Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: graallegende

Adriaen Brouwer (14)

  

Er zijn grosso modo twee manieren waarop we Adriaen Brouwer kunnen benaderen: de wetenschappelijke manier en de kunstzinnige manier. In het eerste geval gaan we min of meer te werk zoals een wetenschapper dat doet: we stellen ons op de hoogte van wat er gepubliceerd is over het onderwerp en gewapend met die informatie gaan we dan de schilderijen zelf bekijken. Dat is hoe de meeste mensen vandaag kunst benaderen: goed geïnformeerd. Zelfs tijdens het kijken luisteren ze nog naar wat audio- of andere gidsen hen vertellen. Steeds zeldzamer worden de mensen die kiezen voor een kunstzinnige benadering en alle informatie afwijzen omdat ze de kunstwerken onbevangen willen bekijken. Een dergelijke houding wordt vandaag op onbegrip onthaald. Zoals iemand het ooit uitdrukte: wat heb je nu aan een tentoonstelling als je niks afweet van de kunstenaar of zijn werk! In zijn ogen sprak het vanzelf dat je kunst wetenschappelijk benaderde.

Nu is er in principe niets tegen een wetenschappelijke benadering van kunst, wel integendeel. In een kunstwereld die steeds willekeuriger en chaotischer wordt naarmate de kunsthandel er de lakens uitdeelt, is er zelfs grote nood aan nuchterheid en objectiviteit. Maar kunst kan niet benaderd worden door een wetenschap die onkunstzinnig te werk gaat, een wetenschap die alles reduceert tot louter materie en het bestaan van een scheppende geest afwijst. Juist die scheppende geest kan in de kunst niet ontkend worden: we weten met absolute zekerheid dat ieder kunstwerk gemaakt is door een kunstenaar. De methoden van de materialistische wetenschap werken dus niet voor de kunst. Het geval Adriaen Brouwer illustreert dat: niet alleen zijn de kunstwetenschappers eeuwenlang blind gebleven voor deze schilder, ook vandaag nog kijken ze niet verder dan de anekdotische aspecten van zijn werk. Ze beperken zich tot het wat en hebben geen enkele belangstelling voor het hoe. De Rokers is voor hen niet meer dan een 17de eeuws selfie.

Als geen ander vraagt Adriaen Brouwer om een nieuwe kunstwetenschap, een wetenschap die de kunst ernstig neemt en haar op een kunstzinnige manier benadert. Zo’n kunstzinnige wetenschap is ook buiten de kunst hoogst nodig. De wetenschap heeft een scherpe grens getrokken tussen zichzelf en de kunst. Dankzij die grens hebben zowel de objectieve als de subjectieve benadering van de werkelijkheid zich autonoom kunnen ontwikkelen. Maar vandaag wordt die grens voortdurend overschreden: kunst en wetenschap raken vermengd, subjectief en objectief lopen door elkaar. Om te voorkomen dat ons hele geestesleven daaraan ten gronde gaat, moeten beide tegenpolen op zo’n manier met elkaar verbonden worden dat ze elkaar bevruchten in plaats van vernietigen. Die manier bestaat reeds. Het is de fenomenologische methode zoals ze ontwikkeld werd door Goethe en verder uitgewerkt door Rudolf Steiner. Wie kunst en wetenschap heeft, heeft ook religie, zei de eerste. De tweede gaf dat gestalte in de antroposofie of geesteswetenschap.

Hoewel de antroposofie al meer dan honderd jaar bestaat, blijft ze een marginaal verschijnsel in de moderne beschaving. Haar benadering van de werkelijkheid vereist dan ook niets minder dan een bewustzijnsomwenteling. Het menselijk bewustzijn is in de loop der eeuwen steeds wakkerder, rationeler en zelfstandiger geworden. Dat heeft geleid tot een diepe kloof met kunst en religie. Om die kloof te overbruggen moet het wakkere, wetenschappelijke bewustzijn zich opnieuw verbinden met de dromerige en subjectieve sfeer van de kunst. Dat wordt instinctief ervaren als een regressie, een terugkeer naar religie en bijgeloof. De weerstanden tegen de antroposofie zijn dan ook heel groot. Ze bestaan niet alleen buiten, maar ook binnen de antroposofie. Ze komen onder meer tot uiting in het nagenoeg volledig ontbreken van een fenomenologische benadering van de kunst. Nochtans is de fenomenologische methode nergens zo natuurlijk en vanzelfsprekend als in de kunst, maar uitgerekend daar wordt ze niet of nauwelijks toegepast.

Die interne weerstanden komen ook nog op een ander gebied tot uitdrukking: dat van het zielenthema. De antroposofische beweging bestaat – net als de hele mensheid trouwens – uit oude en jonge zielen. Het oerbeeld van deze tweedeling vinden we in het verhaal van de beide Jezuskinderen. Daar vinden we ook het oerbeeld van de bewustzijnsomwenteling die de antroposofie voorstaat. De oudste Jezus is de ‘wetenschapper’ par excellence, de meest wakkere en ontwikkelde ziel van de mensheid. Tijdens het paasfeest in de tempel verenigt hij zich met de jongere Jezus, de ‘kunstenaar’ bij uitstek, de ongerepte kinderziel die nog over al haar scheppende krachten beschikt. Deze vereniging is geen onbewuste vermenging maar een vrije liefdesdaad: de ‘wetenschapper’ duikt bewust en vrijwillig onder in de wereld van de scheppende krachten. Hij wordt kunstenaar, zonder evenwel op te houden wetenschapper te zijn. 

