Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: geestelijke ervaringen

Geestelijke hongersnood

  

Het materialisme heeft een belangrijke rol gespeeld (en speelt die nog altijd) in het verwerven van de menselijke vrijheid. Door zijn gebondenheid aan de materie kan de geest van de mens individueel worden, dat wil zeggen zich afzonderen van de Al-geest. Zonder fysiek lichaam zou hij daar nooit in slagen. Maar de mens betaalt een prijs voor die vrijheid: naarmate hij materialistischer wordt, groeit zijn honger naar de geest. Vroeger werd die geestelijke honger gestild door de religie, maar die verloor gaandeweg haar kracht en kan de mens vandaag niet meer voeden. Ook de kunst – in onze moderne wereld het enige echte contact met de geest – kan dat niet meer. Het gevolg is een razende geestelijke honger. Maar aangezien je niet kunt hongeren naar iets waarin je niet meer gelooft zoekt de moderne mens op een omgekeerde, negatieve manier naar geestelijk voedsel: hij keert zijn ontwikkeling als het ware om en ruilt zijn vrijheid weer in voor het gevoel een hoger doel te dienen en deel uit te maken van een groter geheel. Vandaar de revival van de islam, vandaar ook het ontstaan van de politieke correctheid. En daar kunnen we als derde nog de Hedendaagse Kunst aan toevoegen. 

Deze drie ‘hongerbewegingen’ hebben één ding gemeen: onderwerping. Ze geven de individuele vrijheid en zelfstandigheid op in ruil voor geestelijke bevrediging. Die bevrediging is echter tijdelijk van aard. Er moet steeds meer vrijheid ingeruild worden om de geestelijke honger te stillen. Vandaar de fanatieke gedrevenheid van fundamentalistische moslims, politiek correcten en ‘hedendaagse’ kunstenaars. Zonder het te beseffen, sluiten ze een ‘pact met de duivel’: ze verkopen hun ziel in ruil voor geestelijke ervaringen en belevingen. Maar het vergaat hen zoals vele gevangenen die na de oorlog bevrijd werden uit de concentratiekampen en wier lichaam niet meer in staat was om voedsel te verteren. Ze bezweken aan datgene wat hen had moeten redden. Hetzelfde gebeurt vandaag op geestelijk vlak: de uitgehongerde ziel van de moderne mens is niet meer in staat om de geest te ‘verteren’. Wat geestelijk beleefd wordt door de overgave aan de islam, de politieke correctheid of de ‘hedendaagse’ kunst werkt als een gif in hun ziel: het drijft hun Ik eruit en diens plaats wordt ingenomen door demonen die de mens tot hun werktuig maken. 

Door de geestelijke ervaringen die ze hem verschaffen, brengen de tegenmachten de mens in de waan een moreel superieur wezen te zijn en verlenen hem een magische uitstraling waar andere ‘hongerigen’ zich aan laven. Dat alles gebeurt ten koste van het Ik, dat niet in staat is om die (onbewuste) ervaringen te verwerken. Het is volgens Rudolf Steiner trouwens helemaal niet zo moeilijk om dergelijke ervaringen te hebben. Maar, zegt hij, daar gaat het in de antroposofie niet om. Het gaat om Christus: hij is het echte ‘eten en drinken’ voor de mens. Hij is de geest die zich met de materiële wereld verbonden heeft en samen met die wereld weer wil ‘opstijgen naar de Vader’. Vandaar de ‘opstanding van het lichaam’ die voor het christendom zo essentieel is. Het is de bedoeling dat de mens terugkeert naar de geest zonder zijn vrijheid en individualiteit (die hij aan dat lichaam te danken heeft) op te geven. In vroeger tijden bestond alleen de opstanding uit het lichaam: de mens die contact wilde maken met de geestelijke of goddelijke wereld trad uit zijn lichaam. Vandaag is dat niet meer mogelijk omdat de moderne mens te sterk aan zijn fysieke lichaam gebonden is geraakt. Hij moet dus samen met dat lichaam ‘opstaan’.

