Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: helderziendheid

De goede dood

  

Met je verstand, zei Rudolf Steiner ooit, kun je veel verder in de geestelijke wereld doordringen dan op gelijk welke andere wijze. Dat ondervond ik zelf – in het klein – toen ik onder deskundige leiding leerde tekenen. Door de zintuiglijke werkelijkheid met mijn verstand te herleiden tot abstracte vormen, drong ik er veel dieper in door dan ik door kinderlijk nabootsen ooit had gekund. De zintuiglijke wereld is natuurlijk de geestelijke wereld niet, maar beide liggen wel in elkaars verlengde. Ze verhouden zich tot elkaar zoals kunstwerk en kunstenaar. Het kunstwerk behoort tot de materiële werkelijkheid, maar het is een schepping en uitdrukking van de geest van de kunstenaar. En die geest – zijn Ik – leren we beter kennen door het kunstwerk dan door de kunstenaar zelf, want veel van wat in deze laatste verborgen blijft, wordt zichtbaar in het kunstwerk. Op voorwaarde dat we doordringen tot bovenzintuiglijke dimensie van dat kunstwerk en daarvoor hebben we ons verstand nodig. 

Het menselijk gelaat is het kunstwerk waarin de geest het duidelijkst tot uiting komt. In de portretten die ik tekende, werden – tot mijn eigen verbazing – soms eigenschappen zichtbaar die ik op geen enkele (bewuste) manier had waargenomen aan mijn model. Door me uitsluitend te concentreren op de uiterlijke vormen van zijn gezicht, was ik doorgedrongen tot zijn geestelijke wezen. In bepaalde gevallen werd ik dat wezen reeds gewaar tijdens het tekenen zelf. Ik stuitte dan bijvoorbeeld op onverwachte weerstanden bij mensen die naar buiten toe heel open en sociaal waren, maar die innerlijk een onzichtbare vesting bleken die ik moest belegeren. Ook het omgekeerde gebeurde. Mensen die heel gesloten en terughoudend waren, legden me innerlijk niets in de weg. Ze gaven me vrij toegang tot hun diepste wezen, ofschoon daar uiterlijk niks van te merken was. Weerstand of medewerking: alles speelde zich af op geestelijk niveau, een niveau dat zij noch ik konden waarnemen – tot ik begon te tekenen. 

Dat niveau had ik nooit kunnen bereiken als ik op kinderlijk nabootsende wijze was blijven tekenen, als ik niet mijn verstand had gebruikt om iemands gezicht te herleiden tot louter abstracte vormen. Hoe is dat mogelijk? Waarom dringen we met ons verstand dieper door in de wereld van de geest dan bijvoorbeeld met ons gevoel? Staat het gevoel niet veel dichter bij de levende geest dan het verstand, dat de geest juist doodt? En toch kunnen we met dat dodelijke verstand dieper in iemands ziel doordringen dan met ons empathische gevoel. Dat ondervond ik bij het tekenen van portretten. Wat ik waarnam door iemands gezicht louter verstandelijk te analyseren en weer op te bouwen als was het een meetkundige constructie, kon ik op geen enkele andere manier waarnemen. Sprekende portretten – waarin het Ik van een mens tot uitdrukking komt – ontstaan dan ook niet doordat de kunstenaar zich zo goed kan inleven in zijn model, maar doordat hij er zo goed afstand kan van nemen. 

Hoe valt die paradox te verklaren? Dat lijkt misschien een vraag voor kunstliefhebbers, maar de manier waarop een kunstenaar de werkelijkheid benadert is vandaag de enige manier waarop we nog kunnen doordringen tot de wereld van de geest. Er bestaan weliswaar ook andere manieren, maar die brengen ons niet zover als de kunstzinnige benadering en ze openen bovendien de deur voor allerlei vormen van misleiding. Niet voor niets baseerde Rudolf Steiner zijn antroposofie op de werkwijze van Goethe, die kunstenaar was in alles wat hij deed. De Goetheaanse fenomenologie vormde de brug tussen de zintuiglijke en de bovenzintuiglijke wereld. En die brug zocht hij, want hij wilde meer dan enkel spreken over de bovenzintuiglijke wereld die hij als helderziende waarnam. Hij wilde die wereld ook ontsluiten voor niet-helderzienden door hem te verbinden met de zintuiglijke wereld, of beter: door aan te tonen dat de zintuiglijke en de bovenzintuiglijke wereld zijden van eenzelfde medaille zijn. 

Mensen zoals Rudolf Steiner, die van nature de geestelijke wereld kunnen waarnemen, zijn uiterst zeldzaam. De moderne mens heeft in de regel zijn oude helderziende vermogens verloren, zelfs in die mate dat hij niet meer gelooft in het bestaan van een geestelijke wereld. Hij doet geen enkele moeite meer om die wereld waar te nemen, overtuigd als hij is dat de zintuiglijke werkelijkheid de enige, echte werkelijkheid is. Slechts één soort mensen heeft nog iets van de oude helderziendheid bewaard en dat zijn de kunstenaars. Ze zijn kunstenaar geworden omdat ze (onbewust) nog iets waarnemen van de bovenzintuiglijke dimensie van de wereld. In hun kunst proberen ze een brug te slaan tussen die bovenzintuiglijke dimensie en de gewone zintuiglijke dimensie. Ze creëren beelden die zowel materieel als geestelijk zijn. Op die manier houden kunstenaars in een steeds materialistischer wordende wereld een plekje vrij voor de geest, ook al is dat een geest die enkel gevoelsmatig waargenomen wordt. 

