Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: Gent

Skopiumschuivers

  

In de Zwarte Zaal van het Gentse KASK (Koninklijke Academie voor Schone Kunsten) loopt momenteel een tentoonstelling over de ontstaansgeschiedenis van Studio Skoop, de alternatieve filmzaal waar je de ‘betere’ film kan gaan zien, de zogenaamde arthouse-film. Studio Skoop vormt in Gent de tegenhanger van de Decascoop, het grote bioscoopcomplex waar bijna uitsluitend Hollywoodfilms gedraaid worden. Het verschil tussen die twee is enorm. De Decascoop telt 12 zalen waarvan de kleinste groter is dan de grootste van Studio Skoop. Het is een ultramodern complex waar je in het weekend over de koppen kunt lopen. Vanuit alle richtingen stromen de – meestal jonge – mensen dan toe en het is drummen geblazen om binnen te raken. Op hetzelfde moment staat voor de ouderwetse kassa van Studio Skoop een mager rijtje – vaak oudere – mensen aan te schuiven om even later in een groezelig zaaltje naar een Europese of Aziatische film te gaan kijken. 

Beide bioscopen belichamen de tegenstelling tussen Amerika en Europa, tussen jong en oud, tussen commercie en kunst, tussen mainstream en alternatief, tussen conservatief en progressief, tussen ontspanningszoeker en meerwaardezoeker, tussen rechts en links zeg maar. Mijn voorkeur is altijd ondubbelzinnig uitgegaan naar de Decascoop. Daar kreeg je namelijk meer waar voor je geld. Je kon er niet alleen parkeren, de zalen waren ook ruimer, de zetels comfortabeler, het scherm groter, de geluidsinstallatie beter, en last but not least: er waren volop ijspralines, cornetto’s en popcorn voorhanden. Kortom, de filmbeleving was er veel intenser. Daar stond dan weer tegenover dat je er alleen maar oppervlakkig maakwerk te zien kreeg en geen diepgravende kunst zoals in de Skoop. Hollywood, dat was louter entertainment, voer voor de massa! Wie meer wilde dan wat goedkoop amusement, die moest in Studio Skoop zijn. Tenminste, zo werd daar in beschaafde kringen over gedacht.

Aangezien ik mezelf tot die beschaafde kringen rekende, nam ik die overtuiging gewoon over. Ik ging zelfs nog een stap verder: ik ging helemaal niet meer naar de film. Als student had ik dat nochtans heel graag gedaan: eerst een goeie film zien en er daarna op café over napraten: wat kon een jongmens zich meer wensen (of permitteren)! Maar langzamerhand kreeg ik mijn buik vol van de moderne cinema. Die leek me steeds meer om sex en geweld te draaien. Dus bleef ik liever thuis met een boekje in een hoekje. Radio en televisie had ik al vroeger buitengezwierd. Die waren in hetzelfde bedje ziek als de film. En zo werd ik ouder en wijzer, bedaagder en beschaafder. Tenminste dat dacht ik. Want toen ik op een keer toevallig in de Decascoop terechtkwam, op zoek naar iets om mijn gedachten stop te zetten, gingen mijn ogen open. Ik had me vergist. Hollywood was niet (enkel) de geestdodende filmfabriek, het was heel wat meer dan dat, en dat ‘meer’ zag ik nu heel duidelijk.

Ik begon weer naar de cinema te gaan, en ik ging zowel naar de Decascoop als naar Studio Skoop. Want ik zag geen reden waarom het ‘meer’ dat ik in de Amerikaanse film had ontdekt, niet ook in de Europese film te vinden zou zijn. Maar ik vergiste me. De zogenaamde ‘betere’ film die ze in Studio Skoop draaiden, bleek in werkelijkheid de slechtere film te zijn. Aanvankelijk weigerde ik dat te geloven. Maar ik kwam steeds weer van een kale reis thuis. Enkele uitzonderingen niet te nagesproken was de zogenaamde arthouse-film gewoon een minderwaardige film, vergeleken met de commerciële blockbusters van Hollywood. Ze waren niet alleen slechter gemaakt, ze gingen vaak ook helemaal nergens over. Het oude, verwaarloosde huis aan het Sint-Annaplein waarin Studio Skoop gevestigd was, weerspiegelde de films die er werden gedraaid: ze waren uitgeleefd, ze waren niet meer van deze tijd. Ze beschouwden zichzelf als progressief en vernieuwend, maar in werkelijkheid waren ze precies het omgekeerde: verleden tijd.

Maar wat is het dan dat Amerika wel heeft, en de Europese film niet (meer)? In één woord: geest. Uiteraard produceert Hollywood veel ongeïnspireerd maakwerk, dat hoeft geen betoog. Maar is het ooit anders geweest? Echte, geïnspireerde kunst is altijd zeldzaam geweest, en dat is ze ook in de Amerikaanse filmindustrie. Maar ze is er wel. Hollywood heeft verbluffende meesterwerken voortgebracht. Je moet al ver in het verleden teruggaan om dat soort inspiratie aan te treffen in de kunst. Hoe vreemd het ook moge klinken, in Hollywood is een kunstzinnige geest werkzaam die in Europa al lang niet meer te vinden is. En het is dezelfde geest die Europa groot heeft gemaakt, een door en door christelijke geest. In Europa is hij gestorven, maar in de Amerikaanse filmkunst, in het beste van Hollywood, is hij opnieuw verschenen, in een geheel nieuwe, eigentijdse gedaante. Dat was wat ik 25 jaar geleden, tot mijn eigen stomme verbazing ontdekte in de Gentse Decascoop. 

Het betekende voor mij een enorme bevrijding, want ik hield hartstochtelijk van de Europese kunst. In mijn ogen was ze met geen andere te vergelijken en dat kwam door haar christelijke karakter. Toen ik die zo kunstzinnige geest in de 20ste eeuw zag verdwijnen was ik daar het hart van in. Waar ik ook zocht, ik kon hem niet meer vinden. Ik zag de Europese kunst voor mijn ogen in elkaar storten, en alsof dat nog niet erg genoeg was, werd het ook nog eens op gejuich onthaald. De dood van de Europese kunst werd beschouwd als de geboorte van een nieuwe, universele kunst. Hoe meer de oude kunst verminkt, vernederd en vernietigd werd, des te luider klonk het applaus. Pas veel later zou ik begrijpen dat het een manier was om de dood van Europa niet onder ogen te hoeven zien. Het was een soort neo-Egyptisch ritueel: het lijk werd gemummificeerd, in een praalgraf gestoken en vereerd alsof er niks veranderd was. Maar er was wel degelijk iets veranderd, iets heel ingrijpends: in plaats van het leven vereerde men nu de dood.

