Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: Grondsteen

Antroposofie en karmabewustzijn (7)

  

Zijt ge daar weer met uw gezaag over oude en jonge zielen! Zo reageerde een lezer op mijn reeks over antroposofie en karmabewustzijn. Het was vriendschappelijk bedoeld, maar het illustreerde niettemin de houding van de antroposofische wereld tegenover het zielenthema: het is een vervelende zaak, er kan maar best niet te veel over gesproken worden. Ik heb die onverschilligheid nooit begrepen. Neem nu de Filosofie der Vrijheid. Hoeveel mensen zouden dat boek gelezen hebben? Niet veel, denk ik. Daarvoor is het te veel moeilijk en veel te saai. Toch heeft het onder antroposofen een cult-status verworven: er worden cursussen over gegeven, artikels geschreven, zelfs congressen gehouden. Het heeft een grote naam. Vergelijk daarmee het zielenthema: onbekend en onbemind. Nochtans is het voor iedereen begrijpelijk en het is ook voor iedereen bedoeld. Rudolf Steiner was categoriek: iedere antroposoof moest hier (minstens) over nadenken. Maar dat gebeurt niet. Het onderwerp wordt al (bijna) 100 jaar genegeerd.

Als er al eens een zeldzame keer over gesproken of geschreven wordt, dan is het meestal om de zaak te relativeren en te minimaliseren. Ik heb zelf meegemaakt hoe een vooraanstaand antroposoof publiekelijk verklaarde dat men niet hoorde na te denken over het zielenthema. Toen ik voorzichtig opmerkte dat Rudolf Steiner iets heel anders zegt, kreeg ik de wind van voren. Hoe durfde ik de goede naam van de spreker zo door het slijk te sleuren! Het was niet de eerste keer dat ik in verband met het zielenthema streng terecht werd gewezen, maar nooit werden de zaken zo op scherp gesteld. Rudolf Steiner vindt dat antroposofen hier in ieder geval moeten over nadenken, maar antroposofen zelf vinden dat ze er in geen geval moeten over nadenken. Daar kwam het op neer. Dit was geen onverschilligheid meer. Hier keerde een antroposoof zich openlijk tegen Rudolf Steiner en niemand zag daar graten in. Integendeel, men was verontwaardigd toen iemand het voor Steiner opnam. 

Het valt niet te ontkennen: antroposofen keren Rudolf Steiner de rug toe als het zielenthema ter sprake komt. Ze doen het misschien niet bewust en ze doen het zeker niet allemaal zo radicaal en openlijk als hierboven, maar ze doen het wel. Hoe is dat mogelijk? Die vraag stel ik me al zowat 30 jaar. De voor de hand liggende verklaring is natuurlijk dat ik me vergis. Maar dan moet ook Rudolf Steiner zich vergissen, want zijn karmavoordrachten over het thema laten weinig ruimte voor twijfel. Ook Hans Peter van Manen moet zich vergissen. Nochtans gaat hij in Christussucher und Michaëldiener heel zorgvuldig tewerk, het boek is een schoolvoorbeeld van tekstonderzoek. Maar hoe onwaarschijnlijk ook, vergissen is altijd mogelijk. Ik heb echter nog nooit een afdoend argument gehoord of gelezen om die toch wel boude stelling te staven. Intellectuele relativeringen en emotionele reacties, iets anders lijkt het zielenthema niet te genereren. Men wil er eenvoudig niet over nadenken.  

De hardnekkigheid waarmee de antroposofische wereld het zielenthema ontwijkt, doet onwillekeurig denken aan de manier waarop de kerk het bestaan van de twee Jezuskinderen uit de weg gaat. De bijbel laat er nochtans weinig twijfel over bestaan: de twee verschillende geboorteregisters en de twee verschillende geboorteverhalen wijzen duidelijk op twee verschillende kinderen. Ook in de wereld van de kunst wist men hiervan: op heel wat beelden en schilderijen figureren twee Jezuskinderen in plaats van één. Maar alle kunst- en bijbelstudie ten spijt is daar tot op de huidige dag niets van in de openbaarheid gekomen. Zelfs de talloze boeken die proberen het christendom in diskrediet te brengen door allerlei onfrisse geheimen aan het licht te brengen, maken er geen gewag van. Het zijn dus geen geringe krachten die dit geheim houden en die zowel in de kerkelijke als in de antroposofische wereld de toegang versperren tot het zielenthema. 

Maar ook elders zijn die krachten werkzaam. Steeds meer raakt de mensheid verdeeld in twee groepen die elkaar als het vleesgeworden kwaad beschouwen. Links en rechts, man en vrouw, blank en zwart, moslim en westerling, Gutmensch en Bösmensch. We leven in een gepolariseerde wereld, daar kunnen we niet meer naast kijken. En toch is dat precies wat we doen. Ofwel richten we de aandacht naar buiten en geven ‘de ander’ de schuld voor het kwaad in de wereld, ofwel richten we de aandacht naar binnen en beschuldigen onszelf. Maar nooit richten we de aandacht op beide polen tegelijk, nooit trekken we ons uit die polariteit terug om te kijken naar wat zich afspeelt tussen de tegenpolen. Dat links en rechts bijvoorbeeld samenhoren als twee handen, komt niet in ons op. We verliezen onze bezinning bij de gedachte dat ze zouden moeten samenwerken. Liever dan ons (in de geest) boven de dualiteit te verheffen, vereenzelvigen we ons met één van beide polen en geven ons over aan het genot van de strijd. 

