Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: Jan Hoet

Dekolonisering

  

Onlangs was er in Gent een schandaal(tje) toen een tentoonstelling van Russische avant-gardekunst in het Museum voor Schone Kunsten bleek te bestaan uit (vermoedelijke) vervalsingen. Directrice Catherine De Zegher had zich naar eigen zeggen gebaseerd op het advies van experten, maar een krant beweerde dat ze loog en ze werd op non-actief gezet. Momenteel is er een onderzoek gaande door een gespecialiseerde (en ongetwijfeld peperdure) firma, allemaal op kosten van de belastingbetaler uiteraard. Deze kleine schandalen – wie ligt nu wakker van een vervalsing (of verspilling) meer of minder – verbergen evenwel een veel groter schandaal. Want wat deden die avant-gardistische schilderijen in het Museum voor Schone Kunsten? Ze hoorden thuis in het SMAK, het museum voor hedendaagse kunst. Dat begon zijn bestaan als een afdeling van het MSK, maar toen het – onder impuls van Jan Hoet – een eigen gebouw kreeg (aan de overkant van de straat) begon het prompt zijn moeder op te vreten. 

Sinds de hedendaagse kunst in Gent haar eigen museum heeft, worden er in het oude moedermuseum voortdurend tentoonstellingen van … hedendaagse kunst ingericht. Langzaam maar zeker wordt de ‘oude’ kunst in haar eigen museum in een hoekje gedrumd. De Russische avant-gardeschilderijen waren slechts een zoveelste aflevering van dat artistieke Game of Thrones. Dat er hoogstwaarschijnlijk fraude in het spel is, bewijst alleen maar dat alle middelen goed zijn om de oude kunst van haar troon te stoten. Lang zal het niet meer duren voor de oorspronkelijke situatie helemaal omgekeerd is en de oude kunst in het MSK nog slechts een hoekje in beslag neemt, precies zoals de hedendaagse kunst dat destijds deed, toen Jan Hoet er het slachtoffer uithing. Die radicale omkering – een minderheid wordt meerderheid en een meerderheid wordt minderheid – komt met rasse schreden dichterbij, want de aanvallen op de oude kunst worden steeds heviger. 

Begin maart werd in de Brusselse KVS ‘Leven en Werken van Leopold II’ opgevoerd, een satirisch toneelstuk van Hugo Claus dat 15 jaar geleden al eens uit de oude doos werd gehaald en toen luid geprezen werd omwille van Claus’ scherpe kritiek op het Belgische kolonialisme. Ter situering: de Koninklijke Vlaamse Schouwburg is een theaterzaal die zich richt tot een kleine minderheid: de Vlamingen in Brussel. Ze wonen allemaal in de buurt van de Dansaertstraat, zoals de Congolezen in de Matongebuurt wonen. Een speciaal volkje, de Brusselse Vlamingen. Dat moet ook wel, want Brussel is een Franstalige, om niet te zeggen Vlaamsvijandige stad, hoewel ze in oorsprong zo Vlaams was als Broekzele maar kan zijn. De KVS is dan ook een schouwburg die inzet op multiculturaliteit en onderdrukte minderheden een podium wil bieden. Dat betekent echter geenszins dat het toneelstuk van Hugo Claus werd opgevoerd omdat het Vlaams is. Het werd opgevoerd omdat het de kolonisatie in het vizier neemt.

Dat staat altijd goed, moeten regisseur en directeur gedacht hebben. Maar dat was zonder de zwarte waard gerekend. Keniaans theatermaker Ogutu Moraya annuleerde zijn eigen voorstelling uit protest tegen de ‘koloniale beeldvorming’ in het toneelstuk van Hugo Claus. Critici en theaterrecensenten traden hem volmondig bij. Vijftien jaar geleden zongen ze nog de lof over dit stuk, maar nu trilden hun pennen van verontwaardiging. Het racisme, de blackfacing, de witheid van de acteurs, het feit dat er nog altijd geen Lumumba-plein is in Brussel: zo kon het echt niet langer. Regisseur Raven Ruell en directeur Michaël De Cock mochten er nog zo op wijzen dat het ging om satire en dat artistieke vrijheid heilig is, het mocht niet baten. Petra van Brabandt, links moraalfilosofe met feministische achtergrond, verwoordde de stemming als volgt: ‘Jullie kunnen dino’s worden of vervellen, uiteindelijk doet het er niet toe, dit is de laatste keer dat ik jullie in het centrum van mijn dramatische ontwikkeling plaats.’

Haar boodschap was duidelijk: de maat is vol. Het stuk van Claus was de druppel die de emmer deed overlopen. De Brusselse KVS mag in België dan wel koploper zijn qua multiculturaliteit en antikolonialisme – er staan meer zwarte acteurs op de planken dan blanke – het racisme is er niettemin zo erg dat het voor Petra Van Brabant definitief de deur dichtdoet. Wat ze dan wel vindt van schouwburgen die heel wat minder op de multiculturele barricaden staan, is niet bekend. Waarschijnlijk vindt ze er geen woorden voor. Toch is ze hoopvol gestemd: ‘MeToo, BlackLivesMatter en dekolonisering zijn niet meer te stoppen. Een nieuwe generatie is aan zet. Zij komen met de vaardigheden van intertekstualiteit en kruisrefereren, met radicaal diverse referentiekaders en met internationale maar lokaal verankerde netwerken van solidariteit, zelfzorg en empowerment. Zij laten zich niet langer tot de Vlaamse vergelijkbaarheid beperken, waar witte mannen de regie, het script en de cast bepaalden.’ 

‘Wat politicologe Olivia Rutazibwa het einde van de witte wereld noemt is een feit.’ Zo vat ze de situatie samen. De KVS mag nóg zo multicultureel en politiek correct zijn, het blijft een ‘witte’ schouwburg en anno 2018 is dat onvergeeflijk. Pas als de blanken helemaal gedekoloniseerd zijn, zal Petra Van Brabandt rust vinden. Zolang ze nog de regie voeren en de directie uitmaken, zal ze haar heilige oorlog blijven voeren, de oorlog tegen de white supremacy. En die beperkt zich niet tot schouwburgen. Haar verontwaardiging geldt ook ‘de seksistische en racistische traditie van het witte, vrouwelijke naakt in de westerse olieverfschilderkunst’. Hoog tijd dat ook daar een eind aan komt. Het Gentse MSK weze gewaarschuwd: als Petra klaar is met de theaterwereld, begint ze aan de wereld van de beeldende kunsten. De toestand is daar niet minder wraakroepend. Hoeveel zwarten staan er op de schilderijen van de Europese kunst? Rubens heeft er een paar geschilderd, maar die heten ‘Negerkoppen’. Dat zegt genoeg. 

Nee, als het van Petra afhangt dan komt er een grote schoonmaak in de wereld van kunst en cultuur. En liever vandaag dan morgen. Het nieuwe slagwoord is: dekolonisering. Je hoort het tegenwoordig overal. Want Petra Van Brabandt is niet alleen. Ze maakt deel uit van de nieuwe generatie die nu aan zet is en die stormenderhand de witte wereld verovert. Alle (echte of vermeende) koloniale connotaties moeten verdwijnen: de negerkoppen van Rubens, de negerinnetetjes van de bakker, de Zwarte Piet van Sinterklaas, de strips van Kuifje, de boeken van Jef Geeraerts, enzovoort. Maar dekolonisering betekent veel meer dan dat. Het wil de Europese mens dwingen in de spiegel te kijken en zich bewust te worden van zijn diepgewortelde racisme, imperialisme en kolonialisme. Eeuwen van geweld, overheersing, slavernij en uitbuiting hebben niet alleen diepe sporen achtergelaten in alle aspecten van de Europese beschaving, ze hebben ook hun stempel gedrukt op het gedrag, de levensinstelling en het denken van de witte mens. 

Wit is dus niet zomaar een huidskleur. Het is een geheel van normen en waarden die superieur worden geacht. De Engelse wetenschapsjournaliste Angela Saini heeft aangetoond dat zelfs de wetenschap racistisch en sexistisch is. Dat kan natuurlijk geen verwondering baren want de moderne wetenschap is grotendeels het werk van witte mannen. Om een eind te maken aan die schrijnende ongelijkheid heeft de jonge generatie een ware revolutie op gang gebracht in het geestesleven. Ze wil niet alleen komaf maken met de alleenheerschappij van de witte kunst en cultuur, ze wil ook het grootste witte bastion naar beneden halen: de wetenschap. De universiteiten (te beginnen met de Amerikaanse) worden bestormd door Social Justice Warriors die ieder spoor van racisme, sexisme en discriminatie willen uitroeien. Ze eisen een veilige universiteit en genderneutraal, multicultureel onderwijs. De wetenschap willen ze verlossen van de witte waan de waarheid in pacht te hebben. 

De opvatting dat er zoiets bestaat als een objectieve waarheid, is natuurlijk het toppunt van witte arrogantie. Hoogleraar genderstudies Gloria Wekker verklaart dan ook onomwonden dat ze ‘niet van de objectiviteit is’. Volgens haar is objectiviteit niets anders dan een schaamlapje voor de machtsposities die mannen innemen. En hier komt de aap uit de multiculturele mouw. De aanval die de Social Justice Warriors hebben ingezet, is een aanval op de grootste verworvenheid van de Europese beschaving: het concept waarheid, de opvatting (of ervaring) dat er objectieve geest leeft in het subjectieve individu. Antroposofen spreken in dat verband over de bewustzijnsziel. Schrijver Hafid Bouazza formuleert het anders. Hij associeert het kennen – of geloven in het bestaan – van de waarheid met het hebben van een gezicht. Volgens hem weten zijn Marokkaanse landgenoten niet wat waarheid is. Ze dragen een leugenmasker omdat ze geen gezicht hebben. En ‘gezicht’ gebruikt hij hier als metafoor voor het individuele ik van de mens.

Als inwijkeling ziet Hafid Bouazza heel duidelijk wat de kern van de Europese beschaving is: het menselijke ik als waarnemingsorgaan van de waarheid. Dat individuele ik is natuurlijk niet denkbaar zonder Christus, het wezen van de waarheid dat de mensheid bevruchtte met zijn Ik. Dat Ik-wezen werd ‘gezaaid’ in het Midden-Oosten maar nadien overgeplant in de Europese bodem. Daar ontwikkelde het zich vanuit twee verschillende richtingen: vanuit de wil tot individualisering en vanuit de wil tot objectivering. Pendelend tussen deze twee polen – de luciferisch-subjectieve en de ahrimaans-objectieve – ontwikkelde Europa zich tot de toonaangevende beschaving van onze tijd, een beschaving die zich vervolgens – via de kolonisten – verspreidde over de hele wereld. Overal waar deze emigranten kwamen ploegden ze erop los, rukten het onkruid uit en plantten de ‘gewassen’ van de Europese beschaving. Dat is de wandaad waarvoor de ‘witte mens’ vandaag ter verantwoording wordt geroepen. 