Rudolf Steiner was niet alleen de eerste die dit ‘geheim’ onthulde, aan het eind van zijn leven bracht hij het ook in de praktijk: tijdens de Weihnachtstagung ‘dook hij onder’ in de antroposofische vereniging. Hij verbond zich vrijwillig met het karma van zijn leerlingen, een offer dat hem het leven kostte. Hij wees er ook op dat dit oerbeeld tot het persoonlijke karma van iedere antroposoof behoort. Dat alles maakt de relatie tussen oude en jonge zielen tot het hart van de antroposofie. Willen we dit hart doen kloppen en de antroposofie tot leven brengen, dan moeten we het voorbeeld van Rudolf Steiner – en dus ook van de oudere Jezus – volgen en met ons moderne, wetenschappelijke bewustzijn onderduiken in de sfeer van de geestelijke scheppingskrachten. We kunnen dat op ieder denkbaar gebied doen, al naargelang onze aanleg en onze mogelijkheden, maar het gebied dat het nauwst aansluit bij ons moderne bewustzijn is dat van de kunst. Tenslotte is de antroposofie ontstaan uit de kunst en wil zij ook een kunst worden.

Welke plaats neemt Adriaen Brouwer in dit alles in? Wel, om te beginnen is hij een kunstenaar, een van de grootste die we ooit gehad hebben en ook een van de meest Vlaamse. Hij staat dus dicht bij ons, veel dichter dan we denken. Bovendien staat hij op de grens tussen Noord en Zuid. Hij is in alle opzichten een man van het midden, iemand die de uitersten kent en ze met elkaar verbindt. Hij is ook een van de weinige kunstenaars die zowel voor het gevoel als het verstand toegankelijk zijn. Vooral zijn zelfportret biedt ons de mogelijkheid om als wetenschapper onder te duiken in een kunstzinnige wereld. We kunnen dat op een onbevangen manier doen, want De Rokers is in hoge mate ‘ongerept’ gebleven. Het schilderij bleef vier eeuwen lang onopgemerkt, een unicum in de kunstgeschiedenis. In die zin doet Brouwer een beetje denken aan de jonge Jezusziel die lange tijd ‘achter de hand’ werd gehouden om zich op het juiste moment met de oude Jezusziel te kunnen verbinden. 

Deze ‘verborgenheid’ van Adriaen Brouwer is des te opmerkelijker omdat hij deel uitmaakte van een opmerkelijke bloeiperiode in de Europese kunst. In de 17de eeuw leefden en werkten in de Nederlanden beroemde schilders als Rubens, Rembrandt, Van Dijck, Jordaens, Frans Hals, Vermeer enzovoort. Een dergelijke concentratie van genieën vinden we alleen in de Italiaanse Renaissance en het Duitse idealisme. Nu wil het geval dat Rudolf Steiner tussen deze laatste twee perioden een karmisch verband legt. Volgens hem waren de schilder Rafaël en de dichter Novalis incarnaties van de oudste ziel van de mensheid, de Adamsziel. Ten tijde van Christus was ze geïncarneerd als Johannes de Doper, die zich na zijn dood verenigde met de verrezen Lazarusziel. Dat oerbeeld herhaalt zich tijdens haar volgende incarnaties: telkens duikt deze oude, profetische ziel onder in een geheel andere wereld: die van de kunst. En telkens wordt ze daarbij omringd door een indrukwekkende verzameling ‘kunstbroeders’. 

Net als Rafaël en Novalis sterft Brouwer zeer jong: op 35-jarige leeftijd. Hij maakt grote indruk op zijn tijdgenoten: iedereen bewondert hem, zelfs de allergrootsten. Ze beschouwen hem als een godenkind, een rijzende ster. Zijn manier van schilderen heeft dan ook iets ‘hemels’: zelden heeft iemand het penseel zo ‘etherisch’ gehanteerd. Zijn schilderijen verbergen tevens een ongewoon grote geestelijke diepte, alsof hier een heel oude, wetende ziel aan het werk is. Naast deze opvallende gelijkenissen zijn er echter ook grote verschillen. Bij Rafaël en Novalis zijn vorm en inhoud zeer verwant, bij Brouwer staan ze haaks op elkaar. Er kan geen grotere tegenstelling bestaan dan tussen zijn ‘etherische’ manier van schilderen en zijn zeer ‘aardse’ kroegtaferelen. Anders dan bij Rafaël en Novalis, houdt Brouwers roem ook geen stand. Het godenkind verbleekt tot een folkloristische figuur, zijn ‘hemelse’ aard wordt volkomen genegeerd. Terwijl de sterren van zijn tijdgenoten blijven stralen, wordt de zijne grondig verduisterd. 

Er kan nochtans geen twijfel over bestaan: Adriaen Brouwer hoort thuis in het gezelschap van de allergrootsten, zowel op kunstzinnig als op geestelijk gebied. Hij maakt onmiskenbaar deel uit van het esoterische christendom dat als een rode draad doorheen de Europese kunstgeschiedenis loopt. Alles wijst erop dat we hem moeten situeren in de graaltraditie: het thema van de Visserkoning, de kruiken die zo prominent aanwezig zijn in zijn werk, het manicheïsche onderduiken in een duistere ‘onderwereld’. Door die graalthematiek wortelt Adriaen Brouwer enerzijds in de Middeleeuwen en reikt hij anderzijds tot in de 21ste eeuw. De (middeleeuwse) Parsifalweg – dwars door het dal – is volgens Rudolf Steiner bedoeld voor onze tijd. Dat wordt trouwens bevestigd door de buitengewone populariteit van hedendaagse versies van de graallegende. Misschien moeten we daar ook de reden zoeken waarom Adriaen Brouwer uitgerekend in onze tijd weer opduikt. 

