Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: hoofd en hart

Antroposofie en karmabewustzijn (11)

  

Karma reikt van de hoogste geestelijke regionen tot de diepste aardse gebieden. Het is een kunstwerk dat de hele werkelijkheid omvat. Hoe begin je eraan om een onderwerp van die dimensies te bestuderen? Klein, heel klein. Rudolf Steiner maant ons aan het karma niet alleen met de grootst mogelijke eerbied te benaderen, maar ook onze aandacht te richten op wat hij ‘imponderabelen’ noemt: kleinigheden waar we geen gewicht aan toekennen. Laten we dat eens proberen met de gebeurtenissen na Steiners dood, want toen ontrolde zich een karma met verstrekkende gevolgen, niet alleen voor de antroposofische vereniging maar voor de hele wereld. Na de uitsluitingen van 1935 verklaarde Elisabeth Vreede dat de dam tegen het nationaalsocialisme nu was gebroken, en eerder al had Ita Wegman voorspeld dat Hitler aan de macht zou komen indien de antroposofen er niet in slaagden hun ruzies bij te leggen. Het loont dus de moeite om een blik te werpen op de karmische dimensie van deze noodlottige periode.

Het belang van wat zich tussen 1925 en 1935 afspeelde in de Antroposofische Vereniging kan moeilijk overschat worden, en toch moeten we de aandacht richten op details, op dingen die er schijnbaar niet toe doen. Zo’n detail was de ruzie waar het allemaal mee begon: Marie von Sivers en Ita Wegman kunnen het niet eens worden over de plaats waar de as van Rudolf Steiner moet komen. Banaler dan deze Urnenstreit kan het niet worden en toch was dit onnozele voorval het topje van een ijsberg die het antroposofische schip lek zou slaan. De kunst bestaat erin deze ijsberg – de karmische dimensie van het voorval – boven water te krijgen. Marie von Sivers wilde de as op haar kamer hebben, terwijl Ita Wegman vond dat ze voor iedereen toegankelijk moest zijn. De twee vrouwen benaderden de zaak respectievelijk vanuit een persoonlijk en bovenpersoonlijk standpunt. Karma verbindt beide standpunten, en dus kunnen we nu reeds concluderen dat de ruzie een gevolg was van gebrek aan karmabewustzijn. 

Marie von Sivers vertegenwoordigde het persoonlijke standpunt en deed dat op een persoonlijke manier. Ita Wegman vertegenwoordigde het bovenpersoonlijke standpunt, maar deed dat eveneens op een persoonlijke manier. Als zij zich werkelijk bewust was geweest van de karmische dimensie van het gebeuren, zou zij dan een ruzie geriskeerd hebben die zo’n verstrekkende gevolgen kon hebben? Zij moet toch, zoals iedereen, geweten hebben dat Marie von Sivers een emotionele, licht ontvlambare natuur had. Als ze haar de tijd had gegeven om de dood van haar echtgenoot te verwerken, dan zou ze na verloop van tijd zelf wel hebben ingezien dat de urne niet haar persoonlijke bezit kon blijven, en de fatale ruzie zou vermeden zijn. Maar dat deed Ita Wegman niet, ze volgde haar eigen natuur, zoals Marie von Sivers de hare volgde. Het resultaat was een botsing, niet alleen tussen twee zeer persoonlijke naturen, maar ook tussen het persoonlijke en het bovenpersoonlijke. 

De urnen – merkwaardig genoeg waren het er twee – vormen een tweede imponderabele in deze geschiedenis. Ze kunnen beschouwd worden als een beeld van het verleden. Met dat verleden was Marie von Sivers veel sterker verbonden dan Ita Wegman. Ze was getrouwd geweest met Rudolf Steiner, ze had samen met hem aan de wieg gestaan van de antroposofie en ze had hun beider ‘kind’ gedurende 21 jaar zien opgroeien. Ita Wegman daarentegen was pas op het toneel verschenen toen het Goetheanum – de ‘samenvatting’ van het antroposofische verleden – in vlammen opging. Haar blik was op de toekomst gericht, zij stond aan de wieg van de nieuwe mysteriën die de plaats van de oude moesten innemen. Beide vrouwen belichaamden de grootst mogelijke tegenstellingen: persoonlijk en bovenpersoonlijk, verleden en toekomst, oude en nieuwe mysteriën, de antroposofie van vóór de Weihnachtstagung en de antroposofie van na de Weihnachtstagung. Er gaapte een diepe kloof tussen beiden. 

Een derde ‘imponderabele’ duikt tien jaar later op, wanneer Ita Wegman en Elisabeth Vreede uit de Vorstand worden gezet, vooral door toedoen van Marie von Sivers en Albert Steffen. Toevallig – of juist niet – zijn beide uitgeslotenen nuchtere, wetenschappelijke geesten (Wegman is arts en Vreede is wiskundige), terwijl de ‘uitsluiters’ kunstenaars zijn, gevoelige zielen (von Sivers is actrice en Steffen is dichter). De tegenstelling kunst-wetenschap die hier zichtbaar wordt, maakt het opnieuw een stuk begrijpelijker waarom zo’n banale ruzie zo’n enorme gevolgen kon hebben. Maar tegelijk maakt het de zaak ook een stuk complexer. Want het trekken van scherpe grenzen, het maken van onderscheid, het vasthouden aan de juiste methode, het uitzuiveren van een zaak, kortom al de factoren die zo’n grote rol speelden bij de uitsluitingen van 1935: horen die niet bij de wetenschappelijke geest? Toch treffen we ze hier aan bij de twee kunstenaars uit het bestuur. Hoe valt dat te verklaren?

De kloof tussen kunst en wetenschap maakt duidelijk dat het in deze kwestie om heel wat meer gaat dan een simpele tegenstelling. Het gaat om een polariteit. We komen er niet door alleen maar naar de verschillen te kijken, we moeten ook kijken naar wat beide partijen gemeen hadden. Marie von Sivers en Albert Steffen waren kunstenaars, maar ze gedroegen zich als wetenschappers, als mensen die het kaf van het koren scheiden. Ita Wegman en Elisabeth Vreede waren dan weer wetenschappers die zich gedroegen als kunstenaars: ze probeerden te verbinden, te verzoenen, te verenigen. Beide partijen droegen dus de polariteit kunst-wetenschap in zich, zij het op een geheel andere manier. Het was gebrek aan inzicht in de complexe relatie tussen kunst en wetenschap waardoor ze diametraal tegenover elkaar kwamen te staan. En dat was een gebrek aan karmabewustzijn, want karmabewustzijn is polariteitsbewustzijn: het impliceert niet alleen inzicht in wat de tegenpolen scheidt, maar ook in wat ze verbindt. 

Karmabewustzijn overstijgt het oude dualistische bewustzijn dat in louter tegenstellingen denkt. Maar dat betekent niet dat de tegenstellingen hun geldigheid verliezen, wel integendeel. Met de Weihnachtstagung roept Rudolf Steiner zelfs een nieuwe tegenstelling in het leven. Na afloop zegt hij dat iedereen ervan doordrongen moet zijn dat er een volledige heroprichting en vernieuwing van de Antroposofische Vereniging heeft plaatsgevonden. Er moet gebroken worden met oude gewoonten en er dient op een nieuwe manier te worden omgegaan met de antroposofische inhouden. Voortaan moet er ‘vanuit het hart tot het hart’ worden gesproken. Telkens weer komt Rudolf Steiner daar op terug. Hij laat er geen twijfel over bestaan: er moet duidelijk onderscheid gemaakt worden tussen de oude antroposofie-van-het-hoofd en de nieuwe antroposofie-van-het-hart. Er kan dus geen sprake van zijn dat karmabewustzijn het denken-in-tegenstellingen afwijst. Het tegendeel is het geval.

Karmabewustzijn keert zich niet tegen het dualistische bewustzijn, het keert zich naar dat bewustzijn, als een pasgeboren kind naar zijn moeder. In de blik van dat kind ligt herkenning: het her-kent zijn moeder. Het dualistische bewustzijn waar het tot voor kort nog deel van uitmaakte, ziet het nu van aangezicht tot aangezicht, en het gaat er een intense relatie mee aan. Deze relatie doet de (door de moeder belichaamde) tegenstelling niet teniet, maar voegt er nog een tegenstelling aan toe: die tussen moeder en kind. Dat maakt van het karmabewustzijn een ‘driegeleed’ bewustzijn. We zouden ook kunnen zeggen dat het dualistische bewustzijn zich bewust wordt van zichzelf, het wordt wakker. Dat impliceert natuurlijk dat het in-tegenstellingen-denkende bewustzijn zoals we dat nu kennen, niet wakker is. Het ‘slaapt’ omdat het alleen de materiële wereld ziet en geen onderscheid maakt tussen materie en geest. Dat is de paradox van het dualisme: het maakt niet te veel maar te weinig onderscheid. 

Rudolf Steiner hamert er steeds weer op dat we wakker moeten worden. Het grote probleem van onze tijd is dat we slapen, niet fysiek maar geestelijk: we nemen de geestelijke werkelijkheid niet waar. Dat komt doordat we de materiële werkelijkheid zo helder waarnemen, want beide waarnemingen – de materiële en de geestelijke – sluiten elkaar uit, zoals we ook niet tegelijk de zon en de sterren kunnen zien. Het is het een of het ander. Wakker worden, zoals Steiner het bedoelt, kan dus niet betekenen dat we ontwaken voor de (sterren)wereld van de geest en tegelijk inslapen voor de (zonne)wereld van de materie. Dat zou gewoon een omkering zijn en geen vooruitgang, wel integendeel. Wakker worden in de zin van Steiner, betekent dat we beide werelden tegelijk leren waarnemen, dat we ons bewust worden, niet van de geest naast de materie, maar van de geest in de materie. Karmabewustzijn is dus meer dan bewustzijn van de geest, het is bewustzijn van geest en materie. 