Er kan geen twijfel over bestaan: de Europese kolonisten waren zelfzuchtig en traden hardhandig op tegen de plaatselijke bevolkingen en culturen. Maar er kan evenmin twijfel over bestaan dat ze de wereld kennis lieten maken met de Europese beschaving en haar waarheidsgeest. Het feit dat deze twee kanten van de koloniseringsmedaille niet onderscheiden worden, leidt tot een regelrechte omkering. Steeds talrijker zijn de Afrikaanse intellectuelen die Europa in zuiver koloniale stijl komen ‘heropvoeden’, steen en been klagend over de domheid van de plaatselijke bevolking die maar niet begrijpt hoe bekrompen en racistisch ze wel is. Geen moment komt het in deze neo-kolonialisten op dat ze precies hetzelfde doen als waar ze de ‘witte mens’ van beschuldigen. Geen moment ook komt het in hen op dat ze zonder kolonisering nog altijd halfnaakt in de Afrikaanse brousse zouden rondlopen in plaats van te doceren aan Europese en andere ‘witte’ universiteiten. 

Wat bezielt deze Afrikanen om zich te keren tegen de Europese beschaving waaraan ze zoveel te danken hebben? Het antwoord ligt voor de hand: hetzelfde wat ook de Europeaan bezielt. Ze worden geïnfecteerd door diens afschuw voor de dubbelganger, het afschrikwekkende wezen dat opdoemt bij het overschrijden van de drempel naar de geestelijke wereld. Daar ligt de oorzaak van de hele dekoloniseringsbeweging: in de onbewuste drempeloverschrijding, in de louter wilsmatige ontmoeting met de schaduwzijde is van het ik. De mens had zich nooit kunnen ontwikkelen tot een zelfstandig wezen zonder de wereld geweld aan te doen. Zijn individualisering houdt een verzet in tegen de geest, tegen de natuur, tegen anderen. Voor die omgang met het kwaad krijgt hij nu de rekening gepresenteerd in de vorm van de dubbelganger. En dat is geen straf maar een kosmische wetmatigheid: de mens kan de drempel van de geest niet overschrijden zonder zijn schulden te betalen. 

Dat laatste kan op twee manieren: vrijwillig en onvrijwillig. In het eerste geval erkent hij de dubbelganger als een deel van zichzelf en probeert hem te integreren. Dat vergt inzicht en overleg want de dubbelganger is als een wild dier dat getemd moet worden. In het andere geval stoot hij de dubbelganger (innerlijk) instinctief van zich af en bestrijdt hem (uiterlijk) in dingen en mensen waarop hij hem zonder het te weten projecteert. Dit gevecht tegen windmolens leidt tot de omkering die vandaag op grote schaal plaatsvindt: in plaats dat de mens zijn dubbelganger stap voor stap onder controle krijgt, raakt hij steeds meer in diens greep. In plaats dat hij zijn ik-bewustzijn verder ontwikkelt, verliest hij het en valt terug in oude vormen van groepsbewustzijn. Hij voelt zich verantwoordelijk voor de schaduwzijden van de kolonisatie omdat hij tot het blanke ras behoort. En Afrikanen voelen zich op hun beurt gerechtvaardigd daar gebruik van te maken omdat ze tot het zwarte ras behoren. 

We worden vandaag gekoloniseerd door onze dubbelganger. Hij maakt gebruik van zwarten, moslims, holebi’s, vrouwen en andere ‘onderdrukte minderheden’ die hij ‘hun rechten wil teruggeven’. In werkelijkheid heeft hij het gemunt op het menselijk ik, dat hij in zijn bezit wil krijgen en tot zijn werktuig maken. Daartoe verkondigt hij de theorie dat er pas vrede op aarde kan komen als alle rassen, volkeren en geslachten als gelijken worden behandeld. Deze ‘vredesboodschap’ combineert het (christelijke) streven naar gelijkheid en eenheid met het (ahrimaanse) afwijzen van de geest: niet de mens als individu moet gelijkberechtigd worden, maar de mens als lichaam. Het is de materialistische versie van de christelijke boodschap en waar dat in de praktijk toe leidt, zien we nergens beter dan in de kunstwereld. De barbaarse kunstvorm die daar honderd jaar geleden opdook en zich profileerde als een onderdrukte minderheid werd dankzij die politiek binnen de kortste keren een onderdrukkende meerderheid.

Als een koekoeksjong eiste de hedendaagse kunst een plaats in het artistieke nest, en toen ze die kreeg, begon ze meteen de oorspronkelijke kunst overboord te werpen. En net als in de natuur werd dat niet opgemerkt. De moderne mens heeft een monster grootgebracht en hij ziet het niet. Hij is blind voor het feit dat de dubbelganger de plaats van zijn ik heeft ingenomen, hij ziet geen verschil tussen beide. Deze morele blindheid maakt dat hij zich in toenemende mate identificeert met het monsterlijke wezen dat hem misbruikt, brutaliseert en uitlacht. Maar de machtshonger van de dubbelganger is nog lang niet gestild. Hij heeft de ‘oude’ kunst reeds verdreven uit het openbare leven, maar hij wil ze ook verdrijven uit het hart van de mens. Hij wil alle liefde die men nog voor deze kunst voelt, uitroeien en haar voorstellen als een historische fout, als een misdaad tegen de mensheid, een uitdrukking van het blanke racistische, discriminerende, sexistische waanbeeld van het ik.

De nieuwe generatie van Social Justice Warriors wil Grote Schoonmaak houden in onze theaterzalen en musea. De Europese kunst moet er plaats ruimen voor een echte, universele wereldkunst waarin alle rassen, volkeren, etnische groepen, geslachten en minderheden aan bod komen. Voor de oude, witte kunst zal nog een klein hoekje gereserveerd worden ter herinnering aan de culturele holocaust die ze veroorzaakt heeft. Want de afschuw voor alles wat uitgaat van het individuele ik van de mens moet levendig worden gehouden, ja het moet de nieuwe mensheidsreligie worden. En daarvoor moet ook de wetenschap worden aangepakt. Haar waarheidsstreven moet net als in de kunst (waar het zich als schoonheidsstreven manifesteerde) voor de bijl. Onmogelijk, denken we. Maar dat dachten we ook toen Marcel Duchamp zijn pispot tentoonstelde, and look what happened. Vijfenzeventig jaar geleden schreef C.S.Lewis zijn beroemde essay ‘De Afschaffing van de Mens’. Het is vandaag helaas actueler dan ooit. 

De al-Baghdadi in ons

Verleden week verscheen in de kranten een korte biografie van al-Baghdadi, de gevreesde leider van IS.
Ik moest onwillekeurig denken aan Hitler: eenzelfde banale figuur, eenzelfde schimmig verleden, eenzelfde studie-afwijzing, eenzelfde verblijf in de gevangenis, eenzelfde politiek talent, eenzelfde hypnotiserende redenaar, eenzelfde wreedaardigheid, eenzelfde blitzcarrière.
Een jaar geleden wist niemand nog wie deze man was, vandaag jaagt hij de hele wereld angst aan.
Ik ging op youtube eens kijken naar de toespraak waarmee hij verleden zomer in de openbaarheid is getreden en dat was … verhelderend.
Het is voor een modern mens namelijk totaal onbegrijpelijk hoe zo’n monotone, slaapverwekkende speech wereldwijd zo’n opschudding kon veroorzaken, want onmiddellijk begonnen van over de hele wereld de jihadi’s toe te stromen.
Blijkbaar heeft al-Baghdadi iets wakker gemaakt dat in de ziel van vele moslims sluimert en verstaat hij – net als Hitler – de kunst om te verwoorden wat in diepe onbewuste lagen van de moslimziel leeft.

De vraag is wat dat wel zou kunnen zijn.

Uit alles wat al-Baghdadi zegt, blijkt dat hij terug wil keren naar de oorspronkelijke islam, de islam van de 7de eeuw.
Uit alles wat hij doet, blijkt dat hij Mohammed wil navolgen, de profeet waarvan hij trouwens beweert rechtstreeks af te stammen.
Alles wat hij zegt en doet, wordt tot in de details gestaafd met verzen uit de Koran.
Zijn fameuze toespraak in de moskee van Mosul bestaat voor meer dan de helft uit Koran-verzen.
De bewering dat hij geen moslim zou zijn, is bespottelijk.
Als er één echte moslim bestaat, dan is het wel al-Baghdadi.
Hij is als het ware een tweede Mohammed, de ideale moslim dus.
En zo gedraagt hij zich ook.
Ik ben de leider van ALLE moslims, zegt hij, wie mij niet volgt is geen moslim.

Het is een bijzonder hoog spel dat Al-Baghdadi speelt want ‘als een moslim tegen zijn broeder zegt dat hij geen moslim is, dan heeft één van beiden gelijk’.
Aldus Mohammed.
Ofwel is de beschuldigde een afvallige, ofwel de beschuldiger.
En groter zonde bestaat er niet in de islam.
Op afvalligheid staat de doodstraf.
Al-Baghdadi plaatst moslims dus voor de keuze: ofwel is men VOOR hem, ofwel is men TEGEN hem.
Ofwel is hij de grootste moslim, en moet iedereen hem navolgen.
Ofwel is hij de grootste ketter, en dan moet men hem ter dood brengen.
Een tussenweg is er niet, daar laat Al-Baghdadi geen twijfel over bestaan.
Alleen moslims die IS vervoegen, kennen in zijn ogen genade.
Hij is er dan ook van overtuigd dat de eindstrijd begonnen is.
Het kaf wordt van het koren gescheiden.
En iedereen moet kiezen waartoe hij wil behoren.

Dat is in een paar lijnen wat er blijkbaar op de bodem van de moslimziel sluimert en wat op de een of andere manier door al-Baghdadi wordt wakker gemaakt: het einde der tijden is aangebroken, de scheiding der geesten is ingezet, het laatste oordeel is nakende.
Deze dingen leven echter niet alleen in het onderbewuste van de moslim, ze leven in het onderbewuste van ieder mens.
Diep van binnen weten we allemaal dat we op een kritiek moment in de wereldgeschiedenis zijn aangekomen.
Wat dat betreft is er geen verschil tussen de moslim en de Westerling.
Maar er is een heel groot verschil in de manier waarop beiden daarop reageren.
Wij Westerlingen reageren door na te denken.
In crisissituaties proberen we het hoofd koel te houden en overleg te plegen.
Moslims reageren op de tegenovergestelde manier.
Ze verliezen het hoofd en geven zich over aan een hogere leiding.
De Westerse reactie is een individuele reactie, de moslimreactie is een groepsreactie.

