Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: herfst

Adriaen Brouwer (15)

  

Toen ik voor de tweede keer naar Adriaen Brouwer ging kijken, was het Allerzielen. De zon scheen stralend en onderweg naar Oudenaarde keek ik mijn ogen uit naar de grijsbruine herstkleuren met hun stralend gele en gloeiend rode accenten. Opeens viel het me in: dit zijn precies de kleuren waarmee Brouwer schildert! Hij is een bij uitstek ‘herfstige’ schilder. Zijn werk vertoont de typische transparantie die de natuur krijgt in november: de bomen verliezen hun bladeren en je kunt overal doorheen kijken. Zo kijkt ook Scorpio naar de wereld: niets blijft verborgen voor zijn doordringende blik. Zoals hij de natuur uitkleedt, zo kleedt ook Brouwer de mens uit: hij zet hem in zijn hemd. Dat levert ontluisterende beelden op, maar doet tevens een mysterieuze schoonheid verschijnen: de schoonheid van de stervende ziel die zich losmaakt uit het lichaam en zich hult in louter kleuren. Zoals de aarde een beetje zon wordt als gele en rode bladeren haar bedekken, zo heeft ook de herfstige wereld van Adriaen Brouwer zonnekwaliteiten.

Natuurlijk heeft Scorpio ook een duistere kant: de kille, door merg en been gaande natheid van de herfst, die onder je huid kruipt en waartegen je je niet kunt verweren. Dat aspect wordt bij Brouwer zichtbaar in zijn gore kroegen, maar ook in de onheilspellende figuren die er zich in verbergen. Soms dragen ze een masker, soms hebben ze een dierenkop. Lugubere schimmen zijn het, echte dubbelgangersfiguren. Vreemd genoeg merk je hun aanwezigheid niet op, evenmin als het feit dat Brouwer sommige andere figuren ‘verminkt’: ze missen een arm, een been, een hand of zelfs een hele onderkant. Heel bizar. Waarom zou hij dat doen? Eén ding is zeker: Brouwer weet de onheilspellende Schorpioen heel goed te camoufleren. Ook dat hoort bij dit teken: camoufleren en verbergen is zijn tweede natuur, de keerzijde van zijn transparantie. Niemand komt op het idee iets te zoeken achter Brouwers transparante schilderijen. Wat zouden ze kunnen verbergen? Tonen ze de mens niet juist zoals hij is, zonder masker, onopgesmukt?

Het duurt een tijdje voor je in dit werk het dubbele karakter van het novemberteken ontdekt: de lage schorpioenkant en de verheven adelaarskant. Hoever beide tegenpolen ook uit elkaar liggen, Brouwer slaagt erin ze te verenigen en daardoor onzichtbaar te maken. De duistere dubbelgangersfiguren en vreemde verminkingen blijven onopgemerkt. Niemand voelt de dreiging van de Schorpioen, wel integendeel, het is een vrolijke boel bij Brouwer. Maar niemand merkt ook iets van de verheven inzichten van de adelaar. Geen mens zoekt iets diepzinnigs in het werk van deze drinkebroer, deze nar, deze Tijl Uylenspieghel. Wellicht is dat de reden waarom zijn werk in de vergetelheid is geraakt: men vindt Brouwer veel te gewoon, veel te oppervlakkig. Hij is een humoristische noot in de kunstgeschiedenis, meer niet. Groter vergissing kan men natuurlijk niet maken. Als er ooit een ‘occulte’ schilder is geweest – in alle betekenissen van het woord – dan wel Adriaen Brouwer.

Die ‘verborgen’ dimensie beperkt zich niet tot zijn schilderijen en zijn leven. Ze strekt zich ook uit tot de kijker. Mijn eerste bezoek aan de tentoonstelling verliep onder de auspiciën van Michaël: een heerlijke nazomer, een verkwikkende fietstocht, een rustig museum – wat wil een mens nog meer! Maar na mijn tweede bezoek werd ik geconfronteerd met de keerzijde, met de draak zeg maar. Toen ik de tentoonstelling verliet, weerklonk er door het hele stadhuis een kabaal alsof er beneden een fuif aan de gang was. De overgang van kunst naar werkelijkheid was bepaald ontnuchterend. De vorige keer had ik het ook al gehoord, maar ik had er geen aandacht aan geschonken, vol als ik was van mijn eerste ontmoeting met Brouwer. Het lawaai bleek afkomstig van de ‘educatieve voorstelling’ op het gelijkvloers: in een met glas afgeschermde ruimte werden de schilderijen van Brouwer, enorm uitvergroot, op de muren geprojecteerd terwijl uit de boxen een met muziek afgewisselde uiteenzetting over leven en werk van de schilder schalde. 

Ik wilde dit audiovisuele inferno snel passeren, toen ik aangesproken werd door een keurige mevrouw van de organisatie die me vroeg of ik de presentatie al had gezien. Nee, antwoordde ik naar waarheid. Of ik niet geïnteresseerd was? Toch wel mevrouw, maar mijn zenuwen zijn niet bestand tegen zoveel decibels. Dat leek op haar geen enkele indruk te maken, en dus vroeg ik: waarom staat dat geluid eigenlijk zo hard? O, antwoordde ze, enigszins verrast omdat ik dat zelf niet had kunnen bedenken: dat is voor de slechthorenden! Die had ik niet zien komen, en ik stond even met mijn mond vol tanden. En de goedhorenden, vroeg ik, moeten zij dan maar watten in hun oren stoppen? Daar kon ze niet om lachen. Wij willen ook de slechthorenden de gelegenheid bieden om kennis te maken met Adriaen Brouwer, zei ze een beetje bits. Het klonk alsof ze me een auditieve racist vond, en ik slikte gauw mijn volgende vraag in: en hoe zit het eigenlijk met de slechtzienden, wordt er voor hen ook iets gedaan? 

Was het dit soort domheid waarvoor Adriaen Brouwer wegvluchtte in zijn kroegen, buiten het bereik van ’s werelds ydel goet? Werd ook hij geconfronteerd met de morele schone schijn van zijn tijd en zocht hij daarom het gezelschap van deplorables die lak hadden aan de 17de eeuwse politieke correctheid? Blijkbaar is die schaduw hem gevolgd tot in de 21ste eeuw, want het lawaai in het museum en het gekakel van de audiogids lijken Brouwer nog altijd het zwijgen te willen opleggen. Deze schilder spreekt in stille herfstbeelden, in een taal die onhoorbaar is door het luide gesnater en getater van onze tijd. De moderne mens is als de dood voor de stilte waarin beelden beginnen spreken. Hij is bang voor hun fluisterende stem, die spreekt van een heel andere wereld dan waar de woorden over toeteren, de luidruchtige, geleerde, abstracte woorden die ons van ’s morgens tot ’s avonds omringen, als een cordon sanitaire dat ons moet beschermen tegen wat beelden ons willen vertellen.

We leven in een herfstige wereld, een wereld die steeds donkerder wordt. De beschaving verliest haar bladeren, de doodskrachten rukken op. Het zijn apocalyptische tijden, vol dreiging, verminking en ontbinding. Echte Scorpio-tijden. Maar apocalyps betekent ook openbaring: er wordt in onze tijd een mysterie zichtbaar dat gekend wil worden. Het spreekt met stille stem, in beelden die doorzien willen worden, zoals de beelden van Adriaen Brouwer. Ze lijken trouwens in elkaar over te gaan: de beelden van Brouwer en de beelden van onze tijd. In de prachtige raadzaal van een prachtig stadhuis hingen in gouden lijsten de meest ontluisterende kroegtaferelen die een kunstenaar ooit geschilderd heeft. Is dat geen sprekend beeld van onze moderne wereld? Nooit was er zoveel rijkdom, nooit was er zoveel pracht, maar al dat bladgoud verbergt een wereld die tot een gore kroeg is geworden waar de mens zich overgeeft aan zijn dierlijke driften en zijn bewustzijn verdooft met drank en drugs.

Maar ook het omgekeerde is waar. Zoals de vuile, stinkende kroegen van Brouwer een diep mysterie verbergen, zo verbergt ook onze vuile, stinkende, moderne wereld een onvermoed geheim, een kerstgeheim. De stal waarin destijds het Jezuskind werd geboren, bevond zich in een donkere grot waar mensen zich in vroeger tijden hadden overgegeven aan hun laagste driften en hun menselijkheid helemaal verdoofd hadden. Uitgerekend op die duistere plek werd het nieuwe licht ontstoken, zoals ook onze eigen duistere wereld het toneel is van de wederkomst van Christus. In onze apocalyptische tijd wil iets heel groots zich openbaren, maar het doet dat heel klein en heel stil, voor de mensen van goede wil, die de stem van hun hart niet laten overstemmen door het kabaal van degenen die niet willen zien. Zoals in de grot van Bethlehem een ziel werd geboren die nooit eerder op aarde was geweest, zo dook in Oudenaarde een schilder op die nog nooit een tentoonstelling had gekregen. 

Adriaen Brouwer onthult het wezen van onze tijd, een wezen waar wij niet durven naar kijken omdat het zo lelijk, zo duister en zo laag-tegen-de-grond is, maar ook – en misschien zelfs vooral – omdat het zo mooi, zo mysterieus en zo verheven is. Zoals de kunstwetenschap al eeuwenlang de neus ophaalt voor de boertige taferelen van Brouwer, zo is de moderne mens vol afkeer en morele verontwaardiging over de laagheid van zijn tijd. Maar juist daardoor blijft hij blind voor het genie dat zich uitdrukt in de beelden van die tijd. De verborgen, geestelijke dimensie van de wereld was nooit zo dichtbij en toegankelijk als vandaag. Net als de schilderijen van Brouwer vergen haar beelden geen bijzondere kennis, het volstaat om er met ons hart naar te luisteren. Maar daar ligt juist het probleem. Niet alleen is het bijzonder pijnlijk om ons hart open te stellen voor de ‘kwetsende’ beelden van onze tijd, er staat ook een legioen moraalridders klaar om iedere uiting van ons hart neer te sabelen en ons aan het kruis te nagelen als misdadigers. 

In zo’n hart-vijandige wereld is het werk van Adriaen Brouwer als een godsgeschenk. Zonder angst voor lijf of ledematen kunnen we hier ons hart laten spreken. Alleen en van geen mens gestoord kunnen we een gesprek op gang brengen tussen hoofd en hart. Daarvoor moeten we ons wel afschermen van het-lawaai-dat-uit-de-kelder-komt en van gidsen allerhande die in onze plaats willen spreken. We moeten ons weerloze hart verdedigen, zowel tegen de wilde driften als tegen het arrogante intellect. Maar dat is lang niet zo’n onmogelijke strijd als in het gewone leven. Kunst is tenslotte schijn en geen werkelijkheid. Het is echter wel ware schijn. Wat we in de kunst leren – het lezen van beelden – kunnen we daarna ook toepassen op de realiteit. De kloof tussen beide is weliswaar diep, maar in Adriaen Brouwer hebben we een bruggenbouwer van formaat. Zijn stille stem heeft een grensoverschrijdend karakter: ze klinkt niet alleen over de eeuwen heen, ze klinkt ook tot ver buiten de gouden lijsten van zijn kunst.

Ik vernam die stem reeds nog voor ik de tentoonstelling gezien had. Hoe merkwaardig was het niet dat Adriaen Brouwer na 400 jaar opeens opdook, en dan nog wel vlak naast mijn deur, kort nadat ik in zijn geboortestreek was komen wonen. Dat was nog eens een welkomstgeschenk! Mijn hart sprong op en ik begon de maanden af te tellen. Het stond meteen vast dat ik er met de fiets naartoe zou gaan, in alle rust en stilte, langs de Schelde, tussen de eerste ritselende herfstbladeren. Ik besefte nog niet hoe goed die beelden pasten bij het werk dat ik nog moest zien. En er waren nog meer beelden: de Walburgakerk die al van ver te zien was, de grote markt met haar fontein, het stadhuis als een reliekschrijn, de moderne beeldenstorm die binnenin had plaatsgevonden, de beide boeken die ter gelegenheid van de tentoonstelling verschenen waren, het codeklavier naast de toegangsdeur, de kist met het ingewikkelde beveiligingsmechanisme, de twee portretten van Lievens en Van Dijck, de drie handtekeningen …

Uit dat alles klonk reeds de stem van Adriaen Brouwer nog voor ik hem had gezien. Maar dat realiseerde ik me pas achteraf, nadat zich in mijn gedachten een gesprek ontsponnen had met een man die al vierhonderd jaar dood was, maar wiens geest nog volop leefde en erom vroeg begrepen te worden. In de weken die volgden leerde ik de taal van Brouwers beelden begrijpen. En het waren niet alleen geschilderde beelden. Zo werd ik tijdens mijn ‘taallessen’ drie keer kort na elkaar opgeschrikt door een luide bons. Er was een vogel tegen het raam gevlogen. De eerste overleefde het niet, de twee andere lagen op hun buik met opengesperde bek te hijgen maar waren een uur later alweer verdwenen. Ik stond er niet bij stil, ik legde geen verband tussen buiten en binnen. Dat begon ik pas te doen toen mijn computer opeens uitviel, vlak nadat ik een bericht had geplaatst over de hond op de Gentse boekentoren. Toen begon ik mijn aandacht ook te richten op wat er buiten de schilderijen gebeurde.