In die zin is iedere kunstenaar of kunstliefhebber een onbewuste antroposoof. Zonder het te beseffen, gaat hij een scholingsweg die leidt van de zintuiglijke waarneming naar de bovenzintuiglijke waarneming, van materie naar geest. Op die manier blijft hij, alle materialisme ten spijt, verbonden met de wereld van de geest. Maar vandaag dreigt die verbinding verloren te gaan doordat de kunst in toenemende mate vervangen wordt door een schijnkunst die de mens geen toegang meer biedt tot de geestelijke wereld. Het loutere feit dat deze ‘hedendaagse’ kunst erin geslaagd is de plaats van de ‘oude’ kunst in te nemen, toont aan hoe zwak ons zintuig voor de geest geworden is. Het dreigt helemaal in te slapen en ons over te leveren aan een geestloze, kunstloze wereld waarin het niet langer mogelijk is mens te blijven. We realiseren ons niet hoe groot het gevaar voor ontmenselijking en verdierlijking is, nu we langzaam maar zeker ons laatste contact met de geest – de kunst – kwijtraken. 

Paradoxaal genoeg wordt deze ontmenselijking aangevuurd door onze … vergeestelijking. Tijdens de zogenaamde Godenschemering trok de geestelijke wereld zich langzaam terug en verloren we stap voor stap al onze helderziende vermogens. Vandaag is het Duistere Tijdperk afgelopen en dringt de geestelijke wereld opnieuw tot ons door. Als gevolg daarvan worden we op natuurlijke wijze weer helderziend. Maar onze helderziende waarnemingen – die tussen haakjes kunstenaars en wereldverbeteraars van ons maken – vinden geen toegang tot ons materialistische bewustzijn. Ze worden er als het ware door teruggestoten en zien zich verplicht via ons onderbewustzijn een weg te banen naar ons hart. In die onbewuste, slapende wereld zijn ze echter niet meer op hun plaats en ze ontketenen er wilde driften en begeerten. Als we er niet in slagen deze instinctief werkende geest in ons bewustzijn te heffen en te verbinden met onze vrije wil, dan zal hij ons verdierlijken in plaats van vergeestelijken. 

Het is geen toeval dat Rudolf Steiner als één van zijn allereerste basiswerken een esthetica schreef. Hij had ondervonden hoe cruciaal de kunst was voor de toekomstige ontwikkeling van de mens en wees met nadruk op twee diametraal tegengestelde opvattingen over kunst: een Goetheaanse opvatting die de menselijke cultuur zou vergeestelijken en redden, en een materialistische opvatting die de menselijke cultuur ten gronde zou richten. Deze laatste opvatting wordt belichaamd door de hedendaagse kunst, die inderdaad een niet te miskennen beeld ophangt van een beschaving in verval. Toch wordt het dehumaniserende karakter van deze schijnkunst nauwelijks waargenomen, en dat is een veeg teken. Eén van de gevolgen van de verdierlijking is namelijk dat de mens er zich niet van bewust is. Een mens weet wel dat hij mens is, maar een dier weet niet dat het dier is. Het bezit de gave des onderscheids niet en juist die – typisch menselijke – gave is vandaag zienderogen aan het verdwijnen.  

Daarom is het van het grootste belang dat we ons bewust worden van de kunstzinnige benadering van de werkelijkheid en daarbij duidelijk onderscheid maken tussen twee tegengestelde visies op kunst die Rudolf Steiner, niet zonder reden, centraal plaatste in zijn esthetica. Kunst, zei hij, is niet een idee in zintuiglijke vorm (zoals vandaag algemeen wordt aangenomen), het is een zintuiglijke werkelijkheid in ideële vorm. Anders gezegd, kunst is geen geest die materie wordt, maar omgekeerd, materie die geest wordt. Blijven we kunst zien als iets wat de geest ‘materialiseert’, dan zal deze benadering ons steeds dieper in de materie trekken, en dat des te meer naarmate we helderziender worden en de kunst instinctief tot voorbeeld nemen. Het zal dus paradoxaal genoeg onze (onbewuste) honger naar geest en kunst zijn die ons de onderwereld in drijft, die ons verdierlijkt en ontmenselijkt, en ons tegelijk in de waan brengt dat we steeds kunstzinniger en menselijker worden. 

Deze duivelse valstrik kunnen we alleen vermijden door kunst te zien als een zintuiglijke werkelijkheid in de vorm van de idee – als vergeestelijkte materie zeg maar – en niet omgekeerd. Zolang we nog enig gezond gevoel bezitten, doen we dat vanzelf. Niemand kan ons dan wijsmaken dat een pispot net zo goed kunst is als de madonna van Rafaël. Maar als dat gevoel zo zwak wordt dat we geen verschil meer zien tussen kunst en onkunst, dan kan alleen bewust inzicht ons nog helpen. En daarvoor moeten we met ons verstand doordringen in de wereld van de kunst, we moeten de manier waarop zij de wereld benadert in heldere begrippen gieten. Dat is wat Rudolf Steiner gedaan heeft in zijn esthetica en in zijn andere werken over Goethes Weltanschauung. Op dat fundament bouwde hij vervolgens zijn hele antroposofie waarmee hij de moderne mens de weg toonde om op een bewuste en vrijwillige manier – niet instinctief en dwangmatig dus – weer in contact te komen met de geestelijke wereld.