Juist omdat geest en materie elkaar in ons bewustzijn uitsluiten – wakker worden voor het één betekent inslapen voor het ander – is karmabewustzijn noodzakelijkerwijs een drieledig bewustzijn. Het kind dat na de geboorte tegenover zijn moeder komt te staan, neemt beide polen van haar wezen waar: de materiële (fysieke) pool en de geestelijke (innerlijke) pool. Maar die waarneming is nog in hoge mate dromerig. Zonder het te beseffen pendelt het kinderlijke bewustzijn tussen beide polen heen en weer, waardoor ze in elkaar vloeien. Het maakt nog geen echt onderscheid, noch tussen beide aspecten van zijn moeder, noch tussen zijn moeder en zichzelf. Naarmate dat onderscheidingsvermogen toeneemt, groeit ook zijn zelfbewustzijn. Wie zich bewust wordt van de tegenstellingen in de wereld, wordt zich ook bewust van de tegenstelling tussen zichzelf en de wereld. De mens dankt zijn ik-gevoel aan zijn dualistische bewustzijn, aan zijn vermogen om onderscheid te maken en zijn aandacht van de ene pool naar de andere te verplaatsen. Op die manier wordt hij wakker voor de wereld en voor zichzelf.

Het oerbeeld van dit vermogen om te (onder)scheiden is de geboorte: de mens maakt zich los van zijn moeder. Daardoor wordt hij een op zichzelf staand wezen. Het hele verleden van de mensheid kan gezien worden als één grote geboorte: het (ontzettend moeilijke en pijnlijke) zich losmaken uit het moederlichaam ofte de geestelijke wereld. Vandaag bevinden we ons op het keerpunt der tijden: de geboorte is voltooid en de mens moet opnieuw toenadering zoeken tot zijn geestelijke moeder, want geen enkele pasgeborene kan op eigen kracht overleven. Deze toenadering impliceert een enorme ommekeer: de krachten die moeder en kind gescheiden hebben, moeten plaatsmaken voor krachten die moeder en kind verbinden. Of nog: het hoofd, dat zich een weg gebaand heeft naar de vrijheid, moet plaats maken voor het hart dat verbinding zoekt. En dat gebeurt ook: op ieder gebied wordt vandaag verbeten naar verbinding gestreefd alsof het voortbestaan van de wereld ervan afhangt.

En dat is ook zo: als de hoofdkrachten zich blijven verwijderen van de (moeder)geest dan gaat de mensheid ten gronde. Daarom zijn de verbindende krachten zo nietsontziend: het zijn blinde overlevingskrachten. Ze keren zich tegen datgene wat hun voortbestaan bedreigt: de (onder)scheidende hoofdkrachten die de mens tot een zelfzuchtig individu maken. Ze willen van de mens weer een groepswezen maken en leggen stelselmatig zijn vrijheid aan banden. Op fysiek vlak is dat een goede zaak, want daar hoort geen vrijheid te heersen. Maar de mens is ook een geestelijk wezen: zonder zin en betekenis kan hij niet leven. En die zin en betekenis liggen juist in zijn (geestelijke) vrijheid. Verdwijnt die vrijheid, dan heeft niet alleen zijn huidige bestaan geen zin meer maar ook zijn hele verleden. Al die tijd heeft de mens immers geleden omdat hij vrij wilde worden, en dat wil hij meer dan ooit. Daarom verzetten zijn (onderscheidende) hoofdkrachten zich uit alle macht tegen zijn (verbindende) hartkrachten: omdat ze allebei de mensheid willen redden.

Is dat niet precies waarom Marie von Sivers en Ita Wegman slaags raakten? Ze wilden allebei de antroposofische vereniging redden. Ze wilden precies hetzelfde, en ze beschikten over een buitengewoon sterke wil. Maar het was geen wakkere wil, ze waren zich onvoldoende bewust van de relatie tussen de onderscheidende krachten van het hoofd en de verbindende krachten van het hart. Het ontbrak hen met andere woorden aan onderscheidingsvermogen, niet het gewone onderscheidingsvermogen van het hoofd, maar een ‘hoger’ onderscheidingsvermogen van het hart dat zich bewust wordt van de relatie tussen beide. De ruzie tussen Marie von Sivers en Ita Wegman was een oerbeeld dat inmiddels de hele wereld in zijn greep heeft gekregen en als het ware schreeuwt om aandacht. Het drukt zich uit in vechtscheidingen op ieder gebied en vraagt steeds nadrukkelijker om toegang tot ons bewustzijn. Het klopt steeds luider aan onze deur. 

Advertenties

Antroposofie en karmabewustzijn (3)

  

Het falen van Karl Julius Schröer was het spreekwoordelijke domino-blokje dat omviel en een hele reeks andere blokjes in zijn val meesleurde. Rudolf Steiner werd er om te beginnen door gedwongen de ontwikkeling van de antroposofie op zich te nemen en zijn eigen levenstaak – de studie van karma en reïncarnatie – uit te stellen. Toen hij daar eindelijk kon mee beginnen, werd hij opeens zwaar ziek en zag zich gedwongen om in 9 maanden samen te persen waar hij anders een heel leven had kunnen aan wijden. De enorme inspanningen die hij in dat laatste jaar van zijn leven leverde, waren echter niet voldoende. Hij slaagde er wel in het thema van de oude en de jonge zielen te onthullen, maar het drong niet door tot het antroposofische bewustzijn. Tot op heden blijft Rudolf Steiners (dringende) oproep om dit zaadje verder te ontwikkelen onbeantwoord. Het gevolg is een ‘halve’ antroposofie, een antroposofie zonder karmabewustzijn.

Deze gehalveerde antroposofie leeft nog wel, maar ze leidt een kwijnend bestaan: boekhandels verdwijnen, initiatieven sluiten de deuren, het ledenaantal loopt terug, de gemiddelde leeftijd stijgt, antroposofische leraars zijn nauwelijks nog te vinden, artsen evenmin. Het vuur brandt niet meer, zoveel is duidelijk. Vlugger dan verwacht gaat Rudolf Steiners voorspelling over het eind van de 20ste eeuw in vervulling: de (Europese) beschaving gaat ten onder en ze sleept de antroposofie in haar val mee. Wat begon met de mislukking van Karl Julius Schröer lijkt te eindigen met het mislukken van de samenwerking tussen platonici en aristotelici. Ook daartussen stapelen de mislukkingen zich op: de brand van het Goetheanum, de voortijdige dood van Rudolf Steiner, de scheuring van de antroposofische beweging. Het is eigenlijk één lange aaneenschakeling van mislukkingen en de meeste antroposofen kiezen er dan ook voor de ogen te sluiten voor de keerzijde van de antroposofische medaille.  

Desondanks komt deze pijnlijke geschiedenis langzaam maar zeker aan het licht. Stap voor stap raken de onverkwikkelijke feiten bekend en ontstaat een beeld waarin het zielenthema zich duidelijk aftekent. Rudolf Steiner wordt belet zijn levenstaak uit te voeren omdat Julius Schröer zodanig faalt dat er tussen deze oude en deze jonge ziel geen samenwerking tot stand kan komen. Het Goetheanum gaat in de vlammen op als gevolg – of toch minstens als uitdrukking – van de wrijvingen tussen oude en jonge zielen die er maar niet in slagen met elkaar samen te werken. Vervolgens wordt Rudolf Steiner dodelijk ziek omdat hij het karma van deze ruziënde zielengroepen op zich neemt. Na zijn dood spat de antroposofische beweging uit elkaar omdat oude en jonge zielen elkaar minder dan ooit kunnen luchten. En als kers op de tragische taart volgt dan de ultieme mislukking aan het eind van de 20ste eeuw: platonici en aristotelici komen niet tot samenwerking. Het is de zoveelste variatie op hetzelfde thema.

De samenwerking tussen oude en jonge zielen is de kracht maar ook de zwakheid van de antroposofie. Het is de achillespees waar de tegenmachten steeds weer hun pijlen op richten en de wonde is intussen zo lelijk en pijnlijk geworden dat we er niet meer durven naar kijken. Toch is dat de enige manier om de zwaargewonde antroposofie te helen. Op fysiek vlak is dat echter niet meer mogelijk. De oude antroposofie en de oude beschaving vallen niet meer te redden. Rudolf Steiner heeft het geprobeerd, en ook zijn leerlingen hebben het geprobeerd, maar het heeft niet mogen zijn. De tegenmachten vieren vandaag hun overwinning en ons rest niets anders meer dan het voorbeeld van Rudolf Steiner te volgen. Toen hij na de brand van het Goetheanum inzag dat de oude vereniging een verloren zaak was, concentreerde hij de hele antroposofie in de Grondsteenspreuk die hij als een zaadje ‘in de harten van de aanwezigen’ plantte, dat wil zeggen in de harten van degenen die wakker waren.

Dat is de keuze waarvoor we staan: ofwel blijven we slapen en proberen we te redden wat niet meer te redden valt, ofwel proberen we de antroposofie in ons hart samen te ballen tot een zaadje dat we kunnen meenemen over de grens van de dood. Want alles wat zich in ons hoofd bevindt, moeten we achterlaten. Alleen wat in ons hart leeft en met ons eigen wezen verbonden is, kunnen we meenemen en bewaren voor de toekomst. Na de Weihnachtstagung toonde Rudolf Steiner ons hoe we de oude antroposofie-van-het-hoofd kunnen transformeren tot een antroposofie-van-het-hart: door onderscheid te maken, door het feit onder ogen te zien dat de antroposofische beweging bestaat uit ‘hoofdzielen’ en ‘hartzielen’. Wie niet naar deze ‘wonde’ wil kijken, zal haar ook niet kunnen of willen genezen. Daarom verwachtte Rudolf Steiner van iedere antroposoof dat hij erachter kwam tot welke zielengroep hij behoorde (of daar minstens over nadacht). Daarmee begint de genezing van de gewonde antroposofie.