De reële beelden bleken echter veel moeilijker te lezen dan de kunstzinnige beelden. Ik zag wel een verband tussen Ahriman en die hond, en misschien stond die dode vogel wel voor Lucifer, maar wat hadden ze met Brouwer te maken? Technisch werkloos zijnde, ging ik dan maar een eindje wandelen. Zoals zo vaak voerde mijn wandeling me naar Dikkele, het stilste dorp in de buurt. Tot mijn ontzetting klonk er dit keer echter luide muziek door de straten. Arbeiders waren een huis aan het verbouwen en dat kon uiteraard niet zonder assistentie van een radio die de tere herfststilte brutaal aan flarden scheurde. Ik haastte me verder en sloeg de hoek om. Daar was het kerkje van Dikkele al, omringd door zijn zwijgende doden. Maar tot mijn verbazing klonk ook daar luide muziek: iemand was het orgel aan het bespelen. Het moest een flink uit de kluiten gewassen instrument zijn, want het dreunde door de hele straat. Eens gaan luisteren, dacht ik. Maar ik morrelde vergeefs aan de kerkdeur. De organist wilde niet gestoord worden.

Ik vervolgde mijn weg en bereikte de rand van het dorp. Alle gerucht was nu verdwenen, je kon de bladeren horen vallen. Ik passeerde een keurig gerestaureerd boerderijtje en wierp er een jaloerse blik op: hier te wonen! Toen zag ik de hond. Opgewonden liep hij achter de haag heen en weer, zijn uiterste best doend om me de stuipen op het lijf te jagen. Maar dat lukte niet, want uit zijn keel klonk alleen wat amechtig gekuch. Dat ik dat nog mocht meemaken: een hese hond! Gewoonlijk zijn het vervaarlijke monsters die ik tijdens mijn wandelingen tegenkom, schuimbekkend van razernij en oorverdovend blaffend. Wat had dit allemaal te betekenen? Waar anders diepe stilte heerste, klonk nu lawaai, waar anders oorverdovend geblaf klonk, was nu alleen wat gekuch te horen. Het leek de omgekeerde wereld wel. Was dat een gevolg van mijn taallessen, van mijn pogingen om de beelden van Brouwer te begrijpen? Ik wist het niet. Ik kon alleen maar ijverig voort studeren, want de wereld telt meer beelden dan Brouwer ooit kon schilderen. 

 

Herfsttij

  

Verleden week vrijdag was het buiten zo grijs en troosteloos dat ik dacht: het zit erop, ik begin aan mijn winterslaap! Maar zie, twee dagen later scheen de zon zo stralend dat het onmogelijk was om binnen te blijven. En dus ging ik wandelen, stak de autostrade over en daalde af naar een weiland waar het lawaai iets minder was. Daar zag ik aan de overkant een muur van bomen die me in verrukking bracht. Een paar weken geleden bestond hij nog uit louter groene ‘bakstenen’, maar die waren nu veranderd in gele, rode, bruine en zilvergrijze bladeren. Ook de verschillende vormen tekenden zich duidelijk af en ze produceerden ieder hun eigen geluid. Waren ze eetbaar geweest, ze zouden zelfs anders gesmaakt hebben. Wat een afwisseling vergeleken bij de eenvormigheid van de zomer! Wat een diversiteit!

De herfst staat duidelijk in het teken van de individualisering. De bomen worden weer zichzelf nadat ze in de zomer slechts deel van het grote geheel waren. Maar die afzondering luidt wel hun dood in. Vandaag staan de bladeren nog aan hun takken, over een goeie maand zullen ze allemaal op de grond liggen. Individualiseren betekent sterven. Dat klinkt triest, maar de natuur toont ons (als de zon tenminste schijnt) hoe ongelooflijk mooi dat sterven is. En ook hoe lang het duurt. Ook in de lente doet de natuur er lang over om geboren te worden. Sterven en geboren worden: ze neemt er ruim de tijd voor. Net als voor dood zijn (in de winter) en leven (in de zomer). Tenminste hier in de gematigde streken, waar er vier seizoenen zijn. Elders is de natuur lang niet zo uitvoerig en kunstzinnig.

Mijn jongste dochter Marianne vertoeft regelmatig in Afrika. Ze heeft daar namelijk een liefje. Vraag me niet waarom ze het zo ver gaat zoeken, ze weet het waarschijnlijk zelf niet. In ieder geval, in Afrika hebben ze maar twee seizoenen: het droog seizoen en het regenseizoen. Die gaan even bruusk in elkaar over als dag en nacht. Ochtend en avond, dat kennen ze daar in Afrika niet, evenmin als lente en herfst. De avond valt er als een baksteen. Het ene moment schijnt de zon nog volop, het volgende moment is het stikdonker. Hoe bedoel je, vroeg ik toen Marianne dat de eerste keer vertelde. Wel ja, zei ze, alsof iemand het licht uitdoet. Je kunt maar best niet te ver van huis zijn op dat moment, want je vindt de weg niet meer terug in het donker. Tjonge, dacht ik, wat een fantasieloze gang van zaken!

Hier bij ons is de avond – net als de herfst trouwens – een tot de verbeelding sprekend gebeuren. Hij valt niet als een baksteen zoals in Afrika, hij daalt neer als een pluimpje. Het duurt een hele tijd voor hij (bij wijze van spreken uiteraard) de grond raakt. Het begint al met het langzaam tot rust komen van de drukke dag. Want ook in de natuur is het overdag druk. Al dat groen groeit echt niet vanzelf, daar moet aan gewerkt worden. Je ziet dat mysterieuze werk niet, maar je voelt wel wanneer het ’s avonds afneemt. Dan treedt er een diepe ontspanning in die een genot is om mee te beleven (als je tenminste niet naast een steenweg of een autostrade woont). En als om dat genot te bekronen, verschijnen dan ten slotte die wonderlijke kleuren aan de hemel, als de dag echt sterft en de zon ondergaat. 

We mogen dan wel aan een steenweg wonen, maar ’s avonds kunnen we door het raam de zonsondergang zien. Voor zolang het nog duurt tenminste, want Bostoen – van ‘Thuiskomen is Bostoen!’ – is heel ons uitzicht aan het volbouwen. ’s Avonds wanneer we naar tv kijken, zitten we de helft van de tijd naar buiten te kijken, niet omdat de film of de tv-serie ons verveelt, maar omdat er weinig op kan tegen een zonsondergang. Opkomen doet de zon vrijwel altijd op dezelfde manier, maar ondergaan doet ze altijd anders. Iedere zonsondergang is uniek, zoals ieder sterven uniek is. Alle mensen worden op dezelfde manier geboren, maar niemand sterft op dezelfde manier. Want allemaal ontwikkelen we ons in meer of mindere mate tot een individu tijdens ons leven. De kleuren van herfst en zonsondergang zijn daar een uitdrukking van.

Wat voor een dag geldt (de zonsondergang) en voor een jaar (de herfst), geldt hoogstwaarschijnlijk ook voor een tijdperk. Johan Huizinga schreef destijds over ‘De herfsttij der Middeleeuwen’. Het lijdt geen twijfel dat we ook vandaag een herfsttij meemaken. Zware wolken verduisteren de hemel, stormen razen door de wereld, doodskrachten heersen overal, de beschaving verliest haar bladeren, de mensheid verschanst zich tussen vier muren, enzovoort. Allemaal in figuurlijke zin natuurlijk. We beleven de ondergang van een tijdperk. Welk tijdperk? Dat is niet duidelijk, maar het ziet ernaar uit dat we voor een lange, koude winter staan die wel eens eindeloos zou kunnen duren. Alsof er nooit meer een lente zal komen. En dan kunnen de beelden van de natuur een steun zijn, vooral dan de beelden van de seizoenen, vooral dan de beelden van de herfst. 

Wat me telkens weer opvalt in die herfst is het enorme verschil tussen goed en slecht weer. Niets is zo deprimerend als een grijze, regenachtige herfstdag, maar als de zon weer schijnt weet je niet wat je ziet. En het gekke is: die prachtige kleuren zijn er ook als de zon verstek laat gaan. Je ziet ze dan alleen niet. Ik herinner me nog dat ik lang geleden op zo’n troosteloos grijze dag met een auto vol kinderen door de Vlaamse Ardennen reed. Opeens brak de zon door en onthulde een onwaarschijnlijk mooie wereld. Ik dacht toen: dát zou een mens moeten kunnen, zelf voor zon spelen! Iets zegt me dat het precies dát is wat we in onze tijd moeten leren: onze innerlijke zon ontdekken, in al dat deprimerende grijs de kleuren waarnemen, de vurige herfstkleuren van de individualisering.    

 

Eikels

20131101-181404.jpg

Iedere rechtgeaarde antroposoof maakt in de loop van het jaar seizoenstafeltjes met wat hij (meestal zij) in de natuur vindt.
Omdat het nooit te laat is om je leven te beteren, heb ik er mij ook eens aan gewaagd.
Zoals u ziet, is het resultaat inderdaad nogal, euh … gewaagd.
Omdat niet al mijn lezers helderziend zijn, zal ik even uitleggen wát u ziet.
U ziet een eenzijdig mannelijk seizoenstafeltje.
Wat hier op mijn kast – pardon, die van mijn vrouw – ligt, is allemaal afkomstig van één enkele plant, een boom: de eik.

De eik is zonder twijfel de mannelijkste onder de bomen.
Je ziet hem dan ook niet veel meer in deze ‘vrouwelijke’ tijden.
Mannelijkheid is ‘out’.
Nochtans is er juist grote nood aan de robuuste, onwrikbare mannelijkheid van de eik.
Geen andere boom straalt zoveel kracht uit.
Geen boom heeft zo’n indrukwekkende stam.
Geen boom ook heeft zo’n zware kruin, getorst door knoestige takken die zich als het ware een weg door de ruimte wringen.
De eik is een boom die de grootste weerstanden kan overwinnen.
Zijn hout is keihard en bestand tegen water.
Zijn wortel gaat loodrecht de grond in en valt daar nooit meer uit te trekken.
Hij is één en al wilskracht en vastberadenheid.
En vasthoudend is hij zeker.
Een schoonheidsprijs zal hij wel niet winnen, maar daarvoor dienen mannen niet.
Daar hebben we vrouwen voor, zoals de zwierige, bevallige berk.

20131101-181449.jpg

Maar als een eik de kans krijgt om zich in volle glorie te ontplooien, dan krijgt hij iets buitengewoon fascinerends waar je je ogen niet kunt van afhouden.
Zo’n eik heb ik eens gezien in Aarschot, in het parkje naast de kerk.
Wie daar in de buurt komt: het loont de moeite om eens te gaan kijken.
Zo’n grootse mannelijkheid krijg je in de natuur niet vaak meer te zien.
Daarbuiten ook niet trouwens.

Wat je echter wel nog kunt zien, en dat loont ook beslist de moeite, is ‘kleine’ mannelijkheid, ‘gevallen’ mannelijkheid.
Ik heb het nu over de zaadvruchten van de eik: de eikels.
De grond is er momenteel mee bezaaid.

Het vallen van de eikels begint reeds in oktober, in de Weegschaal.
Dat valt te begrijpen: mannen vallen voor vrouwelijke schoonheid.
En wanneer is de natuur mooier dan in dit Venus-teken!
Maar de gevallen eikels zijn nog keurig aangekleed: ze hebben hun hoedje nog op.
Ook de natuur is nog aangekleed: ze heeft haar bladeren nog aan.
Maar er hangt liefde in de lucht, mannelijk en vrouwelijk staan tegenover elkaar.
Ze flirten met elkaar.
De vrouwelijke natuur begint al een knoopje los te maken.
De mannelijke natuur gaat al een beetje door de knieën.
De aantrekkingskracht tussen beide neemt toe.

Maar pas in de Schorpioen begint de natuur zich echt uit te kleden.
Venus en Mars ontmoeten elkaar en nu vlamt de hartstocht op.
De echte herfst begint.
Met haar gloeiende kleuren, haar vallende bladeren, haar stormwind.
Nu voert de natuur haar jaarlijkse opwindende strip-tease uit.
En daar is geen enkele man tegen bestand.
Ze vallen dan ook massaal, de eikels.
Maar daar blijft het niet bij.
Ze doen ook nog iets anders.
Zolang de zon in Weegschaal staat, zie je het niet.
Pas in de Schorpioen wordt het zichtbaar, ik heb er dit jaar speciaal op gelet.

20131101-182615.jpg

Om te beginnen verliezen de eikels nu allemaal hun hoedje.
Ze beginnen zich ook uit te kleden, zou je kunnen zeggen.
En als ‘man’ beginnen ze van boven: ze ontbloten het hoofd.
De vrouwelijke natuur begint onderaan: het zijn de onderste bladeren die eerst afvallen.
Of dat echt de regel is, weet ik eerlijk gezegd niet, ik zou er eens moeten op letten.
Maar er is zoveel waarop je in deze tijd van het jaar kunt letten.
De eikels bijvoorbeeld.
Als ze hun hoedje hebben afgezet, beginnen ze open te barsten.
Dat barsten begint bovenaan, aan het topje.
Daar verschijnt een kruisvormige barst.
Die wordt groter en geleidelijk wordt het ‘binnenste’ van de eikel zichtbaar, de eigenlijke vrucht.
Die vormt aanvankelijk nog een eenheid.
Ze heeft ook een bleke kleur, de typische blanke notenkleur.
Maar dan, als de ‘huid’ van de eikel helemaal gespleten is en de blanke pit volledig bloot komt, valt hij in twee helften uiteen.

So far, so good.
Niks bijzonders aan de hand.
Al is dit ‘mannelijke’ gebaar wel uitgesproken dualistisch.
Dat dualisme zie je uiteraard ook in het vallen van de bladeren: boom en bladeren worden gescheiden.
Maar hier gebeurt het veel geleidelijker, veel … vrouwelijker.
Bij de mannelijke eikel is het veel meer een kwestie van buigen of barsten.
Eerst worden eikel en hoed gescheiden, dan barst de eikel open, en dan splijt hij in twee.
Het is ook dualistisch, maar veel scherper, veel duidelijker.