Dat geldt ook voor het intellectuele denken, het denken dat gebonden is aan de hersenen, het meest fysieke of ‘dode’ deel van het lichaam. Dit denken is de grondslag van de vrijheid en zelfstandigheid van de mens. Wanneer het uitgeschakeld wordt, kan de mens allerlei geestelijke belevingen hebben, niet omdat hij dan uit zijn lichaam treedt, maar omdat de geest juist in zijn lichaam treedt. Want niet alleen de mens hongert naar de geest, ook de geest ‘hongert’ naar de mens. Sinds het eind van het Kali Yuga zoekt hij contact met de mens zoals een minnaar dat doet met zijn geliefde. De goede – lees: christelijke – geesten zullen zich nooit aan de mens opdringen en zijn vrijheid in het gedrang brengen, maar de kwade geesten houden daar geen rekening mee. Ze aarzelen niet om de naar geest hongerende mens te ‘verkrachten’ en hem te ‘vullen’ met allerlei geestelijke ervaringen die hij niet kan verteren en die zijn ziel vergiftigen. De beste manier om dat te voorkomen is: nuchter en rationeel blijven denken. Daarom gaat de antroposofie uit van het intellectuele, lichaamsgebonden denken van de mens en ze wil dat denken niet inruilen voor welke spirituele beleving dan ook. 

Antroposofen willen (althans in principe) de geestelijke wereld niet betreden zonder het bewuste denken dat hun vrijheid waarborgt. En dus moeten ze dat denken stap voor stap vergeestelijken. Dat gebeurt in eerste instantie door het te verbinden met het gevoelsleven – dat staat immers een stuk dichter bij de geest dan wat zich enkel in het hoofd afspeelt. Maar het gevoelsleven is voor het rationele denken wat water is voor zout: het lost dat denken op. De golvende ‘etherische’ aard van de gevoelens werkt desintegrerend op de ‘minerale’ kristalstructuur waaraan het intellectuele denken zijn helderheid te danken heeft. Om die helderheid niet te verliezen moet het denken enerzijds die structuur versterken en ze anderzijds beweeglijker maken. Het moet bij wijze van spreken leren ‘zwemmen’. Dat kan op twee manieren: door meteen in het diepe te springen of door eerst te oefenen in laag water. Het ‘diepe’ is de concrete, levende werkelijkheid. In rechtstreeks contact daarmee leert men het snelst zwemmen, maar loopt men ook gevaar te verdrinken. Het is een stuk veiliger om eerst te oefenen in het ‘lage water’ van de kunst. De kunst is namelijk zeer etherisch en beweeglijk van aard, maar het heeft tegelijk een vaste, materiële drager. 

Aan de kunst kunnen we ons denken dus oefenen tot het sterk genoeg is om de sprong in het diepe (van de werkelijkheid) te wagen. Kunst is immers schijn, maar het is, zoals Rudolf Steiner zei, ware schijn. Alles wat we in de werkelijkheid vinden, vinden we weerspiegeld in de kunst. En juist in de spiegel van de kunst zien we hoe groot het verdrinkingsgevaar vandaag is. Het intellectuele denken heeft het gebied van de kunst betreden en … is daarin opgelost. Het heeft enerzijds de kunst ‘ondrinkbaar’ gemaakt en anderzijds heeft het zijn eigen structuur en helderheid verloren. Het volstaat om te lezen wat er vandaag over kunst wordt gezegd en geschreven om te beseffen dat het rationele denken hier kopje onder gaat. En dat is een verontrustend verschijnsel want het moderne denken wordt steeds sterker aangetrokken tot de wereld van de kunst, met ontstellende gevolgen voor allebei. Bovendien weerspiegelt deze evolutie wat ook in de werkelijkheid gebeurt: het rationele denken ‘verdrinkt’ in de steeds ‘etherischer’ of geestelijker wordende werkelijkheid en herschept die werkelijkheid in een chaos terwijl het zelf in toenemende mate ‘de geest geeft’. 

Het beeld dat hier zichtbaar wordt, is dat van de bevruchting van een eicel door een zaadcel. Als gevolg van het binnendringen van de zaadcel (het rationele denken) ontstaat in de eicel (de levende werkelijkheid) een totale chaos. Die chaos – die nergens anders op aarde voorkomt – biedt de menselijke geest de kans om zich een lichaam te scheppen en te incarneren op aarde. Dat is wat vandaag op wereldschaal lijkt te gebeuren: de geestelijke wereld dringt (sinds het eind van het Kali Yuga) de aarde binnen en veroorzaakt daar een nooit geziene chaos. Die chaos biedt de mens de kans om een nieuwe wereld te scheppen. Maar daarvoor moet hij wel het hoofd boven water kunnen houden en zijn tegenwoordigheid van geest bewaren, want alleen het Ik kan een nieuwe wereld scheppen. Daar is vandaag echter niet veel van te merken. Het bewuste denken wordt vertroebeld door een wild gevoelsleven, met als gevolg dat de wil stuurloos wordt. De kunstwereld biedt ons geen soelaas: de chaos is daar zo mogelijk nóg groter. En toch. Als we goed kijken, zijn in die diepe artistieke duisternis lichtpuntjes te bespeuren, glimpen van een nieuwe wereld waarin een scheppende geest aan het werk is. 

