Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: humor

Lichtbaken (22)

  

Toen ik de vraag kreeg om een werkgroep te leiden op de Lichtbaken-conferentie in Antwerpen, was de afspraak dat ik het zou hebben over driegeleding en tweegeleding. Ik was ervan overtuigd dat het eerste uit het tweede diende ontwikkeld te worden, want rechtstreeks geïmplementeerd veroorzaakt driegeleding alleen maar meer dualisme. Zijn het immers niet nog altijd de idealen van de Franse revolutie – vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid – die de moderne mens drijven? En toch leidt dit driegelede streven niet tot een betere wereld, wel integendeel. De samenleving is nooit zo gepolariseerd geweest als vandaag. Maar hoe moet het dan wel? Hoe moet de driegeleding ontwikkeld worden vanuit de tweegeleding, dat wil zeggen vanuit de dualistische werkelijkheid zoals we die kennen? Daar had ik aanvankelijk geen idee van, tot mij, volkomen onverwacht, de gedachte inviel – of aangereikt werd – om de karikatuur als uitgangspunt te nemen. 

Uit eigen beweging zou ik dit onderwerp nooit aangesneden hebben, het was het laatste van mijn gedachten. Maar er zijn van die gedachten die via het gevoel rechtstreeks tot in de wil doordringen, en dit was er zo een. Na een korte aarzeling – ik vond het toch wel wat gewaagd – volgde ik dit pad less traveled by, and that has made all the difference. Ik stelde vast dat de karikatuur model stond voor de dualistische wereld van vandaag: ze splitst de mens in twee, met aan de ene kant zijn lager Ik en aan de andere kant zijn hoger Ik. Die zwei Seelen tekenen zich in onze tijd duidelijk af en maken van de moderne mens een levende karikatuur. Maar dat ziet hij niet. Hij is zich niet bewust van deze dualiteit. De levende karikaturen hebben op hem niet het bevrijdende effect dat getekende karikaturen hebben, wel integendeel. Ze doen hem niet lachen maar wekken afschuw, haat en agressie in hem op.

Er ontbreekt de karikaturale mens iets wat de karikatuur wel heeft: kunstzinnig bewustzijn. De karikaturist weet wat hij doet wanneer hij zijn model in twee splijt (of doodt, zoals Rudolf Steiner het uitdrukt) en het vervolgens weer tot leven wekt door de gescheiden delen weer samen te voegen tot … een driegeleed geheel. Want de karikatuur is uiteraard geen simpele kopie van de mens. Wat aan die mens toegevoegd word – of beter: wat in hem zichtbaar gemaakt wordt – is ‘de vorm van de idee’. De karikatuur ‘vergeestelijkt’ de mens, de geest (of de idee) krijgt vorm in hem. En die geest is driegeleed: het is niet alleen zijn eigen geest, het is ook de geest van de kunstenaar, die ‘zijn ziel in zijn werk legt’, en last but not least is het ook nog de geest die beide geesten tot een eenheid smeedt: de geest van de kunst. De karikatuur toont ons de dualistische (materialistische) mens in de vorm van de driegelede geest. 

Dat laatste doet ze echter slechts in de mate dat ze een kunstwerk is. De karikaturist slaagt er meestal wel in een gelijkend portret te maken, en hij legt er ook altijd iets van zichzelf in, maar of zijn tekening ook een kunstwerk is, hangt af van de aanwezigheid van de ‘derde geest’, de geest van de kunst. Deze verschijnt pas wanneer de relatie tussen de tegenpolen (de kunstenaar en zijn model) een zodanige intensiteit bereikt dat er, zoals Goethe het noemt, een Steigerung plaatsvindt. De tekening bereikt dan een hoger niveau: het kunnen wordt een kunst, de tweegeleding wordt een driegeleding. Eerst daalt de geest van de kunst neer in dit spanningsveld tussen de tegenpolen en daarna stijgt hij er weer uit op, beide andere geesten met zich meenemend. Het is door het Stirb und Werde van deze ‘derde geest’ dat een dualistische, strijdige relatie de driegelede, harmonische kwaliteit krijgt die men kunst noemt. 

In feite is ieder kunstwerk een miniatuurbeeld van de mensheidsontwikkeling. De dualistische wereld zoals we die vandaag kennen, is het resultaat van de zondeval die de mens steeds dieper in de materie heeft doen afdalen. Vandaag hebben we het dieptepunt bereikt, dat tevens het keerpunt is. De spanning tussen de tegenpolen is extreem, maar of er een Steigerung zal ontstaan die onze karikaturale wereld op een hoger niveau tilt, hangt af van de mens. De ‘derde geest’ kan pas optreden als de mens dat wil, als hij zich bewust wordt van de nood aan verlossing uit de onhoudbare dualistische situatie. Maar precies op dat moment valt de mens in slaap. Dat ziet men nergens beter dan in de kunst: zij is uiteengevallen in delen (de oude en de nieuwe kunst) die tegenover elkaar staan als hoger Ik en lager Ik, maar die extreme tegenstelling, die karikatuur, wordt niet waargenomen, men doet alsof er niets aan de hand is. 

Wie niet tegenover de idee kan gaan staan, zegt Rudolf Steiner in zijn Filosofie der Vrijheid, wordt door de idee geknecht. En de idee waardoor de moderne mens geknecht wordt, is de idee van de tweegeleding. We leven in een wereld die steeds dualistischer wordt omdat we het dualisme niet onder ogen zien. We beschouwen het dualisme als de bron van alle kwaad en willen het radicaal uitroeien. Maar juist daardoor blijven we blind voor de geest die er zich in verbergt en die eruit tevoorschijn wil komen. Deze ‘derde’ geest is de geest van ons ware Ik, dat geboren wil worden uit de spanning tussen ons hogere en ons lagere Ik. Het is de geest die Rudolf Steiner gestalte heeft gegeven in de Mensheidsrepresentant, het grote houten beeld dat Christus voorstelt tussen Lucifer en Ahriman. Het is beslist geen toeval dat de Christusfiguur onafgewerkt is gebleven, terwijl de tegenmachten tot in de details zijn afgewerkt.