De krachten die ons verhinderen de dualistische werkelijkheid onder ogen te zien (en er afstand van te nemen), zijn zwaartekrachten, krachten die ons naar beneden trekken, in het gebied van de lagere driften. Eenheid wordt daar nagestreefd door het bewustzijn van de tweeheid op te heffen. De sexualiteit bijvoorbeeld lost het verlangen naar eenheid op in het zinnelijk genot van de ‘strijd’ tussen twee lichamen. Dat fysieke genot maakt echter geen eind aan de tweedeling tussen man en vrouw, het verdooft alleen ons bewustzijn ervan. Op die blinde, ‘sexuele’ manier streven we vandaag ook naar vrede. De spanningen die veroorzaakt door de extreme tegenstellingen in de wereld, proberen we op te lossen door er onze ogen voor te sluiten, door ons bewustzijn uit te schakelen. Maar evenmin als sex een huwelijk kan redden, kan een verdoofd bewustzijn de problemen van onze tijd oplossen. Dat we dit niet eens meer beseffen, geeft aan hoe sterk de ‘zwaartekrachten’ zijn die ons naar beneden trekken. 

Het zijn de krachten van het materialisme die de moderne mens blind voor de gepolariseerde werkelijkheid, die de gelovige mens blind maken voor het bestaan van de twee Jezuskinderen, die de antroposofische mens blind maken voor het zielenthema. Deze laatste brengen ze er zelfs toe zich tegen Rudolf Steiner te keren. Het is tamelijk verbijsterend om dat mee te maken. Er ontstaat dan een soort collectieve bewustzijnsverdoving die iedereen in slaap doet vallen zonder dat hij het beseft. En degene die wakker blijft, heeft de boter gegeten. Dat moet ook de situatie zijn geweest in de antroposofische wereld na de dood van Rudolf Steiner. De anti-antroposofie waarover hij reeds tijdens zijn leven had gesproken (en waarmee hij niet de vijandige buitenwereld maar het verzet binnen de eigen gelederen bedoelde) brak toen werkelijk los. Ze veroorzaakte een algemene black out die de antroposofische beweging in twee strijdende partijen verdeelde en uiteindelijk leidde tot de uitsluitingen van 1935.

Vandaag schudden we het hoofd over wat toen gebeurd is. Hoe was zoiets mogelijk! Hoe konden overtuigde antroposofen zich zo massaal tegen Rudolf Steiner keren! Want dat was tenslotte wat ze deden door (onder meer) Ita Wegman, zijn belangrijkste medewerkster, aan de deur te zetten. Dit jaar gaat men haar in Dornach officieel in ere herstellen. Een mooi maar hol gebaar, want er is sindsdien niets wezenlijks veranderd. Dezelfde krachten die toen het antroposofische bewustzijn verdoofden, zijn nog altijd werkzaam. Dezelfde krachten die zowel de antroposofische beweging als Europa verdeelden, doen dat vandaag nog altijd. Minder dan ooit slaagt de moderne mens erin zich te verzetten tegen de zwaartekracht van het materialisme. Het lukt hem niet meer tegenover de gepolariseerde werkelijkheid te gaan staan, haar zuigkracht is te groot. Van die (geestelijke) onmacht is hij zich echter niet bewust, dat blijkt nergens beter dan in de antroposofische wereld, waar het thema van de oude en de jonge zielen al bijna 100 jaar ‘slaapt’. 

De confrontatie met het zielenthema is een confrontatie met onze onmacht. De kloof die oude en jonge zielen van elkaar scheidt, is ook de kloof die ons bewustzijn scheidt van hun polariteit. Volgens Rudolf Steiner was het zielenthema ‘een intensieve toepassing op het leven’. We kunnen er inderdaad niet (denkend) tegenover gaan staan, zonder er tegelijk ook (voelend en willend) middenin te staan. Naar deze dualiteit kijken, betekent naar onszelf kijken, want (als oude of als jonge ziel) maken we er deel vanuit en ze maakt ook deel uit van onszelf. De dualiteit leeft in onze ziel als een wonde, als een diep gemis. Om ons daar bewust van te worden, moeten we zowel naar buiten als naar binnen kijken. Dat is de voorwaarde voor echte zelfkennis. We leren onszelf niet kennen door (enkel) in onze eigen ziel te kijken, maar door ook naar de (geheel) andere ziel kijken. Pas dan dringen we door tot ons echte Ik en ontwikkelen we het bewustzijn dat nodig is om de kloof te overbruggen die mens en wereld steeds meer verdeelt. 

De paradox is dat we deze kloof nodig hebben om tot zelfbewustzijn te komen, om ons te ontwikkelen tot zelfstandige Ik-wezens. Zonder dualiteit kan er geen vrijheid bestaan, zonder vrijheid kan er geen liefde zijn. Toch verklaren we in naam van de liefde en de vrijheid de oorlog aan alle tegenstellingen. We moeten naar verbinding streven! We moeten ophouden met polariseren! We moeten een eind maken aan het wij-zij denken! Dat zijn de grote slogans van onze tijd. Het waren ook de argumenten waarmee ik ooit bezworen werd niet na te denken over het zielenthema. Maar verre van vrede te stichten, roepen deze slogans op tot geweld. Wie blindelings naar eenheid streeft – zonder onderscheid te maken – keert zich niet alleen tegen de wereld (die uit louter tegenstellingen bestaat), hij keert zich ook tegen de ander (die door zijn anders-zijn een tegenstelling vormt) en hij keert zich ten slotte ook tegen de geest (die als drieëenheid ook drie tegenstellingen omvat).

