtstagung (2)

De oergeschiedenis van de antroposofie wordt begrensd door twee zaken die een uitgesproken cult-karakter gekregen hebben: iedere antroposoof kent ze, maar niemand begrijpt ze.
Ik heb het over de Filosofie der Vrijheid en de Weihnachtstagung, de alfa en de omega van de antroposofie.
Uiteraard is het een boutade dat niemand ze begrijpt.
Er wordt zelfs in toenemende mate over nagedacht en er worden dikke boeken over geschreven.
Toch blijven ze tot de meest ontoegankelijke onderwerpen van de antroposofie behoren.
En dat wil wat zeggen.
De kloof tussen antroposofie en moderne wereld is sowieso al groot, maar ze wordt pas echt extreem als het gaat om de Filosofie der Vrijheid en de Weihnachtstagung.
Als je daarover vertelt aan buitenstaanders kijken ze je aan alsof je hen voor de gek houdt.
Nee, je kunt er maar beter over zwijgen als je nog enige geloofwaardigheid over wilt houden.

En toch.
Is het niet zo dat les extrêmes se touchent?
Zouden deze twee meest ontoegankelijke aspecten van de antroposofie niet ook de meest toegankelijke moeten zijn?

Het is alvast een feit dat ik zelf de toegang tot de antroposofie gevonden heb door de Filosofie der Vrijheid te lezen.
Dat heb ik ‘toevallig’ precies op mijn 30ste verjaardag gedaan.
Toen ik eraan begon was ik geen antroposoof, allesbehalve zelfs.
Toen het ik het uit had, was ik het wel.
Later heb ik het boek nog verschillende keren herlezen, of dat althans geprobeerd, want ik begreep er niks meer van.
En toch was die eerste keer voor mij een verlossing.
Uitgerekend het moeilijkste en meest onverteerbare boek van de hele antroposofie sloeg een brug tussen mijn innerlijke wereld en de buitenwereld.
Tegelijk sloeg het ook een brug tussen mezelf en de antroposofie.

20131104-142035.jpg

Hoe dat precies gebeurd is, weet ik nog altijd niet.
De Filosofie der Vrijheid drong als het ware rechtstreeks in mijn ziel door, zonder de omweg van mijn verstand.
Waarschijnlijk een verjaardagscadeautje van mijn engel.
Maar, vraag ik mij af, zou dat ook niet mogelijk zijn met dat andere antroposofische uiterste, de Weihnachtstagung?
Als de uitersten elkaar inderdaad raken, dan moet ook de kerstbijeenkomst van 1923 een rechtstreekse toegang tot de antroposofie kunnen zijn, een gebeurtenis die een brug slaat met de buitenwereld.

Ik heb inmiddels al dikke boeken gelezen over de Weihnachtstagung, met name van de hand van Sergej Prokofieff.
Ik vond ze buitengewoon interessant, heel helder geschreven en heel toegankelijk voor mijn verstand.
Maar het wezen van de kerstbijeenkomst kon ik er toch niet door vatten.
Er werd geen brug geslagen met mijn ziel, laat staan met de moderne wereld.
Daarvoor moet je niet bij Prokofieff zijn.
Hij gunt je wel een blik in ‘het mysterie van Dornach’, maar meer ook niet.
Het blijft allemaal zeer abstract.
Als ik van zijn duizelingwekkende geestelijke hoogten weer afdaal naar de aarde, sta ik met lege handen: ik herinner me niks meer van wat ik gelezen heb.
Het is als ’s morgens ontwaken en, behalve een snel vervagende droom, niks meer weten van wat je in de geestelijke wereld beleefd hebt.
Tja, wanneer we met ons rationele, heldere verstand de geestelijke wereld betreden (en dat doen we wanneer we Prokofieff lezen) dan vallen we zonder het te beseffen in slaap.
De kunst is om IN die ‘slaap’ wakker te worden.
En dat lukt me niet bij Prokofieff.

De Weihnachtstagung bleef dus ver van mijn bed.
Het was iets voor ingewijden, voor hardcore antroposofen.
Niet voor een eenvoudige liefhebber zoals ik.

20131104-142211.jpg

Toch begon er langzaam iets te dagen.

De abstracte beelden die Prokofieff en anderen met woorden en begrippen vormden, werden in mijn onderbewuste (heel) langzaam getransformeerd tot concretere beelden die ik wel kon begrijpen en vasthouden.
Zo begon het tot me door te dringen dat Rudolf Steiner op de Weihnachtstagung zijn leven had gegeven voor de antroposofie.
Dat bleef nog altijd een moeilijk te bevatten iets, maar ik kon het verbinden met andere beelden, zoals het Laatste Avondmaal en het lijden van Christus.

