De Verlosser van Tsjernobyl

  

(door Jens Mühling)

Toen het gebeurde heette Vader Nikolaj nog niet Vader Nikolaj. De zone heette nog niet de zone. Tsjernobyl heette Tsjernobyl, maar daarmee werd een stad bedoeld, geen catastrofe. God heette God, maar men noemde hem liever niet bij zijn naam.

Kernenergiecentrales doen aan splijting, daarvoor zijn ze er. Deze ene echter, in wiens schaduw vader Nikolaj leefde, en die Tschernobylskaja Atomnaja Elektrostanzija ‘Lenin’ werd genoemd, deze ene spleet alles: levenswegen, families, namen. En ook de tijd. Pas daarna wist men dat er ook een daarvóór was geweest.

Vader Nikolaj heette toen het gebeurde Nikolaj Jakuschin. Hij werkte in een coöperatie van landbouwmachines, hij was ingenieur. Een ingenieur weet hoe een kerncentrale functioneert. Heeft de kerncentrale een ziel? Hoe kan hij nu een ziel hebben, vroeg vader Nikolaj zich af, hij is immers zonder ziel gebouwd? Met zijn vlakke hand sloeg Vader Nikolaj op het stuur van zijn Opel, bouwjaar ’94. De Opel was oud, maar hij hield het nog steeds uit. Waarom? Omdat hij in Duitsland is gebouwd. Omdat hij met een ziel is gebouwd. ‘Wij’, zegt Vader Nikolaj, op de schoorstenen wijzend en op de elektriciteitsmasten en op de prikkeldraadpalen en op alle andere resten van de sovjet-tijd, ‘wij hebben 70 jaar lang gebouwd en gebouwd en gebouwd. Maar wij hebben dat zonder ziel gedaan.’

Tsjernobyl, voorjaar 2011. De sneeuw bedekt nog steeds de Noord-Oekraïensche laagvlakte, maar weldra zal hij smelten. Dan zullen de voetstappen weer verdwijnen en de bandensporen, die het stadje Tsjernobyl ingaan en er weer uit gaan. Maar dat zijn er niet veel. Vijfentwintig jaar geleden stak men een passer in een landkaart en trok men een cirkel. Al cirkelend sneed deze 4300 vierkante kilometer wereld van de rest van de wereld af. Drie concentrische cirkels met prikkeldraad omgeven het Niemandsland: de 30-kilometer-zone, de 10-kilometer-zone en de zone van de centrale. In het midden staat een sarcofaag. Hier ligt onder duizenden tonnen beton en staal begraven: blok 4, ontploft op 26 april 1986. Oorzaak van het ongeluk: menselijk falen.

De geigerteller geeft de zone een andere vorm. Minder geordend. Soms piept hij hysterisch, soms zoemt hij zachtjes, een patroon is er niet in te ontdekken. Er zijn dichtbij in de onmiddellijke omgeving van de reactor stille plekken, en er zijn andere veel verder weg liggende plekken, waar de teller ineens verschrikkelijk schril begint te gillen. De meest raadselachtige plek ligt een paar kilometer ten zuiden van de reactor aan het riviertje de Pripjat, tussen de eerste en de tweede ring van prikkeldraad, in de stad die de reactor zijn naam gaf. De stad Tsjernobyl zou van weinig betekenis zijn als de kerk er niet was geweest. Veertig meter hoog reikt de Kerk van de heilige Ilja naar de Oekraïensche winterhemel. Betreed men de kerk, dan verstomt de geigerteller. ‘Het is Gods huis’, zegt vader Nikolaj, ‘de straling dringt hier niet binnen’.

En dat is één van de vele wonderen.

De Jakoeschins waren een priesterfamilie. Nikolaj’s overgrootvader was in dienst van de Kerk van de heilige Ilja, Nikolaj’s grootvader eveneens. Tot de bolsjewieken kwamen. Zij hamerden op de kerkdeur en zeiden: ‘Houd op met bidden, vadertje, de mens heeft geen ziel.’ ‘Ja zeker wel’, zei Nikolaj’s grootvader, ‘de mens heeft een ziel, en die is onsterfelijk’. Toen sloten de bolsjewieken grootvader op in de gevangenis. Toen hij eindelijk vrijkwam was hij heel oud. Dat was zijn geluk. Hij stierf net vroeg genoeg om de zuiveringen door Stalin niet meer mee te hoeven maken. Er is nauwelijks een priester geweest die de terreur van de dertiger jaren heeft overleefd. 