Deze 17de eeuwse schilder roept tal van vragen op die voorlopig onbeantwoord moeten blijven. Maar één ding is zeker: hij houdt ons een spiegel voor, een lachspiegel. Adriaen Brouwer staat volop in de Uylenspiegeltraditie. Hij confronteert de kijker met zijn domheid, een domheid die echter geen kwestie is van gebrek aan verstand. Wat baten kaars en bril als de uil niet zien en wil, luidt het spreekwoord. De domheid is het gevolg van een niet-willen-zien. Dat blijkt overduidelijk uit de houding van de moderne kunstwetenschappers tegenover De Rokers: ze durven er niet naar kijken, omdat ze voelen dat ze dan een grens zullen overschrijden en in een heel andere wereld terechtkomen, een wereld die alles op zijn kop zal zetten: hun opvattingen over kunst, hun opvattingen over wetenschap, kortom hun hele wereldbeeld. Waar het hen aan ontbreekt is geestelijke moed, moed om de realiteit van de geest onder ogen te zien.

Men hoeft niet over een groot verstand te beschikken om de geestelijke dimensie van De Rokers te leren kennen. Ook gevoelsmatig stelt dit schilderij niet dezelfde eisen als de Madonna’s van Rafaël of de gedichten van Novalis. Het is gewoon een kroeg bevolkt met lieden van alle slag: een hansworst, een Tijl Uylenspieghel, een geleerde, een paar drugsverslaafden, een gearmd koppeltje. Iedereen kan er zich in herkennen. Dit vrolijke, volkse tafereel heeft geen geheimen voor ons, verstandelijke noch gevoelsmatige. De uitdaging ligt op een dieper vlak, het vlak waar verstand en gevoel met elkaar verbonden worden. Daar ligt het werkelijke geheim van dit schilderij: op het niveau van de oerbeelden, het oerbeeld van de twee Jezuskinderen en het oerbeeld van de twee Johannesen. In beide gevallen gaat het om de verbinding van een oude en een jonge ziel, een pre-christelijke verbinding in het eerste geval, een christelijke in het tweede. Telkenmale verbindt een ‘wetenschapper’ zich met een ‘kunstenaar’. 

Allebei deze oerbeelden zitten vervat in De Rokers. Doordringen tot de christelijke – of kunstzinnige – dimensie van dit werk vergt een dubbel offer: het intellect moet zijn trots inslikken om onder te kunnen duiken in de duistere wereld van kunst (de smerige kroegen van Brouwer), maar ook het gevoel moet op de tanden bijten om het scherpe, kritische intellect toe te laten in de kwetsbare wereld van de scheppende krachten. Door zich bloot te stellen aan het verstand wordt het gevoel langzaam gezuiverd van alle subjectieve voor- en afkeuren, het wordt geslepen tot een heldere lens, een zintuig waarmee de wezenlijke – kunstzinnige – kwaliteit van De Rokers objectief kan worden waargenomen. Zeker in onze tijd, nu de gevoelens bijzonder subjectief en egoïstisch zijn geworden, vergt dit ontwikkelen van ‘een oog voor kunst’ een lange en vaak pijnlijke scholingsweg. Deze scholingsweg valt te vergelijken met wat Jezus beleefde in de jaren na het gebeuren in de tempel, toen hij de deplorabele toestand van de wereld steeds duidelijker ging zien.

Deze lijdensweg bracht hem steeds dichter bij Christus, zoals de artistieke scholingsweg ook onze ogen opent voor de christelijke – of kunstzinnige – kwaliteit van De Rokers. Het waarnemen van deze kunstzinnigheid is een vorm van helderziendheid die liefde en vreugde in ons opwekt: a thing of beauty is a joy forever. Maar het betekent nog niet dat we begrijpen wat we zien. Onze liefde is nog geen wetende liefde. Daarvoor moeten we ons (heldere) gevoel weer verbinden met ons verstand. Dit keer gaat het om een vrije, broederlijke samenwerking, zoals tussen de twee Johannesen. Die samenwerking verleent ons toegang tot de dimensie van de Heilige Geest, een dimensie die nog veel zeldzamer is dan de christelijk-kunstzinnige. De Rokers omvat alledrie de dimensies: die van de Vader, de Zoon en de Geest. Daarom is dit schilderij als een kostbare edelsteen. Wat voor de graal geldt, geldt ook voor het wezen van Adriaen Brouwers zelfportret: je kunt het niet benaderen, het moet naar je toe komen.

Adriaen Brouwer (8)

  

Wanneer we voor De Rokers staan, het zelfportret van Adriaen Brouwer, staan we zonder het te weten voor de gewonde Visserkoning uit de graallegende. Er wordt een verlossende vraag van ons verwacht, maar daar zijn we ons totaal niet van bewust. Zelfs wanneer we de graallegende kennen, komt het geen moment in ons op dat de drinkende en rokende man op het schilderij, die zich best lijkt te amuseren, in wezen een lijdende koning is, en dat wij zelf een Parsifal zijn, geroepen om hem uit zijn lijden te verlossen. We zijn hier immers niet om te verlossen of te genezen maar om ons te amuseren, om onze ziel te laven aan beelden en even in een andere wereld te vertoeven. Ja, de schemerige tentoonstellingszaal is in feite een spiegelbeeld van de halfdonkere kroeg waarin Brouwer met zijn gezelschap zit te roken en te drinken. We kijken met andere woorden naar onszelf wanneer we voor dit schilderij staan, we zijn Parsifal én Visserkoning tegelijk. Maar we weten het niet, want we stellen ons geen vragen. 

