Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: Islam

De brand van de Notre Dame

  

Op maandagavond, de tweede dag van de Goede Week, brak brand uit in de Parijse Notre Dame. Algauw stond de kathedraal in lichterlaaie en verhief zich een grote rookwolk boven la ville lumière. Ik zal wel niet de enige zijn geweest die meteen dacht aan een aanslag. Het is een publiek geheim dat in Frankrijk geen enkele kerk nog veilig is. Gemiddeld worden er twee per dag gevandaliseerd, in brand gestoken of onteerd. Iedereen weet wie daar verantwoordelijk voor is, maar er wordt zedig over gezwegen. Ook nu weer ontkenden de autoriteiten onmiddellijk dat er kwaad opzet in het spel was, al moest het onderzoek nog beginnen. Er waren restauratiewerkzaamheden aan de gang in de kathedraal en daar moest de oorzaak van de brand gezocht worden. Wat er ook van zij – aanslag of restauratie – de brandende Notre Dame in het centrum van Parijs was een omineus beeld dat onwillekeurig deed denken aan de brandende twin towers in het centrum van New York, bijna 20 jaar geleden. 

Bij antroposofen riep het nog een andere herinnering op: de brand van het Goetheanum, bijna 100 jaar geleden. Net als de Notre Dame was de antroposofische tempel niet opgetrokken door een gespecialiseerde bouwfirma maar door vrijwilligers. Talloze mensen hadden hart en ziel in dit gebouw gelegd en de brand was dan ook een enorme klap. De toenmalige antroposofische vereniging overleefde hem niet. Nochtans had ze, terwijl de vernietigende krachten van de eerste wereldoorlog Europa teisterden, een unieke scheppende prestatie geleverd. Helaas ontbrak er iets aan: bewustzijn. Rudolf Steiner wees daarop toen hij zei dat de brand weliswaar van buitenaf was aangestoken, maar dat de werkelijke oorzaak bij de antroposofen zelf lag. Ze waren te veel met zichzelf bezig geweest en daardoor hadden ze het gebouw geestelijk onbeschermd gelaten. De vlammen die het Goetheanum verteerden, waren een uiterlijk beeld van het luciferische vuur dat binnen de vereniging woedde.

Wrijvingen, afgunst, ijdelheid, fanatisme en andere egoïstische driften hadden tot gevolg dat het Goetheanum een geestelijke omhulling ontbeerde. Persoonlijke aangelegenheden eisten zoveel aandacht op dat er onvoldoende overbleef voor de tempel. Het was deze geestelijke verwaarlozing die het Goetheanum fataal werd. Iets dergelijks kan men ook zeggen van de Notre Dame in Parijs, en bij uitbreiding van alle Franse kerken en zelfs van het hele Europese culturele erfgoed. In plaats van zorg te dragen voor het kostbare geschenk dat het aan de mensheid heeft geschonken, laat Europa zich – als het ware in navolging van de antroposofische vereniging – meesleuren in onderlinge ruzies en wederzijdse beschuldigingen. Het gedraagt zich als een kunstenaar die een meesterwerk heeft geschapen maar zich dat niet realiseert. In plaats van trots te zijn op wat hij tot stand heeft gebracht, schaamt de Europese mens zich diep en probeert wanhopig goed te maken wat hij denkt verkeerd te hebben gedaan. 

Het was verrassend om te zien hoeveel jonge Fransen diep getroffen waren door de brand van de Notre Dame – alsof de schok in hen een hoger zintuig had wakker gemaakt en ze iets gewaar werden van de geestelijke dimensie van het drama. Minder verrassend waren de cynische reacties op deze bewogenheid. Als mensen na een moslimaanslag kaarsjes branden, bloemen leggen en liedjes zingen, noemen de media dat ‘sereen’. Doen ze hetzelfde als een kathedraal brandt, dan noemen ze het ‘sentimenteel’. Ze steken er de draak mee, vragen zich af of het geld voor de restauratie niet veel beter aan een goed doel kan worden geschonken, of publiceren lijstjes met alle – in hun ogen – belachelijke reacties op de brand. Op Facebook verkondigde een linkse activist zelfs triomfantelijk dat hij al sinds 1789 voorstander is van het platbranden van kerken. Nee, het is al lang geen geheim meer welke diepe haat moderne intellectuelen koesteren voor alles wat christelijk is. 

Deze haatdragende intellectuelen zijn per definitie materialistisch. Zonder het met zoveel woorden te durven zeggen, zijn ze ervan overtuigd dat een mens leeft van brood alleen. De gedachte dat een kunstwerk als de Notre Dame geestelijk voedsel is voor miljoenen, en dat geestelijk voedsel voor de mens even noodzakelijk is als fysiek voedsel, vinden ze bespottelijk. Daarom willen ze die ‘oude troep’ liefst van al vervangen door hedendaagse kunst, waar het dode intellect de plaats van de levende geest heeft ingenomen. De Franse president Macron zag zijn kans schoon. De Notre Dame, verklaarde hij, zou binnen vijf jaar worden heropgebouwd, mooier dan ooit. De boodschap was duidelijk: niet alleen zouden de moderne Fransen de klus veel vlugger klaren dan de middeleeuwers, ze zouden het ook veel beter doen. Prompt werd een architectuurwedstrijd uitgeschreven en de eerste kandidaat was Wim Delvoye die zijn genie ten dienste stelde van de wederopbouw. Of hoe een ongeluk nooit alleen komt. 

Na de luciferische ramp, de ahrimaanse ramp. Het volstaat niet dat de kathedraal zwaar beschadigd werd, ze moet ook nog eens belachelijk worden gemaakt. Dat is de nieuwe trend. Historische gebouwen worden niet zomaar gerestaureerd, ze krijgen een hedendaagse make-over. Brak men ze vroeger af om er nieuwe voor in de plaats te zetten, dan combineert men nu beide: het oude gebouw verdwijnt niet, maar wordt innig verstrengeld met een hedendaagse constructie. De intellectuele klasse wordt daar lyrisch van: ze noemt het een prachtige symbiose van heden en verleden, een toonbeeld van vreedzame coëxistentie. In werkelijkheid is het natuurlijk het tegenovergestelde, want het Europese verleden is door en door christelijk, terwijl het Europese heden – althans dat van de machthebbers en intelligentsia – door en door antichristelijk is. De verbinding van beide tegenpolen leidt onherroepelijk tot een – letterlijke en figuurlijke – kleinering van het verleden. 

Alles van waarde is weerloos. Als Europa de michaëlische krachten niet vindt om haar christelijke beschaving te beschermen, dan zal deze ‘tempel’ in vlammen opgaan of – erger nog – geïncorporeerd worden in een ahrimaanse constructie. Luciferische en ahrimaanse krachten zullen samenwerken om de christelijke beschaving te verminken en te vernederen, en van Europa één groot cultureel Golgotha te maken. Alleen michaëlische bewustzijnskrachten kunnen dat voorkomen, en dat zijn oordeelskrachten, onderscheidingskrachten. Ze zitten reeds vervat in het bijbelse scheppingsverhaal. ‘Op de zesde dag keek God naar zijn schepping en Hij zag dat het goed was‘. Met deze bedrieglijk eenvoudige woorden wordt iets heel essentieels aangeduid: een schepping moet beoordeeld worden, zonder oordeel is ze niet af. Europa heeft de afgelopen 2000 jaar een christelijke beschaving geschapen, maar die beschaving is niet af zolang we niet ‘zien dat het goed is’. 

Wat we nodig hebben, zei Rudolf Steiner, is niet Christus maar bewustzijn van Christus. De scheppende heilsdaad is gesteld, Christus heeft zich verbonden met de aarde en daaruit is een christelijke beschaving ontstaan. Maar verre van te zien dat het goed is, kijken we met groeiende afschuw naar ons christelijke verleden. In die afschuw werkt Ahriman en het is op hem dat het michaëlische inzicht moet worden veroverd dat de Europese beschaving een goede schepping is. Uiterlijk gezien wordt dit kunstwerk vandaag het meest bedreigd door de islam. Die probeert het christendom al eeuwenlang te vernietigen en dat lijkt nu eindelijk te zullen lukken, maar alleen doordat de luciferische draak van binnenuit ahrimaanse hulp krijgt. Het is inderdaad opvallend hoe de Europese machthebbers en intellectuelen de islam de hand boven het hoofd houden. Rudolf Steiner voorspelde dan ook dat het intellect kwaadaardig zou worden. Het gevaar komt dus van twee kanten: van buitenaf en (vooral) van binnenuit. 