Zoals ieder beeldend kunstwerk moet de Mensheidsrepresentant in beweging worden gedacht. De kijker moet het (ruimtelijke) beeld in de tijd plaatsen, hij moet het als het ware vertalen in muziek. Want als materieel ding belichaamt het slechts een fase in de voortdurende metamorfose die de kunst is. Maar het is wel een cruciale fase, overeenkomend met de materialistische tijd waarin we momenteel, op het keerpunt der tijden, leven. Dat keerpunt is de Ik-fase, het middelpunt van de hele mensheidsontwikkeling. Het is tevens het vrijheidsmoment. De mens staat nu voor de keuze: blijft hij louter materie zien, dan verliest de wereld zijn betekenis en wordt een nietszeggend hedendaags kunstwerk dat van de kijker een gedresseerde aap maakt. Slaagt hij er evenwel in deze verstarde, materialistische wereld als een kunstwerk te zien, meer bepaald als een karikatuur, dan wordt de (Christus)geest zichtbaar, die hem bevrijdt en weer doet lachen. 

Het klinkt waarschijnlijk oneerbiedig om de Mensheidsrepresentant te vergelijken met een karikatuur, maar die vergelijking komt niet (enkel) van mezelf. De idee om de karikatuur tot het uitgangspunt van mijn beschouwingen te maken, werd me niet alleen ‘van buitenaf’ aangereikt, ze werd ook nog eens bevestigd door de Lichtbaken-conferentie zelf, die begon en eindigde met … een karikatuur. In de eerste voordracht (die ik bijwoonde) stelde Matthijs van Alstein de drie tegenmachten voor als karikaturen van de drieëenheid. Tegenover de Vader, de Zoon en de Heilige Geest plaatste hij Ahriman, de Antichrist en Lucifer. Ook die tegenstelling op zich had iets karikaturaals, en het verbaasde me dan ook niet in een verslag te lezen dat ‘Matthijs van Alstein gelukkig gecorrigeerd werd door het publiek’. Het was de klassieke reactie van de slapende mens. Op mij had de karikatuur echter juist een bevrijdend effect.

Dat effect had ook de slotvoordracht van de conferentie. Zo ernstig als Matthijs van Alstein (een priester) was, zo humoristisch was Roland Halfen (een kunstwetenschapper). Hij overdreef zelfs een beetje : er werd het eerste halfuur meer gelachen dan tijdens de hele conferentie samen – ongetwijfeld een reactie op alle denkinspanningen die geleverd waren. De bevrijdende humor was echter niet alleen de vorm maar ook de inhoud van de voordracht, en dat mag wel merkwaardig heten, want het ging over de … Mensheidsrepresentant, toch niet meteen een beeld dat de lachlust opwekt. Niettemin bracht uitgerekend dit ernstige en dramatische beeldhouwwerk de spreker tot de conclusie – die meteen ook het slotakkoord van de conferentie was – dat humor de ‘antroposofische stijl’ dient te zijn, de manier waarop antroposofie bedreven moet worden en in praktijk gebracht. 

De – schijnbare – tegenstelling tussen ernst en humor kwam ook tot uiting in de twee anekdoten waarrond Roland Halfen zijn voordracht had opgebouwd. De eerste betrof een klein voorval met grote consequenties. Tijdens het werk aan de Mensheidsrepresentant, een beeld van bijna 10 meter hoog, verloor Rudolf Steiner op een gegeven moment het evenwicht. Hij stond op een hoge stelling en een puntige staak die zich meters lager bevond, zou hem gespietst hebben als zijn medewerkster Edith Maryon hem niet op het laatste nippertje had vastgegrepen. Om de tegenmachten te kunnen uitbeelden, had Rudolf Steiner ze gedwongen voor hem te poseren en dat wilden ze hem betaald zetten. Het zegt iets over de nauwe relatie die de kunstenaar met de tegenmachten aangaat en de risico’s die daaraan verbonden zijn. Het was de kunst die Rudolf Steiner in levensgevaar bracht, maar het was ook de kunst (in de persoon van Edith Maryon) die hem redde.

De tweede anekdote ging in wezen over hetzelfde – het verliezen van het evenwicht en de gevolgen daarvan – maar had een heel ander karakter. Toen de Mensheidsrepresentant zijn voltooiing naderde, nodigde Rudolf Steiner enkele getrouwen uit voor een eerste bezichtiging. Eén daarvan was Mieta Waller, een rijke vrouw zonder wier financiële steun het Goetheanum waarschijnlijk niet gebouwd had kunnen worden (en de Mensheidsrepresentant niet gebeeldhouwd). Om die reden, aldus Roland Halfen, mocht (of durfde) ze al iets meer zeggen dan een ander. En dat deed ze ook toen ze het beeld zag. Ze flapte eruit: maar Herr Doctor, het staat scheef! Herr Doctor fronste de wenkbrauwen, ging naast haar staan en bekeek het beeld nog eens goed. Verdorie, zei hij, je hebt gelijk! Het torenhoge beeld leek inderdaad naar rechts te hellen, het was uit balans. 

Ieder ander zou de wanhoop nabij zijn geweest, maar niet zo Rudolf Steiner. Hij loste het probleem op door als tegenwicht linksboven een figuur toe te voegen die de ‘wereldhumor’ voorstelde en die hij das Felsenwesen, het rotswezen, noemde. Nu was het beeld wél in evenwicht. Op het eerste gezicht heeft het voorval iets opportunistisch, iets van daar-passen-we-wel-een-mouw-aan. Rudolf Steiner was dan ook geen kunstenaar in de klassieke zin. Hij had geen artistieke opleiding genoten, zijn leerschool was zuiver wetenschappelijk geweest. Geen wonder dus dat hij fouten maakte, ook al liet hij zich bijstaan door Edith Maryon, een ervaren beeldhouwster. Hun samenwerking was in feite een beeld van de antroposofie zelf: een wetenschap die kunst wil worden en daarvoor de hulp van de kunst nodig heeft. Die samenwerking tussen kunst en wetenschap is een ‘hogere’ kunst (of wetenschap) waarvoor nog geen opleiding bestaat. 

Ze moet dus met vallen en opstaan ontwikkeld worden, en dat impliceert humor. Niet voor niets gebruikt Rudolf Steiner het woord ‘humor’ om de (her)verbindende kracht van de kunst aan te duiden, de kracht waarmee ze heelt wat ze zelf in twee heeft gedeeld. De humor is met andere woorden een opstandingskracht, een kracht waarmee de mens zich opricht als hij een fout heeft gemaakt, als hij uit balans is geraakt. Het is, zou je kunnen zeggen, de manier waarop de mens Christus volgt, terwijl Lucifer en Ahriman proberen hem uit evenwicht te brengen. Zonder humor, zei Rudolf Steiner dan ook, kom je de geestelijke wereld niet binnen. Hoe dichter je die wereld nadert, hoe groter het gevaar van luciferische sentimentaliteit, en om dat te bezweren heb je humor nodig. Nee, het is beslist geen toeval dat de humor, samen met Christus, Lucifer en Ahriman deel uitmaakt van de Mensheidsrepresentant.  