De geest zou geen liefde kunnen zijn als hij louter eenheid was, want liefde veronderstelt tweeheid. De geest zou zich ook niet bewust kunnen zijn van deze liefde als hij louter tweeheid was. Daarom is hij een drieheid, een drieëenheid, en naar dat voorbeeld is de mens geschapen. Maar dat is hij in de loop der eeuwen vergeten: het driegelede mensbeeld veranderde in een tweegeleed mensbeeld. De geest verdween en alleen lichaam en ziel bleven over. Maar dit dualisme was noodzakelijk opdat de mens vrij zou kunnen worden. Zolang hij zich bewust bleef van de geest, kon hij zijn eigen gang niet gaan. Hij moest geestelijk eerst in slaap vallen en wakker worden op aarde. Vandaag is dat gebeurd, de (moderne) mens heeft zijn vrijheid veroverd. Nu moet hij de volgende stap zetten: hij moet weer ontwaken in de geest. Maar als hij op aarde weer in slaap valt, dat wil zeggen: als hij er zijn bewustzijn en zijn vrijheid voor opgeeft, dan is alles voor niets geweest, dan wordt de geschiedenis van de mensheid een kwalijke grap.  

De Filosofie der Vrijheid heeft niet voor niets zo’n grote roep in de antroposofische wereld (ook al hebben weinigen het boek gelezen): Rudolf Steiner is de heraut van de vrijheid. Hij wil ons niet zomaar in contact brengen met de wereld van de geest, want dat gebeurt sinds het einde van het Kali Yuga wel vanzelf. Hij wil ons in de eerste plaats tonen hoe we de wereld van de geest als vrije mensen kunnen betreden, dat wil zeggen zonder alles op te geven wat we met zoveel moeite, zoveel geweld en zoveel lijden hebben opgebouwd. Sinds de ‘poorten van de hemel’ weer openstaan, streven we instinctief naar eenheid, naar verbinding, naar liefde. De groeiende invloed van de geest verdooft ons bewustzijn en wiegt ons in slaap. De roep om alle grenzen op te heffen, ieder onderscheid uit te wissen, alle verschillen te negeren, klinkt steeds luider. Wat daar de gevolgen van zijn, lezen we iedere dag in de krant: haat, geweld, strijd. Anders gezegd: niet minder maar meer dualisme.

Gebrek aan onderscheidingsvermogen doet liefde in haat veranderen. Liefde zonder onderscheidingsvermogen is blinde liefde, luciferische liefde, eigenliefde. Ze is de keerzijde van de ahrimaanse haat, ze roept die haat op, ze kan niet bestaan zonder die haat. Pas als we die dualiteit onder ogen zien en duidelijk onderscheid maken tussen Lucifer en Ahriman, kan de echte liefde zichtbaar worden. Ze wordt zichtbaar door ons onderscheidingsvermogen en in ons onderscheidingsvermogen. Ja, het is ons onderscheidingsvermogen zelf dat liefde wordt. Die potentie had het altijd al, maar ze wordt pas gerealiseerd wanneer we – bewust en vrijwillig – de blik richten op de fundamentele dualiteiten van het leven. We worden ons dan bewust van de (echte) liefde en staan er tegelijk middenin, zoals dat ook het geval is wanneer we de blik richten op het onderscheid tussen oude en jonge zielen. De bewustwording van het zielenthema is de geboorte van de broederliefde, ze is het eerste ontkiemen van de antroposofische grondsteen, van de ‘liefdessteen’.  

Advertenties

Antroposofie en karmabewustzijn (6)

  

Als ik terugdenk aan mijn ontwikkeling als antroposoof – voor zover er van ontwikkeling sprake is, want soms heb ik het gevoel dat ik geen meter verder kom – dan meen ik drie stappen te onderscheiden: denken, voelen en willen. De eerste, en beslissende, stap zette ik met de Filosofie der Vrijheid. Dat boek is een hele kluif voor het denken, maar als je in the mood bent, kun je het blijkbaar ook gevoelsmatig of intuïtief begrijpen, anders was ik misschien nooit antroposoof geworden. De tweede stap volgde toen ik las wat Emil Bock schrijft over de twee Jezuskinderen. De kerstverhalen richten zich uiteraard tot het gevoel, maar wat zich allemaal afspeelt tussen de twee Jezussen, de twee Jozeffen en de twee Maria’s is toch best wel ingewikkeld. In de eerste plaats is het echter kunstzinnig, wat niet gezegd kan worden van de Filosofie der Vrijheid. Wetenschap en kunst: zo zou je mijn eerste twee stappen in de antroposofie kunnen karakteriseren. 