Eén blik op de actualiteit volstaat om vast te stellen dat die verandering niet alleen in de kunst plaatsvond. De dood van Europa wordt vandaag toegejuicht als was het een nieuwe religie. Men kan zich niets spirituelers voorstellen dan het vernietigen van het oude Europa. Van overal stromen de doodskrachten toe om deel te nemen aan deze nieuwe wereldgodsdienst. Het is een demonisch spektakel dat een mens doet verstijven. De Europese cultuur, die in de loop der eeuwen richtinggevend is geworden voor de hele wereld, wordt momenteel afgebroken in de overtuiging dat dit afbreken het nieuwe opbouwen is. En in zekere zin is dat ook zo: er wordt met man en macht gebouwd aan een antichristelijk, anti-kunstzinnig wereldrijk. Simpel gezegd: Christus wordt vervangen door de Antichrist. En dat allemaal omdat men de dood van Christus, de dood van de geest die de Europese kunst en cultuur groot heeft gemaakt, niet onder ogen kan zien. Men kan zich eenvoudig niet voorstellen dat hij kan sterven.

Toen ik de christelijke geest aantrof waar ik hem nooit had verwacht – in Hollywood – begreep ik ook dat men de dood van deze geest niet onder ogen kan zien omdat men niet gelooft in zijn wederopstanding, in zijn vermogen om de dood te overwinnen. Ik geloofde daar zelf ook niet in. Wat ik beleefde als de dood van de kunst was in mijn ogen zo verschrikkelijk dat de gedachte aan een wederopstanding niet in me opkwam. Bovendien werd ik omringd door mensen die geen verschil zagen tussen leven en dood, die toejuichten wat ik verafschuwde. Hoe kon er uit zoveel ellende ooit nog iets goeds voortkomen! Nee, ik geloofde er niet meer in. Ik leefde in een wereld die ten onder ging, terwijl iedereen ervan overtuigd was dat we fantastische tijden beleefden. Dat laatste is ook de teneur van de tentoonstelling annex boek over de geschiedenis van Studio Skoop: wat een geweldige tijd was dat toch! Hier ontstond iets nieuws, hier ‘werden de bakens verzet in het door conservatieve krachten gedomineerde Vlaanderen.’

Het conservatieve Vlaanderen? Toen ik de Skoop bezocht, bestond dat Vlaanderen al lang niet meer, toch zeker niet in de kunst. Het was dood en verslagen. Maar men bleef hetzelfde plaatje draaien: de progressieve krachten moeten zich bundelen tegen het verstikkende conservatisme. Diep van binnen beseften de ‘progressieven’ nochtans dat ze tegen een imaginaire vijand vochten. Dat blijkt onder meer uit de geuzennaam die de oprichter van Studio Skoop bedacht voor zijn publiek (en die vandaag de titel van de tentoonstelling is): Skopiumschuivers. Wat kwam men zoeken in deze alternatieve arthouse-cinema? Niet de kunst van onze tijd, want die werd in de Decascoop gedraaid. Nee, men zocht er vergetelheid, verdoving, bedwelming, men zocht er opium-van-de-elite, want men kon de pijn van de stervende Europese geest niet verdragen. Men gaf er zich over aan zoete dromen over de superioriteit van de Europese geest en de inferioriteit van alles wat uit Amerika kwam. 

En dat doet men vandaag nog altijd, meer dan ooit zelfs. Want de Skopiumschuivers van weleer hebben het nu voor het zeggen, in de filmwereld, in de kunstwereld, in de wereld tout court. We worden (om de tuin) geleid door verslaafden, door druggebruikers die steeds weer nieuwe bedwelmende middelen creëren om de pijn te verdoven die veroorzaakt wordt door het sterven van de Europese geest, de geest van onze beschaving. Dat is een diepe en blijvende pijn die alleen genezen kan worden door het geloof in de opstanding. Dat geloof heb ik gevonden waar ik het nooit verwacht had: in de Decascoop. Maar daar zul je zelden een Skopiumschuiver tegenkomen, en zelfs als dat gebeurt, blijft hij blind voor wat daar te zien is. Hij is immers beneveld, bedwelmd door zijn eigen superioriteitswaan die hem belet om de pijn, de angst en de vernedering te voelen die diep in zijn ziel leven, waar hij deel heeft aan dat verschrikkelijke sterven van de Europese geest

Daar moest ik dus aan denken toen ik las over de ‘Skopiumschuivers’. Het is al een eeuwigheid geleden dat ik nog in Studio Skoop ben geweest, maar er is sindsdien niks veranderd. De beschaafden, de intellectuelen, de kunstliefhebbers zijn nog altijd even zelfgenoegzaam, even bedwelmd, even verslaafd. Nee, Europa gaat niet ten onder aan het sterven van de Europese geest, maar aan het onvermogen om dat sterven onder ogen te zien. Uiteindelijk is dat onvermogen niets anders dan een gebrek aan liefde. Wie de Europese, christelijke geest werkelijk liefheeft, lijdt en sterft samen met hem. Wat we vandaag overal zien, is de Petrus-reactie: ik ken die man niet, ik ben nooit zijn leerling geweest! Het is de reactie van de gewone man, de angstige mens die zijn wereld uiteen ziet vallen en in paniek raakt. Daarom is het zo tragisch dat we deze reactie aantreffen bij de elite, bij de intelligentsia, bij degenen die de Europese geest zouden moeten verdedigen. Wat een droevig schouwspel, die Skopiumschuivers! 

De Tap en de Tepel

  
Stel: een bende jonge skinheads pest en vernedert een 85-jarige man van Turkse origine al jarenlang. Ze gooien de ruiten van zijn huis stelselmatig in. Op een bepaald moment wordt de oude man bewusteloos geslagen door jongeren. Zou dat uitgebreid de nationale media halen? Ja. En terecht. Zouden pers en samenleving verontwaardigd zijn? Ja. En terecht. Want het is relevant en we moeten vermijden dat racisten dat opnieuw en straffeloos kunnen doen.

Stel: een jongerenbende van Gents-Turkse origine bedreigt een Gentse man van 85, al jaren. Ze vernederen hem als hij buitenkomt. Ze spuwen in zijn gezicht. Ze slaan om de paar weken zijn ramen in. Er volgen ontelbare andere pesterijen. Want de man, Hendrik, hangt slogans uit tegen onverdoofd slachten. En dat vinden sommige mensen niet leuk. Vorige week is Hendrik door jongeren voor zijn deur bewusteloos gestampt. Hij heeft een zware hoofdwonde.

Is dat belangrijk nieuws? Ja. Want de feiten zijn bij politie, justitie en pers al jarenlang bekend zonder dat iemand echt optreedt. Haalt het de nationale media? Nauwelijks. Is de pers verontwaardigd? Neen. Die bericht omzichtig over ‘ongenoegen bij mensen van bepaalde religies’. Maar diezelfde journalisten bestempelen Hendrik zonder schroom en expliciet als moslimhater en antisemiet. ‘Hij heeft het toch wel zelf uitgelokt om bewusteloos te worden gestampt’, staat er net niet bij. En dat was het dan. Een ‘fait divers’. Daarna kan iedereen weer wegkijken.