Waarom zouden we ook? Kijken (of luisteren) naar kunst doen we niet om ons daar vragen bij te stellen, om erover na te denken en ons verstand te gebruiken. Daarvoor hebben we de wetenschap: om de wereld te bevragen en daar wakker aan te worden. Kunst heeft een heel andere taak: zij wil ons doen wegdromen, zij wil ons hart raken en gevoelens opwekken. In het geval van Brouwer zijn dat overwegend opgewekte gevoelens: hij doet ons lachen met zijn koddige tafereeltjes en vermakelijke tronies. Dat doen we dan ook al 400 jaar lang: we lachen met Brouwer, we vinden hem een olijke kerel, we amuseren ons met zijn werk. Verder gaan we niet, hem ernstig nemen is er niet bij. In het beste geval staan we vol bewondering voor zijn meesterlijke manier van schilderen en stellen we enigszins verrast vast dat deze kleine paneeltjes en kleine onderwerpen het werk zijn van een groot kunstenaar. Maar daar blijft het bij, we kijken niet door de schijn heen, we stappen niet over de drempel van zijn werk.

Nochtans is De Rokers één van die zeldzame kunstwerken die ons in staat stellen ‘over de drempel’ te gaan. Het is zelfs een heel bijzonder ‘drempelschilderij’. Vergelijken we het met De Man in de Stoel dan merken we dat bij De Braekeleer een heel andere, enigszins intimiderende sfeer hangt, die ons belet om vragen te stellen. Hetzelfde geldt voor de schilderijen van Rubens. Ze zijn niet alleen intimiderend door hun grootte, maar ook door de geheimen die ze verbergen. We moeten over heel wat kennis beschikken om die geheimen te kunnen ontraadselen, net zoals we over de nodige moed moeten beschikken om De Man in de Stoel onder ogen te durven komen. Hoe verschillend ook, De Braekeleer en Rubens houden de kijker allebei op afstand, hun werk is niet echt uitnodigend. Bij Brouwer is dat anders. We voelen ons niet in het minst geïntimideerd in zijn nabijheid. Deze koning houdt hof in een kroeg, en wanneer we binnenkomen, zegt hij: kom, zet je erbij!

Toch kijkt hij heel verbaasd, alsof hij niet verwacht had iemand over de drempel van zijn (geschilderde) kroeg te zien stappen. Die verbazing is vandaag actueler dan ooit, want Brouwer heeft 400 jaar moeten wachten op zijn eerste tentoonstelling. Dat roept vragen op, zeker wanneer men beseft dat deze schilder niet moet onderdoen voor Rubens of Rembrandt. Kan men zich voorstellen dat deze twee reuzen nooit een tentoonstelling zouden hebben gekregen, dat er nooit een boek over hen was verschenen, dat men hen vier eeuwen lang genegeerd zou hebben? Nee, dat is gewoon ondenkbaar. Maar het is wel wat met Brouwer gebeurd is. Wie een hart heeft voor schilderkunst kan niet anders dan diep getroffen worden door deze miskenning. Een louter kunstzinnige benadering van Brouwer leidt ons reeds tot het punt waarop er vragen beginnen te rijzen, indringende vragen. En wanneer we ons dan ook nog eens verbazen over zijn verbazing, staan we heel dicht bij de drempel.

Die drempel dient zich aan in de vorm van een keuze: stellen we de vragen die zich opdringen of stellen we ze niet? De 400 jaar lange miskenning van Brouwer – waarschijnlijk de grootste uit de hele kunstgeschiedenis – doet ons al vermoeden dat die vragen niet vrijblijvend zullen zijn en dat ze heel wat naar boven zullen halen dat we liever begraven zouden laten liggen. Reeds een onschuldige vraag als ‘wat ziet Adriaen Brouwer?’ leidt onmiddellijk tot andere, ongemakkelijke vragen. Waarom beweren de kunstgeleerden dat hij ons ziet, als dat duidelijk niet het geval is? Waarom vragen ze zich niet af wat Brouwer zo verbaasd doet kijken? Waarom zingen ze de lof van Brouwer als ze hem toch niet ernstig nemen, als ze niet eens de meest voor de hand liggende vragen over zijn zelfportret stellen? Ja, De Rokers plaatst ons voor een keuze: stellen we de vragen die zich opdringen en stappen we over de drempel van het schilderij, of blijven we veilig aan deze kant staan?

Een vraag, meer scheidt ons niet van een wonderlijke wereld waarvan we het bestaan niet vermoeden. Het is ons gevoel, onze liefde voor de schilderkunst die ons naar die vraag leidt. De tentoonstelling in Oudenaarde brengt dat gevoel in beweging. We komen ongemerkt van het ene uiterste in het andere terecht. Het begint al met het stadhuis dat er met zijn gouden versieringen uitziet als een grote juwelenkist. Gaan we binnen, dan komen we terecht in een kille, moderne wereld van glas, staal en beton. De ingang tot de tentoonstelling is een banale witte deur waar niet eens ‘toegang’ op staat. Achter die anonieme deur bevindt zich echter een prachtige oude zaal. Na de eerste verbazing over dit scherpe contrast volgt de ontgoocheling over het geringe aantal en de geringe grootte van Brouwers werken. Maar die maakt langzaam plaats voor stijgende bewondering, eerst voor de vrolijke kroegtaferelen, dan voor de weemoedige landschappen. Er kan geen twijfel over bestaan: ons hart wordt bewogen. 

Die beweging doet ons aanvankelijk over De Rokers heen kijken. We merken het schilderij wel op, want niet alleen is het een zelfportret, het is ook het meest kernachtige werk van de hele tentoonstelling. Maar pas wanneer de schommelende weegschaal van ons hart tot rust komt, blijven we erbij stilstaan. We moeten als het ware eerst Brouwers hele oeuvre beleven, met al zijn tegenstellingen en alle gevoelens die het oproept, om uiteindelijk in het middelpunt tot stilstand te komen. En dan valt de beslissing: stellen we de verlossende vraag of doen we dat niet? Stappen we over de drempel en worden we wakker in de droom of blijven we gewoon slapen? Brouwer lijkt ons de mogelijkheid van een ‘drempeloverschrijding’ voor te spiegelen in het tafereeltje dat we door het open raam zien: man en vrouw zitten gearmd naar een weg te kijken die kronkelend omhoog leidt. Het is alsof de schilder toont dat we deze donkere kroeg kunnen verlaten, op voorwaarde dat we ons (mannelijke) verstand verzoenen met ons (vrouwelijke) gevoel. 