Net als das Felsenwesen in de Mensheidsrepresentant is de karikatuur een randverschijnsel in de wereld van de kunst. Ze is er maar op het laatst bijgekomen en vervult de rol van hofnar: ze grijpt de kunst vast op het moment dat deze het evenwicht verliest en in de diepte dreigt te storten. Ze is een kunstvorm die geen opleiding behoeft en die de mens aangeboren is. Maar ze moet wel beoefend worden, ze mag niet vergeten worden. Het trof me toen ik las dat Mieta Waller tot de nauwste intimi van Rudolf Steiner behoorde, want ik had nog nooit van haar gehoord. Sinds het congres van Munchen in 1907, waarop de antroposofie verbonden werd met de kunst, woonde ze samen met hem en Marie von Sivers in een soort ménage á trois. Ze was een van de belangrijkste antroposofen en toch kent vrijwel niemand haar. Daarin deelt ze het lot van de kunst, en vooral dan van de humor: men neemt ze niet ernstig. 

Na de slotvoordracht van Roland Halfen en de dankwoorden van initiatiefnemer Wilbert Lambrechts, nam een jongeman aan de piano plaats om bij wijze van afsluiting de Sonate Pathétique van Beethoven te spelen. Er viel een diepe stilte in de zaal, een stilte vervuld van de rust na volbrachte (geestelijke) arbeid. Geduldig wachtte men op het eerste akkoord. Toen dat eindelijk weerklonk, begon men op exact hetzelfde moment ergens in het gebouw te rammelen met potten en pannen, alsof men gewacht had met afwassen tot de muziek begon (of was het omgekeerd?). Het was zo’n potsierlijke coïncidentie dat ik bijna in de lach schoot: aan de ene kant die ernstige, pathetische muziek van Beethoven (ook al geen lachebek), en aan de andere kant dat gerommel uit de ingewanden van de school waar de leerlingen (opgeruimd en vrolijk) aan de schoonmaak begonnen. 

Niemand leek daar echter aandacht aan te besteden, evenmin als aan het feit dat de pianist er een paar keer flink naast sloeg. Het gerammel had hem blijkbaar toch uit zijn evenwicht gebracht. Maar juist doordat ik mijn oren niet sloot voor deze wanklanken, en er de humor van inzag, trof mij de ‘hogere’ kunstzinnigheid van het geval. De muzikale afsluiting van de conferentie was alweer een karikatuur – de ernstige muziek tegenover het vrolijke gerammel – en sloot daardoor naadloos aan bij het hele gebeuren, ook bij mijn eigen optreden als hofnar. Door gehoor te geven aan de impuls – of de wenk – om over de karikatuur te spreken, had ik uitdrukking gegeven aan de geest die – vanuit onzichtbare hoogten – de hele Lichtbaken-conferentie vorm had gegeven, de vorm van de idee, de vorm van de karikatuur. Het was mij een eer en een genoegen om deze geest op te merken en door hem opgemerkt te worden. 
 

Advertenties

The spirit of Christmas present

  

Kerstlol

  

Voetbal is een spel, en zoals ieder spel kan het een kunst worden – geen grote kunst natuurlijk, maar kleine kunst, volkskunst. Dat was dit jaar een beetje het geval met AA Gent. Eerst werden ze kampioen, daarna schakelden ze Lyon en Valencia uit in de Champions League en momenteel staan ze aan de leiding in de Jupiler League, naar verluidt met heel knap voetbal. Zoals het past in de volkskunst eindigde het jaar voor AA Gent met een komische noot. Meerdere komische noten eigenlijk. De eerste kwam van voetballer Benito Raman, die tijdens de rituele begroeting van de supporters na de (gewonnen) wedstrijd tegen Kortrijk, de microfoon greep en begon te zingen: ‘alle boeren zijn homo’s!’ Dat is een bekend voetballied en de Gentse supporters vielen dan ook meteen in. Ter informatie: met ‘boeren’ wordt gerefereerd naar de supporters van Club Brugge en ‘homo’ is een klassiek scheldwoord in de mannenwereld van het voetbal. Het betekent: mietje, zacht eitje, onnozelaar. 

Niks aan de hand dus, gewoon een geintje. Maar dat was zonder de politieke correcte waard gerekend. Hij schreeuwde moord en brand in de sociale en de minder sociale media. Schande, riep hij, ontoelaatbaar! Een vlek op het blazoen van AA Gent! Voor dergelijke figuren is er geen plaats op onze voetbalvelden! Blijkbaar had hij aan het eind van het jaar nog enkele blikken verontwaardiging over en die trok hij nu allemaal open. Benito verscheen in alle kranten en werd nog net niet de Mussolini van het Belgisch voetbal genoemd. Dat was (opnieuw) lachen geblazen! In een mum van tijd hadden de onkreukbaren van een mug een olifant gemaakt. Terreurdreiging, klimaatdreiging, vluchtelingendreiging: ze waren op slag vergeten. Maar het werd nóg komischer. De volgende dag verscheen in dezelfde kranten namelijk een persmededeling van AA Gent. De club verontschuldigde zich uitgebreid bij de holebigemeenschap én bij de … landbouwgemeenschap. Van een giller gesproken!

Er zal die dag wat afgelachen zijn bij de boeren van Gent en omstreken. En ook bij de supporters van Club Brugge want die kregen eveneens verontschuldigingen aangeboden. Dat we dat nog mogen meemaken: een voetbalclub die zich in de pers verontschuldigt omdat haar supporters de supporters van een concurrerende club uitgelachen hebben! Vermoed mag worden dat de slogan ‘alle boeren zijn homo’s!’ populair zal worden op de Vlaamse voetbalvelden. Zo gaat dat nu eenmaal met slogans die geroepen of gezongen worden om de tegenstander uit te dagen: hoe heviger erop gereageerd wordt, des te groter het plezier. En inderdaad, een paar dagen later werd er op Anderlecht al vrolijk gezongen van ‘alle boeren zijn homo’s!’ Inmiddels heeft ook de Belgische Voetbalbond gereageerd: Benito de Boosdoener zal op het matje worden geroepen en hij riskeert 5 wedstrijden schorsing en 20.000 euro boete. Dat is natuurlijk al heel wat minder om te lachen.