Dan gebeurt er echter iets opmerkelijks dat zelden wordt opgemerkt.
De twee stukken waarin de eikel-inhoud uiteenvalt, beginnen nu … rood te kleuren.
Het is niet het ‘vrouwelijke’ rood van de verkleurende bladeren, want dat is eerder een diepbruin, een zeer aards rood.
Nee, het rood van de verkleurende eikels is een zuiver karmijnrood, het soort rood dat in verdunde vorm het tere baby-rose oplevert.
Het is een heel intens, maar transparant rood.
Heel anders dan de opake roodbruinen van de bladeren.
Ik vermoed dat dit diepe karmijnrood verschijnt onder inwerking van de vochtigheid.
Het is de typische, van onderen af opstijgende vochtigheid van de Schorpioen.
Want dat is één van de opvallende fenomenen in dit seizoen: de bladeren verschrompelen en drogen uit.
Als de wind erdoorheen gaat, geven ze een scherp geluid.
Maar tegelijk stijgt het water van onderaf.
De rivieren en beken staan boordevol water.
De grond is zompig en drassig.
En in die zeer vochtige, natte grond vallen dan de uitdrogende eikels, barsten open en … kleuren dieprood, een naar het blauw zwemend karmijnrood.
Het is, denk ik, de kleur van de Goetheaanse ‘Steigerung’, het violetachtige rood dat verschijnt waar de polaire kleuren geel en blauw elkaar in hun grootste intensiteit ontmoeten.
Dit blauwachtige rood, dat eigenlijk een zeer geconcentreerd rose is, vormt de tegenhanger van het groen, waar geel en blauw elkaar ‘ontspannen’ vermengen.

U merkt het, mijn seizoenstafeltje is tamelijk gewaagd.
Maar ik ben dan ook een volwassen antroposoof.
Ik benader de natuur bewust.
En dan zie je dingen, dingen die je niet meteen verwacht in die ‘reine’ plantennatuur en die duidelijk de ‘onzuivere’ dierlijke natuur van de mens weerspiegelen.
Dat onzuivere ontstaat natuurlijk door het dualistische denken, dat de mannelijke en de vrouwelijke kant van de natuur onderscheidt.

Maar zegt u zelf, wie zou dat ‘onzuivere’ willen missen?
Wie zou de herfst willen missen, dat meest sexy seizoen van allemaal?
Ik alvast niet.
En een rechtgeaarde antroposoof evenmin, want in welk seizoen kun je mooiere seizoenstafeltjes maken!

20131101-152221.jpg

Van twee naar drie (1)

‘Al het goede komt in drieën’, zo heet een boek van Henk Verhoog waarin hij het principe van drieledigheid in het werk van Rudolf Steiner belicht.

Ik citeer:

‘…dat het bij het idee van de drieledigheid om de kern van de antroposofie gaat, om het meest eigene en oorspronkelijke idee dat Steiner heeft ontwikkeld. Met het principe van drieledigheid wilde Steiner een tegenwicht geven tegen het (dualistische) denken in elkaar uitsluitende tegenstellingen. Dat dualistische denken was niet alleen in de tijd van Steiner belangrijk. Ook nu nog speelt het een belangrijke rol, in de vorm van de tegenstelling tussen geloof en wetenschap, tussen cultuur en natuur, tussen geest en lichaam (hersenen), enzovoort.’

‘Drieledigheid is als kerngedachte in het leven van Steiner steeds aanwezig. Het is een kerngedachte die zich in de loop van de tijd ontwikkelt en steeds meer aan inhoud wint. Bij verschillende gelegenheden geeft Steiner aan dat het ongeveer 30 jaar geduurd heeft voordat hij alle facetten van dit principe had doorgrond.’

Henk Verhoog geeft dan een hele reeks voorbeelden van die drieledigheid:

Geest, ziel en lichaam.
Denken, voelen, willen.
Hoofd, hart en ledematen.
Zenuw-zintuigsysteem, ritmisch systeem, stofwisselingssysteem.
Geestesleven, rechtsleven, economisch leven.
Vrijheid, gelijkheid, broederlijkheid.
Religie, kunst en wetenschap.
Vader, Zoon en Heilige Geest.
Lucifer, Christus, Ahriman.
Licht, kleur, duisternis.
Bloem, blad, wortel.
Zwavel, kwik, zout.
Ruimte, tijd, eeuwigheid.
Denken, spreken, schrijven.
Eerste, tweede en derde engelenhiërarchie.
Antroposofie, manicheïsme, rozenkruisers.
Michaëlieten, graalridders, rozenkruisers.
Enzovoort.

Hij vervolgt:

‘Prokofieff noemt Michaël de behoeder van het principe van drieledigheid. Inspiraties die van Michaël uitgaan zijn altijd drieledig.’

‘Ahrimanische en luciferische wezens hebben er baat bij als mensen in dualistische termen denken, door bijvoorbeeld geloof en wetenschap, of goed en kwaad, als elkaar uitsluitende activiteiten tegenover elkaar te stellen. Zij stellen alles in het werk om het principe van drieledigheid te verhullen.
In ‘Die Sendung Michaels’ zegt Steiner dat de strijd tussen luciferische en ahrimanische krachten in de kosmos alles doordringt en dat we de wereld waarin de mens in werkelijkheid staat alleen kunnen begrijpen als we hem drieledig opvatten.’

Zo, tot zover Henk Verhoog.
Dat moet voorlopig volstaan.

20131027-141251.jpg

De aandachtige lezer zal zich nu vragen beginnen stellen.
Zoals: hoe valt deze drieledigheid te rijmen met het feit dat ik niks liever doe dan … in tegenstellingen denken?
Ik kom met dat tweeledige denken zelfs tot de conclusie dat we in onze tijd voor een keuze staan, een keuze tussen goed en kwaad, zonder derde optie.
Als ik daarover in antroposofische kringen spreek (iets wat ik intussen wel afgeleerd heb) zie ik altijd weer monden openvallen.
Ze hebben geen idee waarover ik het heb.
Ze kunnen mijn dualisme niet rijmen met de antroposofische drieledigheid.
Het doet hen dan ook steigeren.
Al van zolang ik me kan herinneren, krijg ik er opmerkingen over.
Je veralgemeent!
Je moet nuanceren!
Je bent veel te absoluut!
Er gaapt met andere woorden een kloof tussen mij en mijn mede-antroposofen.
Zij begrijpen mij niet, en ik begrijp hen niet.

Ik ben nochtans een grote fan van het drieledigheidsprincipe.
Als er iemand is die steeds weer hamert op de afwezigheid van de kunst in de tegenstelling tussen geloof en wetenschap, dan ben ik het wel.
Maar ik ben een even grote fan van het tweeledigheidsprincipe.
Ik snap niet hoe je anders kunt denken dan juist in tegenstellingen.
Henk Verhoog schrijft trouwens zelf: ‘Rudolf Steiner verklaarde dat we de wereld alleen maar kunnen begrijpen vanuit de werking van tegenstellingen, dualistisch dus.’
Welaan dan.
Ik peins er dus niet over om de tweeledigheid op te geven in ruil voor de drieledigheid.
Ik wil ze allebei.
Voor minder doe ik het niet.
Ik zal me dan ook altijd blijven verzetten tegen de exclusiviteit van de drieledigheid.
Die drieledigheid is de sterkte van de antroposofie, maar ze is ook haar zwakte.

In het toch al vrij exclusieve antroposofische wereldje bestaat er een nog exclusiever clubje: dat van de ‘driegeleders’.
Iedere antroposoof weet: dat is een soort apart.
Ik ken er zo eentje.
Schat van een man.
Ik geniet er vooral van wanneer hij (in het Gents) begint te foeteren op de ‘sofen’ met al hun boeken en principes. Want hij is iemand die in de praktijk van het moderne leven staat, en daar heb je niet veel aan mooie theorieën.
Als hij dan uitgefoeterd is, zeg ik: maar ik ben zelf zo’n soof met een hoofd vol theorieën, ik sta geheel en al buiten de praktijk, en toch foeter je niet op mij!
Ik zou niet durven, antwoordt hij dan.
Waarop we alle twee in lachen uitbarsten en een slok van onze Westmalle tripel nemen.
Maar ondanks alle kameraadschap en goede verstandhouding blijft er tussen ons een kloof die onbespreekbaar is en die langzaam maar zeker verwijdering veroorzaakt.
Het is inmiddels alweer jaren geleden dat ik hem nog gezien heb, en ik heb de indruk dat hij mij vermijdt, vanuit een wantrouwen dat dieper ligt dan het gewoon menselijke.

Het is het wantrouwen tussen de twee- en de driegeleders.
En dat zit heel, heel diep.
Ik kan het weten, want ik ben al bijna 30 jaar getrouwd met een driegeleedster.
Zij foetert weliswaar nooit op antroposofen.
En het foeteren op mij heeft ze afgeleerd, want het helpt toch niks.
Maar als we discussiëren over twee- en driegeleding dan gaat het hard tegen hard.
Want het gaat niet zomaar om principes of ideeën.
Het gaat om veel meer.
Het gaat om wie wij in het diepst van onze ziel zijn.
Het gaat om roots die heel ver in het verleden reiken en waarvoor we door het vuur gaan.
Ja beslist, de gensters vliegen eraf als we dit gebied betreden.
Maar het is ook door dit gebied te betreden dat we een hechte eenheid zijn gaan vormen, een eenheid waar we veel plezier aan beleven.

20131027-141426.jpg

Die eenheid is uit strijd geboren.
De aardse strijd tussen man en vrouw enerzijds.
De geestelijke strijd tussen oude en jonge zielen anderzijds.
En de etherische strijd met de draak samen.

Ik had eerst geschreven: de strijd tégen de draak.
Maar dat is het nu juist niet.
La guerre des sexes is geen strijd van mannen tégen vrouwen of omgekeerd.
Het is evenmin een strijd tégen de scheiding der geslachten.
Want wie zou deze scheiding ongedaan willen maken?
Wie zou de ‘wrijvingen’ tussen man en vrouw willen missen?
Wie zou de … liefde willen missen?
Want daar gaat het uiteindelijk om.
Dat is de reden van die ‘oorlog’.
En de voorwaarde voor die liefdesoorlog is de scheiding,
de scheiding die er niet zou zijn zonder de draak.
We vechten dus niet tégen de draak.
We vechten mét de draak.
We vechten om de liefde Gods.

Misschien begrijpt u al een beetje waarom ik zo hardnekkig vasthoud aan mijn ‘tweeledig’ denken, tegen alle antroposofische protesten en bezwaren in.
Ik vecht helemaal niet tégen het drieledig denken, ik vecht mét het drieledig denken.
Ik vecht ermee zoals ik met mijn vrouw vecht: om er mij des te beter mee te kunnen verenigen.
Er staat veel op het spel als man en vrouw met elkaar vechten.
Want zij vechten uit liefde, om de liefde en voor de liefde.
De liefde is het begin en het einde van de strijd.
En daartussen groeit zij.
De liefde groeit door te leven, te sterven en te verrijzen.

Ziedaar de drieledigheid zoals ík ze zie:
een zich voortdurend transformerende tweeledigheid,
een onafgebroken metamorfose van het gevecht tussen de tegenpolen.
En dat gevecht zelf is de derde pool, een pool die steeds in ontwikkeling is.
Ze begint fysiek, bijvoorbeeld als la guerre des sexes.
En geleidelijk, heel geleidelijk wordt ze geestelijker.
Stap voor stap wordt ze een kunst.
En ten slotte eindigt het gevecht als een spel, in de hoge betekenis die Schiller eraan geeft.

Als we de dualiteit in de tijd plaatsen, als een steeds evoluerende relatie tussen twee polen, dan vormt ze geen tegenstelling met de driegeleding, dan IS ze reeds een driegeleding.
Dualisme en driegeleding als een tegenstelling zien, en de een verwerpen ten voordele van de andere, is geen driegeleed maar dualistisch denken.

20131027-141519.jpg

Maar ook de tijd heeft een structuur.
Ze verloopt in zeven fasen, waarvan de middelste een keerpunt is.
En op dat keerpunt moet de mens kiezen.
Daar moet hij kiezen tussen de fysieke liefde (de liefde voor de materie), en de geestelijke liefde (de liefde voor de geest).
In het ‘midden’ van de tijd wordt de liefde vrij of raakt ze definitief in de greep van de draak.
Want in dat midden ontmoeten de tegenpolen elkaar op volle kracht.
Les extrêmes se touchent.
Ofwel vindt dan de ‘Steigerung’ plaats, zoals Goethe het noemt,
ofwel gaat de ‘verlaging’ van de liefde onverminderd door.
Want anders dan in de plantenwereld vindt de ‘verhoging’ in de mensenwereld alleen plaats als de mens het wil, als hij ervoor kiest.
En dat is een buitengewoon moeilijke keuze.
Want in de uitersten die elkaar raken, leven Lucifer en Ahriman.
Zij reiken elkaar in het midden de hand en proberen de mens naar beneden te sleuren.

Over deze keuze lees ik niets in het boek van Henk Verhoog.
Het is alsof hij van het dualisme meteen overstapt naar de driegeleding zonder zich af te vragen hoé dat moet gebeuren.
Daardoor komt hij in een nieuw dualisme terecht: dat tussen dualisme en driegeleding.
Zou dat niet de reden zijn waarom de antroposofische driegeleding niet van de grond komt?
Het hart van de driegeleding ontbreekt, het levende midden, waar een vrije keuze wordt gemaakt.
En als er niet bewust gekozen wordt, krijgen (luciferisch) sektarisme en (ahrimanische) verstarring de antroposofie in hun greep.