Wat voorafging: Hendrik hangt al tientallen jaren slogans uit aan zijn raam. Tegen alles wat hij onrechtvaardig vindt. De jagers, de kapitalisten, de fascisten, de katholieke kerk, het mishandelen van dieren. Hij noemde de vorige paus een nazi omwille van zijn Hitlerjugend-verleden en conservatieve standpunten. Hij hing provocatief een DDR-vlag aan zijn gevel. Als hem racisme werd verweten, plakte hij cynisch een affiche aan zijn venster: ‘Het zijn hier allemaal racisten’. En zo hing hij ook een affiche op met een foto van een schaap: ‘Wie is er bang van de islam? Ik, arm schaap’. Als een stierenvechter gegrepen werd door een stier, schreef hij erbij: ‘Goed nieuws: de stier heeft gewonnen’. 

Het is opvallend dat de pesterijen en het geweld pas begonnen sinds Hendrik een vijftal jaar geleden slogans tegen onverdoofd slachten begon uit te hangen. Sinds dat moment wordt hij bedreigd door jongeren die hem zeggen dat hij moet stoppen met het ‘beledigen van de islam’. H.E., een man van Turkse origine, plaatste een paar jaar geleden filmpjes op Facebook. Altijd met dezelfde procedure: Hendrik werd uitgedaagd, uitgelachen, bespuwd, vernederd en ‘een vieze, stinkende oude man’ genoemd. Als hij dan emotioneel en overstuur reageerde, werd zijn reactie gefilmd. Dat zette H.E. op Facebook, en impliciet riep hij op om ‘deze racist’ aan te pakken. Ze zouden hem wel eens ‘de keel kunnen oversnijden zoals bij de schaapjes’.

Sinds die oproep werden de ruiten van Hendriks huis tientallen keren ingegooid, zijn huis beklad, zijn bloembakken aan diggelen geslagen – een permanente psychologische terreur voor hem en zijn partner. Hij moest zelfs kogelvrij glas plaatsen. In 2013 werden drie jongeren bij klaarlichte dag op heterdaad betrapt toen ze de ruiten voor de zoveelste keer instampten. De jonge daders, van Gents-Turkse origine, werden opgepakt. De zaak werd geseponeerd.

Op een keer stond H.E. met de kapotte bloembakken in zijn handen voor het huis van Hendrik en zei hij tergend: ‘Zijn uw bloemetjes kapot? Ocharme. Ik zal ze terugzetten.’ Toen Hendrik daar klacht tegen indiende, verwijderde H.E. snel zijn gewelddadige oproepen maar hij postte cynisch: ‘Ik mag niets meer schrijven over de racist, want het is een oude man.’ Met een smiley. Hij voegde eraan toe dat hij via zijn ‘politieke vrienden’ een klacht wegens racisme tegen Hendrik zou indienen bij UNIA. Iets later kreeg Hendrik inderdaad bezoek van de politie. Nadien wachtte H.E. wachtte hem aan zijn deur op om hem uit te lachen. H.E. en de jongeren gingen gewoon door met hun terreur omdat ze merkten dat ze toch niet gestraft werden.

(Chris Michel)

Bron: De Morgen

Het sociale oerfenomeen

  
Voor het eerst sinds ik ‘op den buiten’ woon, ben ik weer eens ‘in de stad’ geweest. Ik had een nieuwe bril nodig en ik wilde op de valreep nog van de solden profiteren. Nou, het was me de cultuurshock wel! Eerst de trein op. Hoelang was dát al niet geleden! Overal jongeren met smartfoons, overal electronische klanken. Dat duurde dus een poos voor ik een plekje vond dat betrekkelijk rustig was. Het gerammel en geknars – in die nieuwe treinen lijkt altijd wel iets los te zitten – moest ik er maar bij nemen. Gelukkig duurde de reis niet lang: een kleine 25 minuten, langs Moortsele, Landskouter, Gontrode, Melle, Merelbeke en ten slotte – tergend traag – Gent. Stationsbuurten zijn nooit aangenaam en dus haastte ik me langs het Citadelpark (bomen!) naar de kleine ring. Daar was ik al zozeer van slag dat ik de Kortrijksepoortstraat insloeg in plaats van de Bijlokekaai. Grauwheid troef. Studentenbuurt ook. Er kwam maar geen eind aan. Tot ik uiteindelijk de Veldstraat bereikte en de brillenwinkel binnendook. Alles blonk en glitterde daar, tenminste zolang ik niet in de spiegel keek. Een uur later stak ik de straat over om in de Fnac een smartfoon te kopen. Ook daar blonk en glitterde alles, maar mijn bobijntje was af. Genoeg stads- en keuzestress voor vandaag. 

Ik besloot nog even bij De Slegte binnen te lopen, en toen zag ik het, aan de overkant van de straat, een groot raam waarachter een vijftal mensen naar me zaten te kijken. Tenminste zo leek het. Het was een van die nieuwe hippe cafés of koffiebars waar mensen niet aan de toog zitten maar aan het venster. Je ziet er steeds meer, de ramen reiken soms tot op de grond: het café als aquarium. Het is telkens schrikken als je er passeert, want je kijkt de klanten recht in het gezicht. Of is het omgekeerd? Dat is niet duidelijk. Het heeft iets van een krachtmeting: wie is de kijker, wie is de bekekene? Het sociale oerfenomeen, zeg maar. De nieuwe trend trof me als een compensatie-fenomeen. Nu ik op het platteland woon, waar iedereen iedereen groet, valt het me des te sterker op dat in de stad niemand iemand aankijkt. Iedereen zit er opgesloten in zijn eigen wereldje, wat nog geaccentueerd wordt door de oortjes en de smartfoons. Ik begrijp dat wel. As je, zoals ik, je ogen voortdurend de kost geeft dan ben je na een paar uur in de stad compleet uitgeput. Telkens ik naar Gent ga, moet ik een dag recupereren. Ik snap dus heel goed waarom mensen er zich zo naar binnen keren: het is een vorm van zelfbescherming. Maar dat heeft een prijs, en die betalen ze door in zo’n trendy aquariumcafé voor het raam te gaan zitten, waar ze veilig naar mensen kunnen kijken.

Het vreemde is echter dat het niet duidelijk is wie kijkt en wie bekeken wordt. Als je op een terras gaat zitten, doe je dat om naar mensen te kijken, al is dat sinds de smartfoon fel verminderd, heb ik de indruk. Je kijkt niet terug als je langs een terras passeert, daarvoor zijn de terrasgangers meestal te talrijk: ze vormen een menigte, ze zijn sterk. Maar de nieuwe ‘raamzitters’ zijn enkelingen en ze kijken ook niet altijd naar buiten. Ze zitten daar te kijk achter al dat glas en doen alsof ze niet zichtbaar zijn. Ze doen dus eigenlijk net hetzelfde als op straat, maar toch ook weer niet. Het is alsof ze onbewust de grens opzoeken waar mensen elkaar ontmoeten, en waar – zoals Rudolf Steiner zegt – het ene Ik probeert het andere in slaapt te wiegen. Alles is daar mogelijk: kijken of bekeken worden, de blik afwenden of de confrontatie aangaan. In die nieuwe etalagecafés wordt dus in feite iets geestelijks zichtbaar. Het is alsof mensen instinctief opzoeken wat ze kwijtspelen door zich af te sluiten, met of zonder oortjes, met of zonder smartfoons. Compensatiegedrag dus. Misschien moet ik het ook eens uitproberen Als ik nog eens in de stad ben. Maar eerst toch een smartfoon kopen. 

