Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: gesprek

The noble art

  

Ik zie toevallig een filmpje op de Facebookpagina van An. Op de Deense televisie wordt een man geïnterviewd die betoogt dat de media een misvormd beeld ophangen van de toestand in de wereld. Ze focussen allemaal op wat er verkeerd gaat, maar besteden geen aandacht aan het feit dat de algemene toestand overal verbetert, zij het langzaam en geleidelijk. Neem nu Nigeria, zegt hij, dat land is erop vooruitgegaan, er zijn democratische verkiezingen, het onderwijs is geregeld, de gezondheidszorg is verbeterd, de … Dan onderbreekt de interviewer hem: maar dat land wordt toch geteisterd door Boko Haram? Ja, antwoordt de ander, in een bepaald gebied is dat inderdaad het geval. Maar dat is slechts een klein gedeelte van Nigeria. Als ik jou mijn schoen toon – en hij legt daadwerkelijk zijn voet op tafel – wat zegt dat dan over mij? Ga je mij beoordelen aan de hand van mijn schoenzool? En dat is precies wat jullie doen: jullie concentreren je op de schoenzool van de wereld, op het smerigste deel, en dat noemen jullie dan ‘de werkelijkheid’. Hij somt nog een aantal zaken op die nooit de media halen, tot de interviewer protesteert en zegt: ja maar, hoe weet u dat allemaal? Waarop de geïnterviewde antwoordt: ik baseer mij op cijfers van de UN en (hij noemt) nog een paar grote instellingen. Die cijfers, zegt hij, worden algemeen aanvaard, ze zijn niet controversieel, ze staan niet ter discussie. En dan maakt hij een kleine maar fatale fout. In het vuur van zijn betoog zegt hij: ik heb gelijk en jij bent verkeerd. Waarop de camera meteen naar de interviewer zwenkt, die zich ostentatief naar de kijkers wendt, de handen omhoog heft en glimlachend met zijn hoofd schudt als om te zeggen: wat begin je met zo’n man! Daar kun je eenvoudig niet mee praten! 

Wat er tijdens dit interview gebeurt, is het volgende. Er wordt een man geïnterviewd. Ik weet niet wie hij is, maar hij heeft een punt en hij verdedigt het op rationele en overtuigende wijze. Waarschijnlijk beseft hij heel goed dat zijn betoog hem niet in dank zal afgenomen worden, want het is een fundamentele en terechte kritiek op de algemene stemmingmakerij in de media. Daarom praat hij snel en met grote nadruk, wat niet meteen een goede indruk maakt. Toch drijft hij de ander in het nauw. Hij is duidelijk aan de winnende hand in dit gesprek, dat wil zeggen: zijn argumenten wegen het zwaarst en de televisieman kan ze niet weerleggen. De laatste doet nog een laatste poging, maar juist daardoor geeft hij de ander de kans om de genadeslag te geven. De geïnterviewde zegt namelijk: ik baseer me op cijfers die niet ter discussie staan. Daarmee bedoelt hij: ik baseer me op feiten die algemeen erkend worden, ook door jullie dus. Maar jullie verzwijgen die feiten, jullie verdraaien ze: terwijl ze duidelijk aangeven dat de wereld er op vooruitgaat, keren jullie dat gewoon om. 

Dat is wat je noemt een knock out. De man slaat de nagel op de kop en de ander kan daar niks zinnigs meer tegen in brengen. Maar dan maakt de ‘overwinnaar’ een fatale fout: hij triomfeert. In plaats van terug naar het midden van de ring te stappen, zoals dat in the noble art of boxing gebruikelijk is, beukt hij nog één keer op de gevallen tegenstander in. Hij zegt: ik heb gelijk en jij bent verkeerd. Anders gezegd: ik heb gewonnen, jij hebt verloren. Hij heeft natuurlijk gelijk, hij heeft dit gevecht-met-woorden inderdaad gewonnen. Maar juist doordat hij die laatste slag uitdeelt, verandert zijn overwinning opeens in een nederlaag. In de kunst van het boksen (met vuisten of met woorden) wordt een overwinning niet erkend als de overwinnaar zich niet aan de regels houdt, als hij bijvoorbeeld een weerloze tegenstander aanvalt. Hij wordt dan beschouwd als iemand die de sport naar beneden haalt, als een straatvechter, iemand die niet thuishoort in de ring. De televisieman weet dat heel goed, want het is (helaas) zijn vak om het publiek te bespelen en hij reageert dan ook bliksemsnel. Met een simpel gebaar geeft hij te kennen: zie je wat deze man doet? Hij valt een weerloze aan! Hij speculeert op de morele verontwaardiging van de kijker om op die manier zijn smadelijke nederlaag (hij speelde een thuismatch) om te buigen tot een triomfantelijke overwinning en de media-criticus te kijk te stellen als een moreel inferieure figuur, iemand die weerzin opwekt. 