Het grote probleem is dus de overgang van ruimte naar tijd.
Wanneer we de drempel overschrijden – en dat doen we allemaal in deze tijd – dan betreden we de etherische wereld, de wereld van de tijd.
Hier zijn geen vaste structuren zoals in de ruimte, alles is er in beweging, alles evolueert, alles metamorfoseert.
Hier vind je de afwisseling van dag en nacht, de afwisseling van de seizoenen, het eeuwig bewegende leven.
Als we hier het bewustzijn niet willen verliezen, dan moeten we ons ‘ruimtelijke’ dualistische denken verlossen uit zijn verstarring.
We moeten het als het ware bevochtigen en kneden zoals een beeldhouwer dat met zijn klei doet.
We moeten het ‘spiritualiseren’.

Dat betekent dat we in processen moeten leren denken.
En dat is heel, heel moeilijk.
Maar juist in de natuur hebben we een prachtig voorbeeld.
Want alles in de natuur speelt zich af tussen licht en donker, tussen hemel en aarde, tussen water en land.
De natuur is door en door dualistisch.
Maar wat een onvoorstelbaar kunstwerk is de kringloop van het jaar, dat dualisme-in-beweging!
En welke schitterende geest drukt zich daarin uit!
Die geest is Christus, de God die zich in de tijd manifesteert.
En hij doet dat vooral in het midden, op het keerpunt van de tijd.

20131027-141701.jpg

In de natuur is dat keerpunt de herfst.
In het denken is dat het tweegelede denken.

In dit tweegelede of polaire denken keert het dualisme om tot driegeleed denken.
Het is een overgangsdenken dat de brug slaat tussen het dualistische ruimtelijke denken en het driegelede geestelijke denken.
Het is het Michaëlische denken-in-actie.

In het dualistische denken komen we tot bewustzijn (ex Deo nascimur).
In het tweegelede denken sterft dit bewustzijn (in Christo morimur).
In het driegelede denken wordt het opnieuw geboren (per Spiritus Sanctus reviviscimur).

Het Michaëlische denken is een stervend dualistisch denken, een herfstdenken.
Maar het is een bewust stervend denken, een denken dat de herfst – en we leven in de herfst der tijden – bewust doormaakt.
En juist omdat het bewust sterft, verrijst het denken ook opnieuw, en wel in een driegelede vorm.
Het driegelede denken is het gestorven en verrezen dualistische denken.
Het is er de metamorfose van, niet het tegenovergestelde.
Een levend driegeleed denken wijst het dualistische denken derhalve niet af.
Het reikt het de hand en vormt er een eenheid mee, een driegelede eenheid:
dualisme – polariteit – driegeleding.
Wie het tweegelede polariteitsdenken niet onderscheidt van het dualistische denken en tegenover beide gaat staan, denkt niet driegeleed.
Hij denkt dualistisch.
En juist omdat hij zich tegen het dualisme keert, is zijn denken zelfvernietigend.

Dat is dan ook de keuze waarvoor de moderne mens vandaag staat:
ofwel leert hij tweegeleed denken ofwel vernietigt hij zijn denken.
En dat geldt ook voor de antroposoof.
Hij mag dan wel veel over de driegeleding denken, maar zolang hij het hart van de driegeleding – het tweegelede denken – vermijdt, zal hij de antroposofie niet kunnen beletten zichzelf te vernietigen.

Ik heb het boek van Henk Verhoog over de driegeleding met grote belangstelling gelezen.
Het is heel interessant en ik kan het iedereen aanbevelen.
Maar er ontbreekt iets in, en wel het belangrijkste: het hart.
Dat wil niet zeggen dat dit boek niet vanuit het hart geschreven is.
Henk Verhoog is duidelijke een enthousiaste, bezielde antroposoof.
Maar het ontbreekt hem aan bewustzijn van dat hart.
Hij betreedt het middengebied niet bewust (genoeg).
En daardoor blijft zijn betoog schematisch en abstract.

Lees bijvoorbeeld wat hij schrijft over de Weihnachtstagung, het Grote Keerpunt van de antroposofie.

‘De Grondsteenspreuk is uitgesproken tijdens de grondsteenlegging, een toespraak van Steiner op 25 december 1923, waarbij hij niet een fysieke grondsteen legde, zoals men pleegt te doen bij een nieuw gebouw, maar een geestelijke grondsteen. Deze grondsteen werd door Steiner ‘in de harten van de mensen gelegd’. Daarmee wordt bedoeld dat het niet alleen gaat om iets dat je met je verstand kunt begrijpen. Het gaat om iets dat in je ziel, in het middengebied van de mens, moet worden opgenomen als een ijkpunt voor al je denken, voelen en willen. Vandaar de grote nadruk in deze toespraak, en ook al tijdens de openingstoespraak op 24 december, op het hart.
In deze openingstoespraak zei Steiner dat de antroposofische vereniging (beweging) alleen recht van voortbestaan heeft als de leden er een aangelegenheid van het hart van maken. Hij gaf verder aan dat hij alle gedelegeerden bijeengeroepen had om ‘een harmonie van harten’ tot stand te brengen.
(…)
De Grondsteen werd door Steiner ter plekke in de etherwereld gevormd uit de krachten van de Triniteit: de geest der hoogten, de Christuskracht in de omtrek en de scheppende Vaderkracht die uit de diepten stroomt.
(…)
Steiner beschreef de Grondsteen als iets dat door de leden in hun hart kan worden opgenomen, iets waarop ze kunnen bouwen bij hun toekomstige werk binnen en buiten de vereniging.
(…)
Daarom sprak Steiner ook over een ‘liefdessteen’. Werkelijk iets nieuws scheppen dat in overeenstemming is met de goddelijke scheppingskrachten, is een daad van liefde. Antroposofie moet na de Weihnachtstagung niet meer alleen gedacht, maar ook geleefd en gedaan worden vanuit het hart als centrum.’

20131027-142015.jpg
(bron: http://www.stella-anthroposophica.de)

Dat is veel ‘hart’ en ‘liefde’.
Volkomen terecht overigens.
Maar wat moeten we ons in godsnaam voorstellen bij die ‘liefdessteen’?
Wat is ‘een grondsteen die in de etherwereld gevormd wordt uit de krachten van de Triniteit en in de harten van de mensen wordt gelegd’?
Het is dit soort formuleringen waar niet-antroposofen finaal op afknappen.
En er zullen ook wel niet veel antroposofen zijn die begrijpen waarover het hier gaat.
Dit is geen antroposofie die ‘niet alleen gedacht, maar ook geleefd en gedaan wordt vanuit het hart als centrum.’
Dit is pre-Weihnachtstagung-antroposofie.
Dit is dualistische antroposofie in een driegeleed kleedje.
Dit is antroposofie die netjes om de hete brij heen loopt.
Dit is het soort antroposofie dat nooit iets kan betekenen voor de wereld.
Goed bedoeld, dat wel, maar krachteloos.

Dat is een hard oordeel, en altijd wanneer ik zo’n oordeel vel, gaat er een alarmbelletje rinkelen.
Ik heb namelijk (met scha en schande) geleerd dat dergelijke oordelen ook altijd op jezelf slaan.
Hoe waar ze ook mogen zijn, als je ze niet op jezelf betrekt, maak je dezelfde fout als degene waarover je oordeelt.
Ik vermoed dus dat mijn eigen uiteenzetting over twee- en driegeleding mank gaat aan hetzelfde euvel: te abstract, te schematisch, te levenloos.
Het probleem is dat je dat zelf niet ziet, want je zit IN het denkproces en dat voelt heel levendig en spannend aan.
Je weet echter niet hoe het er van buitenaf uitziet, voor degene die leest wat je schrijft.

Dus wil ik een volgende keer proberen om een en ander wat concreter, wat levendiger te maken, met het risico dat ik in het andere uiterste val.
Maar dat kun je nu eenmaal niet vermijden.
Het middengebied is het gebied waar risico’s worden genomen.
Het is het gebied van de vrije keuze.
Het gebied ook waar de draak wordt bevochten.
En daar kom je nooit zonder kleerscheuren van af.

20131027-142840.jpg

Beelden van Michaël

De afgelopen week heb ik de hele tijd binnen gezeten, worstelend met een tekst die maar niet af raakte.
Het was begonnen met een onnozele vraag, maar toen kreeg een of andere geest me te pakken en hielp er geen lievemoederen meer aan: hij moest en hij zou een (woorden)lichaam krijgen.
Inspiratie, heet dat.
Het is een zegen en een vloek.
Zoals het moederschap.

Als mijn (woorden)kind een beetje presentabel is, mag u het zien.
U mag dan ook zeggen hoe mooi het is en hoe verstandig het uit zijn oogjes kijkt,
want iets anders wil ik dan niet horen.
Geen enkele moeder wil dat.

Enfin, dit maar om te zeggen dat ik onlangs, voor het eerst in meer dan een week, weer buiten ben geweest.
Ik herkende de wereld haast niet meer.
Het laatste wat ik mij herinnerde, was een zonovergoten landschap bezaaid met zonnekloppers.
Het was wel geen zomer meer en sommige bomen kregen al een kleurtje, maar het voelde nog lang niet aan als herfst.
Dat is nu helemaal anders geworden.
Van de zomer is geen spoor meer te bekennen en alles ademt herfst.
Ik schrok er bijna van.
Overal ligt het vol met bladeren, bomen worden al helemaal geel, en het groen begint transparant te worden, als de huid van oude mensen.
Het is alsof Maagd en Schorpioen dit jaar om oktober vechten en de maand in twee stukken hebben getrokken: een zomers septemberstuk en een grijs novemberstuk.

Maar pas als iets ‘kapot’ is, besef je goed wat het betekende.
Ik heb nog nooit zo duidelijk het dubbele karakter van oktober gezien als dit jaar.
Dubbel in horizontale zin (het Weegschaal-karakter) en dubbel in verticale zin (het Michaël-karakter).

20131017-160238.jpg

Mensen die in oktober geboren worden of sterk onder invloed van de Weegschaal staan, zijn doorgaans geen drakenvechters zoals Michaël.
Het zijn juist mensen die sterk gesteld zijn op vrede en harmonie.
Ze hebben een hekel aan onenigheid en strijd.
Het zijn Venus-mensen, liefhebbers van kunst en schoonheid.
Ze zijn de godin van de liefde toegedaan, niet de god van de strijd.
Ze houden van ronde, vrouwelijke vormen, niet van het rechte zwaard.
Lelijkheid en disharmonie maakt hen ziek.

Toch werd ik dit keer niet getroffen door de schoonheid van de zich uitkledende natuur.
Die zie je maar als de zon schijnt.
Nee, ik werd getroffen door het tegenovergestelde, door het grijs.
Alle kleuren waren verdwenen en hadden plaats gemaakt voor louter grijzen.
Het typische novemberpalet.
Dit herfstgrijs is niet zomaar de kleur die de dingen nu hebben.
Het is een hele atmosfeer die alles doordringt, zowel de hemel als de aarde.
Het is een grijs dat bijna tastbaar is, als het het lichaam van een geest.

Sinds ik ooit een zonsverduistering zag, weet ik dat grijs vol kleuren zit.
Het is maar als je tijdens zo’n zonsverduistering alle kleur en alle leven ziet wegtrekken dat je beseft dat er een wereld van verschil is tussen levend grijs (zoals in de herfst) en dood grijs (zoals de akelige lijkkleur die verschijnt als de zon verduisterd wordt).
We zien dat dode grijs anders nooit omdat het toegedekt wordt met het zwart van de nacht, maar als je het op klaarlichte dag ziet verschijnen, dan is het alsof de wereld sterft en er alleen maar een naakt lijk overblijft.
Het is een schokkende ervaring.
Dat dode grijs is de kleur, of liever: de kleurloosheid, van de draak.
Hij neemt dan – gelukkig maar even – bezit van de wereld.
Je voélt zijn aanwezigheid trouwens ook: vlak voor de zonsverduistering komt hij in volle vaart aangestormd, als Attila met zijn Hunnen.
Je staat dan als aan de grond genageld.

Het grijs dat ik tijdens mijn wandeling zag, was het tegenovergestelde van het drakengrijs dat ik 14 jaar geleden zag.
Het herfstgrijs is als het lichaam van een totaal andere geest, een zachte, moederlijke geest die je als een kind in een deken wikkelt om je te beschermen tegen de kou.
Dit grijs geeft me een intens gevoel van geborgenheid en veiligheid, alsof het een ‘schild’ is tegen de aanstormende draak van november.
Zou het kunnen dat Michaël in dit grijs leeft?
Het bereikt in ieder geval zijn grootste intensiteit aan het eind van oktober, wanneer de Weegschaal overgaat in de Schorpioen en Michaël de draak ontmoet.
Nooit is de atmosfeer méér vervuld van een mysterieuze, zwijgende aanwezigheid dan juist in die tijd van het jaar.

20131017-161243.jpg

Het zijn de dagen voor en na Allerheiligen, wanneer de doden herdacht worden (en ja, heiligen zijn ook doden).
De mens zoekt dan contact met de zielen die zich ‘aan de andere kant’ bevinden, en deze tijd is daar zeer geschikt voor.
Althans, dat leid ik af uit de beelden die nu zichtbaar worden.
Eén van die beelden is het laag hangende wolkendek.
De wolken hebben nu niet meer de scherpe duidelijke vormen die ze in de zomer hadden.
Het zijn geen indrukwekkende beeldhouwwerken meer die als schepen door de lucht zeilen, maar ze zijn als in die lucht opgelost.
Ze zijn hemel geworden, een hemel die heel dichtbij is gekomen.
Met een beetje fantasie kun je er Michaël in herkennen, die aan het hoofd van zijn heirscharen – die zowel uit engelen als (dode) mensen bestaan – de aarde ter hulp snelt.