Om die reden is het van cruciaal belang dat we de twee kunstvisies waar Rudolf Steiner op wijst, duidelijk onderscheiden. Want als het fundament waarop we onze brug naar de geestelijke wereld bouwen verkeerd is, als het een omgekeerd fundament is, dan bouwen we geen brug naar de hemel maar naar de hel. We dalen dan steeds dieper in de onderwereld af, terwijl we ervan overtuigd zijn steeds hoger te stijgen. We hoeven maar aan moslimterroristen te denken om te begrijpen hoe reëel dit gevaar is. Deze mensen begaan gruwelijke misdaden, maar ze wanen zichzelf halve heiligen, martelaars voor de goede zaak. Dezelfde mentaliteit vinden we bij de politiek-correcten, de zogenaamde Gutmenschen. Ze richten de menselijke beschaving ten gronde in de overtuiging dat zij haar redden. Deze terreurzaaiers – Oostelijke zowel als Westerse – worden bezield door grootse idealen en gedreven door louter goede wil, maar zij steunen op het verkeerde fundament. 

Met ons verstand doordringen in de kunst, is doordringen in de fundamenten van onze wereldbeschouwing. Dat vergt een strijd met het kwaad, want de tegenmachten weten beter dan wie ook hoe belangrijk de kunst is voor de moderne mens. Ze weten ook dat de mens dat weet (dankzij zijn nieuwe helderziendheid) en dat het dus geen zin heeft hem ervan af te willen brengen. Wat ze echter wel kunnen doen – en wat ze, met doorslaand succes, ook gedaan hebben – is de kunst vervangen door een ‘nieuwe’ kunst, die precies hetzelfde doet als de oude maar dan omgekeerd. Ze hebben de kunstenaar en de kunstliefhebber – die altijd zijn uitgegaan van de zintuiglijke werkelijkheid – laten geloven dat ze in feite uitgaan van de bovenzintuiglijke werkelijkheid. Dat denkbeeld was des te aantrekkelijker omdat het materialisme de mens geestelijk uithongerde en hem tot een gemakkelijke prooi voor deze omkering maakte. De uitgehongerde mens wilde maar al te graag geloven dat hij uitging van de geest.

Rudolf Steiner doorzag deze duivelstruc en stelde hem aan de kaak in zijn esthetica. Maar hij werd niet begrepen. De ‘geestelijke honger’ verdoofde het onderscheidingsvermogen van zijn leerlingen. Honderd jaar nadat Rudolf Steiner de antroposofie officieel verbond met de kunst – en daardoor de afscheuring van de theosofie bewerkstelligde – openden ze de poorten van het Goetheanum voor de hedendaagse kunst. Ze begrepen niet dat deze schijnkunst de visie belichaamde die Rudolf Steiner in zijn esthetica ontmaskerd had en dat ze dus het paard van Troje binnenhaalden. Ze dachten een brug te slaan naar de moderne wereld, maar in werkelijkheid deden ze net het tegenovergestelde en keerden ze terug naar het theosofische stadium. In plaats van uit te gaan van de zintuiglijke werkelijkheid gingen ze uit van de geest. Ze negeerden het dualistische karakter van de materiële wereld en probeerden hem – vergeefs uiteraard – de idee van de driegeleding op te leggen. 

Rudolf Steiner was geen dromer. Hij zag de mogelijkheid onder ogen dat de antroposofie een werktuig van de tegenmachten zou worden en drukte ons daarom op het hart om wakker te blijven. Dat laatste is vandaag niet meer mogelijk zonder de omkering van de kunst te doorzien. Het grote struikelblok daarbij, is de rol die het verstand speelt in het scheppingsproces. Die rol wordt onomwonden verwoord in het beroemde vers van Oscar Wilde: each man kills the thing he loves. Om scheppend werkzaam te kunnen worden, moet de kunstenaar (en moet ieder mens) datgene doden waarvan hij het meeste houdt: de geest. Het is de waarneming van de geest die een mens tot kunstenaar maakt, die in hem de liefde wekt voor de zintuiglijke werkelijkheid, en juist die liefde moet hij ‘doden’ door de zintuiglijke werkelijkheid (met zijn verstand) te herleiden tot dode, abstracte vormen. Dat is het – schokkende – mysterie van de kunst, het mysterie waarvoor de moderne mens instinctief terugdeinst.

James Ensor verafschuwde het academische kunstonderwijs, maar hij was eerlijk genoeg om het een noodzakelijk kwaad te noemen. Hij behoorde tot de generatie kunstenaars die na het aflopen van het Kali Yuga de geest steeds sterker begonnen waar te nemen en het daarom steeds moeilijker kregen die geest – waarnaar ze zozeer hongerden – te ‘doden’. Uiteindelijk konden ze dat niet meer opbrengen en werden ze met waanzin geslagen. Deze waanzin bedreigt vandaag de hele mensheid, want de werking van de geest wordt steeds sterker en grijpt steeds meer mensen aan. Daarom moet het mysterie van de kunst openbaar worden gemaakt. Het moet onttrokken worden aan de kunstscholen waar het in zijn tegendeel wordt gekeerd. We moeten leren begrijpen en beleven dat de geest niet sterft wanneer we hem met ons verstand doden, maar dat hij verrijst, stralender dan ooit. Dat is het pijnlijke maar verlossende geheim van de kunst, het wonder van het vermoorde kind dat lacht en in der eeuwigheid blijft zingen.

