Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: Joseph Beuys

De vervalsing van de mens (2)

  

In museum Boijmans van Beuningen in Rotterdam (waar ik ooit een adembenemende Pieter Breughel zag) loopt momenteel een tentoonstelling die bestaat uit drie reusachtige drollen. Bezoekers krijgen de gelegenheid een handgemaakt naaktpak aan te trekken waarmee ze de kunstwerken kunnen bezichtigen en betasten. Of de drollen ook handgemaakt (dan wel darmgemaakt) zijn, weet het krantenbericht niet te vertellen. Wel komen we te weten dat de tentoonstelling door critici bejubeld wordt als taboedoorbrekend. 101 jaar nadat Marcel Duchamp een pispot als kunstwerk tentoonstelde, kan dat tellen als statement. Het vertelt ons dat de kunst al meer dan een eeuw in een kringetje ronddraait en dat deze stagnatie gezien wordt als grensverleggend. Hoe dieper de kunst wegzinkt in een sfeer van pis, kak en stront, des te beter. Dat lijkt het nieuwe ideaal te zijn in de wereld van kunst en cultuur: de grens steeds verder naar onder verleggen.

Reeds in 1961 stelde Piero Manzoni zijn eigen uitwerpselen tentoon, en sindsdien keert dat stront-thema steeds weer terug. Wim Delvoye werd wereldberoemd met zijn kak-machines, een ander Vlaams kunstenaar boetseerde een manshoog zelfportret uit zijn eigen darmproductie, en tijdens performances kunnen we kunstenaars letterlijk kunst zien schijten. Stront is – zoal niet letterlijk dan toch figuurlijk – de bruine draad die door de hedendaagse kunst loopt. Art is shit. Kunst bestaat vandaag uit afvalproducten waarmee men wil choqueren, weerzin oproepen en verontwaardiging wekken. Tenminste, dat was aanvankelijk de bedoeling. Marcel Duchamp en Piero Manzoni wilden tegen de schenen van het establishment schoppen en de goegemeente wakker schudden. Maar hedendaagse kunstenaars wekken al lang geen woede of ontzetting meer. Ze oogsten alleen nog bewondering en succes. De meest prestigieuze musea ter wereld ontvangen hen met open armen. Zelfs het Goetheanum in Dornach doet dat. 

Volgens Rudolf Steiner is kunst het hoogste wat de mens op aarde kan bereiken. Het is met andere woorden het doel van de mensheidsontwikkeling, het ideaal van de antroposofie. Welnu, de hedendaagse kunst is erin geslaagd dat doel in zijn tegendeel te keren. Ze heeft het allerhoogste vervangen door het allerlaagste en dat nieuwe ideaal maakt furore. De afgelopen 100 jaar is de moderne cultuur langzaam weggezonken in een beerput en ze blijft zinken. Niemand had in de tijd van Rudolf Steiner kunnen geloven dat er ooit stront zou tentoongesteld worden in de Europese musea voor schone kunsten of dat er bananenschillen zouden gestrooid worden in het Goetheanum in Dornach. Vandaag is dat echter de normaalste zaak van de wereld, niemand protesteert er nog tegen, wel integendeel. Wie zich verzet tegen deze rechtsomkeer van de beschaving wordt weggehoond als een cultuurbarbaar, een achterlijk en bekrompen mens, een slechte antroposoof.   

Wat in de wereld van de kunst gebeurt, gebeurt ook daarbuiten. Het wordt met de dag duidelijker dat kunst een pars pro toto is, een deel dat het geheel weerspiegelt. De hedendaagse kunst wordt geboren in 1917, wanneer Marcel Duchamp zijn fameuze pispot tentoonstelt. In datzelfde annus horribilis verschijnen Amerika en Rusland op het wereldtoneel en begint de ‘verscheuring’ van Europa. Zowel in de kunst als in de werkelijkheid steekt een kwaadaardige geest de kop op die het Europese mensheidsideaal in zijn tegendeel keert. De gevolgen zijn vreselijk. Opeens verandert de beschaafde mens in een roofdier dat zijn soortgenoten verscheurt en enorme bloedbaden aanricht, allemaal in dienst van het nieuwe ideaal. De menselijkheid verdwijnt als sneeuw voor de zon en de kunst weerspiegelt dat. Van de menselijke figuur, die in de klassieke kunst centraal stond, is in de hedendaagse kunst geen spoor meer te bekennen, tenzij als voorwerp van spot, vernedering en verminking. 

Deze verdierlijkte mens groeit uit tot een wetenschapper die ervan overtuigd is een aap te zijn, een kunstenaar die trots poseert naast zijn uitwerpselen en een gelovige die geen verschil meer ziet tussen het zaaien van terreur en het dienen van God. Hij waant zich lid van een avant-garde die de mensheid uit de duisternis van het verleden naar het licht van de toekomst leidt. Gelukkig is niet iedereen zo idealistisch, vooruitstrevend en grensverleggend als deze elitetroepen. Het domme volk heeft geen boodschap aan een wetenschap die de mens tot dier degradeert, ze weigert gebreide naaktpakjes aan te trekken om drollen te betasten en ze verafschuwt terroristen die dodelijke haat verwarren met hemelse liefde. Maar de trage massa wordt onafgebroken bestookt in de media, het onderwijs, de politiek. Door middel van hoogdravende slogans en grove beschuldigingen wordt ze stap voor stap geïnfecteerd met het nieuwe ideaal. En die propaganda werpt vruchten af: steeds meer mensen maken rechtsomkeer, steeds meer mensen willen bij de elite horen. 

We kunnen nu reeds zien waar dat zal op uitdraaien. Kunst weerspiegelt immers ook de diepere lagen van de werkelijkheid, zij maakt zichtbaar wat reeds bestaat maar nog niet aan het licht is gekomen. In die zin heeft zij een voorspellend karakter en wat zij ons toont is een wereld waarin het nieuwe ideaal vanzelfsprekend is geworden en door niemand nog in vraag wordt gesteld. De weinigen die trouw proberen te blijven aan het oude, Europese ideaal bezwijken één voor één onder de immense druk. Of ze verdwijnen van het toneel en er wordt nooit meer van hen gehoord. Want zo gaat het in deze brave new world: ofwel doen we mee, ofwel liggen we eruit. Ofwel gaan alle deuren voor ons open en worden we opgenomen in een worldwide web dat al onze wensen in vervulling doet gaan, ofwel worden we uitgestoten, vernederd en gebroodroofd. De hedendaagse geest plaatst de mens voor een keuze, hij maakt hem an offer he can’t refuse. En dat aanbod wordt aanvaard. 

De geboorte van deze heerlijke nieuwe wereld is in volle gang. Het is een onderwereld waarin iedereen zijn ziel aan de duivel heeft verkocht en niemand nog weet wat een mens is. De enkelingen die dat wel nog weten, hebben de grootste moeite om te overleven in deze beerput. Het is een nachtmerrieachtig toekomstbeeld dat de hedendaagse kunst ons voorhoudt en we durven dan ook niet kijken in deze duistere spiegel. We registreren de drollen, de pispotten en de bananenschillen wel, maar we laten de betekenis ervan niet tot ons doordringen. We zien de materie, maar sluiten de ogen voor de geest die eruit spreekt. We verkopen onze ziel aan deze duivel omdat we hem niet willen zien. Ook al staat hij levensgroot voor ons en kunnen we niet meer naast hem kijken, we ontkennen zijn bestaan. En juist deze ontkenning, deze weigering om de geest in de materie waar te nemen, maakt ons tot slachtoffer van de Grote Vervalsing, de omwisseling van hoog en laag.

We lopen blindelings in de val. In goed vertrouwen geven we ons over aan een weerzinwekkende geest die zich vermomt als kunstenaar, die zich voordoet als de redder van de wereld, de belichaming van onze hoogste idealen, de vervulling onze diepste verlangens. En zo wordt in onze ziel een kind verwekt, een nieuwe mens die de oude zal vervangen en die als twee druppels water op zijn vader zal lijken: een wolf in een schaapsvacht, onschuldig en menselijk aan de buitenkant, kwaadaardig en onmenselijk aan de binnenkant. Dit duivelskind hebben we lief als een moeder: we zijn bereid er ons leven voor te geven. Dat is dan ook wat we doen: langzaam offeren we ons oude zelf op opdat het nieuwe zal leven, in de overtuiging dat we op die manier betere mensen zullen worden. Maar het tegendeel is waar. We verdierlijken, we veranderen stap voor stap in onmensen. En niemand kan ons van het tegendeel overtuigen want ons hart is vervuld van liefde, onvoorwaardelijke moederliefde.

Deze blinde moederliefde voor het koekoeksjong in onze ziel is het grootste gevaar dat ons bedreigt. Ze brengt er ons toe onszelf op te offeren en de oude mens in te ruilen voor een nieuwe. Maar anders dan de oude mens, die probeert zijn lagere zelf onder controle te krijgen en te veredelen, doet deze heerlijke nieuwe mens precies het omgekeerde: hij probeert zijn hogere Ik onder controle te brengen van zijn lagere zelf, hij zet het dier-in-zichzelf op de troon. Dat is wat de hedendaagse kunst ons al 100 jaar toont, maar we willen het niet zien, we zien het omgekeerde. Als Jan Fabre in zijn Mount Olympus acteurs met hun piemel laat zwaaien, pissen, zich in bloederige ingewanden wentelen en meer van dat fraais, dan reageren we niet met afschuw maar met enthousiasme. We worden zelfs euforisch, alsof we een blik werpen in de wereld der goden. En dat is ook zo. Alleen zijn het niet de oude olympische goden die we hier aan het werk zien, het is de onderwereld waarin we juichend afdalen. 