De derde stap was Hans Peter van Manens uiteenzetting over Christussucher und Michaëldiener. Opnieuw een fundamentele tweedeling maar toch wezenlijk anders dan beide vorige. Rudolf Steiner noemt het thema van de oude en de jonge zielen ‘een intensieve toepassing op het leven’. Dat was de Filosofie der Vrijheid beslist niet. Het boek had weliswaar de antroposofie voor mij ontsloten, maar op mijn leven had het geen rechtstreekse invloed gehad. Het bleef een louter innerlijke zaak. Dat gold ook voor de kwestie van de twee Jezuskinderen. Het betekende heel wat voor mijn ziel dat ik het christendom weer kon omarmen, maar daar kwam vooralsnog niks van naar buiten. Ik ging niet opnieuw naar de kerk, evenmin als ik lid van de Antroposofische Vereniging was geworden. Er was méér nodig om de kloof tussen mezelf en de werkelijkheid te overbruggen. En dat ‘meer’ vond ik in het zielenthema. Daar kon ik mee aan de slag. Het sprak niet alleen mijn verstand en mijn gevoel aan, maar ook mijn wil. 

Het thema van de oude en de jonge zielen is kinderlijk eenvoudig: er zijn twee soorten antroposofen en je moet erachter zien te komen tot welke soort je behoort. Daar hoef je geen genie voor te zijn: één kans op twee dat je het juist hebt. Maar daar gaat het natuurlijk niet om. De bedoeling is dat je werkelijk inzicht krijgt in je zieleaard en dat lukt niet zonder grondig na te denken over jezelf, over de wereld en over de anderen. Ook gevoelsmatig is het zielenthema heel eenvoudig. Zoals er in de wereld mannen en vrouwen zijn, zo zijn er ook oude en jonge zielen. No big deal. Maar net als de fysieke natuur is ook de geestelijke natuur geen idylle. Zoals er onder het oppervlak van de menselijke relaties altijd een guerre des sexes dreigt, zo heerst er ook tussen oude en jonge zielen voortdurend oorlogsdreiging. Intellectueel kan men daar buiten blijven, maar gevoelsmatig niet. Dan is het afgelopen met de kinderlijke eenvoud. Het zielenthema wordt dan een uitdaging van formaat.

De Filosofie der Vrijheid en Tussen Bethlehem en de Jordaan waren sleutels die een deur voor me openden en toen ik daar doorheen stapte, had ik ze niet meer nodig. In die zin behoorden ze tot het verleden. Dat deden ze ook nog in een andere zin. Zowel de Filosofie der Vrijheid als de bijbelse geboorteverhalen speelden zich af in een (respectievelijk verstandelijk en gevoelsmatig) zeer verheven sfeer, die me danig intimideerde. Gelukkig kwamen ze naar me toe, want zelf had ik ze niet durven uitkiezen. Het waren godsgeschenken die ik niet verdiend had, tenzij misschien in een vorig leven. Ze herinnerden me aan wat er reeds in mijn ziel leefde. Maar met het thema van de oude en de jonge zielen was het anders. Dat verwees naar de toekomst. Het was eveneens een geschenk, maar dan zo klein en onaanzienlijk dat het mij geenszins bezwaarde. Ik voelde mij een beetje als een kind dat een stuk speelgoed krijgt en zich verheugt op alles wat het ermee zal kunnen doen. 

Op de een of andere manier nam ik de ‘potentie’ waar die in het zielenthema verscholen zat. Net als beide vorige keren gebeurde dat ‘als in een droom’, maar het was toch anders. Het deed niet opeens een licht in me opgaan zoals de Filosofie der Vrijheid, en het verwarmde ook mijn hart niet zoals het verhaal van de twee Jezuskinderen, nee, het deed me tot actie overgaan. Al tijdens het lezen van Christussucher und Michaëldiener was ik tot de conclusie gekomen dat ik een oude ziel was en daar sprak ik over met mijn vrouw (die ik duidelijk als jonge ziel herkende). Ik vroeg me af tot welke zielengroep de antroposofen behoorden die ik kende. Ik schreef een paar artikelen in het schooltijdschriftje De Mare, en ik begon zelfs aan een vertaling van het boek. De kwestie sprak wel degelijk ook mijn verstand en mijn gevoel aan, maar het was mijn wil die beide met elkaar verbond en de kloof met de werkelijkheid overbrugde. Wat voordien nog in de lucht had gezweefd, kwam nu eindelijk op aarde. 

Misschien moet je, zoals ik, jarenlang in het niemandsland tussen hemel en aarde rondgedoold hebben, pale for weariness, of climbing heaven and gazing on the earth, wandering companionless, om te begrijpen wat dat betekent: op aarde komen, contact maken met de wereld. Daarom was ik zo enthousiast over het zielenthema: het was concreet, het was aards, en tegelijk toch geestelijk. Maar het was geestelijk op een andere manier dan beide vorige stappen. De geest kwam hier als een zaadje in de aarde terecht, de kloof tussen hemel en aarde overbruggend. Het was het allereerste, prille begin van wat je ‘sociale kunst’ zou kunnen noemen, een levenskunst die Alle Menschen werden Brüder als hoogste ideaal heeft. Zo beleefde ik – vooralsnog onbewust – het thema van de oude en de jonge zielen: als de kiem van een levende kunst, die niet alleen een nieuw soort denken veronderstelde maar tegelijk ook een nieuw soort religie was: de religie van de bewuste liefde, de religie van de vrije mens.