Een stuitend voorbeeld van dat laatste is de paus van Rome, die de wereld rondreist om overal moslims – letterlijk en figuurlijk – de voeten te kussen. Als geen ander illustreert deze jezuïet in welke mate Europa ontbeert wat in wezen zelfkennis is: bewustzijn van het eigen christelijke wezen. Dat gebrek aan michaëlisch zelfbewustzijn zet de poorten open voor de tegenmachten, die zich als bloedzuigers vastzetten op het christelijke erfgoed en er iets weerzinwekkends van maken. Christus wordt als het ware voor de tweede keer aan het kruis geslagen, geen fysiek kruis dit keer, maar een etherisch kruis, een bewustzijnskruis. Het vraagt moed en inzicht om deze nieuwe kruisiging onder ogen te zien en niet mee te juichen met de farizeëers van onze tijd. Destijds werden deze michaëlische kwaliteiten belichaamd door Maria en Johannes, die aan de voet van het kruis stonden als een beeld van de vrouwelijke en mannelijke eigenschappen die moeten samenwerken om op de zesde dag te kunnen zien dat het – ondanks alles – goed is.

Deze Goede Vrijdag beleeft iedere kunstenaar wanneer een kunstwerk zijn voltooiing nadert. De mannelijke oordeelskrachten beginnen de vrouwelijke scheppingskrachten dan te verlammen en de kunstenaar wordt langzaam maar zeker toeschouwer bij zijn eigen werk. Wanneer hij die grens overschrijdt, moet hij het werk neerleggen. Het scheppen is dan afgelopen en het oordelen begint. Die overgang is als een geboorte en een sterven tegelijk: de kunstenaar moet zijn werk loslaten, want als hij er verder blijft aan werken dan begint hij het – zonder het te beseffen – weer te vernietigen. Hij verkeert dan in de overtuiging dat hij zijn fouten herstelt en zijn werk steeds beter maakt, maar in werkelijkheid doet hij het omgekeerde: hij maakt het steeds slechter. Het dringt niet tot hem door dat bij het overschrijden van de grenzen van het kunstwerk de scheppende levenskrachten veranderen in vernietigende doodskrachten.

Ik heb dat ooit eens op exemplarische wijze ondervonden tijdens mijn academietijd. Ik had een geslaagde modeltekening gemaakt, maar vond dat met name het hoofd beter kon. Waren portretten niet mijn specialiteit? Welaan dan. Dus veegde ik het hoofd uit en begon opnieuw. Het resultaat was echter niet beter maar slechter dan de eerste keer. Die fout moest uiteraard hersteld worden, maar dat lukte ook dit keer niet. Steeds wanhopiger probeerde ik mijn tekening te redden, maar het het ging van kwaad naar erger. Het uiteindelijke resultaat was een menselijke figuur met de kop van een monster (want ik had het papier kapot getekend). Intussen sloeg de leraar mijn ‘verbeterende slopingswerk’ stilzwijgend gade en maakte van iedere fase een karikatuur. Dat leverde een metamorfose-in-acht-stappen op van mens tot monster, waar de hele klas zich vrolijk over maakte. Ik ben nooit meer vergeten hoe belangrijk het is om te weten wanneer je moet stoppen. 

Ieder (menselijk) scheppingsproces begint met het ontbranden van een innerlijk vuur: de geest wordt vaardig maar hij doet dat in luciferische gedaante. Die uitslaande brand moet met behulp van het verstand bedwongen worden. Dat leidt tot een gevecht in regel tussen levenskrachten en doodskrachten, tussen scheppingsroes en realiteitszin. Aan het eind dooft het luciferische vuur uit en overwint Ahriman. Dat is het moment waarop de kunstenaar het scheppende werk moet neerleggen, ook al is hij er niet tevreden over. Het accepteren van de grenzen van een werk is een oefening in gelatenheid, een erkennen van de onmacht om het oorspronkelijke visioen in een concreet beeld te vatten. Met name in onze tijd is dat een heel, heel moeilijke oefening, want enerzijds worden die ‘geestelijke visioenen’ (de helderziende waarnemingen die ten grondslag liggen aan ieder kunstwerk) steeds grootser, en anderzijds wordt de (door het materialisme veroorzaakte) honger naar de scheppingsroes steeds kwellender. 

Het resultaat is een mens die van geen ophouden weet, die de wereld alsmaar beter wil maken en juist daardoor in de greep van Ahriman raakt. Zijn scheppingsroes is veranderd in een vernietigingsroes, en hij merkt het niet: hij breekt de oude wereld af in de overtuiging dat hij een Heerlijke Nieuwe Wereld opbouwt. Die waan klinkt door in de woorden van president Macron die de verwoeste Notre Dame nóg mooier wil maken. We beluisteren hier – niet toevallig uit de mond van een Fransman – de krankzinnige hoogmoed van onze tijd die denkt dat ze de middeleeuwse kathedralen kan en moet verbeteren. Zoveel hoogmoed leidt onvermijdelijk tot een val. De moderne mens kan niet accepteren dat het scheppen voorbij is, dat de Europese beschaving een grens bereikt heeft, en dat het oordelen nu moet beginnen. Het is trouwens begonnen, maar het is een onbewust vernietigend oordelen, een ahrimaans oordelen, geen bewust scheppend oordelen, geen michaëlisch oordelen. 

De mensheid gaat vandaag over de drempel, maar ze weet het niet. Ze heeft nog niet het zintuig ontwikkeld om die grens waar te nemen en te weten wanneer ze moet stoppen. Ze beleeft dat ‘stoppen’ als een sterven, als het pijnlijke uitdoven van het scheppingsvuur, en klampt zich wanhopig vast aan de oude levensroes. De menselijke beschaving is oud geworden, ze heeft haar grenzen bereikt en is stervende. Of dat sterven de wetten van het lichaam zal volgen (en leiden tot een algehele ontbinding en vernietiging) dan wel die van de geest (en leiden tot een wederopstanding), hangt af van onze moed om stil te houden en dat sterven onder ogen te zien. Brengen we die – michaëlische – moed niet op om aan de voet van het kruis te staan en klampen we ons in plaats daarvan vast aan de illusie dat de beschaving wel zal blijven bestaan, dan worden we tot de vernietigers van die beschaving, dan doen we in vlammen opgaan waar we zozeer aan gehecht zijn. 

Schaamlippen (3)

  

November is de maand waarin we de doden herdenken: Allerheiligen, Allerzielen, en ook de slachtoffers van de eerste wereldoorlog. Dat laatste doen we op 11 november, Wapenstilstanddag. Dit jaar leken de oorlogsdoden echter een stuk minder aandacht te krijgen. Helemaal onbegrijpelijk was dat niet als je bedenkt dat de Grote Oorlog nu al drie jaar aan één stuk herdacht wordt. Afgelopen zomer werd er in Ieper nog een grootscheepse herdenking gehouden van de Slag bij Passendaele. Actrice Helen Mirren droeg bij die gelegenheid het beroemde gedicht In Flanders’ Fields voor, maar deed dat op zo’n triomfantelijke toon dat ik me opeens realiseerde naar een overwinningsfeest te kijken. De hele vertoning werd dan ook geregisseerd door de Engelsen, er viel geen Duitser te bekennen. De wapens zijn dus nog altijd niet neergelegd, ze zijn alleen van aard veranderd. Men vecht nu met andere, meer gesofisticeerde middelen, maar het is nog altijd oorlog. 

Hoe weinig 11 november nog met Wapenstilstand te maken heeft, werd dit jaar op een merkwaardige manier geïllustreerd. Om te beginnen viel het gerecht die dag de VRT binnen op zoek naar bezwarend materiaal in de zaak Bart De Pauw. Een week tevoren ging het nog om een privè-zaak tussen Bart De Pauw en enkele actrices, maar dat veranderde opeens toen de VRT besloot Bart De Pauw op staande voet te ontslaan en alle programma’s waaraan hij meewerkte van het scherm te halen. Tabula rasa dus, net als in het geval Kevin Spacey. Dat was reeds een draconische maatregel, maar de klap op de vuurpijl moest nog komen. Op 11 november greep het gerecht in, op eigen initiatief, zonder dat er een klacht was ingediend. De zaak kreeg daardoor een heel andere dimensie, want voortaan riskeert iedere man die verdacht wordt van grensoverschrijdend gedrag vervolging. Alsof het Belgische gerecht de oorlog verklaard heeft aan de man. 

Maar in ons land is 11 november niet alleen Wapenstilstanddag, het is ook Vrouwendag, en dat kan gelden als een tweede oorlogsverklaring aan de man. Want wie krijgt het in zijn hoofd om Vrouwendag te vieren op dezelfde dag dat de dood van miljoenen mannen herdacht wordt! Het is al even blasfemisch als halfnaakte leden van Fema die tijdens een (doden)mis schreeuwend op het altaar springen. Bovendien heeft het Vrouwen Overleg Komitee, dat deze uitdagende keuze maakte, onlangs zijn naam veranderd in Furia, wat ook niet meteen wijst op vredelievende bedoelingen. Maar de keuze voor 11 november is nog op een andere manier vreemd, want internationaal wordt Vrouwendag gevierd op 8 maart. Zo is dat door de Verenigde Naties bepaald, en dat gebeurde in navolging van niemand minder dan Lenin, want hij was die voorstelde om van 8 maart, de dag dat de Russische vrouwen in 1917 op straat kwamen, een vrouwendag te maken. Feminisme en communisme vormen blijkbaar één front (sic).