De ‘drempel’ naar een andere wereld is natuurlijk slechts een beeld. In werkelijkheid gaat het om een ‘hoger’ bewustzijn dat ontstaat wanneer we verstand en gevoel op de juiste manier met elkaar verbinden. We benaderen de drempel met andere woorden van twee kanten en in de ontmoeting van die twee tegengestelde bewustzijnsvormen wordt langzaam een wonderlijke wereld zichtbaar. Die wereld was er altijd al, maar met ons gespleten bewustzijn konden we hem niet waarnemen. Het verbinden van ons dromerige gevoelsbewustzijn met het wakkere verstandsbewustzijn is niets minder dan een kunst, en het mag dan ook geen verwondering baren dat de kunst ons tot leidraad kan dienen bij het ontwikkelen van een ‘drempelbewustzijn’. Evenmin kan het ons verbazen dat Adriaen Brouwer – de meest over het hoofd geziene schilder ter wereld – ons daarbij de weg wijst, want het nieuwe bewustzijn kan alleen in vrijheid ontstaan, en niemand laat ons zo vrij als de schilder uit Oudenaarde. 

De verzoening van gevoel en verstand die ons over de drempel van De Rokers leidt, komt dan ook niet vanzelf tot stand. Het antwoord op de vraag ‘wat ziet Adriaen Brouwer?’ ligt allesbehalve voor de hand. Aanvankelijk hebben we geen idee waar hij naar kijkt. We weten alleen dat hij niet naar ons kijkt, maar naar iets wat in de kroeg zelf gebeurt. Het antwoord moet dus in die kroeg gezocht worden, dat wil zeggen in het schilderij. Het feit dat Brouwer niet naar ons kijkt, vestigt onze aandacht op het feit dat twee figuren op het schilderij wel naar ons kijken: Jan Lievens (links) en Jan de Heem (rechts). Ze zijn als het ware de twee ogen van het schilderij. Dat opent de mogelijkheid dat Brouwer ons misschien toch aankijkt. Hij kijkt ons niet aan met zijn fysieke ogen (die van de centrale figuur op het schilderij) maar met zijn ‘zieleogen’. De Rokers is als het ware één groot gezicht, waarin zich de ziel van Brouwer weerspiegelt, een (zeer complexe) ziel die ons oplettend en betekenisvol aankijkt.

De twee (elkaar kruisende) ‘zieleblikken’ die Brouwer op ons werpt, zijn heel verschillend. Jan de Heem kijkt ons afwachtend aan, hij lijkt benieuwd te zijn naar onze reactie. Uit zijn hele wezen spreekt bescheidenheid, terughouding, verlegenheid zelfs. Hij is niet iemand die zich opdringt, hij houdt afstand. Jan Lievens daarentegen wil de afstand juist overbruggen, hij wacht onze reactie niet af, hij wil ze beïnvloeden door ons een teken te geven. Met een vinger tikt hij tegen zijn neus, als om ons te waarschuwen: er is een reukje aan dit tafereel, laat je niet om de tuin leiden! Deze twee tegengestelde zielehoudingen – (passief) afwachtend en (actief) aanwijzend – zijn tekenend voor Brouwer. Op het eerste gezicht lijkt zijn werk geen andere bedoeling te hebben dan dat leven te tonen zoals het is, zonder commentaar. Maar tegelijk zitten zijn schilderijen, en vooral dan zijn zelfportret, vol met kleine vingerwijzingen die de kijker er attent op (te lijken willen) maken dat deze tafereeltjes niet zijn wat ze lijken te zijn.

Die ‘tekenen’ zijn niet alleen heel onopvallend – het is wonderlijk hoe Brouwer erin slaagt dingen te tonen en ze tegelijk te verbergen – ze zijn ook heel dubbelzinnig. Ze kunnen geïnterpreteerd worden als betekenisloze details, Spielereien, toevalligheden of zelfs ‘fouten’ van de schilder. Maar ze kunnen ook begrepen worden als elementen van een wereld die zich achter de schijn of onder de oppervlakte verbergt. Het is aan de kijker om te kiezen: glijdt hij er overheen (zonder de drempel zelfs maar op te merken) of blijft hij er bij stilstaan en gaat hij er dieper op in? Het gebaar dat Jan Lievens achter de rug van Brouwer maakt, kan model staan voor die keuze. Het kan op twee zeer verschillende manieren geïnterpreteerd worden: enerzijds als een veelbetekenend waarschuwingsgebaar, een duidelijke boodschap aan de kijker, en anderzijds als een onnozel kunstje zonder enige betekenis: Jan Lievens duwt zijn ene neusgat dicht zodat de rook van zijn pijp er door het andere uitkomt.

Hij gedraagt zich als de klassieke grapjas die in ieder gezelschap wel te vinden is. Niks aan de hand dus. Maar wanneer we nauwkeuriger kijken, stellen we vast dat Jan Lievens niet de enige grapjas op dit schilderij is. Ook uit Brouwers ene neusgat komt er rook. We moeten goed kijken om dat kleine rookpluimpje te zien, maar het is er, onmiskenbaar. Bovendien komt het uit het andere neusgat, wat een complementair verband tussen Lievens en Brouwer lijkt te suggereren. Maar voor hetzelfde geld hangt Brouwer gewoon de lolbroek uit, net als Lievens, en wil hij alleen maar zeggen: kijk, ik kan dat ook, zonder handen zelfs! Brouwer drijft de leutigheid dan wel heel ver, zover dat de vraag rijst: waarom maakt deze geniale schilder zoveel werk van een schilderij dat alleen maar mannen afbeeldt die de clown uithangen? En waarom laat hij Jan de Heem ons zo nieuwsgierig aankijken? Het brengt ons weer aan het twijfelen. Zou Brouwer dan toch niet de sotscop zijn zoals we hem kennen?