Wat er gebeurt wanneer deze stap wordt overgeslagen, hebben we gezien na Steiners dood. Beide zielengroepen botsten frontaal op elkaar, de oude antroposofie werd gerestaureerd, de dragers van de nieuwe antroposofie (Ita Wegman op kop) vlogen aan de deur, en het zielenthema werd taboe. De antroposofische beweging maakte met andere woorden rechtsomkeer en ging daarmee dwars tegen Rudolf Steiner in. Eigenlijk doet ze dat nog altijd, want zolang het zielenthema genegeerd wordt, kan de antroposofie geen hartsaangelegenheid worden en kan ze de stap naar de toekomst niet zetten. Ze blijft opgesloten in haar hoofd en de polariteit van oude en jonge zielen verhardt tot een dualistische tegenstelling waarvan de spanningen vroeg of laat tot een uitbarsting leiden. Niet de zielenpolariteit op zich is het probleem, maar het gebrek aan bewustzijn ervan. Dat (karma)bewustzijn maakt het verschil tussen een hele en een halve antroposofie, en dat is tegelijk het verschil tussen een genezende en een ziekmakende antroposofie. 

Want de problemen van de antroposofie zijn ook de problemen van de wereld. Het is geen toeval dat onmiddellijk na Rudolf Steiners deadline het zielenthema een wereldprobleem wordt. In de karmavoordrachten spreekt Steiner uitvoerig over de intense geestelijke strijd die de aristotelici (waaronder hijzelf, in zijn vorige incarnatie als Thomas van Aquino) in de middeleeuwen uitvochten met de islamitische geleerden. Vandaag laait die strijd weer op en het is pijnlijk om zien hoe machteloos Europa staat tegenover haar oude vijand. Wat Europa ontbeert, is een antroposofie die deze strijd weer opneemt en samen met de platonici beslecht. Maar zo’n antroposofie bestaat helaas niet. Alleen een intens karmabewustzijn had beide zielengroepen kunnen doen samenwerken in de strijd tegen de islam. Sinds de dood van Rudolf Steiner verzet de antroposofische beweging zich echter hevig tegen dit karmabewustzijn. Het heeft nooit de kans gekregen om zich te ontwikkelen, en daar plukken we nu de zure vruchten van.

Dit besef zou ons met verdubbelde ijver moeten doen werken aan dat karmabewustzijn, want kunnen we deze beschaving niet meer redden, we kunnen nog wel de volgende voorbereiden. Dat is en blijft de opgave van de antroposofie. Als we die ernstig nemen, mogen we ons niet verschansen in ons hoofd waar we alles wegrelativeren en ons vastklampen aan de illusie dat het allemaal wel in orde komt. We moeten ons hart openstellen voor de tragedie die vandaag plaatsvindt en wakker worden voor de realiteit van de wereldproblemen die ook onze eigen, antroposofische problemen zijn. We moeten de blik richten op de doodskrachten die nu de overhand nemen en stap voor stap alles afbreken wat we met zoveel moeite hebben opgebouwd. Alleen door de intense dramatiek van deze doodsstrijd mee te beleven, kan in ons de bevrijdende catharsis ontstaan die we nodig hebben om onze ziel te zuiveren en met vereende krachten verder te werken. 

Wanneer we ontwaken voor het mysteriedrama dat zich voor onze ogen afspeelt, komen we vroeg of laat terecht bij Karl Julius Schröer. Want met zijn mislukking is alles begonnen. Lang voor de hel van de wereldoorlogen losbarstte, lang voor de oude strijd met de islam weer oplaaide, werd in Wenen de eerste steen gelegd van deze lijdensweg, althans de eerste zichtbare steen. Niemand besefte dat, behalve Rudolf Steiner. Niemand kon bevroeden dat de beschaafde en fijnzinnige Karl Julius Schröer aan de oorsprong lag van een ongeziene katastrofe. Uiterlijk gezien was er niks aan de hand met deze brave professor die les gaf, gedichten schreef en een groot bewonderaar van Goethe was. Maar achter de coulissen speelde zich één van de grootste drama’s aller tijden af: het falen van de gereïncarneerde Plato. Volgens Rudolf Steiner was zijn vader bovendien de gereïncarneerde Socrates, maar ondanks diens steun slaagde Schröer er niet in de antroposofie te ontwikkelen. En als gevolg daarvan sloeg het noodlot toe.

Dit historische falen roept heel wat vragen op. Zoals de joden (lichamelijk) de menswording van Christus moesten voorbereiden, zo moesten de antroposofen (geestelijk) de wederkomst van Christus voorbereiden. Belangwekkender taken kan men zich moeilijk indenken. En toch werd de taak om de antroposofie te grondvesten toevertrouwd aan iemand die daar volkomen ongeschikt voor was. Want het is niet zo dat de man te maken kreeg met zware tegenslagen of felle weerstanden. Nee, hij kon het gewoon niet, hij heeft het zelfs niet geprobeerd. Deze vaststelling laat maar twee mogelijkheden open. Ofwel hebben degenen die het antroposofische karma moesten regelen zich zwaar vergist toen ze Julius Schröer uitkozen voor deze taak. Ze hebben daarna nog geprobeerd hun vergissing recht te zetten door Rudolf Steiner te sturen, maar die kon de meubelen niet meer redden. Ofwel, en dat is de tweede mogelijkheid, moeten we het falen van Karl Julius Schröer op een heel andere manier bekijken.

Volgens Rudolf Steiner is het karma afkomstig uit de allerhoogste regionen van de geestelijke wereld. In het geval van twee wereldhistorische karma’s als het joodse en het antroposofische mogen we zelfs aannemen dat ze gestuurd werden vanuit de Triniteit, en als ze zich daar vergissen, dan valt er voor ons mensen niet veel te herstellen. We hebben als antroposoof dus geen andere keuze dan te vertrouwen op de wijsheid van de karmascheppende goden en ervan uit te gaan dat ze een goede reden hadden om uitgerekend Karl Julius Schröer te kiezen voor een zo belangrijke opdracht. We kunnen derhalve niet zomaar spreken van een ‘mislukking’ van de antroposofie. We zouden dan ook moeten spreken van een mislukking van Christus, want toen hij naar de aarde kwam om de mensheid te redden, kon hij niet eens zichzelf redden: hij werd terechtgesteld als een misdadiger. Groter fiasco kan men zich niet indenken, en toch werd deze ‘mislukte’ geschiedenis een heilsgeschiedenis.

Het wordt langzaam duidelijk dat we de geschiedenis van de antroposofische beweging nog op een geheel andere manier kunnen bekijken. Het is begrijpelijk dat we als antroposoof positief willen blijven en ons concentreren op de goede dingen. Hoe zouden we het anders volhouden! Maar de waarheid heeft haar rechten. Als onze positieve instelling inhoudt dat we de schaduwkanten van het antroposofische karma negeren, dan beperken we ons tot de halve waarheid en die is soms erger dan een hele leugen. Wanneer we ons hart openstellen voor de hele waarheid, dan komt dat in eerste instantie hard aan. Gevoelens van mislukking, onmacht en wanhoop overspoelen ons. Maar als we de verleiding weerstaan om de blik af te wenden en ons in onszelf op te sluiten, dan begint een zaadje te ontkiemen en langzaam wordt een beeld zichtbaar dat ons een blik gunt op een andere, diepere werkelijkheid, een karmische werkelijkheid waar ‘mislukken’ deel uitmaakt van het plan. 

La douce France

  

Naast een niet onaardige collectie Maigretromans (een 50-tal vergeelde en gescheurde pocketjes die ik in de loop der jaren voor een appel en een ei heb gekocht) heb ik ook een kleine verzameling cd’s met Franse chansons, eveneens in de loop der jaren voor weinig geld op de kop getikt. Charles Trenet, Mistinguett, Tino Rossi, Maurice Chevalier, Edith Piaf, Line Renaud, Juliette Greco, Luis Mariano, Yves Montand, Lys Gauti, Rina Ketty, enzovoort. Het lijstje is lang. Ik zet die muziek vaak op – ze is niet kapot te krijgen – en toen ik er verleden week weer eens naar luisterde trof het me hoe vaak en hoe ongeremd deze zangers en zangeressen de lof zingen van Parijs. Het chauvinisme van de Fransen is natuurlijk welbekend, maar er spreekt zoveel liefde, poëzie en innigheid uit deze liedjes dat er meer aan de hand is. Ze gaan niet alleen over Parijs, ze gaan ook over een wereld die niet meer bestaat, en die misschien nooit bestaan heeft. Ze gaan over la douce France, het land waar God woonde. 

Dat is ook wat deze liedjes in de eerste plaats zijn: doux, zacht. De popmuziek uit de jaren ’60 (The Beatles, The Mama’s and the Papa’s, The Seekers) klinkt lyrisch en harmonisch vergeleken bij het frenetieke gedram en gedreun van de hedendaagse rock (what’s in a name?), maar toch valt ze al niet meer te vergelijken met la douceur van het Franse chanson uit de eerste helft van de 20ste eeuw. Het zijn twee totaal verschillende werelden: een Europese en een Angelsaksische. Engels is de taal die het best past bij de harde, ruige, barbaarse muziek van vandaag. Franse rock is een contradictio in terminis, het is zonder meer lachwekkend. De Franse taal hoort bij Europese muziek, en die bestaat niet meer. Jonge mensen zingen al een halve eeuw als vanzelfsprekend in het Engels. Wat voor de muziek geldt, geldt voor de hele kunstwereld: die is vandaag per definitie Amerikaans of Engels (of etnisch). Europese kunst bestaat niet meer. We vinden ze alleen nog in musea, vergeelde boeken en vooroorlogse liedjes. 

Het Franse chanson is de zwanenzang van de Europese muziek. Dergelijke muziek wordt vandaag niet meer gemaakt. Ze zou ook een leugen zijn, ons levensgevoel is totaal veranderd. De twee wereldoorlogen hebben de Europese zielestemming vernietigd, de stemming die ook heerste in het Franse impressionisme. In de schilderijen van Monet en co proef ik dezelfde zonnige zoetheid als in het Franse chanson. Het is de zoetheid van Maagd, de zoetheid van september. De uitbundigheid van de zomer wordt getemperd door de naderende herfst, wier nakende kilte op haar beurt verwarmd wordt door de zon. Twee tegengestelde werelden raken elkaar en gaan dromend in elkaar over. Dat dromen geldt in eerste instantie de zomer die voorbij is. Het zoet en zacht worden van de vruchten is als een naar binnen keren van de zomerse warmte, een aards worden van wat hemels was. In het Franse chanson proef je een innigheid die je vandaag nergens meer terugvindt. Alles is aards geworden, van het hemelse is geen spoor meer. 