Natuurlijk is dit een veralgemening – Westerlingen zijn vaak heel wat minder individueel dan ze lijken en moslims reageren zelden als één blok – maar als we kijken naar het streven is het onderscheid heel duidelijk.
Bij Westerlingen overheerst het streven naar individualiteit, vrijheid en zelfstandigheid.
Bij moslims overheerst het tegenovergestelde streven.
Dat merk ik nog het duidelijkst bij moslim-intellectuelen: ook al schoppen ze het tot hoogleraar aan een Westerse universiteit, ze blijven in de eerste plaats moslim.
Ik heb het al meer gezegd: in al die jaren heb ik nog nooit een artikel gelezen van een moslim-intellectueel dat niet dezelfde boodschap uitdroeg: jullie zijn verkeerd, daar zijn wij het slachtoffer van en dat zal jullie berouwen.
In welke vorm die boodschap ook wordt gegoten, in wezen is het dezelfde boodschap die ook al-Baghdadi uitdraagt.
Ook al lijken ze perfect geïntegreerd, niet één van die talrijke moslim-intellectuelen slaagt erin een eigen, individueel standpunt in te nemen, althans niet in het openbaar.

We mogen er als Westerlingen dan wel van overtuigd zijn dat alle mensen gelijk zijn, ze zijn ook in hoge mate ongelijk.
Tussen onszelf en de moslims bijvoorbeeld gaapt een diepe kloof.
En dat is een zeer inconvenient truth.
Als we werkelijk een gemeenschappelijke grond willen vinden, dan zullen we in die kloof moeten afdalen.
En dat is wat we doen als we met ons bewustzijn doordringen in de wereld van de kunst.
Want we begeven ons dan op een gebied waar materie en geest samenkomen en waar ook het Westerse materialisme en het islamitische geloof elkaar ontmoeten.

We realiseren het ons namelijk niet, maar in de kunst gedragen we ons als … moslims.

Toen Marcel Duchamp 100 jaar geleden zijn pispot tentoonstelde, deed hij dat met een uitspraak die sindsdien de grondgedachte van de Westerse kunst is geworden: dit is kunst omdat ik het zeg!
We kunnen moeilijk beweren dat we pispotten, uitwerpselen en ander afval als kunst beschouwen op basis van een zelfstandig, individueel oordeel.
We doen dat ‘omdat het ons gezegd wordt’.
We doen het omdat we niet anders durven.
Want er zwaait wat als we het (collectief) opgelegde oordeel niet accepteren en het vervangen door ons eigen (afwijkende) oordeel.
We worden dan als ‘afvalligen’ beschouwd en uit de artistieke gemeenschap gestoten.
En dat is een ‘doodstraf’ die we onder geen beding willen riskeren.
Stiekem twijfelen we er misschien wel aan dat een pispot kunst is, maar dat zullen we nooit openlijk toegeven.
In het openbaar erkennen we de Hedendaagse kunst als de enige, echte kunst van onze tijd en Jan Hoet (vrede zij met hem) als haar Profeet.

Wat moslims op religieus gebied doen, dat doen wij op artistiek gebied: ons onderwerpen aan profeten, kaliefen, ayatollahs en andere van God gezondenen.
Op het niveau van ons heldere (fysieke) bewustzijn begrijpen we niets van die moslims met hun fanatieke geloof en voelen we een diepe afkeer voor hun primitieve groepsgedrag.
Maar op het niveau van ons dromerige (etherische) bewustzijn doen we precies hetzelfde als zij.
Dat beseffen we natuurlijk niet, want we vermijden angstvallig de grens die tussen deze twee bewustzijnsniveaus loopt.
Want dan zouden we moeten inzien dat we ons op kunstzinnig gebied net als moslims gedragen: we buigen diep ter aarde voor zelfverklaarde profeten die allerlei nonsens uitkramen.
We zouden dan ook moeten inzien dat moslims zich op wetenschappelijk gebied net als Westerlingen gedragen: ze drijven de spot met het blinde geloof van anderen (in dit geval: ons geloof in de Rede).

Als we de grens tussen de fysieke en de etherische wereld overschrijden, komen we terecht in een wereld waar Westerlingen zich als moslims en moslims zich als Westerlingen gedragen.
Beiden ontmoeten elkaar dus op die grens en stellen tot hun verbazing vast dat ze eigenlijk gelijk zijn.
Tenminste, dat zouden ze vaststellen als ze hun bewustzijn konden bewaren.
Maar dat is nu net het grote probleem: we verliezen het bewustzijn wanneer we deze grens overschrijden.
We beginnen te dromen zoals wanneer we een museum binnenstappen.
En we weten het niet.
We denken dat we wakker blijven, maar ons denken heeft ongemerkt zijn helderheid verloren.
Dat beseffen we niet omdat we doorgaans niet denken in een museum: we kijken alleen maar in zwijgende bewondering.
Beginnen we toch te denken (zoals intellectuelen dat vandaag in groten getale doen) dan klinkt ons betoog misschien wel geleerd en gepassioneerd, maar eigenlijk houdt het geen steek.
We zijn geestelijk in zekere zin dronken.
Jan Hoet (vrede zij met hem) was daar een treffend voorbeeld van: als je je door hem liet ‘betoveren’, dat wil zeggen als je je liet wegglijden in de etherische droomsfeer die hij wist te creëren, dan was hij een machtig interessante kerel, een visionair, een profeet.
Maar als je wakker en nuchter bleef, dan stelde je vast dat er geen logica zat in wat hij vertelde.
Hij verkocht gebakken lucht, net als al-Baghdadi.

De ongelooflijke invloed die van dit soort profeten uitgaat, illustreert hoe buitengewoon moeilijk het is om wakker te blijven op de grens tussen geest en materie.
Maar als we de apocalyptische clash of civilizations willen vermijden waar een zelfverklaarde profeet als al-Baghdadi rechtstreeks op aanstuurt, dan hebben we geen keuze.
Als we willen doordringen tot de gemeenschappelijke grond van moslims en Westerlingen, dan moeten we over de drempel gaan zonder ons hoofd te verliezen.
Of beter, zonder ons bewustzijn te verliezen, want ons hoofd kunnen we niet meenemen over de ‘drempel’.
En dan komen we (weer) bij de vraag: is dat wel mogelijk?
Is het mogelijk om ons hoofd te verliezen en toch bij bewustzijn te blijven?
Bestaat er nog een ander bewustzijn dan ons hoofdbewustzijn, een bewustzijn dat even helder en objectief is?
Is het met andere woorden mogelijk om helder te zien op een gebied dat we alleen maar dromerig, gevoelsmatig kunnen waarnemen?
Is het bijvoorbeeld mogelijk om helderziend te worden op het gebied van de kunst?

Beschaafde Barbaren

Jaja, we weten intussen wel wat je vindt van de Hedendaagse Kunst!
Ik hóór het m’n lezers denken.
Af en toe is er zelfs eentje die het zegt.
Ze bedoelen: altijd weer over Hedendaagse Kunst, het wordt vervelend hoor.
Zijn er geen andere dingen in het leven?

Kijk, dat is één van de gevolgen van het pausdom van Jan Hoet en Gerard Mortier.
Ze hebben ervoor gezorgd dat ieder mens met gezond verstand vandaag denkt:
Ach ja, kunst, wat heb ik daarmee te maken!
Dat is iets voor mensen die niks beters te doen hebben.
Mensen met geld, mensen met veel mooie woorden, mensen die zich beter wanen.
Dat durven ze natuurlijk niet zeggen, want die kunstmensen doen zich voor als … volksmensen.

20140310-113403.jpg

Neem nu Jan Hoet: de Raymond Goethals van de kunst.
Een ketje.
Hoe zou dié elitair kunnen zijn!
Of Gerard Mortier: een bakkerszoon van de Muide.
Nee, dat zijn mensen die het leven kennen, mensen zoals wij.
Daarom werden ze ook zo tegengewerkt in de chique kunstkringen: omdat volksmensen daar niet welkom zijn.
Altijd weer kregen ze het aan de stok met de hoge heren.
Maar ze hielden vol.
Helden van het volk, dat waren ze!

Ksssst. Knetter, knetter. Ssssssssss. Pang.

Kortsluiting.

Jan en Gerard waren volksmensen, ze brachten de kunst weer naar het volk.
Die kunst is onbegrijpelijk, degoutant, intellectualistisch.
Conclusie: ik kan niet meer mee, kunst is niks voor mij.
Geef mij maar het gewone leven, dat is al moeilijk genoeg.

En zo is de cirkel rond.

De kunst was vroeger in handen van de elite, van mensen met geld en macht.
Het volk mocht op z’n kin kloppen.
Maar toen kwamen de Jans en de Gerards.
Zij bevrijdden de kunst uit handen van die elite.
Zij gaven haar terug aan … een andere elite.
Een ‘volkse’ elite, een elite van nouveaux riches, van parvenu’s, van snobs.
Mensen sine nobilitate.
Naar buiten toe heel beschaafd, heel ontwikkeld, heel verstandig.
Naar binnen toe, o la la!
Boksers, straatvechters, grove muilen die iedereen met een beetje beschaving op de vlucht joegen.
Barbaren met pak en das en de mond vol van kunst.

20140310-113725.jpg

Sinds de inval van deze Attila’s met hun wilde horden durft niemand het nog zeggen, maar diep van binnen, waar niemand het kan horen, fluistert iedereen vandaag:
Kunst? Dat is iets voor barbaren!
Daar houd ik me verre van.
Mensen zeggen dat zo stil dat ze het zelf niets eens horen.
Want als het de barbaren ter ore komt, reageren ze … barbaars.
En dus weet de moderne niet eens dat hij diep in zijn ziel een steeds grotere afkeer ontwikkelt voor kunst.

Dát is de ‘rijke erfenis’ en ‘onsterfelijke geest’ die Gerard de Barbaar en co ons hebben achtergelaten.
En we weten het niet, want die erfenis ligt weggeborgen in de kluis van onze ziel.
Daar is de onverschilligheid en de afkeer voor de kunst gezaaid.
Daar is ze zich aan het ontwikkelen.
We voeden haar zonder het te weten, als een koekoeksjong dat uiteindelijk ons eigen Ik uit onze ziel zal verjagen.
En dan zullen onszelf en onze menselijkheid kwijt zijn.
En we zullen het niet eens weten.
We zullen zelf Beschaafde Barbaren geworden zijn.
Met maar één doel in het leven: de kunst vernietigen.

20140310-113942.jpg

Want de kunst, dat is ons lichaam, dat is de aarde, dat is de schepping, dat is alles wat ons tot spiegel is en ons herinnert aan wie we zijn: mensen.
Als die spiegel er niet meer is, als we geesten worden zonder lichaam, dan zullen we gevangen zitten in het Niets.
We zullen niet terug kunnen keren tot het Al, tot de geestelijke wereld waaruit we voortgekomen zijn, want we zijn te individualistisch geworden.
Maar we zullen ook geen nieuwe geestelijke wereld kunnen scheppen, zoals de bedoeling was, want we zullen geen contact meer hebben met onze eigen scheppende geest.
We zullen niets meer kunnen doen.
We zullen veroordeeld zijn tot het Niets, tot de eeuwige herhaling van steeds weer dezelfde uitzichtloze Zinloosheid.