De fout die de geïnterviewde maakt, is ogenschijnlijk heel klein. Eigenlijk is het niet meer dan een verspreking. In plaats van te zeggen ‘ik heb gelijk en jij bent verkeerd’ had hij moeten zwijgen en de waarheid voor zichzelf laten spreken. Maar hij eiste de overwinning voor zichzelf op. Hij zei: ik heb gewonnen. En dat was een fatale fout die ingaat tegen het wezen van een gesprek. Want in een goed gesprek wint de waarheid, niet één van beide sprekers. In een goed gesprek wint iederéén, ook degene die zogezegd verliest. Er zijn geen verliezers in een goed gesprek, en als ze er toch zijn dan is het geen goed gesprek. Door zijn overwinning te claimen maakte de geïnterviewde van een goed gesprek een slecht gesprek. Door te triomferen sloeg hij zijn eigen ruiten in. En ook die van de ander, want die werd erdoor verleid om precies hetzelfde te doen: te triomferen en de overwinning alsnog in de wacht te slepen. Dat is dan ook het uiteindelijke beeld dat achterblijft na dit slecht aflopende gesprek: twee triomfators die allebei verliezen. 

Met man en macht

In het 25ste seizoen van ‘The Simpsons’, een populaire Amerikaanse tekenfilmserie, zal een hoofdpersonage sterven.
Dat kondigde producent Al Jean aan in een interview.
Voor De Standaard was dat aanleiding voor een interessante vergelijking tussen Amerika en Vlaanderen.

‘In de VS worden scenario’s geschreven terwijl de vorige aflevering nog maar net ingeblikt is: scenarioschrijvers zitten vaak op de set en reageren snel op de wensen van de kijker.’
Valt een nevenpersonage onverwacht in de smaak bij het publiek dan wordt het door de scenarioschrijvers gepromoveerd tot hoofdpersonage.
Omgekeerd laat men hoofdpersonages die de kijker niet aanspreken een stille dood sterven.
Er is in Amerika dus een levendige wisselwerking tussen schrijvers en kijkers.

20131004-122236.jpg

In Vlaanderen is dat anders.
In ‘Met man en macht’ bijvoorbeeld sterft een van de hoofdpersonages al in de eerste aflevering.
Veel kijkers vonden dat jammer, maar pech voor hen: het scenario was al lang geschreven en er werd niks meer aan veranderd.
Tom Van Dyck (die het scenario samen met Tom Lenaerts schreef):
‘Zelf hou ik van onze trage werkwijze: ik schrijf het liefst in functie van acteurs. Zo kun je hen er al vroeg bij betrekken en rekening houden met hun feedback. Als je daarentegen kort op de bal schrijft, krijg je als acteur een scenario waar nog weinig ruimte is om te discussiëren over de inhoud of het karakter van een personage.’

Het verschil is duidelijk:
In Amerika gaan de schrijvers van tv-series in gesprek met hun publiek.
In Vlaanderen doen ze dat niet.
Daar gaan ze alleen in gesprek met de acteurs.
Ze blijven met andere woorden zorgvuldig aan déze kant van de grens tussen kunstenaar en kijker.
Die kijker moet alleen kijken.
Hij heeft geen enkele inspraak in het scheppingsproces.