En die aarde reageert daarop.
De dingen verliezen hun scherpe contouren (Weegschaal is het teken van de zachte, ronde vormen) en de kleuren maken zich los uit de begrenzing van hun materiële vorm. Ze stijgen ten hemel en vermengen zich met grijs van de wolken.
Op dezelfde manier maken de kleuren van de menselijke ziel zich los van het lichaam en stijgen in de vorm van gebeden omhoog, waar ze opgevangen worden door Michaël en de zijnen.

De hemel die zich verdicht, bijna tastbaar wordt en als een beschermend schild over de wereld hangt, en de aarde die oplost in kleuren die zich vermengen met het grijs van de wolken: het is een beeld van de ontmoeting tussen de levenden en de doden in de etherische wereld van de wolken.

Deze toenadering tussen hemel en aarde wordt nog op een andere manier in beeld gebracht.

Oktober is de meest schilderachtige maand van het jaar,
niet alleen door haar kleuren, maar ook door haar vormen.
Het trof me vanmiddag dat de vormen van de aarde (wier zwaarte en scherpte in de zomer zo’n grote tegenstelling vormen met de ijle luchten) nu zowat op gelijke voet staan met de vormen van de hemel: ze zijn beide bijna even grijs en even ‘substantieel’.
En juist die gelijksoortigheid geeft een typisch ‘schilderachtig’ effect.
Want hemel en aarde zijn nu als twee grijze vlakken die aan elkaar grenzen.
Schilderen verschilt hierin van tekenen dat het niet met lijnen maar met vlakken werkt.
Tekenen is als delen: lijnen verdelen het vlak in stukken.
Schilderen is als optellen: je plaatst het ene vlak (een verfstreek is een vlak, groot of klein) naast het andere.
Op die manier bouw je een schilderij op.
Dat zie je op exemplarisch wijze bij Cézanne.
Zijn schilderijen bestaan bijna louter uit vlakken.
Dat geeft het typisch tweedimensionale effect dat ik ook tijdens mijn wandeling waarnam.
Het maakt evenzeer deel uit van de ‘schilderachtigheid’ van oktober als de herfstkleuren.
Door al dat grijs en door die vervagende contouren leek het alsof de dingen geen (gevulde) vormen meer waren die in een (lege) ruimte stonden, maar dat zowel de vormen als de ruimte uit louter grijze vlakken bestonden.
Je moet misschien een schilder zijn om daardoor getroffen te worden, maar je moet zeker geen schilder zijn om het te zien.
Het is heel duidelijk.
De wereld krijgt in oktober iets tweedimensionaals.
Alsof hemel en aarde in één vlak liggen.

20131017-161436.jpg

Dat doet me dan weer denken aan een typische ‘horizontale’ karaktertrek van Weegschaalmensen.
Libra’s hebben de neiging om alles van twee kanten te bekijken, die kanten naast elkaar (in hetzelfde vlak) te plaatsen en vervolgens niet te (kunnen) kiezen.
Weegschalen zijn eeuwige twijfelaars en ze missen de daadkracht van de tegenoverliggende Ram.
Maar het zijn heel goede advocaten, juist omdat ze overal de twee kanten van zien.
De beslissing laten ze aan de jury over.
Ook daarin herkennen we Michaël, want van de aartsengel is bekend dat hij de draak wel verslaat maar niet veroordeelt.
Dat laat hij aan God over.

En aan de mens laat hij de keuze tussen God en de draak.
Daarom doodt hij de draak ook niet, hij pint hem alleen vast, zodat de mens zich een beeld kan vormen van de draak.
Want door de verwarrende tegenstrijdige bewegingen van zijn twee koppen – de luciferische en de ahrimanische – onttrekt de draak zich aan de menselijke waarneming.
Pas wanneer Michaël hem in bedwang houdt, kan de mens zich een beeld van hem vormen.
Michaël dwingt de draak dus om zichtbaar te worden, zodat de mens hem kan ontmaskeren en een vrije keuze maken tussen Goed en Kwaad.
Want een blinde keuze – zonder waarneming van de draak – kan nooit een vrije keuze zijn.

Om dezelfde reden werpt Michaël de draak niet letterlijk ‘op de aarde’.
Want ook dan zou er geen vrije keuze zijn.
Niemand die de draak echt ziet, zal ooit voor de draak kiezen.
Daarom werpt Michaël de draak slechts in figuurlijke zin op de aarde.
Hij dwingt de draak om zichtbaar te worden in de etherische wereld, de wereld van de levens- en vormkrachten, de wereld van de beelden (of van de wolken, zoals de bijbel het uitdrukt).
Daar dwingt Michaël de draak om vorm aan te nemen.
Geen fysieke vorm, maar een beeldvorm, het soort beeldvormen dat ik hier probeer te beschrijven.
Die ‘etherische’ beelden zijn de helpende hand die Michaël de mens reikt.
En die uitgestoken hand moet de mens grijpen, of beter: kán de mens grijpen, want Michaël laat hem vrij.
Beelden laten de mens vrij.

20131017-161817.jpg

Niemand is verplicht om de beelden die hij tijdens een herfstwandeling ziet, als metaforen te zien, als beelden van een ‘andere wereld’.
Hij kan ze heel gewoon als fenomenen van ‘deze wereld’ zien, fenomenen die hij al zo vaak gezien heeft dat hij er geen aandacht meer aan besteedt.
Toch is het moeilijk om in dit seizoen niet onder de betovering te komen van de mysterieuze schoonheid van de natuur.
Op geen enkel moment van het jaar zijn haar beelden zo sprekend.
Ze zijn indringend maar niet opdringerig, aantrekkelijk maar niet verleidelijk, indrukwekkend maar niet overweldigend.
De beelden van oktober zijn evenwichtig en toch dramatisch, ze zijn rustig en toch levendig, ze zijn kleurrijk maar nooit schreeuwerig.
Ze zijn kortom kunstzinnig.

Natuurlijk heb je ook in de andere seizoenen prachtige natuurbeelden, zonsondergangen bijvoorbeeld.
Ze zijn echter van een schoonheid die zich niet in (cultuur)beelden laat vatten.
Een zonsondergang schilderen is vrijwel onmogelijk.
Het levert meestal pure kitsch op.
Deze zomerse schoonheid laat zich ook niet in mentale beelden vatten.
Ze gaat ons voorstellingsvermogen te boven, en aangezien we voorstellingsbeelden nodig hebben om iets te kunnen begrijpen, gaat ze ook ons begripsvermogen te boven.
De zomer is – letterlijk en figuurlijk – te hoog gegrepen voor ons.
Ook de lente en de winter zijn moeilijk toegankelijk voor ons denken.
Maar ‘gedempte’, zowel hemelse als aardse beelden van de herfst laten zich gemakkelijker begrijpen door de mens.
Ze buigen zich als het ware omlaag naar hem.

Oktober is als een schilderij dat we rustig kunnen bekijken.
Zijn (uiterlijke) herfstbeelden hebben een meditatief, verstild karakter, zodat de stap naar (innerlijke) voorstellingsbeelden niet zo groot is.
Bovendien zijn die stille beelden zo veelzeggend, dat ook de volgende stap – van de voorstelling naar het begrip – minder groot is.

Kortom, oktober is een kunstwerk, een sprekend beeld.
En het is Michaël die dit kunstwerk doet ontstaan door met de draak te vechten.
Hij daalt uit de hemel af en zijn licht ontmoet de duisternis die uit de aarde opstijgt.
Uit de botsing tussen engel en beest slaan gele en rode gensters, en ontstaan al die diepe, met een gouden glans overgoten, oktoberkleuren.

Maar niet alleen oktober is het resultaat van een gevecht met de draak.
Ieder kunstwerk is dat.

20131017-162001.jpg

Dat kunnen we duidelijk aflezen aan de biografieën van kunstenaars, en vooral dan beeldende kunstenaars.
Zij betalen een zware prijs voor hun kunst.
Ze komen nooit zonder kleerscheuren uit hun strijd met de draak.
Die strijd is dan ook een offer, want zij weten nooit of ze zullen ‘terugbetaald’ worden.
De materiële armoede waarin ze zo vaak leven, is slechts een beeld van het geestelijke onbegrip dat ze zo vaak ontmoeten, en dat is op zijn beurt het gevolg van het (moderne) onvermogen om beelden te lezen en te begrijpen.

Maar juist dat onvermogen waarborgt de menselijke vrijheid.
Want Michaëls beelden worden steeds sprekender en indringender.
Dat merken we bijvoorbeeld aan het weer, dat steeds extremer wordt en van het ene uiterste in het andere valt.
Maar juist dat hevige schommelen maakt bijvoorbeeld deze oktobermaand zo expressief, zo veelzeggend, zo transparant voor de geest(en) die er zich in uitdrukken.
Dat merken we ook aan de steeds extremer wordende kunst van onze tijd.
Net als deze oktobermaand is de kunst in twee stukken uiteengevallen en daardoor is ze buitengewoon sprekend, om niet te zeggen luid roepend, geworden.
Maar de moderne mens hoort dit roepen niet.
Hij is niet bij machte zich een (volledig) beeld te maken van de kunst.
Hij slaagt er niet in om haar twee ‘stukken’ naast elkaar te plaatsen en in hun onderlinge relatie te zien.
En daarom hoort hij ook niets van het gesprek dat ze met elkaar voeren.
Hij blijft net zo blind en doof voor de cultuurbeelden als voor de natuurbeelden van onze tijd.

Maar vroeg of laat zal de mens toch moeten kijken en luisteren naar die Michaëlische beelden, want ze tonen ons een wereld die steeds extremer wordt, die steeds meer uit elkaar valt in twee stukken die elkaar steeds heviger bestrijden.
De strijd tussen Michaël en de draak wordt steeds meer een strijd van mens tegen mens. We stevenen af op wat Rudolf Steiner ‘de strijd van allen tegen allen’ noemt.

Dezelfde Steiner vertelt hoe Michaël de draak in de hemel heeft verslagen en hem op de aarde heeft geworpen.
De geweldige – en gewelddadige – tegenstellingen die sinds de aanvang van het Michaëltijdperk in 1879 de aarde blijven teisteren, zijn daar een gevolg van.
De strijd met de draak heeft zich van de hemel naar de aarde verplaatst.
Maar hier op aarde is het de mens die deze strijd moet uitvechten.
Hij moet de taak van Michaël overnemen.
Als hij dat wil tenminste, want Michaël laat de mens vrij.

Michaël is de engel die ‘voor het aangezicht van Christus staat’.
Hij gaat dus niet mee met Christus, hij komt niet op aarde en wordt geen mens.
Hij houdt afstand, hij blijft tegenover de aarde staan.
En als zodanig vertegenwoordigt hij het bewustzijn van wat zich op de aarde afspeelt, het bewustzijn van Christus, van de mens, van de draak.
Hij vertegenwoordigt dan ook het zelfbewustzijn van de mens, diens vermogen om tegenover zichzelf te gaan staan en in zichzelf zowel Christus als de draak waar te nemen.
Michaël vertegenwoordigt het beeld dat de mens van zichzelf heeft.
En dat is in de eerste plaats een dubbel beeld,
het beeld van een wezen dat zowel het goede als het kwade in zich heeft.

20131017-162426.jpg

Michaël is degene die de mens helpt om onderscheid te maken tussen deze twee kanten van zijn wezen.
En van dat onderscheid hangt alles af.

Want als de mens in zichzelf geen onderscheid meer maakt tussen Christus en de draak, als hij zichzelf ziet als een wezen uit één stuk, dan gebeurt wat we vandaag in toenemende mate zien gebeuren: de mens wordt heen en weer geslingerd tussen de twee koppen van de draak, tussen luciferische zelfverheffing en ahrimanische zelfhaat.
En hoe heviger dat slingeren wordt, des te moeilijker wordt het voor de mens om mens te blijven.
De zelfverheffing brengt hem in een roes die hem blind en doof maakt voor de realiteit, en vooral dan voor zijn eigen realiteit.
De zelfhaat botst met deze buitensporige eigenliefde en wordt naar buiten geprojecteerd. Ze verandert in minachting en afkeer voor de mens in het algemeen, en in het zoeken naar een zondebok in het bijzonder.

Het is niet moeilijk om dit nieuwe mensentype te herkennen in onze tijd.
Het is de mens die zich moreel superieur waant aan de anderen, niet omdat hij superieur is maar omdat hij zijn eigen inferioriteit – de draak-in-zichzelf – op anderen projecteert.
Dit nieuwe mensentype, dat we vooral terugvinden bij de intelligentsia (politici, journalisten, schrijvers, enzovoort), zet natuurlijk kwaad bloed bij degenen die als moreel inferieur worden beschouwd en aan de lopende band beschuldigd van onverdraagzaamheid, haatdragendheid, racisme, discriminatie, enzovoort.
Zij reageren met wederbeschuldigingen, zij kaatsen bij wijze van spreken de draak die op hen wordt geprojecteerd terug, maar ontketenen daarbij hun eigen draak.
En zo ontstaat een vicieuze cirkel die de draak steeds sterker maakt tot hij alle menselijkheid uit de strijdende partijen verwijderd heeft en ze elkaar als beesten te lijf gaan.

