Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: geest en materie

Adriaen Brouwer (16)

  

De Adriaen-Brouwertentoonstelling in Oudenaarde heeft inmiddels de deuren gesloten. De schilderijen zijn teruggekeerd naar hun respectievelijke musea, en het wordt stilaan tijd om deze beschouwingen af te ronden. Dat wil ik doen door een blik te werpen op de geboortehoroscoop die Brouwer in zijn zelfportret De Rokers heeft verwerkt. Sinds Jos Verhulst – wie anders – die horoscoop ontdekte, weten we dat Adriaen Brouwer geboren is in 1603 en niet in 1604 of 1605. Hij kwam ter wereld op 14 februari om kwart over één ’s nachts. De sleutel tot die ontdekking was een klein detail. In het venster rechtsboven op het schilderij zien we een koppeltje zitten waarvan de man zijn arm om de schouder van de vrouw heeft geslagen. De hand van de man maakt een eigenaardige indruk, alsof het meer een tang is dan een menselijke hand. Aangezien Brouwer voortreffelijk handen kon schilderen, is het weinig waarschijnlijk dat hij hier een steek heeft laten vallen. 

Het vermoeden rees dat die ‘misvormde’ hand wel eens een van die details kon zijn waarmee schilders de kijker attent willen maken op de verborgen dimensie van hun werk. Bovendien staan er op De Rokers zeven figuren, waarvan de twee voornaamste, Adriaen Brouwer en Jan de Heem, door hun grootte, kledij en houding gemakkelijk als Zon en Maan te identificeren zijn. De gedachte aan de zeven planeten drong zich op. Brouwer was geboren omstreeks 1604, het jaar waarin de beroemde Stella Nova van Johannes Kepler – de conjunctie van Jupiter en Saturnus – aan de hemel verscheen. Als de schilder inderdaad een horoscoop had verwerkt in zijn zelfportret dan moest die constellatie erin terug te vinden zijn. Wat kwam daarvoor meer in aanmerking dan het koppeltje in het venster? Het bood tevens een verklaring voor de tangvormige hand van de man: Jupiter stond immers in Schorpioen. En aangezien man en vrouw omhoog keken naar een glorend licht, bevonden Jupiter en Saturnus zich waarschijnlijk niet ver onder de Ascendant. 

Na enig zoekwerk aan de hand van deze elementen kwam de horoscoop van 14 februari 1603 uit de bus. De planeten staan hier precies zoals aangegeven op De Rokers. Van links naar rechts zien we Jan Lievens als Mercurius, Adriaen Brouwer als de Zon, Joos Van Craesbeeck als Mars, Jan Cossiers als Venus, Jan de Heem als de Maan, en de man en de vrouw in het venster als Jupiter en Saturnus. De lichaamshouding van Brouwer en de Heem, de opwaarts gerichte blik van Joos Van Craesbeeck, de pijpenkoppen, de waterteil, het witte doekje: het klopte allemaal. Volgens Jos Verhulst kan er geen twijfel over bestaan: Adriaen Brouwer heeft zijn geboortehoroscoop verwerkt in De Rokers. Hij heeft er ook de – uiterst zeldzame – opeenvolging van Maantransit, Mercuriustransit en Venustransit in verwerkt die plaatsvond eind 1631, het jaar dat hij 28 werd en terugkeerde naar Vlaanderen. Mogelijk wilde hij daarmee aangeven in welk jaar het schilderij ontstaan was. 

Wat meteen opvalt aan de horoscoop van 14 februari 1603, is dat alle planeten (uitgezonderd één) onder de horizon staan. Mooier kan Brouwers neiging om zich te verbergen en onzichtbaar te blijven, niet geïllustreerd worden. Zon, Maan, Venus, Mars en Mercurius staan op een hoopje rond het Imum Coeli, het onderste punt van de horoscoop. Het geeft de constellatie het uitzicht van een schaal met hoog daarboven één enkele planeet, Neptunus, die er – bij wijze van spreken – zowel inspiratie als drank in giet. We herkennen in dit beeld de bevlogen kunstenaar en de zware drinker. Het Imum Coeli, tevens de hoek van het 4de huis – het huis van de eigen plek, de roots, de familie – staat in Vissen, het meest onstabiele teken van de hele dierenriem. Dat levert een artiste bohémien op, een thuisloze zwerver zonder kind of kraai. Bovendien prijkt pal op dat onderste punt de onruststoker Mars. Het maakt van Adriaen Brouwer een ontwortelde ziel, iemand die niet kon aarden en nooit lang op dezelfde plek kon blijven.

Dit ‘onaardse’ karakter wordt bevestigd door het feit dat er geen planeten in aardetekens staan, behalve Uranus en Neptunus, maar dat zijn sowieso onaardse planeten. Het is al lucht en water wat de klok slaat in deze horoscoop. Brouwer was een gevoelsmens die veel nadacht. Hij moet buitengewoon gevoelig zijn geweest (Maan, Venus en Mars in Vissen, Ascendant in Schorpioen): een introverte ziel die liefst van al zat te schilderen, alleen en van geen mens gestoord. Maar Neptunus en Vissen maakten hem ook rusteloos en ongedurig: na het intens geconcentreerde werk aan een schilderijtje zien we hem ontspanning zoeken in de kroeg, pratend en drinkend met vrienden en kennissen. Want hoe introvert Brouwer ook was, hij had grote behoefte aan sociaal contact (Zon en Mercurius in Waterman). Het was één van zijn vele tegenstrijdigheden: deze introverte zwerver hield ervan onder de mensen te zijn en met hen van gedachten te wisselen. En zonder drank lukte dat waarschijnlijk niet. 

Als Brouwer eenmaal ‘los’ kwam, moet hij een joviale kerel zijn geweest, daarop wijst zijn Jupiter, die niet alleen pal op de Ascendant staat maar ook een driehoek vormt met Venus, het mooiste aspect uit de astrologie. Mede door zijn menselijkheid (Waterman) en gevoeligheid (Vissen) maakte die stand hem geliefd, zij het ook wel een beetje gevreesd, want de Ascendant staat in Schorpioen. De combinatie van Schorpioen en Waterman levert een mensenkenner zonder weerga op. Bovendien maakt de Zon een zeer nauw aspect met Pluto, de heerser van Schorpioen en de ‘ontmaskeraar’ bij uitstek. Brouwer had weinig geduld met mensen die een masker droegen en schepte er genoegen in dat af te rukken. We zien het ook in zijn schilderijen: hij zette mensen graag in hun hemd. Maar dat gebeurde zonder kwaadaardigheid. Brouwer was een 17de eeuwse Diogenes, voortdurend op zoek naar ‘de mens’. Wellicht vertoefde hij daarom zo graag in kroegen, ver weg van s’ werelds ydel goet.

Een eerste blik op deze horoscoop levert een beeld op dat zeer goed aansluit bij de Adriaen Brouwer die we hebben leren kennen uit zijn werk en uit commentaren van tijdgenoten. Het neemt de laatste twijfels weg: Brouwer heeft inderdaad zijn geboortehoroscoop verwerkt in zijn zelfportret. Dat doet de vraag rijzen: waarom deed hij dat? Waarom maakte hij van zijn zelfportret een groepsportret waarmee hij de zeven planeten kon voorstellen? Geen enkele andere kunstenaar heeft dat ooit gedaan. Rubens verwerkte zijn geboortehoroscoop wel eens in schilderijen, maar dat waren nooit zelfportretten. Er moest Brouwer dus veel aan gelegen zijn om de sterrenhemel te verbinden met zijn eigen persoon. Zijn zelfportret is onmiskenbaar een statement, een schilderij waarmee hij iets duidelijk wil maken. Het wijkt niet alleen af van alles wat andere schilders ooit deden, het wijkt ook af van wat hij zelf ooit deed, want in zijn andere schilderijen is die kosmische dimensie (zo te zien) niet aanwezig.

Dat uitzonderingskarakter maakt van De Rokers een buitengewoon sterke Ik-affirmatie. Adriaen Brouwer toont zich hier iemand die de gebaande wegen verlaat en een geheel nieuwe richting inslaat. Die opvallende Ik-kracht komt al heel vroeg tot uiting in zijn leven. Als 11-jarig jongetje emigreert hij met zijn ouders van Vlaanderen naar Holland. Hij maakt zich los uit zijn geboorteland zoals een kind zich losmaakt uit de baarmoeder. Vijf jaar later volgt er weer een ‘geboorte’ als hij het ouderlijk huis verlaat en alleen de wereld in trekt. Zeven jaar later is hij beroemd als schilder van kroegtaferelen waarmee hij zich losmaakt uit de schilderkunst van zijn tijd. Tal van schilders treden in zijn voetsporen, hij beïnvloedt zelfs de grote Rubens. Het is alsof er met Adriaen Brouwer een nieuw tijdperk geboren wordt, een Ik-tijdperk waarin afkomst en sociale status geen rol meer spelen maar alles aankomt op eigen kracht en kunnen. Als geen ander belichaamt de jonge Vlaamse schilder het opkomende individualisme. 