1001

  

In mijn vorige blogbericht – het duizendste – kwam ik tot de verrassende conclusie dat … iedereen de wereld als een kunstwerk ziet. En ik maar denken dat ik de enige was! Hoe heb ik daar zolang naast kunnen kijken? Natúúrlijk ziet de moderne mens de wereld als een kunstwerk! Waarom zou hij het anders normaal vinden dat je in musea naast tekeningen, schilderijen en beeldhouwwerken nu ook pispotten, bananenschillen en gebruikte condooms aantreft? En waarom zou hij anders zo fel reageren als iemand beweert dat iets géén kunst is? Dat doet hij alleen omdat hij de hele wereld als een kunstwerk ziet, met alles erop en eraan. Het is heus niet enkel een handvol avant-gardisten dat gelooft in de kunstzinnigheid van de wereld, iederéén gelooft daar vandaag in. Wie dat geloof niet deelt, is niet meer van deze tijd, hij leeft in het verleden, hij heeft de boot gemist. Hij is passé, een dinosaurus, een oude draak, een barbaar. 

Dit moderne geloof is sterker dan een geloof ooit geweest is. Het heerst van Noord tot Zuid, van Oost tot West, over alle politieke, geografische, etnische, raciale, sexuele, ideologische en religieuze grenzen heen. De hele mensheid gelooft dat de wereld een kunstwerk is. Hoe fanatiek de Hedendaagse kunst dit geloof ook in de praktijk brengt, nergens stuit ze op protest. Overal ter wereld worden voor haar luxueuze tempels opgericht. Overal zijn schriftgeleerden in de weer om de nieuwe kunst te verdedigen, te becommentariëren en te verspreiden. Gigantische geldsommen worden ervoor vrijgemaakt, zowel door regeringen, bedrijven als privé-personen. Westerse kapitalisten en Oosterse oliesjeiks, allemaal willen ze er hun naam mee verbinden. Vijftig jaar, meer had deze nieuwe kunst niet nodig om de wereld te veroveren. Nooit verspreidde een geloof zich zo snel, nooit was het zo machtig, nooit was het zo universeel. 

Maar dit nieuwe geloof is niet alleen universeel, het is ook – en vooral – onbewust. Iedereen ziet de wereld als een kunstwerk, maar niemand weet het. Het is het allerlaatste waar een modern mens aan denkt als hem gevraagd wordt wat zijn diepste overtuiging is. En toch kan zijn houding tegenover kunst – die model staat voor zijn houding tegenover de wereld – niet anders verklaard worden dan door het onbewuste geloof dat de wereld een kunstwerk is. Dit geloof is volkomen instinctief en dringt totaal niet door tot het bewustzijn van de ‘gelovige’. Het is een geloof waarmee hij als het ware samenvalt en waar hij derhalve niks van weet. Dat is zowat het omgekeerde van wat we vandaag onder geloof verstaan: een stelsel van regels, dogma’s en idealen die we heel bewust en met veel moeite proberen toe te passen in ons leven. Zo’n onbewust en instinctmatig geloof zouden we dan ook een ‘omgekeerd’ geloof kunnen noemen.

Dit universele, omgekeerde geloof is zonder twijfel het meest tragische verschijnsel van onze tijd. Want uitgerekend op het moment dat de mensheid wereldwijd hetzelfde geloof deelt, wordt ze verscheurd door oorlogen, geweld en godsdiensttwisten. Nooit was de mensheid zo eensgezind, nooit was ze zo verdeeld. Nooit heerste er zoveel vrede, nooit was er zoveel oorlog. Nooit waren mensen het zo roerend met elkaar eens, nooit maakten ze zoveel ruzie. En het wordt steeds erger. Overal stapelen de problemen zich op, overal neemt het geweld toe. De angst voor de toekomst maakt iedereen gespannen en agressief. De moderne wereld wordt langzaam maar zeker meegesleurd in een vicieuze cirkel van haat en geweld. En dat alles gebeurt zonder enig besef van de keerzijde, zonder dat iemand weet dat uitgerekend in onze tijd Alle Menschen Brüder zijn geworden. 

Gebrek aan bewustzijn, dat is de grote tragedie van onze tijd. Het ontbreekt de moderne mens niet aan goede wil, want hij wordt bezield door een groots, gemeenschappelijk project. Hij ziet de wereld als een kunstwerk en daardoor wordt ook de kunstenaar in hem wakker. Kunst zien doet kunst maken. Jeder Mensch ist ein Künstler geworden die mee wil bouwen aan de nieuwe wereld. Niets kan hem daarvan weerhouden, want een kunstenaar heeft alles over voor zijn kunst. De artistieke roeping appelleert aan het diepste wezen van de mens, aan zijn scheppende geest. Ze gaat ook uit van een scheppende geest: de scheppende wereldgeest. En dat is niemand anders dan Christus. Hij is het die zich vandaag op een geheel nieuwe manier manifesteert. Hij is het die onbewust door iedereen waargenomen wordt en waardoor we allemaal de wereld als een kunstwerk gaan zien. Het is zijn ‘wederkomst’ die iedereen tot kunstenaar maakt. 