Zo groeit vandaag onder onze ogen de ‘strijd van allen tegen allen’, en de enige manier om hem te stoppen, is door hem terug te voeren tot zijn oorsprong, en dat is de tegenstelling in onze eigen ziel tussen Christus en de draak.
Maar om die tegenstelling duidelijk waar te kunnen nemen, moeten we tegenover onszelf kunnen gaan staan.
We moeten de kracht ontwikkelen die Michaël vertegenwoordigt, de kracht van het zelfbewustzijn. En dat is niet het luciferische, gevoelsmatige zelfbewustzijn dat ons zo gemakkelijk verleidt tot eigenliefde, egoïsme en zelfverheffing, maar het Michaëlische, scherp onderscheidende, nuchtere en realistische zelfbewustzijn.
De grote vijand van dat zelfbewustzijn is de draak, want hij wil niet gezien worden.
Zijn kracht ligt juist in zijn onzichtbaarheid, een onzichtbaarheid die hij bewerkstelligt door de mens heen en weer te slingeren tussen zijn twee koppen, Lucifer en Ahriman.

De strijd met de draak, die een strijd om zelfbewustzijn is, begint met het onderscheiden van de twee koppen van de draak, vervolgens dringt hij door tot ‘the heart of darkness’ of het wezen van het kwaad, en hij eindigt met het onderscheid tussen Christus en de draak.

Op dat moment valt de keuze.

Niemand zal bij vol bewustzijn voor het kwaad kiezen, dat is onmogelijk.
Wie Christus en de draak duidelijk voor zich ziet, hoeft in feite niet meer te kiezen.
De keuze voltrekt zichzelf.
Maar dat betekent dat de vrijheid van keuze niet in de keuze ligt, maar in de bewustwording ervan.
Wij zijn niet vrij om te kiezen of niet te kiezen.
Ook als we weigeren te kiezen, kiezen we nog.
Kiezen is onze condition humaine.
Er valt niet aan te ontsnappen.
Onze enige vrijheid ligt in de bewustwording van datgene waartussen we kiezen.
En die bewustwording is een zelfbewustwording, want de twee wezens waartussen we (uiteindelijk) moeten kiezen, leven in onszelf.
Om een echt vrije keuze te kunnen maken, moeten we diep in onszelf doordringen tot zich een duidelijk onderscheid aftekent tussen goed en kwaad.

En dat onderscheid is zéér persoonlijk.

Het gaat om de Christus-in-ons en de-draak-in-ons, dat wil zeggen om de volkomen geïndividualiseerde en unieke vorm waarin goed en kwaad in onze ziel leven.
Deze individuele vorm van goed en kwaad noemt de antroposofie het Ik van de mens en zijn dubbelganger.
Ze worden ook de twee Wachters aan de Drempel genoemd, de drempel van de geestelijke wereld.
Aangezien we die drempel vandaag allemaal overschrijden, ontmoeten we ook allemaal deze twee ‘poortwachters’.
En alles hangt ervan af of we hen onderscheiden.
Want ze doen zich niet tegelijk aan ons voor.
Eerst ontmoeten we de ‘kleine wachter’: onze dubbelganger.
Hij verspert ons de weg tot de geestelijke wereld.
Niet omdat we er niet in mogen, maar omdat ons Ik nog niet sterk genoeg is om overeind te blijven in de wereld van de geest.
Het is pas sterk genoeg als we de draak, onze eigen zeer persoonlijke draak, onder ogen kunnen zien. Want dat ‘stalen’ onderscheidingsvermogen hebben we nodig om de geestelijke wereld te betreden zonder dat ons Ik daarin oplost als in een bijtend zuur.

20131017-163306.jpg

Het is dat ‘geharnaste’ onderscheidingsvermogen dat Michaël ons verleent en dat we ontwikkelen in de strijd met de draak.
We vechten met de draak om hem zichtbaar te maken, om ons een duidelijk beeld van hem te vormen.
Dat beeld hebben we nodig om aan de drempel onderscheid te kunnen maken tussen beide poortwachters.
Want achter de draak staat Christus, als de stralende zon van ons eigen (hogere) Ik.
Als we zijn licht waarnemen, kan niets ons nog tegenhouden. We ontbranden dan in liefde en werpen ons in zijn armen.

Dat is het grote gevaar dat we lopen bij het overschrijden van ‘de drempel’.
Als we het licht van Christus waarnemen zonder dat we onze dubbelganger duidelijk waarnemen, dan werpen we ons met een allesoverweldigende liefde in de armen van deze laatste terwijl we ervan overtuigd zijn ons in de armen van de eerste te werpen.
De omstrengeling van mens en draak die dan ontstaat, kan niemand nog losmaken, want ze wordt bezield met de zuivere, onbaatzuchtige en zelfopofferende liefde van ons Ik voor Christus.

Ook Christus kan ons dan niet helpen, want hij laat de mens vrij.
Als die mens zijn liefde wil gebruiken om zich te verenigen met de draak, dan respecteert Christus die keuze.
En de tragiek is dat hij de mens zijn liefde blijft schenken, waardoor de band tussen mens en draak steeds sterker wordt.
De (weder)liefde die de mens voor Christus voelt, brengt hem ertoe om, zoals Paulus, te zeggen: niet ik, maar de Christus in mij!
Diezelfde liefde brengt hem ertoe die woorden ook tegen de draak te zeggen.
Hij offert zijn eigen Ik op aan de draak.
Hij maakt, uit pure liefde, plaats voor de draak.
En de draak neemt de plaats in van zijn Ik waardoor hij de mens helemaal in zijn macht krijgt.
De mens verkóópt zijn ziel niet aan de duivel, hij schénkt hem zijn ziel, onvoorwaardelijk.

Dat is de reden waarom Michaël in onze tijd – de tijd van de drempeloverschrijding – zo’n kapitale rol speelt.
Hij wil de mens beletten om onherroepelijk in handen van de draak te vallen.
Hij wil voorkomen dat de liefde van Christus het voedsel wordt van de draak.
Hij wil vermijden dat deze liefde omgezet wordt in haat.
En dat kan alleen als hij het onderscheidingsvermogen van de mens versterkt.
Want dát bepaalt of de mens voor Christus kiest of voor de draak.
En die keuze moeten we ons voorstellen als een uitbarsting van liefde, als een onweerstaanbare drang tot vereniging.
Als die eenwording eenmaal begint, valt ze niet meer te stoppen.
Het stoppen moet daarvóór gebeuren.
Vóór de mens zich in de armen werpt van zijn geliefde, moet hij het wezen van die geliefde kunnen waarnemen, want als hij zich vergist en ‘voor de verkeerde kiest’, dan zal zijn liefde veranderen in de grootste kwelling.

Michaël wil de mens dus de ogen openen in de liefde.
Hij wil dat de mens bewust liefheeft, en ‘de ware’ herkent voor hij zich in een alles verterende liefdesaffaire stort.
Maar hij kan en wil de mens niet dwingen om deel te nemen aan zijn ‘liefdesschool’.
Hij kan hem niet beletten om met vuur te spelen.
Wat doet hij dan wel?

20131017-163652.jpg

Hij geeft het voorbeeld.

Hij is de grote minnaar van Christus.
Hij volgt Christus overal.
Van de grootste hoogten van de geestelijke wereld is hij Christus gevolgd op diens weg naar de aarde. Zo komt het dat een ‘simpele’ aartsengel de aanvoerder kan zijn van de ‘hemelse heirscharen’. Hij is de plaatsvervanger van Christus, nu deze de geestelijke wereld verlaten heeft om zich te verbinden met de aarde en de mensheid.
Het is zijn grote offer om zijn Geliefde niet te volgen tot in de materie, maar in de geestelijke wereld te blijven.
Maar hij daalt wel af tot in de laagste sferen van die wereld, de sferen die onmiddellijk aan de aarde grenzen.
En daar blijft hij staan.
Hij beheerst zijn brandende liefde, hij belet haar om zich in de daad van de vereniging uit te storten.
Hij staat pal en kijkt zijn Grote Liefde in het gelaat.
Door die bovenmenselijke terughouding vormt zich in hem een beeld van de nieuwe Christus, de verrezen Christus die door de dood in de materie is gegaan.

Michaël volgt Christus niet ‘in den vleze’, maar hij volgt hem wel met hart en ziel.
Hij is getuige van het offer van Christus, hij lijdt met Christus mee, en uit dat medelijden ontstaat het inzicht in dat offer.
Dat inzicht is het – het inzicht in wat Steiner ‘het mysterie van Golgotha’ noemt – dat Michaël op zijn beurt offert aan de mens.
Maar hij doet dat niet in heldere begrippen, want dan zou hij de vrijheid van de mens in het gedrang brengen.
Hij doet het in beelden, in scheppende impulsen.

Vanuit de sfeer van de aartsengelen schept hij in de etherische wereld – de wereld van de levens- en vormkrachten – beelden, beelden van Christus en zijn grote offer, beelden van het wezen van de liefde, beelden die de mens vrij laten.
En Michaël wacht af.
Hij wacht tot de mens die beelden waarneemt, begrijpt en navolgt.
Dat is wat Michaël doet: hij geeft het voorbeeld, letterlijk en figuurlijk.

Michaël is de kunstenaar van de geestelijke wereld.
Hij schept beelden van Christus, iets wat hij nooit zou kunnen als hij zich zou verenigen met Christus, maar evenmin als hij Christus niet zou volgen bij zijn afdaling.

Een kunstenaar moet afstand nemen van zijn model, anders duikt hij ermee in de koffer, zoals een klassiek grapje uit de kunstwereld luidt.
Maar hij moet er ook dicht genoeg bij blijven om alles goed te kunnen zien.
En dat moet zowel in letterlijke (fysieke) zin als in figuurlijke (innerlijke) zin worden begrepen.
Een schilder mag niet toegeven aan de erotische verlangens die een model in hem oproept.
Dat is de Lucifer in zich die hij moet overwinnen.
Maar hij mag evenmin toegeven aan de puriteinse, onpersoonlijke invloed van Ahriman die in dat model louter abstracte vormen ziet.
Hij moet het midden houden tussen die twee.
Net zoals de kijker.
Die mag zich niet in de ‘armen’ van het geschilderde model gooien en zich laten leiden door zijn persoonlijke voorkeur (voor bepaalde modellen, bepaalde kunstenaars, bepaalde stijlen of technieken).
Maar hij mag zich evenmin laten verleiden tot een koel-rationele onpersoonlijke benadering van de kunst.
Hij moet beide verenigen, hij moet een beheerste minnaar zijn.

20131017-164753.jpg

Michaël is degene die zowel de kunstenaar als de kijker inspireert.
Als nooit tevoren roept hij in de kunstenaars van onze tijd het beeld op van de strijd met de draak. Als nooit tevoren appelleert hij ook aan het oordeelsvermogen van de kijker om deze beelden te ‘lezen’ en te begrijpen.
De strijd met de draak is het hoofdthema van de kunst van onze tijd. Alle andere thema’s zijn daaraan ondergeschikt.
Kunstenaars hebben geen andere keuze dan deze strijd gestalte te geven.
Maar zij doen dat niet bewust, anders zouden ze geen kunstzinnige beelden kunnen scheppen, beelden die de vrijheid van de kijker waarborgen.
Daarin bestaat hun offer.
Zoals Michaël afstand doet van zijn inzichten, van zijn ‘kosmische intelligentie’ zoals Steiner het noemt, zo doen ook de kunstenaars afstand van hun oordeelsvermogen.
Ze geven het in handen van de kijker.
In hun liefde voor Christus, in hun Michaëlische streven om beelden van Christus te scheppen, leveren de kunstenaars van onze tijd zich blindelings over aan de strijd met de draak.
Het gevolg is dat zij niet weten of zij zich laten leiden door Michaël of de draak.
Dat onderscheid moet de kijker maken.
In zijn handen ligt het lot van de hedendaagse kunstenaar.
En het is een huiveringwekkend lot, dat kunnen we aflezen aan de hedendaagse kunst.
Als we tenminste de moed hebben om over die kunst te oordelen, om onderscheid te maken tussen goed en kwaad.
En hier ligt het zwaartepunt van de huidige strijd met de draak.
Hier ligt de vrijheid van de mens: niet in zijn doen en handelen (daarin wordt hij, net als de kunstenaar, meegesleurd), maar in zijn oordelen over het resultaat van dat handelen.

Zonder dat we het beseffen, zijn we allemaal kunstenaars geworden.
Ons doen en handelen is ‘scheppender’ dan ooit.
We worden meer dan ooit gedreven door liefde.
Maar die liefde is blind.
En waar het in deze tijd om gaat, is dat onze liefde ‘ziend’ wordt.
Anders wordt ze omgekeerd tot haat, anders worden onze scheppingskrachten veranderd in vernietigingskrachten.
En hoe reëel dat gevaar is, zien we elke dag.
Onze grootste opgave ligt dus in de bewustwording van de liefde, de kunst en de natuur.

Ik vind het een mysterie van de grootste orde dat de hele dramatiek van onze tijd besloten ligt in de herfstbeelden van oktober.
Het is door naar die beelden te kijken en te proberen ze te ‘lezen’ dat ik op al die gedachten over Michaël en de draak ben gekomen.
Niet omgekeerd.
Michaël is voor mij altijd een zeer ongrijpbare figuur geweest.
Wat ik erover las, vergat ik meteen weer.
Het enige boek dat ik over hem had (van Emil Bock) heb ik eens uitgeleend en nooit meer teruggekregen. Ik weet zelfs niet meer aan wie ik het heb uitgeleend.
Ik kreeg geen vat op deze zwijgende, mysterieuze figuur.
Tot dit jaar, tot deze zo contrastrijke maand oktober.
Toen heb ik hem herkend.
In de herfst, in de natuur.

Het zal wel geen toeval zijn dat ik deze maand zowel geschilderd heb (met verf) als beschreven (met woorden).
Ik was er nooit in geslaagd die twee samen te doen.
Tot deze herfst.
Ik denk dan ook dat we deze drie niet kunnen los zien van elkaar: de natuur, de kunst, en de (geestes)wetenschap.
Zij vormen in mijn ogen het Michaëlische driemanschap.
Laat één ervan weg en de andere twee werken niet meer.
Want alle goede dingen bestaan in drie.