Beide benaderingswijzen – de Amerikaanse en de Vlaamse (die waarschijnlijk model kan staan voor de Europese) – hebben hun voor- en nadelen.
In Amerika bestaat het gevaar dat scenaristen alleen maar schrijven wat het publiek wil horen (en zien).
Het resultaat zijn series die onbeschaamd inspelen op de lagere driften van het grote publiek.
In Vlaanderen bestaat het gevaar dat scenaristen zich niks van de kijker aantrekken.
Het resultaat zijn series als ‘In de Gloria’, ‘Het Eiland’ en ‘Van vlees en bloed’.
Ze zetten de kijker – lees: de gewone Vlaming – op een subtiele manier te kakken.
Dat is natuurlijk een typisch Vlaams verschijnsel, maar ik denk meer en meer dat Vlaanderen een soort karikatuur is van Europa.
Alles wordt hier tot in het lachwekkende vergroot.
En daarover verkneukelt de Vlaming zich: hij lacht met de karikatuur, niet beseffend dat hij naar zichzelf zit te kijken.
Uiteraard gaat hij niet in gesprek met die karikaturen.
Want dan kan hij er niet meer om lachen.
Dan moet hij naar zichzelf kijken.
Dan komt hij tot de vaststelling dat hij geen haar beter is dan degenen waar hij toch zo moet om lachen.
En dan is het afgelopen met de zo begeerde status van ‘betere Vlaming’.

20131004-122600.jpg

Het verschil tussen de Amerikaanse en de Vlaams-Europese benadering is het verschil tussen de nieuwe en de oude wereld.
Europa is groot geworden juist door het trekken van een scherpe grens tussen kunstenaar en kijker.
Waren kunstenaars aanvankelijk gewone ambachtslui die anoniem deel uitmaakten van het volk, dan hebben ze zich in de loop van de Europese geschiedenis ontwikkeld tot uitgesproken individualisten.
Ze vormden de avant-garde van de individualisering: een selecte keurgroep.
Maar vanaf 1900 begon het gewone volk aan een inhaalbeweging en vandaag staat iedere gewone burger qua individualisering op het niveau van de kunstenaar van toen.
Jeder Mensch ist ein Kunstler geworden, zou je kunnen zeggen.

Als in de militaire wereld een avant-garde zijn taak vervuld heeft en ingehaald wordt door de legertros, dan vecht deze elitetroep gewoon mee met de rest van het leger.
In de artistieke wereld gaat het anders.
Daar keert de avant-garde zich tégen het leger.
Ze kan namelijk geen afstand doen van haar elitaire status.
Ze wil zich blijven onderscheiden als ‘keurgroep’.
En ze doet dat niet langer door tegen de gemeenschappelijke vijand – de draak zeg maar – te vechten, ze doet dat door tegen haar medestrijders te beginnen vechten.
In plaats van een bruggenhoofd in vijandelijk gebied, wordt de avant-garde tot een bruggenhoofd in vriendschappelijk gebied.
Van strijders tégen de draak worden ze tot strijders vóór de draak.
En dat allemaal omdat ze hun privileges niet willen opgeven, omdat ze de grens tussen kunstenaar en kijker niet willen opheffen.

Wat Vlaamse scenarioschrijvers doen, verschilt niet wezenlijk van wat hedendaagse kunstenaars in het algemeen doen: ze houden krampachtig vast aan de grens tussen kunstenaar en kijker.
En wat hedendaagse kunstenaars doen, verschilt niet wezenlijk van wat hedendaagse politici en machthebbers doen: ze houden krampachtig vast aan de grens tussen het volk en zijn leiders, tussen de gewone man en de buitengewone man.
Ze verzetten zich met man en macht (sic) tegen de democratisering.
Het idee dat het volk zichzelf zou kunnen besturen, vinden ze absurd.
En daarachter schuilt de overtuiging dat ze ‘betere’ mensen zijn, uitverkorenen, geïnspireerden.
En ze hebben nog gelijk ook.
Alleen worden ze niet langer geïnspireerd door een hogere geest maar door een lagere.
Ze worden geïnspireerd door de draak, terwijl ze denken Michaëlstrijders te zijn die het kwaad bevechten.