Het was Rudolf Steiner die als een moderne Johannes de Doper de wederkomst van Christus aankondigde. Als een roepende in de woestijn van het materialisme wees hij de mensheid op de belangrijkste gebeurtenis van onze tijd. Hij waarschuwde de mensheid ook deze gebeurtenis niet verslapen want dan zou het grootst mogelijke onheil over haar komen. Zijn hele leven lang heeft hij onvermoeibaar gewerkt om daar bewustzijn voor te wekken. Hij heeft er zelfs zijn leven voor gegeven, net als zijn illustere voorganger. Honderd jaar later verkeert de moderne mensheid echter nog altijd in volslagen onwetendheid over de wederkomst van Christus. Iedereen reageert wel op die wederkomst, maar niemand is zich ervan bewust. Niemand herkent Christus, niemand ziet hem, niemand begrijpt hem …

… behalve de antroposofen, zou ik nu moeten zeggen. Antroposofen spreken inderdaad veel over Christus, ze schrijven dikke boeken over zijn wederkomst. Ze weten zelfs waar die plaatsvindt: in de etherische wereld, ‘op de wolken’ zoals de bijbel zegt. Er kan geen twijfel over bestaan: Christus vormt het middelpunt van de antroposofie. Alles draait rond hem. Maar Christus is een naam, een begrip dat deel uitmaakt van het christelijke geloof, en de antroposofie wil helemaal geen geloof zijn. Ze wil een wetenschap zijn, ze wil haar inzichten baseren op waarneming en denken. Het is haar niet te doen om de naam Christus maar om de geestelijke realiteit die zich daarachter verbergt. Die realiteit wil ze leren kennen, die wil ze waarnemen. En dat schept natuurlijk een probleem, want de moderne mens kan geen geesten meer waarnemen. Hij ziet geen engelen of demonen meer, geen kabouters of elfen. Hij ziet alleen nog materie. Als hij zich dus bewust wil worden van de wedergekomen Christus, als hij hem wil waarnemen in plaats van alleen maar in hem te geloven, dan moet hij weer helderziend worden. 

Toch is helderziend worden niet waar het in de antroposofie om gaat. De reden is simpel: de moderne mens wordt sowieso weer helderziend, daar heeft hij de antroposofie niet voor nodig. Het is gewoon een gevolg van het einde van het Kali Yuga, het ‘duistere tijdperk’ waarin de mens langzaam maar zeker zijn oude helderziendheid – en daarmee ook het contact met de geestelijke wereld – verloor. Nu dat tijdperk afgelopen is, wordt die natuurlijke, aangeboren helderziendheid weer wakker en maakt de moderne mens opnieuw contact met de wereld van de geest. Maar bevangen als hij is door het materialisme, merkt hij daar helemaal niks van. En dat heeft zware gevolgen. Want de geestelijke wereld is veel levendiger en beweeglijker dan de dode materie waarop zijn huidige bewustzijn gebaseerd is. Ze is wat vuur is voor droog hout: een vernietigende kracht. Daarom is het van cruciaal belang dat de moderne mens zijn oplevende helderziende vermogens doordringt met rationeel denken, anders dreigen ze zijn dorre, ‘houterige’ bewustzijn in brand te steken en hem te beroven van de vrijheid en zelfstandigheid waar hij zo hard voor gewerkt heeft. 

De vernietigende werking van de (onbewust waargenomen) geestelijke wereld wordt steeds zichtbaarder. De moderne mens is langzaam maar zeker zijn verstand aan het verliezen. Zijn denken wordt steeds verwarder, onsamenhangender en tegenstrijdiger. Hij slaagt er niet meer in om orde scheppen in de chaos van zijn gedachten. We herkennen dat verschijnsel in de zogenaamde ‘politieke correctheid’: de mens wordt overspoeld door (christelijke) idealen en omdat hij dat niet beseft, raakt zijn (materialistische) denken verstrikt in tegenstrijdigheden. Voorbeelden genoeg: in naam van de godsdienstvrijheid wordt de vrijheid van meningsuiting aan banden gelegd, in naam van de vrede wordt oorlog gevoerd, in naam van de verdraagzaamheid worden mensen beschuldigd en gedemoniseerd, in naam van de vrouwenemancipatie wordt de hoofddoek verdedigd, in naam van de democratie moeten landen en volkeren zich onderwerpen, in naam van de liefde wordt er intens gehaat, enzovoort, enzovoort. Het is een beschamend schouwspel.

Maar één schouwspel is nog beschamender: de zogenaamde ‘hedendaagse’ kunst. Hier zien we de moderne mens niet alleen volslagen onzin uitkramen, we zien hem ook in bewondering staan voor pispotten, bananenschillen, uitwerpselen en ander afval. Hier is geen verward maar een omgekeerd bewustzijn aan het werk. Het allerlaagste wordt hier als het allerhoogste beschouwd. Wat een normaal mens bewondert, wordt hier verafschuwd, en wat hij verafschuwt wordt bewonderd. Het is een wereld die compleet op zijn kop staat en waar het gezond verstand helemaal uitgeschakeld is. Hier kunnen we zien wat er gebeurt als de moderne mens er niet in slaagt zijn helderziendheid met helder denken te doordringen: hij komt in de onderwereld terecht. Het is niet meer dan logisch dat deze onderwereld juist in de kunst zichtbaar wordt. Meer dan wie ook is de kunstenaar degene die de wereld als een kunstwerk ziet, anders zou hij geen kunstenaar zijn geworden. Meer dan wie ook voelt hij zich geroepen door Christus. En meer dan wie ook wordt hij slachtoffer van het gebrek aan Christusbewustzijn. 