Een stukje hemel komt op aarde: is dat ook niet de essentie van het kind dat zich in de Maagd aankondigt? Die kinderlijke eenvoud en zoetheid proef ik in dat laatste oplichten van de Europese kunst, in het Franse impressionisme, in het Franse chanson. Er ligt een diepe tragiek in verborgen, want dat kind is nooit geboren. Het droomde van het Europese verleden, maar ook van de Europese toekomst, zoals elk ongeboren kind droomt van wat voorbij is en van wat nog moet komen. Maar die toekomst kwam niet. Er is geen nieuwe Europese kunst geboren waarin de kinderlijke kwaliteiten van het Franse chanson zich verder konden ontwikkelen en langzaam naar volwassenheid groeien. Het Europese kind is gestorven in de wereldoorlogen en het is vervangen door een ander kind, een kind van de onderwereld. Want hoe moet je het anders noemen als je La Mer van Charles Trenet plaatst naast pakweg een set van Tomorrowland? Dat is als de tedere relatie van moeder en kind tegenover stomende, stuwende, bonkende sex. 

In dezelfde tijd dat het impressionisme populair wordt en het Franse chanson zijn opgang maakt, stelt Marcel Duchamp zijn pispot tentoon: de hedendaagse kunst wordt geboren. Aanvankelijk denkt men dat het om een smakeloze grap gaat, maar honderd jaar later weten we beter: het is bittere ernst. Duchamps pispot is de eersteling van een geheel nieuwe kunst, een kunst die de wereld zal veroveren, zoals ook het impressionisme en het Franse chanson dat doen. Maar de ‘hedendaagse’ kunst, zoals ze genoemd zal worden, is het volstrekte tegendeel van de nieuwe ‘kinderlijke’ Europese kunst. Al moet natuurlijk wel gezegd worden dat haar pispotten en kakmachines niet helemáál vreemd zijn aan het kleine kind. Dat draagt als het ware de tegenstelling in zich: als het slaapt daalt de hemel op aarde neer, maar als zijn poortje – boven of onder – opengaat, breekt de hel los. Hoe tegengesteld beide kunsten ook zijn, op de een of andere manier horen ze ook samen.

Hun relatie komt onder meer tot uiting in het feit dat Marcel Duchamp zijn pispot tentoonstelt in New York. Waarom in Amerika, aan de overkant van de oceaan, en niet in Frankrijk, zijn thuisland? Daar is me niets over bekend, maar het is wel een veelzeggend beeld. Het gebeurt in 1917, hetzelfde jaar waarin Amerika zich mengt in de oorlog en in Rusland de revolutie uitbreekt. Voor Europa is 1917 een noodlotsjaar want de twee grote tegenpolen die haar in twee zullen scheuren betreden het wereldtoneel. En die scheuring lijkt van Europa uit te gaan, want in hetzelfde jaar dat Marcel Duchamp naar Amerika reist en als het ware de culturele macht van Europa overdraagt, reist Lenin (vanuit hetzelfde Europa) naar Rusland waar hij het communisme zal invoeren. Je zou ook kunnen zeggen dat in 1917 het – nog ongeboren – kind van Europa in twee wordt gescheurd en beide delen in respectievelijk het Westen en het Oosten opgroeien tot groteske karikaturen die vervolgens weer naar Europa terugkeren.

Vandaag wordt Europa artistiek overheerst door Amerika – zowel in de muziek als de beeldende kunsten is vooral de onderbuik actief – en intellectueel door Rusland – de communistische ideeën hebben de hele Europese intelligentsia in hun greep. Merkwaardig genoeg steken die ideeën na de oorlog de plas over en maken furore aan de Amerikaanse universiteiten waar met name Franse filosofen (Foucault, Derrida, Lyotard, Lacan) het goede weer uitmaken. Tegelijk dringt de hedendaagse kunst ook door in Rusland en verspreidt zich over de hele wereld. De beweging die zichtbaar wordt, is de volgende. Het Europese kind wordt in twee gedeeld, beide delen verhuizen naar Amerika en Rusland waar ze wanstaltig groot worden, om vervolgens weer in elkaar door te dringen en een wereldomvattend wezen te vormen dat bestaat uit louter onderbuik en hoofd, uit de lage, dierlijke driften die we vooral in de rockmuziek beluisteren, en de intellectualistische ideeën van de postmoderniteit die we vooral in de beeldende kunsten aantreffen. 

In de hedendaagse kunst komen die dierlijkheid en dat intellectualisme samen. Meer dan in welke kunst ook komt hier de tweevoudige demonische aard van het nieuwe ‘wereldwezen’ tot uitdrukking. Het verbluffende is dat niemand die dubbele kwaadaardigheid onderkent. Er zijn mensen die hun buik vol hebben van de keiharde rockmuziek, en er zijn mensen die de spot drijven met de postmoderne ideeën. Maar wanneer die twee samenkomen verstomt alle kritiek. Waarom? Omdat we ons hart niet meer durven laten spreken. Alleen dat hart kan de gemengde demonie herkennen. Maar het wordt de mond gesnoerd door deze schijneenheid van dierlijkheid en intellectualisme die meer dan wat ook het wezen van onze tijd uitdrukt. En dat is een wezen zonder hart. In de hedendaagse kunst schittert het menselijk hart door zijn afwezigheid. De kunst van onze tijd is een harteloze kunst die niet méér kan verschillen van de Europese kunst die haar zwanenzang zong in het Franse chanson. 

Wanneer ik met dit alles in gedachten opnieuw luister naar Charles Trenet of Edith Piaf dan komt het me voor dat het Franse chanson louter hart is. Het is een droomwereld waar alles mooi en goed en zacht is: een hemel op aarde. Hetzelfde kan ook gezegd worden van het impressionisme: het is een zonnige kunst die als het ware vraagt om haar duistere tegenhanger: het Duitse expressionisme. Maar geldt dat ook niet voor Europa zelf? Als ik ‘De Wereld van Gisteren’ lees, het boek dat Stefan Zweig schreef over het Europa van voor de wereldoorlog, dan zie ik een wereld die te mooi is om waar te zijn. De keerzijde van die droomwereld duikt onverwacht op en confronteert het slaapwandelende Europa met de harde werkelijkheid. Na de oorlogen volgt in Europa opnieuw een periode van vrede, maar ze is lang niet zo zonnig en onbekommerd meer als la douce France waar Charles Trenet over zong. De cultuur is niet langer Europees, ze is Amerikaans en Russisch, een mengeling van Oost en West. Het hart is verdwenen.

Vandaag herhaalt de geschiedenis zich. Opnieuw duikt de keerzijde van de naoorlogse vrede op. Vanuit het Westen dringt de politieke correctheid Europa binnen. Dit (door Rudolf Steiner voorspelde) denkverbod is de Amerikaanse versie van de communistische onderwerping van het individu aan de staat. Vanuit het Oosten dringt dan weer de islam Europa binnen, de communistische versie van de Amerikaanse drang om de wereld te overheersen. En die twee vermengen zich momenteel (vooral) in Europa. Zonder politieke correctheid zou de islamisering nooit zo’n proporties kunnen aannemen, zonder islam zou de politieke correctheid nooit zo’n vlucht kunnen nemen. Het is alsof er in Europa een nieuw wereldhart ontstaat waarin Oost en West, materialisme en spiritualisme elkaar kruisen en bevruchten, waarin ze zich met elkaar vermengen, uit elkaar gaan en weer samenkomen. Maar het is geen zacht kloppend Europees hart meer, het is een luid bonkend onmenselijk hart, een hart als een loeiende motor.

In het Franse chanson en het Franse impressionisme, die twee zo zonnige, hartelijke kunstvormen, kondigde zich als in een droom het Europese kind aan. Tezelfdertijd werkte Rudolf Steiner in Duitsland het nieuwe Europese denken uit. Het kunstzinnige kind was één en al hart, het (geestes)wetenschappelijke denken drong zowel in de geestelijke als de materiële werkelijkheid door. Die twee hadden elkaar nodig: het denken miste een hart, het hart miste het denken. Ze hadden samen moeten komen. Rudolf Steiner drukte daar aan het eind van zijn leven steeds weer op: er moest gedacht worden vanuit het hart. Dat was de grote Michaëlische opgave van de antroposofie: het samenbrengen van hoofd en hart. Het hoofd moest zich ten dienste stellen van het hart: daardoor zou er een levend denken ontstaan. Het hart moest het denken opnemen: daardoor zou het ontwaken uit zijn droom. Maar Engeland stak daar een stokje tussen, het pookte de tegenstellingen tussen Frankrijk en Duitsland op en liet ze in een oorlog uitmonden.

De Franse kunst verbond zich niet met de Duitse, het impressionisme verbond zich niet met het expressionisme. Eén uitzondering: van Gogh. De Nederlandse domineeszoon met zijn donkere en zeer aardse palet verhuisde naar Frankrijk en ontwikkelde daar een kunst die kleuriger én expressiever was dan het impressionisme. Is het toeval dat uitgerekend hij uitgroeide tot de beroemdste en populairste kunstenaar van onze tijd? Dat zou nooit mogelijk zijn geweest zonder de onvoorwaardelijke steun van zijn broer Theo. Hun samenwerking doet onwillekeurig denken aan de samenwerking tussen oude en jonge zielen waar Rudolf Steiner zo sterk de nadruk op legde toen hij sprak over de Michaëlische opgave van de antroposofie, over het denken-met-het-hart. Maar noch die samenwerking, noch de verbinding van Noord en Zuid die Van Gogh belichaamde kreeg navolging. In plaats dat de Franse kunst zich verbond met de Duitse, emigreerde ze naar Amerika en ontwikkelde zich daar tot de hedendaagse kunst. 