20131004-122934.jpg

Dat is de tragiek van het moderne Europa.
Het heeft de stap van oud naar nieuw niet kunnen zetten.
Althans niet bewust.
Alleen haar ‘lichaam’ zette die stap, het Europese ‘hoofd’ bleef achter.
Terwijl het gros van de bevolking de 20ste eeuw binnenstapte, bleef de intelligentsia in de 19de eeuw steken.
In Vlaanderen nam die ommekeer karikaturale vormen aan.
Het Vlaamse volk, dat in de 19de eeuw nog in de diepste armoede leefde, werd binnen de kortste keren rijk en welvarend.
Het was een ongelooflijke wederopstanding.
De Vlaamse intelligentsia daarentegen, die eentalig Frans was en een diepe afkeer voelde voor de in primitieve omstandigheden levende gewone Vlaming, is onveranderd gebleven.
Ze spreekt nu wel Nederlands, maar ze kan haar viscerale afkeer voor het Vlaamse ‘volk’ niet verbergen.
Als tv-maker moet ze natuurlijk rekening houden met de kijker (de sacrosancte kijkcijfers!) maar dat gebeurt met veel weerzin en resulteert in tv-series die volks lijken maar op een subtiele manier anti-volks zijn.
De Vlaamse tv-makers hebben er een kunst van gemaakt om series voor en over het volk te maken en toch de grens tussen henzelf en dat volk in de verf te zetten.

Neem nu de naam van het fictieve dorp waar de serie ‘Met man en macht’ zich afspeelt: Ransegem.
‘Ranzig’ is een woord dat telkens weer opduikt als er over Vlaamsgezindheid wordt gesproken.
De gewone Vlaming die van zijn land en zijn volk houdt, wordt door de intelligentsia steevast afgeschilderd alsof hij nog in de 19de eeuw leefde: een simpele, armoedige en onontwikkelde ziel die ‘in de schaduw van de kerktoren’ leefde en zijn dorp zelden verliet.
En voor die (fictieve) Vlaming worden dan woorden als ‘ranzig’ en ‘verzuurd’ bedacht.
In de politiek worden die woorden – samen met vele andere – dagelijks uitgesproken.
In de kunst pakken ze het subtieler aan.
Daar wordt een dorp ‘toevallig’ Ransegem genoemd.

In feite doen de Vlaamse tv-makers niets anders dan hun eigen 19de eeuwse bewustzijn projecteren op het Vlaamse volk dat inmiddels al in de 21ste eeuw leeft.
En juist omdat het Vlaamse hoofd – de intellectuelen, de kunstenaars, de politici, de academici – niet mee geëvolueerd is, omdat het gewoon is blijven staan, is het kwaadaardig geworden.
Geen enkele Europese kunstenaar is zo modern, hedendaags en avant-gardistisch als de Vlaamse kunstenaar, maar onder dat eigentijdse masker grijnst een 19de eeuws, volkomen achterhaald en reactionair bewustzijn.
Een bewustzijn dat krampachtig vasthoudt aan de grens tussen kunstenaar en kijker, een bewustzijn dat in toenemende mate kwaadaardig wordt.

Zoals ik al zei: ik beschouw Vlaanderen als een karikatuur van Europa.
Het gaat er hier niet anders aan toe dan elders in Europa, de vormen zijn alleen wat uitvergroot zodat de ‘Europese persoonlijkheid’ wat herkenbaarder is.
En die moderne Europeaan is een door en door gespleten persoonlijkheid.
Een modern lichaam met een ouderwetse geest.
En die twee zijn in een intense strijd gewikkeld, waar vaak kop noch staart aan te krijgen is, een drakenstrijd waarbij de vechtenden elkaar langzaam vernietigen.

Wat de Vlaamse kunstenaars – en de hedendaagse kunstenaars in het algemeen – doen, is een pervertering van de Michaëlische strijd met de draak.
En in de kern van die pervertering bevindt zich de grens tussen kunstenaar en kijker, tussen (scheppende) denker en waarnemer.
Dat is de oergrens die de grenzenoverschrijdende Michaël wil overschrijden.
Maar hij wil dat in vrijheid doen, dat wil zeggen bewust.
Niet zoals Tom Van Dyck & co, die eigenlijk niet weten wat ze doen, en het ook niet wíllen weten.