Maar hij belichaamt ook nog iets anders: gemeenschapszin. De vrienden en collega’s waarmee hij zichzelf afbeeldt op zijn zelfportret zijn geen anonieme figuranten in zijn geboortehoroscoop, het zijn echte vrienden en collega’s. Jan de Heem wordt heel nadrukkelijk als een concreet persoon geschilderd, en ook de anderen zijn identificeerbaar. Brouwer schildert voortdurend mensen die samen drinken, samen spelen, samen leven. Slechts bij uitzondering schildert hij een mens alleen, en als hij dat doet, hangt er altijd iets van somberheid, wrangheid of weemoed over het portret, alsof deze geïsoleerde mens de pijn van de Ik-vorming beleeft. Brouwers hele leven is trouwens een uitdrukking van de weëen waarmee de geboorte van het Ik gepaard gaat. Hij werd verscheurd door de zwei Seelen in zijn Brust, door de ziel die naar Ik-vorming streefde en de ziel die naar gemeenschap streefde. Dat innerlijke conflict maakte een gespleten mens van hem, een moderne ziel avant la lettre.

Op De Rokers beeldt hij ze allebei af: de zelfbewuste individualist en de gemeenschapsmens die niet zonder zijn vrienden kan. Maar, verborgen achter deze tegenstelling, beeldt hij ook nog een derde element af: de sterrenhemel, de wereld van de geest, die beide tegenpolen met elkaar verbindt. Het maakt van zijn zelfportret een soort credo, een beginselverklaring in olieverf. Alle Menschen werden Brüder, dat is waar hij in gelooft en waar hij van droomt: een gemeenschap van mensen die samenleven zonder dat ze hun individualiteit moeten opgeven. Maar hij lijkt te beseffen dat dit ideaal niet kan gerealiseerd worden zonder verbinding met de geest, vandaar de esoterische dimensie van zijn zelfportret. Die geest moet echter een nieuwe geest zijn, een geest die de individualisering van de mens mogelijk maakt, een christelijke geest. Die geest beeldt Brouwer af op zijn zelfportret, niet als een idee of een concept, maar als een realiteit, een ervaring, een waarneming. 

Er valt veel voor te zeggen dat Adriaen Brouwer op De Rokers een soort Christuservaring afbeeldt, een ontmoeting met zijn ware Ik. Misschien verwerkt hij daarom ook de drie transits van 1631 in zijn schilderij: om aan te duiden dat het om een concrete ervaring gaat. De drie planeten die voor de zon passeren, doen onwillekeurig denken aan de drie koningen, een beeld dat wijst op een geboorte, net als de horoscoop, net als het bakerdoekje, net als het hele schilderij eigenlijk. Het zou ook een antwoord vormen op de initiële vraag: wat ziet Adriaen Brouwer? Dat is niet de kijker, althans niet in fysieke zin. Wat hij ziet, is wat kunstenaar en kijker gemeen hebben: hun ware Ik, het Christus-Ik. Waarschijnlijk vond deze ‘Christus-waarneming’ plaats in 1631 en maakte ze een ander mens van Brouwer: hij werd opnieuw geboren. Ze viel ook samen met de terugkeer naar zijn geboorteland. Anders dan zijn emigratie, maakte deze tweede geboorte Adriaen Brouwer niet los uit zijn vaderland, maar verbond er hem weer mee. 

Uiterlijk verandert er niet veel, Brouwer blijft Brouwer. Maar over zijn werk lijkt nu een diepe weemoed te komen, een intens verlangen, alsof hij zich realiseert hoe diep de kloof is tussen zijn aardse ik en het grote kosmische Ik waarvan hij onverwachts een glimp heeft opgevangen. We zien het in De Dikke Man, maar ook in het Duinlandschap, waar we op de voorgrond twee figuren met elkaar in gesprek zien terwijl een derde, boven op de heuvel lijkt te wijzen naar iets wat beide anderen niet zien. Het is opnieuw hetzelfde beeld dat we in Brouwers geboortehoroscoop zagen: Neptunus, die hoog aan de hemel staat en contact maakt met een verre, kosmische wereld, en zijn gespleten ziel die zich beneden op aarde bevindt. Heel merkwaardig zijn ook de tekeningen op de ondergrond, die door de transparante verflagen heen schemeren, alsof Adriaen Brouwer een (geestelijke) wereld wil afbeelden die zich verbergt achter of onder de zichtbare, aardse werkelijkheid. 

Deze mysterieuze tekeningen – het zijn visachtige vormen (Neptunus is de god van de zee) – kunnen model staan voor het werk van Adriaen Brouwer: ze zijn duidelijk zichtbaar maar ze worden niet waargenomen. De schilderijen van deze Vlaming zijn al 400 jaar bekend, ze hangen overal in musea, maar toch worden ze niet ‘gezien’. De reden daarvoor ligt waarschijnlijk in hun ‘christelijke’ karakter, in het volkomen samenvallen van hemel en aarde. We kunnen de zintuiglijk-artistieke kwaliteit van Brouwers werk niet zien zonder ook de bovenzintuiglijk-geestelijke kwaliteit te zien. In de 17de eeuw is dat nog geen probleem – vandaar het succes van Brouwer – maar dat verandert snel. Met het individualisme breekt ook het materialisme door en gaat men de geest ontkennen. In het geval van Brouwer is dat niet mogelijk zonder ook de materie te ontkennen, dat wil zeggen zonder blind te blijven voor zijn werk. En dat is ook wat men gedaan heeft en nog altijd doet: men negeert Adriaen Brouwer, men kijkt zonder te willen zien. 

We beleven vandaag de wederkomst van Christus. De geestelijke dimensie van de werkelijkheid schemert steeds sterker door de materiële dimensie heen. We kunnen ze niet meer ontkennen zonder ook de gewone, aardse werkelijkheid te ontkennen, en dat is precies wat we doen: we sluiten de ogen voor de werkelijkheid, zoals we ook de ogen sluiten voor Adriaen Brouwer. Zijn werk staat model voor de wereld waarin we vandaag leven, het is als het ware gemaakt voor onze tijd. Wat men in de 17de eeuw nog waarnam met een laatste rest van de oude helderziendheid, moet vandaag worden waargenomen door aandachtig te kijken en zorgvuldig na te denken. Als geen andere schilder maakt Brouwer dat mogelijk. Het doet ons beseffen hoever deze kunstenaar zijn tijd vooruit was, en ook welke kans ons hier geboden wordt om in alle rust te oefenen wat we steeds dringender nodig hebben: het vermogen om de geest in de materie te zien, het vermogen om de etherische Christus waar te nemen. 

Lichtbaken (16)

  

Met dat alles is nog steeds de vraag niet beantwoord hoe het komt dat een kleine verandering aan het fysieke lichaam (de neus!) volstaat om een mens onherkenbaar te maken, terwijl we nochtans het Ik van die mens – datgene wat we herkennen – niet aflezen aan zijn fysieke lichaam, maar het rechtstreeks, bovenzintuiglijk waarnemen. Groter tegenstelling dan tussen het (geestelijke) Ik en het (materiële) lichaam is niet mogelijk, en toch drukt het Ik zich volgens Rudolf Steiner juist in dat fysieke lichaam het duidelijkst uit, veel duidelijker dan in het karakter of het innerlijk. Dat is ook mijn ervaring als portrettist. Om een sprekend portret te tekenen, een portret waarin het Ik van de betrokken mens tot uitdrukking komt, concentreer ik me enkel en alleen op het fysieke lichaam. Daarvoor moet ik de mens ‘doden’, ik moet abstractie maken van alles wat levend aan hem is. Met zijn karakter of innerlijk hou ik geen rekening. En zo ondervind ik dat zijn Ik niet samenvalt met zijn innerlijk, dat het er zelfs tegengesteld kan aan zijn. Het innerlijk is dus onbetrouwbaarder dan het het fysieke uiterlijk – op voorwaarde dat dit laatste nauwkeurig en objectief wordt waargenomen, zoals een portrettist dat doet.  

De paradox is inderdaad dat het Ik pas zichtbaar wordt wanneer je de mens doodt, wanneer je alles elimineert wat hem tot een subject maakt en hem herleidt tot een louter materieel ding. Doordat je het fysiek lichaam isoleert en het (in gedachten) losmaakt van het etherisch lichaam, het astraal lichaam en het Ik, wordt het een spiegel voor dat Ik. Want dat is wat materie in wezen doet: de geest weerspiegelen. Dankzij de spiegel van de materie kunnen we ons bewust worden van de geest. Zolang er alleen maar geest is – en we deel uitmaken van die geest – is dat niet mogelijk. Wat die bewustwording echter zo moeilijk maakt, is dat de materiële wereld leeft: hij is nog altijd opgenomen in de geest, hij is vermengd met geest. Daardoor wordt hij tot een onbetrouwbare spiegel, want een spiegel mag niet leven. Hij moet hard en transparant zijn als glas, hij mag geen enkele gelijkenis meer vertonen met datgene wat hij weerspiegelt. In feite is dat het verhaal van de mens: de wereld waarin hij leeft, sterft langzaam, hij wordt stap voor stap ‘ontgeestelijkt’ en ‘gematerialiseerd’ waardoor hij tot een spiegel wordt van de geest. Op die manier kan de mens zich bewust worden van de geest, hij kan ertegenover gaan staan en vrij worden.