Die kunst is een schoolvoorbeeld van hoe een levenloos Frans intellectualisme en een wilde Amerikaanse heerszucht samengaan zonder enige bemiddeling van het hart. Nergens schittert dat hart zo door zijn afwezigheid als juist in deze ‘onmenselijke’ wereldkunst. En nergens komt de tragiek van deze harteloosheid zo pijnlijk tot uiting als in het feit dat progressieve antroposofische kringen deze hedendaagse kunst tot een lichtend voorbeeld nemen. Wat ze daardoor bereiken, is dat het individuele ‘etherische’ hart dat ze verondersteld worden te ontwikkelen, ongemerkt vervangen wordt door het collectieve ‘wereldhart’ dat zich los van het menselijk Ik vormt. Dit onmenselijke hart – een levende contradictie – herschept de wereld in een onderwereld. Nergens loeit deze wereldmotor luider dan op de steeds talrijker wordende muziekfestivals die onze zomers teisteren en die voor steeds meer jonge mensen de ultieme droom zijn, de wereld waar ze zich thuisvoelen, de wereld van de toekomst, Tomorrowland

In mijn schamele verzameling Franse chansons beluister ik Yesterdayland, de wereld van gisteren die zo zonnig was, zo speels, zo kinderlijk. Het is dezelfde wereld waarin ik me ook onderdompel wanneer ik lees in mijn beduimelde, gescheurde en vergeelde Maigrets. Tussen haakjes, die zo Franse boekjes zijn geschreven door een Belg en ze ontstonden in Nederland. Alweer dus een verbinding tussen het voelende Zuiden en het denkende Noorden. Het is een teken dat het dromende hart niet van zichzelf wakker wordt. Het moet van buitenaf wakker worden gemaakt, door een liefdevol denken dat het hart niet komt vertellen wat het moet voelen (zoals in de hedendaagse kunst) maar dat in die gevoelens onderduikt en probeert ze van binnenuit te verstaan. Dat is wat ik hier geprobeerd heb. Mijn zoekende en tastende beschouwingen over het Franse chanson waren een poging een (gammele) brug te slaan tussen mijn hart en mijn hoofd, niet om dat hoofd met (nog meer) gedachten te vullen, maar uit liefde voor het Europese kind dat vandaag geen huis meer heeft. 

Modern Times (1)

  

De onthoofding van de mens

Kunnen we zien met ons hart?
Kunnen gevoelens met andere woorden objectief zijn?

Op die vraag – de belangrijkste van onze tijd – antwoorden we met een luid en overtuigd NEEN.
De clash of civilisations bijvoorbeeld is een botsing tussen hoofd en hart.
In de Westerse wereld staat de objectiviteit van de wetenschap centraal.
In de moslimwereld de subjectiviteit van het geloof.
En in geen van beide werelden gelooft men dat die twee tot een overeenkomst kunnen komen .
Ook in de kunst klinkt dat NEEN loud and clear.
In de klassieke kunst staat het hart centraal.
In de Hedendaagse kunst draait alles om het hoofd.
Maar een gesprek tussen beide is onbestaande, het wordt aan beide kanten radicaal afgewezen.
Kunst en werkelijkheid zeggen dus hetzelfde: NEEN, de kloof tussen hoofd en hart kan niet overbrugd worden.

Dit luide en eensgezinde NEEN is echter geen bewust neen.
Het is niet het antwoord op een bewust gestelde vraag.
Want we zien de kloof niet eens.
Er is nauwelijks iemand die ziet dat de kunst in twee gedeeld is en dat ze bestaat uit een hart-kunst en een hoofd-kunst.
De Sixtijnse madonna en de pispot van Duchamp: in de ogen van de moderne mens is het allemaal kunst.
Hij ziet geen wezenlijk verschil.
Ook de clash of civilisations wordt ontkend.
Onlangs verklaarde president Obama in oorlog te zijn met IS ‘omdat het de islam perverteert’.
Alsof dat een zorg van het Westen is, alsof het Westen en de islam één zijn.
Beide vormen een bijna absolute tegenstelling, maar dat wordt zoveel mogelijk genegeerd.

Het is een raadsel waarom er vandaag twee diametraal tegengestelde kunsten zijn: een oude en een nieuwe, een klassieke en een hedendaagse.
Het is ook een raadsel waarom er vandaag twee beschavingen tegenover elkaar staan: een middeleeuws islamitische en een modern Westerse.
Maar het is een nog veel groter raadsel waarom de moderne mens deze dualiteit niet opmerkt.
Gebrek aan onderscheidingsvermogen kan niet de reden zijn.
Wetenschappelijk gevormd als hij is, kan de moderne mens beter onderscheiden dan ooit.
Als hij niet ziet welke tegenstellingen de moderne wereld verdelen, dan is dat omdat hij ze niet WIL zien.

Dat levert het volgende plaatje op.
Enerzijds wil de moderne mens de wereld in twee delen.
Dat komt zowel in zijn kunst als in zijn werkelijkheid tot uiting: ze zijn allebei extreem gepolariseerd.
Anderzijds wil hij de wereld als een eenheid zien.
Dat komt tot uiting in zijn houding tegenover zowel kunst als werkelijkheid: hij negeert de diepe kloof die beide in twee deelt.
De moderne mens wil dus zowel scheiden als verenigen, en hij wil het in de allerhoogste mate.
Beide tegengestelde ‘WILLEN’ zijn uitermate sterk.
Beide zijn ook uitermate onbewust.

Zwei Seelen wohnen ach! In meiner Brust, schreef Goethe.
Het zou de klacht kunnen zijn van de moderne mens, ware het niet dat hij zich van die gespletenheid niet bewust is.
Nochtans zijn beide ‘zielen’ zeer extreem.
De ene wil niets anders dan scheiden, de ander wil niets anders dan verenigen.
En de mens, die is zich van geen kwaad bewust.
Want het gaat hier natuurlijk om Lucifer en Ahriman.
Ahriman wil de mens aan de materie binden (vandaar dat scheiden, analyseren, uit elkaar halen).
En Lucifer wil hem oplossen in de geest (waar alles één is en geen onderscheid meer bestaat).

Samen creëren Lucifer en Ahriman in de mens één groot instinctief NEEN.
NEEN, deze Zwei Seelen willen met elkaar niets te maken hebben.
De ahrimanische wetenschap van het Westen wil niets met het luciferische geloof van het Oosten te maken hebben en vice versa.
De ahrimanische hedendaagse kunst doet alsof de luciferische klassieke kunst niet bestaat en omgekeerd.
NEEN, de Zwei Seelen willen ook niets te maken hebben met het menselijke bewustzijn.
Ze willen niet dat de mens zijn licht over hen laat schijnen.
Ze willen in het duister blijven, ongezien en ongekend.
Daar zijn ze het roerend over eens.
In dat gemeenschappelijke, dubbele NEEN werken ze als één geest, een machtige anti-geest die ons zijn wil oplegt zonder dat we het weten: de Antichrist.

We worden ons pas bewust van die ANTI-WIL wanneer we er onze eigen wil tegenover zetten.
Doen we dat niet, dan wordt onze wil steeds zwakker en gaan we willen wat we NIET willen.
De wil van de Antichrist neemt het dan van ons over zonder dat we het beseffen.
Onze eigen menselijke wil komt het duidelijkst tot uiting in de kunst.
Want de kunst is ons grote JA.
In de kunst verenigen we ons hoofd en hart.
En die vereniging is het meest vanzelfsprekende wat we kennen.
Want wat is er vanzelfsprekender dan de vreugde die we beleven aan de schoonheid van een kind?
Het is de diepste esthetische ontroering die we kennen.
En het is geenszins alleen het fysieke uiterlijk dat ons ontroert, het is ook het innerlijke wezen van het kind dat ons zo diep raakt.
Het kind is dan ook de bron van alle kunst.
En kunst is de bewustwording van dit kind.
Wat we in de kunst bewonderen, is dezelfde eenheid van geest en materie die we ook in het kind bewonderen en liefhebben.
In feite treffen we die eenheid overal aan, als we maar lang genoeg zoeken.
De hele werkelijkheid waarin we leven is een eenheid van geest en materie.
We zijn er ons alleen niet van bewust.

Bewust worden van de kunst betekent: bewust worden van de werkelijkheid, van het (diep verborgen) kinderlijke wezen van die werkelijkheid, het wezen dat volmondig JA zegt.
Dit kinderlijke JA leeft diep in ons hart, maar zonder ouders kan het niet geboren worden.
Pas als wij dat willen, kan het ‘vlees’ worden.
Dit onvoorwaardelijke JA is Christus.
Net als een kind kan hij niets zonder ons, hij is aan ons overgeleverd.
Wat hij niet van ons krijgt, kan hij niet duizendvoudig teruggeven.
Als wij hem onze stem niet lenen, kan hij ons niets zeggen.
Hij spreekt met onze stem.
Hij denkt met ons verstand.
Hij leeft in ons bewustzijn.

Wanneer we naar kunst kijken, kijken we naar Christus.
Maar we weten het niet, want we dromen.
Al dromend kunnen we Christus gewaarworden in de vorm van een gevoel, een ontroering, een vreugde.
Maar het is geen vrije ervaring, juist omdat we niet wakker zijn.
We kunnen (de vreugde van) Christus niet beleven wanneer we dat willen.
Het is iets wat ons af en toe toevalt.
In vroeger tijden was dat ‘toeval’ zeer materieel van aard: de doorsnee mens kwam zelden in aanraking met kunst (al had hij natuurlijk wel het grote kunstwerk dat de natuur is).
Vandaag is art everywhere en is het toeval geestelijk van aard: we worden nog maar zelden zo diep getroffen door een kunstwerk dat we er Christus in ervaren.
Ons zintuig voor kunst (of voor Christus, dat komt op hetzelfde neer) is afgestompt en verward.
We krijgen niet alleen te veel kunst te zien, we krijgen ook te veel kunst te zien die geen kunst is.
Er heerst chaos in ons hart, en alleen ons hoofd kan daar weer orde scheppen.