Want er is er maar één die de kunstenaar kan vertellen wat hij doet, en dat is de kijker.
Met hém moet de kunstenaar die werkelijk hedendaags en Michaëlisch wil zijn in gesprek gaan.
En dat is een heel, heel moeilijk gesprek.
Ook de Amerikanen hebben daar het patent niet op.
Maar ze proberen wel.
En dat kunnen we van de Vlaamse kunstenaars niet (meer) zeggen.
Die zijn alleen nog in gesprek met zichzelf…

20131004-123410.jpg

Autisme

Enkele jaren geleden las ik toevallig een boek over autisme.
Verbaasd stelde ik vast: hé, dit gaat over mezelf!
Zowat alle autistische kenmerken bleken op mij van toepassing te zijn.
Waar ik precies thuishoorde in het autismespectrum – er zijn autisten in alle maten en gewichten – wist ik niet, maar dat ik er deel van uitmaakte, leed geen twijfel.
Daar had ik geen professionele diagnose voor nodig.
Zo’n diagnose was trouwens veel te duur.

20130812-145203.jpg

Een autist dus.
Dat ik dat op mijn oude dag nog moest vernemen!
Het verklaarde veel, maar het veranderde niets.
Er bestaan immers geen pillen voor autisme.
Autisme is een zogenaamde ontwikkelingsstoornis: er gaat – meestal al heel vroeg in het leven – iets mis dat niet meer gerepareerd kan worden.
Autisten zijn geestelijk normaal, en ook fysiek scheelt er doorgaans niets aan.
Het is met de verbinding tussen geest en lichaam dat het spaak loopt.
Met de ziel dus.

Voor de moderne wetenschap bestaat er echter niet zoiets als een geest of een ziel (tenzij als nevenverschijnsel van het fysieke lichaam) en dus beperkt ze zich tot een – letterlijk en figuurlijk – uitputtende beschrijving van de autistische symptomen.
Ik heb geprobeerd om een paar wetenschappelijke boeken over autisme te lezen, maar ze waren zo geestdodend, zo ontluisterend en zo steriel, dat ik het al vlug heb opgegeven.
Alleen in de antroposofische literatuur over het onderwerp vond ik inzichten waar ik iets aan had en waarvan ik kon zeggen: ja, zo is het.

Naast de obligate hersendefecten en genetische afwijkingen noemt de wetenschap als oorzaak van autisme: traumatische ervaringen in de vroege jeugd.
Dat is hoogstwaarschijnlijk waar, maar het verklaart niet waarom autisme een typisch modern verschijnsel is (het eerste geval werd in 1943 beschreven). Kinderen hadden vroeger ook traumatische ervaringen, waarschijnlijk zelfs meer dan nu, maar ze werden er niet autistisch door.
Men kan er natuurlijk de dooddoener tegenaan gooien dat autisme altijd bestaan heeft, maar dat men het pas nu ontdekt en benoemd heeft.
Dat is echter niet alleen zeer speculatief, om niet te zeggen arrogant en gemakzuchtig, het is ook uitgesproken … autistisch.

De wetenschap gaat er vanuit dat het menselijk bewustzijn door de eeuwen heen niet veranderd is. De mensen uit het Stenen Tijdperk waren precies zoals wij, alleen veel dommer. En dus wisten ze niet dat autisten autisten waren.

Dat soort redeneringen.

Voor autisten is alles altijd geweest zoals het nu is, en zal het ook altijd zo blijven. De moderne wetenschap redeneert precies hetzelfde. Volgens haar is er de afgelopen 5000 jaar niks veranderd.
Althans op bewustzijnsgebied, want op fysiek gebied is ze erin geslaagd haar autisme te overwinnen: ze heeft de evolutie ontdekt.

20130812-145431.jpg

Dat was een grote stap vooruit: de wetenschap kon de materiële werkelijkheid nu niet alleen in de ruimte maar ook in de tijd plaatsen.
Zelf bleef ze daar echter nog altijd buiten staan.
Als onderzoekend bewustzijn nam ze niet deel aan de evolutie.
Ze werd zelfs nog onbeweeglijker dan voorheen.
Ze verklaart vandaag alles vanuit de evolutie.
Behalve de wetenschap zelf.