Wie denkt immuun te zijn voor deze omkering onderschat de god van de onderwereld, of beter: hij herkent hem niet. Want hij is een meester in het vermommen. Een treffend voorbeeld is Joseph Beuys, hedendaags kunstenaar én antroposoof. Wat hij maakt en doet, staat qua geest en uitzicht volkomen haaks op wat in de antroposofie gebruikelijk is, maar toch wordt hij voor tal van antroposofen beschouwd als een lichtend voorbeeld, een bron van inspiratie. Jeder Mensch ein Künstler, is zijn motto, een waarheid als een koe. Maar niemand vraagt zich af wat hij met die Künstler bedoelt. Is dat iemand die, zoals vroeger, zwijgend schoonheid schept, of is het iemand die, zoals Beuys, lelijke dingen maakt en ze vervolgens mooipraat? Wat is een kunstenaar? Wat is kunst?  Rudolf Steiner heeft die vragen uitvoerig beantwoord, maar niemand lijkt dat antwoord te kennen of ernstig te nemen, want Joseph Beuys keert het radicaal om zonder dat iemand het merkt.

De hele hedendaagse kunst berust op een omkering van Rudolf Steiners esthetica, een esthetica die gebaseerd is op het werk van Goethe. In het Duitse idealisme kwam de Europese cultuur tot bloei en werd ze een aardse afspiegeling van de bovenaardse Michaëlschool die op dat moment plaatsvond (en waaruit later de antroposofie zou voortkomen). Maar tezelfdertijd stichtte Ahriman een onderaardse school waar precies het omgekeerde werd onderwezen. Van daar uit sloop in datzelfde Duitse idealisme de kunstopvatting binnen die het hele Westerse denken over kunst zou gaan beheersen en vandaag consequent wordt toegepast in de hedendaagse kunst. De tragiek is dat deze kunst – de zichtbaar geworden anti-antroposofie – niet herkend wordt door antroposofen en zelfs doorgedrongen is tot in het hart van de antroposofische wereld. Dat is geen nieuw gegeven: reeds tijdens zijn leven waarschuwde Rudolf Steiner voor de anti-antroposofie die zich in de schoot van de antroposofische vereniging ontwikkelde, in zijn onmiddellijke nabijheid. 

Kende Rudolf Steiner de pispot van Marcel Duchamp? Dat is weinig waarschijnlijk. Het was destijds niet meer dan een morbide grap in een obscure New Yorkse kunstgalerie. De geest die erachter schuilging, kende hij echter maar al te goed. Hij wist dat dit ‘onschuldige lam’ de hele menselijke beschaving aan de rand van het graf zou brengen. Toen hij zelf al met één been in het graf stond, waarschuwde hij nadrukkelijk voor dit gevaar, zonder evenwel de hedendaagse geest bij naam te noemen. Het mocht niet baten. Onmiddellijk na zijn dood liet de Grote Vijand zijn gezicht zien. Hij scheurde de antroposofische vereniging in twee en even later onderging Europa hetzelfde lot. Dat de antroposofen zo massaal voor de bijl gingen, geeft een idee van het enorme misleidingsvermogen van deze geest. Degenen die hem doorzagen stonden machteloos, ze werden zonder pardon uit de vereniging gezet en beschouwd als ketters die de brandstapel verdienden.

Het zou bijna 100 jaar duren voor ze weer in ere werden hersteld, maar dat betekent geenszins dat de grote tegenstander van de antroposofie nu ontmaskerd is. Integendeel, men blijft onverminderd blind voor de nieuwe heerser van de wereld. Als het van de Beuys-fans afhangt, dan wordt hij zelfs de inspirator van de moderne antroposofie. We mogen bidden dat het nooit zover komt dat hij de plaats van Michaël inneemt, maar ondenkbaar is het zeker niet. Want het gaat snel, de macht van de hedendaagse geest breidt zich zienderogen uit. Wie tegen hem durft in te gaan riskeert nu reeds zijn reputatie, zijn broodwinning, zijn vrijheid en zelfs zijn leven. Juist daarom moeten we ons dringend de vraag stellen: hoe slaagt de hedendaagse geest erin om de antroposofie te vervalsen zonder dat we het merken? Als we niet zelf het slachtoffer willen worden van deze duivelse omkeringskunstenaar dan moeten we proberen een antwoord vinden op die vraag. 

Lichtbaken (21)

  

Honderd jaar nadat Rudolf Steiner zijn driegeledingsidee lanceerde, is de wereld dualistischer dan ooit. Niets illustreert dat beter dan de hedendaagse politiek. De traditionele partijen bestaan nog wel, maar ze zijn schijn geworden. In werkelijkheid zijn er nog slechts twee politieke partijen: links en rechts. Allebei streven ze hetzelfde ideaal na: de vernietiging van de ander. Voor minder doen ze het niet. De gedachte aan een compromis, verstandhouding of samenwerking komt niet eens meer bij hen op, wel integendeel. Het kleinste toenaderingsgebaar wordt beschouwd als hoogverraad. En deze politieke situatie is geen uitzondering, zij is de regel. Overal, op ieder gebied staan de tegenpolen met getrokken messen tegenover elkaar. Het oeroude ideaal van het gulden midden is vervangen door zijn tegendeel. Wat vroeger gold als het grootste goed, wordt nu beschouwd als het grootste kwaad. Jean-Paul Sartres beroemde uitspraak is werkelijkheid geworden: l’enfer, c’est les autres

De moderne, gepolariseerde wereld is het volstrekte tegendeel van de driegelede samenleving die Rudolf Steiner voor ogen stond. De antroposofie is er dus niet in geslaagd de driegeledingsidee ingang te doen vinden. Ze is er zelfs niet in geslaagd ze in haar eigen kleine kring te realiseren. Driegeledingsinitiatieven eindigen telkens weer in ruzie, conflicten en tegenstellingen. Hoe komt dat? Wat gaat er mis? Ligt het misschien aan de driegeledingsidee zelf? Dat is weinig waarschijnlijk, want ze spreekt voor zich. Aan de moderne werkelijkheid ligt het ook niet, want zonder haar dualisme zou de mens nooit het vrije en zelfstandige Ik zijn geworden dat de hoeksteen vormt van de antroposofie. Bijgevolg moet de oorzaak van het falen van de driegeledingsbeweging – en bij uitbreiding van de hele antroposofie – gezocht worden in de relatie tussen beide polen, in de manier waarop driegeledingsidee en dualistische werkelijkheid met elkaar verbonden worden. 

Dat kan alleen een kunstzinnige manier zijn. De antroposofie streeft ernaar ieder gebied van het menselijk leven tot een kunst te verheffen. Van de geneeskunde wil ze een geneeskunst maken, van de opvoedkunde een opvoedkunst, van de landbouwkunde een landbouwkunst, enzovoort. Daarvoor moet ze natuurlijk weten wat kunst is en hoe een kunstenaar tewerk gaat. Rudolf Steiner heeft het daar uitvoerig over gehad. Nog vóór hij zijn Filosofie der Vrijheid schreef, had hij zijn visie op kunst reeds samengevat in zijn voordracht over Goethe en de nieuwe esthetica. Die nieuwe esthetica noemde hij een ‘gezond fundament van de antroposofie’ en hij plaatste ze tegenover de moderne esthetica, die in zijn ogen een ‘ongezond’ fundament was, want hij wees ze radicaal af. In die tegengestelde visies op kunst moet de oorzaak van het falen van de driegeleding gezocht worden, want de antroposofie neemt de verkeerde visie tot uitgangspunt van haar handelen.  

Rudolf Steiner baseerde zijn visie op Goethe en Schiller. Hij zag kunst als ‘een zintuiglijke verschijning in de vorm van de idee’ terwijl ze in de moderne visie precies het omgekeerde is, namelijk ‘de idee in de vorm van een zintuiglijke verschijning’. Deze misvatting had lange tijd geen invloed op de kunstpraktijk omdat kunstenaars en kunstliefhebbers zich – vanuit een instinctief wantrouwen voor abstracte ideeën – niks aantrokken van de denkbeelden van de esthetica. Maar in de 20ste eeuw drong het wetenschappelijke denken door in de wereld van de kunst en daaruit werd een geheel nieuwe kunst geboren. Ze kreeg de naam ‘hedendaags’ en wortelde niet langer in het instinctieve aanvoelen van kunstenaars en kunstliefhebbers, maar in de abstracte – en vooral verkeerde – ideeën van kunstwetenschappers. Uitgerekend deze hedendaagse kunst, die de rechtstreekse toepassing is van de visie die Rudolf Steiner aan de kaak stelde, heeft de antroposofie tot voorbeeld gekozen. 