De zoon van deze grootvader, Nikolaj’s vader, werd geen priester. De tijden waren er niet naar. Desondanks werd Nikolaj Januschkin wel gedoopt, heimelijk, thuis. Alle russisch-orthodoxen deden dat, want wie zijn kinderen in de kerk liet dopen, kon zijn baan verliezen. Toen Nikolaj werd geboren, kort voor het einde van de oorlog, was het godshuis gesloten, de plaatselijke kolchose gebruikte haar als graansilo. Zo leerde Nikolaj de kerk van zijn voorvaderen kennen: tot onder de koepel was zij met graan gevuld. Op het plafond verbleekte een bedrukte Christusfiguur, zijn handen meer afwerend dan zegenend naar de korenkorrels uitgestrekt.

Het stadje Tsjernobyl, in het Oekraïens Tsjornobyl genoemd, is oud, oeroud voor hedendaagse begrippen, ook al ziet men het haar niet aan. Er is geen enkel bouwwerk uit de tijd van haar grondvesting overgebleven, eerst werd het stadje door de Mongolen verwoest, later kwamen de Litouwers, de Polen, de Duitsers en tenslotte de Bolsjewieken. Tegenwoordig staan er naast de vierkante bouwwerken uit de Sovjet-tijd nog maar een paar houten huizen, waarvan er geen een ouder is dan tweehonderd jaar. Maar Tsornobyl werd in dezelfde tijd als Kiev gesticht en toen de grootvorst van Kiev zijn onderdanen liet dopen in het jaar 988, behoorden de mensen uit Tsjernobyl tot de eerste christenen van de slavische wereld. 

Wie dit verleden nog kon beleven in de toekomstroes van de Sovjet-Unie, die was niet verbaasd dat nu hier, in Tsjernobyl, duizend jaar na die slavendoop, de tijd aan haar einde kwam, zoals dat was voorzegd in de Apocalyps, het boek der Openbaring: ‘En de derde engel blies op zijn bazuin; en er viel een grote ster uit de hemel, die brandde als een fakkel. En hij viel op het derde deel van de waterstromen en op de waterbronnen. En de naam van de ster was Alsem. En het derde deel van de wateren werd tot alsem, en veel mensen stierven door de wateren omdat ze bitter waren geworden.’ Dit schreef Johannes in zijn Apocalyps hoofdstuk 8 vers 10 en 11. Alsem heet in het Oekraïens: Tschornobyl.

Het was een grauwe ochtend, de laatste ochtend vóór de Goede Week. Nikolaj Jakuschin was op weg naar de markt, hij wilde vis kopen voor de vastenmaaltijd. Toen zag hij uit Kiev grote kolonnes van auto’s in de richting van de kerncentrale rijden, met daarin soldaten, brandweermannen, doctoren en allemaal hadden ze gasmaskers op. De mensen ter plaatse stelden allemaal vragen, maar die werden door niemand beantwoord. Een oefening, dacht Nikolaj Jakuschin, het moet een oefening zijn. Uit de kerncentrale waaide een rookwolk omhoog. 

Op Paasmaandag, negen dagen na het ongeluk, werd Tsjernobyl geëvacueerd. Binnen een dag werd de stad tot weeskind. ‘Het is maar tijdelijk’, zei men tegen de mensen, maar dat geloofde niemand. De oudjes moesten met geweld in de bussen worden gehesen. ‘Waar is die straling dan’, vroegen zij, ‘waar hebben jullie het over, we zien niets!’ Soldaten deden de huizen op slot. Ze verzegelden de kerken. Een stilte spreidde zich uit over Tsjernobyl.