In dat stervens- en bewustwordingsproces hebben we vandaag een kritiek punt bereikt. De wereld is meer dan ooit een spiegel van de geest, maar we kijken niet in die spiegel, we kijken naar de spiegel. We maken met andere woorden geen onderscheid tussen spiegel en spiegelbeeld. We denken dat het beeld (van de geest) deel uitmaakt van de spiegel en dat de geest dus een aspect van de materie is. Hoe moeilijk het is om onderscheid te maken tussen spiegel en spiegelbeeld ondervinden we wanneer we in een vijver de wolken en de blauwe hemel weerspiegeld zien. De vijver zelf zien we dan niet meer. Zien we echter onder het wateroppervlak de vissen zwemmen, dan merken we weer niks van de weerspiegelde wolken. Het is onmogelijk om ze allebei te zien, de vissen én de wolken. Het is zelfs buitengewoon moeilijk om de blik van de spiegel naar het spiegelbeeld te verplaatsen. We kunnen eigenlijk zelf niet bepalen wat we zien: de vissen of de wolken. We hebben daar geen greep op, onze blik is als het ware gevangen en we kunnen hem niet losmaken van datgene wat we toevallig zien. Verandert onze blik toch van richting, dan gebeurt dat per ongeluk, zonder dat we weten hoe het gebeurt. 

We kunnen de vijver zien als een metafoor van het menselijk lichaam: dat lichaam weerspiegelt het Ik (de wolken), maar om dat Ik te kunnen zien moeten we de blik afwenden van alles wat leeft in dat lichaam (de vissen). En dat lukt ons niet want onze blik gehoorzaamt niet aan onze wil. Hij zit als het ware vast aan zijn onderwerp, of dat nu het (geestelijke) Ik is of het (fysieke) lichaam. Als gevolg daarvan kunnen we die twee niet onderscheiden, want daarvoor moeten we de blik afwisselend van de een op de ander richten. Wanneer we tegenover een mens staan, nemen we zijn Ik wel waar, maar niet bewust, want we onderscheiden het niet van wat we waarnemen aan zijn lichaam. Zien we in een vijver de vissen rondzwemmen, dan wordt onze blik vertroebeld door onze onbewuste waarneming van de weerspiegelde wolken, en omgekeerd. We zien dus nooit de hele werkelijkheid (of de hele mens), en de ‘halve’ werkelijkheid zien we ook nog eens troebel. Er is trouwens nog iets anders dat aan ons bewustzijn ontsnapt: zowel de wolken als de vissen verschijnen aan ons in het wateroppervlak. We zien met andere woorden slechts een beeld van beide werelden, nooit de vissen en de wolken (of het lichaam en het Ik) zelf. 

Het kost ons een behoorlijke denkinspanning om in te zien dat de wereld waarin we leven in wezen drieledig is en dat hij – metaforisch gesproken – bestaat uit wolken, vissen en een wateroppervlak dat beide scheidt. Dat wateroppervlak is een essentiële factor, want bij de minste rimpeling verdwijnen zowel de wolken als de vissen uit beeld en zien we alleen nog het water zelf. In feite is dat spiegelende oppervlak het meest ongrijpbare en mysterieuze element in die drieledigheid. Je kunt het vergelijken met het fysieke uiterlijk van een mens. Diens lichaam is een ongelooflijk complexe wereld waarvan we in normale omstandigheden alleen maar het oppervlak zien: de huid met alles wat erbij hoort. Dat oppervlak weerspiegelt zowel het lichaam eronder als het Ik erboven – volgens Rudolf Steiner komt het Ik van buitenaf op ons toe – maar daar merken we nauwelijks iets van omdat ons moderne bewustzijn zo star en onbeweeglijk is geworden dat het slechts een troebele vermenging van beide waarneemt. Dit troebele mengsel beschouwen we momenteel als dé werkelijkheid, een werkelijkheid waarvan we overtuigd zijn dat we ze helder en objectief waarnemen. 

We leven in de illusie dat we de wereld – eindelijk – zien zoals hij is, terwijl onze waarneming in werkelijkheid steeds troebeler en verwarder wordt. We zijn ons weliswaar scherp bewust van de materiële wereld en we worden ons langzaam ook weer bewust van de geestelijke wereld, maar doordat ons bewustzijn niet in staat is zich tussen die twee werelden te bewegen (en ze daardoor ook niet kan onderscheiden) raken ze In toenemende mate vermengd en stompen ze ons bewustzijn af. We zijn dus op een keerpunt gekomen: als we ons bewustzijn niet in beweging krijgen, dan zal het degenereren. Dat proces is trouwens reeds volop bezig. De wetenschap (die onze waarneming van de materiële wereld vertegenwoordigt) raakt in toenemende mate vermengd met ideologische en zelfs religieuze elementen, en verliest daardoor haar objectiviteit. De religie van haar kant (die zich bezighoudt met onze waarneming van de geest) is verworden tot een stel abstracte wetten en formules die geen ruimte meer laten voor de (subjectieve) mens. Maar het grootste slachtoffer is wel de kunst, die geest en materie, subject en object met elkaar verbindt en het beweeglijke spel tussen beide belichaamt. 

De kunst is uitdrukking van het fysieke uiterlijk van de mens (als grens tussen binnen en buiten), van het spiegelende wateroppervlak (als grens tussen vissen en wolken), van de natuur (als grens tussen aarde en kosmos). Zij is een middengebied dat de tegenpolen verbindt én scheidt. Haar voornaamste eigenschap is dan ook beweging, een uiterst complexe, ritmische beweging. Wat is een portret anders dan het resultaat van een hele reeks bewegingen? De tekenaar beweegt zijn potlood over het papier in een ingewikkeld patroon dat uiteindelijk een beeld van een mens oplevert. De fysieke bewegingen die hij maakt, spiegelen de bewegingen die zijn bewustzijn maakt, want iedere beweging van zijn hand is een bewuste beweging (of hoort dat te zijn). Die bewustzijnsbewegingen zijn op hun beurt een weerspiegeling van de Ik-bewegingen die geleid hebben tot het ontstaan van het gezicht dat getekend wordt (want het is het Ik van de mens dat zijn lichaam schept). Uiteindelijk is dat wat de portrettist beoogt: zichzelf ter beschikking stellen van het Ik van de geportretteerde zodat dit als het ware zichzelf kan tekenen. Maar dit samenwerken van twee Ikken vergt een grote beweeglijkheid, een grote Ik-inspanning. 

Als we ons bewustzijn – en daarmee ook ons menszijn – willen redden, dan moeten we het weer in beweging krijgen. Ons Ik moet weer greep krijgen op dat verstarde bewustzijn dat niet in staat is zijn aandacht te verplaatsen van de vissen naar de wolken of omgekeerd. De grote vraag daarbij is natuurlijk hoe dat moet gebeuren. Hoe kunnen we weer meester worden in een bewustzijn dat in de ban is van (de spirituele) Lucifer en/of (de materialistische) Ahriman? Het antwoord ligt in de kunst, het antwoord is de kunst. Want kunst is beweging, geestelijke beweging tussen twee tegenpolen. Die beweging kan niet uitgedrukt worden in wetten omdat ze bij iedere mens anders is. Geen twee mensen bewegen op dezelfde manier, noch geestelijk, noch fysiek. En toch hebben al die bewegingen iets gemeenschappelijks, ze hebben deel aan dezelfde oerbeweging, hetzelfde scheppende wereldwoord. Hoe meer de persoonlijke beweging van de kunstenaar deel heeft aan deze ‘wereldbeweging’, des te groter is zijn kunst. En omgekeerd: hoe groter zijn kunst is, des te persoonlijker is ze ook. Dat is het wonder van de kunst: het samen bewegen van het persoonlijke en het bovenpersoonlijke, als in een dans. 

Datzelfde wonder treffen we ook aan in het paradoxale samengaan van Ik en fysiek lichaam. Ieder menselijk Ik is uniek en toch drukt het zich uit in een lichaam dat voor iedereen hetzelfde is: een hoofd, twee armen, twee benen, enzovoort. Op dit thema – het menselijk lichaam – bestaan er miljarden variaties die we feilloos uit elkaar kunnen houden. Het plastisch vermogen van dit lichaam is verbijsterend, en het duidelijkst komt dat tot uiting in het hoofd, waar het Ik zich het duidelijkst in uitdrukt. Dat maakt het tekenen van portretten zo ongemeen boeiend: ieder mens is totaal anders, ieder portret is volkomen nieuw. Het vergt echter een grote beweeglijkheid om het basismateriaal – het gezicht met zijn neus, mond, twee ogen en oren – zodanig te kneden dat het telkens weer uitdrukking wordt van een ander Ik, dat het telkens weer de vorm krijgt van een uniek ‘idee’ en tegelijk ook van de ‘wereldidee’, want die twee gaan altijd samen. Maar die beweeglijkheid kan iedereen zich eigen maken, iedereen kan leren tekenen en zijn bewustzijn in beweging brengen, te beginnen met de meest starre en dode vormen, de rechte lijnen van de meetkunde. Daar is geen talent voor nodig, alleen de wil. 