Dát is het wezen van de Hedendaagse Kunst, het wezen dat ons nu reeds verlamt, dat nu reeds een kloof slaat tussen onszelf en onze scheppende geest.
Zonder de kreativiteit van die geest zullen we nooit een oplossing vinden voor de problemen die ons nu overspoelen.
Zonder de spiegel van de kunst zal onze kreatieve geest steeds meer in onmacht vallen.
Zonder de kunst zal de hele wereld ten prooi vallen aan de barbaren.

En dat is geen verre toekomst meer, het gebeurt nu, op dit moment.
Jan Hoet en Gerard Mortier behoren inderdaad tot de avant-garde.
De avant-garde van de barbaren.
Ze zijn Trojaanse paarden die we juichend binnenhalen.

Ze kwamen allebei uit Vlaanderen.
Ze kwamen allebei uit Gent.
Ze hebben allebei de wereld veroverd.

Dat zou te denken moeten geven.

20140310-114207.jpg

Niemand gelooft me wanneer ik zeg dat de Hedendaagse Kunst uit niets anders bestaat dan een blinde haat tegen de geest van de klassieke kunst.
En Michaël Borremans dan?
Is dat geen prachtig voorbeeld van hoe klassiek en Hedendaags samengaan!
Is dat niet de levende ontkenning van de zogenaamde ‘kloof’ tussen beide!

Ik word diep treurig als ik dat hoor.
Het herinnert mij aan één van de meest schokkende ervaringen uit mijn leven.
En dat was toen ik begreep dat veel fervente kunstliefhebbers de kunst … haten.
Veel liefde voor de kunst is niets anders dan vermomde haat voor de kunst.

In de kunstwereld is momenteel een enorme strijd ontbrand tussen de liefde en de haat.
En die strijd vindt overal plaats, van de grootste musea tot de kleinste tekenscholen.
En hij vindt niet alleen in de kunstwereld plaats, hij vindt ook in de ‘echte’ wereld plaats.
De kunst is immers niets anders dan een spiegel.
Ik kan het alleen maar blijven herhalen:
Er is in de kunst niets dat ook niet in de werkelijkheid is.
En er is in de werkelijkheid niets dat ook niet in de kunst is.

De schouders ophalen voor de kunst, is de schouders ophalen voor de werkelijkheid.
Blind zijn voor de kunst, is blind zijn voor de werkelijkheid.
En omgekeerd.

20140310-114543.jpg

Wie niet ziet hoe in het werk van Michaël Borremans liefde en haat bijna één worden, die kan ook in de werkelijkheid geen onderscheid meer maken tussen liefde en haat.
Gelukkig zit er nog speling op.
De kunst is haar tijd vooruit, zoals men zegt.
Maar de werkelijkheid die zij weerspiegelt, is reeds in onze ziel aanwezig.
Die innige verstrengeling van liefde en haat: ze leeft bij iedereen.
En als we willen beletten dat de haat de liefde uit onze ziel gooit zoals een koekoeksjong dat doet, dan moeten we onderscheid maken tussen liefde en haat.
Het heeft geen enkele zin dat we ons tegen de haat keren, want zolang we geen onderscheid maken tussen liefde en haat, keren we ons ook tegen de liefde.
Pas als we de liefde en de haat duidelijk onderscheiden, kunnen we kiezen.
Pas als we dát onderscheid leren maken, kunnen we vrij worden en ontsnappen aan de nachtmerrie van het Niets.

Maar dat kunnen we nooit zonder spiegel.
De spiegel van de kunst, de spiegel van de werkelijkheid.
En de grens tussen beide wordt steeds smaller.
Kunst wordt werkelijkheid, werkelijkheid wordt kunst.

Daar maken de barbaren gebruik van.
Bij Jan Hoet kon je dat al merken aan projecten als Chambres d’ Amis en Over the Edges.
Kunst en werkelijkheid liepen in elkaar over.
Maar het duidelijkst komt het tot uiting in een ‘project’ als de Gentse Stadshal.
Hier zien we hoe het zaad dat Jan Hoet gezaaid heeft, begint op te schieten.
Want de Ganda-ham waarmee hij (het was zijn idee) de zuilen van de Gentse universiteit volplakte zijn allang verdwenen, maar die Stadshal zal er over honderd jaar nóg staan.

20140310-115029.jpg

Ze staat er als een monument van haat te midden van een historisch stadscentrum dat een monument van liefde is.
En die Stadshal is niet enkel Hedendaagse Kunst, ze is ook … Hedendaagse Opera.
Je ziet dat monster niet alleen, je voelt het ook, je hoort het bijna.
Het is als knetterende vloek in een kerk.
Pussy Riot, maar dan in de architectuur.

En hier reiken Jan Hoet en Gerard Mortier elkaar de hand.
Want Mortier verbond beeld en klank, plastische kunst en muziek, ruimte en tijd.
En het is belangrijk om te zien hoe hij dat deed.

Gerard Mortier nam klassieke muziek en daar plakte hij Hedendaagse Kunst op.
Hij veranderde niets aan de muziek.
Hij respecteerde iedere noot van Mozart, Pucini of Wagner.
Hij bewonderde de oude kunst zoals ook Jan Hoet dat deed.
Hij was één en al liefde voor de klassieke muziek.
Maar juist dát maakte het zo erg.
Want hij verbond die grenzeloze liefde met een al even grenzeloze haat.
En hij deed dat alsof het vanzelf sprak.
Hij deed alsof de muziek van Mozart één onlosmakelijk geheel vormt met … gedrogeerde vrouwen die verkracht worden, concentratiekampen waar mensen aan de lopende band vermoord worden, smerige toiletten waar junkies een spuit komen zetten, kinderen die aangerand worden door nonkels en paters, enzovoort, enzovoort.

20140310-115121.jpg

Die keurige, beschaafde, afgeborstelde Gerard Mortier introduceerde in de al even keurige, beschaafde en afgeborstelde wereld van de opera de meest gore zaken.
En hij deed dat met de glimlach.
Alsof Mozart het altijd zo bedoeld had.
En het publiek dat verontwaardigd protesteerde?
Ach, zei hij minzaam, je moet de opera in bescherming nemen tegen de operaliefhebbers.
Gerard Mortier wilde de arme, weerloze kunst beschermen tegen de … barbaren.
Daarom verkrachtte hij ze, uit pure ‘liefde’.
Hij was de Roger Vangheluwe van de opera.
En de barbaren, wie waren dat?
Dat waren de gewone operaliefhebbers, de mensen die hielden van klassieke muziek.
Maar die heeft Gerard, het straatjochie van de Muide, weggejaagd en vervangen door zijn eigen soort, door een publiek dat geen enkel verschil ziet tussen de muziek van Mozart en de taferelen van Auschwitz, tussen de aria’s van Puccini en hoeren die gillend klaarkomen.
Allemaal kunst meneer!
Maar dat snappen die achterlijke bourgeois natuurlijk niet.

Hemelse liefde en demonische haat: ze worden voorgesteld als één onlosmakelijk geheel.
En wie dat niet geheel vanzelfsprekend vindt, is een … barbaar.

Het meest choquerende van de hele zaak is dat Gerard Mortier gelijk heeft.
Dat samengaan van de hoogste liefde en de laagste haat is werkelijkheid.
Het speelt zich vandaag in de ziel van iedere mens af.
Wie dat niet ziet, wie niet beseft dat er in zijn ziel een gigantische geestelijke strijd wordt uitgevochten tussen de liefde en de haat, mag met reden een barbaar genoemd worden.

Alleen barbaren kunnen niet door de uiterlijke schijn heen kijken.
Alleen barbaren zien niet dat Jan Hoet en Gerard Mortier barbaren zijn.
Alleen barbaren zien niet dat ze eigenlijk geen kleren aanhebben.

En waarom wonen er in Vlaanderen zoveel barbaren?
Dat weet Gerard Mortier beter dan wie ook:

‘Omdat Vlaanderen in honderd jaar van een derdewereldland een te rijk parvenuland geworden is’.

Helaas is Vlaanderen geen uitzondering.
Vlaanderen is een spiegel.
Een artistieke spiegel.

Dat men maar goed in die spiegel kijke!

20140310-115225.jpg

De slak van het SMAK

20140308-210834.jpg

Ik blijf gefascineerd door ‘het geval Jan Hoet’ en vooral door de reacties op zijn dood.
De hele zaak heeft iets bizars.
Alsof het allemaal niet echt is.
Alsof iedereen in een soort trance is geraakt.

In alles wat ik tot nog toe gelezen heb, ben niet één onvertogen woord tegengekomen.
Behalve misschien van collega conservator Willy Van den Bussche.
Die zei in een interview: ‘Ik ben met kunst bezig, Hoet is met zichzelf bezig.’
Maar aangezien Jan Hoet door velen als de personnificatie van de kunst zelve werd gezien, snijdt deze kritiek zichzelf in de vinger.

20140308-211711.jpg

Nee, het was één grote, ongenuanceerde lofzang op een man die … wát heeft gepresteerd?
Het SMAK?
Dat zou er zonder hem ook wel zijn gekomen.
Iedere zichzelf respecterende stad heeft vandaag een museum voor Hedendaagse kunst.
Zelfs een boerengat als Machelen-aan-de-Leie heeft er een.
Toegegeven, Jan Hoet heeft met zijn SMAK veel lawaai gemaakt.
Maar is het dáárvoor dat ‘iedereen’ overloopt van dankbaarheid?
Omdat Jan a zuun gruute muile had en a zuun gruut laweit maakte?

Ik blijf me afvragen: wat was hier eigenlijk aan de hand?

Als ik bijvoorbeeld het rouwregister lees, begin ik ernstig te twijfelen aan de toerekeningsvatbaarheid van cultureel Vlaanderen.
Leest u even mee.

20140308-211817.jpg

Beste Jan, je laat een groot zwart gat achter.

De wereld zou leeg zijn zonder jouw kunst.

Een man met een waarheid van beton.

Groot verdriet voor België en alles erbuiten.

Genieten van kunst … dat heb je ons geleerd.

Op eigenzinnige wijze zong je Gods lof, nu loof ik Hem met jouw naam.

Een groot kunstenaar is van ons heengegaan.

Onze meest geliefde Kunstpaus is heengegaan.

Jij was een man van het volk, jij liep tussen ons. Wie gaat er ons nu begeleiden in de kunst?

Jan, maak van de hemel maar een SMAK!

‘Tussen het weten en het voelen is er een spanning’. Beter kan het niet gezegd worden. Bedankt Jan, voor deze gevatte omschrijving van wat kunst en de kunst van het leven is.

Dank voor zoveel moois dat je Gent geschonken hebt.

Jij was voor ons allen een schepper van het schone.

20140308-211909.jpg

Maar het merkwaardigste commentaar vond ik wel bij Hugo Camps.
Hugo laat zich wel meer meesleuren door zijn poëtische pathos, maar waar die hem tijdens Hoets begrafenis bracht …

‘Uiteraard nam Jan Hoet zelf de regie in handen om zijn laatste tocht niet in rituele schraalte te laten verschilferen.