Zelf sprak Steiner met geen woord over zijn offer.
Hij sprak er alleen in beelden over.
Zo had hij het over een Grondsteen die hij ‘in de harten’ van de aanwezigen had gelegd.
En die Grondsteen noemde hij een ‘liefdessteen’.
Dat zijn bepaald geen eenvoudige beelden.
Wat moeten we ons in godsnaam voorstellen bij een steen die in ons hart wordt gelegd?
En wat kan een ‘liefdessteen’ betekenen?

Het is duidelijk dat het niet om een fysieke steen gaat.
We moeten die Grondsteen waarschijnlijk opvatten als een soort ‘steen der wijzen’, met dat verschil dat hij niet alleen uit wijsheid maar ook uit liefde bestond.
De Grondsteenspreuk bevatte namelijk alle wijsheid van de antroposofie in een notedop.
En in de Grondsteen werd die wijsheid verbonden met liefde.
Steiner smeedde dus een mannelijk principe samen met een vrouwelijk principe en noemde dat een ‘steen’.
Het ging op de Weihnachtstagung dus om een zeer geconcentreerde wijsheid en liefde, een wijsheid en liefde die samen tot een ‘etherische steen’ werden.
Want dat was waar de Grondsteen gevormd werd: in de etherwereld.
Dat was ook waar hij ontvangen werd: in de ethersfeer van het hart.

Een dergelijke zeer geconcentreerde en ‘etherische’ eenheid van wijsheid en liefde staat natuurlijk zeer ver af van onze eigen zeer diffuse en ‘astrale’ dualistische wijsheid en liefde.
Er mag hier zeker gesproken worden over de hogere of ‘hemelse’ wijsheid en liefde van Rudolf Steiner en onze eigen lagere, en zeer aardse wijsheid en liefde.
De kloof tussen beide is zo groot dat we ons geen voorstelling kunnen maken van de liefde en wijsheid zoals Steiner die in de praktijk bracht op de Weihnachtstagung.
En dat maakt de kerstbijeenkomst tot zo’n ongrijpbaar gebeuren.
Ze gaat eenvoudig ons voorstellingsvermogen te boven.

Maar hier stuiten we op een contradictie.

20131104-142505.jpg

Het hele streven van Steiner was erop gericht om begrip te wekken voor wat ons voorstellingsvermogen te boven gaat: de hemel, de wereld van de geest.
Het was er hem niet om te doen ons die wereld te laten beleven.
Dat is trouwens niet zo moeilijk, zei hij.
Er zijn middelen genoeg om contact te krijgen met de Vadergod.
De New Age wereld kent er honderden.
Maar daar gaat het in de antroposofie helemaal niet om.
In de antroposofie gaat het om Christus, de Zoon die mens is geworden.
Hij heeft de Vader in woord en beeld gebracht en Hem op die manier toegankelijk gemaakt voor het menselijke voorstellingsvermogen.
In de antroposofie wordt geprobeerd om via Christus de Vader te begrijpen, zodat we ons niet langer als kinderen in zijn armen hoeven te werpen, maar een vrije liefdesrelatie met hem kunnen aangaan.

Niemand komt tot de Vader dan door mij, zei Christus, en daarmee sloot hij de oude, rechtstreekse poort tot God.
Voortaan loopt de weg naar God via hem, en we bewandelen die weg met ons gewone begrips- en voorstellingsvermogen.
Dat is waar het in de antroposofie om gaat: niet om de mystieke eenwording, niet om de spirituele extase, niet om de helderziendheid, maar om het gewone, doordeweekse denken en begrijpen.
Dat denken wil Steiner stap voor stap ontwikkelen en op een hoger plan brengen.
Daarom noemt hij zijn antroposofie ook een wetenschap.
Met dezelfde middelen die de wetenschap vandaag gebruikt om de materiële wereld te onderzoeken – waarneming en denken – wil de antroposofie ook de geestelijke wereld onderzoeken.
Want de bedoeling is dat we deze wereld betreden als vrije mensen en niet als blinde minnaars die er in opperste vervoering mee versmelten en … ophouden mens te zijn.

In de antroposofie gaat het er dus om dat we de geestelijke wereld van de Vader leren kennen via het woord en beeld van Christus en zo de Heilige Geest in onszelf opwekken.
De woorden en beelden van Christus zijn enerzijds zeer hemels (want een afspiegeling van de Vaderwereld) en anderzijds zeer aards (want afkomstig van een mens).
De bedoeling van zijn menswording was dus dat we zijn woorden en beelden zouden leren begrijpen om op die manier als vrije mensen weer tot de Vader te kunnen komen.
En dat was ook de bedoeling van de menswording van Rudolf Steiner, de grote navolger van Christus.
Hij wilde dat we zijn woorden en beelden begrepen.
En dat geldt heel in het bijzonder voor het meest geconcentreerde woord en beeld dat hij ons geschonken heeft: de Weihnachtstagung.