Onmenselijk Links

  

  

In een satirisch stuk maakte Ludo Abicht onlangs een karikatuur van de opvatting die opdook na het Brexit-referendum: beperk het stemrecht in leeftijd, geef de stemmen van oude mensen aan jonge mensen, tenslotte zijn zij het die de gevolgen moeten dragen! Door flink te overdrijven legde Abicht het wezen van deze opvatting bloot: het is je reinste egoïsme – alles voor mij en niks voor een ander. Ook Mark Grammens wees al op het fascistische karakter van dit jeunisme. Verwarrend genoeg dook deze opvatting niet op aan de rechter- maar aan de linkerzijde van het politieke spectrum, dat wil zeggen aan de zijde die prat gaat op haar sociaalvoelendheid, haar empathie, haar solidariteit. Het waren inderdaad de Remainers die al die verzuurde oude mensen hun stem wilden afnemen, degenen die bij Europa wilden blijven, die verbonden en solidair wilden zijn, die de vluchtelingen en de islam in de armen sloten. Uitgerekend deze linkse mensen stonden een maatregel voor die je alleen maar van Rechts zou verwachten.

Hoe valt dat samen te rijmen: egoïsme én solidariteit? Je kunt toch niet Links én Rechts tegelijk zijn, communistisch én fascistisch? Of toch wel? Hoe zit eigenlijk met Rechts, dat door Links afgeschilderd wordt als het Grote Kwaad? Rechts is egoïstisch, daar kan geen twijfel over bestaan. Eén procent van de bevolking bezit vijftig procent van alle rijkdom. Zo’n gigantische rijkdom stapel je niet op als je sociaal voelend bent, empathisch, solidair. Maar is rechts dan alleen maar egoïstisch, ongevoelig en asociaal? Kun je rijk worden zonder samen te werken? Zijn bedrijfsleiders niet juist mensen die over een buitengewoon vermogen beschikken om samen te werken en anderen te laten samenwerken? En komt hun kreativiteit en ondernemingszin niet ten goede aan heel veel mensen? Is het niet juist aan hun individuele inzet te danken dat de algemene welvaart toegenomen is? In het communisme, dat het ‘rechtse’ individualisme de kop indrukt, gebeurt juist het tegenovergestelde.

De tegenstelling tussen Links en Rechts is dus vals, in die zin dat Links zowel links als rechts is en hetzelfde ook gezegd kan worden van Rechts. De geweldige polarisatie die nu al meer dan honderd jaar het politieke leven beheerst, is een schijntegenstelling, en ze is dat des te meer naarmate ze voorgesteld wordt als de tegenstelling tussen goed en kwaad. Want Links beschouwt zichzelf als de vertegenwoordiger van alles wat goed, waar en schoon is, terwijl Rechts wordt afgeschilderd als de incarnatie van het kwaad. Doet Rechts dan niet hetzelfde? Ziet Rechts Links ook niet als het kwaad dat moet uitgeroeid worden? Dat valt moeilijk te zeggen, want de stem van Rechts is nauwelijks te horen. Eigenlijk kennen we Rechts alleen via Links, want de media zijn volledig links, rechtse journalisten bestaan eenvoudig niet. Hetzelfde geldt voor de wereld van kunst en cultuur: hij is volledig links. Idem voor de academische wereld. En dan de enorme rol die de Staat speelt in onze tijd: we leven in een eenzijdig linkse wereld.

Wil dat dan zeggen dat Rechts niet bestaat, en dat het een uitvinding is van Links, een imaginaire vijand die moet dienen om steeds meer macht te verwerven? Er wordt inderdaad voortdurend gewaarschuwd voor het Rechtse Gevaar, voor het fascistische monster dat weer zijn kop opsteekt. Alleen is daar in de realiteit niks van te merken. Zeker, er zijn overal rechtse partijen die aan kracht winnen, maar verkondigen zij werkelijk een extreemrechts, fascistisch gedachtengoed zoals Links beweert, of zijn ze gewoon een vorm van verzet tegen de verstikkende, totalitaire macht die de linkse staat uitoefent? Is het niet zo dat in die rechtse partijen vooral uitdrukking wordt gegeven aan het vrijheidsstreven van de mens? Links wil de vrijheid van de mens opofferen aan de gemeenschap en doet er alles aan om de vrijheid van meningsuiting – de grondsteen van de vrije samenleving – aan banden te leggen. Hoe kan het anders dan dat daar reactie op komt? Wat vandaag Rechts wordt genoemd, is in de eerste plaats een bevrijdingsbeweging. 

Eén gebied heeft evenwel geen behoefte aan bevrijding: het economische gebied. Daar heerst reeds de allergrootste vrijheid. De grote bedrijven, de grote bankinstellingen, de rijken der aarde: ze doen gewoon hun zin en niemand kan hen tegenhouden. Ze spannen staat en politiek voor hun kar. Hoe de verhoudingen liggen zien we in de kunst. Wat vandaag als kunst beschouwd wordt – en derhalve onderwezen en gesubsidieerd door de staat en de intelligentsia – wordt bepaald door de kunsthandel. Het zijn zuiver materiële belangen die deze ‘geestelijke’ wereld sturen. Dat geldt eigenlijk voor alles: wat vandaag doorgaat voor geestelijk, cultureel of intellectueel is niets anders dan een schaamlapje voor het economische. In materialistische tijden als de onze kan dat ook niet anders: het geestelijke heeft geen grond meer in zichzelf, het is slechts een bijproduct van de materie. Dat zien we ook bij Links: uiterlijk gezien komt het op voor de samenleving, maar in de kern is het zo egoïstisch en machtsbelust als maar kan. 

De werkelijke tegenstelling – tussen economie en geestesleven – wordt dus aan het zicht onttrokken door een schijntegenstelling: die tussen politiek rechts en links. Als we die twee nuchter bekijken, stellen we vast dat ze nauwelijks van elkaar verschillen: wat bij de een aan de buitenkant zit, zit bij de ander aan de binnenkant, dat is alles. Ze verhouden zich tot elkaar als man en vrouw: de man is aan de buitenkant (fysiek lichaam) mannelijk maar aan de binnenkant (etherisch lichaam) vrouwelijk, terwijl de vrouw fysiek vrouwelijk is en etherisch mannelijk. Maar man en vrouw zijn allebei onderworpen aan de wetten van de materie (alsook aan die van de geest). Daarin verschillen ze niet van elkaar. Pas in hun ontmoeting, in hun wisselwerking, bevrijden ze zich langzaam uit die onderworpenheid. In dat gemeenschappelijke middengebied groeit hun Ik, hun persoonlijke, individuele Ik dat zowel belichaamt waarin ze verschillen (man en vrouw) als waarin ze gelijk zijn (het kind). 

Geestelijk (cultureel, intellectueel) Links zal zich nooit kunnen losmaken uit zijn afhankelijkheid van materieel (economisch) Rechts als het geen relatie aangaat met geestelijk Rechts. Als het op geestelijk gebied de baas blijft spelen over Rechts, zal het op economisch gebied het slaafje blijven van Rechts. De politieke strijd tussen Links en Rechts is slechts een middel om de mens steeds sterker te binden aan (en afhankelijk te maken van) de materie. Deze materiële gebondenheid zal de mens langzaam maar zeker verdierlijken, ze zal het individueel-geestelijke in hem stap voor stap uitdoven tot hij uiteindelijk geen mens meer kan genoemd worden. Dat is de droeve waarheid van Links: in naam van het Goede, het Ware en het Schone rolt het de loper uit voor de materialistische geest van het Kwaad, de Leugen en de Lelijkheid die het menselijke wil vernietigen. Door deze geest te identificeren met mensen – rechtse mensen, slechte mensen, racistische mensen – ontmenselijkt Links zichzelf. 

Antroposofie en sexualiteit (1)

  

Het is bekend dat Rudolf Steiner heel weinig gezegd heeft over de menselijke sexualiteit. Nogal wat antroposofen lijken dat op te vatten als een spirituele richtlijn: wie aan zijn geestelijke ontwikkeling werkt, kan maar beter zo weinig mogelijk aandacht besteden aan dit zeer lichamelijke onderwerp. Bernard Lievegoed, die toch niet bekend stond als een conservatief man, wist over sexualiteit niet meer te zeggen dan dat het nu eenmaal bestond en dat we er moesten mee leven. Zijn geringschattende houding kan model staan voor die van de doorsnee antroposoof: sex is iets waar je beter zo weinig mogelijk over spreekt. 

De antroposofische beweging verraadt daarmee een ‘kathaarse’ inslag: alles wat werelds, aards en zinnelijk is, wordt met onverholen wantrouwen bekeken en strijdig geacht met een spiritueel leven. Antroposofen zoeken de geest liefst van al in ‘hogere’ sferen. Iemand als Sergej Prokofieff is daar een sprekend voorbeeld van: in zijn (dikke) boeken wordt met geen woord gerept over wereld waarin we vandaag leven. Alles speelt zich af in abstracte hoogten waarvan men zich geen voorstelling meer kan maken. Hoe spiritueler een mens wil zijn, des te meer afstand moet hij nemen van het aardse, zo lijkt het wel.