Tot het bittere eind: selfmade.

Vlamingen kunstvijandig/-onverschillig? Niet deze woensdag in Gent.

Niet in het bezonken slijmspoor van artistiek zwaargewicht Jan Hoet.’

Bezonken slijmspoor?
Alsof Jan Hoet een reusachtige slak was.
De slak van het SMAK.

Ich weiss nicht was soll das bedeuten.

20140308-211945.jpg

Prins Carnaval is dood

20140306-224234.jpg

Het was me totaal ontgaan: gisteren was het Aswoensdag.

Het verwisselde kind

Als je erover begint na te denken, is al die media-aandacht voor het overlijden van Jan Hoet toch wel een merkwaardig fenomeen.
Want wie was Jan Hoet dan wel dat hij zoveel bewondering opwekte?
Wat had hij dan wel gepresteerd dat hem zoveel lof werd toegezwaaid?
Museumdirecteur is toch niet bepaald een tot de verbeelding sprekend ambacht.

Ik kan me niet meteen een overlijden herinneren dat zoveel teweegbracht in het ‘Vlaamse geestesleven’.
Nu ik eraan denk: zou er in de Franstalige media ook zoveel aandacht zijn besteed aan de Gentse wonderboy?
Ik kan het me bijna niet voorstellen.
Cultureel gezien leven Vlaanderen en Franstalig België in twee totaal verschillende werelden.
Ik ben het eens direct gaan nakijken, en inderdaad:
Geen woord over Jan Hoet.
Helemaal niks.
Wel over de dood van Pierre Laroche (Pierre qui?)
En die van Claude Nougaro.
En over hoe Frans Gaston Lagaffe wel niet was.
En – uiteraard – over Les Diables Rouges die wereldkampioen gaan worden en niet eens kunnen winnen van … Ivoorkust.
Maar Jan Hoet?
C’est qui?
Il joue du foot?

20140306-115147.jpg

Kijk, dat is toch vreemd!
Heel die Vlaamse cultuurwereld is zo Belgisch-nationalistisch als maar kan.
Ze haten alles wat Vlaams is en zich verzet tegen la Belgique.
Maar ze gaan wél uit de bol voor iemand die eigenlijk maar twee bijzondere eigenschappen had: hij was volks en Vlaams (ist niewaar misschien!) en hij was bezeten van kunst (geweldig! fantastisch!).
O ja, er was nóg iets wat hem bijzonder maakte: hij was – of deed tenminste alsof hij was – een soort Robin Hood, een David die het in zijn eentje tegen Goliath opnam.
Iemand als Bart De Wever quoi.
Allemaal héél, héél Vlaams dus.
Voeg daarbij nog eens dat ze van zijn begrafenis een volksfeest maakten, met een kaarskensprocessie en uiensoep-met-boterhammen en meneer pastoor en een fanfare, en je krijgt toch wel een enigszins verbijsterend beeld.
De zo anti-Vlaamse culturele wereld die er een oer-Vlaams feest van maakt waar Franstalig België zijn neus voor ophaalt: hoe moeten we dat begrijpen?

Op hetzelfde moment dat Jan Hoet sterft, loopt er in het Gentse Museum voor Schone Kunsten (dat vlak tegenover het SMAK ligt) een tentoonstelling van de Franse schilder Géricault die onder meer bekend is voor zijn portretten van geesteszieken.
Een Franse schilder dus.
Ik heb niks tegen Franse schilders, wel integendeel.
Maar ik kan zo voor de vuist tientallen Vlaamse schilders opnoemen die nog nooit een tentoonstelling in het Gentse museum hebben gekregen en ook nooit zullen krijgen. En sommigen onder hen zijn van (veel) groter formaat dan Géricault of de talloze buitenlandse artiesten die zowel in het MSK als in het SMAK defileren.

20140306-115409.jpg

Jan Hoet was alleen geïnteresseerd in Vlaamse kunstenaars als ze niet-Vlaams of anti-Vlaams waren en zich voegden naar de onpersoonlijke, internationale geest die hij onvermoeibaar propageerde. Het is geen toeval dat hij verschillende Vlaamse kunstenaars wereldberoemd heeft gemaakt. Hij kon degenen die het zouden maken op de internationale (en vooral Amerikaanse) markt er zó uitpikken.
Niemand was zo doordrongen van die internationale geest – de geest die lak heeft aan individuele landen, volkeren, mensen – als hij, en hij herkende die geest ook feilloos in anderen.
Eén grote Internationale was het.

Het beeld dat verschijnt, is dat van iemand die zéér Vlaams en zéér anti-Vlaams was.
Die extreme tegenstelling herken ik ook in de Hedendaagse Kunst die hij als ‘vertegenwoordiger’ overal aan de man probeerde te brengen.
Die kunst is enerzijds zeer traditioneel en klassiek.
Ze is zelfs klassieker-dan-klassiek want ze wordt meteen in … een museum tentoongesteld.
De Hedendaagse Kunst heeft overal ter wereld een wildgroei van … museums doen ontstaan.
En mét die musea kwamen de conservators.
Vroeger waren dat mensen die niet veel meer deden dan met een plumeau rondlopen en de kunstwerken afstoffen.
Nu zijn dat mensen die zéér actief conserveren.
Ze gaan jonge kunstenaars in hun atelier opzoeken en rukken hen hun werk uit de handen om het meteen te kunnen … conserveren.
Iemand als Michaël Borremans bijvoorbeeld begint te schilderen, en tien jaar later – de verf is nog niet droog – hangen zijn schilderijen al in musea overal te wereld.
Z’n werk is nog maar pas geboren of het is al een museumstuk.

20140306-120253.jpg

Wat we in de Hedendaagse Kunst zien, is een woekering van de Saturnale, conserverende, mummificerende, sclerotiserende geest.
Daarbij hoort natuurlijk de wildgroei van intellectuele beschouwingen, want die horen bij datgene-wat-voorbij-is.
Je begint maar na te denken over wat er niet meer is, over het dode.
In de Hedendaagse Kunst zien we een enorme woekering van doodskrachten.
Het is de wereld van de dood die we hier zien verschijnen.

Maar zó wordt de Hedendaagse Kunst natuurlijk niet gepercipieerd.
Ze wordt juist gezien als … het leven zelf.
Het is een wereld die bruist van het leven, net als Jan Hoet zelf.
Never a dull moment.
Altijd opwinding, altijd verandering, altijd wat nieuws.
Vroeger was een museum een soort grafkelder.
Het was er stil, je zag er geen kat, en er veranderde nooit iets.
Je wist: als ik zo en zo loop, en dan die hoek omsla dan hangt daar het schilderij dat ik wil zien.
Nu mag je van geluk spreken als dat schilderij niet in de kelder zit.
Want het is in het museum als in het voetbal: er wordt voortdurend ‘geroteerd’.
Er is ook animatie, er zijn activiteiten, rondleidingen, initiaties, voordrachten, dia-voorstellingen, debatten, interviews, kinderateliers, gespreksgroepen, reportages.
De conservator is een manager geworden.
Hij moet ervoor zorgen dat zijn museum in the picture blijft, dat het bruist en gonst van het leven zodat niemand (lees: de sponsors en de overheid) het idee krijgt dat het … dood is.

20140306-120354.jpg

Ja, in het Hedendaagse museum en de Hedendaagse kunst ontmoeten de krachten van leven en dood elkaar, en wel op volle kracht.
Dat zien we ook in een exemplarische figuur als Jan Hoet.
Levender als hij was er geen.
Maar ook de dood was nadrukkelijk aanwezig in zijn leven.
Hoe vaak heeft de man niet in het ziekenhuis gelegen!
Hoe vaak heeft zijn leven niet aan een zijden draadje gehangen!
En dan de kunst die hij verdedigde!
Wat een dooie boel!
Als je er niet veel spektakel rond maakte en de kijkers bombardeerde met uitleg die recht uit de esoterische geschriften van madame Blavatsky leek te komen, dan maakte die kunst helemaal niks wakker bij het publiek, tenzij een gegeneerde weerzin, hetzelfde gevoel dus dat een … lijk opwekt.
Ik heb het SMAK ooit één keer bezocht, om een vriendin plezier te doen, maar ik werd er overvallen door een dodelijke verveling.
Ik heb een tijdje door de ramen staan kijken naar de bomen van het Citadelpark (het mooiste werk van de hele collectie) en toen ben ik weer naar buiten gelopen, snakkend naar frisse lucht, naar leven, naar werkelijkheid.
En dan spreek ik nog niet over de Jan Hoet die ik zag verschijnen toen ik hem tekende: een levende dode.

20140306-120611.jpg

Ja, de hele sfeer doet me denken aan de Egyptische mummies in hun met magische spreuken beschermde grafkelders (de vloek van de farao’s!).
Het verschil is alleen dat de Egyptenaren wachtten met mummificeren tot iemand dood was.
De Hedendaagsen beginnen daar al mee van bij de geboorte.
Het nieuwe wordt meteen omzwachteld tot je er niks meer van ziet.
En dan wordt het in een sarkofaag gestoken met daarop de beeltenis van de levende.
Hoe gaat dat vers ook alweer?

Ze zijn als graven met Pasen: witgekalkt, maar vol bederf.

Zo is ook de Hedendaagse Kunst: naar buiten toe is het allemaal prachtig, indrukwekkend, verheven.
Alsof het Pasen is en alles nieuw wordt.
Hosanna!
Maar in dat graf, verborgen onder al die windsels, ligt een lijk dat langzaam uitdroogt en sclerotiseert, zoals de hersenen van een dementerende.
Alleen zijn het dit keer niet de hersenen die, verborgen in de sarkofaag van de schedel, verschrompelen.
Het is het hele lichaam, het lichaam van de kunst dat met Pasen uit zijn graf was verrezen.

En dat is het akelige geheim van de Hedendaagse kunst.
Zij is niet de nieuwe kunst, de kunst van onze tijd.
Zij is niet de kunst die, na gestorven te zijn in de materialistische verstarring van de 19de eeuw, weer uit haar graf is verrezen, stralender en levender dan ooit.
Nee, zij is de mummificering van die kunst.
De Hedendaagse kunst is de gevangenis waarin de kunst van onze tijd opgesloten zit, waarin ze wegkwijnt, tot onbeweeglijkheid gedoemd door een zwartmagisch ritueel.

20140306-120949.jpg

Het is wat men destijds ook met Kaspar Hauser heeft gedaan, het ‘kind van Europa’, de drager van de geest van het echte Europa.
Men heeft hem van bij zijn geboorte opgesloten in een donker hok waar hij 16 jaar lang opgesloten bleef zonder menselijk contact, zonder opvoeding, zonder licht, zonder iets.
Daarna heeft men hem vrijgelaten.
Maar toen men zag welke opschudding hij verwekte, heeft men hem alsnog vermoord.
En in zijn plaats is het kind opgegroeid dat we nu kennen als de Europese Unie, dat monsterlijke creatuur.