Maar de furieuze feministen waren niet de eersten om deze datum te kapen. De Vlaamse ngo 11.11.11 deed het hen voor. In de jaren 60 kozen ze deze datum om de Noord-Zuidproblematiek in de kijker te zetten. Met name hun deur-aan-deur campagne voor ‘de arme kindjes van Afrika’ kende een groot succes. Intussen hebben ook zij hun (kind)vriendelijke masker laten vallen en voeren ze een agressieve politiek die inspeelt op het schuldgevoel van het Westen. Ze doen dus eigenlijk net hetzelfde als de feministen van Furia: ze worden steeds agressiever, ze richten hun kogels steeds meer op de bange, blanke man en ze doen dat allebei op 11 november, de dag waarop de dood van miljoenen bange, blanke mannen wordt herdacht. Dat is allemaal toch wel héél toevallig. Niemand maakt mij wijs dat beide organisaties niet wisten wat ze deden toen ze 11 november uitkozen om hun ding te doen. Het was een verkapte oorlogsverklaring, en wel aan de mannen, de levende zowel als de dode.   

Maar op 11 november vond er nog een derde oorlogsverklaring plaats. Terwijl het gerecht huiszoeking deed bij de VRT, en 11.11.11 langs de deuren liep, sloegen in Brussel honderden Marokkanen aan het plunderen. Op de Lemonnierlaan sloegen ze ruiten in, vernielden inboedels, staken auto’s in brand en vielen de politie aan. Het leek wel oorlog, vertelden getuigen, de straat was in een slagveld herschapen. Pittig detail: Maurice Lemonnier was burgemeester van Brussel tijdens de eerste wereldoorlog. Volgens een krantenbericht was de plundertocht enkele dagen tevoren aangekondigd op een Facebookpagina. Ook hier had men dus Wapenstilstanddag uitgekozen om de wapens op te nemen. Sommigen gaven de schuld aan de politie, die een onschuldig voetbalfeest brutaal verstoord zou hebben. Maar enkele dagen later braken er opnieuw rellen uit, dit keer op het Muntplein, vlak voor de Muntschouwburg waar in 1830 De Stomme van Portici werd opgevoerd, de opera die naar verluidt België heeft doen ontstaan. 

Wapenstilstanddag was dit jaar Oorlogsverklaringsdag. De toon was al gezet door de Engelsen, die van de herdenking van de eerste wereldoorlog een overwinningsfeest maakten. Maar de zaak explodeerde pas echt op 11 november. Toen verklaarden de ‘geallieerden’ – de Belgische Staat, de feministen en de moslims – de oorlog aan de bange, blanke man. Alledrie werden ze gedreven door collectivistische, zeg maar communistische idealen. Die waren ook herkenbaar in wat er enkele dagen later gebeurde: een Brugse priester werd voor het gerecht gedaagd omdat hij de politie niet had verwittigd toen een van zijn parochianen zelfmoord wilde plegen. Niet alleen werd een eeuwenoud christelijk gebruik – de biecht en het daarbij horende biechtgeheim – aan de kant geschoven, maar ook de gewone vertrouwensrelatie tussen mensen werd gebrutaliseerd. De boodschap was immers dat iedereen rechtsvervolging riskeert die de politie niet verwittigt als iemand hem vertelt over zijn zelfmoordplannen. 

Op zich hadden al deze gebeurtenissen niet veel om het lijf. De zaak Bart De Pauw doet nu wel veel stof opwaaien, maar ze zal algauw weer vergeten zijn. De rellen in Brussel waren hevig maar niet uitzonderlijk. Moslims en politie leveren regelmatig slag in de straten van de hoofdstad. En een priester die wordt aangeklaagd, dat is ook geen nieuws meer in dit land. Afzonderlijk zou men deze feiten faits divers kunnen noemen, om een Brusselse burgemeester te citeren, maar samen vormen ze een krachtig beeld dat zich diep in de ziel van de moderne mens prent. Daar is die moderne mens zich echter niet van bewust. Niet alleen moet hij zo hard werken dat hij geen tijd heeft om stil te staan bij de gebeurtenissen, maar hij haalt ook zijn neus op voor dergelijke beelden. Hij beschouwt ze als ongeoorloofde veralgemeningen die suggereren dat de dingen een geestelijke dimensie zouden hebben, en dat kan hij natuurlijk niet ernstig nemen. Met als gevolg dat het beeld wegzinkt in zijn onderbewustzijn en daar zijn verlammende invloed uitoefent.

Want het is niet niks wat dit beeld ons vertelt, of we het nu horen of niet. Er spreken krachten uit die het absoluut niet goed met ons voorhebben en die stuk voor stuk grensoverschrijdend gedrag vertonen dat Bart De Pauw een onschuldige koorknaap doet lijken. Het gerecht dringt onbetamelijk diep door in het privé-leven van mensen. Als zelfs priesters zich niet meer kunnen beroepen op het biechtgeheim, hoe kan een gewoon gesprek dan ooit nog vertrouwelijk zijn? Wie met zelfmoordplannen rondloopt, kan dit tegen niemand meer vertellen, want hij riskeert de politie op zijn dak te krijgen. Hetzelfde geldt voor de relatie tussen man en vrouw. Welke man zal een vrouw nog avances durven maken als hij daarvoor 20 jaar later in de cel kan belanden? En wat betekent het voor het samenleven van autochtonen en allochtonen dat moslims op agressieve wijze de publieke ruimte kunnen inpalmen zonder dat de politie daar iets kan of durft of wil aan doen? 

Wanneer men bedenkt dat dit beeld uitgerekend op 11 november verscheen, rijzen er nog meer vragen. Waarom kozen moslims deze dag uit om Brussel op stelten te zetten? En waarom deden ze dat op de Lemonnierlaan en het Muntplein? Waarom besloot het Belgisch gerecht om de zaak De Pauw in handen te nemen op Wapenstilstanddag, een zaterdag notabene? Waarom kon het niet wachten tot maandag? Waarom hebben de Belgische feministen 11 november uitgeroepen tot Vrouwendag terwijl de rest van de wereld Lenin volgt? En wat heeft de 11.11.11 campagne te maken met het moment waarop de Wapenstilstand in 1918 werd uitgeroepen? Ging het wellicht om die zes opeenvolgende enen? En hielden die verband met de 66 van het jaar waarin het initiatief van start ging? Want iedereen weet dat er een even krachtige als onbewuste invloed uitgaat van cijfers, denken we maar aan het obligate 99 dat op zoveel prijskaartjes staat. 

Het doet een mens verder denken. Wapenstilstand werd in 1918 uitgeroepen op de 11de dag van de 11de maand om 11 uur. De Duitsers hadden zich toen al een hele tijd overgeven. Toch werd er uren gewacht – uren waarin nog heel wat mensen sneuvelden – om de wapenstilstand af te kondigen. Waarom moest dat precies om 11 uur gebeuren? En waarom moest het in Compiègne gebeuren, de stad waar Jeanne d’ Arc gevangen werd genomen en verkocht aan de Engelsen die haar vervolgens als een heks verbrandden? Misschien bestaan er voor al die feiten aannemelijke verklaringen, maar allemaal samen doen ze toch onwillekeurig denken aan wat Rudolf Steiner schreef over de geheime ‘loges’ die de eerste wereldoorlog beraamd hebben en die gebruik maakten van occulte kennis om hun snode plannen te realiseren. Die hele concentratie van gebeurtenissen op 11.11.11 precies honderd jaar na het onheilsjaar 1917 doet in ieder geval een verborgen regisseur vermoeden.

Het begint er inderdaad op te lijken dat Brussel afgelopen Wapenstilstanddag het toneel werd van een of ander occult ritueel. Dat klinkt moderne mensen natuurlijk absurd in de oren. Maar is dat materialistische ongeloof niet precies de reden waarom het zo slecht gaat met Europa? In zijn Memoranda over de eerste wereldoorlog geeft Rudolf Steiner een verklaring voor de wereldmacht van de Angelsaksische landen: Engeland en Amerika baseren hun buitenlandse politiek op een diep inzicht in de Europese volkszielen. Dankzij die kennis slagen zij erin de Europese volkeren zodanig te manipuleren dat het hun machtspositie steeds weer ten goede komt. Die Europese volkeren hebben daar geen idee van want ze willen niks weten van volkszielen of volksaarden. Ze halen hooghartig hun neus op voor dergelijke ‘spirituele humbug’ en daar doen Amerika en Engeland hun voordeel mee want het zijn pragmatici bij uitstek. Het maakt hen niet uit of iets spirituele humbug is, als het maar werkt.