Gelukkig is dat niet de antroposofische theorie. Rudolf Steiner heeft zich altijd duidelijk uitgesproken tegen het oude ascetische ideaal. De geest dient niet in luciferische hoogten gezocht te worden, maar hier beneden op aarde. Steiner heeft dan ook veel gesproken over de actualiteit van zijn dagen. Hij negeerde geenszins de wereldoorlog die aan de gang was, hij beschreef zelfs nauwkeurig de oorzaken ervan. Hij was allesbehalve de ‘zwever’ waarvoor hij vaak gehouden wordt. Hij was juist een mens die buitengewoon veel aandacht had voor het concrete aardse bestaan en zeer goed op de hoogte was van wat daar omging. 

Waarom heeft Rudolf Steiner dan zo weinig gesproken over de sexualiteit van de mens? Hij moet toch voorzien hebben welke prominente rol ze in onze tijd zou gaan spelen! Het antwoord op die vraag is eigenlijk heel eenvoudig: zijn publiek wilde het niet horen. Steiner heeft in zijn leven slechts twee keer een voordracht moeten afbreken. De ene keer was tijdens zijn allerlaatste optreden – die letzte Ansprache – toen zijn fysieke krachten het begaven, de andere keer was toen hij sprak over … de menselijke sexualiteit. Toen waren het de weerstanden bij zijn toehoorders die het onmogelijk maakten om verder te gaan. Ze waren er gewoon niet klaar voor. 

Dat is vandaag wel even anders. Er is op sexueel gebied niks meer dat niet besproken kan worden en dat ook besproken wordt. Helaas is de benadering zo materialistisch dat ze in hoge mate onbevredigend (sic) is. Dat komt misschien nog het best tot uiting in de manier waarop de geslachtsorganen benoemd worden. Dat gebeurt ofwel door latijnse namen die een klinische afstandelijkheid betrachten – penis, vagina, vulva – ofwel door scheldwoorden die een diepe afkeer verraden: kut, lul, neuken. Van een positieve, liefdevolle benadering is geen sprake en binnen de materialistische context van onze tijd is ze ook niet mogelijk. 

Een spirituele benadering van de menselijke sexualiteit kan alleen maar kunstzinnig zijn. Dat werd door Middeleeuwse mens veel beter begrepen. Hij benoemde (tenminste in zijn literatuur) alles wat tot de sexuele sfeer behoorde door middel van metaforen: hij ‘neukte’ zijn vrouw niet, hij ‘plantte een boompje in haar hofje’. Alleen zo’n kunstzinnig-metaforische benadering, die Alles Vergängliche als ein Gleichnis ziet, doet recht aan het dubbele karakter van de sexualiteit, die tegelijk zeer materieel en zeer geestelijk is. Dat geldt trouwens voor de hele zintuiglijke werkelijkheid: zij is een materieel beeld van de geest. 

De sexuele natuur van de mens wordt beschouwd als zijn lagere natuur. De geslachtsorganen wekken afkeer en schaamte op omdat ze de mens herinneren aan de zondeval. Maar ze herinneren de mens ook aan datgene wat ‘gevallen’ is: vandaar de eindeloze fascinatie en aantrekkingskracht die ervan uitgaat. Juist in deze sexuele organen, aldus Rudolf Steiner, is de mens het evenbeeld van de goden. Maar dat evenbeeld is verdorven, het is in de greep van Lucifer geraakt. Wat oorspronkelijk de hogere natuur van de mens was, is zijn lagere natuur geworden. En die is ertoe bestemd om weer zijn hogere, geestelijke natuur te worden. 

Rudolf Steiner heeft het telkens weer beklemtoond: de geestelijke wereld is niet ergens anders, hij is hier, in de concrete, zintuiglijke werkelijkheid waarin we leven. Hij heeft echter een andere, in eerste instantie onherkenbare vorm aangenomen. In de materie is de geest als het ware verstard, versteend, bevroren, net als de natuur in de winter. Maar verborgen in die grauwe, winterse wereld liggen de zaadjes en kiemen van de kleurrijke geest te wachten op de terugkeer van het licht. Dat licht is ons eigen denkende bewustzijn dat de (vooralsnog onzichtbare) geest weer tot bloei moet brengen en bevrijden uit zijn materiële keurslijf. 

Dat moet de richtlijn zijn voor de antroposoof: hij moet het licht van zijn denken versterken in de confrontatie met de duisternis van de materie. De worsteling met de materie – die eigenlijk een worsteling is met ‘gevallen engelen’ – moet de mens zo sterk maken dat hij als een vrij wezen stand kan houden tegenover de ‘goden’. Nergens is deze worsteling zo intens als in de confrontatie met de sexualiteit, waar de grootste geestelijke kiem gevangen wordt gehouden door de grootste materiële krachten. Nergens ook is deze worsteling zo dringend als juist op dit ‘laagste’ gebied waar de mens vandaag steeds dieper naar beneden wordt gesleurd. 

Politieke correctheid en autisme (1)

Vroeger – ik spreek nu over 50 jaar en meer geleden – zag je voor het raam van heel wat cafés een bordje staan met de woorden ‘interdit aux Nord-Africains’.
Dat had niks te maken met racisme maar alles met realisme.
Als er Noord-Afrikanen in de zaak waren, was de kans namelijk reëel dat er ruzie van kwam en dat de inboedel aan diggelen werd geslagen.
In steden als Antwerpen kwam de hele wereld over de vloer, dus daar hadden ze in de cafés echt wel ervaring met het multiculturele samenzijn.
Maar om de een of andere reden wilde dat samenzijn niet lukken als er Noord-Afrikanen bij waren.
Dat was trouwens niet alleen in Antwerpen zo, dat was in heel Europa zo.
Overal wisten de café-houders: met Noord-Afrikanen heb je altijd problemen.
En dat is nog niet veranderd.

Waarom juist Noord-Afrikanen?
Volgens henzelf (en de politiek-correcte intelligentsia) worden ze overal als zondebokken behandeld en onthaald op discriminatie en agressie.
Ze zijn als het ware de ‘nieuwe joden’ van Europa.
Iedereen met een beetje gezond verstand weet natuurlijk dat dit de wereld op zijn kop is.
Noord-Afrikanen zijn helemaal niet de kneusjes die overal gepest worden waar ze komen.
Ze zijn juist de pestkoppen.
Met name de Marokkanen hebben op dat vlak een bijzonder slechte reputatie.
Het was Mister Politiek-Correct himself, Yves Desmet, die destijds het begrip ‘kutmarokkaantjes’ introduceerde.
De ‘berbers’ gedroegen zich zo onuitstaanbaar dat het zelfs hem teveel werd.
De uitdrukking sloeg meteen aan.
Eindelijk eens iemand die de waarheid durfde te zeggen!

Hoelang is dat inmiddels geleden? Tien, twintig jaar?
Sindsdien is er heel wat veranderd.
Vandaag durft Yves Desmet, ondanks zijn smetteloze politiek-correcte reputatie, de term ‘kutmarokkaantjes’ niet meer in de mond nemen.
Integendeel, hij huilt vol overtuiging mee met de wolven in het bos die het vel van Bart De Wever willen.
Want die onverlaat heeft het gewaagd te zeggen dat er problemen zijn met Berbers, dat ze ‘een zeer gesloten gemeenschap’ vormen.
Dat komt niet eens in de buurt van ‘kutmarokkanen’ maar het was genoeg om een storm van verontwaardiging te doen losbarsten.
Abou Jahjah eiste meteen het ontslag van De Wever en Abderrahim Lahlali (die ervaring heeft met het verdedigen van terroristen) bracht de zaak voor het gerecht.
Het regende verontwaardigde artikels en commentaren in de media en toen iemand in het Vlaams Parlement van leer trok tegen De Wever kreeg hij applaus op alle banken.
Iedereen was het er roerend over eens: dit keer was De Wever te ver gegaan.

Ik volg nu al jaren de ononderbroken hetze tegen Bart De Wever en hoewel ze mijn weerzin blijft oproepen – hoe beschamend is het niet om met z’n allen op één man in te beuken – ben ik eraan gewend geraakt.
Dit keer sloeg de schrik me echter om het hart.
Met verbijstering keek ik naar die collectieve hysterie.
Wat scheelt er in godsnaam met de Vlaamse intellectuelen dat ze zo woedend reageren als iemand die de waarheid vertelt?
Want laten we wel wezen, wat Bart De Wever zei over de Berbers, was de waarheid en dat is dan nog zacht uitgedrukt.
De harde waarheid had heel anders geklonken.
Om een idee te geven: te midden van alle heisa was Farid le Fou weer in het nieuws, de meest beruchte Noord-Afrikaan van ons land, de schrik van alle gevangenissen.
Omdat men geen blijf met hem weet, heeft men hem gewoon … vrijgelaten, hoewel hij nog meer dan 10 jaar cel moet uitzitten voor moord, geweld, ontvoering en verkrachting.
Men heeft hem zelfs een schadevergoeding van 11.000 euro gegeven.
Omdat dit wat al te gortig werd, heeft men besloten hem toch weer op te sluiten, maar nu durft men hem niet oppakken omdat hij zo gewelddadig is.
Het is bijna een metafoor van hoe men in dit land met Marokkanen omgaat.