My kingdom for …

  
In Gent zijn 300 nieuwe parkeerautomaten nog niet geplaatst. De installateurs vinden namelijk nergens een parkeerplaats …

Dansen naar het pijpen van …

  

Eén september

Er zijn dingen die nooit veranderen: het is één september en het is mooi weer.
Ik ben in Gent omdat ik met de vakbond moet bespreken hoe ik de RVA ervan kan weerhouden een Rijksdienst Voor Arbeidsontrading te worden (daarover later meer).
De stad loopt vol met jonge mensen en de sfeer is vrolijk en opgewekt.
Zo zie ik Gent niet vaak.
Op weg ernaartoe had ik ook al iets zeldzaams gezien, iets buitengewoon zeldzaams: iemand zat langs de Schelde te … etsen.
Buiten schilderen en tekenen is in Vlaanderen als bijzonder zeldzaam geworden, maar etsen?
Dat is als … pianospelen in openlucht.
Niemand doet dat.
Maar die vrouw deed het dus wel, en rond haar hing de strenge sfeer van scherpe naalden en bijtend zuur.

20140901-235756.jpg

Wat een verschil met de levendige, kleurrijke wereld die ik in Gent aantref!
Tussen haakjes, met ‘kleurrijk’ bedoel ik niet dat er veel zwarte mensen en zwartgesluierde moslima’s rondliepen.
Ik bedoel het in de pre-politiek-correcte betekenis van het woord: kleurrijk zoals in rood, geel, groen, blauw, enzovoort, kleurrijk zowel in letterlijke als figuurlijke zin.
Ja, het is een plezier om vandaag door Gent te fietsen.
Ik heb medelijden met de vakbondsman met wie ik een afspraak heb.
Hij moet heel deze schitterende dag binnen slijten, omringd door papieren en formulieren.
Als hij opstaat om mijn boekhouding te kopiëren – vier bladzijden in een agendaatje waarin Anna overal haar (rose fluorescerende) sporen heeft achtergelaten – zie ik dat hij loopt zoals inspector Morse: slepend met zijn ene voet.
Ik denk: wat ben ik toch een gelukkig mens dat ik straks weer naar buiten kan, dat ik niet meer naar school hoef, dat ik niet opgesloten hoef te zitten tussen vier muren!
Tussen haakjes: ik breng het grootste deel van mijn leven door tussen vier muren, maar ik doe dat uit vrije wil.
Niemand verplicht me daartoe.
Beetje ironisch is natuurlijk wel dat het de RVA is die me vandaag verplicht heeft naar buiten te gaan, naar de vakbond, naar Gent.
Anders was ik misschien wel binnen gebleven en dat zou zonde zijn geweest.
Er is zoveel te zien in Gent.
Overal lopen scholieren en studenten rond, honderduit pratend over wat ze tijdens de vakantie allemaal beleefd hebben.
Waarschijnlijk zijn ze zelfs blij dat die vakantie voorbij was en dat ze eindelijk weer aan de slag kunnen.
Jammer toch dat al die jonge goede wil in banen geleid wordt waar ze (meestal) niet terecht wil komen.
Zou die vakbondsman-met-de-slepende-voet als jonge student in de rechten gedroomd hebben van een loopbaan bij het ACV?
Ik hoop het voor hem, maar ik betwijfel het.
Hij ziet er zo … kleurloos uit.

20140902-000027.jpg

Ik ben te opgelucht dat ik weer naar buiten kan om daar verder aan te denken.
Jedem das Seine, zullen we maar zeggen.
Ik geniet dus van het vrolijke Gent en van het feit dat ik daarin vrij kan rondfietsen.
Ik duik de kasseistraatjes van het oude Gent in, achter het Gravensteen, waar de Lieve stroomt.
Je komt er terecht in een andere wereld, een wereld die – zoals het Patershol – van de sloop is gered, een stille wereld, een schilderachtige wereld.
Ik ga even op een trapje aan het water zitten, alleen en van geen mens gestoord.
Achter me liggen de smalle straatjes er bijna uitgestorven bij.
Voor me verrijst zwijgend het imposante Gravensteen.
Zonder het stadsgeraas in de verte, zou ik me in de 17de eeuw kunnen wanen.
Dát was nog eens een tijd voor schilders!

Vandaag zie je nergens nog schilders in Gent.
De oude stad is nochtans heel mooi.
Maar je kunt de moderne stad niet meer wegdenken.
En zij is verre van schilderachtig.
Zij is uitgesproken schildervijandig.

Ik rijd de Jan Breydelstraat in, opnieuw op weg naar de drukte.
In een kunstgalerij zie ik een schilderij van Hubert Malfait hangen: een koe met een boerderij.
Het lijkt wel geschilderd met een truweel.
Vlaams expressionisme weetuwel.
Maar het is tenminste nog een schilderij.
Het is omringd met ‘abstracte experimenten’.
Gent-in-het-klein …

20140902-000717.jpg

Ik steek de dichtbevolkte Koornmarkt over.
Ze is net opnieuw aangelegd en ze hadden er iets moois kunnen van maken, maar dat hebben ze duidelijk niet gewild.
Deze plek schreeuwt al jaren om groen, maar ze hebben zijn stenen-woestijn-karakter eerbiedigd.
Ook het plein achter de Sint-Niklaaskerk schreeuwde al lang om groen (heel Gent schreeuwt trouwens om groen) en dat is er – een beetje – gekomen.
Maar die toegeving moest zwaar betaald worden: de Gentenaars kregen de stadshal in de maag gesplitst: tot kunst verheven woestijn.
Eens kijken of het er nog altijd zo leeg en verlaten is, denk ik.

Dat blijkt niet het geval te zijn. Of toch niet helemaal.
Er staat namelijk een … vleugelpiano.
Stel je voor: een etser aan de Schelde en een piano in hartje Gent!
Alhoewel, hartje…
Als deze plek één ding niet heeft, dan is het een hart.
Men slaagt er maar niet in om deze lege zielloze plek, deze stenen leegte, gevuld te krijgen: mensen blijven ze instinctief mijden.
Dus heeft men er teneinde raad een piano neergepoot.
En blijkbaar wordt ze nog gebruikt ook.
Als ik er passeer, is een in het zwart gekleed meisje erop aan het spelen.
Ze speelt op de piano muziek uit … The Piano.
De film gaat over een piano die vanuit de beschaafde wereld verscheept wordt naar een plek in de brousse van Nieuw-Zeeland waar helemaal niks is.
Behalve Maori’s, getatoeëerde ‘wilden’ die nog nooit een piano hebben gezien.
(Iedere overeenkomst met de huidige tijd is natuurlijk geheel toevallig)
Goede film overigens.
Zeer sprekende beelden.
Zoals die vleugel onder de Gentse stadshal (die eigenlijk niet meer een gigantisch dak is).