Maar het is datzelfde hoofd dat de chaos veroorzaakt heeft.
Zolang we de kunst alleen met ons hart benaderden, was er geen probleem.
Pas toen het intellect de kunstwereld binnendrong, ontstond er misleiding, twijfel, chaos.
Die chaos zijn we gemakshalve gaan beschouwen als ‘de nieuwe orde’.
We hebben een geheel nieuw kunstbegrip ontwikkeld, waarin chaos orde is, bedrog waarheid, twijfel zekerheid, lelijkheid schoonheid, enzovoort.
Zo zijn we ertoe gekomen een pispot als kunst te beschouwen: we hebben het begrip ‘kunst’ gewoon omgekeerd, we hebben het vervangen door een anti-begrip.
En dat heeft ons blind gemaakt voor de kunst.
We zien geen verschil meer tussen kunst en anti-kunst.
Kunst zien verschilt niet van ons gewone zien: het ontstaat maar wanneer we het begrip ‘kunst’ met onze waarneming verbinden.
Als we dat begrip verwisselen dan zien we geen kunst meer.
We denken dan alleen maar dat we kunst zien, want het nieuwe kunstbegrip is een dood begrip, een product van ons hoofd.
Het oude kunstbegrip daarentegen was een levend begrip, een product van ons hart.

En dat is de grote keuze waarvoor we vandaag staan.
Kiezen we voor de dood of kiezen we voor het leven?
Worden we ons bewust van ons oude levende kunstbegrip?
Of laten we ons steeds dieper in slaap wiegen door het nieuwe dode kunstbegrip?
Kiezen we met andere woorden voor ons hart, of kiezen we voor ons hoofd?
Kiezen we voor Christus of kiezen we voor de Antichrist?

In de kunst kunnen we ons bewust worden van wat deze keuze inhoudt, omdat de kunst zoals we die kennen een ‘dode’ kunst is.
Juist dat ‘doodse’ karakter garandeert onze vrijheid.
Hier kunnen we Christus benaderen zonder geknecht te worden.
Hier kunnen we een werkelijk vrije relatie met hem aangaan.
In de werkelijkheid is dat veel moeilijker en gevaarlijker omdat ze een levend kunstwerk is.
We riskeren daar veel vlugger ons hoofd te verliezen, figuurlijk maar ook letterlijk.
De Antichrist duldt namelijk geen verzet.
Hij verdraagt het niet als we tegenover zijn NEEN ons JA zetten.
En dat JA moet vanuit ons hoofd komen.
Het moet een bewust en vrijwillig JA zijn.
Een JA tegen het hart.

Er schuilt er diepe occulte waarheid in de onthoofdingsvideo’s die het Islamitische Kalifaat de wereld in stuurt, een waarheid die de moderne mens kent zonder het te weten.
Die waarheid is dat ‘onthoofding’ het enige is wat de wereld kan redden uit de klauwen van de Antichrist.
Het Kalifaat, dat deze waarheid zeer letterlijk interpreteert, wil natuurlijk dat de Westerse vijand het hoofd letterlijk en figuurlijk verliest.
Maar de ‘onthoofding’ waar het werkelijk om gaat, is de geestelijke onthoofding: het bewuste en vrijwillige ‘verliezen’ van het hoofd.
De moderne mens heeft zijn vrijheid te danken aan het offer van het hart.
Zonder dat offer had het hoofd zich niet kunnen ontwikkelen tot het heldere zintuig dat het vandaag geworden is, een zintuig voor zowel de materiële wereld als de ideeënwereld.
Dat hoofd-zintuig volstaat echter niet meer omdat de materiële werkelijkheid in toenemende mate doordrongen wordt met geest.
Om die ‘nieuwe’ werkelijkheid even helder te kunnen waarnemen als de oude, moet er een nieuw zintuig worden ontwikkeld, een zintuig dat hoofd en hart verenigt.

Dat nieuwe zintuig kan maar ontstaan als het offer van het hart beantwoord wordt door een tegenoffer van het hoofd.
Het moderne hoofd moet zich ten dienste stellen van het hart, zoals het hart zich ten dienste heeft gesteld van het hoofd.
Het moet licht ontsteken in dat onderworpen, verduisterde hart, zodat dit inzicht krijgt in zijn eigen offer (in plaats van kwaadaardig te worden en op wraak te zinnen) en het offer van het hoofd van harte aanvaardt.
Want uiteindelijk zal het heil komen van het gezamenlijke offer van het (vrouwelijke) hart en het (mannelijke) hoofd aan Het Kind, dat wil zeggen aan Christus.

En dat is wat we oefenen in de kunst.
Dat is wat we kunnen leren van de kunst.
Als ons hoofd zich tenminste ten dienste stelt van de kunst, en niet omgekeerd zoals de Antichrist het wil.

De wederkomst van Christus in de etherische wereld van de kunst

Het grootst mogelijke onheil zal over de mensheid komen als ze de wederkomst van Christus verslaapt, aldus Rudolf Steiner.
Er bestaat voor de hedendaagse mens dus geen belangrijker opgave dan wakker te worden voor Christus.
Daarvoor moeten we echter ‘over de drempel’ want Christus manifesteert zich niet in de materiële maar in de etherische wereld, de wereld die de brug vormt tussen materie en geest.
De materie kennen we door ons bewustzijn naar buiten te richten.
De geest door ons bewustzijn naar binnen richten.
Maar wat beide met elkaar verbindt, dat ontgaat ons.
De etherische wereld is voor ons mensen wat water is voor vissen: het element waarin we leven.
Om dat element te leren kennen, moeten we ertegenover gaan staan.
We verliezen dan echter het bewustzijn, als vissen op het droge.
We zien het ‘water’ niet als we erin zitten.
En we zien het niet als we erbuiten staan.
Gelukkig is er de kunst.
Doordat ze geest en materie met elkaar verbindt, biedt ze ons een beeld van het etherische waar we tegenover kunnen gaan staan zonder ons bewustzijn te verliezen.
In de kunst kunnen we dan ook Christus beleven zonder geknecht te worden door de Antichrist.

Maar deze laatste maakt het ons wel heel, heel moeilijk.

Het is bekend welk pandemonium hij in de werkelijkheid veroorzaakt heeft om de 20ste-eeuwse mens te beletten zich bewust te worden van de wederkomst van Christus.
Die apocalyptische uitbarsting vond ook plaats in de kunst.
Ze was daar weliswaar geestelijker van aard, maar daarom niet minder vernietigend.
Zoals Europa door de wereldoorlogen verdeeld werd in een Oostelijk en een Westelijk deel, zo werd de kunst verdeeld in een Klassiek en een Hedendaags deel.
Het geweld – het materiële zowel als het geestelijke – was dus in de eerste plaats tegen het midden gericht, tegen het verbindende etherische element.
Van dat middengebied moest de aandacht worden afgeleid, want daar vond de wederkomst van Christus plaats.

Met name in de kunst zien we dat er sindsdien eigenlijk niks meer veranderd is.
Van zodra we de blik richten op het midden krijgen we te maken met de Antichrist.

Als we voldoende afstand nemen en de kunst als één geheel zien, dan verschijnt haar ‘midden’ als een lege ruimte, een diepe kloof die de kunstwereld in twee deelt.
Om dat midden te kunnen waarnemen, moeten we natuurlijk eerst de twee ‘stukken’ onderscheiden waarin de kunst verdeeld is: het ‘hedendaagse’ en het ‘klassieke’.
Maar juist dit onderscheid is taboe.
Het is absoluut not done om op zo’n ‘polariserende’ manier over kunst te denken.
Er bestààn helemaal geen twee kunsten, er bestaat alleen één grote ‘superdiverse’ kunst.
Wie er anders over denkt, is een culturele racist.
De Antichrist heeft de kunst in twee gedeeld, maar hij wil niet dat we dat zien.
Hij wil dat we slechts één kunst zien, geen twee.
Hij wil niet dat we onderscheid maken.
Hij wil dat we zien wat we denken te zien (eenheid), niet wat we werkelijk zien (tweeheid).
Hij wil dat we denken en waarnemen gewoon omwisselen.

Die omkering is blijkbaar een machtig wapen, want niemand ziet dat de kunst in twee stukken gebroken is.
Iedereen accepteert zonder protest dat er maar één kunst bestaat: de ‘hedendaagse’ kunst, de kunst die zichzelf uitgeroepen heeft tot de enige echte kunst van onze tijd.
Hoe ongemeen sterk de denkbeelden zijn die de Antichrist aan ons opdringt, blijkt uit het feit dat we ze onvoorwaardelijk geloven, hoe weerzinwekkend de werkelijkheid ook is.
We worden gedwongen om – letterlijke en figuurlijke – uitwerpselen als kunst te beschouwen, maar niemand waagt het nog om daartegen te protesteren.
Niemand durft nog de vraag te stellen: is dit werkelijk kunst?
De moderne kunstliefhebber gelooft in de Antichrist zoals een moslim in Allah gelooft: onvoorwaardelijk en fanatiek.
Zelfs de meest barbaarse daden kunnen zijn geloof niet schokken.

Dat er nog een andere kunst zou kunnen bestaan, een kunst die NIET bestaat uit alle mogelijke soorten afval, komt niet eens in hem op.
Zijn geloof in de denkbeeldige eenheid die de Antichrist hem voorhoudt, is een tweede natuur geworden, een etherische eigenschap.
Wat de kunstliefhebber ook ziet of denkt of voelt: het is niet bij machte iets te veranderen aan zijn antichristelijke benadering van kunst.
Hij is ‘etherisch geknecht’.
De Antichrist heeft hem de toegang tot Christus versperd.
Dat geldt in de eerste plaats voor de kunst van onze tijd: daar is de moderne kunstliefhebber volkomen blind voor.
Maar deze blindheid verspreidt zich ook over de kunst uit het verleden.
En dat is een verontrustende gedachte, want de kunst is de enige plek waar we in onze seculiere tijd nog de brug kunnen slaan naar de wereld van de geest.