There is something rotten in the state of Belgium.
Zoveel is duidelijk.
Als de intellectuele klasse de waarheid niet meer verdedigt maar aanvalt, dan is er iets ernstigs aan de hand.
Maar wat?
Wat scheelt er toch met onze intellectuelen?

Ik kwam het antwoord op het spoor toen ik nadacht over het opinieartikel waarin Yves Desmet waarschuwt voor de stigmatisering van depressieve mensen.
Hij ging lang niet zo hysterisch tekeer als zijn collega’s in het geval De Wever, maar in de grond deed hij net hetzelfde: hij verwisselde daders en slachtoffers, hij keerde de waarheid gewoon om.
Er was nog maar net sprake van depressie (en antidepressiva) als oorzaak van de vliegtuigcrash of Yves Desmet ging al in de tegenaanval, alsof de slachtoffers op het punt stonden wraak te nemen op alle depressieve mensen.
Hetzelfde gebeurde na de aanslag op Charlie Hebdo.
De slachtoffers waren nog niet begraven of in de kranten verschenen alweer artikels die waarschuwden voor de stigmatisering van moslims.
Selahattin Kocak bestond het zelfs om een klaagzang aan te heffen over hoe bedreigd moslims zich wel voelen in Europa.
Het getuigde van een aan autisme grenzend gebrek aan inlevingsvermogen.
Je vraagt geen begrip voor de moordenaar op de begrafenis van zijn slachtoffers.

Toen ik deze drie gevallen op een rijtje zette, begreep ik opeens wat ze gemeen hadden: autisme.
Politieke correctheid is een vorm van autisme.
De moslimmentaliteit is een vorm van autisme.
Het moderne denken is simpelweg autistisch.
Hedendaagse intellectuelen (Westerse of islamitische) gedragen zich als autisten.
En wat erger is: ze beseffen het niet.
Ze projecteren hun autisme op de buitenwereld, zoals Jan Blommaert.
Ze beweren dat wie de waarheid spreekt de wereld op zijn kop zet.
Eigenlijk hebben deze intellectuele autisten een zeer helder beeld van zichzelf.
Ze durven er alleen niet naar kijken: ze projecteren het dwangmatig op anderen.
Daarin verschillen ze van echte autisten, want die wéten tenminste dat ze ziek zijn.
Voor zover ze het contact met de buitenwereld nog niet helemaal verloren hebben …

Luisteren we nog even naar Jan Blommaert over Bart De Wever.

‘Hij lijkt zich vaak op lichtjaren afstand te bewegen van wat men “de realiteit” noemt.
Hij produceert aan de lopende band verzinsels, kwakkels, leugens en stereotypen over allerhande thema’s – doorgaans over wie “goed” en “slecht” is – terwijl hij die nonsens als grote wijsheden beweert te slijten.
Wie afwijkende visies en standpunten hanteert wordt snel als ongeïnformeerd, eenzijdig en bevooroordeeld, een slecht hoorder of een al te letterlijk citeerder afgeschilderd.
De wereld die zich tegenover zijn verzinsels, kwakkels, leugens en stereotypen onvouwt is er één van … verzinsels, kwakkels, leugens en stereotypen, zo beweert hij nogal vaak en graag.
Domheden worden dus gemotiveerd vanuit een standpunt waarbij kritiek erop als domheid wordt voorgesteld.
Sta me toe dat ik dat als ‘idioot’ bestempel.’

Het is een treffende beschrijving van de politiek-correcte intellectueel.
Maar die intellectueel is niet dom of idioot, zoals Blommaert meent, hij is autistisch.
Hij zit zodanig opgesloten in zijn hoofd dat hij het contact met de werkelijkheid is kwijtgeraakt.
Zoals bekend heeft de (zware) autist geen contact meer met zijn lichaam, althans niet innerlijk.
Een normaal mens heeft dat wel: hij weet bijvoorbeeld precies waar zijn neus staat, ook al ziet hem niet.
Hij neemt die neus, en zijn hele lichaam, van binnenuit waar.
De autist doet dat niet.
Hij heeft geen innerlijke waarneming van zijn lichaam.
Hij ziet het wel van buitenaf maar hij herkent het niet als het zijne.
Hij voelt er geen enkele band mee, het is gewoon een ding onder de dingen.
Hij heeft er geen controle over, zoals wij (met ons bewustzijn) ook geen controle hebben over een kachel, een stoel of gelijk welk ander ding.
De autist ontleent dan ook geen zelfgevoel aan zijn lichaam.
Hij weet niet wat een ‘ik’ is.

Het bewustzijn waarmee wij ons lichaam van binnenuit waarnemen (en waarop we ons zelfgevoel baseren), is bij de autist als het ware naar buiten gestulpt.
Hij beleeft zijn zelf in de buitenwereld.
Vandaar ook dat iedere verandering in zijn omgeving hem hevig in beroering brengt.
Hij voelt die verandering als een aanslag op zichzelf, een aanslag waartegen hij zich niet kan verweren.
Helemààl erg wordt het wanneer hij een ander mens ontmoet, want die mens verschijnt als het ware IN hemzelf.
Hij heeft het gevoel alsof iemand anders zijn plaats inneemt en hijzelf nergens meer is.
Vandaar dat hij ieder oogcontact – dat wil zeggen ieder contact met een ander Ik – angstvallig vermijdt.
Mensen moeten dingen blijven, alleen op die manier kan hij (min of meer) zichzelf blijven.

Het zelfgevoel van de autist is ontzettend kwetsbaar, want het bevindt zich overal om hem heen en staat voortdurend bloot aan aanvallen (lees: veranderingen).
De autist voelt zich helemaal overgeleverd aan de wereld.
Hij is als een kind, maar dan zonder de – fysieke en geestelijke – bescherming die een kind geniet.
De wereld is voor een autist dan ook uitermate onveilig en bedreigend.
Alles raakt hem rechtstreeks, zonder de filter van het (doffe) lichaamsbewustzijn.
Daarom trekt hij zich uit de wereld terug, onbereikbaar voor alles en iedereen.
Hij maakt eigenlijk rechtsomkeer, hij kruipt weer in de baarmoeder, hij keert weer terug naar de geestelijke wereld.
Tenminste dat probeert hij.
De autist verkeert voor een deel in de bewustzijnstoestand van mensen die gestorven zijn.
Na de dood keren de verhoudingen om.
Keek de levende mens vanuit het middelpunt (dat hijzelf is) naar de wereld, dan kijkt de dode vanuit de (steeds groter wordende) omtrek naar het lichaam dat ooit het middelpunt van zijn leven was.
Zo doet de autist dat ook.
Hij ziet alles omgekeerd: hij ziet zichzelf in de wereld en de wereld in zichzelf.
Alleen is het geen bewust ‘zien’, het is een dromerig – zeg maar nachtmerrieachtig – beleven.

Autisme wordt vaak toegeschreven aan een voortijdig wakker worden als gevolg van een trauma dat de mens zeer vroeg in zijn leven (en zelfs vóór de geboorte) oploopt en dat zijn ontwikkeling in de war stuurt.
Die ontwikkeling noemt de antroposofie ook wel ‘incarnatie’.
Rudolf Steiner vertelt dat mensen voor hun geboorte een soort voorafbeelding zien van het leven dat hen te wachten staat, en dat sommigen daarvoor terugdeinzen.
Ze willen als het ware niet geboren worden en verzetten zich tegen de verbinding met hun lichaam en met de aarde.
Als gevolg daarvan ‘zitten ze slecht in hun lichaam’.
Ze zijn niet goed geïncarneerd.
Hun geest zit niet IN hun lichaam maar zweeft erboven als een ballon aan een draadje.
Hun Ik kan zich niet verbinden met dat lichaam maar het kan er zich evenmin van losmaken.
Dat is de tragiek van de autist: hij zit gevangen in een soort tussenwereld.

Het is ook de tragiek van de politiek-correcte intellectueel.
De aardse realiteit boezemt hem afschuw in, want ze beantwoordt niet aan zijn hoge idealen.
Daarom trekt hij zich terug in een (abstracte) ‘geestelijke wereld’ waar alles is zoals het zou moeten zijn.
Maar omdat zijn geest als met een elastiek verbonden is met zijn lichaam, doet dit ‘streven naar de sterren’ hem met geweld terugbotsen op de aarde.
Die aarde verzet zich uiteraard tegen dat ‘botsende’ idealisme en daardoor voelt de politiek-correcte intellectueel zich afgewezen en verongelijkt.
Hij wil de wereld toch alleen maar verbeteren?
Als die wereld niet wil verbeteren, kan dat alleen maar betekenen dat hij slecht wil zijn.
Aldus de autistische redenering, die geen rekening houdt met de manier waarop geest en materie verenigd kunnen worden.
Juist die vereniging is bij de autist verstoord en zonder het te beseffen projecteert hij ze op de wereld.
Voortdurend verwijt hij de wereld waar hij zelf aan lijdt: dat er geen levende, harmonische relatie is tussen geest en materie, tussen hoofd en lichaam.