Wat is hier eigenlijk aan de hand? Dat is steeds weer de vraag wanneer de politieke correctheid in het spel is. Wat voor geest is hier werkzaam? Eén ding is zeker: het is een volslagen humorloze geest, een geest die niet in staat is zichzelf te relativeren en met zichzelf te lachen. De politieke correctheid streeft zeer hoge idealen na, onbereikbare idealen eigenlijk. Want een wereld waarin iedereen vrij is, gelijk, verdraagzaam, niet-discriminerend, liefdevol, vreedzaam, van goede wil, enzovoort, dat is een wereld zonder kwaad. Zo’n wereld is een schijnwereld, een droom, en dat zal hij nog heel lang blijven, want uitgerekend in onze tijd woedt het kwaad heviger dan ooit. Het is weliswaar heel belangrijk dat we die droom levendig houden, want juist het geloof in die ideale wereld geeft ons de moed om het kwaad te bevechten. Maar als we het contact met de realiteit niet willen verliezen, dan moet dat geloof verbonden worden met humor, met het liefdevolle besef van de diepe kloof die gaapt tussen schijn en werkelijkheid, tussen ideaal en realiteit. 

Humor is een bij uitstek menselijk vermogen dat ons in staat stelt die tegenstelling onder ogen te zien. Ze relativeert zowel de harde werkelijkheid als de zachte droomwereld. Zelf behoort ze tot de wereld van de schijn, maar ze bezit het unieke – en in wezen christelijke – vermogen om diep in de werkelijkheid door te dringen. Toen Thomas Morus, de schrijver van Utopia, zijn hoofd op het schavot legde, schoof hij zorgvuldig zijn lange (gevangenis)baard opzij met de woorden: ‘hij is onschuldig, want hij was er nog niet toen ik veroordeeld werd’. Doorgaans vergaat mensen het lachen in dergelijke situaties en het is een teken van grote moed en een sterk geloof om in het aangezicht van de dood nog grapjes te maken. Het ontbreekt de utopisten van de politieke correctheid in hoge mate aan moed en geloof. Zij worden geregeerd door de angst, de angst dat het kwaad de werkelijkheid helemaal in zijn greep zal krijgen. Daarom vluchten ze in de droomwereld van de grote idealen en sluiten de ogen voor de kloof tussen schijn en werkelijkheid. Daarom zijn ze niet in staat tot humor en zelfrelativering. 

Humor is een kunst, het is een poging om ideaal en werkelijkheid met elkaar te verzoenen. Het verzacht de grimmige ernst van de werkelijkheid, maar ook de strenge ernst van de idealen. Het probeert het midden te houden tussen Lucifer en Ahriman, allebei zeer ernstig en niet in staat om met zichzelf te lachen. Daarom is humor, net als kunst, altijd een poging om de gulden middenweg te vinden. De poging van Benito Raman was niet bijster geslaagd en iedereen heeft het recht om hem dat duidelijk te maken. Niemand is verplicht om te lachen met een flauwe grap, niemand is verplicht om slechte kunst goed te vinden. Maar wanneer men een kunstenaar gaat straffen omdat zijn poging niet geslaagd is, dan overschrijdt men een grens. Dan dringt de grimmige ernst van Lucifer en Ahriman binnen in het ‘christelijke’ middengebied waarin ook de humor thuishoort. En er is al veel te veel van die grimmige ernst doorgedrongen in de wereld van sport en spel. Alle pogingen tot humor die er nog te vinden zijn, zouden aangemoedigd moeten worden, niet bestraft.

Je moedigt een kunstenaar niet aan door te dreigen met zware boetes en schorsingen na een mislukte poging. Integendeel, je toont hem hoe het moet, je geeft het goede voorbeeld. Op een flauwe grap repliceer je met een betere grap. Zoals het bestuur van AA Gent dat deed toen het zich verontschuldigde bij de landbouwgemeenschap. Tenminste, dat zou een goede grap zijn geweest, ware het niet dat AA Gent het (hoogstwaarschijnlijk) ernstig bedoelde. De holebi-federatie stelde dan weer voor om ‘homo’ als scheldwoord te vervangen door ‘klootzak’, maar ook dat was alweer ernstig bedoeld. Al die ernst was eigenlijk lach wekkend. De hele zaak was lachwekkend: Benito Raman was lachwekkend, de verontwaardigden waren lachwekkend, het bestuur van AA Gent was lachwekkend, de holebi-federatie was lachwekkend, en gelukkig heeft de Boerenbond niet gereageerd of het zou nóg lachwekkender zijn geweest. Maar humoristisch was het absoluut niet, daarvoor was de onkunstzinnigheid van het hele geval veel te schrijnend. 

Kunst contra terreur

  

In Rushdies nieuwe boek, Twee jaar acht maanden en achtentwintig nachten, handelt de demon Zumurrud in opdracht van de puriteinse filosoof Ghazali die het liefst alle vreugde tot as zou doen vergaan. Hij stuurt een moordzuchtige bende nitwits uit. Ze gruwen van schilderkunst, beeldhouwkunst, muziek, theater, film, journalistiek, hasj, stemmen, verkiezingen, individualisme, afwijkende meningen, plezier, geluk, biljarttafels, gladgeschoren kinnen (bij mannen), vrouwengezichten, vrouwenlichamen, vrouwenscholing, vrouwensport, vrouwenrechten. Het vat zo’n beetje samen waarop ook in Parijs is geschoten. Salman Rushdie: ‘Plezier is de vijand. Wat de aanslagplegers zo ondraaglijk vinden, is dat mensen zich amuseren. Ze sloegen toe op plekken waar jongeren met de meest diverse achtergronden samenkomen voor hun plezier. Er spreekt een extreem puritanisme uit de ideologie die we hier aan het werk zien. Mensen die vrouwen kidnappen, verkrachten en tot seksslaven maken, noemen Parijs een stad van prostitutie. De hoofdstad van gedwongen prostitutie is vandaag nochtans Raqqa.’