Zo heeft Rudolf Steiner het volgens mij ook bedoeld. Toen hij tijdens de Weihnachtstagung de Grondsteen ‘in de harten van de aanwezigen’ legde, had hij de hele antroposofie als in een zaadje samengebald. De Grondsteenspreuk was – net als de (fysieke) grondsteen van het eerste Goetheanum – tweeledig. Ze bestond uit een drieledig gedeelte (over de wezensdelen van de mens) en een tweeledig gedeelte (over de herders en de koningen). Daarmee weerspiegelde ze de (bovenaardse) Michaëlbijeenkomst die aan de oorsprong van de antroposofie lag. Die bestond enerzijds uit een ‘school’ (waarin het mysterieverleden werd behandeld) en anderzijds uit een ‘cultus’ (die op de toekomst was gericht). De theorie van de Michaëlschool sprak vooral (het denken en voelen van) de oude zielen aan, de praktijk van de Michaëlcultus richtte zich in de eerste plaats op (de wil van) de jonge zielen. Maar het was natuurlijk de bedoeling dat deze twee zouden worden samengesmeed, zoals ook de (eerste) Grondsteen samengesmeed was.

Om te kunnen ontkiemen heeft een zaadje water en warmte nodig: de Grondsteen moest met de vermogens van het hart worden opgenomen. De spreuk was veel te compact om onmiddellijk met het bewuste denken begrepen te kunnen worden. Pas na de Weihnachtstagung, tijdens de lange reeks karmavoordrachten, begon Rudolf Steiner het licht van het denkende bewustzijn toe te voegen aan het Grondsteenzaadje. Hij deed dat heel voorzichtig, en niet zonder er de nadruk op te leggen dat er ‘van hart tot hart’ diende gesproken te worden. Het zielenthema mocht niet louter intellectueel opgenomen worden. Dat was iets van het verleden, een oude gewoonte die overwonnen moest worden. Na de Weihnachtstagung moest de antroposofie op een nieuwe manier benaderd worden: vanuit het hart. Rudolf Steiner waarschuwde dan ook voor luciferische sensatiezucht: karma vereiste de grootst mogelijke eerbied. Maar het grootste gevaar vormde toch het kille, dode denken van Ahriman.

Het is merkwaardig om zien hoe Rudolf Steiner zijn leerlingen tussen deze twee klippen probeert heen te loodsen. Eerst jaagt hij ze bijna schrik aan: zonder zijn persoonlijke toestemming mogen ze in het openbaar niet over de inhoud van de karmavoordrachten spreken. Maar, voegt hij er even later aan toe, als het op de juiste manier gebeurt is alles natuurlijk in orde. Nog nadrukkelijker wordt dit pendelen-tussen-twee-uitersten wanneer hij het zielenthema introduceert. Eerst noemt hij het een ‘intermezzo’, als was het een ontspannende pauze, een entr’acte. Maar nog geen week later brengt hij het in verband met het voortbestaan van de menselijke beschaving. Wanneer hij dan voelt dat er weerstanden rijzen en zijn toehoorders zich beginnen afvragen of ze nu werkelijk moeten gaan uitzoeken tot welke zielengroep ze behoren, antwoordt hij kordaat: ja, absoluut! Iedere antroposoof moet erachter komen of hij een oude dan wel een jonge ziel is! Maar even later zwakt hij dat alweer af: we moeten er toch een beetje over gaan nadenken. 

Het is een grote stap die Rudolf Steiner tijdens de Weihnachtstagung zet: hij vervangt de oude wijsheidsmysteriën door wilsmysteriën. Wat vroeger onderscheiden werd – denken en voelen, wijsheid en liefde, koningen en herders, enzovoort – wordt nu verbonden tot een hogere eenheid. Maar alleen als de mens dat wil. De nieuwe mysteriën zijn mysteriën van de vrije wil. Ze hangen niet langer van de goden af, ze hangen van de mens af. Daarom gaat Rudolf Steiner zo ‘dubbelzinnig’ tewerk. Hij weet hoe ontzettend belangrijk het is dat zijn leerlingen deze stap zetten. Maar hij wil hen niet dwingen of intimideren, zorgvuldig vermijdt hij ieder ‘grensoverschrijdend gedrag’. Voor een man van zijn formaat is dat geen sinecure, want zijn woorden worden al te vaak tot dogma’s gemaakt. Vandaar de tegenstrijdige signalen die hij nu uitzendt en waarvan hij hoopt dat zijn leerlingen ze zullen begrijpen. Als een minnaar maakt hij zijn geliefde het hof: vasthoudend en terughoudend tegelijk. 

Het zielenthema kan alleen in het hart ontkiemen omdat het een liefdesthema is. Voor het nuchtere verstand is het gedrag van Rudolf Steiner onbegrijpelijk. De man die een leven lang de diepste geestelijke waarheden verkondigd heeft, begint nu te spreken over het feit dat er … twee soorten antroposofen bestaan. Hij maant zijn leerlingen aan zich af te vragen tot welke groep ze behoren, en het antwoord op die vraag kan volgens hem de inhoud van de antroposofie worden. Wat is er met Steiner aan de hand? Hij lijkt een beetje simpel van geest te zijn geworden. Zijn leerlingen weten niet wat ze er moeten van denken en besluiten de hele kwestie met de mantel der liefde te bedekken. Ze wenden zedig de blik af en doen alsof er niets gebeurd is. Dat doen ze vandaag nog altijd. Ze gaan ervan uit dat Rudolf Steiner met het zielenthema een uitschuiver heeft gemaakt. Dat wordt niet met zoveel woorden gezegd, maar ze blijven het onderwerp negeren of minimaliseren. Wie er méér in ziet, wordt tot de orde geroepen. 