Dat werd duidelijk toen men in Dornach de 100ste verjaardag vierde van het congres van Munchen, waar Rudolf Steiner als het ware officieel de antroposofie met de kunst had verbonden. Die viering werd gecombineerd met de herdenking van de dood van Joseph Beuys, een van de boegbeelden van de hedendaagse kunst. Ofschoon Beuys met zijn werk (niet met zijn ideeën) dwars ingaat tegen de kunstopvattingen van Rudolf Steiner, kwam daar zo goed als geen protest tegen. De antroposofische vereniging koos met andere woorden voor de (materialistische) visie die Steiner ondubbelzinnig afgewezen had. Daarmee keerde ze zich tegen haar stichter, maar niemand leek dat op te merken. Men zag immers geen verschil tussen het werk van Rudolf Steiner en dat van Joseph Beuys. Men zag alleen de overeenkomst tussen hun ideeën. En daar, in die blindheid voor het verschil tussen ideeën en kunst, moet de oorzaak van het falen van de driegeleding gezocht worden. 

Als idee behoort de driegeleding tot het gebied van de wetenschap. Als werkelijkheid behoort ze tot het gebied van de kunst. In de moderne visie is er geen wezenlijk verschil tussen deze twee gebieden: kunst is niet meer dan een soort toegepaste wetenschap, ze giet ideeën in een zintuiglijke vorm. Wat de wetenschap met woorden en begrippen zegt, zegt de kunst met beelden en vormen. De moderne kijker gaat er dan ook als vanzelfsprekend vanuit dat er geen wezenlijk verschil is tussen de ideeën van een kunstenaar en zijn werk. Als de ideeën van Joseph Beuys antroposofisch zijn, redeneert hij, dan is zijn kunst dat ook. Maar dat is een groteske misvatting. Kunst is, zoals Rudolf Steiner beklemtoont, géén wetenschap. Het is een heel ander, autonoom gebied dat niks te maken heeft met de ideeën van de wetenschap, ook niet met die van de geesteswetenschap. Het is dus onzin om kunst te beoordelen aan de hand van de ideeën of intenties van de kunstenaar. 

Dat iemand geesteswetenschapper is, maakt van hem nog (lang) geen kunstenaar. Toch is het een eerste stap, want de antroposofie is een wetenschap die kunst wil worden. Maar als ze zich laat leiden door de omgekeerde opvatting over kunst, dan maakt ze als het ware rechtsomkeer, dan gaat ze tegen zichzelf in. Daarom wordt haar driegelede streven telkens weer in zijn tegendeel gekeerd en bereikt ze nooit haar doel. Die omkering kan maar op één manier voorkomen worden: door bewust te worden van het onderscheid tussen kunst en wetenschap. In de loop der eeuwen is dat onderscheid uitgegroeid tot een diepe kloof, die de weerspiegeling is van de afgrond die ook in de ziel, tussen verstand en gevoel, gaapt. Door die tegenstelling wordt de moderne mens innerlijk verscheurd en hij probeert dan ook uit alle macht zijn ziel te ‘helen’. Maar hij doet dat niet bewust onderscheidend, hij doet het door instinctief de ogen te sluiten voor de kloof die zowel zijn uiterlijke als zijn innerlijke wereld verdeelt. 

Zo reageert de moderne mens op de kloof waarmee hij geconfronteerd wordt: door ze te negeren, door te doen alsof ze niet bestaat. Als gevolg daarvan les extrêmes se touchent : de tegenpolen vermengen zich met elkaar en verliezen hun eigen karakter: de wetenschap houdt op objectief te zijn, de kunst houdt op subjectief te zijn. Het verstand maakt zich los van de waarheid en wordt leugenachtig, het gevoel verliest het contact met het Ik en wordt emotioneel met neiging tot massahysterie. Samen vormen ze de karikaturale mens die niet beseft dat hij een levende contradictie is geworden. Die vermenging is het gevolg van zijn terechte maar blinde streven naar heling, genezing en eenwording. Door de ogen te sluiten voor de dualiteit en geen onderscheid meer te maken tussen de tegenpolen, probeert de mens hun oorspronkelijke eenheid te herstellen. Maar dat lukt natuurlijk niet. De evolutie kan niet omgekeerd worden. Dat leidt tot zelfvernietiging, niet tot heling.

Hoe weinig de mens zich dat realiseert, blijkt uit het feit dat hij deze reactionaire beweging ‘progressief’ noemt. De hedendaagse kunst bijvoorbeeld – resultaat van het blinde streven naar eenwording van kunst en wetenschap – ziet hij als de avant-garde van de moderniteit, terwijl ze in werkelijkheid de belichaming is van een eeuwenoude misvatting die pas in onze tijd haar ware gezicht toont. Dat gezicht is weerzinwekkend, maar het brengt de mens er niet toe de ogen te openen. Hij ziet geen verschil met de oude, vertrouwde gezicht van de kunst, want hij slaapt. Nergens kunnen we beter waarnemen hoe diep de moderne mens slaapt dan in de hedendaagse kunst. Ze helpt ons ook te begrijpen wat de oorzaak van die (bewustzijns)slaap is: het gebrek aan onderscheid tussen kunst en wetenschap, de weigering om de kloof tussen beide onder ogen te zien. Het is dan ook de bewuste confrontatie met deze kloof die ons wakker maakt en verhindert dat ons eenheidsstreven ‘omkeert’ tot een vernietigingsstreven. 

Rudolf Steiner hamerde er steeds weer op dat we wakker moeten worden. Antroposofen moeten de wereld niet verbeteren, want dat doet iedereen. Ze moeten het kwaad niet bestrijden, want ook dat doet iedereen. Ze moeten alleen maar wakker worden. Dat is hun – cruciale – bijdrage aan de moderne tijd. Antroposofen moeten onderscheid maken tussen kunst en wetenschap, ze moeten zich bewust worden van het autonome wezen van de kunst. Dat is hun core business: onderscheid maken. De rest is immers gegeven, want sinds het einde van het Kali Yuga dringt de geestelijke wereld opnieuw door tot de mens en wekt in hem een onweerstaanbaar streven naar eenheid. Maar of dat eenheidsstreven een scheppende dan wel een vernietigende werking heeft, hangt af van het onderscheidingsvermogen van de mens, van zijn vermogen om wakker te blijven in een ‘vergeestelijkende’ wereld. Daar ligt de opgave van de antroposofie: zij moet het verschil maken door het verschil te zien. 

Dat maakt de antroposofie ook tot vijand nummer één van de geest die vandaag zo actief is in de wereld, de geest die de mens wil beletten om verschillen te zien, die hem dwingt om de ogen te sluiten voor de kloof tussen kunst en wetenschap, tussen Oost en West, tussen blank en zwart, tussen man en vrouw, tussen mens en dier, kortom tussen alle tegenpolen. Deze geest stelt de dualiteit voor als de bron van alle kwaad en drijft daardoor het dualisme ten top. Hij keert het (onbewuste) eenheidsstreven van de mens tegen diens (even onbewuste) tweeheidsstreven en ontketent in hem een zelfvernietigende strijd. Want de mens heeft zijn vrijheid en zelfstandigheid te danken aan zijn dualistische streven, aan zijn streven om de kloof tussen de tegenpolen steeds groter te maken. Door tegen dat streven in te gaan, keert hij zich tegen zichzelf, tegen zijn beschaving, tegen zijn evolutie. Dat is wat de anti-menselijke geest wil bewerkstelligen, en dat is wat de antroposofie wil verhinderen. 

Hoever deze strijd tegen de dualiteit gaat, zien we in de zogenaamde genderbeweging die, in naam van de gelijkheid tussen de geslachten, het verschil tussen de geslachten wil uitwissen. La guerre des sexes wordt op die manier een oorlog tegen de geslachten, en dus ook tegen de mens. Want de scheiding der geslachten is een beeld van de oerscheiding die het ontstaan van de mens mogelijk maakte. De geestelijke wereld deelde zichzelf in twee – God kreeg een zoon, zegt men in het christendom – en schiep daardoor de ruimte waarin de mens zich kon ontwikkelen. Wie deze kloof teniet wil doen, keert zich niet alleen tegen het bestaan van de mens, hij keert zich ook tegen de geestelijke wereld en met name tegen de liefde die deze wereld ertoe bracht een kloof in zichzelf te slaan. De kwaadaardige geest waartegen de antroposofie zich verzet, is dan ook de Antichrist, de grote tegenstander van Christus, die het wezen van de liefde is, het centrum van de geestelijke wereld. 

Lichtbaken (3)

  

Een goede verstaander heeft maar een half woord nodig. Het woordje ‘karikaturist’ waarmee ik in de folder van de Lichtbaken-conferentie werd voorgesteld, volstond om me op het goede spoor te zetten. Verrassend was dat spoor wel, want wie gaat nu de koninklijke driegeledingsidee in verband brengen met iets zo banaals als een karikatuur! Zonder die ‘karmische vingerwijzing’ zou ik dat nooit gewaagd hebben, want ze kunnen streng zijn, de koningen van de antroposofie! Aan de andere kant ligt het duiveltje-in-me steeds op vinkeslag. Dus toen de geest van de conferentie mij vroeg om als karikaturist op te treden, heb ik niet lang geaarzeld. Dat ik dát nog mocht meemaken: door de antroposofische wereld gevraagd te worden om te spreken over kunst! Het was ooit anders. 