Deze woorden brachten me op een idee. Het is duidelijk dat we het terrorisme aan de bron moeten aanpakken. Om te beginnen moeten al die haatpredikers, extremistische imams en IS-ideologen, die nu ongestoord hun vergiftigende werk kunnen doen, het land worden uitgestuurd. Maar repressie alleen zal niet genoeg zijn. Er moet ook een ‘ontgifting’ plaatsvinden. En daarbij denk ik in de eerste plaats aan humor. Jonge, idealistische mensen zijn tegen alles bestand wanneer ze ontvlammen voor een of ander idee. Het is als met verliefden: hoe meer je tegen hun verliefdheid in gaat, des te sterker wordt ze. Maar tegen één ding zijn ze niet bestand, en dat is dat er met hen gelachen wordt, echt hartelijk gelachen alsof het een kostelijke grap is wat ze doen of zeggen. Daar moest ik aan denken toen ik die woorden van Rushdie over Parijs en Raqqa las. Stel dat zo’n moslimzeloot je om de oren slaat met verwijzingen naar het zedenloze Parijs en je barst in lachen uit en zegt: zoals in Raqqa zeker! Zou hij dan niet even met zijn mond vol tanden staan? Zou hij dan niet even gaan twijfelen en nadenken? Stel dus dat je erachter komt welke ideeën die moslimjongeren het meest overtuigen en je stelt daar dan telkens voorbeelden tegenover waaruit blijkt dat die ideeën eigenlijk om te lachen zijn: zou dat niet veel beter werken dan alle sentimentele verhaaltjes over de mensenrechten en lief zijn voor elkaar?

Onlangs was Anna op bezoek. ’t Is een lief kind, daar niet van, maar als ze haar zin niet krijgt, wordt ze nogal, euh … explosief. We zaten aan tafel taart te eten. Ze had al twee stukken gehad, maar het was hele lekkere taart en ze wilde nóg een stuk. Dat kreeg ze niet en meteen begon ze te ‘bokken’: armen over elkaar, schouders omhoog en een gezicht dat de toorn Gods moest uitbeelden. Iedere poging om haar weer gunstig te stemmen, beantwoordde ze met gesnauw of gekrijs. Leuk was anders. Dus sloeg ik ook mijn armen over elkaar, trok m’n kop tussen de schouders, en zette m’n meest norse gezicht op. ‘Ik wil óók taart!’, zei ik gemelijk. Maar je hebt al twee stukken gehad, antwoordde An. ‘Kammeniet schelen’, zei ik kwaad, ‘ik wil nóg een stuk.’ Anna begreep meteen dat ik haar imiteerde en werd nog bokkiger. Maar ik volgde, ik deed er nog een schepje bovenop. Nu ontstond er in Anna een hevige innerlijke strijd tussen haar gebelgdheid en haar gevoel voor humor. Ze verloor die strijd natuurlijk, maar het was wel een bevrijdende nederlaag: haar kwaadheid was snel vergeten. 

En dus stel ik bij wijze van war on terror voor om nog even te wachten met het wegsturen van de haatpredikers en eerst bij hen in de leer te gaan, om hen daarna des te beter te kunnen parodiëren. Voorwaarde is echter wel dat die parodieën … kunst zijn, dat wil zeggen dat hun kwetsende aard overtroffen wordt door hun humoristische kwaliteiten zodat je er ondanks jezelf moet om lachen. Dat is een kunst die ze bij Charlie Hebdo nog niet onder de knie hebben. Maar het is dan ook veel moeilijker om parodieën en karikaturen te maken die meer humoristisch dan kwetsend zijn. Je moet het echter kunnen leren, en daarom mag er geen sprake zijn van censuur. Salman Rushdie is het daarmee eens: ‘Na de aanslagen op Charlie Hebdo ergerde ik mij aan enkele vrienden die vonden dat (de schrijversvereniging)  PEN het blad niet moest eren. Dat er grenzen waren aan de vrijheid van meningsuiting. Wel, die zijn er niet. Ik verdraag de suggestie niet dat de tekenaars van Charlie Hebdo de aanslag ook een beetje zelf gezocht hadden.’ 

Het probleem met Charlie Hebdo is niet dat de tekeningen (en teksten) vaak kwetsend zijn. Het probleem is dat ze niet beter zijn, dat ze niet humoristischer zijn. Het gaat niet om vrije meningsuiting (die zou vanzelfsprekend moeten zijn), het gaat om … kunst. Natúúrlijk mogen karikaturisten, cartoonisten en satirici kwetsen. Natuurlijk mogen ze al hun demonen loslaten in hun tekeningen en teksten. Maar als het echte kunstenaars zijn, zullen ze – uit vrije wil – proberen die demonen te overwinnen zodat de humor het wint van het kwetsen, zodat ook de gekwetsten – zoals Anna – hun lach niet kunnen bedwingen en zich gewonnen geven. Dát zou pas een overwinning zijn – niet alleen op de eigen demonen maar ook op die van de ‘vijand’! Daarom ben ik ervan overtuigd dat kunst ons enige echte wapen is in de strijd met de terreur. En daarmee bedoel ik uiteraard geen ‘hedendaagse kunst’…

Is dit een grap of om te huilen?