Is dat ook niet hoe we Jan Hoet moeten zien?
In hem leefde de geest van Vlaanderen, een kinderlijke, zeer Europese geest.
Het is dié geest die in Vlaanderen zo’n instinctieve herkenning teweeggebracht heeft, een herkenning die we alleen als liefde kunnen bestempelen.
Cultureel en artistiek Vlaanderen herkende in Jan Hoet onbewust zijn eigen geest, zijn Ik, zijn lichtend voorbeeld, zijn ideaal.
En is de Vlaamse geest die hij op zo’n ontwapenende manier belichaamde, niet een geest die pas uit zijn graf is opgestaan, een geest die in de 19de eeuw een pijnlijke en smadelijke dood is gestorven en daarna op bijna wonderbaarlijke wijze verrees?
Wat men echter niet ziet, is dat die ‘nieuwe’ geest gevangen zit in een rijke sarkofaag die een gruwelijke misdaad moet verbergen: het gevangen zetten van een pasgeboren kind, het opsluiten van een onschuldig wezen, het scheiden van moeder en kind.
En de ‘moeder’, dat is het bewuste Vlaanderen, zoals het leeft in zijn intelligentsia.
Het is die intelligentsia die verantwoordelijk is voor de verzorging en bescherming van de Vlaamse geest, het Vlaamse Ik.

Maar die Vlaamse moeder voedt nu een ander kind op, een wisselkind.
Net zoals de moeder van Kaspar Hauser, en mét haar de hele Europese adel, deed.

20140306-121213.jpg

Het is een bijzonder kwaadaardige misdaad om een kind bij de geboorte te verwisselen en de moeder te dwingen een vreemd kind op te voeden.
Want die moeder heeft geen keuze.
Zij kán niet anders dan het wisselkind als het hare te aanvaarden en groot te brengen.
Wijst zij het af (omdat ze voelt dat het niet haar kind is) dan wordt ze niet alleen als een ontaarde moeder beschouwd en behandeld (iedereen zal haar verafschuwen en veroordelen) maar ze zal ook aan niets anders meer kunnen denken dan:
Waar is mijn kind?
Wat is er met mijn kind gebeurd?
Wat hebben jullie met mijn kind gedaan?
Voor een moeder zijn dat gekmakende vragen.
Als zij het wisselkind afwijst, stort zij zichzelf in eindeloos lijden.
Aanvaardt zij het, dan zal zij al haar liefde op dat kind richten om de kwellende pijn van die vragen te kunnen vergeten.

Zo is het volgens mij ook Jan Hoet vergaan.
De Vlaamse geest leefde in hem, werd in hem wakker.
Het was een kinderlijk onschuldige, uitermate levendige, kunstzinnige geest.
Maar hij werd wakker in een ziel die helemaal ingezwachteld was, die niet kon bewegen.
Deze Vlaamse geest ontwaakte in een wereld die in de stalen greep zat van de Hedendaagse geest.
Na de oorlog rolde die geest, aangestuurd vanuit Amerika, als een pletwals over Europa.
Wie die pletwals niet aan den lijve ondervonden heeft, kan zich geen voorstelling maken van haar verpletterende kracht.
Iedereen die zich verzette werd uit de kunstwereld ‘geperst’.
Degenen die de kunstwereld niet wilden of konden verlaten, werden gedwongen om de ‘wisselgeest’ te aanvaarden als hun eigen kind.
Wie dat weigerde werd als een ontaarde moeder behandeld.
Hij werd veracht, uitgescholden, opgejaagd en ging uiteindelijk ten onder.
Ik heb het talloze keren zien gebeuren.
Het was als één grote kindermoord.
Een gruwelijk bloedbad, al viel er uiterlijk niks anders van te zien dan dat klassieke kunstenaars opeens ‘modern’ werden.
En wat is in onze moderne tijd normaler dan dat!

20140306-121506.jpg

In die Herodiaanse wereld kwam ook het (Vlaamse) Ik van Jan Hoet ter wereld.
Dat wil zeggen: het ontwaakte in zijn ziel.
Het ‘sprong op in zijn geestelijke schoot’.
And a beautiful child it was.
Maar wat kon de moeder doen?
Welke keuze had Jan Hoet?
We zien dat vandaag: al tientallen jaren is ieder verzet tegen de Hedendaagse kunst verstomd.
Protesteren is zelfs niet meer mogelijk: het wordt als een kostelijke grap beschouwd.
Iemand die vandaag vindt dat Hedendaagse kunst geen kunst is, wekt geen verontwaardiging meer, hij wekt alleen nog … de slappe lach.

Jan Hoet, met zijn uitgesproken talent om te voelen ‘vanwaar de wind komt’, wist instinctief dat het zelfmoord zou zijn om te kiezen voor het ‘Vlaamse kind’ en het Hedendaagse af te wijzen.
Hij wilde echter niet sterven, hij wilde leven.
En dus koos hij voor de Hedendaagse kunst.
Hij koos zo hevig voor dit wisselkind omdat zijn eigen kind zich niet zomaar het zwijgen op liet leggen.
Hij bleef diens stem horen en daar leed hij zo onder dat hij zich ontpopte tot een soort ‘supermoeder’ voor dat vreemde kind, dat Hedendaagse koekoeksjong.
Hoe luider zijn eigen ‘kind’ riep, des te meer stortte hij zich in de verdovende roes van zijn zogenaamde pionierswerk.
Hij sliep nauwelijks, want dan ontmoette hij zijn eigen kind weer, en dan schreeuwde hij het – letterlijk – uit.
Hij was als de dood voor de ‘andere kant’ en dus stortte hij zich als een razende in het werk aan ‘deze kant’.

20140306-121819.jpg

Zo hebben we Jan Hoet gekend: als een moeder van twee kinderen.
En we zijn aan de levende tegenspraak die hij was, zo gewend geworden dat zijn twee ‘kinderen’ in onze waarneming één kind zijn geworden.
Het echte kind (de uit haar graf verrezen kunst van onze tijd) en het wisselkind (de mummificerende, sarkofagerende, piramidale geest) zijn in elkaar gevloeid.
We maken er geen onderscheid meer tussen.
We bewonderen en vereren de Hedendaagse kunst, en we beseffen niet dat onze liefde in feite naar het kind uitgaat dat onder al die windsels, in die driedubbele sarkofaag, onder al dat klatergoud, gevangen zit: de echte kunst van onze tijd, de uit de doden opgestane kunst, de nieuwe kunst.

We staan voor een gigantische kakmachine en denken dat we oog in oog staan met ons eigen diepste wezen, ons scheppende Ik.
Ontmoeten we echter de verrijzende kunst en kijken we in de spiegel van onze eigen ziel, dan deinzen we vol walging achteruit alsof we stront zien.

Dat is de onvoorstelbare tragedie die zich vandaag in de menselijke ziel afspeelt, en die with mathematical certainty ook werkelijkheid zal worden: we verafschuwen het hoogste, en we vereren het laagste.
We beschouwen stront als het hoogste wat de mens kan voortbrengen in het leven.
En ons eigen Ik, het kind-in-ons, beschouwen we als stront.

We keren ons in walging van onszelf af en onze moederliefde reserveren we voor een monsterlijk pseudo-Ik.
Voor dat wisselkind willen we vechten zoals moeders dat doen, en we beseffen niet dat we vechten om ons eigen kind, onze eigen menselijkheid uit het nest van onze ziel duwen.
We keren ons tegen datgene wat ons het liefst is.

20140306-122118.jpg

Zo blind zijn we geworden dat we de wereld omgekeerd zien en het niet weten.

Men verweet Rudolf Steiner ooit dat hij alles op zijn kop zette.
Ik zet helemaal niets op zijn kop, zei hij.
Alles stáát reeds op zijn kop. Ik zet het alleen maar recht.

Dát is de ware geest: wat omgekeerd is weer omkeren.
De wereld weer rechtzetten.
En dat is iets heel anders dan hem afwijzen of veranderen of vernieuwen.

Ik herinner me nog dat ik als kind de wereld graag omgekeerd bekeek.
Ik stak m’n hoofd dan tussen m’n benen, zoals kinderen dat doen, en keek naar een wereld waarvan ik wist dat het dezelfde was, maar die er op een wonderlijke manier fris en nieuw uitzag.
Eigenlijk doe ik nu op mijn oude dag hetzelfde: ik bekijk de wereld omgekeerd.
Het lijkt alsof ik alles op z’n kop zet, alsof ik op m’n hoofd ga staan.
Maar de waarheid is natuurlijk dat ik, als mens van deze tijd, al m’n hele leven op m’n hoofd sta.
Hoe kan een kind wiens hoofd van de kleuterklas af volgestopt wordt met (leer)stof ooit op zijn benen blijven staan!
Vroeg of laat wordt dat hoofd zo zwaar dat het kind gewoon omkeert.
En omdat iedereen dat doet, weet het kind niet beter of het hoort zo.
Dat is hoe mensen leven, werken en denken: op hun hoofd, ondersteboven.

Het allermoeilijkste als volwassen mens is om weer kind te worden, om weer op je voeten te gaan staan en de wereld te bekijken zoals we dat ‘in den beginne’ deden.
Dat kan maar op één manier: door dat loodzware hoofd, die niet te tillen sarkofaag, leeg te maken.
Dat betekent: het kind dat daar gevangen zit, ons eigen verrezen Ik, ont-wikkelen, bevrijden uit de windsels van de dood.
Dat moet voorzichtig gebeuren, en met geduld.
Langzaam kan dat kind dan uit zijn graf worden gehaald en een eigen woning krijgen, waar het kan leven als het scheppende wezen dat het is.
En die woning is ons hart.

We moeten met andere woorden weer met ons hart leren denken.
Alleen dan kunnen we weer met onze twee benen op de grond gaan staan en de wereld zien zoals hij werkelijk is: een frisse, lente-achtige wereld.
Want dát is wat zich verbergt achter de ingewikkelde rotzooi die onze Hedendaagse wereld is.
Dat is de échte hedendaagse wereld, de wereld van onze tijd.
Een wereld die een weergaloos kunstwerk is.

20140306-122414.jpg

Ceci n’est pas un chapeau

And what a beautiful day it was!

Het was al geleden van verleden jaar dat het nog eens zo winters fris was geweest.
En voor het eerst zág ik niet alleen bloeiende bomen, ik rook ze ook.
Winter en lente reikten elkaar de hand.
De zon zag dat het goed was en ging gloeiend onder.

En dát precies op de dag dat Jan Hoet begraven werd!
Een mens zou er gedachten van krijgen.
Was de aarde blij omdat één van haar favoriete kinderen in haar schoot terugkeerde?
Begroette ze hem even enthousiast als hij zelf was geweest?
Of leefde ze op omdat ze van die kwelgeest verlost was?

20140305-210635.jpg

Eén ding was zeker: het ‘kleine volkje’ was blij dat het weer aan de slag kon.
Blaadjes en bloemetjes tevoorschijn toveren, alles weer mooi maken.
Het is een lange, lelijke winter geweest.
Geeneens geen sneeuw om te troosten.
Een winter van niks.