20140902-001400.jpg

Natuurlijk zou het te mooi zijn geweest als men daar gewoon een piano had geplaatst.
Een stad die zichzelf respecteert, plaatst geen mooie dingen.
Dat deed men vroeger.
En vroeger is voorbij.
Daarom heeft men in het glanzende notelaren hout van het klassieke instrument een aantal ruwhouten balken geschroefd die samen een stellage vormden waarop een replica van een klassiek godenhoofd prijkt.
Kunst!
(Verdorie, ik moet weer een smartfoon-met-camera hebben, want u gelooft natuurlijk geen woord van wat ik nu vertel.)
Uit dat godenhoofd druipt namelijk een soort smurrie tot op de piano: de vleugel is bedekt met iets wat je moeilijk anders kan interpreteren dan als … een hoop stront.
Het vieze goedje is weliswaar wit, maar laat ik nu net vanmorgen op het internet gelezen hebben dat de bruine kleur van uitwerpselen afkomstig is van galkleurstoffen.
Ongekleurd zou stront eruitzien als de ‘hoop’ op de vleugelpiano.
Een veelzeggend beeld.
Een weerzinwekkend beeld ook.
Een mooie klassieke vleugelpiano zo toetakelen: dat doe je niet.
Een mooie oude stad als Gent toetakelen met een stadshal: dat doe je evenmin.
Maar blijkbaar is dat de prijs die vandaag moet betaald worden om überhaupt nog muziek te kunnen horen in het lawaaierige centrum van Gent.

20140902-001648.jpg

Na een tijdje geluisterd te hebben naar het meisje (dat trouwens prima speelt) rijd ik verder.
Ik aarzel: ga ik rechts- of ga ik linksaf?
Altijd een moeilijke keuze, vind ik, al zullen weinigen het daarmee eens zijn.
Vanuit de verte zie ik dat de hele Sint-Baafskathedraal verpakt is in stellingen zodat ze eruitziet als een bouwsel uit Lord of the Rings.
Boven de ingang prijkt een grote affiche met daarop een meisje met katogen.
The Wild Beauty of Music lees ik.
En voor de betere Gentenaar: La Sauvagerie.
Kijk eens aan, denk ik, zouden ze weer Jan De Loore ingeschakeld hebben?
Die had verleden getekend voor een pervers-demonische affiche, en dit jaar is het weer van dat.
Wild Beauty?
Sauvagerie?
Een meisje met roofdierenogen?
Dat is natuurlijk allemaal een beeld van Lucifer.
Pittig detail: het is blond meisje, iets wat ik helemaal niet associeer met Lucifer of met ‘wilde schoonheid’.
Lucifer, dat is een donkere furie zoals Tina Turner.
Maar misschien onderschat ik de perversiteit van dit beeld en gaat het niet om Lucifer alleen.
Misschien gaat het om een combinatie van Lucifer en Ahriman en dus om een nog veel kwalijker wezen.
In ieder geval, het is alweer even hoe-zal-ik-het-zeggen als verleden jaar.
Wat wil je ook: een VIP experience!

20140902-001759.jpg

Ik sla dus linksaf en bots daar op een … filmploeg.
Alweer iets wat je niet iedere dag ziet.
Even snel kijken: nee, geen Bekende Vlamingen te zien.
Ik sla nu rechts de Hoogpoort in en passeer het conservatorium waar iemand onzichtbaar van katoen geeft op de pauken.
De straten zijn nog altijd gevuld met scholieren, studenten, jonge mensen.
Zoals ik al zei: Gent bruist vandaag van leven!
Maar dat mindert zienderogen naarmate ik het centrum verlaat.
Aan ‘de Van Eyck’ (voor de Maori’s onder u: het zwembad van Gent-centrum) zie ik een meisje dat helemaal alleen zit te … blokken.
Want ook dat is september: herexamens.

Als ik de antroposofische bibliotheek op de Lousbergskaai passeer zie ik een affiche hangen met daarop in grote letters: ONTMOETEN IS LEVEN.
Kijk eens aan!
Het vat deze dag zo’n beetje samen.
Gent is vandaag één grote ontmoetingsplaats.

Maar als ik de kerk in de Forelstraat passeer, de kerk die haar deuren wijd open pleegt te zetten voor migranten allerhande, zie ik een ‘ontmoeting’ tussen twee Pakistani’s.
Het lijkt verdacht veel op een drugsdeal.
Hij vindt plaats op een steenworp van de Gentse Steinerschool.
Ook dát is leven, zullen we maar zeggen.

Ach, woorden: ze zeggen vandaag niet veel meer, ze kunnen van alles betekenen.
Beelden daarentegen lijken steeds veelzeggender te worden.
Je moet er natuurlijk wel naar luisteren.
Maar dat kostte me op deze eerste schooldag weinig moeite.
Als de ziele luistert, spreekt het al een taal …

20140902-001908.jpg

De Gentse Lente

Vandaag nog maar eens naar Gent in het kader van mijn restyling tot kleine zelfstandige marktkramer.
Dit keer zeul ik een grote rol kraftpapier van 15 kilo achter op m’n fiets naar huis.
Onderweg zie ik een affiche hangen: Groot Volksfeest in Gent.
Zozo, denk ik, een volksfeest!
Sinds ik de Gentse Feesten in de greep heb zien raken van de stadsambtenarij en het grote geld, denk ik het mijne van ‘volksfeesten’.
Als embleem zie ik een opgestoken middenvinger.
Ja, dat ziet er beslist volks en feestelijk uit.
Onderaan lees ik: GENTSE LENTE.
Dat suggereert een soort volksopstand tegen de machthebbers, een ontwaken van de democratische geest, naar het model van de Arabische landen.
Zou het Gentse volk werkelijk (feestelijk) zijn middenvinger opsteken tegen Termont en co die zich van de mening van de Gentenaars niks aantrekken?
Dát zou nog eens goed nieuws zijn!
Maar dan lees ik de kleine lettertjes: ‘Migratie redt de stad’.
Lap, daar heb je ’t al!
Zo’n zin kan nooit uit het volk komen. Dat is die overvloed van migranten namelijk al lang beu, laat staan dat het zijn heil en redding verwacht van Turken, Marokkanen en Roma-zigeuners.
Het idee alleen al!
Nee, zo’n slogan kan alleen afkomstig zijn van de politiek correcte elite.
En die heeft lak aan het volk.
Het volk is immers racistisch, onverdraagzaam, haatdragend, verzuurd, enzovoort.
Vandaar natuurlijk die opgestoken middenvinger.
Vandaar ook de newspeak: Gentse Lente, bevrijdingsfeest, volksfeest, termen die natuurlijk precies het omgekeerde betekenen.
De hele affiche is één grote welgemeende fuck you aan het adres van de gewone Gentenaar, uiteraard met steun van Stad Gent.

Wat later lees ik op de omslag van Knack: Waarom verzuurt Vlaanderen?

Ja, hoe zou DAT toch komen!