Deze hoogmoedige afkeer van spirituele inzichten komt Europa zwaar te staan, want het is een speelbal geworden in handen van Amerika. En dat is dan nog zwak uitgedrukt, want na de eerste wereldoorlog (die door Engeland werd uitgelokt) volgde de tweede wereldoorlog (die door Amerika werd gefinancierd) en vandaag lijkt Europa de genadeslag te zullen krijgen, want het wordt van twee kanten aangevallen: vanuit het Oosten door de islam en vanuit het Westen door de politieke correctheid en alles wat daarbij hoort, zoals de #metoo beweging. Het wordt opnieuw in de tang genomen, zoals tijdens de Koude Oorlog. En net zoals het communisme een Westers ‘sociaal experiment’ was (het woord is van Rudolf Steiner), zo is de islamisering van Europa een sociaal experiment van het Westen. Want het is ontegensprekelijk Amerika dat het slapende monster van de islam wakker heeft gemaakt. Aangezien de spirituele inzichten van de antroposofie het enige tegengif zijn voor deze dubbele drakenkrachten ziet het er niet goed uit voor Europa, want het haalt nog altijd (en misschien zelfs meer dan ooit) zijn neus op voor deze inzichten. 

Vakantielectuur (3)

  

Een tijdje geleden trof ik op de keukentafel ‘De Bekeerlinge’ aan, het jongste boek van Stefan Hertmans. An had het cadeau gekregen bij een of andere gelegenheid en aangezien ze geen aanstalten maakte om het te lezen, besloot ik het eens in te kijken. Op de achterflap las ik dat het om ‘een meesterwerk’ ging, een ‘cruciaal boek’, ‘de bevestiging van een gigatalent’. Kijk eens aan, dacht ik, nog maar eens een meesterwerk! Als je achterflappen mag geloven, verschijnt er iedere week wel ergens een meesterwerk. Niet te geloven hoeveel genieën er tegenwoordig rondlopen! Jammer genoeg blijken ze meestal saaie en vervelende boeken te schrijven waar ik niet doorheen raak en die me de zin ontnemen ooit nog een moderne roman te lezen. Dat was deze keer gelukkig niet het geval. Tot mijn verbazing las ik ‘De Bekeerlinge’ helemaal uit. Stefan Hertmans kan dus schrijven, daar valt niet op af te dingen. Maar een meesterwerk? Een cruciaal boek? De bevestiging van een gigatalent? Kom, kom, kom. 

Waarover gaat het? Een christenmeisje uit de 11de eeuw wordt verliefd op een joodse jongen, loopt weg van huis, bekeert zich, moet vluchten voor de christenen en eindigt ten slotte half krankzinnig in een afgelegen dorp in de Provence. In dat dorp heeft de schrijver toevallig een buitenverblijf en hij komt zijn onderwerp op het spoor, niet door een oud manuscript dat hij op zolder ontdekt, maar door een buurman die hem een tijdschriftartikel over de streek bezorgt. Het recept dat hij vervolgens gebruikt, is bekend: twee verhalen worden door elkaar gevlochten. Het ene speelt zich af in de Middeleeuwen, het andere in onze tijd. De lezer volgt het meisje Hamoutal op haar tocht dwars door Europa, en tegelijk volgt hij ook Stefan Hertmans die research doet voor zijn boek en zijn hoofdpersonage achterna reist, zij het dan met de auto. Het duurt niet lang voor de lezer de boodschap van het boek doorheeft: de geschiedenis herhaalt zich – zoals Hamoutal destijds werd opgejaagd, zo worden ook vandaag weer vluchtelingen opgejaagd. 

Stefan Hertmans brengt deze boodschap niet alleen over door het twee-verhalenprocédé maar ook door de manier waarop hij de wereld van joden en moslims tegenover die van de christenen plaatst. Door de eersten wordt Hamoutal met liefde opgevangen en verzorgd, door de laatsten wordt ze ongenadig achtervolgd. De joodse en islamitische wereld wordt in poëtische en positieve termen beschreven, de christelijke wereld in ruwe en negatieve bewoordingen. De tegenstelling is zo groot dat het bij momenten karikaturaal wordt. Moslims en joden zijn zowat synoniem met beschaving, menselijkheid en verfijning, christenen met barbaarsheid en primitiviteit. Als deze laatsten in ‘De Bekeerlinge’ op het toneel verschijnen, spat het bloed in het rond. Met name die bloederige passages doen de lezer het voorhoofd fronsen. Ze contrasteren zo fel met de dichterlijke, peinzende atmosfeer die Stefan Hertmans weet op te roepen dat duidelijk is dat de schrijver zich eens goed heeft laten gaan. Zijn afkeer voor het christendom is blijkbaar sterker dan hemzelf.

Het doet me denken aan wat mijn leraar ooit zei over een collega: ‘hij heeft onmiskenbaar talent, maar de vraag is wat hij ermee doet!’ Stefan Hertmans kan schrijven, dat staat buiten kijf, maar hij stelt zijn talent ten dienste van een boodschap. Daarom is ‘De Bekeerlinge’ geen goed boek. Het is, om de terminologie van Rudolf Steiner te gebruiken, geen poging om de zintuiglijke werkelijkheid in de vorm van de idee te gieten, het is een poging om een idee in een zintuiglijk kleedje te steken. Dat is op zich al onkunstzinnig, maar de idee (of de boodschap) die Stefan Hertmans aanschouwelijk wil maken, is ook nog eens zo onpersoonlijk, zo dubieus en zo politiek-correct dat zijn dienstbaarheid een vorm van slaafsheid wordt. Hij laat zich ‘knechten’ door de boodschap die hij wil brengen. En die onderdanigheid wordt goed beloond: ‘De Bekeerlinge’ wordt een meesterwerk genoemd, het boek is al in de prijzen gevallen, en de auteur wordt door sommigen zelfs al voorgedragen voor de Nobelprijs.

Je zou voor minder door de knieën gaan. Moderne schrijvers en kunstenaars doen dat dan ook in groten getale. Allemaal verkondigen ze dezelfde politiek-correcte boodschap, allemaal zijn ze zo slaafs en onderdanig dat je je schaamt in hun plaats, en allemaal zijn ze zich van geen kwaad bewust. Maar dat laatste klopt toch niet helemaal. In de kunst kun je niet liegen, je kunt je niet verbergen, de waarheid komt hoe dan ook aan het licht. Kunstenaars weten dat. Wie hun kunst als kunst benadert en dus niet alleen oog heeft voor de inhoud maar ook – en vooral – voor de vorm, kan niet om de tuin geleid worden. In dat opzicht is ‘De Bekeerlinge’ een voorbeeld van wat er gebeurt als een schrijver dat toch probeert, als hij zijn talent gebruikt om de lezer een boodschap in de maag te splitsen. Aan dat (zelf)bedrog wijdt Stefan Hertmans zijn beste krachten, maar de vorm van zijn boek verraadt hem. En aangezien hij die vorm zelf geschapen heeft, is het alsof hij stiekem hoopt dat de lezer hem zal ontmaskeren.

Het meest opvallende vormkenmerk van ‘De Bekeerlinge’ is het twee-in-één verhaal. We zijn getuige van het dramatische leven van Hamoutal, maar tegelijk zien we Stefan Hertmans koffie drinken voor het venster van zijn buitenverblijf, en mijmeren over wat zich daar duizend jaar geleden (misschien) heeft afgespeeld. Hij presenteert zichzelf dus als een welgestelde burgerman die, als het hem thuis even teveel wordt, kan wegvluchten naar het Zuiden van Frankrijk. Dit keer doet hij dat omdat hij een boek wil schrijven en daartoe volgt hij per auto de weg die Hamoutal te voet aflegde. Het naast elkaar plaatsen van deze twee vluchtroutes heeft iets potsierlijks: de harde overlevingstocht van het middeleeuwse meisje en de comfortabele autorit van de moderne schrijver. We volgen de auteur op zijn tocht langs de autostrades van Frankrijk, terwijl hij af en toe stopt op een plek waar vroeger een joodse synagoge stond en nu een Aldi. Een enkele keer bezoekt hij ook een archeologische site of een bibliotheek, maar spannender dan dat wordt het niet.

Het raamverhaal is zo banaal en vervelend dat je je gaat afvragen waarom Stefan Hertmans het überhaupt in zijn boek heeft opgenomen. Niet alleen draagt het niets bij tot het andere verhaal, maar het doet er zelfs afbreuk aan. Toen ik het boek voor het eerst las, duurde het zowat 20 bladzijden voor ik begreep waarover het ging. De manier waarop de schrijver beide verhalen met elkaar vermengt, is niet alleen verwarrend maar ook ergerlijk. Hij vertelt het verhaal van Hamoutal op boeiende wijze, maar telkens weer opnieuw verbreekt hij de betovering om de lezer lastig te vallen met zijn eigen besognes. Het is als een film die zoveel gebruik maakt van flash-backs dat de kijker algauw niet meer weet waar hij het heeft. ‘De Bekeerlinge’ zou een beter boek zijn geweest als dat tweede verhaal, het verhaal van de schrijver, gewoon was weggelaten. Maar dan zou het natuurlijk wel een stuk dunner zijn geworden en de link tussen heden en verleden zou minder dik in de verf staan. 