De rook uit Lievens’ ene neusgat heeft onze aandacht geleid naar de rook uit Brouwers andere neusgat, en die twee rookpluimen vestigen dan weer onze aandacht op de rook die uit Brouwers mond komt. Dat is geen rook die uitgeblazen wordt, het is rook die langzaam omhoogkringelt. Laten we dat – simpele – feit tot ons doordringen, krijgen we een kleine schok. Dit zelfportret is geen helemaal geen snapshot, het is niet zomaar uit het leven gegrepen, het is een zorgvuldig gecomponeerd tableau vivant. Brouwer zit daar al minstens een minuut met zijn mond open, de tijd die de rookpluim nodig heeft om rustig tot boven zijn hoofd te kunnen kringelen. Anders gezegd: hij neemt een pose aan. Maar hebben we Brouwer niet juist leren kennen als iemand die wars is van alle pose, die alle schijn wil doorprikken, die mensen wil schilderen zonder dat ze zich bespied wanen, zonder dat ze een masker opzetten? Hij blijkt ons dus op het verkeerde been te hebben gezet, he’s playing us.

Hoe dieper we ingaan op Brouwers zelfportret, des te duidelijker ondervinden we dat hij een spelletje met ons speelt. Er staan als het ware twee totaal verschillende Brouwers voor ons die allebei roepen: ik ben de echte! We kunnen ons levendig voorstellen dat de schilder in het echte leven ook zo was: verwarrend, misleidend, ongrijpbaar. Er is dat verhaal waarin hij zijn goedkope kleren beschildert zodat ze er heel duur uitzien en de kroegloper opeens een voorname jonker wordt, waarna hij de illusie verbreekt door de verf uit te vegen. Zo het leven, zo het werk. Of toch niet? Wie De Rokers aandachtig bekijkt, kan onmogelijk denken dat Brouwer dit zelfportret uitgeveegd zou kunnen hebben en dan geroepen: gefopt! Er spreekt een meesterschap uit dat maar bereikt kan worden door de allergrootste inspanningen. Zeker, Brouwer speelt een spelletje, maar het is een buitengewoon ernstig spelletje. Hij speelt als een kind, en in De Rokers speelt hij als een kind dat weet waarom het speelt. 

Adriaen Brouwer (7)

    
Wat ziet Adriaen Brouwer? Dat is de vraag die zijn zelfportret oproept. Tenminste wanneer we zelf kijken en niet zomaar geloven wat de kenners zeggen, want die beweren dat Brouwer ons ziet. Mocht dat waar zijn, quod non, dan rijst de vraag: waarom is Brouwer zo verbaasd ons te zien? Maar die vraag stellen de kunstgeleerden niet. Eigenlijk stellen ze helemaal geen vragen, want als er één schilderij van Brouwer vragen oproept, dan is het wel De Rokers. Hoe langer we ernaar kijken, des te raadselachtiger wordt het. We moeten natuurlijk wel met ons hart kijken (zoals een kind) en niet enkel met ons hoofd (zoals de geleerden). Maar als we dat doen, wordt algauw duidelijk dat dit hele schilderij draait om de vraag: zien wij wat Adriaen Brouwer ziet? Jan de Heem lijkt het zich alvast af te vragen, want hij kijkt benieuwd naar onze reactie. Jan Lievens van zijn kant tikt met de vinger tegen zijn neus als om ons te waarschuwen: laat je niet om de tuin leiden, deze kerel is niet wat hij lijkt te zijn! 

Er kan geen twijfel over bestaan: Adriaen Brouwer wil dat we ons vragen stellen, hij wil dat we ons verbazen over zijn verbazing. In feite wil iedere kunstenaar dat, want zijn kunst ontstaat uit verbazing en hij wil ook dat de kijker zich verbaast. Verbazing is de alfa en de omega van alle kunst. Maar verbazing doet verstommen en Brouwer wil juist dat we spreken. Hij wil niet alleen bewonderd worden, hij wil ook begrepen worden. Daarom schildert hij ook zo klein: hij verbergt zijn koninklijke kunnen opdat we ons vrij zouden voelen om vragen te stellen, vragen die de schilder in staat stellen zichzelf kenbaar te maken. Dat is geen sinecure, want als Brouwer zich te klein maakt, dan merken we hem niet op (en stellen ook geen vragen). Maar maakt hij zich niet klein genoeg dan blijven we in stomme verbazing staan kijken (en stellen evenmin vragen). Omdat Adriaen Brouwer gekend en begrepen wil worden, moet hij zorgvuldig het midden houden tussen deze twee polen. En dat is precies wat hij in dit zelfportret doet. 

De Rokers doet onwillekeurig denken aan De Man in de Stoel van Henri De Braekeleer. Ook dat is een schilderij dat ons sprakeloos van verbazing doet staan. Bovendien kijkt de man in de stoel ons niet bepaald uitnodigend aan, zodat we er liever het zwijgen toe doen. Maar laten we ons niet intimideren door deze armoedige koning op zijn troon, en laten we ons niet betoveren door de schoonheid van de muur achter hem, dan ontdekken we, net als bij Brouwer, allerlei eigenaardigheden die vragen oproepen. Stellen we die vragen ook werkelijk – dat wil zeggen: vragen we om een antwoord te krijgen – dan leiden ze uiteindelijk tot de conclusie dat De Braekeleer hier de cruciale scène uit de graallegende in beeld brengt. Een jonge ridder (de kijker) betreedt de graalburcht en ontmoet daar de Visserkoning (de kunstenaar). Eerbied snoert hem de mond (zoals het hoort), maar toch wordt van Parsifal verwacht dat hij spreekt en de vraag stelt die de koning uit zijn lijden zal verlossen. 