Als we de toegang tot Christus weer willen vrijmaken, dan moeten we met ons bewustzijn doordringen in het etherische gebied en daar de confrontatie met ons geloof in de Antichrist aangaan.
Het meest aangewezen gebied om dat te doen, is de kunst.

Als we een schilderij bekijken zoals we de gewone, materiële werkelijkheid bekijken, dan zien we geen kunstwerk, maar alleen een doek dat bedekt is met verfklodders.
Willen we het schilderij als schilderij zien, dan moeten we overschakelen op een ander, dromeriger bewustzijn, een ‘etherisch’ bewustzijn.
We moeten ons overgeven aan de illusie dat die verfklodders bijvoorbeeld een schaal met appelen zijn.
We doen dat automatisch: we zien een kunstwerk NOOIT zoals we de gewone werkelijkheid zien, we zien het ALTIJD op een ‘etherische’ manier.
Maar daar zijn we ons niet van bewust.
We benaderen kunst op een onbewust-etherische manier.

We denken volkomen wakker te zijn wanneer we naar kunst kijken, maar dat is niet zo.
Onder invloed van het etherische karakter van de kunstwerken brengen we onszelf (zonder het te weten) in een staat van ‘verminderd’ bewustzijn: we schakelen ons heldere, rationele denken uit.
Dat is namelijk de voorwaarde om überhaupt kunst te KUNNEN zien.
De dichter Rilke zei het al: met niets komen we een kunstwerk minder nabij dan met het kritische verstand.
Dat verstand moeten we in de vestiaire achterlaten.
We moeten dromers worden, ‘gelovige’ mensen.
Wanneer we een museum of een tentoonstellingsruimte betreden, betreden we een (moderne) tempel, een sacrale ruimte.
We beseffen het niet, maar we komen hier om Christus te vereren.

Terwijl de kerken leeglopen, lopen de musea vol.
Maar schijn bedriegt.
Het museumbezoek gaat dezelfde kant op als het vroegere kerkbezoek: het verwordt tot een leeg ritueel waarvan de betekenis ons ontgaat, laat staan dat het ons nog in contact brengt met Christus.
Om dat contact te herstellen, moeten we ons bewust worden van de ware aard van dat ritueel.
We moeten ons bewust worden van de manier waarop we naar kunst kijken.
Vroeger was dat niet nodig.
Zolang Christus nog niet in de etherische wereld was verschenen, drukte hij zich nog voldoende sterk uit in de materiële wereld.
De rechtstreekse invloed die van kunstwerken uitging, was vele malen groter dan vandaag en mensen die er zich aan overgaven, konden Christus nog duidelijk leren kennen (ook al beseften ze niet dat het om Christus ging).
Vandaag is dat niet langer het geval.
Sinds Christus ‘over de drempel’ is gegaan, moeten ook wij over de drempel gaan.
We moeten hem als het ware tegemoetkomen en in het midden ontmoeten.
Zoals zijn Ik overgegaan is van de materiële naar de etherische wereld, zo moet ons bewustzijn overgaan van de astrale naar de etherische wereld.
We moeten bewust doordringen in de etherische wereld.
Doen we dat niet, en gaan we zoals vroeger onbewust over de drempel dan vallen we in handen van de Antichrist en veranderen zonder het te beseffen in fanatieke gelovigen.

De bewuste drempeloverschrijding plaatst ons echter voor een schijnbaar onoverkomelijk probleem.
Ons heldere, rationele bewustzijn hebben we ontwikkeld door ons terug te trekken uit de etherische sfeer. We zien de wereld niet langer als een kunstwerk maar als een dood voorwerp waarmee we kunnen doen wat we willen, bijvoorbeeld: het helemaal uit elkaar halen om te zien hoe het ineen zit.
Zo hebben we de wetenschap ontwikkeld.
Zo hebben we ook onze vrijheid veroverd.
Door ons terug te trekken uit (de onderste, etherische laag van) de geestelijke wereld.
Als we die geestelijke wereld weer willen leren kennen, moeten we dat wetenschappelijke bewustzijn op de etherische wereld richten.
Maar dan vernietigen we die wereld.
We gaan dan te werk als een wetenschapper die een schilderij wil leren kennen door het in duizend stukjes te knippen en die grondig te analyseren.
De conclusie is dan onvermijdelijk dat … kunst niet bestaat.

Op die (materialistische) manier leren we natuurlijk nooit de kunstzinnige of de etherische wereld kennen.
Vóór we er ons bewust kunnen van worden, moeten we ons eerst overgeven aan die wereld, anders bestaat hij doodeenvoudig niet voor ons.
We moeten ons verstand uitschakelen en onderduiken in het ‘water’ van de etherische sfeer.
Maar … daardoor verliezen we het bewustzijn.
We zijn niet langer wakker meer, we zijn dromers geworden.
En we kunnen niet tegelijk slapen én wakker zijn.
Of wel?

Van die die vraag hangt eigenlijk alles af.
Als we niet wakker kunnen worden IN de etherische wereld, dan is de toegang tot de geest voorgoed afgesloten, dan vinden we Christus nooit.
Laten we dus proberen om die cruciale vraag wat scherper te stellen.

Als we naar kunst kijken dan schakelen we (bewust of onbewust) ons verstand uit.
Kunst is namelijk bij uitstek het gebied waar on ne voit bien qu’avec le coeur.
De Antichrist heeft de zaken natuurlijk op z’n kop gezet: hij heeft van de kunst een intellectuele aangelegenheid gemaakt.
Hij dwingt ons om bij het betreden van de (etherische) wereld van de kunst niet ons verstand maar ons gevoel uit te schakelen.
Hij keert de zaken dus gewoon om.
Op die manier is het natuurlijk niet moeilijk om bewust door te dringen in de etherische wereld.
Het is dan echter wel een etherische onderwereld die we leren kennen, een wereld waar niet Christus maar de Antichrist de scepter zwaait.
En we beseffen dat niet, want we kunnen geen onderscheid maken in deze geestelijke wereld.
Dat kunnen we alleen met ons hart, maar dat hebben we juist in de vestiaire achtergelaten.

In de materiële wereld kunnen we alleen onderscheiden met ons hoofd.
De gevoelens van ons hart vertroebelen het heldere verstand.
In de geestelijke wereld is het precies omgekeerd.
Hier kunnen we alleen onderscheiden met ons hart.
De gedachten van het hoofd leiden er ons op dwaalwegen.
In de materiële wereld verschaffen ze ons objectieve, algemeen geldende kennis, maar in de geestelijke wereld hebben we er niets aan.
We kunnen deze gedachten niet meenemen over de drempel, we moeten ze achterlaten.
Aan de ‘andere kant’ zijn we aangewezen op de gevoelens van ons hart, zoals we dat ook zijn in de wereld van de kunst.
Maar die gevoelens verschaffen ons geen objectieve kennis, daarvoor zijn ze te subjectief, te persoonlijk.
Ze sluiten ons als het ware op in een klein stukje van de geestelijke en kunstzinnige wereld.
Over het wezen van die wereld – Christus – vertellen ze ons niets, behalve op uitzonderlijke momenten buiten onze vrije wil om.

Wakker worden in de etherische wereld betekent dus tegelijk wakker worden in onze gevoelens, licht ontsteken in ons hart.
Want ons hart kan wel voelen, maar het kan niet zien.
Het kan onderscheiden, maar alleen tastend.
En daardoor loopt het gevaar eveneens geen verschil te zien tussen Christus en de Antichrist, want deze laatste draagt een schaapsvacht.
Nee, op een veilige manier de etherische wereld betreden – dat wil zeggen zonder in handen te vallen van de Antichrist – is alleen mogelijk met een hart dat ziende is geworden en even helder en objectief waarneemt als een hoofd.

En hier rijst opnieuw de vraag: is zoiets mogelijk?
Kan het menselijk hart een zintuig worden, kunnen gevoelens objectief zijn?
Het postmoderne antwoord op die vraag is een luid NEEN!
Maar dat is niet ons antwoord, het is het antwoord van de Antichrist.
Dat ondervinden we wel als we die vraag bevestigend beantwoorden.
Want dan gaan de poppen aan het dansen.

(wordt vervolgd)

Michaëlische arbeid

Anna verkeerde verleden week in grote opwinding want ze zou als prinses fungeren tijdens de Michaëlviering in haar kleuterklas.
Het feest bestond voor haar niet zozeer in het bevrijd worden van de draak dan wel in het dragen van prinsessekleren.
Daar liep ze de hele dag in rond, pirouettes draaiend en zichzelf bekijkend in alles wat spiegelde.
Later zag ik op Facebook foto’s van de Michaëlviering in haar school, het steinerschooltje van Munte.
De strijd met de draak werd door de oudere kinderen in het bos gestreden.
Het deed me denken aan de Engelse uitdrukking ‘in the woods’.
Dat betekent: in de problemen zitten.
‘Out of the woods’ betekent dan weer dat de problemen opgelost zijn.
Het lijkt me een echte Michaëluitdrukking.
Eén ding is zeker: een prinses hoort niet thuis in het bos.
Als ze zich ‘in the woods’ bevindt, zit ze in de klauwen van de draak en moet ze bevrijd worden door de ridder op het witte paard.

Het zijn kinderlijke beelden van de Michaëlische strijd tegen het kwaad.
Maar hoe zit het met de volwassen beelden?
Die zijn er eigenlijk niet.
We hebben weliswaar beelden van een aartsengel met een weegschaal en van een geharnaste ridder met een speer, maar die dateren nog uit de Middeleeuwen, uit een tijd die in onze ogen nog kinderlijk is.
Ons moderne bewustzijn heeft geen beelden van Michaël.
Als we ons de aartsengel proberen voor te stellen, blijft het beeld leeg.
Antroposofen hebben wel enige noties van Michaël, maar die zijn allemaal zeer abstract. Ze leven niet, ze spreken niet.