Heeft Stefan Hertmans werkelijk (de kwaliteit van) zijn boek opgeofferd om zijn politiek-correcte boodschap beter te doen overkomen en daar dan de beloning voor op te strijken? Het is in ieder geval een feit dat hij als schrijver pas echt bij het grote publiek is doorgebroken toen hij de Zeitgeist nadrukkelijk eer begon te bewijzen, eerst met ‘Oorlog en Terpentijn’ dat – toevallig – samenviel met de herdenkingen van de eerste wereldoorlog, en nu met ‘De Bekeerlinge’ dat – al even toevallig – samenvalt met de migrantenproblematiek. Hij is trouwens niet de enige die dat doet. Moderne schrijvers en kunstenaars zijn opvallend gevoelig geworden voor wat er van hen verwacht wordt en voor wat hen roem en eer (en een buitenverblijf in Frankrijk) oplevert. Daar zijn ze natuurlijk altijd gevoelig voor geweest – de ‘gewetenloosheid’ van de kunstenaar is bekend – maar dat ze zich zo onderdanig gedragen, uitgerekend op het moment dat ze onafhankelijker zijn dan ooit, geeft toch te denken. 

Nee, ik kan niet geloven dat Stefan Hertmans een platte opportunist is die zijn kunst opoffert voor roem, eer en geldgewin. Hoe krachtig deze motieven ook zijn, ze verklaren toch niet de vernedering die hij en tal van andere kunstenaars vandaag zo bereidwillig ondergaan. Met name de – alle verbeelding tartende – taferelen die zich in de wereld van de beeldende kunst afspelen, vertellen mij dat het iets heel anders is dat er hen toe brengt zichzelf en hun kunst zo naar beneden te halen. En dat ‘iets’ is volgens mij de drempeloverschrijding. In onze tijd gaat de mensheid over de drempel en kunstenaars vormen daar geen uitzondering op. Ze zijn echter wel een speciaal geval, want de drempeloverschrijding is hen vertrouwd. Kunst is altijd een ‘drempeloverschrijdend’ middel geweest. Dat besef is in de loop der eeuwen verdwenen, maar vandaag keert het terug. Het dringt echter niet door tot het bewustzijn van de kunstenaar, het wordt alleen zichtbaar in zijn werk, met name dan in de vorm ervan. 

De paus en de muur

  

Pope Francis continues to argue for two interrelated points that, while seemingly humane, compromise Western nations and expose their citizens to danger. He reiterated his first point earlier this month when he said, “I appeal not to create walls but to build bridges.” Francis has made this appeal frequently, both figuratively (when imploring Western nations not to close their doors against more incoming Muslim migrants) and literally (for instance by characterizing Donald Trump’s proposal to build a U.S.-Mexico wall as “not Christian”).

 Francis reiterated his second point a few days ago when he said, “Muslim terrorism does not exist.” His logic is that, because there are Christians who engage in criminal and violent activities—and yet no one blames Christianity for their behavior — so too should Islam not be blamed when Muslims engage in criminal and violent activities. In this, the Catholic pope appears unable or unwilling to make the pivotal distinction between violence committed in accordance with Islamic teachings, and violence committed in contradiction of Christian teachings.

But there’s another relevant and often overlooked irony: every morning Francis wakes up in the Vatican and looks out his window, he sees a very large and concrete reminder that gives the lie to both his argument against walls and his argument in defense of Islam. I speak of the great walls surrounding Vatican City, more specifically the Leonine Walls.

Context: A couple of years after Islamic prophet Muhammad died in 632, his followers erupted out of Arabia and conquered surrounding non-Muslim lands in the name of Islam. In a few decades, they had annexed two-thirds of what was in the 7th century Christendom. They took all of the Middle East, North Africa, and Spain, until they were finally stopped at Tours in central France (732). By the late 9thcentury, jihadi incursions had transformed the Mediterranean Sea into a Muslim lake; the major islands — Sicily, Crete, Rhodes, Malta, Cyprus — were conquered, and the European coast was habitually raided for booty and slaves. According to the most authoritative and contemporary Muslim chroniclers — al-Waqidi, al-Baladhuri, al-Tabari, al-Maqrizi, etc. — all this was done because Islam commands Muslims to subjugate and humiliate non-Muslims.

It was in this context that, in 846, Muslim fleets from North Africa landed near Rome. Unable to breach the walls of the Eternal City, they sacked and despoiled the surrounding countryside, including — to the consternation of Christendom — the venerated and centuries-old basilicas of St. Peter and St. Paul. The Muslim invaders desecrated the tombs of the revered apostles and stripped them of all their treasures. Pope Leo IV (847-855) responded by building large walls and fortifications along the right bank of the Tiber to protect the sacred sites from further Muslim raids. Completed by 852, the walls were in places 40 feet high and 12 feet thick. Further anticipating the crusades against Islam by over two centuries — and thus showing how they were a long time coming — Pope Leo decreed that any Christian who died fighting Muslim invaders would enter heaven. After him and for the same reasons, Pope John VIII offered remission of sins for those who died fighting Islamic invaders. Such was the existential and ongoing danger Muslims caused for Christian Europe — more than two centuries before Pope Urban’s call for the First Crusade in 1095.

Today, many Muslims, not just of the ISIS variety, continue to boast that Islam will conquer Rome, the only of five apostolic sees — the other four being Antioch, Alexandria, Jerusalem, and Constantinople — never to have been subjugated by jihad. Similarly, Muslims all throughout Europe continue exhibiting the same hostility and contempt for all things and persons non-Islamic, whether by going on church vandalizing sprees and breaking crosses, or by raping “infidel” women as theirs by right.

In short, Pope Leo’s walls prove Pope Francis wrong on both counts: yes, walls are sometimes necessary to preserve civilization; and yes, Islam does promote violence and intolerance for the other — far more than any other religion. This fact is easily discerned by examining the past and present words and deeds of Muslims, all of which evince a remarkable and unwavering continuity of hostility against “infidels.”

Perhaps most ironic of all, had it not been for Pope Leo’s walls — and so many other Christian walls, such as Constantinople’s, which kept Islam out of Europe for centuries, and Vienna’s, which stopped a full-blown jihad as recent as 1683 — there might not be a pope today to pontificate about how terrible walls are and how misunderstood Islam is. And when Francis accuses those who build walls of not being Christian, as he did of Trump, he essentially accuses men like Pope Leo IV — who did so much to protect and preserve Christendom at a time when Islam was swallowing up the world — of being no Christians at all.

(Raymond Ibrahim)

De driegelede kunst (2)

  

Sinds de kunst ‘hedendaags’ werd, is ze niet langer driegeleed. Het middelste lid, dat beide andere met elkaar verbond, is verdwenen. In de ‘nieuwe’ kunst speelt het geen rol meer. Nemen we bijvoorbeeld het scheppingsproces dat in de ‘oude’ kunst de brug slaat tussen (geestelijke) inspiratie en (materieel) kunstwerk. Dat scheppingsproces is het resultaat van een scholing tijdens dewelke de kunstenaar bijzondere vermogens ontwikkelt. Zonder die vermogens kan hij nooit een kunstwerk tot stand brengen. In de hedendaagse kunst spelen ze echter geen rol meer. De kunstenaar heeft een idee of concept en laat dat in veel gevallen uitvoeren door gespecialiseerde firma’s. De uitvoering is een louter technische, onpersoonlijke zaak geworden. Van een scheppingsproces is geen sprake meer. 

Voor de kijker geldt hetzelfde. Klassieke kunst moet hij leren zien en waarderen. Hij moet er zijn ‘oog’ voor scholen zoals de kunstenaar zijn ‘hand’ moet scholen. Doet hij dat niet, dan blijft de kunst voor hem ‘onzichtbaar’ en beleeft hij er geen vreugde aan. Geheel anders ligt dat met de hedendaagse kunst. Hier moet er niks geoefend worden, hier moeten geen bijzondere waarnemingsvermogens ontwikkeld worden. Het volstaat dat de kijker doet wat hij ook op school doet: kennis vergaren. Hij moet zich informeren over het kunstwerk, hij moet erover lezen en studeren. Met het ontwikkelen van een ‘kunstzinnig oog’ heeft dit niets te maken. Een pispot blijft een pispot, hoe vaak je er ook naar kijkt. De schoonheid van een klassiek kunstwerk daarentegen is afhankelijk van ons vermogen om die schoonheid te zien.  

Het duidelijkst wordt dit wegvallen van de middelste pool wanneer we onze aandacht richten op de drieledigheid kunstenaar-kunstwerk-kijker. In de klassieke kunst staat het kunstwerk centraal, niet de kunstenaar of de kijker. De moderne personencultus in de kunst is van vrij recente datum. Kunstwerken waren vroeger anoniem. Men was niet geïnteresseerd in de maker. Ook de kijker was niet interessant. Alleen het kunstwerk telde. En zo is het in wezen nog altijd. In de klassieke kunst doet het er niet toe wie de kunstenaar is of wat hij dacht en voelde bij het maken van zijn werk, alleen het resultaat telt. Het doet er ook niet toe wie de kijker is of wat hij denkt en voelt bij het kijken naar kunst, zijn perceptie verandert niets aan de waarde van het kunstwerk. Het klassieke kunstwerk is een autonoom gegeven. 