Iedere minnaar loopt het risico dat zijn liefde niet beantwoord wordt. Rudolf Steiner heeft meer dan eens uitgesproken dat de Weihnachtstagung een waagstuk was. Als de goden hem afgewezen hadden, zou al zijn werk voor niets zijn geweest. Maar ze beantwoordden zijn liefdesverklaring, ze aanvaardden zijn offer. De onthulling van het zielenthema was een eerste vrucht van deze liefdesrelatie: het was een geschenk van de goden. Maar de nieuwe mysteriën konden zich alleen verder ontwikkelen als dit geschenk aanvaard werd, als mensen Rudolf Steiner navolgden en hun hart lieten spreken. Deze liefdesmysteriën wilden een huwelijk tot stand brengen tussen mensen en goden. De goden hadden reeds hun ja-woord gegeven, maar de mensen deinsden terug. Ze waren nog niet bereid hun oude vrijheid op te geven, ze hingen nog teveel aan hun oude, dualistische wereld, waar denken en voelen gescheiden optreden, waar de wil nog niet in staat is beide liefdevol met elkaar te verbinden. 

De Weihnachtstagung (2)

De oergeschiedenis van de antroposofie wordt begrensd door twee zaken die een uitgesproken cult-karakter gekregen hebben: iedere antroposoof kent ze, maar niemand begrijpt ze.
Ik heb het over de Filosofie der Vrijheid en de Weihnachtstagung, de alfa en de omega van de antroposofie.
Uiteraard is het een boutade dat niemand ze begrijpt.
Er wordt zelfs in toenemende mate over nagedacht en er worden dikke boeken over geschreven.
Toch blijven ze tot de meest ontoegankelijke onderwerpen van de antroposofie behoren.
En dat wil wat zeggen.
De kloof tussen antroposofie en moderne wereld is sowieso al groot, maar ze wordt pas echt extreem als het gaat om de Filosofie der Vrijheid en de Weihnachtstagung.
Als je daarover vertelt aan buitenstaanders kijken ze je aan alsof je hen voor de gek houdt.
Nee, je kunt er maar beter over zwijgen als je nog enige geloofwaardigheid over wilt houden.

En toch.
Is het niet zo dat les extrêmes se touchent?
Zouden deze twee meest ontoegankelijke aspecten van de antroposofie niet ook de meest toegankelijke moeten zijn?

Het is alvast een feit dat ik zelf de toegang tot de antroposofie gevonden heb door de Filosofie der Vrijheid te lezen.
Dat heb ik ‘toevallig’ precies op mijn 30ste verjaardag gedaan.
Toen ik eraan begon was ik geen antroposoof, allesbehalve zelfs.
Toen het ik het uit had, was ik het wel.
Later heb ik het boek nog verschillende keren herlezen, of dat althans geprobeerd, want ik begreep er niks meer van.
En toch was die eerste keer voor mij een verlossing.
Uitgerekend het moeilijkste en meest onverteerbare boek van de hele antroposofie sloeg een brug tussen mijn innerlijke wereld en de buitenwereld.
Tegelijk sloeg het ook een brug tussen mezelf en de antroposofie.

20131104-142035.jpg

Hoe dat precies gebeurd is, weet ik nog altijd niet.
De Filosofie der Vrijheid drong als het ware rechtstreeks in mijn ziel door, zonder de omweg van mijn verstand.
Waarschijnlijk een verjaardagscadeautje van mijn engel.
Maar, vraag ik mij af, zou dat ook niet mogelijk zijn met dat andere antroposofische uiterste, de Weihnachtstagung?
Als de uitersten elkaar inderdaad raken, dan moet ook de kerstbijeenkomst van 1923 een rechtstreekse toegang tot de antroposofie kunnen zijn, een gebeurtenis die een brug slaat met de buitenwereld.

Ik heb inmiddels al dikke boeken gelezen over de Weihnachtstagung, met name van de hand van Sergej Prokofieff.
Ik vond ze buitengewoon interessant, heel helder geschreven en heel toegankelijk voor mijn verstand.
Maar het wezen van de kerstbijeenkomst kon ik er toch niet door vatten.
Er werd geen brug geslagen met mijn ziel, laat staan met de moderne wereld.
Daarvoor moet je niet bij Prokofieff zijn.
Hij gunt je wel een blik in ‘het mysterie van Dornach’, maar meer ook niet.
Het blijft allemaal zeer abstract.
Als ik van zijn duizelingwekkende geestelijke hoogten weer afdaal naar de aarde, sta ik met lege handen: ik herinner me niks meer van wat ik gelezen heb.
Het is als ’s morgens ontwaken en, behalve een snel vervagende droom, niks meer weten van wat je in de geestelijke wereld beleefd hebt.
Tja, wanneer we met ons rationele, heldere verstand de geestelijke wereld betreden (en dat doen we wanneer we Prokofieff lezen) dan vallen we zonder het te beseffen in slaap.
De kunst is om IN die ‘slaap’ wakker te worden.
En dat lukt me niet bij Prokofieff.