Christus strekte zijn bleke armen uit over het verlaten schip van de kerk. Tussen de planken van de vloer zochten de muizen naar resten van het graan. De wind droeg zaden door de gebroken vensters, onkruid overwoekerde het altaar. Op een dag kwamen er plunderaars. Op zoek naar oud metaal trokken zij door de zone en braken de verlaten huizen open. Zij knoopten een stalen kabel aan de vergrendelde kerkdeur en spanden die achter een tractor. De kabel brak. Het geknapte eind vloog door de lucht, zocht een doel en vond een zondaar. Eén van de plunderaars werd getroffen midden in het gezicht, hij zakte in elkaar, de anderen vluchtten weg. Iedereen in de zone kent het verhaal van de wraak van God.

Nikolaj Jakuschin was met zijn familie geëvacueerd naar Kiev. Af en toe keerde hij terug naar zijn geboorteplaats, dan stond hij voor de kerk en weende. De metalen koepel van de klokkentoren raakte los en wapperde in de wind. De wanden brokkelden af. Wilde zwijnen hadden het kerkhof omgewoeld, de grafkruisen staken scheef omhoog uit de omgewoelde aarde. Op een dag hield Nikolaj het niet meer uit. Hij ging voor de residentie van de bisschop van Kiev staan en wilde niet meer weggaan van die plek totdat de kerkoversten hem hadden aangehoord. ‘De kerk van mijn voorvaderen raakt in verval’, zei hij, ‘die kerk heeft een priester nodig.’ De oversten overlegden samen. Na een maand riepen ze Nikolaj weer bij zich. ‘We hebben gezocht’, zeiden zij, ‘maar wij hebben niemand gevonden. Niemand wil daarheen. Verplaats je zelf in de situatie van die priesters, jij zou je toch ook niet die zone in laten sturen?’ Zo kwam het dat Nikolaj Jakuschin vader Nikolaj werd.

Tien jaar is dat nu geleden. Een tijdlang overlapte zijn oude leven het nieuwe leven. Een ingenieur weet, hoe je een huis herstelt, ook als het een godshuis is. Vader Nikolaj bouwde een steiger. Hij deed een touw om zijn middel en voordat hij het kerkdak op klom maakte hij een kruisteken. De koepel richtte hij zelf weer op. Hij poetste de wanden schoon, zette er nieuwe ramen in, hij haalde het onkruid weg en beschilderde opnieuw de handen van het verbleekte Christusbeeld. Toen alles klaar was zette Vader Nikolaj een grote ikoon voor de achterwand van het altaar. Die ikoon kwam uit Kiev. Een van de opruimers, die na het ongeval door de smeltende centrale waren gekropen, had die laten schilderen. Op een nacht had de man een droom gehad, waarin hem de Verlosser was verschenen. De Verlosser wandelde op de wolken, de wolken zweefden boven de kerncentrale, een ster die alsem heette viel uit de hemel, en in haar licht verzamelden zich de doden en de overlevenden uit de zone. 

De man liet zijn droombeeld schilderen. De voorstelling werd een beetje onorthodox. In de ikonen-schilderingen komen geen gewone mensen voor, en al helemaal geen mensen met gasmaskers. De ikoon van ‘de verlossers van Tsjernobyl’ kreeg desondanks toch de zegen van de kerk, de metropoliet van Kiev wijdde de ikoon hoogstpersoonlijk in. Terwijl hij nog zijn gebeden sprak gebeurde het eerste wonder: een duif vloog dicht langs de beeltenis, bijna streken zijn vleugels langs de verlossers. Toen men het beeld enige tijd later met wijwater besprenkelde, werd de ikoon omgeven door een regenboog, die als een heiligen-aura om hem heen welfde.

Zo ging het verder, wonder na wonder, vader Nikolaj heeft tientallen getuigenissen verzameld. Draagt men de ikoon door de verregende stad, dan klaart de hemel op. Plaatst men haar in een kerk, dan vormt zich om de koepel heen een regenboog. Een verlamde, die vanaf zijn kindertijd zijn arm niet kon gebruiken, bad dagenlang geknield voor de beeltenis, tot hij zijn vingers kon bewegen. Vader Nikolaj is met de ikoon door de halve Oekraïne getrokken, van de Zwarte Zee, langs de Dnjepr, tot aan Tsjernobyl. Diezelfde weg had eens de slaven-apostel Andreas afgelegd. De ikoon bewerkstelligde overal wonderen. Ze hielp de mensen en uit dankbaarheid daarvoor hielpen de mensen vader Nikolaj. Met de roebels die men hem onderweg in zijn buidel wierp, renoveerde hij thuis zijn kerk. 