De oorzaak van dit autistische gedrag ligt in het feit dat de wetenschap iedere relatie met de werkelijkheid die zij bestudeert, afwijst.
Ze gedraagt zich alsof ze geen deel uitmaakt van de werkelijkheid, alsof ze haar bestudeert vanaf een punt dat buiten de werkelijkheid ligt.

Ook de autist bevindt zich buiten de werkelijkheid.
Hij heeft (in het ergste geval) geen contact met zijn lichaam.
Hij zweeft er als het ware buiten, als een ballon aan een draadje, als een astronaut in de ruimte.
Hij ervaart zijn lichaam (en bij uitbreiding de hele wereld) als een dood voorwerp, een stuk materie dat hem vreemd is en dat hij alleen van buitenaf waarneemt.
Het ontbreekt hem met andere woorden aan bewegingszin of kinesthesie.
Hij neemt zijn lichaam niet van binnenuit waar, en dus kan hij er niks mee aanvangen.
Het is voor hem als een ijzeren bol waaraan hij geketend is.
In veel gevallen kan hij niet spreken. Hij kan zelfs zijn gezicht niet bewegen.
Niemand weet wat er zich in zijn binnenste afspeelt.
Heeft hij pijn? Is hij blij? Denkt hij over iets na? Stelt hij ergens belang in? Wil hij iets vragen? Is hij blij of verdrietig?
Hij kan het op geen enkele manier tot uitdrukking brengen.
Vandaar de overtuiging dat autisten geen gevoelens hebben, dat ze niks begrijpen, dat ze nergens op reageren, dat ze kortom achterlijk zijn.

20130812-145919.jpg

De autist is volkomen overgeleverd aan de anderen.
Zonder hen kan hij niets.
Hij zit opgesloten in een soort niemandsland tussen geest en materie.
Hij kan zich van geen van beide losmaken, maar hij kan er zich evenmin mee verbinden.
Gelukkig heeft één van die anderen – de Australische Rosemary Crossley – een methode ontwikkeld waardoor zelfs zware autisten in contact kunnen treden met de buitenwereld:

Facilitated Communication ofte Vergemakkelijkte Communicatie.

Deze methode bestaat erin dat een vertrouwenspersoon de hand van een autist ondersteunt en hem zo in staat stelt die hand te voelen en daardoor ook (voldoende) te gebruiken om een letter aan te wijzen of in te drukken op een computer.
Het vergt heel wat oefening van beide zijden, maar als het lukt, blijken autisten intelligente mensen te zijn die soms niet eens meer hoeven te leren lezen of schrijven, want dat hebben ze op eigen houtje al geleerd.

20130812-150054.jpg

De methode is evenwel zeer controversieel. Heel wat wetenschappers noemen ze zelfs onethisch en plaatsen ze op dezelfde hoogte als het Ouija-bord, een techniek waarmee boodschappen van ‘gene zijde’ kunnen worden opgevangen. Ze beweren dat de ‘facilitators’ de autisten onbewust sturen en op die manier dus een groteske illusie creëren.

Maar er zijn ook andere stemmen.
Zoals Arthur Schawlow, Nobelprijs fysica en zelf vader van een autistische zoon.
Hij maakt er niet veel woorden aan vuil.
‘Die zogenaamde validatiestudies zijn zo dom dat ze de naam onderzoek niet verdienen. Als fysicus weet ik dat ik het systeem dat ik wil meten niet mag verstoren. En uitgerekend dat doen veel van deze experimenten.’

20130812-150321.jpg

Een goede facilitator dient twee essentiële eigenschappen te bezitten.
Enerzijds moet hij empathisch zijn.
Hij moet een vertrouwensband opbouwen met de autist, die vaak zeer wantrouwig en onzeker is. Zonder een dergelijke zeer persoonlijke band kan er geen communicatie tot stand worden gebracht.
Anderszijds moet de facilitator volkomen objectief zijn.
Hij moet zijn eigen wil het zwijgen kunnen opleggen en hem volkomen ter beschikking stellen van de autist.

Het ligt voor de hand waarom de wetenschap deze techniek afwijst: ze gelooft niet dat het mogelijk is om tegelijk subjectief én objectief te zijn. De waarheid, de objectieve waarheid, kan volgens haar alleen gevonden worden door het subjectieve radicaal uit te sluiten.
Op dat fundament is de moderne wetenschap gebouwd.
Het ligt dan ook voor de hand waarom wetenschappelijke experimenten met FC zo vaak mislukken: elimineert men het subjectieve element, dan elimineert men ook de communicatie.