Nergens wordt de tragedie van onze tijd – die een bewustzijnstragedie is – zo duidelijk zichtbaar als in de kunst. Nergens ook wordt ze zo weinig waargenomen. Op geen enkel gebied wordt het heldere, rationele bewustzijn méér ontbeerd dan in de kunst van onze tijd. Die kunst schrééuwt als het ware om bewustzijn, om begrip, om inzicht. Op de meest aanschouwelijke wijze toont ze ons wat er gebeurt als de moderne mens zich zonder bewustzijn overgeeft aan de scheppende krachten die de ontwakende helderziendheid in hem wekt. Hij begint dan pispotten tentoon te stellen, hij gaat vleugelpiano’s met een drilboor te lijf, hij boetseert zijn zelfportret met zijn eigen uitwerpselen, hij neemt deel aan weerzinwekkende rituelen, hij verliest kortom zijn verstand. En net als een Alzheimerpatiënt merkt hij dat niet. Integendeel, hij reageert bijzonder agressief als iemand hem op zijn beschamende gedrag wijst. Hij begint dan te schelden en de betrokken persoon (op zeer overtuigende wijze) verdacht te maken. Hij verzet zich met andere woorden heftig tegen datgene wat hij het meest nodig heeft: bewustzijn. 

Dat is de tragedie van de kunst van onze tijd: ze toont ons de onderwereld en … we zien het niet. We maken geen onderscheid tussen een pispot en een schilderij van Rafaël. Een kakmachine of het Lam Gods van Van Eyck: het is allemaal kunst in onze ogen. Of een kunstwerk nu geïnspireerd wordt door de bovenwereld van Christus of de onderwereld van de Antichrist, we reageren altijd op dezelfde manier: door te applaudisseren, door te bewonderen, door ons over te geven, door lief te hebben. Dat is wat de ‘hedendaagse’ kunst bewerkstelligt: we leren de Antichrist liefhebben en Christus haten – met geheel ons hart, met geheel onze ziel en met al onze krachten. En we beseffen het niet, integendeel, we zijn ervan overtuigd dat het net omgekeerd is. Wee dan ook degene die het waagt om iets negatiefs te zeggen over onze liefde voor de ‘hedendaagse’ kunst! We beschouwen hem als de Antichrist zelve …

Dat is het ‘grootst mogelijke onheil’ waarvoor Rudolf Steiner ons waarschuwde: als de mensheid zich niet bewust wordt van de wederkomst van Christus, dan zal ze hopeloos verliefd worden op de Antichrist. Niets zal haar daarvan kunnen weerhouden, want de liefde overwint alles. De aarde zal dan inderdaad herschapen worden in een ‘planeet van liefde’ zoals Steiner voorspelde, maar het zal niet de liefde voor Christus zijn die de substantie vormt van deze nieuwe wereld, het zal de ‘omgekeerde’ liefde zijn, de liefde voor de Antichrist. De aarde zal ‘de planeet van de haat’ worden. Bij dat vooruitzicht verzinken alle rampen in het niets en daarom werd Rudolf Steiner gezonden om de mensheid te waarschuwen. Daarom heeft hij de antroposofie in het leven geroepen: niet om onze helderziende krachten te ontwikkelen, maar om ons bewustzijn te ontwikkelen, om ons te leren onderscheid te maken op geestelijk gebied, zodat we ons – verblind door liefde – niet in de armen van de Antichrist werpen. 

Daarom wordt de antroposofie ook geïnspireerd door Michaël, wiens naam betekent: wie is als God? Deze vurige geest zegt ons niet wie als God is, want dat zou onze vrijheid in het gedrang brengen. Hij stelt alleen de vraag, ja hij is die vraag. De menselijke vrijheid is de inzet van het hele mensheidsdrama, van de hele schepping, en juist daarom worden we op het keerpunt der tijden voor de keuze geplaatst tussen Christus en de Antichrist. Het spreekt vanzelf dat die keuze niet gemakkelijk kan zijn. Integendeel, het is de moeilijkste keuze waarvoor we kunnen komen te staan. Alles wat we vandaag in de wereld zien gebeuren, vertelt ons hoe ontzettend moeilijk het is om voor Christus te kiezen. Het vergt het uiterste van ons om niet meegesleurd te worden in de vicieuze cirkel van haat en geweld die de Antichrist creëert. De zuigkracht die van hem uitgaat is werkelijk ontzettend en wie denkt hem te kunnen weerstaan, vergist zich schromelijk. Het enige wat we bij deze ‘neerdaling ter helle’ kunnen doen, is wakker blijven. Dat is ook wat Rudolf Steiner zijn leerlingen steeds weer op het hart drukte: blijf wakker, laat je bewustzijn niet in slaap wiegen. Dat is waar het in de antroposofie om gaat: blijf onderscheid maken, blijf zoals Michaël de vraag stellen: wie is als God? Wéés die vraag, met geheel je hart, met geheel je ziel en met al je krachten. 