En niks, daarbij moet ik aan Jan Hoet denken.
Hij was de heraut van het niets.
Luid schallend verkondigde hij de komst van … niets.
Me Tarzan, geen Jane.
Ik en het niets: ziedaar Jan Hoet in een notedop.

Nee, de natuur was niet blij omdat hij terugkeerde.
En ze was niet blij omdat ze van hem af was.
De natuur oordeelt niet, ze spiegelt alleen.
Maar ze doet dat wél kunstzinnig.
Want de natuur, dat is niet niks.
De natuur, dat is heel veel.

20140305-210826.jpg

Met hoevelen zouden ze zijn, het kleine volkje?
De kabouters, de nimfen, de elfen en de salamanders.
Alleszins met heel veel meer dan het grote volk dat Hoet uitwuifde.
Ik was benieuwd hoelang de rouwstoet zou zijn.
Ik was benieuwd of Gent klem zou raken van de drukte.
Want als je de kranten mocht geloven, was het hele land in rouw om Jan.
Van hoog tot laag, van de minister tot de kuisvrouw.
Want Jan was een volksmens, hij praatte tegen een hond met een hoedje op.
Zoals de volksmond zegt.

Mijn naïeve hart wilde dat graag geloven.
Samenheid! Verbondenheid! Allen onder één hoed!
Maar mijn hoofd zei: de kranten zijn … de kranten.
Ze denken dat ze de hele wereld zijn.
Hoofd én lichaam.
Denkers én doeners.
Elite én volk.
Maar ons kent ons.
Mijn hoofd wist dat je een hoofd nooit moet vertrouwen.
Zelfs niet wanneer er een hoed op staat.
Voorál niet wanneer er een hoed op staat.
Jan Hoet een volksmens?
Zijn begrafenis een volksfeest?

Dát wilde mijn hoofd eerst wel eens zien.

20140305-210915.jpg

En dus keek het en zag: een mager beestje.
De rouwstoet van ‘het volk’: hooguit 250 man.
De begrafenis vanmiddag: Gent bleef draaien.
Alleen kranten, schrijvers en artiesten dachten dat wereld stil bleef staan.
En dat het volk rouwde.
But that was only in their minds.
Dat gebeurde alleen in het Grote Niets van hun hoofd, dat voor hen het Grote Al is.

En het volk?
Dat haalde zijn schouders op.
Jan Hoet?
Da’s die rare vent die opgewonden was als een kind als een andere rare vent een vuilnisbak kwam uitkieperen in zijn museum!
Ja, met óns geld!
’t Is maar omdat je nog eens kon lachen met die Hoet, anders zouden we ónze vuilnisbak eens zijn komen leegmaken in zijn SMAK.
Benieuwd of hij dan nóg zou gelachen hebben!

20140305-211108.jpg

Ja, de hoge heren zullen de paljas wel uithangen!
Ze hebben niks beters te doen.
Ach, zo is ’t altijd geweest.
En aan de kranten te merken, zal ’t niet vlug veranderen.

Jan is weg.
Heeft hij toch nog iets Hoet gedaan.

20140305-211926.jpg

Helemaal of helemaal niet

20140305-113113.jpg

Er zijn zo van die zaken die slechts heel, heel langzaam duidelijk worden, beelden die er een heel mensenleven over doen om uit te kristalliseren en zichtbaar te worden.
In mijn geval is dat het beeld van de moderne mens die stap voor stap uiteen aan het vallen is, en wiens linkerhand niet meer weet wat de rechter doet en omgekeerd.
Ik begin langzaam te zien hoe de mens-van-deze-tijd uit twee afzonderlijke delen bestaat die niettemin worden samengehouden door een derde deel, dat helemaal op de achtergond blijft en zeer moeilijk te benaderen is.

In de antroposofie lees je wel eens dat de mens die over de drempel gaat ‘desintegreert’: zijn denken, voelen en willen maken zich los van elkaar en worden zelfstandig.
Zolang de mens aan deze kant van de drempel blijft, wordt de samenhang tussen deze drie wezensdelen verzekerd door het fysieke lichaam.
De gebondenheid aan dat lichaam is la condition humaine, het menselijk gebrek.
Maar dat lichaam is ook de baarmoeder van het Ik: het beschermt dit nieuwe en nog zeer kwetsbare wezensdeel.

Wanneer de mens nu over de drempel gaat, valt die lichamelijke bescherming weg.
Het Ik wordt geboren en de mens moet nu zelf de bescherming en verzorging van dat baby-Ik op zich nemen.
Doet hij dit niet, en blijft hij rekenen op de oude fysieke bescherming, dan gaat het mis.
Het Ik-kind komt dan in gevaar, en dat komt tot uitdrukking in het ‘uiteenvallen’ van de moderne mens.

20140305-113318.jpg

In eerste instantie is dat het uiteenvallen in twee tegengestelde delen: een goedaardige gevoelsmens en een kwaadaardige verstandsmens.
Of omgekeerd, want ze zijn onderling verwisselbaar.
Op een dieper niveau, het wilsniveau, betekent deze dualiteit een intense strijd tussen twee tegengestelde wezens, een strijd om ‘het kind’, het pasgeboren menselijke Ik.
Deze twee wezens zijn Christus en de Antichrist.
Maar ze strijden op een totaal andere manier.
Christus wacht tot we het kind aan hem toevertrouwen vanuit het inzicht dat we het in ons eentje niet kunnen opvoeden.
De Antichrist daarentegen doet er alles aan om de ‘moeder’ van het kind – wijzelf dus, de menselijke ziel – te verleiden en haar zover te brengen dat ze haar kind aan hem afstaat.

Dat is, in een paar woorden, de grote geestelijke strijd die op de bodem van onze ziel plaatsvindt en die alles bepaalt wat vandaag in de wereld plaatsvindt.
Het is van het grootste belang dat we als ‘moeder’, dat wil zeggen met onze bewuste ziel, doordringen tot het onbewuste wilsniveau waar om ons ‘kind’ gestreden wordt.
Want de uitkomst van die strijd hangt van ons af.
Wij moeten kiezen tussen Christus en de Antichrist.
En dat kunnen we alleen wanneer we ons bewust worden van die keuze, wanneer we die twee tegengestelde oer-geesten onderscheiden.

20140305-113537.jpg

Hoe ontzettend moeilijk dat is, kunnen we aflezen aan ‘het geval Jan Hoet’.
Als we de media mogen geloven, dan is er helemaal geen keuze.
Wie kan nu in godsnaam tegen Jan Hoet zijn!
Het is ál lof, bewondering en zelfs liefde wat uit de kranten opklinkt.
Iemand gebruikte zelfs de woorden ‘de weg, de waarheid en het leven’.
Met andere woorden: Jan Hoet wordt, door mensen die totaal niet gelovig zijn, als een Christusfiguur waargenomen.
En daar geven ze zich aan over, daar laten ze zich door leiden, die danken ze voor de magie die hij weer in hun leven heeft gebracht.

Van een keuze zijn ze zich niet bewust.

Dat deze kunst-Christus de ‘tempels van de kunst’ gevuld heeft met de meest weerzinwekkende dingen, daar staan ze niet bij stil.
Ze kunnen hun gevoel (de lieve Jan Hoet) niet meer in verband brengen met hun verstand (Jan de godfather).
Ze proberen het zelfs niet meer.
Ze beseffen niet langer dat het des mensen is om verstand en gevoel met elkaar te verbinden.
Ze ervaren het als volkomen normaal dat die twee vermogens ieder hun eigen gang gaan.
En dié onbewuste dualiteit is een uitdrukking van het feit dat ze het contact met hun Ik aan het verliezen zijn.
Diep in hun ziel is de moeder haar kind aan ‘de verkeerde vader’ aan het toevertrouwen, aan de antichristelijke geest die via iemand als Jan Hoet zegt: laat dat maar allemaal aan mij over, je moet niet langer proberen zelf een oordeel te vormen, ik doe dat wel voor je.
Geen dank jong, ’t is graag gedaan!

20140305-114531.jpg

In de Apocalypse kunnen we lezen dat ‘het Beest’ (zo wordt de Antichrist er genoemd) eruitziet als een … lam.
Het lijkt dus als twee druppels water op Christus, het Lam Gods.
De Antichrist is het Duivelse Lam, het meest geraffineerde en bedrieglijke kwaad dat er bestaat.
Niemand zal me horen zeggen dat Jan Hoet de incarnatie van de Antichrist was.
In mijn ogen blijft hij een mens, een zeer menselijke, aantrekkelijke en zelfs onschuldige mens.
En toch was hij in mijn ogen een werktuig van de Antichrist.
Hoe valt dat te verklaren?
Ik zie het als een offer.

Jan Hoet was een kunstenaar, een kunstenaar die intellectueel was geworden.
Dat is een enorme stap, een drempeloverschrijding.
Maar Jan Hoet was kunstenaar gebleven.
Wat zo verfrissend en aantrekkelijk aan hem was, was het feit dat hij een intellectueel-met-een-hart was, een ‘warme’ denker, niet zo’n producent van kille abstracties.
Jan Hoet was een kunstenaar-intellectueel.
Hij verenigde in zich verstand en gevoel, wetenschap en kunst.
En op die manier probeerde hij de mensen, van hoog tot laag, van links tot rechts, te overtuigen van het belang van de kunst.
Wat hem betreft was er niets belangrijkers in het leven.

Waar hebben we dat nog gehoord!

20140305-115107.jpg

Jan Hoet was in feite een hedendaagse antroposoof, een leerling van Joseph Beuys, die overal verkondigde dat Jeder Mensch ein Künstler is.
Aan Jan Hoet kon je aflezen wat een eigentijdse antroposoof is of kan of hoort te zijn: een lichtend voorbeeld voor iedereen.
Maar je kon aan hem ook aflezen wat Rudolf Steiner bedoelde met de woorden dat antroposofie een zeer, zeer gevaarlijke zaak is.
Er kan namelijk heel wat mis gaan bij een drempeloverschrijding.
En dat kan vreselijke gevolgen hebben.

Dat kunnen we aflezen aan de wereldgeschiedenis.
Toen de 20ste eeuw aanbrak, begon de mensheid ‘over de drempel’ te gaan.
En dat hebben we geweten!
Het werd één gigantische mislukte drempeloverschrijding, waarvan we de gevolgen nog eeuwenlang zullen moeten dragen, als we ze al overleven.
En wat was de oorzaak van die apocalyptische mislukking?
Dat kan heel kort gezegd worden:

De mensheid verloor haar hoofd.

De grote ramp was het uitbreken van de Grote Oorlog, en volgens Rudolf Steiner werd dat mogelijk gemaakt doordat de leidende, verantwoordelijke figuren van die tijd bevangen werden door een vreemd soort ‘bewusteloosheid’.
Op het beslissende moment ‘verloren ze het hoofd’.
Tot diezelfde conclusie komt vandaag ook historicus Christopher Clark in zijn monumentale werk over de Eerste Wereldoorlog.
Je hoeft het niet eens gelezen te hebben, de titel zegt alles: Slaapwandelaars.