Het grote probleem is dat hij gelijk heeft: de wereld IS inderdaad gepolariseerd.
Daardoor blijft de autistische intellectueel blind voor het feit dat hijzelf deel van het probleem is, het grootste deel zelfs, want zolang het autistische denken niet verandert, kan er in de wereld niks ten goede veranderen.

(wordt vervolgd)

En nu?

Wat iedereen gevreesd had, is uitgekomen: Bart De Wever heeft de verkiezingen gewonnen.
Waar alle partijen en media jarenlang onverdroten hebben tegen gevochten, is werkelijkheid geworden: de N-VA is met meer dan 30% van de stemmen verreweg de grootste partij in Vlaanderen.
Maar wat zien we?
Overal lachende gezichten.
Behalve bij de winnaar.
Als ik de partijvoorzitters mag geloven dan heeft de CD&V gewonnen, dan heeft de SP.a gewonnen, dan heeft de VLD gewonnen, dan heeft Groen gewonnen, dan heeft de PVDA gewonnen.
Ze hebben allemaal gewonnen.
Behalve het Vlaams Belang dan, want dat gaat de dieperik in.

20140527-172650.jpg

Hoe valt dat te verklaren: een verkiezing met alleen maar winnaars?
Kijk, dat is nu democratie op z’n Belgisch: hoe het volk stemt, doet er niet toe.
Al zeker 10 jaar geeft het Vlaamse volk in toenemende mate te kennen dat het nu eindelijk eens ernstig genomen wil worden, dat het niet langer bakzeil wil halen tegenover de Franstalige eisen, dat het zijn rechten opeist, dat het democratie wil.
Wat doen de politici met die volkswil?
Ze trekken er zich niks van aan.
Meer zelfs, ze gaan er dwars tegen in.

Dát is de betekenis van al die lachende gezichten, van al die ‘overwinnaars’.
De Verenigde Politici hebben de strijd tegen het volk weer eens gewonnen.
30% van de stemmen is in België immers niet genoeg om gehoord te worden.
Bart De Wever beseft dat maar al te goed.
Daarom was hij zowat de enige die zondag niet kon lachen.
Daarom zag hij er ook tien jaar ouder uit.
De man heeft de verkiezingen dan wel gewonnen, maar die doen er niet toe.
De echte strijd vindt achter de schermen plaats, en die strijd zal hij waarschijnlijk verliezen.
Er zal ook nu niks veranderen.

De Verenigde Partijen zullen zodanig manoeuvreren dat de N-VA buitenspel wordt geplaatst of monddood gemaakt.
Dat hebben ze al met het Vlaams Belang gedaan.
Dat hebben ze na de vorige verkiezingen met de N-VA gedaan.
En dat zullen ze ook nu weer doen.
Ik twijfel er niet aan dat ze nu reeds weten hoe ze dat zullen doen.
Ze hebben tijd genoeg gehad om in hun achterkamertjes een strategie op te stellen, en die zal nu in werking treden.
Daar verheugen ze zich al op.
Want het is een ongelijke strijd.
Een strijd van één tegen allen.
Dat kan die ene, hoe zwaar hij ook weegt of hoeveel hij ook is afgevallen, nooit winnen.

20140527-172820.jpg

Juist dát wekt mijn bewondering: Bart De Wever vecht een strijd die hij niet kan winnen.
Maar het is een strijd die moet gestreden worden, want in de grond is het een geestelijke strijd: een strijd om Vlaamse bewustwording, een strijd om de bewustwording van de – zo verketterde en ontkende – Vlaamse volksziel.
En op geestelijk vlak gaat het niet om winnen of verliezen, het gaat om de strijd zelf, het gaat om het bewustzijn dat daaruit ontstaat.
De verkiezingsoverwinning van Bart De Wever is belangrijk, niet omdat hij gewonnen heeft, maar omdat de strijd wordt voortgezet.
Een verkiezingsnederlaag was rampzalig geweest, niet omdat de N-VA zou verloren hebben, maar omdat er dan waarschijnlijk een eind was gekomen aan de strijd.
Moreel zou Bart De Wever dan gebroken zijn geweest, en mét hem misschien ook de Vlaamse ziel, want politici van dit formaat duiken maar één keer in 100 jaar (of meer) op.
En met ‘formaat’ bedoel ik hier: politici die standhouden, die niet bezwijken onder de druk.

Ik herinner me nog dat ik tijdens de vorige regeringsonderhandelingen – toen Bart De Wever als enige het been stijf hield tegenover de Franstalige eisen – voorspelde: vroeg of laat kraakt die man.
Hij zal toegeven, net zoals Yves Leterme heeft toegegeven, net zoals al zijn voorgangers hebben toegegeven.
Want dát is het diep ingebakken ‘vrouwelijke’ instinct van de Vlamingen: toegeven omwille van de lieve vrede.
Ik was dan ook zeer verbaasd toen Bart De Wever niet toegaf en niet kraakte.
Ik dacht: chapeau!
Die vent is taai!
Maar eigenlijk denk ik er vandaag nog altijd net zo over: vroeg of laat zal BDW kraken.
Niemand houdt zo’n stijd van één tegen allen vol.
Want laten we wel wezen: de N-VA, dat is Bart De Wever.
Zonder hem blijft er van die partij even weinig over als van de Lijst Pim Fortuyn zonder Pim Fortuyn.
Alles rust op zijn schouders, en dat is de man ook aan te zien.
De vraag is: hoelang houdt hij dat nog vol?

20140527-173005.jpg

Er staan nu slopende regeringsonderhandelingen op het programma.
In Vlaanderen zullen die misschien nog lukken.
Maar op federaal niveau?
Bart De Wever zal met zijn Vlaamse eisen tegenover een Franstalig blok komen te staan dat hechter is dan ooit.
Want er staat veel op het spel voor de Franstaligen.
Alleen als Vlaanderen eveneens een blok vormt, zal het de Franstalige muur kunnen doorbreken.
Maar een eensgezind Vlaanderen, dat is zoiets als katholieken en protestanten die in Ierland samen naar de kerk gaan.
Hoe Bart De Wever deze strijd zou kunnen winnen, die – laten we dat niet vergeten – een strijd om gelijkberechtiging is, blijft een raadsel.

Maar in de grond is zo’n overwinning niet het belangrijkste.
Het belangrijkste is dat de strijd gestreden wordt en dat het bewustzijn blijft groeien.
Het Vlaamse bewustzijn in de eerste plaats, want het is zoals in de relatie tussen man en vrouw: het is niet de man die de vrouw gelijke rechten moet toekennen, het is de vrouw die ze moet opeisen.
Hetzelfde geldt voor de relatie tussen de machthebbers en het volk: het is het volk dat zijn democratische rechten moet opeisen, want een democratie berust op het bewustzijn van dat volk, niet op het bewustzijn van een elite.
Dat is ook de reden waarom de politieke situatie in België is wat ze is: er heerst onder de Vlamingen onvoldoende democratisch bewustzijn.
Als dat bewustzijn er wél zou zijn, dan was België al lang een federale unie, of hoe het ook moge heten. De twee gemeenschappen zouden, zoals in een modern huwelijk, ieder hun eigen leven leiden én in vrijheid samenwerken.
Maar dat moderne, democratische bewustzijn is er niet.
De Vlaming kan na eeuwen onderdrukking en vernedering nog altijd niet geloven dat hij de gelijke is van de Franstaligen of van gelijk wie.
Het Vlaamse volk heeft zolang aan de ketting gelegen dat het nog altijd niet aan de vrijheid kan wennen.
Het verlangt onbewust naar de oude zekerheden, de zekerheden van een leven in loondienst zeg maar: hard werken en het denken aan anderen overlaten.
Om een bekende uitdrukking te parafraseren: je kunt de Vlaming wel uit de onderdrukking halen, maar de onderdrukking niet uit de Vlaming.

20140527-175004.jpg

Fysiek en materieel gaat het de Vlaming voor de wind, zeker vergeleken met 100 jaar geleden.
Maar op geestelijk vlak is het nog altijd armoe troef.
Men mag het mij vergeven als ik er de Hedendaagse Kunst weer eens bijsleur, maar de reden waarom Vlaanderen het op dit gebied zo goed doet, is juist zijn ‘slavenmentaliteit’: het onderwerpt zich met hart en ziel aan de machthebbers van het moment.
Het bezit geen culturele traditie meer die weerstand zou kunnen bieden aan de pletwals van de internationale markt.
Achter de ontstellende politieke correctheid van cultureel Vlaanderen gaat een grote geestelijke leegte schuil.

De Vlamingen zijn een volk zonder ‘hoofd’.
Ze hebben zich een schijnhoofd aangemeten dat zich op een puberachtige manier afzet tegen alles wat Vlaams is (of was), maar een echt, volwassen hoofd is nog lang niet in zicht.
Daarvoor moet er eerst een nieuw Vlaams zelfbewustzijn ontstaan.