Vergelijken we dat nu eens met het beroemdste en meest representatieve hedendaagse kunstwerk: de pispot van Marcel Duchamp. Dat is zeker geen op zichzelf staand gegeven. Als we hem aantroffen in een containerpark zou geen haar op ons hoofd eraan denken dat we met een kunstwerk te maken hadden. De handtekening die op de pispot staat, heeft alleen betekenis voor wie zijn kunstgeschiedenis kent. Zonder die kennis bestaat dit hedendaagse kunstwerk eenvoudig niet en valt het niet te onderscheiden van rommel en afval. Als we daarentegen een schilderij van Rafaël in het containerpark aantroffen, zouden we het meteen herkennen als kunst, niet omdat het ondertekend is met ‘Rafaël’, maar omdat we de heel bijzondere kwaliteit van dit voorwerp waarnemen.

Het kan niet ontkend worden: wat een hedendaags kunstwerk tot kunst maakt, is de handtekening en de handtekening alleen. Picasso maakte daar op cynische wijze gebruik van. Als hij op café een sigaret opstak, dan gebeurde het wel eens dat hij het luciferdoosje signeerde, het op de grond wierp en dan toekeek hoe erom gevochten werd. Want men wist dat Picasso’s handtekening geld waard was, of ze nu op een schilderij stond of op een luciferdoosje. En zo is het met alle hedendaagse kunst: het ‘kunstwerk’ zelf doet er niet toe, het gaat enkel en alleen om de handtekening. En de waarde van die handtekening berust op de reputatie van wie ze plaatst. Men kan hedendaagse kunst vergelijken met geld: op zich is ze niks waard, ze verwijst alleen naar iets dat wel waarde heeft. 

De waarde waarnaar de hedendaagse kunst verwijst is de reputatie die de kunstenaar in de kunstwereld verworven heeft. Die reputatie berust niet op zijn persoonlijke kunnen, zoals dat in de klassieke kunst tot uitdrukking komt in het kunstwerk. Waarop berust ze dan wel? Het is dezelfde vraag als: waarom geloven mensen iemand die verklaart: dit is kunst omdat ik het zeg? Want zelf zien ze het niet, ze nemen het gewoon aan. Ze ruilen hun eigen waarnemings- en oordeelsvermogen voor gehoorzaamheid aan een gebod dat geen enkele zichtbare grond heeft. Ze doen met andere woorden hetzelfde als gelovigen die zich onderwerpen aan het gezag van priesters omdat ze in naam van God spreken. Maar Marcel Duchamp en co spreken niet in naam van God, ze spreken in eigen naam. 

Een vreemd fenomeen wordt hier zichtbaar. Hedendaagse kunstenaars gedragen zich als hogepriesters die handelen in naam van een goddelijke instantie. Hedendaagse kunstliefhebbers gedragen zich als gelovigen die eerbiedig het hoofd buigen voor die onzichtbare instantie. Vandaar ook dat de goegemeente spottend spreekt over kunstpausen en een kunstkerk. Maar in de hele hedendaagse kunst is geen sprake van een God of een hogere instantie. Wel integendeel, er is geen plaats waar God afweziger is dan in de culturele en intellectuele kringen van onze tijd. De conclusie dringt zich dan ook op dat in de hedendaagse kunst een ‘god’ of een ‘geestelijke instantie’ werkzaam is die niemand ziet, waar niemand iets van afweet en waarvan het bestaan in alle toonaarden ontkend wordt. 

Als we nu terugkeren naar de radicale verandering die de kunst aan het begin van de 20ste eeuw heeft ondergaan, een verandering die bestond in het wegvallen van het middelste en centrale ‘lid’ in de driegeleding van de kunst, dan moeten we vaststellen dat dit midden in de hedendaagse kunst niet zomaar ontbreekt. Het is vervangen door een ander ‘midden’, een onzichtbare geest die niemand kent maar waar men zich niettemin met hart en ziel aan onderwerpt. Het is dezelfde blinde onderwerping die we ook aantreffen in de hedendaagse islam, met dat verschil dat moslims menen zich te onderwerpen aan de wil van God, terwijl Europese en Westerse culturo’s ervan overtuigd zijn zich nergens aan te onderwerpen en louter uit vrije wil te handelen. Maar we hebben al gezien hoe relatief dit verschil is. 

Jeder Mensch ein Proletariër

  

Bijna 100 jaar geleden, in 1919, schreef Rudolf Steiner zijn ‘Kernpunten van het Sociale Vraagstuk’ als een theoretische onderbouwing van de sociale driegeleding. Het was zijn antwoord op de eerste wereldoorlog, die volgens hem geen echte oorlog was maar een gevolg van de sociale onrust die in Europa was ontstaan door het verschijnen van een nieuwe bevolkingsklasse: het proletariaat. Op het eerste gezicht hebben de ‘Kernpunten’ ons vandaag niks meer te zeggen, want er bestaat geen proletariaat meer. De mensonterende omstandigheden waarin de arbeiders in de 19de eeuw moesten leven, zijn verdwenen. De arbeidersklasse heeft niks meer te klagen. Toch zijn de linkse, socialistische ideeën nog altijd springlevend. Ze lijken zelfs een tweede adem te krijgen nu er een nieuw proletariaat op het toneel is verschenen: de moslims. Ook de sociale onrust leeft weer op: spanningen tussen autochtonen en moslim-immigranten lopen steeds hoger op en leiden tot uitbarstingen van geweld.   

Met die uitbarstingen van geweld is iets merkwaardigs aan de hand. Ze worden doorgaans verklaard door te wijzen op de sociale achterstelling van de moslims, op hun proletarische status dus. Maar wat blijkt? De meeste terreuraanslagen in Europa worden niet gepleegd door slecht opgeleide moslims die geen werk vinden en in de armoede terechtkomen, maar door perfect geïntegreerde moslims, niet zelden hoger opgeleid en met een goede job. Het zijn juist deze ‘burgerlijke’ moslims die radicaliseren, niet hun ‘proletarische’ geloofsgenoten. Hoe valt dat te verklaren? Rudolf Steiner geeft daar in zijn ‘Kernpunten’ een even duidelijk als onverwacht antwoord op. Wat het proletariërsbestaan – vroeger dat van de arbeider, nu dat van de moslim – zo ondraaglijk maakt, is niet de materiële maar de geestelijke armoede. En die wordt veroorzaakt door het losgerukt worden uit de oude sociale verbanden.

Waarom lijdt het proletariaat (het oude zowel als het nieuwe) veel meer onder het materialisme dan de burgerij? Omdat, schrijft Rudolf Steiner, het materialisme bij deze laatste slechts een stukje van de ziel bezet. De materialistische burger gelooft weliswaar niet langer in de geest, maar hij maakt wel nog altijd deel uit van sociale en culturele verbanden die in de loop er eeuwen onder invloed van de geest zijn gegroeid. In zijn heldere bewustzijn is hij materialist, maar in zijn gevoel en in zijn onderbewustzijn staat hij nog altijd in contact met de geest. De proletariër daarentegen, losgescheurd als hij is uit de oude sociale verbanden, is dat contact kwijt. Hij moet een heel nieuw leven opbouwen en de enige grondslag die hij daarvoor heeft zijn materialistische ideeën over arbeid en kapitaal. Die ideeën blijven bij hem niet beperkt tot een klein stukje van zijn ziel, maar ze doordringen zijn hele wezen en zijn hele leven. Het is dit leven-zonder-geest dat voor de proletariër tot een ondraaglijke kwelling wordt.

Daartegen komt zijn menszijn in verzet, evenwel zonder te beseffen dat de oorzaak van zijn ellende in die geestloosheid ligt. Integendeel, hij denkt juist dat alles in orde komt als zijn economische omstandigheden veranderen. Hoe verkeerd die materialistische overtuiging is, bewijst het gedrag van de moslim-immigrant. Hij komt naar het Westen om zijn materiële levensomstandigheden te verbeteren en slaagt daar ook in. Hij heeft het hier veel beter dan in zijn thuisland. Toch is hij niet tevreden. Integendeel, zijn onvrede en zijn verzet tegen het land-waar-alles-beter-is, worden steeds groter. Tot hij uiteindelijk Allahu Akbar schreeuwt en de bom ontploft. Maar het is niet de islam die moslimproletariër tot geweld drijft, het is zijn geestloze, materialistische bestaan, dat hem – losgerukt als hij is uit alle oude (en nog van geest vervulde) verbanden – veel meer kwelt dan zowel de autochtone burger als de ouderwetse moslim die de oude sociale verbanden en geplogenheden nog in ere houdt. 