Toen de kerk gereed was, kwamen de mensen. Eerst kwamen ze uit nieuwsgierigheid, zei vader Nikolaj, niet omdat ze geloofden. Oude mensen waren het die kwamen, die terug waren gekeerd in de zone, om weer in de verlaten dorpen te wonen. Het waren mensen die niet aan straling geloofden of te oud waren om nog bang te zijn voor de dood. Ook kwamen er wachters, die men aan de zonegrens had neergezet. En er kwamen werkers van de centrale, die de wacht hielden bij de verwoeste centrale. Zij vroegen allemaal: ‘Vadertje wat doe je daar?’ ‘Ik bouw een huis’, antwoordde vader Nikolaj, ‘een huis voor God, opdat God naar Tsjernobyl terug kan keren.’ 

En Hij keerde terug.

‘Wie zich in de zone bevindt’, zegt vader Nikolaj, ‘die bevindt zich aan de rand van de dood. Hij heeft angst. Hij denkt na over het sterven, over het Daarna, over de Eeuwigheid. Zo komt God in zijn leven. Als de mensen de zone betreden, kan men van buiten aan hen zien, hoe het er van binnen bij hen toegaat.’ De mensen, die vader Nikolaj in de kerk bezochten, begonnen al gauw vragen te stellen. ‘Wat zal er met ons gebeuren, vadertje? Waarom is dit allemaal gebeurd? Worden wij door God gestraft? Zal hij ons vergeven? En als wij sterven, is het waar, dat onze zielen voortleven?’

‘In de zone’, zegt vader Nikolaj, ‘is momenteel geen enkele ongelovige’. Veel mensen beweren, dat het leven buiten de zone gevaarlijker is dan hier, binnen in haar. Vele mensen die weggetrokken zijn lijden aan ziektes waarvoor de wetenschappers geen namen hebben. ‘Stress’, zeggen de wetenschappers dan, ‘door emigratie veroorzaakte stress, tsjernobyl-stress.’ Veel mensen zijn gestorven aan deze stress, aan hartproblemen, longproblemen, bloedproblemen, hoofdproblemen. ‘Wij daarentegen’, zegt vader Nikolaj, ‘wij hier in de zone hebben een goede gezondheid. God de Almachtige zij geprezen. De oude mensen in de verlaten dorpen sterven, maar zij sterven door ouderdomszwakheid, niet aan ziektes.’ Daarbij drinken ze zelfs het water. Het water uit het riviertje dat langs de centrale stroomt. ‘Wij zegenen het water’, zegt vader Nikolaj, ‘en dan drinken we het’. Hij maakt een kruisteken over de besneeuwde band van ijs van het riviertje Pripjat, ‘In de naam van de Vader’, fluistert hij, ‘en de Zoon en de Heilige Geest. Amen.’

‘Je moet geloven’, zegt vader Nikolaj. ‘met wie gelooft, kan niets gebeuren’.

Vandaag, op de dag van de Opstanding, zal vader Nikolaj de russisch-orthodoxe paasliturgie zingen. Christus is opgestaan uit de dood. Hij heeft de dood overwonnen en de mensen in het graf weer leven gegeven. De hele nacht, tot aan het ochtendgloren zal vader Nikolaj voor de ikoon staan en roepen: ‘Christus is opgestaan!’ En een klein, maar hoorbaar koor zal antwoorden: ‘Ja, hij is waarlijk opgestaan!’ Twee dagen later, op 26 april om 1 uur 23, zal vader Nikolaj de treurklok luiden op het kerkhof. Dat doet hij elk jaar. 25 klokslagen zullen door de zone schallen, één voor elk jaar dat verlopen is. De wetenschappers zeggen dat het 20.000 jaar duurt, voor de mensen mogen terugkeren in de zone. Als de klokken weer verstommen, zullen dat er nog maar 19.975 zijn …

(Bron: http://www.alertgroepen.nl)