Zolang mensen nog kunnen lachen, is niet alles verloren.
Ik heb de afgelopen dagen staaltjes kostelijke humor gezien.
Zoals die jonge kerel die in de grote Charlie-betoging meeliep met een groot bord waarop stond: ‘Ik ben niet voor of tegen gelijk wat. Ik hou er alleen van rond te lopen met een bord.’
Of die verzameling jonge mensen die allemaal variaties bedacht hadden op ‘Je suis Charly’: Je suis Bernard, Je suis papa, Je suis enceinte, Je suis heureux, Je suis ici.
Hartverwarmend vind ik dat.
Veel geestiger dan de humor van Charlie Hebdo.
Maar er is nu nog een ander soort humor opgedoken: die van de EU.
Ik weet niet meteen hoe ik ze zou moeten noemen, maar lachwekkend is ze alleszins wel.
De Europese Unie heeft namelijk verklaard actie te zullen ondernemen tegen de recente aanslag op de vrije meningsuiting.
U raadt nooit hoe.
Ze gaat de vrije meningsuiting verdedigen door … de vrije meningsuiting aan banden te leggen.
Ze wil het misbruik tegengaan dat van het internet wordt gemaakt om haat en geweld aan te wakkeren.
Want we hebben gezien hoe gevaarlijk dat is, aldus minister Koen Geens.
Kolder, dat is misschien nog het beste woord om dit soort humor te omschrijven.
Kolder waar je helaas alleen maar groen kunt om lachen.
Tot wat voor toestanden dit soort ‘humor’ leidt, konden we dezelfde dag nog in Duitsland zien.
Daar werd in sommige steden betoogd door Pegida, de beweging die protesteert tegen de islamisering van Europa en niet wil dat hier de sharia wordt ingevoerd. Ze verzet zich dus tegen het fanatieke islamisme dat de terroristen bezielde die de aanslag op Charlie Hebdo gepleegd hebben.
Niks aan de hand dus, zou je zeggen, miljoenen mensen hebben in Parijs hetzelfde gedaan.
Maar in andere Duitse steden werd betoogd tegen Pegida, dat ervan beschuldigd wordt islamofoob en racistisch te zijn, een mening die gedeeld wordt door Angela Merkel die verklaarde dat de islam thuishoort in Duitsland.
De vraag is nu welke van die twee bewegingen door de EU beschouwd zal worden als aanzettend tot haat en geweld, en derhalve aan banden zal worden gelegd: Pegida dat zich verzet tegen de invloed van de fanatieke islam of anti-Pegida dat zich verzet tegen dat verzet.
Het antwoord ligt voor de hand aangezien de EU-verklaring ondertekend is door zowel Merkel als Hollande: iedere kritiek op de islam, zelfs op de extremistische islam, zal gebrandmerkt worden als hate speech en de mond gesnoerd.
En dat besluit wordt genomen twee dagen nadat die extremistische islam zowat 20 slachtoffers heeft gemaakt in Parijs en aankondigt er nog veel meer te zullen maken.
Het is alsof Europa tegen de moslimterroristen zegt: moorden jullie er maar op los, dan zorgen wij wel dat het protest daartegen de kop wordt ingedrukt!
Zelfs de meest cynische cartoonist van Charlie Hebdo had dit niet kunnen bedenken.
Miljoenen mensen zijn op straat gekomen om te protesteren tegen die brutale islamistische aanslag op de vrije meningsuiting, en wat doen hun politieke leiders?
Ze steken hun middenvinger op.
Hier zie, zeggen ze, dit doen wij met jullie beminde vrijheid van meningsuiting: we leggen er een bom onder!
Jonathan Turley had overschot van gelijk toen hij in de Washington Post schreef: de grootste bedreiging voor de vrije meningsuiting in Frankrijk is niet het terrorisme maar de overheid.
Stéphane ‘Charb’ Charbonnier werd niet alleen voortdurend bedreigd met de dood, hij werd ook voortdurend bedreigd met veroordelingen en gevangenisstraf.
De aanslag op Charlie Hebdo was dus veel groter dan eerst leek.
Niet alleen werd zowat de hele redactie vermoord, maar onmiddellijk daarna kreeg de vrijheid van meningsuiting ook nog eens een dreun waarvan de gevolgen niet te overzien zijn.
Het moet nu voor iedereen met een beetje gezond verstand toch wel duidelijk zijn dat de echte vijand niet van buitenaf komt.
Ik begin hoe langer hoe meer te vermoeden dat de aanslag op Charlie Hebdo inderdaad de Europese 9/11 was.
Zoals het heus niet een paar moslimterroristen zijn die de twin towers hebben doen instorten, zo zijn het ook niet die twee moslimbroers die de vrijheid van meningsuiting in Frankrijk een uppercut hebben verkocht.
Zijn Wolinski en co werkelijk gestorven omdat ze de profeet beledigd hadden?
Ik denk er het mijne van.
Eén ding is zeker: de vrijheid van meningsuiting is niet alleen de moslimterroristen een doorn in het oog.

Bendgate

Afgelopen vrijdag om 00.01 uur – middernacht dus – waren de eerste iPhones 6 te koop in … het station van Antwerpen Centraal.
Onder het oog van de pers werd er storm gelopen door mensen die als allereerste (minstens) 700 euro wilden neertellen voor een hebbeding niet groter dan … ja, waarmee moet je een smartfoon vergelijken?
Eigenlijk is het omgekeerd: je vergelijkt andere dingen met een smartfoon.
De smartfoon is de norm.
Je kunt hem nergens mee vergelijken.
Hij is onvergelijkelijk.
En de smartfoon der smartfoons is natuurlijk de iPhone, de smartfoon van Apple.

20140927-111427.jpg

Ik herinner me nog dat ik een jaar of 7 geleden Steve Jobs de eerste iPhone in de lucht zag steken.
Much ado about almost nothing, dacht ik bij mezelf.
Wist ik veel dat er een revolutie ontketend werd, en dat vandaag bijna iedereen zo’n peperduur almost nothing heeft.
En niet alleen dat.
Hoeveel van de enthousiastelingen die vrijdagnacht in Antwerpen Centraal waren samengestroomd, zouden aan hun eerste iPhone zijn toe geweest?
Weinig, denk ik.
De meesten kopen ieder jaar een nieuwe.
Want dan ben je ‘mee’, dan leef je met miljoenen mensen overal ter wereld samen in de grote Apple-luchtbel.
And that is the place to be.

20140927-111622.jpg

Versta me niet verkeerd.
Een iPhone is een bijzonder handig ding.
Een iPhone is ook een bijzonder degelijk ding.
En de iPhone 6 is – eindelijk – ook een mooi ding.
Maar toch.
700 euro?
Ieder jaar weer opnieuw?
Dat is niet normaal meer.

20140927-111716.jpg

Het symbool van Apple is een appel, een appel waaruit een stuk is gebeten.
En dat is precies wat een iPhone is: iets ongelooflijk verleidelijks, iets waar je niet kunt aan weerstaan, iets wat je doet toehappen.
En dan ben je verloren, dan val je duizelingwekkend diep en komt terecht in een totaal andere wereld waaruit je niet meer kunt ontsnappen.
Toen Adam in de appel beet, tuimelde hij uit het paradijs in de wereld zoals wij die kennen: een wereld vol pijn en verdriet en geweld.
Toen de moderne mens in Apple beet, gebeurde het omgekeerde: van de lelijke, lawaaierige, eenzame moderne wereld kwam hij terecht in een … paradijselijke wereld, vol kleur, muziek, kennis en sociale interactie.
Door simpelweg het scherm van de iPhone aan te raken, verschenen de meest fantastische beelden, haarscherp, alsof ze echt waren.
En die onbegrensde beeldenwereld droeg de moderne mens altijd met zich mee, waar hij ook ging.
In die nieuwe wereld stond hij in contact met alles en met iedereen.
In een oogwenk kon hij gelijk wie bereiken, gelijk wie spreken, gelijk wat zien.
Hij had de wereld in zijn broekzak.
Hij had het paradijs opnieuw gevonden.