Mijn eerste aanvaring vond plaats in 1987 toen ik een beetje de draak stak met het werk van Eugeen Vansteenkiste, een schilder over wie door antroposofen in lyrische termen werd gesproken, maar die bij mij eerder op de lachspieren werkte. Dat viel niet in goede aarde. Ik werd publiekelijk een ‘rotte appel in de mand’ genoemd en er werd opgeroepen om die appel te verwijderen. Gelukkig werd daar geen gehoor aan gegeven, maar de ergernis bleef. De Mare, het schooltijdschriftje waar ik regelmatig iets voor schreef, kreeg ooit een anonieme brief waarin gedreigd werd met ‘maatregelen’ als ze mijn vuilspuiterijen zouden blijven publiceren. Maakte ik het dan werkelijk zo bont? Ik vond (natuurlijk) van niet, maar daar was niet iedereen het mee eens. Een nar in de wereld van de antroposofie? Het bleef moeilijk. 

Mijn volgende ijsberg kwam ik tegen in het belfort van Brugge, waar de plaatselijke steinerschool haar geschenkenbeurs hield. Ik tekende er karikaturen en had als blikvanger een grote karikatuur van Rudolf Steiner op mijn ezel gezet. Dat zorgde voor enige hilariteit en op een bepaald moment schreed een volledig in het paars geklede dame op leeftijd naar me toe en sprak op gebiedende wijze: wilt u dat onmiddellijk wegnemen! Zoiets doet men niet! Men spot niet met een grote ingewijde! Ik dacht bij mezelf: die grote ingewijde tekende verdorie zelf karikaturen! Maar er viel duidelijk niet te discussiëren met deze hogepriesteres en dus zei ik: het spijt me, dat kan ik niet doen, ik moet m’n brood verdienen! Dat laatste was een beetje overdreven, maar ik zat er toch heus niet alleen voor mijn plezier, ik kon het geld best gebruiken. Onze koppen botsten dus tegen elkaar en aangezien de mijne de hardste was, droop de paarse dame af. Het was echter een Pyrrhus-overwinning, want vanaf dat moment kreeg ik geen enkele klant meer. Heeft die paarse mevrouw misschien magische krachten? vroeg ik aan Kristien Dieltiens die tegenover me zat te tekenen. Absoluut, knikte ze vol overtuiging. 

De antroposofische ernst werkte op mij als een rode lap op een stier. Het was sterker dan mezelf. Er werd gesproken over kabouters, etherische lichamen en ‘elementaarwezens’ alsof het niks was, alsof de geestelijke wereld voor antroposofen geen geheimen had. Hebben jullie wel eens zo’n kabouter gezien? wilde ik weten. Maar dergelijke vragen werden niet op prijs gesteld. Dus bleef ik die koningen-zonder-kleren een beetje uitlachen. Over één ding was ik echter altijd ernstig, ook wanneer ik lachte, en dat was de kunst. Antroposofen hadden daar geen verstand van, vond ik. Dat vind ik trouwens nog altijd. 

Op een dag las ik in een antroposofisch tijdschrift een lang artikel over Joseph Beuys, de hedendaagse kunstenaar die door sommigen beschouwd wordt als de grootste antroposoof sinds Rudolf Steiner. Allemaal goed en wel, schreef ik in een lezersbrief, maar waar is het verband tussen de antroposofische ideeën van Beuys en zijn zogenaamde kunstwerken? Ik zag dat verband niet en was ervan overtuigd dat het niet bestond. Er werd met geen woord over gesproken, men deed gewoon alsof het vanzelf sprak, alsof het kleinste kind dat kon zien. Ik kreeg dan ook geen antwoord op mijn vraag, maar enige tijd later werd in Antwerpen een tweedaags symposium gehouden over Joseph Beuys. Ik vermoedde een oorzakelijk verband en voelde me moreel verplicht om aanwezig te zijn. Maar ik zag er steil tegenop, want ik wist waar het zou op uitdraaien.

Er namen zo’n 20 mensen deel aan het symposium, allemaal fans van Joseph Beuys, op mij na. Door een technisch defect kon de geplande voorstelling van zijn beroemde Coyote Aktion (een performance) niet doorgaan en werd ze verschoven naar de tweede dag. Zonder dat defect was ik de eerste avond al weggelopen om nooit meer terug te keren, zo afschuwelijk vond ik de video-vertoning. Ik verstarde helemaal, alle haren op mijn lichaam stonden overeind en de kilte drong tot in mijn botten door. Na afloop rende ik naar buiten en snoof vol welbehagen de uitlaatgassen van de auto’s op. Het lawaai van de stad klonk me als muziek in de oren. Hoe heerlijk was de doodgewone werkelijkheid na die helse tocht door de onderwereld van Joseph Beuys! Onnodig te zeggen dat mijn afschuw niet werd gedeeld, wel integendeel. Christine Gruwez, die naast me zat, vond de beelden prachtig. Leg me dan eens uit wat je daar zo prachtig aan vindt, zei ik. Dat weet ik niet, antwoordde ze, en dat hoef ik ook niet te weten. Daarmee was de kous af. Het gesprek was al afgelopen nog voor het goed en wel begonnen was. 

Het sleepte zich nog een hele tijd voort tot uiteindelijk iemand zijn geduld verloor. Ik zou toch wel eens willen weten wat er achter jouw negatieve houding zit! zei hij. Ik begreep de boodschap onmiddellijk, ik had ze al duizend keer gehoord. Wie de hedendaagse kunst verafschuwt, is niet helemaal normaal, er scheelt iets met hem! Doorgaans sta ik met mijn mond vol tanden als ik op die manier word aangevallen, maar dit keer viel ik op mijn poten. Ja, antwoordde ik, die vraag heb ik me ook al gesteld. Ik heb geen idee wat jullie zo geweldig vinden aan een man die conservenblikken opstapelt, kartonnen dozen met vet insmeert, op handen en voeten over de grond kruipt met een konijn tussen zijn tanden, of zich een bloedneus laat slaan terwijl hij een kruisbeeld in de lucht steekt. Ik zou ook wel eens willen weten wat daarachter zit! Ik kende het antwoord natuurlijk wel: Beuys was een antroposoof, hij verkondigde antroposofische ideeën en dus moest zijn werk wel goed zijn. Dat was ongetwijfeld een geruststellende gedachte voor antroposofen. Maar dat konden ze uiteraard niet toegeven, want dan zou ik de hamvraag hebben gesteld: wat is het verband tussen die ideeën en die ‘kunstwerken’? 

Het symposium was geworden wat ik ervan verwacht had: een strijd van één tegen allen. Zo ging het altijd. In de hedendaagse kunst gebeuren de meest absurde, choquerende en weerzinwekkende zaken – Joseph Beuys is heus de kwaadste niet – maar als je daar kritiek durft op geven, krijg je de hele intellectuele en culturele wereld tegen je. Er wordt openlijk getwijfeld aan je toerekeningsvatbaarheid, je wordt beschouwd – én behandeld – als een cultuurbarbaar, een deplorable, een moreel inferieur wezen. Helaas vormt de antroposofische wereld – die nochtans op velerlei gebied tegen de stroom in roeit – geen uitzondering op deze regel. 

Het meest krasse voorbeeld maakte ik mee toen de 12de klas waarin mijn jongste dochter zat haar slottoneel opvoerde en zonder het te beseffen alles door het slijk sleurde waar de steinerschool voor stond. Het stuk was een kwaadaardige parodie op het leven van Christus. God de Vader was een gangster wiens dochter tegen zijn wil de mensheid wilde redden, iets wat aanvankelijk leek te lukken, tot ze uiteindelijk verkracht werd en haar vader verzocht iedereen tot de laatste man uit te roeien, wat hij ook deed. Ik kon mijn oren niet geloven toen ik vernam dat de 12de klas uitgerekend dit stuk zou spelen, een bewerking van Dogville, de afschuwelijkste film die ik ooit had gezien. Van mijn dochter vernam ik dat de leerlingen niet gelukkig waren met die keuze, maar ze volgden hun leerkrachten die ‘eens iets anders wilden dan altijd weer die brave toneelstukken’. De bedoeling was, zo verklaarden ze, om in de school een discussie op gang brengen, want daar diende kunst tenslotte voor. Ik was niet van plan me te mengen in de hele kwestie, ik wilde niet opnieuw mijn vingers verbranden. Ik zei tegen mijn dochter: kind, nog even op je tanden bijten en dan ben je ervan af! 

Maar het lot besliste er anders over. Op een ouderavond werd mij gevraagd om mee te werken aan de voorbereiding van het toneel. Ik weigerde en men wilde weten waarom. Toen ik dat omstandig uitlegde bleek hun zin om in discussie te gaan opeens fel bekoeld. Het toneel werd opgevoerd, de leerlingen werden letterlijk en figuurlijk in hun hemd gezet, en iedereen deed alsof er niks aan de hand was (al klonk het applaus opvallend mager). Achteraf kwamen ouders me vertellen dat ik overschot van gelijk had maar dat ze dat niet openlijk durfden zeggen uit schrik voor represailles tegen hun kinderen. Jezus, dacht ik, wat een atmosfeer! Ik sprak andere leerkrachten aan, maar ze haalden hun schouders op, ze wilden er niks mee te maken hebben. Ga daarmee naar de oorlog, zuchtte ik. Na overleg met mijn vrouw besloot ik contact op te nemen met het bestuur in Dornach. Ze moesten ginder weten wat er zoal in de steinerscholen gebeurde, vond ik. Maar ik kreeg het deksel op mijn neus. Ik was volgens hen ‘niet serieus bezig met antroposofie’. Case closed

Nee, met antroposofen kon je maar beter niet over kunst beginnen, dat leverde alleen maar ellende op. Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Toen ik jaren later vernam dat men in datzelfde Dornach het honderdjarig bestaan van het ‘huwelijk’ tussen kunst en antroposofie had gevierd door Joseph Beuys te herdenken en een zaal van het Goetheanum vol bananenschillen te strooien, schoot ik uit mijn krammen. Onder de titel ‘En is dat hier een apenkot?’ schreef ik een vlammend stuk in het ledenblad. Het zou meteen mijn laatste bijdrage worden. Je snapt toch zelf wel, zei men, dat we niet meer met je willen praten! Ik snapte het inderdaad: over (hedendaagse) kunst viel in antroposofische kringen niet te praten. In andere kringen ook niet, maar het ontgoochelde me diep dat zelfs antroposofen geen uitzondering maakten op deze regel. 