Het zelfportret van Adriaen Brouwer brengt ons in precies dezelfde situatie. Wanneer we de tentoonstelling in Oudenaarde bezoeken, komen we terecht in een ‘graalburcht’ gevuld met beelden waar we met stijgende verbazing naar kijken. En dan staan we opeens voor de koning zelf. Zowel naar de vorm als naar de inhoud is De Rokers een ‘koninklijk’ schilderij: enerzijds is het van de hand van een meester, anderzijds stelt het een koning voor omringd door zijn hofhouding. Brouwer was als schilder inderdaad een ‘koning’ – hij was één van de grote drie: Rubens, Brouwer en Rembrandt – maar toch ziet hij er helemaal niet uit als een koning, hij ziet eruit als een kroegloper. We staan met andere woorden voor een ‘gevallen koning’, een gewonde koning, een koning die vragen oproept. Maar in plaats van naar ons hart te luisteren, luisteren we naar de kenners, en die brengen er ons toe ‘correct’ te handelen en geen vragen te stellen. Tot grote ontgoocheling van de lijdende koning en zijn hof. 

Zou het werkelijk toeval zijn dat uitgerekend de twee meest miskende Vlaamse kunstenaars – Adriaen Brouwer en Henri De Braekeleer – op hun belangrijkste schilderij de Parsifalvraag uitbeelden? Allebei zijn ze ‘koningen’ op hun gebied – ze behoren tot de grootste schilders van hun tijd – maar dat koningschap wordt niet erkend. Ze krijgen niet de plaats die hen in de kunstgeschiedenis toekomt. Toch is dat niet de reden waarom ze zichzelf portretteren als een gewonde Visserkoning. Brouwer werd in zijn tijd trouwens helemaal niet miskend, wel integendeel. Hij kon ook niet weten hoe het zijn werk de komende 400 jaar zou vergaan. Nee, het is geen uiterlijke miskenning die beide schilders het centrale graalthema doet uitbeelden. Het is een veel diepere miskenning die hen daartoe brengt: de miskenning van de scheppende geest zelf. Deze miskenning ligt ten grondslag aan de Europese beschaving, en zowel Brouwer als De Braekeleer moeten die miskenning heel sterk hebben aangevoeld. 

De Europese beschaving slaat een kloof tussen schepping en schepper, en ontkent deze laatste in toenemende mate. Deze (geleidelijke) ontkenning heeft de bloei van de Europese beschaving mogelijk gemaakt, maar zal ook tot haar ondergang leiden als de scheppende geest niet opnieuw wordt erkend. Niemand ondervindt deze scheiding (en de noodzaak van een nieuwe verbinding) meer aan den lijve dan de beeldende kunstenaar. Al sinds de Oudheid wordt er scherp onderscheid gemaakt tussen het kunstwerk en zijn maker: het kunstwerk wordt bewonderd, de kunstenaar geminacht. Als gevolg daarvan is de beeldende kunstenaar de paria van de Europese cultuur geworden. Vandaag toont hij meer dan wie ook de desastreuze gevolgen van de miskenning van de scheppende geest, maar nog altijd wordt hij niet ernstig genomen, nog altijd wordt zijn lijden niet begrepen. Het is die ‘wonde’ die zowel Adriaen Brouwer als Henri De Braekeleer met hun zelfportret in beeld brengen. 

In de 17de eeuw verscheuren godsdiensttwisten Europa en worden de Nederlanden in twee gedeeld. Adriaen Brouwer, die zowel in Noord als Zuid thuis was, moet daar zwaar onder geleden hebben. Dat lijden maakte hem ‘ziende’: het oerbeeld van de gewonde koning verscheen voor zijn geestesoog. Het drong in zijn bewustzijn naar boven en nam de vorm aan van een imaginatie. Twee eeuwen later gebeurde dat ook met Henri De Braekeleer, die het buitengewoon moeilijk had met het 19de eeuwse materialisme. Zijn Man in de Stoel kijkt ons – anders dan Brouwer op zijn zelfportret – rechtstreeks aan, treurig en duister, alsof de nood aan de verlossende Parsifalvraag heel dringend is geworden. Er gaat zelfs een zekere dreiging uit van zijn blik, alsof de ‘goddelijke toorn’ zich reeds aandient. Van de humor, de speelsheid en het relativeringsvermogen van Brouwer is hier geen spoor meer. Het lachen is de Visserkoning vergaan, hij gaat zwaarder dan ooit gebukt onder zijn miskenning.

Het maakt het twee eeuwen oudere De Rokers paradoxaal genoeg toegankelijker voor de moderne mens, die de kunst van zijn eigen tijd niet meer onder ogen kan zien – de wonde van de Visserkoning is afzichtelijk geworden, zijn lijden ondraaglijk. Adriaen Brouwer drong door tot wat Goethe ‘de wereld van de moeders’ noemde, en kon daardoor in de 17de eeuw gestalte geven aan een oerbeeld dat eigenlijk voor onze tijd bestemd is: de lijdende Visserkoning die wacht op de verlossende Parsifalvraag. Het feit dat dit wonderlijke beeld voor het eerst in 400 jaar weer te zien is in zijn thuisland – een land dat meer dan welk ander Europees land ook een ‘gevallen koning’ is – mag een veelzeggend karmisch feit genoemd worden. Het illustreert alleszins de actualiteit van het graalthema, zoals die ook al bleek uit het overweldigende succes van Titanic en De da Vinci Code. Dit oeroude thema blijkt zeer sterk te leven in de ziel van de moderne mens, en dat heeft een goede reden.