20140402-191956.jpg

Nog meer nuance!

20140110-075716.jpg

Aan een bushalte op het Gentse Zuid, een van de drukste plekken van de stad, is een 14-jarige autistische jongen in mekaar geslagen omdat hij weigerde zijn dure koptelefoon af te geven. Vijftien jongeren belaagden hem. Hij kreeg een resem slagen, stampen en een kopstoot te verwerken. Eén dader schopte de jongen hard in de maag.
Pas toen er een bus kwam aangereden, zagen het gewonde slachtoffer en zijn vrienden een kans om te vluchten. Hij stapte op de bus, vroeg de chauffeur om hulp, maar die deed niets, waardoor de daders konden vluchten.
De familie van de jongeren is verontwaardigd en lichtte De Lijn in over het optreden van de bestuurder. De openbaarvervoermaatschappij is een onderzoek gestart.

Aldus stond het vanmorgen in de krant.

Marc Didden had dus gelijk toen hij opriep om te nuanceren en niet langer met een beschuldigende vinger naar Brussel te wijzen.
De problemen in Brussel worden schromelijk overdreven.
Ze bestaan ook in andere steden, zoals Gent, steden met een goede reputatie.
En ze bestaan daar al lang.

Toen mijn eigen zoon Jan 14 was vertelde hij hoe een jongen voor het station van Gent St.Pieter in elkaar was geslagen en met een gebroken neus, een gebroken kaak en een gebroken oogkas naar het ziekenhuis was afgevoerd.
Jan was nog te jong om al te kunnen nuanceren en sprak niet over ‘jongeren’ maar over Turken.
Een racistische uitspraak natuurlijk waarover ik hem streng heb aangesproken.
Ik vroeg hem ook waarom hij en zijn klasgenoten die jongen niet geholpen hadden.
Ben je gek, zei hij, dan krijg je alle Turken over je heen!

Hoe zei dikke Didden het ook alweer?
Je moet met een stad leren omgaan als je ze wilt gebruiken.
Wel, mijn kinderen hebben al heel vroeg met Gent leren omgaan.
Als één van hun vrienden in multiculturele problemen kwam, keken ze de andere kant op.
Anders eindigden ze in het ziekenhuis.

Zo de ouden zongen, zo piepen de jongen.
En de ouden, die zingen nog altijd hetzelfde liedje: always look on the bright side of life!
En dat is niet de kant waar de Turken, de Marokkanen, pardon ‘de jongeren’ staan en slaan.

Zo ook weer in dit krantenbericht.

Om te beginnen wordt beklemtoond dat de autistische jongen een dure koptelefoon ophad.
Duidelijk iemand die niet had leren omgaan met de stad die hij gebruikte.
Maar ja, wat kun je anders verwachten van een autist!
Autisten kunnen maar beter van straat blijven.

Vervolgens wordt er gesproken over ‘jongeren’, want het is natuurlijk racistisch en stigmatiserend om te zeggen dat het iedere keer weer Turken, Marokkanen en moslims zijn die autochtone jongeren in elkaar slaan. Trouwens, in Gent is het verboden om te spreken over autochtonen en allochtonen. Waarom zouden we ook onderscheid maken, nietwaar! De enige verschillen zijn van louter uiterlijke aard. Allochtone jongeren zien er wat donkerder uit en ze slaan al vlugger iemand in elkaar, maar verder zijn ze net als blanke jongeren.

Ten derde laat de journalist er geen twijfel over bestaan wie Barbertje is die zal moeten hangen.
Het is de buschauffeur die de andere kant opkeek.
Wat een onverlaat: een kind in nood aan zijn lot overlaten!
Nee, die man moet gestraft worden, hij moet boeten!
Is dát nu een voorbeeld voor onze jongeren?
Dat die man vrouw en kinderen heeft, dat speelt geen rol.
Dat hij zijn leven riskeerde als hij had ingegrepen, is van geen tel.
Dat hij iedere dag geconfronteerd wordt met die jongeren (die een reprimande zullen krijgen en de volgende dag weer op zijn bus stappen), daar trekken wij ons niets van aan.
Wij zitten immers hoog en droog in ons redactielokaal achter onze computer.
Trouwens, wij hebben ook vrouw en kinderen.
Wij moeten ook ons brood verdienen.
Wij gaan dat allemaal niet in gevaar brengen door de dingen bij hun naam te noemen.
Wij hebben leren omgaan met de multiculturele wereld die we gebruiken.
Wij nuanceren.

En die buschauffeur? En die autistische jongen?
Tja, ’t is zij of wij.
Oeps, dat hebben we niet gezegd.
Verdorie, hou toch eens op met denken, straks komen we nog in de problemen.
Denk eraan: wie zijn hachje wil redden, moet nuanceren!

20140110-084532.jpg

Gentse Feesten

Gisteren ben ik naar de Gentse Feesten geweest.
Dat was al járen geleden.
Toen we in 1980 in Melle-bij-Gent kwamen wonen, dacht ik er niet over om naar die wereldberoemde feesten te gaan.
Needankuwel.
Drukte, lawaai, warmte, bier en Gent, nee het was aan mij niet besteed.
Kwam ik niet van Antwerpen, van de beschaafde wereld dus?
En was Gent geen donker krocht waar ze een schabouwelijk dieventaaltje spraken?
Nee, ik moest niks van Gent hebben, en nog minder van de Feesten.

Maar ik raakte mijn werk kwijt en kreeg drie kinderen.
We kwamen niet meer rond en dus ging ik op de Gentse Feesten karikaturen tekenen.
Geen geringe stap voor een autist, dat kan ik u verzekeren.
Ik stierf duizend doden.
Maar ik beet door.
Waar geldgebrek al niet goed voor is!

Negen jaar lang heb ik dat gedaan.
Toen was het sop van de kool.
Na zeven vette jaren, de zeven magere.
En die wilde ik niet meer uitzitten.
Ik wilde wel duizend doden sterven, maar er moest iets tegenover staan.

Zo heb ik dus de Gentse Feesten leren kennen:
door te sterven.
Tien dagen per jaar, bijna tien jaar lang.
Na de eerste keer lag ik plat.
Letterlijk.
Ik stond ’s morgens op, ging op de sofa liggen, en stond pas ’s avonds weer op om te gaan slapen.
Iedere dag, een maand lang.
Ik was volkomen uitgeput.

De drukte was dan ook waanzinnig geweest.
En ik zat er de hele dag middenin.
’s Avonds moest ik dan nog met mijn karretje naar huis.
Ik raakte telkens weer gevangen in een mensenzee waar ik niet meer uitraakte.
Ik kon alleen maar geduldig meebewegen met die zee en hopen dat ze me op een gegeven moment weer uit zou spuwen.
Zo ging dat 10 dagen lang, 10 slopende dagen..

But guess what!
I liked it!

Het was ieder jaar weer een enorme drempeloverschrijding.
Ik zag er ontzettend tegenop.
Ik zei: nee, nee, nee, ik wil niet!
Maar ik deed het toch,
en het was fantastisch,
daar aan de andere kant van de drempel!