Jeder Mensch ein Künstler

  

‘Ich ernähre mich durch Kraftvergeudung’ van Joseph Beuys. Geschatte prijs: 2000 euro. Verkocht voor: 4.864 euro. No kidding.

Nattigheid

  

Merkwaardig bericht gisteren in de (digitale) krant: ‘In navolging van landen als België en Frankrijk voert nu ook Letland een boerkaverbod in. Alleen: er dragen naar schatting amper drie vrouwen een boerka of andere gelaatsbedekkende kledij. Dat berichten verschillende media.’ Merkwaardig is niet de inhoud van dit bericht, maar de vorm waarin het gesteld is. Er is niks opzienbarends aan een boerkaverbod. Het is zelfs de normaalste zaak van de wereld, en dan spreek ik niet eens over het feit dat onder zo’n boerka flink wat bommen of gestolen goederen kunnen verborgen worden. Nee, het zicht alleen al van zo’n van top tot teen gesluierde vrouw zou voldoende moeten zijn om te zeggen: dit is erover! Het is er net zo over als een volledig naakte vrouw. Ook daarvan zeggen we als vanzelfsprekend: dat kan niet! Waarom niet? Omdat er grenzen zijn, zowel aan het (ont)kleden als aan het stellen van vragen. Zonder vanzelfsprekende grenzen kan geen enkele samenleving standhouden. 

Dat Letland de boerka verbiedt, is niet meer dan normaal. Het is zelfs zo normaal dat het geen nieuws is. Dat het dat toch is geworden en dat het zelfs als opzienbarend wordt voorgesteld, dát is het eigenlijke nieuws. Het nieuwsfeit ligt niet in de inhoud maar in de vorm van het bericht. Men wil de lezer doen geloven dat er iets niet klopt met dat verbod, dat het iets buitensporigs is, een veeg teken. Als argument wordt aangevoerd dat er maar drie boerka’s rondlopen in Letland, alsof een boerka iets is dat je pas moet gaan verbieden als een bepaald aantal overschreden is. Dat is een redenering als: wij keuren het stenigen van vrouwen niet goed, maar als het er maar drie per maand zijn, vinden wij het een overdreven reactie om het te verbieden. Het is met andere woorden onzin. Een non-argument. De aap komt uit de mouw als dat de minister die het verbod heeft uitgevaardigd tot een ‘anti-immigratiepartij’ blijkt te behoren, alsof anti-immigratie-zijn de enige reden van bestaan is van zijn partij. 

Waar het in werkelijkheid om gaat, is dat de Letse Nationale Alliantie een rechtse partij is, een partij die de ‘Letse cultuur’ wil beschermen en de ‘veiligheid garanderen’, beide nadrukkelijk tussen aanhalingstekens geplaatst alsof het ging om twijfelachtige tot zelfs ridicule objectieven. Stel je voor, een regering die de bevolking en haar cultuur wil beschermen! Hoe achterlijk moeten ze wel zijn, daar in Letland! Maar ‘de media’ hebben een verklaring voor dit idiote gedrag: het is niet enkel een gevolg van de vele nieuwsberichten over moslimterrorisme (let wel: van de nieuwsberichten, niet van het terrorisme zelf) maar ook van de ‘traumatische ervaringen’ in de Sovjettijd, alweer tussen aanhalingstekens alsof die traumatische ervaringen fel overdreven zijn en het communisme onnodig gedemoniseerd wordt. En dat alles valt te lezen in de … New York Times. De New York Times? Is dát de bron van het Europese nieuws? Zijn dat de ‘verschillende media’? Het bericht verschijnt in zowel in De Standaard als De Morgen, en wel in identieke bewoordingen.

Dat zet mij aan het denken. Dat nieuwsberichten inhoudelijk gelijk zijn, valt te begrijpen. Als er in Brussel aanslagen worden gepleegd dan is het niet meer dan normaal dat ze overal de inhoud van het nieuws vormen. Maar het is niet normaal als ook de vorm van die berichten hetzelfde is, en zeker niet als uit die vorm ook nog eens een duidelijke boodschap spreekt. Als die boodschap bovendien uit Amerika afkomstig blijkt, dan is het (hoog) tijd om nattigheid te voelen. Dit onnozele bericht over het boerkaverbod in Letland doet me duidelijker dan ooit beseffen dat de Europese media geen eigen stem meer hebben, dat ze de spreekpoppen zijn van Amerika. Niet alleen staat het hen niet meer vrij te berichten waarover ze willen berichten, maar ze zijn ook niet meer vrij in de manier waarop ze dat doen. En juist die manier heeft – zoals in dit geval – de grootste nieuwswaarde. Niet alleen het wat, maar meer nog het hoe is aan banden gelegd door Uncle Sam alias Big Brother

‘Bedenk het wat, maar meer nog het hoe‘ – het is een uitspraak van Goethe over kunst. Het eigenlijk kunstzinnige, zegt hij, ligt in de vorm, niet in de inhoud. Dat is ook waar Rudolf Steiner steeds weer op hamert. Ik heb het dan ook vroeger al gezegd: de overuigingskracht van de politiek-correcte media ligt in hun kunstzinnigheid. Journalisten zijn kunstenaars geworden, daarom hebben ze zoveel invloed (vooral op de jeugd): ze hechten meer belang aan de vorm dan aan de inhoud. Via die vorm brengen ze hun eigenlijke boodschap over. En die luidt: het is belachelijk om de Europese cultuur te willen beschermen, het is idioot om bang te zijn voor de moslimcultuur met haar boerka’s. Al hun kunstzinnigheid wenden de Europese journalisten en media aan om die boodschap dag in dag uit in de Europese … nee, niet hoofden maar harten te hameren. Want de kunst spreekt het hart aan, niet het hoofd. 

Maar het zijn niet alleen de journalisten die dat doen. Ze zijn voorafgegaan door de … kunstenaars. Al bijna honderd jaar dragen Europese kunstenaars dezelfde boodschap uit: de Europese cultuur is shit! Je moet compleet achterlijk zijn om daar vandaag nog enig belang aan te hechten! Die verheffende boodschap dragen ze niet uit door de inhoud van hun ‘kunst’ maar door de vorm. In de Hedendaagse Kunst kan men inhoudelijk de meest uiteenlopende boodschappen beluisteren, tot zelfs antroposofische (Joseph Beuys!). Maar dat is bijzaak, daar gaat het niet om. Waar het om gaat is de vorm, en daarin zal men nooit ofte nimmer een spoor van respect vinden voor de Europese artistieke traditie. Dat is volstrekt taboe. Altijd moet die vorm dienen om die traditie te kleineren of te verminken. Dat is zelfs het geval bij iemand als Michaël Borremans, die schildert in de stijl van de oude meesters. Hij is vandaag wereldberoemd, maar vanaf het moment dat hij ophoudt met kleineren en verminken is het afgelopen met hem. 

Het zou meer dan interessant zijn om de kunstgeschiedenis van de 20ste eeuw – deze fable convenue bij uitstek – eens in deze zin te herschrijven. Het is bijvoorbeeld een publiek geheim dat de Amerikaanse CIA na de tweede wereldoorlog massaal geld is beginnen pompen in de zogenaamde Hedendaagse Kunst (toen die nog niet zo heette). Dat gebeurde in het kader van de Koude Oorlog: het communisme – dat een zeer realistische kunst voorstond – werd bevochten met Jackson Pollock & co. Maar als ik zie dat de ‘traumatische ervaringen’ in de Sovjettijd vandaag geminimaliseerd worden door Amerika, dan denk ik dat het propageren van de Hedendaagse Kunst een heel ander doel diende dan het bestrijden van het communisme. De strijd tussen links en rechts is trouwens altijd een schijn-strijd geweest die in werkelijkheid tegen het midden, dat wil zeggen tegen Europa, gericht was. En vooral in de (beeldende) kunst zien we hoe succesvol die strijd geweest is: grondiger dan daar kon de klassiek-Europese traditie niet worden uitgeroeid. 

Bijzonder tragisch is in mijn ogen dat uitgerekend de beweging die de Europese cultuur moest redden en revitaliseren – de antroposofische beweging – de Hedendaagse Kunst omarmd heeft en op die manier enthousiast heeft meegewerkt (en dat nog altijd doet) aan de uitroeiing van datgene wat ze moest beschermen. Een cruciale rol in deze trahison des anthroposophes speelde natuurlijk Joseph Beuys, de Duitse kunstenaar die tijdens de tweede wereldoorlog een soort inwijding onderging bij de … moslims van de Krim. Je zou hem dus een geïslamiseerde antroposoof kunnen noemen, iemand die de antroposofie in islamitische zin interpreteerde, zoals Averroës en co dat in de Middeleeuwen deden met het werk van Aristoteles. Of hoe de geschiedenis zich herhaalt. Wat zich echter NIET herhaalt, is de intense geestelijke strijd die Thomas van Aquino en de zijnen tegen deze moslimgeleerden streden, de strijd die volgens Rudolf Steiner van zo’n buitengewoon belang was voor de Europese beschaving.