De Weihnachtstagung bleef dus ver van mijn bed.
Het was iets voor ingewijden, voor hardcore antroposofen.
Niet voor een eenvoudige liefhebber zoals ik.

20131104-142211.jpg

Toch begon er langzaam iets te dagen.

De abstracte beelden die Prokofieff en anderen met woorden en begrippen vormden, werden in mijn onderbewuste (heel) langzaam getransformeerd tot concretere beelden die ik wel kon begrijpen en vasthouden.
Zo begon het tot me door te dringen dat Rudolf Steiner op de Weihnachtstagung zijn leven had gegeven voor de antroposofie.
Dat bleef nog altijd een moeilijk te bevatten iets, maar ik kon het verbinden met andere beelden, zoals het Laatste Avondmaal en het lijden van Christus.

Zelf sprak Steiner met geen woord over zijn offer.
Hij sprak er alleen in beelden over.
Zo had hij het over een Grondsteen die hij ‘in de harten’ van de aanwezigen had gelegd.
En die Grondsteen noemde hij een ‘liefdessteen’.
Dat zijn bepaald geen eenvoudige beelden.
Wat moeten we ons in godsnaam voorstellen bij een steen die in ons hart wordt gelegd?
En wat kan een ‘liefdessteen’ betekenen?

Het is duidelijk dat het niet om een fysieke steen gaat.
We moeten die Grondsteen waarschijnlijk opvatten als een soort ‘steen der wijzen’, met dat verschil dat hij niet alleen uit wijsheid maar ook uit liefde bestond.
De Grondsteenspreuk bevatte namelijk alle wijsheid van de antroposofie in een notedop.
En in de Grondsteen werd die wijsheid verbonden met liefde.
Steiner smeedde dus een mannelijk principe samen met een vrouwelijk principe en noemde dat een ‘steen’.
Het ging op de Weihnachtstagung dus om een zeer geconcentreerde wijsheid en liefde, een wijsheid en liefde die samen tot een ‘etherische steen’ werden.
Want dat was waar de Grondsteen gevormd werd: in de etherwereld.
Dat was ook waar hij ontvangen werd: in de ethersfeer van het hart.

Een dergelijke zeer geconcentreerde en ‘etherische’ eenheid van wijsheid en liefde staat natuurlijk zeer ver af van onze eigen zeer diffuse en ‘astrale’ dualistische wijsheid en liefde.
Er mag hier zeker gesproken worden over de hogere of ‘hemelse’ wijsheid en liefde van Rudolf Steiner en onze eigen lagere, en zeer aardse wijsheid en liefde.
De kloof tussen beide is zo groot dat we ons geen voorstelling kunnen maken van de liefde en wijsheid zoals Steiner die in de praktijk bracht op de Weihnachtstagung.
En dat maakt de kerstbijeenkomst tot zo’n ongrijpbaar gebeuren.
Ze gaat eenvoudig ons voorstellingsvermogen te boven.

Maar hier stuiten we op een contradictie.

20131104-142505.jpg

Het hele streven van Steiner was erop gericht om begrip te wekken voor wat ons voorstellingsvermogen te boven gaat: de hemel, de wereld van de geest.
Het was er hem niet om te doen ons die wereld te laten beleven.
Dat is trouwens niet zo moeilijk, zei hij.
Er zijn middelen genoeg om contact te krijgen met de Vadergod.
De New Age wereld kent er honderden.
Maar daar gaat het in de antroposofie helemaal niet om.
In de antroposofie gaat het om Christus, de Zoon die mens is geworden.
Hij heeft de Vader in woord en beeld gebracht en Hem op die manier toegankelijk gemaakt voor het menselijke voorstellingsvermogen.
In de antroposofie wordt geprobeerd om via Christus de Vader te begrijpen, zodat we ons niet langer als kinderen in zijn armen hoeven te werpen, maar een vrije liefdesrelatie met hem kunnen aangaan.

Niemand komt tot de Vader dan door mij, zei Christus, en daarmee sloot hij de oude, rechtstreekse poort tot God.
Voortaan loopt de weg naar God via hem, en we bewandelen die weg met ons gewone begrips- en voorstellingsvermogen.
Dat is waar het in de antroposofie om gaat: niet om de mystieke eenwording, niet om de spirituele extase, niet om de helderziendheid, maar om het gewone, doordeweekse denken en begrijpen.
Dat denken wil Steiner stap voor stap ontwikkelen en op een hoger plan brengen.
Daarom noemt hij zijn antroposofie ook een wetenschap.
Met dezelfde middelen die de wetenschap vandaag gebruikt om de materiële wereld te onderzoeken – waarneming en denken – wil de antroposofie ook de geestelijke wereld onderzoeken.
Want de bedoeling is dat we deze wereld betreden als vrije mensen en niet als blinde minnaars die er in opperste vervoering mee versmelten en … ophouden mens te zijn.