Ik werd een heel grote fan van de Gentse Feesten.
Ze waren één grote Dionysische uitbarsting,
vooral ’s avonds.
Door de straten bewoog zich dan, als een lavastroom, een dicht opeengepakte mensenmassa.
Je had geen andere keuze dan erin op te gaan.
Dat was de essentie van de Gentse Feesten:
je gaf jezelf over, je gaf je eigen wil op, je verdween in de massa.

En massaal was het!
Ik had nog nooit zoiets gezien.
In mijn jeugd had ik vaak basketwedstrijden gezien van het destijds grote Racing Mechelen.
Je zat dan opeengepakt in een sporthal met 3000 man die compleet uit de bol gingen.
Ik vond dat fantastisch.
Ik beleefde een catharsis en ging gelouterd naar huis.
Maar tijdens de Gentse Feesten ging het om een hele binnenstad,
het ging om tienduizenden, zelfs honderdduizenden mensen.
Het was hetzelfde, maar dan op veel grotere schaal.
Zowel in tijd als ruimte.

Nee, zoiets bestond waarschijnlijk nergens ter wereld.
Alleen in Gent, de stad van de gouden draak.

Het wonderlijke was dat die gigantische Dionysische uitbarsting
volkomen vreedzaam verliep.
Nochtans was er nauwelijks controle.
Hoe had je die mensenzee ooit kunnen controleren!
Er was geen beginnen aan.
Politie of brandweer konden nergens bij.
Maar …
dat was ook niet nodig.
Deze onafzienbare mensenmenigte controleerde zichzelf.
Ik bleef me daarover verbazen.
Ik, een autist met een afschuw van menigten (meer dan 2 mensen is voor mij al een menigte), voelde mij volkomen veilig en op mijn gemak tussen die duizenden en duizenden dicht op elkaar gepakte mensen.
I absolutely adored it!

Dit was nog eens een echt volksfeest,
van en door het volk.
Om de tien meter stond er een kraampje, een orkestje, een mimespeler, een straatartiest, een clown, noem maar op.
Van over de hele wereld kwamen ze naar Gent om hun kunsten te tonen in ruil voor wat milde giften.
Je zag er de meest fantastische zaken, gewoon op straat.
Gratis en voor niks.
Er werd natuurlijk ook veel lawaai gemaakt.
Maar ik herinner me nog dat ik op een zondagochtend met mijn karretje door de stad liep die zijn roes lag uit te slapen.
Af en toe zag je iemand die van de bakker kwam, maar verder was er geen beweging.
Het was stil, midden in het centrum van Gent was het muisstil.
En in die voorwereldlijke rust, tussen de oude gevels van de Graslei,
Terwijl de zon in al haar glorie boven de daken rees,
stond een jongeman langs het water viool te spelen: Bach.
En hij speelde goed.
Het was een onvergetelijk moment,
een moment zoals je die alleen op de Gentse Feesten kon meemaken,
de feesten die me bleven verrassen.

Natuurlijk gebeurde er binnen ook heel wat,
daar lieten de alomtegenwoordige affiches geen twijfel over bestaan.
Maar dat interesseerde me niet.
De jongleurs met draaiende kettingzagen, de jongens die aan gewichtheffen deden met hun penis, Koen Crucke die optrad met minister Claes, Geert Hoste in het NTG: voor mij waren het randverschijnselen.
De echte Gentse Feesten speelden zich op straat af.
De echte Gentse Feesten waren volksfeesten.
Het volk amuseerde zichzelf.
En het bleek daar buitengewoon creatief in.
Met bijna niks deed het buitengewone dingen.

Zoals ikzelf.
Een blad papier, een potlood en een gom: meer had ik niet nodig
om mezelf en andere mensen te amuseren.
Er was zelfs een Hollands koppel dat ieder jaar terugkeerde en zich ieder jaar door me liet tekenen.
Om te zien of ze veranderd waren.
Het was ook op de Gentse Feesten dat ik karikaturen van kinderen ben beginnen tekenen.
Dat deed ik voordien uit principe niet.
Hoe kun je trouwens een karikatuur van een kind tekenen!
Je vernietigt dan het kind-zijn, je berooft een kind van zijn jeugd, je maakt het vroeg oud.
Want ouderdom maakt mensen tot karikaturen van zichzelf.
En met hoeveel genot ik mensen ook ouder en lelijker maakte,
bij kinderen trok ik een grens: tot hier en niet verder!
Maar het waren de kinderen zelf die me over die grens trokken.
Ze bleven maar zagen om een tekening, en het moest een karikatuur zijn, zo’n grappige portret waar ze konden om lachen.
Tja, waar blijft een mens dan met zijn mooie principes!
Ik gaf me over.
Ik gaf me over aan de wil van de kinderen.
En ik vond het heerlijk,
En zij ook.
Urenlang konden ze wachten om aan de beurt te komen, zonder één teken van ongeduld.
En als ze dan in mijn stoel plaatsnamen, zag ik hun ziel opengaan als een bloem.
Steeds weer opnieuw.
Een kind is al mooi, maar als ook zijn ziel nog eens bloeit…
Wow o wow, zou Steve zeggen.

Of ik die bloeiende ziel ook nog eens op papier kreeg, kan ik niet zeggen.
Wat je al tekenend op dat kindergezicht ziet en wat je op je blad ziet, mengen zich door elkaar.
Als tekenaar kun je die twee niet onderscheiden.
Dat moet de kijker doen.

Om u een idee te geven: dit is Tim.
Ik heb hem wel niet op de Gentse Feesten getekend, maar hij kan model staan voor de honderden kinderen die ik daar getekend heb.

20130724-125308.jpg

Niemand hoeft me te komen vertellen dat de mens slecht is, dat hij een beest is met een laagje vernis.
Ik weet dat het precies omgekeerd is.
Want ik heb het gezien.
Honderden malen.
Honderden keren heb ik menselijke zielen zien ontluiken.
En sindsdien weet ik: de mens is een onwaarschijnlijk mooi wezen.
Dat hou je niet voor mogelijk.
Vooral bij kinderen kun je dat zien, als je ze tenminste kunstzinnig benadert.
Want het luistert heel nauw.
Er is echt heel weinig nodig om zo’n ontluikende kinderziel weer te doen dichtklappen.
In een oogwenk verandert dat engeltje dan weer in een klein duiveltje.
Maar je voelt: dat ‘duivelse’ is een pantser, om die tere ziel te beschermen.
Alleen tegenover de kunstzinnige blik laat het kind dat pantser zakken.
En wat er dan tevoorschijn komt, is onvergetelijk.

Maar die ‘kunstzinnige blik’ vergt wel een intense aandacht en een uiterste inspanning.
Het is iets wat je moet leren.
Het is een ‘oog’ dat je – met veel moeite en eindeloos geduld – moet ontwikkelen.
Alleen als dat oog opengaat, gaat ook de ziel van een kind open.
Beide zijn met elkaar verwant.
Iedere bloem is een oog dat de zon ziet en waarin de zon zichzelf weerspiegeld ziet.
En iedere mensenziel is een bloem,
iedere mensenziel is een oog dat opengaat
als het de wereld als een kunstwerk leert zien.