Nochtans is Michaël de leidende en inspirerende geest van de antroposofie.
Aan het eind van zijn leven plaatste Rudolf Steiner de antroposofie nadrukkelijk in het teken van Michaël: antroposofen horen Michaëlieten te zijn, volgelingen van Michaël, strijders tegen de draak.
Er moest volgens hem een nieuwe wind door de antroposofie waaien, de wind van de Michaëlische geestdrift.
En die wind moest vanuit het hart waaien.
Daar drukte Steiner na de Weihnachtstagung steeds weer op: de antroposofie moet vanuit het hart komen en tot het hart spreken.
Dat was de Grote Vernieuwing die hij tijdens de kerstbijeenkomst van 1923 doorgevoerd had en die hij in een beeld had gegoten: de Grondsteen die in het hart van de antroposofen werd gelegd.

Die Grondsteen is een spreuk, een kernachtige samenvatting van de antroposofie, een verzameling grootse maar zeer abstracte begrippen.
De grondsteenspreuk is als het ware het ‘stenen hoofd’ van de antroposofie, een steen der wijsheid.
En die steen werd tijdens de Weihnachtstagung in het hart van de antroposofen gelegd, als een zaadje in de grond.
In die ‘hartegrond’ moet het zaadje ontkiemen tot Michaëlische geestdrift.
En die geestdrift moet op een wit paard zitten, dat wil zeggen: ze moet onzelfzuchtig zijn. Het mag geen luciferische geestdrift zijn, de geestdrift van het rode bloed dat kolkt in het hart.
Michaëlische geestdrift ontstaat uit het huwelijk van hoofd en hart, van begrip en beeld, van prins en prinses, van ridder en maagd.

Dat zijn nog altijd vrij kinderlijke beelden.
Ze zijn al niet meer zo abstract als zuiver antroposofische begrippen, maar ze zijn nog lang niet zo concreet dat we ze werkelijk herkennen en erdoor aangesproken worden.
Het zaadje is al aan het ontkiemen, maar het is nog niet boven de grond gekomen.
Alles speelt zich nog af in de baarmoeder van de aarde, in de donkere gevoelswereld van het hart.
Het Michaëlische plantje is nog niet zichtbaar voor de buitenwereld.

Vóór de Weihnachtstagung was de antroposofie een hoofd-aangelegenheid: het vormen van een zaadje, van een moderne steen der wijzen.
Na de Weihnachtstagung werd de antroposofie een hartsaangelegenheid: het zaadje werd gezaaid, de steen der wijzen werd beschikbaar voor iedereen.
Dat was niets minder dan een revolutie, een totale omkering.
De eersten die dat begrepen, waren de tegenmachten: ze reageerden furieus.
En ze reageerden niet alleen tegen de antroposofen, want ze begrepen heel goed dat de antroposofie sinds de Weihnachtstagung een mensheidsaangelegenheid was geworden.
Ze ontketenden hun duivels zowel in als buiten de antroposofische vereniging.
De gevolgen van die demonische uitbarsting werken door tot op de huidige dag.
De moderne mensheid is als verdoofd door de enorme uppercut die ze heeft gekregen.
En ze krijgt nauwelijks de kans om haar tegenwoordigheid van geest te herwinnen, want het blijft slagen regenen.
Een en ander heeft tot gevolg dat de mensheid weer in haar schulp kruipt: ze grijpt terug naar oude, achterhaalde concepten.
Dat zien we ook in de antroposofie: in plaats van zich open te stellen voor de wereld plooit ze terug op zichzelf, ze keert terug naar de zaadvorm van vóór de Weihnachtstagung.
Een sprekend voorbeeld daarvan is de pas gestorven Sergej Prokofieff.
De man heeft prachtig werk geleverd, daar kan geen discussie over bestaan.
Maar al dat werk speelde zich af binnen de gesloten grenzen van de antroposofische vereniging. In de duizenden diepzinnige bladzijden die hij heeft geschreven, wordt nauwelijks met een woord gerept over de ‘buitenwereld’. De mensen die in die buitenwereld leven, kunnen met zijn boeken niks aanvangen, ze zijn geschreven in een vreemde, onbegrijpelijke taal die alleen de insiders begrijpen.

Prokofieff heeft veel geschreven over de Weihnachtstagung, maar hij beschreef ze vanuit het hoofd, vanuit de ‘stenen’ antroposofische wijsheid.
De grootste kracht van die wijsheid is haar kristallen helderheid.
De grootste zwakheid is haar levenloosheid.
Daarom blijft deze wijsheid ook niet in het geheugen hangen, in het ‘levenslichaam’.
Dat is de tragiek van de moderne antroposofie: ze beklijft niet.
De wereld neemt er kennis van, maar vergeet ze weer.
Ze wordt niet herkend.
En dat is wederzijds.
Ook de antroposofie herkent de wereld niet.

Ik heb dat altijd als bijzonder pijnlijk ervaren.
Het heeft me ook belet om deel uit te maken van de antroposofische vereniging.
Ik weiger mij op te sluiten in die harde zaadvorm.
Ik ervaar hem als verstikkend, als niet van deze tijd.
Het is nog altijd de wereld van vóór de Weihnachtstagung: de dualistische, querulante, in zichzelf opgesloten antroposofische wereld.
Het is een wereld die het zo druk heeft met haar eigen problemen dat ze geen tijd heeft om zich bezig te houden met de buitenwereld.
Het is een wereld waarin figuren als Joseph Beuys de status van model-antroposoof kunnen bereiken.

Ik verafschuw die wereld uit de grond van mijn hart.
Maar ik ben niet zo dom om hem niet in mezelf te herkennen.
Als autist weet ik wat het is om afgesloten te zijn van de buitenwereld, om helemaal in jezelf opgesloten te zitten, gevangen in je eigen problemen.
Ik hoed er mij dus voor om oordelen uit te spreken.
In plaats daarvan probeer ik te doen wat volgens mij moet gebeuren om uit die oude, autistische zaadvorm van vóór de Weihnachtstagung te breken: contact maken met het hart, met de open lucht, met de buitenwereld, met ‘de vijand’.
Ik probeer de wijsheid van de antroposofie niet op te leggen aan de wereld.
Ik kan ze niet eens opleggen aan mezelf.
Ik probeer net het tegenovergestelde: ik probeer de wijsheid van de antroposofie te ontdekken in de wereld.
Want sinds de Weihnachtstagung is ze daarin uitgestroomd.
Het antroposofische zaadje is ontkiemd.
Wie zich aan dat zaadje blijft vastklampen, houdt in toenemende mate een lege vorm over.
Hij raakt de antroposofie kwijt, want ze manifesteert zich steeds meer in de harten van de mensen, in de buitenwereld, in het moderne leven.
Maar ze wordt daar niet herkend, want degenen die dat zouden kunnen – de antroposofen – houden de blik op zichzelf gericht, op de oude antroposofie, de antroposofie van vóór de Weihnachtstagung.
Nog eens, dat is geen oordeel of verwijt, het is een vaststelling.
De oude, op zichzelf gerichte antroposofie was (en is nog altijd) een noodzakelijke fase.
Maar het is tijd voor een volgende fase, voor een nieuwe antroposofie die de blik naar buiten richt.
Die nieuwe antroposofie vervangt de oude niet, ze wordt eruit geboren.
Het hoofd moet niet de plaats ruimen voor het hart, evenmin als de moeder de plaats moet ruimen voor haar kind.
Beiden moeten een nieuwe relatie aangaan.
Beiden moeten een metamorfose ondergaan.

De antroposofie is in de eerste plaats een aangelegenheid van het denken.
Ze doet zich aan ons voor als een verzameling boeken, voordrachten, wijsheid.
Die wijsheid is droog en taai, en we moeten er lang op kauwen.
We moeten leren denken zoals we nog nooit gedacht hebben.
Maar de motor van dat denken, datgene wat ons doet nadenken, ligt in ons hart.
Antroposoof wordt men niet doordat men nadenkt, antroposoof wordt men doordat men gevolg geeft aan de stem van het hart dat de antroposofie op de een of andere (kinderlijke) manier herkent.
Antroposofie is in oorsprong een hartsaangelegenheid.
Maar daar zijn we ons nauwelijks van bewust.
Bovendien raakt dat bewustzijn ook nog eens ondergesneeuwd door onze verwoede pogingen om de antroposofie te begrijpen: we worden denkers die vergeten waarom ze zijn beginnen denken.
We worden denkers die de denker vergeten.
En die denker is het hart, niet het hoofd.
Het hoofd is slechts het instrument van het denken.

En dat is waar we ons (opnieuw) bewust van worden als we de stap van de Weihnachtstagung zetten, de stap van de Oude naar de Nieuwe Mysteriën: het hoofd is slechts de dienstknecht van het denkende hart.
Dat inzicht vertaalt zich in een ware omwenteling in onze ziel, want ons moderne hoofd is allesbehalve een dienstknecht.
Het is in handen van Ahriman en die waant zich de Meester van het Universum.
Ons ahrimanische, intellectualistische hoofd legt ons hart onbarmhartig het zwijgen op.
Het reduceert ons gevoelsleven tot een Assepoester die in de kelder leeft en die gedwongen is naar zijn pijpen te dansen.
’s Avonds, als niemand het ziet, daalt hij naar de kelder af en verkracht de dienstmaagd.
Dat noemt hij dan ‘liefde’ of ‘passie’.
De bastaardkinderen die eruit voortkomen, noemt hij kunst en iedereen wordt gedwongen ze te bewonderen.
Ons arme, misbruikte Assepoesterhart weet niet beter of het hoort zo.

Doordringen tot de kern van de antroposofie betekent dus: de zaken op hun kop zetten.
Of beter: ze weer op de juiste plaats zetten.
Het betekent: hoofd en hart van plaats verwisselen.
Maar die omkering dient uit vrije wil te gebeuren, uit inzicht, uit liefde.
Hoofd en hart moeten elkaar herkennen.
En uit die wederzijdse herkenning wordt een kind geboren: een hart dat de kwaliteiten van een hoofd heeft, een denkend hart, een ziend hart, een onzelfzuchtig hart.
Maar de geboorte van dat nieuwe hart is, zoals iedere geboorte, moeilijk en pijnlijk.
Het is arbeid.
Michaëlische arbeid.