Het is veelzeggend dat deze ‘radicaliserende’ moslims – die meestal niet meer geloven en wier wezen helemaal doordrongen is van materialistische gedachten en denkwijzen – zich opeens tot de islam in zijn ‘zuiverste’ vorm wenden. Ze proberen zich instinctief weer te verbinden met de geest. In de abstracte en letterlijk geïnterpreteerde voorschriften van de koran leeft de geest echter niet meer. Hij leeft nog wel in de oude sociale en culturele verbanden van zijn thuisland, maar juist daar zijn de moslims uit losgescheurd en, vooral als ze verwesterd zijn, kunnen ze er zich niet opnieuw bij aansluiten. Het is dus niet de levende geest waartoe ze zich in hun innerlijke wanhoop wenden, maar de dode (en dodelijke) ahrimanische geest tot wiens werktuig ze worden. Iets dergelijks is ook honderd jaar geleden gebeurd, toen jonge mensen zingend ten oorlog trokken ‘voor het vaderland’ of zich lieten bedwelmen door communistische ideeën: in hun honger naar geest, kozen ze stenen in plaats van brood. 

Een ander aspect van deze ahrimanisering zijn de zogenaamde sociale media. Hun enorme succes wijst op een bijna wanhopig verlangen naar sociaal contact. Als gevolg van de verpletterende rol die de economie in zijn leven speelt, moet de moderne mens bijna al zijn tijd besteden aan geestloos en geestdodend werk. Daaruit ontstaat een onverzadigbare honger naar geest die hij instinctief zoekt in het gesprek. Maar op de sociale media wordt dat gesprek tot schijn: zowel Lucifer (de selfies) als Ahriman (de gore taal) verdrijven er alle levende geest uit. We vinden er stenen in plaats van brood en onze geestelijke honger wordt er alleen maar groter door. In feite zijn we vandaag allemaal proletariër. De één zoekt zijn verdoving liever bij Lucifer, de ander liever bij Ahriman, maar wat we gemeen hebben, is een razende, krankzinnig makende honger naar de geest, de levende geest die we nergens meer vinden. In die zin zijn de ‘Kernpunten van het Sociale Vraagstuk’ allesbehalve voorbijgestreefd. Ze zijn juist actueler dan ooit.     

Creatief terrorisme

  

‘Een politiek motief, narcistische razernij en een gebetonneerd wereldbeeld: de lone wolf die op eigen houtje handelt en zo creatief mogelijk terreur zaait, wordt gedreven door een giftige cocktail aan verwrongen emoties en scheefgetrokken argumenten. En het minste kan hem doen ontvlammen, zelfs een onnozel krantenbericht. Een terrorist blinkt daarom niet bepaald uit in zelfkennis.’ Zo staat het vandaag in de krant. Als je de Boston-bombers als één dader beschouwt, zijn blank en moslim in de fotogalerij netjes en evenredig verdeeld. Als je een beetje gaat rekenen, merk je bovendien dat de blanke terroristen op de foto’s heel wat meer slachtoffers gemaakt hebben dan de moslims. Blijkbaar is dit de nieuwe – en subtielere – manier waarop de media ons diets willen maken dat al dat geweld niets met de islam te maken heeft. Het geeft het begrip ‘creatieve terreur’ een ruimere dimensie, want is de creativiteit waarmee de media de islam uit de wind zetten niet ook een vorm van terreur, geestelijke terreur? Wanneer we vervolgens kijken naar de Duitse piloot die zijn toestel te pletter vloog, wordt er nog een derde vorm van terreur zichtbaar: psychofarmaca-terreur. Net als de chauffeur van Sierre, die een autobus vol kinderen de dood injoeg, was de piloot onder invloed van antidepressiva die, zoals bekend, zelfmoordneigingen veroorzaken (het staat zelfs op de bijsluiter). Nochtans zijn jarenlange pogingen om de farmaceutische industrie aansprakelijk te stellen voor deze terreur op niets uitgedraaid. Twee grote terreur-oorzaken, de islam en de psychofarmaca, worden zorgvuldig vrij gepleit door een derde terreur-oorzaak: de politiek-correcte media. Bestaan alle goede dingen in drieën, alle slechte blijkbaar ook. 

Een voorproefje

  

Toen ik vanmiddag aan het station van Beervelde braambessen stond te proeven, viel me opeens de gedachte in: en als de staatsgreep in Turkije nu eens de voorafspiegeling is van wat ons in Europa te wachten staat? We mogen niet vergeten dat Turkije tot in 1453 – de val van Constantinopel – een christelijk land was. Toen het door de moslims veroverd werd, begon de uitroeiing van de christenen. Om die reden noemt men Turkije wel eens het grootste christelijke kerkhof ter wereld. Aan het eind van de 19de eeuw was 25 procent van de Turken nog christelijk, maar de honderdduizenden islamitische vluchtelingen die het land werden binnengelaten betekenden de doodsteek voor de christenen. Het leidde onder meer tot de genocide op de Armeniërs, die in de ogen van de moslims uiteraard geen genocide is, maar een verdediging van de islam. Vandaag blijven er nog slechts 0,2 procent Turkse christenen over en verwacht mag worden dat het niet lang meer zal duren voor ook zij uitgeroeid zijn.  

Vijfhonderd jaar heeft het de moslims gekost om van een 100 procent christelijk land een 100 procent islamitisch land te maken. Waarom zou hen dat niet lukken met Europa? Sinds de helft van de vorige eeuw zijn miljoenen moslims Europa binnengestroomd en ze blijven maar komen. Het is duidelijk niet hun intentie om christelijk te worden, wel integendeel. Ze richten overal moskeeën op en vandaliseren kerken. Ze worden steeds ‘fundamentalistischer’ en agressiever. Er verschijnen steeds meer gesluierde moslima’s die hun hoofddoek overal willen dragen en voortdurend klacht indienen als hen iets in de weg wordt gelegd. Op verschillende plaatsen is het Europese recht reeds vervangen door de sharia. In tal van Europese steden is de meerderheid van de jeugd moslim. Binnen enkele tientallen jaren zullen moslims er de meerderheid vormen en we weten allemaal wat er dan gebeurt: ze grijpen de macht en ze doen dat rucksichtlos, zoals Erdogan dat in Turkije gedemonstreerd heeft.

Het was trouwens niet alleen Turkije dat christelijk was voor het veroverd werd door de moslims. De meeste moslimlanden waren christelijk voor het zwaard van Allah hen trof. Je zou zelfs kunnen zeggen dat de islam geen ander doel had dan het christendom uit te roeien. De moslims waren dan ook niet tevreden na de verovering van Constantinopel. Tot in 1683, toen ze voor de poorten van Wenen stonden, hebben ze onafgebroken geprobeerd Europa te veroveren en het is slechts door hevige strijd dat Europa erin geslaagd is zijn christelijke karakter te bewaren. Die strijd was zowel geestelijk als militair en de mooiste belichaming van dit strijdbare christendom waren de Tempeliers, ridder en monnik tegelijk . Uiteindelijk dolven zij het onderspit, maar niet tegen de moslims. De vijand kwam van binnenuit: de geslepen en gewetenloze Filips de Schone, die gemene zaak maakte met een laffe paus. Europa heeft zich blijkbaar altijd moeten verdedigen tegen uiterlijke én innerlijke vijanden.

Vandaag is het niet anders. De moslim-agressie is slechts één deel van het probleem. Europa zou zich best kunnen verdedigen tegen de islam, ware het niet dat de echte vijand zich in eigen rangen bevindt: de politieke correctheid. Iedere poging om zich te verdedigen tegen de (zoveelste) poging van de islam om Europa te veroveren, lijdt schipbreuk op die geestelijke vijand. En juist die interne vijand – opgedoken in de geestelijke leegte die het christendom heeft achtergelaten – maakt de verovering van Europa door de islam nagenoeg onvermijdelijk. Nogal wat mensen denken dat er een burgeroorlog zal van komen, en misschien is dat wel zo. Maar ik denk dat hij eruit zal zien als de staatsgreep in Turkije: een amechtige vaudeville die de moslimdictatuur pas echt zal installeren en die van alle Europeanen dhimmi’s zal maken, tweederangsburgers die een soort slavenbestaan leiden en de boel draaiende houden tot ze erbij neervallen.

Als er een burgeroorlog van komt, zie ik die nog eerder ontstaan tussen de Europeanen onderling – links tegen rechts – dan tussen Europeanen en moslims. Deze laatsten hoeven alleen te doen wat ze nu reeds doen: regelmatig aanslagen plegen. Europa zal dan zodanig met zichzelf in de knoop raken dat de moslims de zaak zonder veel tegenstand – Houellebecqsgewijs – kunnen overnemen. Misschien komt er nog een laatste stuiptrekking in de vorm van een ‘opstand’ maar dat zal het definitieve einde betekenen van Europa en zijn cultuur. Onwaarschijnlijk? Ik speculeer nochtans niet. Ik beschrijf alleen wat er op artistiek gebied reeds heeft plaatsgevonden. Van een Europese kunst is al 100 jaar geen sprake meer. Ze is ongemerkt vervangen door een internationale kunst die zichzelf ‘hedendaags’ noemt en eigenlijk een cultus van de vernietiging is, zoals ook de islam dat is. Is er strijd en verzet geweest tegen de hedendaagse kunst? Nauwelijks. En die zal er ook niet zijn tegen de islam. 