20131017-165831.jpg

De twee gezichten van oktober

Wat een weer!
Regen en wind, rondvliegende bladeren, grijze wolken.
Dit is oktober niet, dit is november!
Allerheiligenweer.
Verleden zondag zat ik nog in Brugge te schilderen, in hemdsmouwen en op blote voeten, onder een boom, want in de volle zon was het net iets te warm.
Het grasveld voor mij lag bezaaid met zonnekloppers.
Het was een gouden dag.
De zomer leek niet te willen eindigen.

20131013-133058.jpg

Vandaag, precies één week later, staat opeens de winter voor de deur.
Geen weer om een hond door te jagen.
Geen kat te zien op straat.
Iedereen zit bij de kachel (letterlijk of figuurlijk),
en overal zijn de lichten aangestoken.
In één week tijd van warm naar koud, van droog naar nat, van buiten naar binnen: het is kort, heel kort.
Ik maakte me op om nog een paar weken buiten te gaan schilderen.
Een portret maken van de herfst: die kans krijg je niet ieder jaar.
Maar die kleurige, schilderachtige herfst is opeens verdwenen.
Ze heeft plaats gemaakt voor louter grauw en grijs.
Allemaal in het bestek van één week.

Het is alsof oktober zich opeens heeft omgekeerd, en in plaats van een glimlachend gouden gelaat nu een duister kijkende grauwe tronie toont.
Is dit dezelfde maand?
Het is nauwelijks te geloven.

Komt allemaal door Global Warming, jagen de geleerden ons schrik aan.
Wij koken van woede, roepen de geldinzamelaars.
Ja, de schalen van de Weegschaal slaan ver door.
Angst en woede, kille berekeningen en verhitte emoties, schuld en boete.
Het is alsof we gewoon meebewegen met het weer.
De ene week kijken we vrolijk en zeggen: het leven is mooi!
De volgende week staat ons gezicht op onweer en vervloeken we de mens.
Maar juist omdat we meebewegen, kunnen we geen afstand nemen en de zaak rustig en objectief bekijken.

Dat geldt uiteraard niet alleen voor oktober.
Af en toe, wanneer ik door de natuur en door het jaar wandel, dringt de gedachte zich aan me op:
niet alleen de natuur verandert, ook mijn manier van kijken verandert!
Ik kijk bijvoorbeeld naar oktober als een schommelende weegschaal: Himmelhoch jauchzend (als de zon schijnt), zum Tode betrübt (als ze verdwijnt).
Of ik kijk naar november met een sombere blik, alsof er iemand gestorven is en ik opeens aan dingen denk waaraan een mens anders nooit denkt.
In april bijvoorbeeld, denk ik nooit aan de dood of andere sombere dingen.
Nee, ik ben vol levenslust en maak plannen voor de zomer.
Ik kijk naar april zoals april zelf is.
Ik spiegel haar gewoon, zoals ik de hele kringloop van het jaar spiegel.
En toch noemt de dichter april ‘the cruellest month’.
Toch wordt uitgerekend in deze maand-van-het-leven het kruis van de dood opgericht.

Zouden alle maanden zo’n dubbel gezicht hebben?

Op november volgt december, de donkerste maand van het jaar.
Nog veel somberder dan de dodenmaand.
Maar uitgerekend in deze maand wordt de geboorte van het kind gevierd!
December is met voorsprong de gezelligste maand van het jaar, met overal lichtjes en muziek, met feesten en geschenken.
‘It’s the most beautiful time of the year’, zingt Bing Crosby.
Januari is totaal anders.
Het is misschien wel de meest troosteloze maand van het jaar.
De feesten zijn voorbij en iedereen zit met een kater.
Er moet weer gewerkt worden en de lente is nog ver.
Maar juist in deze maand komt het licht terug, sterker en zuiverder dan ooit.
Dat komt tot uitdrukking in onverwacht zachte dagen, alsof de lente er reeds is, maar nog moet wachten om op het toneel te verschijnen.

En zo kunnen we het hele jaar doorlopen.
Iedere maand heeft twee gezichten, twee tegengestelde kanten.
Maar daar letten we gewoonlijk niet op omdat we, zonder het te weten, meebewegen met de natuur.
Als het goed weer is, zijn we goedgezind en vol goede moed.
Is het slecht weer, zijn we slechtgezind en depressief.
En zo kijken we ook naar de natuur.
Als een spiegel.

Het was verleden zondag niet moeilijk om vol bewondering naar de natuur te kijken.
Maar vandaag is het dat wel.
Het is niet alleen moeilijk om door het raam te kijken en te denken: wat is oktober toch prachtig!
Het is moeilijk om door het raam te kijken tout court, want het is nat en aangedampt.
Om goed te kunnen kijken, zou je buiten moeten gaan.
Maar daar is het al even moeilijk om rustig waar te nemen.
Want je bril wordt nat, je moet je paraplu in bedwang houden, je moet opletten dat je niet in een plas trapt, en onwillekeurig zet je er de pas in om warm te krijgen.
Kortom, je beweegt, je wordt actief, en dat is niet de beste manier om helder waar te nemen.
Wel integendeel.
Volgens Steiner is beweging en activiteit een vorm van slapen.
In ons wilsleven slapen we.
In ons gevoel dromen we.
Pas in ons onbeweeglijke hoofd zijn we echt wakker.

Daarom wordt een mens zich pas echt bewust van de verandering der seizoenen als hij ouder wordt en strammer, en dus niet meer zo gemakkelijk kan meebewegen met de seizoenen.
Althans, zo ervaar ik het.
Ieder jaar kijk ik met meer bewondering en fascinatie naar dat bewegende kunstwerk dat het jaarverloop is, deze dans der maanden.
Rudolf Steiner noemt de dierenriem ‘de dans der cherubijnen’.
De cherubijnen zijn de op één na hoogste hiërarchie van het engelenrijk.
Boven hen staan alleen nog de serafijnen, de engelen der liefde.
De cherubijnse dans der maanden is dus een kunstwerk dat moeilijk te overtreffen is.
Het is dan ook niet eenvoudig om ernaar te kijken en het te begrijpen.
Eigenlijk moet je daar oud voor worden.
Oud en onbeweeglijk.

20131013-153433.jpg

Oktober is de beste maand om de dans der cherubijnen waar te nemen.
We bevinden ons op de grens tussen leven en dood.
Halverwege tussen midzomer en midwinter.
Dat is ook het geval als de lente begint,
maar dan sterft de natuur niet, dan wordt ze geboren.
Dan kunnen we het kunstwerk van het jaarverloop niet waarnemen,
en als we het toch doen, is het veel te pijnlijk.
Sterven kunnen we bewust doen, want het is een langzaam uitdoven.
Maar een geboorte is zo heftig dat ze ons bewustzijn uitschakelt.
Beide processen spiegelen elkaar, want het gaat in beide gevallen om een overgang tussen materie en geest.
Maar de stap van geest naar materie (de geboorte) ervaren we als korte maar ondraaglijke pijn,
terwijl de omgekeerde stap van materie naar geest (het sterven) veel langgerekter is, en daarom draaglijker.

Dat is het verschil tussen de herfst en de lente.
De lente dwingt ons als het ware om (met haar mee) te bewegen, en op die manier maakt ze het ons bijna onmogelijk om het bewustzijn te bewaren en haar helder waar te nemen.
De herfst daarentegen dwingt ons om tot stilstand te komen en naar binnen te keren, en op die manier nodigt ze ons uit om afstand te nemen, om te kijken en na te denken.
De herfst nodigt uit, maar ze dwingt niet.
We kunnen kijken, maar we kunnen net zo goed niet kijken.
We kunnen beide kanten uit.
Weegschaal, weet u wel.

Dat is wat ik momenteel ervaar in deze merkwaardige oktobermaand.
Ik ben twee weken lang bijna dagelijks buiten gaan schilderen, en schilderen is kijken in het kwadraat.
Ik zat dus helemaal in de kijk-modus.
En opeens was het gedaan.
Opeens moest ik de kachel aansteken en me afsluiten van de natuur.
Maar omdat ik niet meer de flexibiliteit heb om soepel met deze omslag mee te bewegen (voor zover ik die ooit gehad heb) bleef ik in de kijk-modus zitten.
En juist door die verstarring zag ik opeens heel duidelijk de twee gezichten van oktober: het gouden engelengezicht en het grauwe drakengezicht.
Dat dubbele gelaat richtte mijn aandacht vervolgens op de andere maanden, en ik begreep dat ze allemaal twee tegengestelde kanten hadden.
Vooral de tegenoverliggende maand april, de eerste lentemaand, heeft twee extreem tegengestelde kanten: de lieflijke lente en de gruwelijke kruisdood.
Alleen de kunstenaar kan deze twee zover uiteenliggende liggende aspecten waarnemen.
Alleen een dichter kan april de wreedste maand noemen.
Want hij voelt de barensweeën van de natuur.
Overal barsten de knoppen open als evenzovele baarmoeders.
Aan de meest dorre takken verschijnen nu jonge twijgen, de dodelijke verstarring van de winter doorbrekend.
De wereld is nu één grote verloskamer waar intens geleden wordt, waar gewelddadige krachten aan het werk zijn..

In de herfst gaat het er allemaal veel zachter, veel evenwichtiger aan toe.
En juist daarom kunnen we de tegenstellingen veel beter waarnemen.
Als we dat willen natuurlijk.
Want niemand dwingt ons.
Integendeel bijna.
Ik voel momenteel hoe de draak onder mijn huid kruipt en me ziek dreigt te maken, zodat mijn aandacht vanzelf van buiten naar binnen wordt gekeerd.
Maar hij is nog niet zo sterk als in november waar hij zijn sluipende, onderhuidse krachten pas echt ontplooit en we ons werkelijk schrap moeten zetten om niet te bezwijken onder al die grijsheid, somberheid en nattigheid.
Rustig kijken naar wat zich in de natuur afspeelt, is dan veel moeilijker.
De doodskrachten zijn veel te sterk geworden.
Ze dwingen ons naar binnen.
Het is gedaan met kijken.

Maar in oktober, nu de levens- en doodskrachten elkaar nog in evenwicht houden, hebben we de keuze.
We kunnen geheel uit vrije wil de beslissing nemen om stil te staan en niet mee te bewegen met de twee schalen van Weegschaal.
We kunnen daar een stokje voor steken en de weegschaal tot stilstand brengen.
En dán begint de natuur ons haar geheimen te tonen.
Dan begint ze zich als het ware voor ons uit te kleden.
En geen enkele kijker blijft onbewogen voor deze ‘strip-tease’.
Nu komt het er echter op aan om afstand te houden en te blijven kijken.
Want als we meebewegen (en onszelf ook beginnen uit te kleden) gebeurt het onvermijdelijke:
we werpen ons in de armen van de natuur, we verkrachten haar en maken onszelf blind voor wat ze ons nog meer wilde tonen.
We gedragen ons dan als de herfststormen van november die de bladeren van de bomen rukken tot ze er helemaal naakt bij staan.
En dan is er niks meer te zien.
Dan is het voorbij.
Dan heeft de draak gewonnen.

Alleen in oktober, als de natuur zich begint uit te kleden, krijgen we de mogelijkheid om door haar uiterlijk heen te kijken en door te dringen tot haar wezen.
We kunnen dan een glimp opvangen van de ‘dans der cherubijnen’.
Maar in november, als de draak toeslaat, is het afgelopen.
Dan gaat de deur weer dicht.

Oktober is de maand van de Weegschaal, de maand van Venus, de godin van de liefde en de schoonheid.
Dat is haar uiterlijke, natuurlijke kant.
Maar ze heeft ook nog innerlijke, menselijke kant, en dat is de strijd met de draak.
Oktober is de maand van Michaël omdat juist nu de draak te bevechten valt.
In september toont hij zich nog niet.
In november is hij al te sterk en sleurt ons mee.
Maar in oktober krijgen we de mogelijkheid, de vrije keuze.
We kunnen gewoon meebewegen met de natuur, en naar binnen keren.
Van scherpe waarnemers (Maagd) worden we dan dromerige denkers (Weegschaal).
Dat dromerige denken wordt vervolgens wakker (Schorpioen), maar het ontwaakt in de materiële wereld.
Dit natuurlijke ontwaken is een geestelijk inslapen.

Alleen wanneer we het besluit nemen om stil te blijven staan en niét mee te bewegen met de schommelende Weegschaal, ontwaken we in de geestelijke dimensie van de werkelijkheid.
In november zien we dan de Adelaar, het hogere oktaaf van de Schorpioen.
En als we wakker blijven, kunnen we in december de geboorte van het kind waarnemen.
Als die wakkerheid ook nog eens de lange winter overleeft, kunnen we in april het sterven en opnieuw verrijzen van dat kind waarnemen, en dat is het hoogste waar we als mens getuige van kunnen zijn.

Er is echter maar één manier om die wakkerheid te behouden en dat is door de draak te bevechten.
Wat we in ‘oktober’ uit vrije wil beginnen, moeten we volhouden tot in ‘april’.
Pas dan ontwikkelen we het vermogen om tegenover het grootste aller wezens te blijven staan, de schepper van de dans der cherubijnen: Christus.
Dat is onze michaëlische opgave: voor het aangezicht van Christus gaan staan, van mens tot God.
En die – lange – weg is een kunstzinnige weg, want het vermogen om stil te staan en niet mee te bewegen met de natuur, is een kunstzinnig vermogen.
Kunstenaar is hij die in liefde ontvlamt voor de natuur en zich toch niet in haar armen werpt.
Kunstenaar word je door de draak te bevechten, en dat is een nooit eindigende strijd.
Het is een strijd die begint in oktober, de schilderachtigste maand van het jaar.
En hij duurt tot het Einde der Tijden, tot de laatste lente.