20140927-112335.jpg

De smartfoon is een fantastisch ding, geen twijfel mogelijk.
Het is een realiteit die niet meer weg te denken is uit het moderne leven.
Stilaan beginnen we te denken in termen van voor de smartfoon en na de smartfoon.
Zoals voor en na Christus.
De smartfoon is dan ook een bijzonder ‘christelijk’ apparaat: het heeft alles nieuw gemaakt, het is het centrum van de wereld geworden, iedereen verlangt ernaar, iedereen is ermee bezig, de gelukkige bezitters voelen zich uitverkorenen, het verbindt mensen met elkaar, het maakt mensen gelukkig, het geeft zin aan het leven, het is de alfa en de omega van het moderne leven.

20140927-112511.jpg

Het moderne léven?

Jonge mensen die samen rond een tafel zitten, allemaal druk bezig met hun iPhone: is dát leven?
Jonge mensen die om het kwartier controleren of ze geen sms-je, e-mail, twitter- of facebookbericht hebben gekregen: is dát leven?
Jonge mensen die stuurloos, hulpeloos, radeloos zijn zonder hun iPhone: is dát leven?
Jonge mensen die ’s nachts in een station staan aan te schuiven om 700 euro te kunnen betalen voor de allernieuwste iPhone, gewoon omdat hij de allernieuwste is: is dát leven?
Het is een schijnleven.
Het is een schijnrealiteit.
Het is een mythe.

20140927-112626.jpg

Apple is een mythe, een moderne mythe, een christelijke mythe.
En zoals alle echte mythen is ook deze waar.
Ze toont ons hoe het echte christelijke leven eruitziet.
Alleen, ze IS dat leven niet.
Ze weerspiegelt het alleen in de materie, in een soort steen der wijzen, een electronische graal.

Zolang we ons bewust zijn van dat schijnkarakter, is er niks aan de hand.
Zolang we maar niet denken dat dit het echte leven is, kunnen we volop genieten van onze iPhone.
Als ik echter al die opgetogen, gelukkige gezichten zie om middernacht in Antwerpen-Centraal, dan durf ik sterk te betwijfelen dat deze jonge mensen wakker zijn.
Het is schijngeluk wat van hun gezichten straalt.
Het is geluk dat nog geen jaar zal duren, want dan zullen ze alweer staan aanschuiven voor de iPhone 7.
Het is geluk dat zelfs misschien geen dag zal duren …

20140927-112846.jpg

Dit jaar was er namelijk niet alleen de iPhone 6, er was ook … Bendgate.
Wat is Bendgate?
Wel, de nieuwe iPhone 6 kwam in twee maten: klein en groot.
De iPhone 6 was reeds een stuk groter dan zijn voorganger.
Maar de iPhone 6 Plus: dié was pas groot!
Hij was echter niet alleen groot, je kon hem ook … plooien.
En dat was niet de bedoeling.
Onmiddellijk nadat de nieuwe iPhone op de markt was gekomen – de eerste dag werden er al 10 miljoen van verkocht – doken alarmerende berichten op: het ding bleef niet recht.
Als je het in je broekzak stak en je ging erop zitten, dan stond het krom.
Bendgate was geboren.

20140927-112931.jpg

Meteen dook het beursaandeel van Apple naar beneden.
Grote concurrent Samsung kwam met een advertentie waarin de spot werd gedreven met de ‘plooibare’ iPhone.
Apple plaatste op zijn beurt een filmpje op het internet waarin verklaard werd dat er van de 10 miljoen nieuwe bezitters slechts 9 geklaagd hadden.
Het filmpje toonde ook hoe uitgebreid de iPhone 6 getest werd.
Maar het kwaad was geschied: er werd alom gelachen met de nieuwe iPhone.
En niets is dodelijker voor een mythe dan spot.

20140927-113020.jpg

Bendgate is zelf natuurlijk ook een mythe.
Het heeft met de realiteit niets te maken.
Plooit de iPhone 6 Plus als je erop gaat zitten?
Best mogelijk.
Maar wie gaat nu zitten op een toestel dat (minstens) 800 euro kost!
Je mag toch verwachten dat wie zoveel geld betaalt een beetje zorg draagt voor zijn smartfoon.
Bendgate slaat dus eigenlijk nergens op.
Ik vraag me zelfs af of het geen opgezet spel is, bijvoorbeeld van concurrent Samsung.
Want Apple en Samsung voeren al jaren een harde strijd tegen elkaar, niet alleen een concurrentiestrijd maar ook een juridische strijd.
Waarom zou het niet ook een mythische strijd zijn geworden: a battle of the myths?
De Bandgate-mythe tegen de paradijsmythe van Apple.

20140927-113147.jpg

Ook déze mythische strijd of strijdmythe is waar.
De nieuwe christelijke wereld zal moeten bevochten worden op de antichristelijke tegenmachten, die de spot zullen drijven met hun ‘vijand’.
Maar Bendgate IS natuurlijk deze strijd niet, het weerspiegelt alleen deze strijd.
En die gespiegelde strijd heeft iets buitengewoon menselijks.
Het is namelijk een … humoristische strijd.
Op de sociale media, dat wil zeggen in de schijnwereld van de smartfoon, wordt dezer dagen duchtig de draak gestoken met de Apple-mythe.
Het begrip Bendgate alleen al is kostelijk.
Much ado about almost nothing.
En men wéét het.

20140927-113243.jpg

Er is dus nog hoop.
Bendgate is een voorbeeld van hoe er in een schijnwereld, een door en door mythische wereld, toch een besef leeft van dat schijnkarakter.
Het is nog geen wakker bewustzijn, het is nog geen ontwaken voor de echte realiteit.
Maar het is een begin.
En het is onweerstaanbaar grappig.
Het is zonder meer … geestig.

20140927-113419.jpg

20140927-113438.jpg

20140927-113512.jpg

20140927-113533.jpg

20140927-113546.jpg

20140927-113557.jpg

20140927-113609.jpg

20140927-113628.jpg

20140927-113637.jpg

Verboden te denken

20140109-093301.jpg

Dit is Wim Coenen, creatief Coördinator van MooiMooi-Producties, productiehuis met humor.

Hij schrijft vandaag een opiniestuk in de krant met als titel: ‘De grap als schaamlap.’