In de antroposofie gaat het er dus om dat we de geestelijke wereld van de Vader leren kennen via het woord en beeld van Christus en zo de Heilige Geest in onszelf opwekken.
De woorden en beelden van Christus zijn enerzijds zeer hemels (want een afspiegeling van de Vaderwereld) en anderzijds zeer aards (want afkomstig van een mens).
De bedoeling van zijn menswording was dus dat we zijn woorden en beelden zouden leren begrijpen om op die manier als vrije mensen weer tot de Vader te kunnen komen.
En dat was ook de bedoeling van de menswording van Rudolf Steiner, de grote navolger van Christus.
Hij wilde dat we zijn woorden en beelden begrepen.
En dat geldt heel in het bijzonder voor het meest geconcentreerde woord en beeld dat hij ons geschonken heeft: de Weihnachtstagung.

20131104-142601.jpg

Het kan nooit de bedoeling zijn dat we de Weihnachtstagung alleen maar vereren als het heiligste mysterie van de antroposofie, en dat we dat mysterie enkel ‘slapend’ leren kennen, zoals in de boeken van Prokofieff.
We moeten dat mysterie doorgronden met ons verstand en ons gevoel, en het op die manier op aarde brengen zodat het hier werkzaam kan worden.

Aangezien de Weihnachtstagung woord en beeld in één is, moeten we ze ook via woord en beeld benaderen.

Dat kan op de manier van Prokofieff.

Hij benadert de Weihnachtstagung met woorden en vormt met die woorden een helder beeld.
Maar dat beeld blijft een woordbeeld, een ideeënbeeld.
Zoals het zich aan ons voordoet, is het in hoge mate abstract.
Het blijft een ‘astraal’ beeld dat we slechts kunnen benaderen zoals we ’s nachts de geestelijke wereld betreden: door ons fysieke en etherische lichaam achter te laten.
Wanneer we Prokofieff lezen, verheffen we ons tot hoge geestelijke sferen.
Maar de lage, aardse sferen laten we ver achter ons.
Toch brengen we iets mee wanneer we weer op aarde ontwaken: dromerige beelden, die soms even in ons dagelijkse bewustzijn doordringen, maar grotendeels in ons onderbewuste wegzakken.
En daar worden ze langzaam getransformeerd tot beelden die dichter bij de aarde komen, en gemakkelijker door ons aardse bewustzijn kunnen gegrepen worden.

Maar er blijft nog altijd een grote kloof tussen deze ‘geëtheriseerde’ beelden en de fysieke beelden van de wereld waarin we dagelijks leven.

Die kloof kan alleen overbrugd worden als er van de tegenoverliggende kant een tegenbeweging komt die de fysieke aardse beelden eveneens ‘etheriseert’, dat wil zeggen op een hoger plan heft zodat ze zich met de ‘van boven komende’ beelden kunnen verenigen en bij wijze van spreken een ‘grondsteentje’ vormen.

We herkennen hierin de tegenstelling tussen kunst en wetenschap.
De kunst werkt met de materie. Ze probeert deze een hogere, geestelijker vorm te geven zodat ze drager wordt van een idee.
De wetenschap doet het omgekeerde: zij werkt met de geest en probeert deze een lagere, aardser vorm te geven zodat hij kan ingrijpen in de materiële wereld.

We herkennen hierin ook de tegenstelling tussen de oude en de jonge zielen.

De oude zielen volgen de weg van het woord.
Zij verheffen zich ‘slapend’ in de geest en brengen op die manier inzichten op aarde die in eerste instantie zeer abstract zijn, maar die zich in het onderbewuste nestelen en zich daar (verder) verdichten tot ‘etherische beelden’.
De jonge zielen volgen de weg van het beeld.
Zij werken in de toepassingsgebieden van de antroposofie met de aardse materie, de dode zowel als de levende. Die materie proberen ze zodanig te ‘kneden’ dat hij toegankelijk(er) wordt voor de geest. Ze maken er met andere woorden eveneens ‘etherische beelden’ van.

Tussen deze twee vormen van ‘etherische beelden’ – de geestelijke en de aardse – gaapt nog altijd een kloof.
Die ‘laatste’ kloof kan alleen gedicht worden door de bewuste en vrijwillige samenwerking tussen oude en jonge zielen.
Hier ligt de vrijheid van de antroposoof.
Hij zal maar tot die samenwerking komen als hij er zelf het belang van inziet.
En daarvoor moet hij zich een beeld vormen van het geheel van de antroposofie en van de Weihnachtstagung in het bijzonder.

Ik heb de indruk dat de antroposofen die de weg van het woord volgen, de oude-zielenweg, heel moeilijk doordringen tot het geheim van de oude en jonge zielen.
Het is dan ook een uitgesproken dualistisch, aards geheim.
Dat wil overigens niet zeggen dat alleen oude zielen de weg van het woord volgen.
Het is zelfs zo dat oude en jonge zielen alleen tot samenwerking komen als ze elkaars weg betreden, als ze elkaars eigenschappen verwerven.

Ikzelf ben bijvoorbeeld een oude ziel die de weg van het beeld volg.
Maar ik doe dat wel met de oude-zielenwijsheid in mijn achterhoofd.

Dat is dan ook wat ik een volgende keer wil proberen: door middel van beelden een brug slaan tussen de Grondsteenliefde en de aardse liefde, tussen de Weihnachtstagung en ons moderne leven. Het zal waarschijnlijk een heel wankel brugje worden, maar wie weet kan het toch een idee geven van hoe twee uitersten elkaar raken.

20131104-144802.jpg