Deze zeldzame ‘sterren aan de hemel’ schitteren als edelstenen, maar ze zijn alleen zichtbaar voor wie de duisternis van onze tijd onder ogen wil zien, zowel in uiterlijke als innerlijke zin. Deze unieke kunstwerken worden alleen waargenomen door een wakker denken dat in staat is onder te duiken in de droomwereld van de gevoelens zonder daarin te verdrinken. Dit waarnemen bestaat uit twee ‘fasen’: eerst moeten we in die intense gevoelswereld willen duiken en dat is al een eerste grote drempel. De ‘hedendaagse’ kunst, die onze honger naar de geest schijnbaar bevredigt, heeft ons geleerd onszelf hermetisch af te sluiten van onze gevoelens en enkel maar na te denken over kunst. Het kost ons dan ook ontzettend veel moeite om die koudwatervrees te overwinnen. Maar als we erin slagen die eerste drempel te nemen, staan we voor een tweede drempel: we moeten geestelijk actief worden, we moeten nuchter beginnen nadenken. Dat is niet eenvoudig als je verwoed spartelt om het hoofd boven water te houden. Maar naarmate we erin slagen orde te scheppen in deze chaos, beginnen deze kunstwerken te schitteren als een diamant die geslepen wordt. 

Het is een wonderlijke ervaring om hun licht te zien stralen in de duisternis, want we zijn medeschepper van dat licht. Het schijnt pas wanneer we het zien. En dat ‘zien’ is niet het passieve waarnemen zoals we dat kennen in de materiële werkelijkheid die ons kant en klaar gegeven is. Het is een actief zien, dat geboren wordt uit de bewuste en vrijwillige verbinding van denken en voelen. Dat denken hebben we ontwikkeld in de wetenschap, het voelen in de kunst. En die ontwikkeling was maar mogelijk dankzij hun strenge scheiding: geen gevoelens in de wetenschap, geen denken in de kunst. Nu moeten we die twee apart opgegroeide – en extreem tegengesteld geworden – vermogens weer met elkaar verbinden, en dat vergt een uiterste Ik-inspanning waarbij ons hele wezen betrokken is. Die inspanning kunnen we alleen opbrengen uit liefde, liefde voor de kunst, liefde voor de werkelijkheid. Die liefde is dan ook het wezen van ons ‘zien’: we zien met ons hart, een hart dat niet alleen voelt maar ook denkt, een hart dat zintuig wordt. En dit ‘ziende’ hart is van dezelfde aard als de kunstwerken, want alleen het gelijke ziet het gelijke. Dat maakt dit zien zo wonderlijk: het is tegelijk een gezien worden

Dit gezien-worden is een derde drempel, die beide andere omvat. Kijken naar een kunstwerk en opeens beseffen dat men zelf door dat kunstwerk bekeken wordt: er is minder nodig om een mens van slag te brengen. En dat is eigenlijk wat vandaag op grote schaal gebeurt: de moderne mens gaat, zonder het te beseffen, over de drempel. Hij komt in contact met een werkelijkheid die hij niet enkel waarneemt maar waardoor hij ook waargenomen wordt. En dat schokt zijn ziel. Hij probeert wanhopig zijn gezicht te redden, maar innerlijk raakt hij steeds meer in paniek. Daarom is het een godsgeschenk dat er kunstwerken bestaan die de mens de gelegenheid geven om te wennen aan dit samenvallen van zien en gezien worden. Het zijn scheppingen van een christelijke geest, een geest die zich niet opdringt maar de mens alle ruimte en vrijheid geeft om in zijn eigen tempo te leren ‘zwemmen’. Ze zijn uitdrukking van een liefde die ons veel beter kent dan we onszelf kennen en die aan ons verschijnt als waarheid en schoonheid in één. Het kost ons grote moeite om te geloven in een dergelijke liefde, maar wanneer we ons die moeite getroosten, worden deze kunstwerken tekens van hoop in een wereld die ten onder gaat. 