Zijn conclusie luidt als volgt:

‘Het moge duidelijk wezen: als je in de verdediging wordt gedwongen voor een ‘humoristische’ uitspraak, dan was het in elk geval onduidelijk dat het humor was. Publieke uitingen van humor laten we om die reden het best over aan vaklui, of we ze nu grappig vinden of niet. In de andere gevallen verwijs ik u graag door naar het eerstvolgende familiefeest, want de grappige nonkel en de bevlogen politieke activist zien we daar graag aanschuiven. Dan kunnen we nog eens goed lachen.’

Het blijft me verrassen hoe goed mensen vandaag kunnen schrijven.
Kranten en tijdschriften staan vol met voortreffelijk verwoorde teksten van mensen wier job het nochtans niet is om teksten te schrijven.
En dan heb ik het nog niet over het internet, dat overspoeld wordt met mensen die schrijven, schrijven, schrijven.
Eén ding is duidelijk: de moderne mens is een schrijver.
Werd je 50 jaar nog met een scheef oog bekeken als je schreef, dan is het nu volkomen vanzelfsprekend geworden.

De vraag is natuurlijk: wát schrijven al die mensen?
Of nog: wat dénken al die mensen?
Want om te schrijven moet je natuurlijk denken.
Is de moderne mens dan zo’n denker geworden? Is hij zo beschouwelijk geworden?
Hier moet ik toch even over … nadenken.

Het is een feit dat de moderne mens hoofdzakelijk met zijn hoofd actief is.
Handenarbeid beperkt zich in veel gevallen tot het buiten zetten van de vuilniszakken.
Maar is al die hoofdactiviteit wel goed voor het denken?
Laat ik eens kijken naar die tekst van Wim Coenen, een jongeman die waarschijnlijk opgegroeid is met de computer en niet verdacht kan worden van veel handenarbeid.

De teneur van zijn stuk is dat mensen die een grapje gemaakt hebben en daarbij de ‘goegemeente’ (zijn woord) over zich heen hebben gekregen, zich niet kunnen verstoppen achter het feit dat het maar een grapje was. Wie zich van humor bedient, moet namelijk rekening houden met de context. Wim Coenen drukt het wat gesofisticeerder uit, maar hij bedoelt eigenlijk dat wie een grap vertelt ervoor moet zorgen dat hij ook begrepen wordt.
Dat is natuurlijk waar. Een grap die niet begrepen wordt, is geen grap.
Wie een grap vertelt waar niet om gelachen wordt, heeft gefaald als humorist.
Dat hoeft niet aan de inhoud van de grap te liggen, het kan een louter vormelijke kwestie zijn.
En tot die vorm behoort: rekening houden met je publiek.

Eigenlijk is dat de kern van het probleem: humor staat in relatie tot het publiek, en dat publiek is vandaag veel te groot geworden, met dank aan het internet.
Simpel gezegd: je kunt niet iederéén aan het lachen brengen.
Er is altijd wel iemand die de grap niet begrijpt of die hem gewoon niet grappig vindt of die erdoor gekwetst wordt. En humor is vaak kwetsend voor degene waarvoor hij niet bedoeld is.
Ik ken goeie grappen over Nederlanders, homo’s, moslims en joden, maar ik zal ze niet vertellen waar Nederlanders, homo’s, moslims of joden bij zijn (tenzij ik weet dat ze er wél zullen kunnen om lachen). Want een grap vertellen waarvan je weet dat mensen er niet zullen kunnen om lachen, is zinloos. Je wringt de grap dan zelf de nek om, en dat doe je niet als je echt van grappen houdt.

Doordat grappen vandaag in geen tijd over de hele wereld (kunnen) verspreid worden, zijn er altijd mensen die er niet kunnen om lachen en die er zelfs door gekwetst worden.
En gekwetst worden, oh la la, dat is iets wat de moderne mens niet wil.
Hij beschouwt het als een mensenrecht om niet gekwetst te worden.
In naam van dat mensenrecht is het vandaag bijna onmogelijk geworden om nog een grapje te maken.
De burgemeester van Ninove bijvoorbeeld besloot onlangs zijn nieuwjaarsspeech voor het stadspersoneel met het grapje dat er die dag geen alcoholcontroles zouden zijn.
Nou moe!
De volgende dag werd hij in de kranten afgeschilderd als een onverlaat die het niet verdient om burgervader te zijn.
En zo kunnen er ontelbare voorbeelden worden gegeven.

De combinatie van internet en het nieuwe mensenrecht om niet gekwetst te worden, is dodelijk voor het denken. Want humor is natuurlijk een – zeer vrije – vorm van denken.
Hoe dodelijk die combinatie is, blijkt uit de conclusie van Wim Coenen.
Hij besluit zijn betoog namelijk met de goede raad: ‘publieke uitingen van humor laten we best over aan vaklui, of we ze nu grappig vinden of niet.’
Hebt u ‘m?
‘Of we ze nu grappig vinden of niet.’
Eerst betoogt Wim Coenen dat al die lolbroeken, wier grappen de mist in gaan omdat mensen er niet kunnen om lachen, in het vervolg maar beter hun mond houden en het grappenmaken overlaten aan vaklui.
En vervolgens zegt hij dat het niet uitmaakt of we om die vaklui kunnen lachen of niet.

Wim Coenens opiniestuk kan dus als volgt samengevat worden: gewone lui mogen geen grappen maken, dat recht hebben alleen vaklui. Zij mogen wat anderen niet mogen: grappen maken waar mensen niet om kunnen lachen.
Met ‘vaklui’ bedoelt hij ongetwijfeld mensen zoals hij, die gesubsidieerd worden door de overheid en zich zorgvuldig houden aan de voorschriften van hun broodheren.
Het is het adagium van de moderne intellectueel: alleen wij mogen denken, de anderen moeten hun mond houden!
Het kan nog eenvoudiger worden uitgedrukt: verboden te denken!
Wat moderne intellectuelen zoals Wim Coenen doen, is het denken vakkundig de nek omdraaien. Hun geweldige schrijfkunst wenden ze aan om te verbergen dat ze zichzelf op een groteske manier tegenspreken.
En het is niet dat ze niet kúnnen denken, ze wíllen niet denken, ze haten het denken.
Daarom stellen ze de zelfvernietiging van het denken voor als … denken.
En al die mooie woorden en virtuoze zinnen dienen enkel om dat te verbergen.
Ook voor zichzelf.
Want ik ben ervan overtuigd dat Wim Coenen zichzelf heel verstandig vindt.
Een vakman quoi.

20140109-095753.jpg

Met z’n tweetjes is het leuker

20130826-153728.jpg

Of hoe een spar zichzelf een pleziertje gunt door zijn stam in twee te splitsen.