Steiner over kunst (4)

Geen enkele antroposoof zal me (hoop ik) tegenspreken als ik zeg dat het uiteindelijke doel van de antroposofie is om van het leven een kunst te maken.
Dat is de meest verhelderende maar tegelijk ook de meest nietszeggende samenvatting van de antroposofie.
Want wát is kunst?
Voor de één is dat een geschilderde zigeunerin waarvan de tranen recht in haar décolleté biggelen.
Voor de ander is dat de pispot waarin de zigeunerin net een plas heeft gedaan.
Tussen die twee uitersten liggen de meest uiteenlopende en elkaar tegensprekende meningen over kunst.
Geen mens die daar nog klaar in ziet.

20140620-090012.jpg

Gelukkig is er Rudolf Steiner.
Hij vertelt ons klaar en duidelijk wat wel en wat geen kunst is.
Geen kunst is: een idee in de vorm van een zintuiglijke verschijning.
Wel kunst is: een zintuiglijke verschijning in de vorm van een idee.
Ziezo, nu is er weer orde in de chaos.
Of toch niet?

In Steiners voordracht over Goethe en de nieuwe esthetica lees ik:
‘Kunst is niet de belichaming van iets bovenzintuiglijks.’
‘Kunst is geen idee die in een zintuiglijke vorm wordt gegoten.’
Hoeveel antroposofen zijn er echter niet voor wie antroposofie is: het omzetten van antroposofische ideeën in werkelijkheid?

In dezelfde voordracht lees ik ook:
‘De inhoud van het kunstwerk is de concrete werkelijkheid.’
‘In de kunst moet de zintuiglijke werkelijkheid op zichzelf blijven staan.’
‘In kunstwerken komen we wat betreft de inhoud niets tegen wat we ook niet in de natuur kunnen ontmoeten.’
Hoeveel antroposofen zijn er echter niet die de lof zingen van Kandinsky, Mondriaan, Rothko en andere abstracten die de zintuiglijke werkelijkheid radicaal uit hun werk weren?
Hoeveel antroposofische kunstenaars zijn er niet die zuiver abstract werken, ook al verklaarde Steiner ooit dat abstracte kunst onzin is?

20140620-090107.jpg

Het minste dat we kunnen zeggen, is dat het verschil tussen ‘een idee in de vorm van een zintuiglijke verschijning’ en ‘een zintuiglijke verschijning in de vorm van een idee’ verre van duidelijk is.
Het gevolg van die onduidelijkheid is dat nogal antroposofen van de antroposofie iets maken wat volgens Steiner helemaal geen kunst is.
Meer zelfs, ze doen hun uiterste best om de antroposofie in haar tegendeel te keren.
Natuurlijk doen ze dat niet opzettelijk.
Ze doen het omdat ze geen onderscheid kunnen maken tussen wat wel en geen kunst.

Het is dus essentieel dat we het verschil leren zien tussen een ‘ideële verschijning’ en een ‘zintuiglijk idee’
Hoe beginnen we daaraan?
Eenvoudig: op dezelfde manier als Steiner.
Als hij zegt dat zijn ideeën over kunst een gezonde grondslag vormen voor de antroposofie, dan mogen we daaruit afleiden dat hij die ideeën niet uit de antroposofie heeft afgeleid (die bestond trouwens nog niet toen hij zijn esthetica vormde) maar dat hij ze ontwikkeld heeft aan de kunst zelf.
En dat is precies wat ook wij moeten doen.
We moeten niet proberen er in theorie achter te komen wat het verschil is tussen een ‘ideële verschijning’ en een ‘zintuiglijk idee’, want dan komen we er niet uit.
Het is in de praktijk dat we moeten leren onderscheid te maken tussen wat wel kunst is en wat geen kunst is.

20140620-090227.jpg

Jamaar, zal men zeggen, Steiner was helderziend en wij zijn dat niet.
Dat is natuurlijk een waarheid als een koe, behalve … op het gebied van de kunst.
‘De helderziende blik, zegt Steiner, wordt ontwikkeld aan de hand van dezelfde toestanden die je kunt onderscheiden bij het scheppen en beleven van kunst. Het schouwende bewustzijn voelt zich dan ook zeer verwant met een waarachtige, echt kunstzinnige opvatting van de wereld, veel meer dan met allerlei visionaire ervaringen.
Kunstenaar en helderziende putten in werkelijkheid uit één en dezelfde bron.’
Steiner wijst er ook op dat de zieleprocessen bij kunstenaar en kunstgenieter weliswaar omgekeerd zijn, maar in de grond toch dezelfde.
Wat hij zegt over de relatie tussen helderziendheid en kunstzinnigheid geldt dus zowel voor de kunstenaar als de kijker.

We hoeven dus niet helderziend te worden om in de kunst te leren onderscheiden.
We zijn het in feite al.
Bij het kijken naar kunst vindt er namelijk een proces plaats dat zeer verwant is met helderziende schouwen.
Op dit proces wijst Steiner wanneer hij spreekt over Goethes streven om in de zintuiglijke werkelijkheid de oerbeelden te ontdekken.
Deze oerbeelden zijn de bron waaruit de kunstenaar put, ze vormen het begin van zijn scheppen.
Voor de kijker zijn ze het omgekeerde: het waarnemen van kunst mondt erin uit.