20140305-115249.jpg

Op het beslissende moment het hoofd verliezen: bondiger kun je een mislukte drempeloverschrijding waarschijnlijk niet samenvatten.
En aangezien een drempeloverschrijding a point of no return is, kun je daarna niet meer terug.
Je hebt dan – zonder het te weten – gekozen voor het Beest, en dat laat dan al zijn duivels los.
Het ontketent een apocalypse, het wil bloed zien, veel bloed.
Er zijn miljoenen offers nodig om de bloeddorst van dit verschrikkelijke wezen te stillen.

Die offers herken ik vandaag in de ontelbare jonge kunstenaars die hun leven wijden aan de Hedendaagse Kunst.
Het zijn er ontzettend veel en ze zijn ongelooflijk gedreven.
Met al hun talenten, met al hun inzet en met totale overgave dienen ze de geest van de Hedendaagse Kunst.
Onvermoeibaar maken ze beelden van deze geest.
Op volkomen onzelfzuchtige wijze – naar het voorbeeld van Jan Hoet – maken ze deze geest zichtbaar
Opdat we hem zouden kennen.
Opdat we zouden kunnen kiezen.

En ze wachten tot we hem herkennen, de geest wiens portret ze maken, telkens weer opnieuw, in eindeloze variaties.
Naar buiten toe genieten ze van hun succes, van hun status als ingewijde.
Maar diep in hun ziel lijden ze, en wachten ze op verlossing.
Want al hun talent, al hun gedrevenheid, al hun onzelfzuchtige inzet komt niet van ‘het Beest’, het komt van ‘het kind’ in hen, dat de bron is van hun scheppende krachten.
Diep in hun ziel lijdt Christus.

20140305-115612.jpg

We vergeten al te gemakkelijk met welk naïef enthousiasme de jeugd destijds ‘ten oorlog’ trok.
Het was een explosie van bevrijdende vreugde en hoop.
Als ik denk aan het enthousiasme dat vandaag overal opstijgt uit de rangen van de jonge kunstenaars en de jonge intellectuelen, ter nagedachtenis aan Jan Hoet, de grote kunstenaar-intellectueel, dan houd ik mijn hart vast.
Want ik ben ervan overtuigd dat de werkelijkheid de kunst nabootst.
Dat zie ik bijna elke dag bevestigd.
Wat vandaag in de kunst gebeurt, zal morgen in werkelijkheid gebeuren.
Er zal een nieuwe Jan Hoet opstaan, en dit keer niet in de kunstwereld.
Hij zal, met zijn onschuld en tomeloze inzet, de hele mensheid verleiden.
Hij zal overal geestdrift, hoop, bewondering en liefde opwekken.
Het zal een wereldwijd vuur van enthousiasme ontsteken.

En daarna zal de Grote Kater komen.
De grootste kater die de dronken mensheid ooit gekend heeft.

Of ben ik het nu zélf die dronken is?
Weet ik niet meer wat ik hier allemaal bazel over die brave Jan Hoet, deze Christus-van-onze-tijd?
Zal ik het zijn die morgen met een kater wakker word en mij diep schaam over wat ik allemaal heb durven vertellen over deze Goede Mens van Gent?
Ik hoop het van harte.
Ik zou niets liever willen.
Het zal de mooiste dag van mijn leven zijn als ik eindelijk mijn ongelijk zal inzien en mij onbekommerd zal kunnen overgeven aan de geest van de Hedendaagse Kunst.
Eindelijk verlost van al die kritiek, al die negativiteit, al dat wantrouwen!
Eindelijk vrij!
Ja, dat ik dát nog zou mogen meemaken!

20140305-115730.jpg

Maar ik vrees ervoor.
Ik zal nooit over de drempel raken.
Ik zal nooit het Beloofde Land aanschouwen.
Ik zal nooit op m’n knieën zinken voor … stront.
Mijn verdomde hoofd zit in de weg, dat harde hoofd van me dat ik niet kan of wil achterlaten.
Vraag me niet waarom, maar ik heb zoiets van:

Ofwel ga ik helemáál over de drempel, ofwel ga ik helemaal niét.

Ik denk dat mijn keuze gemaakt is, en ik kom er niet meer op terug.
De consequenties zal ik dragen, wat ze ook zijn.
En ik zal nooit zeggen Ich habe es nicht gewusst.

Ik hoop van u hetzelfde.

20140305-115902.jpg

Twijfel

20140303-003253.jpg

Het is avond. Alles is stil.
Ik kijk nog een beetje rond in de media en kom onwillekeurig onder de indruk van die stortvloed van afscheidswoorden en dankbetuigingen aan het adres van de overleden Jan Hoet.
Het is duidelijk: Hoet had véél fans.
Als ik de media mag geloven, had hij alléén maar fans.
Er is niet één onvertogen woord bij.
Het is al bewondering, warmte, sympathie, dankbaarheid.
Wat hielden al die mensen van Jan Hoet!
Wat houden al die mensen van kunst!
Want Jan Hoet en kunst, dat zijn zowat synoniemen.

Ik word zowaar bekropen door twijfel.
Is het mogelijk dat al die mensen zich vergissen?
Is het niet véél waarschijnlijker dat ik mij vergis?
Is het geen teken van ziekelijke zelfoverschatting te denken dat ik gelijk heb met mijn afkeer voor Hedendaagse Kunst en dat al die anderen, dat heel cultureel Vlaanderen zeg maar, ongelijk heeft?
Is er niet iets heel erg fout met me, en zou ik niet beter mijn mond kunnen houden in plaats van me onsterfelijk belachelijk te maken door die ene valse noot te zijn in de grote harmonie?

Maar dan denk ik weer aan wat die Hedendaagse Kunst allemaal inhoudt.
Ik denk aan alle misselijk makende rotzooi die vandaag voor kunst doorgaat.
En ik denk: nee, het spijt me, ik kan het niet.
Ik kan niet instemmen met dat uitbundige gejuich.
Ik kan niet meedoen met die beate bewondering.

Ik zou mezelf verliezen.

En al ben ik dan volkomen verkeerd, het is tenminste mijn fout.
En al ben ik misschien gewoon jaloers, het is tenminste mijn jaloezie.
En als ik om dat foute, jaloerse en onmachtige zelf van me uitgelachen, weggehoond, bespot, genegeerd, en gemeden word, dan moet dat maar.

Laat de komende generaties maar over me oordelen.
Misschien begrijpen zij het wel.

20140303-003213.jpg

De banvloek van de kunstpaus

In de krant lees ik, in één van de talloze hommages aan Jan Hoet, het volgende:

‘Welke macht bezit de kunstpaus eigenlijk? Het was Frans Boenders, voormalig producer bij Radio 3 en zelf een soort goeroe, die de term voor Jan Hoet smeedde. In zijn pamflet Kunst zonder kader, museum zonder hoed (1991) nam Boenders de verpletterende golf nieuwe musea van de jaren tachtig op de korrel. Samen met hun bezielers.
Hoet draafde mee in het commerciële circus van de kunst, zo vond Boenders. Maar hij verweet Hoet vooral dat hij pretendeerde een onfeilbare spreekbuis te zijn. Ongecontesteerd en autoritair als de pausen van Rome.
(…)
‘Kunstpaus’ was voor Hoet een soort geuzennaam. Hij verzette er zich niet tegen, maar stak er ook zelf de draak mee. Zo knipoogde de titel van de tentoonstelling Sint-Jan in de Sint-Baafskathedraal naar de heiligverklaring die hem te beurt was gevallen.
Hans Martens, in 2012 zijn collega-curator in Gent, vindt het machtselement dat met de term samenhangt zwaar overdreven. ‘Hoet werd meer autoriteit toegedicht dan hij in feite had.’

Aldus Geert Van Der Speeten in De Standaard.

20140301-205309.jpg

De macht van kunstpaus Jan Hoet zou dus zwaar overdreven worden?

Toevallig heb ik dat pamflet van Frans Boenders gelezen. Meer zelfs, ik heb het gekocht.
Een dergelijke kans kun je namelijk niet laten voorbij gaan.
Het gebeurt maar eens om de tien jaar dat iemand zijn stem durft te verheffen tegen de Hedendaagse Kunst en haar clerus.
Toen het boekje verscheen, was Frans Boenders een begrip in de culturele wereld.
Hij stond bekend voor zijn interviews met grote namen uit de wereld van de geest, interviews waarbij de vragen meestal langer waren dan de antwoorden, want Boenders hoorde zichzelf héél graag praten.
Hij was heel verstandig en heel ijdel.
Ik vond hem een dikkenek.
Maar wat hij schreef in Museum zonder hoed was waar.
En het was moedig.
Jan Hoet had de mythe gecreëerd dat hij in zijn eentje worstelde met schier onoverwinnelijke conservatieve, om niet te zeggen reactionaire krachten.
In werkelijkheid was het omgekeerd: tegen Hoet en de zijnen was geen kruid gewassen.
Frans Boenders was één van de zeer weinigen die het waagden publiekelijk tegen hen in te gaan.
En daar heeft hij een zware prijs voor betaald.

Boenders was in die tijd niet uit de media weg te slaan.
Zijn naam klonk als een klok in cultureel Vlaanderen.
Maar na het verschijnen van zijn pamflet, verdween hij als bij toverslag van het toneel.
Het was alsof hij niet meer bestond.
Ik keek reikhalzend uit naar de reacties op zijn scherpe pamflet.
Maar er gebeurde niets.
Letterlijk.
Frans Boenders werd tot niets herleid.

Nu is het mogelijk dat de man juist rond die tijd met pensioen ging.
Maar een bezig – en vooral ijdel – baasje als Frans Boenders zou daar gebruik van gemaakt hebben om te schrijven of op een andere manier van zich te laten horen.
En hij kende véél mensen.
Zoals Geert Van Der Speten schreef: hij was zelf een soort goeroe.
Toch werd het oorverdovend stil rond Frans Boenders.
Hij was out, vrijwel van de ene dag op de andere.
Ik twijfelde er nauwelijks aan: de pauselijke banvloek was over hem uitgesproken.

Tien jaar later las ik – tot mijn verrassing – nog eens een artikel van Frans Boenders.
De man leefde nog!
Hij zong de lof van … Jan Hoet en de Hedendaagse Kunst.
Het was een vernederende knieval.
Maar het mocht niet baten.
Het was het laatste wat ik van Frans Boenders vernam.
Hij had het gewaagd de paus tegen te spreken en dat zou hij voor de rest van zijn leven moeten bezuren.
Wie kent vandaag Frans Boenders nog?
Wie weet of hij nog leeft?
Eén ding is zeker: als hij sterft zal geen haan ernaar kraaien.

De macht van Jan Hoet zwaar overdreven?
Laat me niet lachen.

20140302-001714.jpg