20131104-142601.jpg

Het kan nooit de bedoeling zijn dat we de Weihnachtstagung alleen maar vereren als het heiligste mysterie van de antroposofie, en dat we dat mysterie enkel ‘slapend’ leren kennen, zoals in de boeken van Prokofieff.
We moeten dat mysterie doorgronden met ons verstand en ons gevoel, en het op die manier op aarde brengen zodat het hier werkzaam kan worden.

Aangezien de Weihnachtstagung woord en beeld in één is, moeten we ze ook via woord en beeld benaderen.

Dat kan op de manier van Prokofieff.

Hij benadert de Weihnachtstagung met woorden en vormt met die woorden een helder beeld.
Maar dat beeld blijft een woordbeeld, een ideeënbeeld.
Zoals het zich aan ons voordoet, is het in hoge mate abstract.
Het blijft een ‘astraal’ beeld dat we slechts kunnen benaderen zoals we ’s nachts de geestelijke wereld betreden: door ons fysieke en etherische lichaam achter te laten.
Wanneer we Prokofieff lezen, verheffen we ons tot hoge geestelijke sferen.
Maar de lage, aardse sferen laten we ver achter ons.
Toch brengen we iets mee wanneer we weer op aarde ontwaken: dromerige beelden, die soms even in ons dagelijkse bewustzijn doordringen, maar grotendeels in ons onderbewuste wegzakken.
En daar worden ze langzaam getransformeerd tot beelden die dichter bij de aarde komen, en gemakkelijker door ons aardse bewustzijn kunnen gegrepen worden.

Maar er blijft nog altijd een grote kloof tussen deze ‘geëtheriseerde’ beelden en de fysieke beelden van de wereld waarin we dagelijks leven.

Die kloof kan alleen overbrugd worden als er van de tegenoverliggende kant een tegenbeweging komt die de fysieke aardse beelden eveneens ‘etheriseert’, dat wil zeggen op een hoger plan heft zodat ze zich met de ‘van boven komende’ beelden kunnen verenigen en bij wijze van spreken een ‘grondsteentje’ vormen.

We herkennen hierin de tegenstelling tussen kunst en wetenschap.
De kunst werkt met de materie. Ze probeert deze een hogere, geestelijker vorm te geven zodat ze drager wordt van een idee.
De wetenschap doet het omgekeerde: zij werkt met de geest en probeert deze een lagere, aardser vorm te geven zodat hij kan ingrijpen in de materiële wereld.

We herkennen hierin ook de tegenstelling tussen de oude en de jonge zielen.

De oude zielen volgen de weg van het woord.
Zij verheffen zich ‘slapend’ in de geest en brengen op die manier inzichten op aarde die in eerste instantie zeer abstract zijn, maar die zich in het onderbewuste nestelen en zich daar (verder) verdichten tot ‘etherische beelden’.
De jonge zielen volgen de weg van het beeld.
Zij werken in de toepassingsgebieden van de antroposofie met de aardse materie, de dode zowel als de levende. Die materie proberen ze zodanig te ‘kneden’ dat hij toegankelijk(er) wordt voor de geest. Ze maken er met andere woorden eveneens ‘etherische beelden’ van.

Tussen deze twee vormen van ‘etherische beelden’ – de geestelijke en de aardse – gaapt nog altijd een kloof.
Die ‘laatste’ kloof kan alleen gedicht worden door de bewuste en vrijwillige samenwerking tussen oude en jonge zielen.
Hier ligt de vrijheid van de antroposoof.
Hij zal maar tot die samenwerking komen als hij er zelf het belang van inziet.
En daarvoor moet hij zich een beeld vormen van het geheel van de antroposofie en van de Weihnachtstagung in het bijzonder.

Ik heb de indruk dat de antroposofen die de weg van het woord volgen, de oude-zielenweg, heel moeilijk doordringen tot het geheim van de oude en jonge zielen.
Het is dan ook een uitgesproken dualistisch, aards geheim.
Dat wil overigens niet zeggen dat alleen oude zielen de weg van het woord volgen.
Het is zelfs zo dat oude en jonge zielen alleen tot samenwerking komen als ze elkaars weg betreden, als ze elkaars eigenschappen verwerven.

Ikzelf ben bijvoorbeeld een oude ziel die de weg van het beeld volg.
Maar ik doe dat wel met de oude-zielenwijsheid in mijn achterhoofd.

Dat is dan ook wat ik een volgende keer wil proberen: door middel van beelden een brug slaan tussen de Grondsteenliefde en de aardse liefde, tussen de Weihnachtstagung en ons moderne leven. Het zal waarschijnlijk een heel wankel brugje worden, maar wie weet kan het toch een idee geven van hoe twee uitersten elkaar raken.

20131104-144802.jpg