De autist is in feite louter subject:
hij heeft geen contact met zijn lichaam dat, als onderdeel van de materiële wereld, het terrein is van het objectieve.
Hij kan niet communiceren omdat hij geen brug kan slaan tussen zijn subjectiviteit en de wereld van het objectieve.
De muur die de wetenschap (in gedachten) tussen beide heeft opgetrokken, is bij hem als het ware fysiek geworden.

Autisme is dus in zekere zin vleesgeworden moderne wetenschap.

Zoals ik ben, zegt de autist (met zijn hele verschijning) tegen de moderne, wetenschappelijk gevormde mens, zo zullen jullie in de toekomst allemaal worden, als jullie er niet in slagen de muur te doorbreken die jullie zelf hebben opgetrokken.
De autist is met andere woorden zijn tijd vooruit.
Maar dat weet hij niet.
Hij kan het ons niet zeggen.
Hij kan het alleen tonen, door hoe hij is.

20130812-150803.jpg

Facilitated Communication is ontworpen door mensen die ‘voelden’ dat er in dat onbruikbare lichaam van de autist een mens zat, een subject, een bewustzijn.
En ze hebben een concrete techniek ontwikkeld waarmee ze contact konden maken met die mens.
De zware autist kan zich alleen uitdrukken in de bizarre, onbegrijpelijke beelden van zijn fysieke verschijning.
De techniek van FC stelt hem in staat zich nu ook in begrijpelijke woorden uit te drukken.
Het is die stap van beeld naar woord die hem verlost uit zijn ‘beeld-gevangenis’.
Maar die verlossing is alleen mogelijk doordat iemand de omgekeerde stap zet: die van woord naar beeld.
De facilitator of ‘vergemakkelijker’ is iemand die thuis is in de wereld van het woord en – gedreven door liefde en medelijden – de stap zet naar de wereld van het subjectieve beeld.
Hij probeert door te dringen tot de betekenis van dat beeld, tot het wezen dat er zich in probeert uit te drukken.
Daartoe moet hij echter zijn objectiviteit bewaren, want alleen op die manier kan hij contact maken met de objectieve kern van die subjectieve beeldenwereld: de autist zelf.

Volgens de wetenschap is zoiets onmogelijk.

We kunnen wel overstappen van objectief naar subjectief (en omgekeerd), maar we kunnen het gebied van het subjectieve niet betreden en toch objectief blijven.
Dat is uitgesloten.
De facilitator die zich inleeft in de autist houdt dus op wetenschappelijk te zijn.
De communicatie die hij met de autist tot stand meent te brengen, heeft geen enkele objectieve waarde.
Ze is louter inbeelding: een product van zijn eigen onbewuste subjectiviteit.
Facilitated Communication is derhalve een vorm van bedrog: de helper doet alsof hij communiceert met de autist, maar in werkelijkheid blijven beiden opgesloten in hun eigen subjectieve wereld.

20130812-151103.jpg

In deze houding van de wetenschap bespeuren we iets van de wanhoop van de autist, die niet gelooft dat hij ooit verlost kan worden uit zijn gevangenis.
De wetenschap veroordeelt zichzelf in feite tot steeds grotere wereldvreemdheid.
Ze veroordeelt ook de moderne wereld – die steeds sterker door de wetenschap bepaald wordt – tot toenemend autisme.
Dat is geen prettig vooruitzicht, want autisten staan bekend voor hun gewelddadige uitbarstingen, uitbarstingen waarover ze geen enkele controle hebben en die een instinctieve uitdrukking zijn van de diepe vertwijfeling die ze voelen.
Het hoeft geen betoog dat onze moderne samenleving steeds gewelddadiger wordt.
En dat geweld vindt zijn oorzaak in het feit dat de moderne mens langzaam maar zeker de controle over zijn leven verliest en opgesloten raakt in een virtuele wereld.