Die strijd, zei hij, sluimerde nog altijd en we mogen ervan uitgaan dat hij wist dat hij aan het eind van de 20ste eeuw weer zou opflakkeren. Daarom was zijn laatste en dringendste oproep ook gericht aan de antroposofen die op dat moment weer op aarde zouden zijn. Zij moesten (als aristotelici) samenwerken met de grote platonici – net als in de Middeleeuwen – om gezamenlijk geestelijke strijd voeren tegen Sorat die dan zou toeslaan. Als we bedenken dat Rudolf Steiner Sorat rechtstreeks in verband bracht met de islam, dan wordt het plaatje langzaam duidelijk. Wat echter eveneens duidelijk wordt, is dat er van die geestelijke strijd geen sprake is geweest en nog altijd niet is. Wel integendeel, alles is rustig aan het antroposofische front. Het enthousiasme voor de Hedendaagse Kunst neemt hand over hand toe en wee degene die daar een onvertogen woord over zegt! Hij wordt wel niet gestenigd of onthoofd, maar veel scheelt het niet. In Amerika kunnen ze op hun twee oren slapen…  

De klop op de deur

  

  

Het lijstje met redenen waarom mijn bijdragen geweigerd worden door Antroposofie Vandaag is weer een stuk langer geworden. Na lang aandringen kreeg ik eindelijk tekst en uitleg bij het niet-verschijnen van mijn reactie op de column van Werner Govaerts. Er waren drie redenen, schreef hij, waarom de redactie (unaniem) besloten had mijn kritiek niet op te nemen. Eén: ze gold een column en geen artikel. Twee: ze gold een detail en niet het thema. En drie: ze vertolkte een anti-standpunt. Ik begreep meteen waarom hij zolang gezwegen had en pas reageerde toen ik contact opnam met zijn collega-redactielid Christine Gruwez. In zijn plaats zou ik me diep geschaamd hebben voor zo’n antwoord. Want één is natuurlijk geen reden, twee is een leugen, en drie is … lachwekkend. Uiteráárd vertolkt kritiek een anti-standpunt, anders zou het geen kritiek zijn. Wat Werner hier eigenlijk zegt, is dat hij geen kritiek duldt. 

Dat komt natuurlijk niet als een verrassing van iemand die fan is van Hedendaagse kunst. In die wereld spreekt het namelijk vanzelf dat je niet bekritiseerd wordt. Maar het verbaast me toch wel dat hij het zo ostentatief in naam van de antroposofie doet. Want tenslotte is Antroposofie Vandaag een (of zelfs de) spreekbuis van de Antroposofische Vereniging in Vlaanderen. En die spreekbuis bestaat vandaag uit twee mensen: Werner Govaerts en Christine Gruwez, allebei grote fans van Hedendaagse kunst. Ik kan moeilijk geloven dat zij met hun enthousiasme voor Jan Fabre en consoorten representatief zijn voor de antroposofische beweging, maar feit is wel dat zij geen weerwerk krijgen, behalve dan van mezelf. Ze weren mijn periodieke oprispingen echter zorgvuldig uit ‘hun’ blad. 

Het zou lachwekkend zijn als het niet zo pijnlijk was. Want de Antroposofische Vereniging verkeert in een deplorabele toestand. Er wordt binnen de beweging hard gewerkt: in de scholen, de therapeutica, de zorginstellingen, de boerderijen. Er wordt ook hard nagedacht: er verschijnen voortdurend antroposofische boeken. Maar tussen die twee polen is nauwelijks contact. En juist dat contact – het middengebied dus, het gebied van het hart – wordt vertegenwoordigd door de Vereniging. Of zou erdoor vertegenwoordigd moeten worden. 

Ik heb vroeger wel eens deelgenomen aan werkgroepen van die Vereniging, maar die vertoonden allemaal hetzelfde stramien: het begon goed, met een gesprek tussen mensen (zoals het hoort), maar dan gleed de zaak weg in het uitgesleten spoor van het lezen en bestuderen van voordrachten van Steiner. Ik heb niks tegen het lezen en bestuderen van die voordrachten, wel integendeel, maar ik stond versteld van de dwangmatigheid waarmee dat gebeurde. Ik herinner me nog een werkgroep over de actualiteit van het wereldgebeuren. Dat vond ik een nieuw en verfrissend idee waaraan ik graag wilde meewerken. Maar algauw kwam er een eind aan het vrije gesprek en waren we weer voordrachten van Steiner aan het lezen. Ik dacht: laat ik maar niet moeilijk doen, en ik volgde braaf. Op een avond bracht ik verslag uit over een voordracht die ik had moeten samenvatten. Het was ‘toevallig’ de voordracht waarin Rudolf Steiner zegt dat de Heilige Geest niemand anders is dan de bevrijde Lucifer. Er ontstond consternatie toen ik het vertelde: dat kon Steiner nooit gezegd hebben! Ik moest mij vergist hebben! Ik verzekerde hen dat ik mij niet vergiste, dat ze het zelf maar eens moesten nalezen. En ik dacht: nu wordt het interessant! Maar het werd niet interessant, men gleed gewoon over de zaak heen. Men wilde niet verontrust worden, het moest gezellig blijven.

Ik zag ook hoe er machtsspelletjes gespeeld werden, hoe mensen de werkgroep begonnen te dirigeren in een richting die dwars tegen de afspraken in ging. Toen ik mij daartegen verzette, kreeg ik geen enkele steun. Men vond het blijkbaar comfortabel om zich te laten leiden, om moeilijke – en daarom boeiende – gesprekken te vermijden, om terug te vallen in oude, vertrouwde mechanismen. Daar had ik helemaal geen zin in. Ik had de katholieke kerk niet verlaten om van de regen in de drop terecht te komen en in de Antroposofische Vereniging wekelijks een verplicht nummertje te gaan opvoeren. Toch kon ik het niet over m’n hart krijgen om er helemaal mee te breken, want wat bleef er dan nog over? Toen ik echter op een keer enthousiast verslag uitbracht over de hedendaagse esoterische kunst die ik net ontdekt had – in mijn ogen was dat groot nieuws – kreeg ik als reactie: leuk voor jou, maar wat hebben wij daarmee te maken?  

Die onverschillige en zelfs vijandige reactie trof me bijzonder pijnlijk. Ik had in de buitenwereld, de moderne, hedendaagse wereld zoals we die allemaal kennen, een kunst ontdekt die door en door antroposofisch was, die miljoenen mensen over de hele wereld enthousiast maakte (mezelf niet in de laatste plaats), maar … de leden van de Antroposofische Vereniging zagen niet in wat ze daarmee te maken hadden. Ik was verbijsterd. Hoe konden mensen zo blind en bekrompen zijn! Ik was ook woedend omdat ze me behandelden als een lastpost, als iemand die de antroposofie probeerde te bezoedelen met ‘modern vuilnis’. Maar ik was vooral verontwaardigd over wat in mijn ogen heiligschennis was. Ik beleefde de kunst die ik ontdekt had werkelijk als ‘heilig’ en in de Vereniging veegden ze er hun voeten aan.

Dat kon ik niet verdragen en ik besloot te zwijgen. Dat ze mij schoffeerden, tot daaraan toe, maar ik wilde ze niet de kans geven om te bevuilen wat me zo nauw aan het hart lag: de antroposofie-in-beelden. De ontdekking van die hedendaagse antroposofie was voor mij een enorme opluchting. Niet alleen bracht ze de antroposofie voor mij tot leven – ik had nog altijd de grootste moeite met haar ‘wetenschappelijke’ vorm – maar ze bevestigde ook mijn opvattingen over de Hedendaagse kunst. Ik had nooit ook maar één moment geloofd dat deze ‘kunst’ werkelijk de kunst van onze tijd was, maar het ontbreken van een alternatief bleef een kwelling. Als de pispotten van Duchamp en de conservenblikken van Beuys niet de kunst van onze tijd waren, waar was die kunst dan wél? Ik leefde in de overtuiging dat ze dood was en de vreugde over de ontdekking van haar ‘verrijzenis’ kon niet groter zijn. 

Maar niet minder groot was de pijn over haar miskenning door (uitgerekend) de antroposofische wereld. Ik kon niets anders doen dan zwijgen, want het was ondraaglijk om de kunst die mij zo lief was door het slijk te zien sleuren. Waar ik echter niet over zweeg was de nep-kunst die haar plaats had ingenomen en niet méér van haar kon verschillen. Met lede ogen zag ik aan hoe de ster van Joseph Beuys rees en hoe de Hedendaagse kunst de antroposofische wereld steeds dieper binnendrong. Uiteindelijk werd ze zelfs officieel ingehaald in Dornach, dat zichzelf daarmee onsterfelijk belachelijk maakte. Althans in mijn ogen. Want in de ogen van de Antroposofische Vereniging was het net omgekeerd. Door zich nadrukkelijk te associëren met de Hedendaagse kunst meende ze haar geloofwaardigheid en actualiteit in de verf te zetten. Toen ik vernam dat dat ‘toevallig’ gepaard ging met het verwijderen van alle afbeeldingen van Rudolf Steiner uit het Goetheanum, dacht ik: goed bezig, jongens!