Zoals Rudolf Steiner 100 jaar geleden reeds zei: we zijn veel meer moslim dan we denken. Hij zag het wetenschappelijke materialisme als een gevolg van de arabisch-islamitische invloeden op Europa. Het is dit virulent geworden materialisme dat Europa van binnenuit ten gronde richt en dat in de islam alleen maar zijn spiegelbeeld begroet. Materialisme en islam zijn de twee handen die Europa de keel dichtknijpen en alle verzet tegen de islam zal een lachertje zijn als niet ook dat materialisme aangepakt wordt. Hoe dát zou moeten gebeuren, daar heb ik werkelijk geen idee van. Waar ik ook kijk in Europa, Ich finde nicht die Spur von einem Geist. De antroposofie? Ik zal het niet hebben over de zeer welwillende houding die de antroposofische wereld aanneemt tegenover de islam. Ik wil het alleen hebben over haar blinde verering voor de hedendaagse kunst, over het feit dat ze niet eens de geest herkent die het Goetheanum – bij wijze van kunst – vol bananenschillen strooit. 

Een antroposofie die gelooft in de hedendaagse kunst – en iedere kritiek daarop de mond snoert – is een antroposofie die niet in staat is de geest waar te nemen. Ze práat wel veel over die geest, maar ze doet dat met gesloten ogen, zonder onderscheid te maken tussen bovenwereld of onderwereld, tussen goede geesten en kwade geesten. Van zo’n antroposofie valt geen heil te verwachten. Misschien dat ze ooit nog ontwaakt en de ogen opent, dat is mogelijk. Ik denk dat Rudolf Steiner – door zijn leven te offeren – daarvoor de mogelijkheid geschapen heeft. Maar voorlopig zakt ze, net als de rest van de Europese beschaving, steeds dieper weg in wat aardig op een doodsslaap begint te lijken. Wie Steiner aandachtig leest, weet dat hij dat voorzien heeft. Niet voor niets heeft hij aan het eind van zijn leven zo indringend gesproken over de grote Middeleeuwse strijd tegen de islam. Maar het heeft niet mogen baten. De antroposoof slaapt en hij wil maar niet wakker worden.  

Erasmus en de islam

  
De islamisering van Nederland begon niet met de bouw van moskeeën, noch met de acceptatie van gesluierde vrouwen in het straatbeeld. Ze begon al eind jaren zestig, begin jaren zeventig van de vorige eeuw met herinterpretaties van onze grootste schrijvers en denkers, en had tot doel de herinnering aan onze identiteit uit te wissen. Nieuwe lezingen van bijvoorbeeld de werken van Erasmus, Spinoza of Joost van den Vondel veranderden ze in zogenaamd vroege voorstanders van de multiculturele samenleving, in wereldburgers die het nationalisme al verwierpen voor het bestond.

Op menig middelbare school draaft bijvoorbeeld Vondel gewillig op in multiculturele propaganda. De van oorsprong Vlaamse dichter vluchtte immers naar de Republiek der Nederlanden om er “een beter leven” te vinden, zoals dat heet. In het naar hem vernoemde Amsterdamse Vondelpark komen groepjes asielzoekers, waarvan de meesten uit moslimlanden, wel eens bloemen of kransen bij zijn standbeeld leggen, als ware het een heus eerbetoon aan een man die miljoenen moslimmigranten toch persoonlijk zou hebben verwelkomd. Kinderen slikken dat verhaal als zoete koek, maar wie durft moslims te vertellen dat diezelfde Vondel een sterk en mannelijk christendom voor ogen had om Europa tegen de islam te verdedigen? Ook Spinoza was helemaal niet tolerant. Hij noemde islam de meest bedrieglijke religie op aarde. En Erasmus steunde de nieuwe kruistochten tegen de Turken, die in zijn tijd aan de poorten van Wenen klopten. 

‘Hoeveel nederlagen, schrijft deze laatste, hebben de christelijke volkeren al geleden door toedoen van dit ras barbaren! Wat voor gruweldaden hebben ze ons wel niet aangedaan! Wat valt er te zeggen over mensen die de verderfelijke en criminele mens Mohammed verkiezen boven Christus?’ Erasmus moest niets hebben van op geweld beluste oorlogshitsers en herinnerde zijn geadresseerden aan hun plicht tot zelfonderzoek. Maar ondanks de gruweldaden die christenen andere christenen wel niet hadden aangedaan, zag hij toch geen reden voor dogmatisch pacifisme. ‘Er zijn er die beweren dat christenen het recht om oorlog te voeren volledig is ontzegd. Ik vind dit idee te absurd om te moeten verwerpen. … Mijn boodschap is dat oorlog gevoerd moet worden als laatste redmiddel wanneer het niet anders kan.’

(Mathijs Koenraadt)

De EU, uw vriend

  

In juni had de directrice van de Parijse gevangenis waar terrorist en aanslagpleger Salah Abdeslam verblijft, aan de alarmbel getrokken: haar gevangenis was overbevolkt. Er is plaats voor 3000 gevangenen, maar er zitten er momenteel 4500, en dat is onhoudbaar. Toen een Franse politicus onlangs een kijkje ging nemen, stelde hij verbaasd vast dat er voor Abdeslam niet minder dan … vier cellen waren gereserveerd, waarvan er één was ingericht als persoonlijke fitnessruimte. Als reden werd opgegeven dat Abdeslam afgezonderd moet worden gehouden omdat zijn leven anders in gevaar is: medegevangenen zouden wraak willen nemen voor de aanslagen in Parijs. 

Dat is niet wat je noemt een overtuigende reden. In de Europese gevangenissen zitten genoeg moslims die het voor Abdeslam willen opnemen. De man is echt niet zonder bescherming van zijn geloofsgenoten. Er valt zelfs veel voor te zeggen dat niemand het zal wagen een vinger naar Abdeslam uit te steken uit vrees voor represailles. Maar zelfs als hij werkelijk gevaar liep, is er nog altijd geen reden om hem zo in de watten te leggen en speciaal voor hem een fitnesskamer in te richten, en dat dan nog in een overbevolkte gevangenis. Het heeft er dus sterk de schijn van dat Abdeslam een voorkeursbehandeling geniet. Hoe zou dat komen? Worden moslims niet overal gediscrimineerd? Zijn zij niet wereldwijd het slachtoffer van racisme, islamofobie en haat? 

Wat doet een mens als hij het antwoord op een vraag niet weet? Hij gaat ten rade bij de Europese Unie, die verzameling van wijzen die op alles een antwoord heeft. En inderdaad, onder resolutie 1743 van de Europese Commissie leest hij het volgende: 

1743-1: Radicalisering en terrorisme zijn het gevolg van uitsluiting, stigmatisering en discriminatie van moslims.

1743-2: Islamofobie is het gevolg van een verkeerd begrip van de islam. Nationale regeringen pakken islamofobie onvoldoende aan, wat rechts in de kaart speelt.

1743-3: De islam hoort bij Europa, deelt haar culturele wortels, heeft veel bijgedragen aan de beschaving en erkent de universele rechten van de mens en de vrijheid van meningsuiting.

1743-9: Moslims moeten een speciale status krijgen en beschermd worden. Zij moeten daarvoor juridisch worden ondersteund om islamofobie te bestrijden.

1743-11: De islam is een religie van vrede.

1743-12: Haatzaaiende politieke partijen versterken de angst voor moslims door de islam te verbinden met geweld, waarmee een simplistische en negatieve voorstelling van zaken wordt gegeven. Deze politieke partijen moeten bestreden worden.

1743-13: Anti-islam partijen willen de vrijheid van godsdienst voor moslims inperken, wat onaanvaardbaar is. Zo heeft Zwitserland een minarettenverbod ingevoerd wat ongedaan gemaakt moet worden.

1743-14: Islamofobie moet uitgeroeid worden.

1743-16: Boerka’s mogen niet verboden worden.

1743-20: Stereotypen, misverstanden en angst m.b.t. de islam zijn typische symptomen van een wijdverbreid gebrek aan kennis van de islam onder niet-moslims, wat mensen vatbaar maakt voor islamofobie.

1743-21: Het onderwijs moet daarom meer én structurele aandacht geven aan de zegeningen van de islam en de gemeenschappelijke waarden die hij deelt met het judaïsme en het christendom. Universiteiten en hogescholen moeten islamitische studies aanbieden die onderschrijven dat de islam onze democratische waarden, mensenrechten en wetten respecteert.

1743-24: De EU moet meer samenwerken met islamitische organisaties uit moslimlanden om islamofobie te bestrijden en de islam te promoten.

Ziezo, dat is duidelijk: islamofobie moet uitgeroeid worden. En daar zijn alle middelen goed voor. Zoals het reserveren van vier cellen voor één moslim in een overbevolkte gevangenis. Aangezien Europa langzaam maar zeker op weg is om één grote gevangenis te worden, weten we meteen welke plaats de moslim in het toekomstige Europa zal innemen. Moorden en terreuraanslagen vormen geen bezwaar, wel integendeel.