Er hangt dus veel af van de vraag of de wetenschap gelijk heeft.
Is het inderdaad onmogelijk om tegelijk subjectief en objectief te zijn, zoals ze beweert?
Is Facilitated Communication louter inbeelding en illusie?
Als dat zo is, dan is er geen uitweg.
Dan zal de moderne mens steeds autistischer en gewelddadiger worden, tot hij uiteindelijk de wereld waarin hij leeft zal vernietigen om verlost te worden uit zijn lijden.

Ik heb zelf geen enkele ervaring met Facilitated Communication.
Ik heb het gelukkig zelf niet nodig.
Maar ik herken het wel.
En ik begrijp ook waarom het zich niet laat bewijzen door de wetenschap.

Het is namelijk een … kunst.

De twee voorwaarden waaraan een ‘facilitator’ moet voldoen – inlevingsvermogen en afstandelijkheid – zijn dezelfde voorwaarden waaraan een kunstenaar moet voldoen.
De kunstenaar is namelijk iemand die zich met zijn vermogen tot objectivering op het gebied van het subjectieve waagt. Hij stelt dat objectiverende vermogen ter beschikking van wat er in zijn subjectieve bewustzijn leeft.
Hij is dus in zekere zin zijn eigen ‘facilitator’.

Het verschil tussen een kunstenaar en een facilitator is evenwel dat een kunstenaar beelden maakt en geen objectieve informatie doorgeeft.
Dat laatste is voorbehouden aan de wetenschap.
Echte communicatie is er dan ook pas als die twee samenwerken.
Zonder kunst is er geen contact met een ander subject.
Zonder wetenschap kan dat contact niet worden geobjectiveerd. Het blijft vluchtig, voorbijgaand, men kan er niet op bouwen.

Veel mensen gaan liefdevol om met hun autistische kinderen.
Ze hebben er een diep ziele-contact mee.
Maar ze kunnen er niet mee communiceren.
Hoe oud de kinderen ook worden, ze blijven hulpbehoevend en afhankelijk.
De relatie gaat nooit uit boven de fysieke, instinctieve relatie tussen een moeder en haar kind.
Ze wordt nooit een vrije, volwassen relatie tussen gelijken.
Ondanks alle liefde blijft het autisme als een muur tussen hen in staan.
Pas als de wetenschap zich bij deze – in wezen kunstzinnige – relatie voegt, kan er een echt gesprek ontstaan, een gesprek dat de muur doorbreekt en voor beide partijen een bevrijding is.

Maar is zoiets mogelijk?
Kunnen kunst en wetenschap werkelijk samenwerken en tot een echt gesprek leiden?
Hoe weet een ouder dat het gesprek dat hij middels FC met zijn kind voert echt is?
Hoe weet hij dat hij werkelijk met zijn kind spreekt en niet alleen maar met zijn eigen onderbewustzijn, zoals een kunstenaar dat doet?
Hoe kan hij er zeker van zijn dat het allemaal geen fictie?

Alles komt uiteindelijk neer op de vraag of het mogelijk is hoofd en hart, objectief en subjectief, wetenschap en kunst met elkaar te verzoenen.
Of is de muur die de wetenschap tussen beide opgetrokken heeft, absoluut?

Deze vraag is tegelijk zeer concreet en zeer theoretisch.
Ze heeft niet alleen verregaande gevolgen voor de relatie tussen ouders en hun autistische kind(eren), maar ook voor de relatie tussen wetenschap en kunst, en uiteindelijk voor de relatie tussen mens en wereld.

Het zou me te ver leiden om nu dieper op deze vraag in te gaan.
Ik wilde in deze ‘inleiding’ alleen duidelijk maken dat autisme niet alleen het probleem is van autisten en hun ouders.
Het is het probleem van ons allemaal.
We zijn allemaal autisten. We weten het alleen nog niet.
De autist toont ons hoe we zelf, diep van binnen zijn.
Hij maakt zichtbaar wat vooralsnog onzichtbaar is.
Hij is de kunstenaar die ons een spiegel voorhoudt.
En hij plaatst ons voor de keuze:
gaan we in gesprek met hem of doen we dat niet?
Proberen we in contact te komen met de autist-in-ons of negeren we hem?

Van die keuze hangt onze toekomst en die van de wereld af.

Maar daarover later meer.

20130812-151342.jpg