Momenteel bevinden we ons op het Keerpunt der Tijden, het midden van de mensheidsontwikkeling, de oktobermaand van het grote jaar der schepping.
We beleven de Michaëlstijd bij uitstek.
En het komt er nu op aan om met inzet van al onze krachten stil te blijven staan, en NIET mee te bewegen met de kosmische natuur.
We moeten ons uit alle macht verzetten tegen de draak die ons mee wil sleuren in de machtige omgekeerde beweging die nu is ingezet.
Want sinds het einde van het Kali Yuga beweegt de natuur zich niet meer van geest naar materie, maar omgekeerd: van materie naar geest.
De natuur is aan het ‘vergeestelijken’.
Dat is de ware oorzaak van Global Warming: het vuur van de geest slaat in de natuur.
En daar moeten we ons – inderdaad – met vereende krachten tegen verzetten, want dat vuur werkt vernietigend.

We zullen dit geestelijke vuur heus niet blussen door minder CO2 te produceren.
We kunnen het alleen de baas blijven door de draak te bevechten, en aan die strijd de verkoelende, bedarende bewustzijnskrachten te ontwikkelen die ons pal doen staan in een wereld die steeds woeliger zal worden.
Als we die strijd nu niet beginnen, zal het na dit Michaëlstijdperk bijna onmogelijk worden om niet meegesleurd te worden door de draak.

En waarom zouden we dat vandaag niet doen?
Het is er het weer voor.
Laten we eens goed kijken naar de twee gezichten van oktober: haar maagdelijke engelengezicht en haar vurige drakengezicht.
Want daarmee begint de strijd tegen de draak: met het onderscheiden van twee gezichten.
Michaël houdt de blik op het aangezicht van Christus gericht,
maar met zijn zwaard (de ratio van ons hoofd) en zijn weegschaal (het voelen van ons hart) onderscheidt hij de draak.
Christus zien en de draak bevechten zijn voor Michaël één en dezelfde zaak.
En voor die zaak is hij een rots in de branding.

20131013-175345.jpg

Een dag in augustus

Het zag er niet goed uit toen we gisteren opstonden: zwaarbewolkt met regen.
Het zag er niet goed uit toen we naar Brugge reden: zwaarbewolkt met nog meer regen.
Het zag er niet goed uit toen we de Dijver opreden: de helft van de marktkramers had hun kat gestuurd.
En op het water zwom een eenzame zwaan voorbij.

20130819-091622.jpg

Maar het regende niet meer.
En geleidelijk trokken de wolken weg.
Na de middag werd het zelfs nog een bijzonder aangename dag.

Twee zaken vielen me tijdens die augustusdag op.

Ten eerste de rustige, ontspannen atmosfeer.
We bevinden ons al drie weken in Leeuw, een veel relaxter teken dan Kreeft.
Daar is nog niet veel van te merken geweest door het grillige weer.
Behalve dan één ding: het allesoverheersende gevoel dat het hoogtepunt van het jaar definitief voorbij is.
Het valt me ieder jaar weer op hoe drastisch de verandering is.
Je kunt ze uiterlijk waarschijnlijk niet waarnemen.
Maar innerlijk is er geen twijfel mogelijk:
Van nu af gaat het bergaf.

Ik heb vaak het gevoel dat de herfst eigenlijk al in augustus begint.
De natuur legt er de pees af.
Het is welletjes geweest.
Het Grote Werk is gedaan.

20130819-094019.jpg

‘Herr: es ist Zeit. Der Sommer war sehr groß.
Leg deinen Schatten auf die Sonnenuhren,
Und auf den Fluren lass die Winde los.

Befiehl den letzten Früchten voll zu sein;
Gib ihnen noch zwei südlichere Tage,
Dränge sie zur Vollendung hin und jage
Die letzte Süße in den schweren Wein.’

Rilke schreef deze verzen voor de herfst, maar ik vind dat ze nu reeds van toepassing zijn.
Het opbouwen is al een maand afgelopen.
Tijd om alles weer af te breken.
Te beginnen met de oogst.

Het groen begint er vermoeid uit te zien.
Het ruisen van de bladeren klinkt anders.
Droger, scherper.
September nadert.
De Grote Rust is al voelbaar.

Maar de leeuw blijft natuurlijk een machtig beest.
Hij mag dan wel meestal in de zon liggen soezen, zijn nagels zijn scherp.
En hij kan een geweldige kracht ontplooien.
Maar het is niet meer de hoge-drukkracht van Kreeft, de snelkookpan.
Het is een ontspannen, soepele kracht die geleidelijk overgaat in de diepe rust van Maagd.

Wat zich nu reeds aankondigt, op een dag als gisteren, is de menselijkheid van de tussenseizoenen.
Zomer en winter zijn in hun uitersten van hitte en vrieskou niet menselijk.
Menselijk zijn alleen de lente en de herfst.
Vooral de herfst dan, want de wereld als geheel bevindt zich in het afbraakseizoen.

Dat brengt me op de tweede zaak die me gisteren opviel.
En dat waren de talrijke, van top tot teen gesluierde moslima’s in Brugge.

20130819-100734.jpg

Ik heb hun aantal de afgelopen jaren snel zien toenemen.
Vijftien jaar geleden waren ze in Brugge een vrijwel onbekend fenomeen.
Vandaag zijn ze echter nadrukkelijk in beeld.
Want ofschoon ze nog altijd een kleine minderheid vormen tussen de toeristen uit alle uithoeken van de wereld, vallen ze op, en nog geen klein beetje.
Het contrast is dan ook enorm.

20130819-101636.jpg

Je ziet die bonte stoet van toeristen in alle kleuren van de regenboog, en daartussen lopen dan die van top tot teen in het zwart geklede moslima’s.
Het is, moet ik zeggen, een akelig gezicht.
Want die lange zwarte gewaden zijn een uniform.
Ze zien er allemaal eender uit.
Heb je er één gezien, dan heb je ze allemaal gezien.

Natuurlijk zijn er ook andere kleuren en vormen van gesluierdheid.
Zo zag ik gisteren een familie waarvan alle vrouwelijke leden vom Kopf bis Fuss in het knalroze waren uitgedost.
Maar vreemd genoeg zijn de meer modieuze hoofddoeken sterk in de minderheid.
Ik zie zeer weinig moslima’s die mooi ‘gesluierd’ zijn.

20130819-102925.jpg

De reden las ik ooit op een islamitische website: moslima’s dienen zich lelijk en onaantrekkelijk te kleden. Ze mogen er in geen geval aantrekkelijk uitzien.
Het is opvallend hoe goed die regel wordt opgevolgd, ook door de meer ontwikkelde en welgestelde moslima’s.
Want het zijn beslist geen arme, primitieve mensen die als toerist naar Brugge komen.

Ik heb niks tegen een sjaal of een hoofddoek op zich.
Dat kan heel mooi, heel vrouwelijk, heel sexy zijn.
Maar juist dié hoofddoeken zie je zelden of nooit.
Het zijn bijna altijd van die lelijke, kleurloze doeken waarmee de moslima’s zichzelf als poppen insnoeren.
Ze gehoorzamen aan een strenge dresscode.
Ze dragen een uniform, geen twijfel mogelijk.

Ik heb niks tegen uniformen.
Tenminste voor militairen, voor ambtenaren, voor vertegenwoordigers van de staat.
Want die vormen een aparte groep.
Op hen zijn andere regels van toepassing dan op de rest van de bevolking.
Een bevolking kan namelijk maar vrij zijn als de overheid (en haar ambtenaren) niét vrij is.
Dat is de noodzakelijke voorwaarde voor een vrije samenleving.
Ofwel is de staat vrij, ofwel is de bevolking vrij.
Beide samen kan niet.

Daarom is een islamitische hoofddoek achter een loket absoluut not done in een vrije samenleving.
Die hoofddoek is namelijk niet zomaar een kledingstuk.
Het is een uniform, het is de uitdrukking van een welbepaald wereldbeeld.
Zelfs als gewoon kledingstuk zou de hoofddoek een probleem vormen, want ambtenaren moeten op de een of andere manier een zekere ‘uniformiteit’ bewaren.
Als uitdrukking van een idee of overtuiging kan de hoofddoek helemaal niet.
En als die overtuiging dan ook nog eens dwars ingaat tegen de idee van de vrije samenleving, dan is ze, vanuit democratische hoek bekeken, een vorm van zelfvernietiging.
Vanuit islamitische hoek bekeken, is ze een vorm van oorlogsverklaring.

20130819-110115.jpg

Een vrije samenleving die de hoofddoek toelaat voor ambtenaren, en zeker voor ambtenaren die achter een loket zitten, is een samenleving die niet langer vrij wil zijn.
Het is een levende contradictie.
Een samenleving die verdeeld is over de hoofddoek, is een gespleten samenleving.
Het is een samenleving die niet weet wat ze wil,
een samenleving die niet kan kiezen: vrijheid of onderwerping?

En die samenleving, dat zijn wij natuurlijk.
Die gespletenheid zit in onze ziel.
Diep van binnen twijfelen we tussen de vrijheid van het individualisme en de geborgenheid van het socialisme.
We zijn overtuigde voorstanders van de democratie, maar tegelijk protesteren we hevig tegen het hoofddoekenverbod, niet beseffend dat we onszelf vierkant tegenspreken.
En dáár ligt het probleem.
We weten niet dat we innerlijk verdeeld zijn.
We zijn ons niet bewust van de ‘zwei Seelen in unser Brust’.
Niet onze gespletenheid is het grote probleem, want de mens is sowieso een tegenstrijdig wezen.
Het probleem is dat we die tegenstrijdigheid niet onder ogen zien.
Juist op het moment dat ze extreme vormen aanneemt, sluiten we er onze ogen voor.

En nochtans worden we er vrijwel dagelijks mee geconfronteerd.
Juist de moslims houden ons een spiegel voor.

Wat mij telkens weer verbijstert als ik die zwartgesluierde moslima’s zie lopen, is niet zozeer hun buitennissige outfit, dan wel het feit dat ze vaak vergezeld zijn van een man die er volkomen Westers, modern en zelfs modieus uitziet.
Groter tegenstelling is niet mogelijk.
En toch gedragen ze zich alsof er niets aan de hand is.
Alsof ze een normaal koppel vormen.

Ik vraag me vaak af: maar zién die mensen dan niet hoe absurd die combinatie is?
Wat moeten die moslima’s niet denken als ze daar in Brugge tussen al die zelfbewuste, modieus geklede en met hun vrouwelijkheid pronkende Westerse vrouwen rondlopen!
Dat moet toch een ongelooflijke kwelling zijn voor een vrouw!
Maar ik zie in hun ogen geen gekweldheid.
Ook hun op en top moderne man gedraagt zich alsof het volkomen normaal is dat zijn vrouw erbij loopt alsof ze recht uit de Middeleeuwen komt.

Eigenlijk gedraagt iederéén zich alsof die combinatie volkomen normaal is.
We doen gewoon met zijn allen alsof we de abnormaliteit niet zien.
We negeren de extreme tegenstelling, zowel bij de moslims als in onze eigen ziel.
We weigeren in de spiegel te kijken.
Of: we kijken in de spiegel en we herkennen onszelf niet.

Toen ik gisteren die moslimgezinnen zag lopen, had ik er graag een foto van genomen.
Maar ik had met mijn Samsungtelefoon veel te dicht moeten komen, en dat kun je maar beter niet wagen.
Ik heb in de krant al verhalen gelezen over wat er dan kan gebeuren.
Geen nood echter, op internet staan foto’s genoeg.
Tot mijn verbazing bleek dat echter niet zo te zijn.
Foto’s genoeg van moslima’s in alle staten van gesluierdheid.
Geen gebrek aan foto’s van moslims in alle staten van hysterie.
Maar vreemd genoeg nagenoeg géén foto’s waar beiden opstaan, in de bekende en overal waar te nemen combinatie van Middeleeuws en Modern.

Deze afwezigheid van beelden is op zich een beeld van de blinde vlek in onze ziel: het onvermogen om ons eigen gespleten bewustzijn waar te nemen.

Toevallig las ik vanmorgen op – de-bron.org – een artikel van Eddy Daniëls waarin hij een vergelijking maakt tussen de gebeurtenissen in Egypte en de gebeurtenissen in het Duitsland van de jaren ’30 van de vorige eeuw.
Wat was er gebeurd, vraagt hij zich af, als het Duitse leger destijds had ingegrepen en Hitler met geweld aan de kant had gezet, zoals het Egyptische leger dat met Mursi gedaan heeft?
Zouden we dan ook niet verontwaardigd zijn geweest over de militaire coup, over de gewelddadige verwijdering van een democratisch gekozen president?
En zouden we niet totaal onwetend zijn geweest over het bloedbad dat op die (onsympathieke) manier vermeden werd?

Is Daniëls’ vergelijking overdreven?
Is het in Duitsland destijds ook niet begonnen met het verschijnen van uniformen in de straten, en daarna ook achter de loketten en in het parlement?
Waren die uniformen ook niet de uitdrukking van een staatsvijandige idee, een mentaliteit die de vrije samenleving wilde afschaffen?
En schuilde er achter die uniformen geen terreur die mensen het zwijgen oplegde?

De overeenkomsten zijn in ieder geval treffend.

Er is echter één groot en opvallend verschil:
Vandaag zijn het geen mannen die in uniform rondlopen, maar vrouwen …

20130819-122559.jpg