20140620-090351.jpg

Oerbeelden of levende ideeën kunnen niet worden waargenomen met de gewone zintuigen.
We moeten er een hoger zintuig voor ontwikkelen, een waarnemingsvermogen dat tegelijk zintuiglijk én bovenzintuiglijk is.
Goethe noemt dit waarnemingsvermogen een Anschauende Urteilskraft, een ‘aanschouwende oordeelskracht’.
Het is dus een oordelen dat tegelijk een zien is.
Dit oordeelsvermogen moeten we ontwikkelen als we onderscheid willen maken tussen wat kunst is en wat geen kunst is.
En tussen wat antroposofie is en wat geen antroposofie is.

Hoe doen we dat?
Hoe verwerven we een oordeelsvermogen dat tot een zintuig wordt waarmee we het verschil tussen kunst en geen kunst kunnen waarnemen?
Eerst moet er een misverstand uit de weg worden geruimd.
We moeten dit zintuig niet uit het niets scheppen.
Het bestaat reeds.
We moeten het alleen (weer) leren gebruiken.

20140620-090512.jpg

Uit de antroposofie weten we dat de mens ooit helderziend was en dat hij de geestelijke wereld even duidelijk zag als wij de materiële wereld zien.
Toen het licht van de rede begon te schijnen, ging zijn geestelijk oog echter dicht en ontwikkelde hij de zintuiglijke waarneming en het denken.
De geestelijke wereld verdween niet, evenmin als de sterren verdwijnen als de zon opkomt.
Hij werd alleen onzichtbaar.
Ook het zintuig waarmee de geestelijke wereld werd waargenomen, verdween niet.
Het werd alleen niet meer gebruikt.
Vandaag staat de mens voor de opgave om zijn ‘geestelijk oog’ weer te openen, dit keer echter zonder dat hij zijn fysieke ogen weer sluit, dat wil zeggen, zonder dat hij de zintuiglijke waarneming en het daarmee verbonden rationele denken opgeeft.
We moeten bij wijze van spreken de sterren overdag leren zien.
Of de zon ’s nachts.
We moeten met andere woorden zintuiglijk en bovenzintuiglijk tegelijk leren waarnemen.
En dat is precies wat we (reeds) doen als we naar kunst kijken.
We weten het alleen niet.

20140620-090707.jpg

‘Wanneer er sprake is van helderziendheid, zegt Steiner, denken de mensen algauw dat het gaat om iets dat helemaal buiten het leven staat. Maar dat is niet zo. Het serieuze schouwen is in het leven steeds aanwezig. We zouden zelfs niet in het leven kunnen staan als we niet voor bepaalde dingen helderziend waren. Het is heel belangrijk om dat in te zien.’
Als voorbeeld van zo’n alledaagse vorm van helderziendheid noemt Steiner het waarnemen van een ander mens.
‘We denken dat we de ziel van een mens leren kennen op grond van de waarneming van zijn lichaam. Maar dat is niet zo. We nemen die ziel rechtstreeks, helderziend waar. Dat is een wonderbaarlijk proces, waarbij de zintuiglijke waarneming uitgewist wordt en we ons rechtstreeks verplaatsen in de ziel van de ander.’

Dat kan vreemd klinken, maar iedereen die ooit verliefd is geweest, kent het eigenaardige fenomeen dat we ons het gelaat van de geliefde niet voor de geest kunnen halen.
We kunnen ons geen voorstelling maken van hoe zij of hij eruitziet.
De reden daarvoor ligt in het feit dat de (helderziende) waarneming van de ziel op dat moment zo sterk is dat ze de (zintuiglijke) waarneming van het lichaam gewoon uitschakelt.

20140620-091328.jpg

Een soortgelijke helderziende waarneming treedt op wanneer we naar kunst kijken.
Steiner noemt de kunst een ‘bijzondere vorm van bovenzinnelijke kennis’.
Het ligt voor de hand dat we deze bovenzinnelijke kennis niet met onze gewone zintuigen kunnen waarnemen.
We kijken dan ook niet alleen met onze ogen naar kunst.
Naast een Anschauen is het altijd ook een Urteilen, een oordelen.
We kijken oordelend naar kunst, ook zijn we ons daarvan niet bewust.
Wanneer iemand zegt dat we ‘een oog’ moeten krijgen voor kunst, dan bedoelt hij daarmee niet dat we een betere bril moeten kopen, maar dat we kunst moeten leren beoordelen.
We moeten onderscheid leren maken tussen goede kunst en slechte kunst.
Of tussen kunst en geen kunst, want slechte kunst is een contradictio in terminis.
Alle waarnemen van kunst is tegelijk een oordelen.

Daarmee ben ik weer terug bij het onderscheid tussen ‘een idee in de vorm van een zintuiglijke verschijning’ en ‘een zintuiglijke verschijning in de vorm van een idee’.
Het eerste levert slechte kunst op, dat wil zeggen geen kunst.
Het tweede is gewoon de Steineriaanse definitie van kunst.
Het leren zien van het verschil tussen die twee is een kwestie van oordelen, oordelen over de bovenzintuiglijke kwaliteiten van een kunstwerk.
Zonder dat we het beseffen, doen we dat altijd wanneer we naar kunst kijken.
We zijn dan onbewust bezig met het maken van onderscheid tussen kunst en geen kunst.
We moeten dus geen nieuw zintuig ontwikkelen, we moeten ons alleen bewust worden van het zintuig dat we reeds hebben, maar dat we als een Assepoester in de kelder van onze ziel hebben laten verkommeren.

20140620-091452.jpg