Het botste dus tussen mij en de ‘verhedendaagste’ Vereniging. Aanvankelijk was er nog een gesprek mogelijk, ook al was dat in hoge mate een dovemansgesprek. Zo nam ik ooit deel aan een Beuys-symposium in Antwerpen. Ik voelde mij daar moreel toe verplicht want ik had zelf de kat de bel aangebonden. Zoals verwacht bevond ik me daar tussen louter Beuys-fans, in het hol van de leeuw dus. Het lot stak me een handje toe want er stond eerst een video-verslag van de beroemde Coyote-performance op het programma, maar de video werkte niet zodat het weekend begonnen werd met een gesprek. Toen ik de volgende dag die performance zag, kreeg ik het koud tot in mijn botten, mijn haren gingen recht overeind staan en ik had pijn in al mijn gewrichten. Slechts met de grootste moeite kon ik de kwellende vertoning uitzitten, waarna ik naar de cafetaria holde en smeekte om zwarte koffie. Die was er niet en dus haastte ik mij naar buiten waar ik met een enorm welbehagen de benzinedampen van de stad inhaleerde. Ik snakte naar de gewone, dagelijkse werkelijkheid zoals ik er nog nooit had naar gesnakt. 

Hadden ze die video eerst afgespeeld, dan was ik weggelopen om nooit meer terug te keren. Nu zat ik daar als enige criticus tussen allemaal fans. Ze begrepen er niks van: hoe kon iemand nu zo negatief staan tegenover Joseph Beuys! Ze verheelden het niet: er moest iets met me schelen! Ik bleef rustig en zei: ik begrijp ook niet hoe jullie zo positief kunnen staan tegenover Joseph Beuys! Christine Gruwez, die vlak naast mij zat, antwoordde: zijn beelden spreken me aan, en ik hoef niet te weten waarom ze me aanspreken! Ik repliceerde: daarmee houdt het gesprek wel op, want als je niet wil weten waarom beelden je aanspreken, dan wil je ook niet weten waarom diezelfde beelden andere mensen doodziek maken. Iedereen zweeg. Het gesprek was afgelopen. Zij vonden de beelden van Beuys geweldig, ik vond ze afschuwelijk, en dat was het dan. 

Voor hen was dat geen probleem, want ze waren in de meerderheid en ik peinsde er niet over om het nog eens in mijn eentje tegen hen op te nemen en bestempeld te worden als iemand die niet helemaal normaal is. Toch kon ik niet werkeloos toezien hoe deze Beuys-verering zich uitbreidde en hoe vooral jonge mensen zich daardoor lieten verleiden. Daarom sprak ik Werner Govaerts aan, die ik destijds als een jonge en veelbelovende antroposoof beschouwde, een strijdlustig iemand ook, die er niet voor terugschrok om af en toe eens tegen heilig antroposofisch huisje te schoppen. Ik nodigde hem uit om in mijn Vijgeblad in discussie te gaan over Joseph Beuys. Hij ging daarop in en we begonnen een geschreven gesprek dat wel een half jaar duurde en dat me nogal wat lezers kostte, want, zeiden ze, wanneer is dat nu eens afgelopen met dat gezeur over Joseph Beuys! Ik kon het hen niet kwalijk nemen, je moet echt wel in kunst geïnteresseerd zijn om er zolang over door te bomen.

De strijd eindigde onbeslist. Ik slaagde er niet in hem te overtuigen, en hij slaagde er niet in om mij van gedacht te doen veranderen. Hij gaf wel ridderlijk toe dat hij niet wist wat er nu van aan was en dat hij beide opties openhield. Maar dat was toen. Vandaag ziet het ernaar uit dat Werner gekozen heeft. Hij heeft zich aangesloten bij het Beuys-kamp. Op zich heb ik daar geen moeite mee. Ik kan het zelfs begrijpen. Ik weet uit ervaring hoe het voelt om niet tot dat kamp te behoren. Waar ik echter wel moeite mee heb, is dat zijn ridderlijkheid verdwenen is, dat hij niet meer met me wil spreken, dat hij me behandelt als a pain in the ass. En waar ik nog meer moeite mee heb, is dat hij dat doet in naam van de Antroposofische Vereniging. Het betekent namelijk dat de bruggen tussen mij en de Vereniging nu wel helemaal opgebroken zijn. 

Het is eigenlijk een herhaling van wat ik vroeger al meemaakte: mensen die de macht naar zich toetrekken en anderen die dat laten gebeuren. Want ik kan niet geloven dat alle leden van de Antroposofische Vereniging het eens zijn met Werner Govaerts en Christine Gruwez. Zouden ze werkelijk allemaal vinden dat Jan Fabre een lichtend voorbeeld is voor antroposofen? En zouden ze werkelijk allemaal goedkeuren dat wie het daar niet mee eens is de mond wordt gesnoerd? Dat zou in feite het einde betekenen van de Antroposofische Vereniging als een vrije en open vereniging zoals Rudolf Steiner ze bedoeld had. Ik ben wel geen verenigingsmens, maar dat zou ik toch wel heel, heel erg vinden. Het zou immers ook het einde van de antroposofie zelf betekenen, want wat is een antroposofie zonder middengebied, zonder hart? Juist op dat hart heeft Rudolf Steiner aan het eind van zijn leven zoveel nadruk gelegd. Na de Weihnachtstagung moest de stap van hoofd naar hart gezet worden. Om die stap mogelijk te maken, heeft hij zelfs zijn leven geofferd.

Het kan mij niks schelen dat ik niet mag publiceren in Antroposofie Vandaag. Het kan mij niks schelen dat Werner Govaerts en Christine Gruwez niet met mij willen spreken. Het raakt mijn kouwe kleren niet wat er in de Antroposofische Vereniging gebeurt en niet gebeurt. Maar het raakt mij wel waar die hele situatie een beeld van is, en dat is van een harteloze antroposofie, een antroposofie die zich afsluit voor de buitenwereld en niks wil weten van haar eigen wezen dat van buitenaf op haar toekomt en vraagt om binnengelaten te worden. Het is zo’n prachtig, heilig wezen dat het mij recht door het hart gaat als ik zie hoe ‘honds’ het wordt afgewezen. Maar tegelijk maant het mij ook tot nederigheid, want is het niet al het tweede jaar op rij dat ik zelf drie flinke klappen voor m’n kop moet krijgen om te beseffen wie er voor mijn eigen deur staat? Er is dus reden tot enige bescheidenheid, want het is voor iederéén aartsmoeilijk, en het ziet ernaar uit dat het nog veel moeilijker zal worden. De hedendaagse wereld zal nog harde klappen moeten krijgen voor ze haar hart opent. 
  

De religie van de Antichrist

To defeat a religion, you need a religion. (T.S. Eliot)

Vorige keer betoogde ik dat er een nieuwe religie nodig is om het terrorisme tegen te gaan, een religie die tegelijk een kunst en een wetenschap is.
Want ook het terrorisme is zo’n religie.
Het beruchte IS bijvoorbeeld is niet enkel een verzameling fanatieke gelovigen, het is tegelijk een leger van getrainde militairen die met hun onthoofdingsvideo’s tonen dat ze ook de technieken van de kunst beheersen: hun performances gaan de wereld rond.
Dezelfde combinatie zagen we ook op 9/11.
De aanslagen in New York hadden zo’n geweldige impact omdat ze kunstzinnige beelden opleverden die overal ter wereld bekeken werden. Om zo’n kunstzinnig effect te kunnen ressorteren moest de operatie met wetenschappelijke precisie worden uitgevoerd.
De aanslag was met andere woorden een wetenschappelijk én een kunstzinnig meesterwerk.
De intellectuele terreur waaraan we in het Westen blootstaan, vertoont hetzelfde patroon.
We worden overspoeld met cijfers, statistieken, onderzoeken, analyses en redeneringen.
Maar ze worden ons niet droog-wetenschappelijk voorgeschoteld, ze worden overgoten met een saus van kunstzinnigheid, zodat ze niet op onze maag blijven liggen.
En achter die combinatie verbergt zich de fanatieke gelovige in de Westerse intellectueel.

Het terrorisme is in feite een hedendaagse mysteriegodsdienst: een eenheid van religie, kunst en wetenschap zoals die ook in de mysterietempels van de oudheid bestond.
Dat mysterie-karakter herkennen we ook in haar voorloper, de Hedendaagse kunst.
Kunstenaars gedragen er zich als ingewijden, als mysterie-priesters die allerlei occulte rituelen uitvoeren waarvan een grote fascinatie uitgaat.
Exemplarisch is de figuur van Joseph Beuys, een moderne sjamaan die niet alleen bekend stond om zijn primitieve performances, maar ook om de intellectuele wijsheden die hij verkondigde.
Hij combineerde religie, kunst en wetenschap op zo’n manier dat tal van ontwikkelde mensen, waaronder heel wat antroposofen, er als een magneet door werden (en nog altijd worden) aangetrokken.