20140527-175853.jpg

Daarom is de eenzame strijd die Bart De Wever voert zo belangrijk, want hij is de uitdrukking van een volk dat worstelt om een nieuw bewustzijn.
Die bewustwordingsstrijd is des te belangrijker omdat in Vlaanderen de mogelijkheid bestaat om een echt nieuw bewustzijn te creëren, een bewustzijn dat geen face-lift is van het oude, maar dat werkelijk uit het niets ontstaat: uit de (zo pijnlijke) geestelijke leegte die in Vlaanderen heerst.
In die zin is het wellicht beter dat Bart De Wever de komende regeringsonderhandelingen niet wint en dat hij opnieuw op een zijspoor gezet wordt.
Want deze Antwerpenaar belichaamt wel als geen ander de bewustzijnsstrijd van de Vlamingen, maar hij belichaamt nog lang niet het nieuwe bewustzijn dat als mogelijkheid in de Vlaamse ziel leeft.
Als dat bewustzijn nu reeds een vaste vorm kreeg, zou dat de vernietiging van die mogelijkheid zijn.

Het is een veeg teken dat er uitgerekend op de dag vóór de verkiezingen een aanslag wordt gepleegd in een joods museum in Brussel.
Het roept onwillekeurig herinneringen op aan de jaren ’30 in Duitsland.
Die onheilsjaren zijn al ten overvloede in verband gebracht met Bart De Wever.
Sommigen hadden zelfs visioenen van fakkeltochten en bruinhemden.
Gloeiende onzin natuurlijk.
Maar toch hadden die waanbeelden wel degelijk een grond.
Want op geestelijk vlak is de huidige situatie in Vlaanderen vergelijkbaar met de situatie in Duitsland 100 jaar geleden.
Volgens Rudolf Steiner was Duitsland geroepen om een nieuw bewustzijn te ontwikkelen, een Ik-bewustzijn. Via hun Duitse volksziel (die tot uitdrukking kwam in buitengewoon grote geesten als Goethe, Bach en Steiner) hadden de Duitsers contact kunnen maken met de ‘wereldziel’.
Ze hadden zich kunnen verheffen tot een ‘wereldbewustzijn’ en in die zin een führerworden voor alle andere volkeren.
In plaats daarvan tuimelden ze diep naar beneden en kwamen terecht in het tegenovergestelde: het in zuiver materialistische en nationalistische zin gedachte Deutschland über Alles.

20140527-180104.jpg

Het idee dat een dergelijk nationalisme zou kunnen ontstaan in Vlaanderen, waardoor het een bedreiging zou worden voor de wereldvrede, is te gek voor woorden.
Maar het gevaar dat Vlaanderen er, net als Duitsland, niet in slaagt een nieuw bewustzijn te veroveren en in plaats daarvan een materialistische karikatuur ontwikkelt, is des te reëler.

Waarom heeft de N-VA de verkiezingen gewonnen?
In oorsprong was dat de bewustwording van de vernederende ‘dienstbaarheid’ waarin de Vlamingen nu al zolang gevangen zitten.
De N-VA is groot geworden door zijn Vlaamse karakter, doordat het zich opwierp als de spreekbuis van de naar bevrijding en erkenning hunkerende Vlaamse volksziel.
Maar daarover werd de laatste maanden met geen woord meer gerept.
Het ging nog slechts over één ding: geld.
Mijn trieste vermoeden is dan ook dat de Vlamingen niet voor verandering gestemd hebben vanuit hun heroplevend zelfbewustzijn, maar omdat hun portemonnee in gevaar was.
Geld, materie: dat lijkt nog het enige te zijn wat de Vlamingen in beweging kan krijgen.

Het doet me denken aan mijn verkiezingszondag.
Ik twijfel er niet aan dat Henk ‘verklikt’ werd bij de arbeidsinspectie, hoogstwaarschijnlijk door één van zijn ‘collega’s’.
Gebeurde dat om principiële redenen?
Omdat het niet juist is om illegalen tewerk te stellen?
Omdat de wet nu eenmaal gerespecteerd moet worden?
De vraag stellen, is ze beantwoorden.
Nee, tien tegen één ging het om geld.
Henk verkoopt goed en dat is sommigen een doorn in het oog.
Maar toch gaat het niet alleen om geld.
Van al degenen die daar in Brugge op de markt staan, is hij degene die het hardst werkt en waarschijnlijk ook het eenvoudigst leeft.
Wat hij verkoopt, maakt hij zelf.
Zijn handel is dus eerlijk, wat niet gezegd kan worden van degenen die hun spullen/prullen uit China betrekken.
Door zijn fair trade is Henk een spiegel van hun eigen unfair trade.
En dat steekt.
In feite belazeren zij de kluit en ze kunnen niet verdragen dat er iemand is die niet met hen meedoet en hen aldus verhindert om hun slechte geweten te vergeten.
En dus hebben ze Henk verraden.
Voor een handvol zilverlingen.

20140527-180506.jpg

Die ‘zilverlingen’ zijn geld, materie.
Maar tegelijk zijn ze een spiegel van geestelijke zaken, morele zaken.
En uiteindelijk gaat het altijd om een combinatie van die twee.
De oorzaak van de verkiezingsoverwinning van de N-VA was niet alleen geld (de Vlaamse portemonnee is in gevaar) maar ook Vlaams bewustzijn (de Vlaamse ziel is in gevaar).
Die twee gaan samen.
Vlaanderen heeft zijn materiële rijkdom te danken aan de (wonderbaarlijke) heropleving van zijn zelfbewustzijn.
Dat geldt trouwens niet alleen voor Vlaanderen, het geldt voor de hele moderne wereld: haar macht en rijkdom zijn een gevolg van het zelfbewustzijn dat het ontwikkeld heeft.
Maar nu heeft die bewustzijnsontwikkeling een grens bereikt en dreigen de zaken omgekeerd te worden: het moderne zelfbewustzijn bezwijkt onder de macht en rijkdom die het zelf voortgebracht heeft.
En dus staat het nu voor de keuze.
Ofwel raakt het helemaal verslaafd aan die macht en rijkdom: de vader onderwerpt zich aan de zoon, en beiden gaan ten onder.
Ofwel gebruikt het die macht en rijkdom als een spiegel om zichzelf (als bron ervan) te leren kennen. De zoon erkent zijn vader dan als zijn reden van bestaan en beiden werken samen aan een macht en rijkdom die niet langer louter materieel zijn, maar de uitdrukking van een geestelijke kracht.

Voor die keuze staat ook Vlaanderen vandaag.
Als het enkel denkt aan macht en rijkdom, dan zal het ten gronde gaan. Het zal tot slaaf worden van zijn eigen materialisme, en die slavenmentaliteit zal de Franstaligen in staat stellen de zweep te blijven hanteren. Wat hen overigens zelf ook duur te staan zal komen als hun slaaf niet meer overeind raakt.
Als Vlaanderen daarentegen de weg van de zelfbewustwording kiest en doordringt tot zijn volksziel, tot zijn scheppende wezen, dan kan het van België het eerste driegelede land ter wereld maken.
Wat nu een kwaad is, kan het dan ten goede keren.
Een waarlijk manicheïstisch ideaal!

20140527-180744.jpg

Het is bekend dat Rudolf Steiner nooit gesproken heeft over de Vlaamse volksziel.
Het is ook bekend dat hij weigerde het woord ‘België’ uit te spreken.
Hij had het over ‘dat landje tussen Nederland en Frankrijk’ of iets van die strekking.
Dat kan twee dingen betekenen.
Ofwel vond Steiner Vlaanderen en België zo onbelangrijk dat hij er geen woorden aan wenste vuil te maken.
Ofwel was er met beide een geheim verbonden waarover hij niet wilde of kon spreken.
Ik ben geneigd het tweede te denken.
Dat kan men natuurlijk toeschrijven aan mijn ‘Vlaams nationalisme’ (een tamelijk contradictoir begrip overigens), maar dat verwijt kreeg Steiner (no comparison intended) ook toen hij over de ‘missie van de Duitse geest’ sprak.
Het lijkt me alleszins een antroposofische opgave van formaat om deze kwestie eens te onderzoeken.
Bruno Skerath heeft daar in zijn allerlaatste boek een belangrijke aanzet toe gegeven.

Wat er ook van zij, ik kan me niet van de indruk ontdoen dat het verre van onbelangrijk is wat er momenteel in Belgenland gebeurt.
Dat wordt onbewust ook aangevoeld, doordat men uitdrukkingen gebruikt als ‘de moeder aller verkiezingen’.
En straks worden de Rode Duivels – what’s in a name wereldkampioen!
Dat wil ook wat zeggen.
De kunst bestaat er natuurlijk in om erachter te komen wát het precies wil zeggen.
Materialistische interpretaties zijn er volop.
Maar geestelijke?

Er is nog veel werk aan de winkel voor de Vlamingen.
En alleen zij kunnen dat werk doen.
Niemand zal het immers in hun plaats doen.

20140527-181604.jpg