Geloven en bewijzen

  

Antroposofen geloven dat de werkelijkheid een geestelijke dimensie heeft én dat het mogelijk is die dimensie wetenschappelijk te onderzoeken, net zoals dat met de materiële dimensie gebeurt. Het woordje ‘geloven’ is hier belangrijk, want het is niet zo dat antroposofen die geestelijke dimensie kunnen waarnemen. Ze nemen het bestaan ervan aan als een wetenschappelijke hypothese die ze vervolgens proberen te bewijzen. Dat ‘bewijzen’ verloopt uiteraard anders dan in de gewone wetenschap, die zich exclusief richt op de materiële werkelijkheid. De onderzoekende geest plaatst zich daar buiten de werkelijkheid die hij onderzoekt, want die werkelijkheid wordt geacht louter materieel te zijn. Een geesteswetenschap als de antroposofie daarentegen plaatst zich NIET buiten de onderzochte werkelijkheid, maar beschouwt zichzelf als een onderdeel ervan. Bewijzen kunnen hier geen louter materieel karakter hebben, ze moeten ook geestelijk van aard zijn. Ze staan met andere woorden niet los van de onderzoeker, zoals dat het geval is met een formule of een experiment, maar maken deel van hem uit, in de vorm van een persoonlijke en zelfs intieme beleving of ervaring. 

De reguliere, materialistische wetenschapper ontwikkelt een formule of zet een experiment op, en in theorie kan iedereen die formules narekenen of het experiment nadoen. Die herhaalbaarheid geldt dan als bewijs van de hypothese. Met de persoon van de wetenschapper of zijn ‘controleurs’ heeft dat bewijs niets te maken: het is van volkomen onpersoonlijke aard. In de geesteswetenschap ligt dat anders, want in tegenstelling tot de materiële wereld is de geestelijke wereld WEL persoonlijk van aard. De ‘bewijzen’ voor die wereld kunnen dus alleen bestaan uit persoonlijke waarnemingen, belevingen of ervaringen. Zo’n persoonlijke ervaring kan echter niet worden doorgegeven zoals een formule of experimentele opstelling in de gewone wetenschap. Toch is er geen wezenlijk verschil, er is alleen een verschil in moeilijkheidsgraad. Wanneer een reguliere wetenschapper een bewijs heeft gevonden, dan kan hij dat doorgeven aan anderen. Een e-mailtje volstaat. Maar die anderen moeten dat e-mailtje wel willen openen en zij moeten ook het bewijs willen controleren of het experiment herhalen, en zij moeten het ook nog eens ‘verwerken’, anders blijft het een dode letter en is er niks bewezen. 

In de geesteswetenschap is het niet anders. Rudolf Steiner heeft ons een indrukwekkend aantal onderzoeksresultaten meegedeeld, inzichten die hij (voor zichzelf) ‘bewezen’ heeft door ze persoonlijk te ervaren. Tegelijk heeft hij ook verteld hoe we tewerk moeten gaan om die inzichten ook zelf te kunnen ervaren, zodat ze ‘bewezen’ worden. Dat is in wezen geen andere praktijk dan in de reguliere wetenschap, want die bezit ook haar werkwijze en als we die niet kennen of niet willen toepassen, dan kunnen we nooit de meegedeelde formules narekenen en kan er ook niets bewezen worden. Deze wetenschappelijke werkwijze of methode hebben mensen gedurende eeuwen met heel veel moeite en inspanning ontwikkeld. Die inspanningen hebben hen langzaam veranderd, en vandaag veranderen ze de mens zelfs zeer snel nu iedereen zowat zijn hele jeugd besteedt aan het zich eigen maken van de wetenschappelijke manier van denken. Dat rationele, wetenschappelijke denken is voor de moderne mens tot een tweede natuur geworden. En als hij in contact komt met bijvoorbeeld moslim-immigranten dan kan hij vaststellen dat deze mensen die tweede natuur niet (in dezelfde mate) bezitten. 