Kinderen bezitten dat vermogen nog van nature.
zij zijn kleine kunstenaars die overal kunst zien.
Daarom kunnen ze stralen als een zon.

Voor een volwassene is het veel moeilijker.
Om te stralen moet hij weer worden ‘als de kinderkens’.
Hij moet weer dat vermogen verwerven om de wereld als een kunstwerk te zien.
Maar dit keer bewust en uit vrije wil.
Zodat ze het nooit meer van hem kunnen afnemen,
zoals dat wel kan met een kind.

Een kind tekenen is veel moeilijker dan een volwassene tekenen.
Je moet kunnen spelen op papier.
Je moet de kwaliteiten van het kinderlijke spel ontwikkelen,
Maar dan heel bewust.
En dat is ontzettend moeilijk.
Er is niets moeilijkers voor een volwassen mens dan weer te worden als de kinderen.
Dat is een … kunst.

Ik heb duizenden volwassenen getekend in mijn leven.
En dat was vaak een hevige strijd met de weerstanden die ze om zich heen hadden opgebouwd, weerstanden die je met het blote oog niet kan zien, maar die je meteen ondervindt als je begint te tekenen, dat wil zeggen: als je kijkt met je handen en je hart.

Kijk, dát waren voor mij de Gentse Feesten:
een enorm gevecht om mijn eigen weerstanden te overwinnen,
Een gevecht waarbij ik duizend doden stierf.
Maar als ik eenmaal over die ‘drempel’ was:
toen begon mijn ziel te bloeien,
toen zag ik de wonderlijkste, meest onverwachte dingen.
Toen zag ik hoe mooi de mens wel niet is.

Dat zag ik in het klein, op het Groentenmarktje waar ik zat te tekenen,
maar ook in het groot, op alle straten en pleinen van Gent.

Wat hier onder het alziend oog van de Gouden Draak, hoog op het belfort, ieder jaar weer uit de dionysische chaos te voorschijn kwam, was de wondermooie ziel van de mens, de mens die ongestoord kan spelen en feestvieren, de mens die even verlost is van alle banden die hem het hele jaar door gevangen houden.
En die mens is geen gevaar voor andere mensen.
Welintegendeel.
De Gentse Feesten waren een gloeiende baarmoeder waar je als herboren weer uit tevoorschijn kwam.
Waanzinnig, druk, lawaaierig, uitputtend, slopend, dat wel.
Maar ook onvergetelijk.

Ik schrijf echter wel degelijk: de Gentse Feesten wáren.
Want toen kwam Daniël Termont …

20130724-132030.jpg

En waar hij passeerde groeit nu geen gras meer.

Een impressie:

20130724-132224.jpg

Ziet dát er niet feestelijk uit?

20130724-132320.jpg

Het Lam Gods sponsored by Jupiler. Mannen (als Termont) weten waarom.

20130724-132450.jpg

Let op de hartverwarmende symbiose tussen oud en nieuw!

20130724-132650.jpg

Voor elk wat wils: ook aan de liefhebbers van groen is gedacht!

20130724-132818.jpg

En er is zelfs humor!

20130724-132912.jpg

De Graslei ziet er nu zo uit.

20130724-133034.jpg

En natuurlijk is er Polé Polé, voor de gekleurde medemens.

20130724-133143.jpg

Michaël heeft het heel druk tijdens de Gentse Feesten.
Wie goed kijkt, ziet dat er een rood hartje bungelt op de plaats van zijn euh … vijgeblad.

20130724-133333.jpg

Geloof me vrij: Art stinks!

20130724-133453.jpg

Maar wie hebben we daar?
Als dat ons Annaatje niet is!
Ze amuseert zich kostelijk op haar gele steen.

20130724-133704.jpg

En dit is Tanti, ofte tante Marianne.

U ziet, het was niet al kommer en kwel gisteren.
Maar toch wel heel veel.
Er schiet eigenlijk niks meer over van de Gentse Feesten van 20 jaar geleden.
Het is één gore commercie geworden.
Een wanstaltig, allesverpletterend monster.
Je houdt het niet voor mogelijk.
Dat mensen zo diep kunnen zinken.

En het volk?
Dat liep er een beetje verloren bij.
Dit zijn zijn feesten dan ook niet meer.

Ik heb welgeteld één straatartiest gezien, en twee groepjes muzikanten.

Dat is alles wat overblijft van de honderden die destijds de Feesten ‘bevolkten’.
Maar ja, vandaag heerst Termont, de Jupiler onder de goden.
Dit zijn zíjn Feesten, de Termontse Feesten waar hij zolang van gedroomd heeft.
Laten we een luide boer laten op Daniël,
die een strop heeft gelegd rond de Gentse Feesten
en ze vakkundig gewurgd heeft.

Maar zoals dat gaat met wurgingen en terechtstellingen:
er is er altijd wel eentje die blijft ademen.

20130724-140043.jpg

Dit is Bruno, jarenlang mijn collega-buurman op het Groentenmarktje.
Niet kapot te krijgen, die man!

En om in alle rust afscheid te nemen:

20130724-140319.jpg

Dit is de Schouwburgstraat, in het stadscentrum, gisterenmiddag rond 4 uur.
Ze vat de huidige Gentse Feesten bondig samen:
Overal kabaal, maar in het midden: leegte.

Ghelamco is good for you!

20130719-091931.jpg

Gisteren werd het nieuwe voetbalstadion van AA.Gent – de Ghelamco-arena – ingehuldigd door middel van – u raadt het nooit – een voetbalmatch.

Ik had het ding al volop kunnen aanschouwen, want we passeren er bijna iedere week als we naar Brugge rijden. Het ligt ingeklemd tussen allerlei autostrades en ziet eruit als een gigantische vliegende schotel die de weg is kwijt geraakt en geen idee heeft waar hij geland is.

Ja, ze zien het groot in Gent, sinds Boerke Naas daar burgemeester is.

20130719-093343.jpg

En internationaal!
En divers!
Ik vraag me af of er nog één Belg meespeelt bij AA.Gent.
Over Gentenaars zwijg ik al helemaal.
Die moeten kijken en betalen.
Zodat de grote heren met de pluimen kunnen gaan strijken.
Luister maar eens naar minister-president Kris Peeters:

‘Vandaag huldigen we een schitterend bewijs van Vlaams vakmanschap in: de combinatie van wat dynamiek, architectuur en ondernemerschap kan opleveren’. Gent neemt hier bovendien uitdrukkelijk het voortouw om te investeren in de kwaliteit van de voetbalstadions, en het verhogen van de multifunctionaliteit ervan.’

Hallelujah!

Wilt u nog een staaltje van vakmanschap, dynamiek, architectuur, ondernemerschap, multifunctionaliteit en Boerke Naas?

20130719-094551.jpg

Voilà zie!

Nog iemand die eraan twijfelt dat Vlaanderen mee is in de vaart der volkeren?