De Brouwertentoonstelling in Oudenaarde biedt ons een unieke kans om de graalimaginatie direct te beleven en te bevragen, en er op die manier achter te komen wat die (zo dringende) Parsifalvraag eigenlijk inhoudt. In de graallegende komt Parsifal er bij zijn eerste ontmoeting met de Visserkoning niet toe de verlossende vraag te stellen. Hij luistert naar zijn leermeesters die hem op het hart hebben gedrukt geen vragen te stellen aan een koning en hem zwijgend eerbied te betonen. Die eerbied is een absolute voorwaarde om een koning überhaupt te kunnen benaderen. Ze spreekt in dit geval reeds uit de moeite die we doen om naar deze tentoonstelling te gaan kijken, want Brouwer geldt niet als een ‘koning’ die de verplaatsing waard is. We moeten dus luisteren naar de kenners, want ze hebben gelijk wanneer ze Brouwer alle lof toezwaaien en hem plaatsen tussen Rubens en Rembrandt, de twee andere grote ‘koningen’ van de schilderende Nederlanden. 

Maar wanneer we dan eerbiedig voor de koning staan en zijn grootheid erkennen, moeten we de raad van de geleerden vergeten en de vraag stellen die in ons hart opkomt: waarom ziet deze koning er helemaal niet uit als een koning? Het is een beetje de vraag die Roodkapje stelt aan haar grootmoeder: waarom hebt u zulke grote oren, waarom ziet u eruit als een wolf? Het zijn vragen die zowel eerbiedigheid als oneerbiedigheid impliceren. Om ze te kunnen stellen, moeten we die twee tegengestelde houdingen met elkaar verzoenen tot een kinderlijke onbevangenheid, en juist dat valt ons moderne mensen heel erg moeilijk. We hebben de oneerbiedigheid tot in de hoogste graad ontwikkeld en spotten met God en gebod. We erkennen niet eens het bestaan van de (scheppende) geest. Maar juist aan die oneerbiedige miskenning hebben we onze vrijheid te danken, en we mogen er dan ook afstand van doen, anders maken we het lijden van zowel de schepper als zijn schepping zinloos. 

De oorzaak van al dat lijden is de scheiding van schepper en schepping, zoals ze ook tot uitdrukking komt in de scheiding van kunstenaar en kunstwerk. Maar die scheiding is gewild: de schepping is er omdat de geest uit vrije wil scheppend is geworden. Dat weerspiegelt zich het duidelijkst in de beeldende kunsten, waar de kunstenaar iets maakt dat op zichzelf kan staan, een materieel ding dat van hem gescheiden kan worden. Die scheiding is pijnlijk maar ze is gewild, anders zou de kunstenaar geen kunstwerken maken. In die zin is hij een beeld van de oorspronkelijke schepper, die eveneens lijdt onder het gescheiden zijn van zijn schepping, een scheiding die hij niettemin zelf gewild heeft. Vandaar de extreme terughouding waarmee De Braekeleer en Brouwer zichzelf als ‘lijdende koningen’ afbeelden: de scheppende geest die in hen werkzaam is, weet dat hij dit koninklijke lijden zelf gewild heeft en wil er de kijker niet mee bezwaren, ook al wil hij door hem verlost worden. 

Niemand zal bij het zien van De Rokers op de gedachte komen dat hij voor een lijdende, hulpbehoevende koning staat, wel integendeel. We zien een zelfverzekerde man die zich volop aan het amuseren is. Dat laatste zal Brouwer zeer zeker gedaan hebben als hij aan het schilderen was. Scheppen is een vorm van spelen en mensen zeggen terecht: wat zou ik dat graag kunnen! Maar ze geven zich geen rekenschap van de keerzijde van die scheppingsvreugde: het lijden. Dat wordt door het kunstwerk aan hun blik onttrokken. De vrolijkste en opgewekste kunstwerken komen niet zelden voort uit een diep lijden. De onzichtbaarheid van dat lijden maakt deel uit van de kunst, alsook van de schepping. Volgens Paulus zucht en kreunt de hele schepping, wachtend op verlossing door de mens. Maar van dat lijden is niks te merken, en al helemaal niet voor de moderne mens die overal slechts dode materie ziet en zich helemaal niet bezwaard voelt als hij daarmee doet wat hij wil.

Het onderkennen of herkennen van dat lijden is zijn Parsifalopgave, een opgave waarbij hij zo vrij wordt gelaten dat hij ze niet eens opmerkt. Adriaen Brouwer stelt deze opgave nog voor als een spel, een vrolijk raadsel. Bij De Braekeleer is de vrolijkheid al verdwenen, en in onze tijd schreeuwt de kunstenaar het uit van de pijn, maar de opgave wordt minder dan ooit gezien. Het lijden van de scheppende geest is dan ook afschrikwekkend geworden, we deinzen er instinctief voor terug en willen het niet zien. Juist daarom schuilt er iets ontroerends en aangrijpends in deze allereerste Brouwertentoonstelling. Het is alsof het wereldkarma deze Vlaamse schilder van vrolijke kroegtaferelen 400 jaar lang achter de hand heeft gehouden om ons nu – in het heetst van de strijd – een beeld te kunnen tonen van de lijdende geest dat helemaal niet beklemmend is en dat ons in staat stelt de Parsifalvraag te stellen. Het is als een teken van de onbegrijpelijke liefde van de schepper voor zijn schepping …