De (gewone) wetenschap heeft de mens dus heel geleidelijk veranderd. Dat zal ook gebeuren met de geesteswetenschap als zij aanvaard en beoefend wordt: zij zal in de loop der tijden tot een tweede natuur worden. En juist omdat zij veel persoonlijker van aard is dan de onpersoonlijke materialistische wetenschap, zal zij de natuur van de mens grondiger veranderen dan de gewone wetenschap. Rudolf Steiner was daar een treffend voorbeeld van. De man was een wetenschapper, een denker die over een duizelingwekkende wetenschappelijke kennis beschikte. Hij kon met kennis van zaken spreken met wetenschappers van iedere discipline, of het nu de natuurwetenschap was, de geneeskunde, de landbouwwetenschap of de esthetica. Toch was de man geen klassieke professor of boekenwurm. Uit de verhalen komt hij naar voor als een eenvoudig en warmhartig mens die net zo goed kon spreken met boeren en arbeiders als met universiteitsprofessoren. Hij was een echte uomo universale. Hij wist niet alleen ontzettend veel, hij kon ook ontzettend veel, en hij was ontzettend veel. Hij was in de allereerste plaats een liefdevol mens: dát was het essentiële ‘bewijs’ van zijn antroposofie.

De onderzoeksresultaten van de geesteswetenschap (die tot nog toe grotendeels het werk zijn van Rudolf Steiner) kunnen dus wel degelijk bewezen worden. Maar daarvoor moet men natuurlijk bereid zijn zelf de onderzoeksmethode toe te passen waarvan zij het resultaat zijn, anders kunnen die resultaten niet ‘herhaald’ worden en zelf ervaren worden. Is de antroposofische onderzoeksmethode moeilijker dan de regulier-wetenschappelijke methode? Voor ons moderne mensen: alleszins. Wij worden vandaag al geboren met een natuur die reeds voor een stuk gevormd is door eeuwen wetenschapsbeoefening en rationeel denken. Daar komt nog eens bij dat ieder modern leven vandaag begint met een zeer doorgedreven wetenschappelijke training op de schoolbanken. En dan nóg is wetenschap voor ons heel moeilijk en inspannend. Hoe moeilijk moet het dan niet zijn om ons een volledig nieuwe methode eigen te maken, die bovendien nog strijdig lijkt met de reguliere wetenschappelijke methode. Het vergt al een zelfoverwinning om te geloven in die methode en ze te willen toepassen.  

Geloven is essentieel voor de antroposofische methode. Zonder geloof kan er helemaal niets bewezen worden. Waarom had Rudolf Steiner (zoveel) leerlingen die bereid waren zijn onderzoeksmethode toe te passen en zijn resultaten uit te proberen, ook al stonden ze haaks op alles wat in zijn (zeer materialistische) tijd als juist en zinvol werd beschouwd? Omdat zijn leerlingen in hem geloofden. Omdat hijzelf, als mens, het levende bewijs was van de geesteswetenschap die hij onderwees. Rudolf Steiner belichaamde de antroposofie. En dat moet ook het doel zijn van iedere antroposoof: de antroposofie belichamen, een levend bewijs worden voor de antroposofische inzichten, zodat ook andere mensen ze zich eigen willen maken. Dat maakt meteen duidelijk dat de geesteswetenschap nog in haar kinderschoenen staat. Er is nog maar een fractie ‘bewezen’ van de antroposofische ‘hypothesen’, in die zin dat er nog maar weinig antroposofen zijn die in zichzelf zoveel bewijzen hebben verzameld – lees: de abstracte antroposofische inzichten tot persoonlijke ervaringen en belevingen hebben gemaakt – dat ze hun menselijke natuur voldoende hebben veranderd om ook voor anderen ‘bewijskracht’ te hebben. 

Er zijn zelfs antroposofen die, door hun gedrag en aard, bewijs lijken te voeren tegen de antroposofie en die een zeer onaangename indruk maken door hun sektarisme en fanatisme. Daarmee raken we een cruciaal punt aan: de antroposofie noemt zichzelf niet voor niets een wetenschap: zij berust op het rationele denken van de mens. De belevingen en ervaringen die de antroposofische inzichten ‘bewijzen’ moeten steunen op helder inzicht. Hoe overtuigend een antroposoof ook is door zijn persoonlijke manier van zijn, hij moet altijd in de eerste plaats een nuchter en rationeel mens zijn. Dat is de hoeksteen van zijn wezen. Anders is hij een reus op lemen voeten, en is zijn ‘bewijskracht’ van twijfelachtige of zelfs bedrieglijke aard. Er zijn veel effectievere en snellere methoden om in contact te komen met de geestelijke dimensie van de werkelijkheid dan de antroposofische. Deze laatste vertrekt namelijk van het nuchtere, rationele denken en dat is de traagste en moeizaamste manier om tot ‘bewijzende belevingen’ te komen. Maar het is wel de zekerste en betrouwbaarste, want het is een methode die de vrijheid van de mens vrijwaart. En dat is het allerbelangrijkste.