Dat is ook wel begrijpelijk, want de hereniging van religie, kunst en wetenschap leeft op de bodem van veel mensenzielen als het Grote Ideaal van onze tijd: de ‘heling’ van onze versplinterde wereld.
In dit universele mensheidsideaal leeft dan ook de ‘heiland’, de wedergekomen Christus die Alle Menschen tot Brüder wil maken.
Maar de tijd van de Wederkomst van Christus is ook de tijd van de Komst van de Antichrist.
Na het aflopen van het Kali Yuga (omstreeks 1900) gingen ‘de poorten van de hemel’ weer open. In een wereld die alleen nog in materie geloofde, ontsprong weer een bron van spiritualiteit: Lucifer verrees uit zijn graf.
Maar tegelijk bereidde Ahriman zich voor op zijn incarnatie.
Beide tegenkrachten werken vandaag op volle kracht.
Ze bestrijden elkaar zo hevig dat hun uitersten elkaar raken en in elkaar overvloeien.
En in die ‘vermenging’ is de Antichrist werkzaam.

De helende kracht van Christus is zo groot dat er van de vrijheid van de mens niks zou overblijven als hij niet ook voor de tegenovergestelde kracht kon kiezen.
Aangezien niemand bij vol bewustzijn voor de Antichrist zal kiezen, bestaat diens opgave erin het bewustzijn zodanig te verdoven dat geen mens nog verschil ziet tussen beide tegenpolen.
De Antichrist probeert dus zo veel mogelijk op Christus te lijken, en hij doet dat door Lucifer en Ahriman met elkaar te verbinden.
Maar in plaats van een drieëenheid te creëren met Christus en de mens in het midden, creëert hij een schijn-eenheid waarin geen plaats is voor de mens.
Lucifer en Ahriman kunnen niet rechtstreeks met elkaar verbonden worden.
Het zijn immers tegenpolen die elkaar uitsluiten.
Lucifer is van nature kunstzinnig, Ahriman is wetenschappelijk.
De kunst weert alle gedachten, de wetenschap weert alle gevoelens.
Als die twee op antichristelijke wijze – dat wil zeggen rechtstreeks, zonder bemiddelende pool – met elkaar verbonden worden, beginnen ze elkaar te vernietigen en houden op kunst en wetenschap te zijn.

Hoe dat gebeurt, kunnen we aflezen aan de geschiedenis van de Hedendaagse kunst.
Toen de kunst tegen het einde van het Kali Yuga weer luciferischer werd, zag ze in de ahrimanische technologie (van fotografie en reproductie) die zich begon te ontplooien een bedreiging voor haar herboren spiritualiteit.
Ze trok zich terug in een ivoren toren om van daaruit Ahriman te bevechten.
Uit dat gevecht werd de ‘hedendaagse’ kunst geboren.
Maar het was een schijngevecht.
De pispot die Marcel Duchamp als eerste wapenfeit tentoonstelde, verschilt niet wezenlijk van de Cloaca waar Wim Delvoye bijna honderd jaar later mee kwam: een machine die het spijsverteringsstelsel nabootst en … stront produceert.
Materialistischer dan beide iconische ‘werken’ kun je het moeilijk bedenken, en toch gelden ze als zeer spiritueel.
Nee, de strijd van de Hedendaagse kunst ging nooit tegen Ahriman, hij werd van meet af aan gevoerd tegen de ‘christelijke’ kunst.

Op 9/11 overschrijdt het antichristelijke wezen dat in de Hedendaagse kunst werkzaam was de grens tussen fictie en werkelijkheid en toont zijn ware aard: die van de terreur.
We zien dan ook hoe hetzelfde proces dat zich in de kunstwereld had afgespeeld, zich nu ook in de gewone wereld herhaalt.
Opnieuw voelt een ontwakende luciferische wereld (de islam) zich bedreigd door de Westerse ahrimanische wereld en trekt zich terug in een ivoren toren.
De fundamentalistische islam wordt geboren.
Net als Marcel Duchamp destijds, dropt hij een ‘bom’ in New York.
Het is het begin van een niets ontziende strijd tussen het Westen en de islam, een strijd waar we nu middenin zitten.
Die strijd is in wezen een schijngevecht tussen Lucifer en Ahriman.
Hij is bedoeld om de krachten van beide te bundelen in de strijd tegen de echte vijand: het Europese, christelijke ‘midden’.

Hoe die strijd (hoogstwaarschijnlijk) zal evolueren, kunnen we aflezen aan hoe het in de kunstwereld gegaan is.
Na een korte maar hevige ‘clash of civilisations’ zal de islam de wereld veroveren, net zoals de Hedendaagse kunst dat gedaan heeft.
Hij zal de christelijke infrastructuur gewoon overnemen en de inhoud stelselmatig vervangen door de geest van de sharia.
De ‘betere’ klassen zullen trots zijn deel uit te maken van deze superieure multiculturele samenleving.
Hun media zullen de islam voorstellen als de ‘nieuwe wereldorde’ die vrede brengt in de wereld.
En inderdaad: iedere kritiek op de nieuwe machthebber zal verstommen.
De oude wereld zal voorgesteld worden als bekrompen, racistisch en arrogant, en algauw zal men de islam zien als de Grote Bevrijder, zoals men dat ook gedaan heeft met de Hedendaagse kunst.
De (luciferische) overwinning van de islam zal natuurlijk een schijnoverwinning zijn.
Het zal tegelijk een (ahrimanische) overwinning van het Westen zijn.
Onder het mom van dit ‘spirituele materialisme’ zal de wereld grondig ‘ontchristelijkt’ worden.
De kunst zal gebruikt worden om de mens te reduceren tot een feilloos werkende ‘kakmachine’ die zich in de zevende hemel waant.
Materialisme zal niet meer te onderscheiden zijn van spiritualiteit.
Samen zullen ze een alomvattende antichristelijke wereldreligie vormen.

Veel mensen zal dit waarschijnlijk als Science Fiction in de oren klinken, maar het is niets anders dan een vertaling van de toestand in de kunstwereld.
Wat hier beschreven wordt IS dus reeds werkelijkheid, een werkelijkheid die zich 100 jaar lang heeft kunnen ontwikkelen in de ‘baarmoeder’ van de kunstwereld en die nu geboren is en voor iedereen zichtbaar wordt.
Deze pasgeboren terroristische werkelijkheid is dus helemaal niet nieuw.
We kennen ze in haar ‘kunstzinnige’ gedaante al ons hele leven, maar we zijn er zodanig aan gewend geraakt dat we er niet meer over nadenken.
Dat hebben we trouwens nooit gedaan.
Zonder dat we het beseffen, hebben we ons denken aangepast.
Zonder dat we het beseffen, hebben we onze gevoelens aangepast.
Zonder dat we het beseffen, heeft zich in ons een antichristelijk instinct ontwikkeld.

Dat instinct zien we nu volop aan het werk in de houding van onze houding tegenover het moslimterrorisme.
Hoe lelijk dat terrorisme ook tekeer gaat, we vergoelijken het.
De aanslag in Parijs was nog geen drie weken oud of de terroristen werden alweer als slachtoffers afgeschilderd.
En de perversiteit van die omkering dringt niet tot ons door.
Het is precies hetzelfde verhaal als de Hedendaagse kunst die met brutaal geweld de kunstwereld veroverde maar afgeschilderd werd als een heroïsche ‘vrijheidsstrijder’ die het opnam tegen de verpletterende overmacht van de gevestigde kunst.
Zo zien de moslimterroristen zichzelf trouwens ook: als een soort moderne Robin Hoods die het in hun eentje opnemen tegen het geweldige machtsapparaat van het Westen.
In werkelijkheid werken ze samen met dat machtsapparaat, want ze zouden geen schijn van kans maken als de Westerse intelligentsia hen niet voortdurend de hand boven het hoofd hielden.

In het Oosten manifesteert de Antichrist zich dus op religieuze wijze via fanatieke moslims.
In het Westen manifesteert hij zich op wetenschappelijke wijze via (linkse) intellectuelen.
Maar in feite komt het op hetzelfde neer: in de Westerse intellectueel zit een fanatieke gelovige verborgen, net zoals in de Oosterse moslim een fanatieke materialist verborgen zit.
De Antichrist is een Januskop: in het Oosten toont hij zijn luciferisch-religieuze gezicht, in het Westen zijn ahrimanisch-materialistische gezicht.
Maar in de Hedendaagse kunst toont hij zijn ware gezicht, een gezicht dat tegelijk luciferisch en ahrimanisch, religieus-spiritueel en materialistisch-intellectueel is.
En het verbluffende is dat we dat gezicht niet zien.
Niemand lijkt zich bewust te zijn van het ‘terroristische’ karakter van de Hedendaagse kunst.
Integendeel, de hele intellectuele en culturele wereld is vol lof voor deze ‘kunst’ ook al gaat ze zich te buiten aan de meest weerzinwekkende uitspattingen.

Dat is een verontrustende vaststelling, want als het waar is dat de werkelijkheid de kunst nabootst, dan zien we een tijd tegemoet waarin de leidende klassen vol lof zullen zijn over wat nu nog vol afschuw ‘terroristische daden’ worden genoemd.
We zien nu reeds hoe de intelligentsia een aanslag op de vrije meningsuiting weten om te keren tot een aanslag op de islam en hoe ze terroristen voorstellen als slachtoffers en slachtoffers als terroristen.
De omkering is dus in volle gang.
En juist in die omkering zien we de Antichrist aan het werk.
Hij is degene-die-alles-omkeert.
Maar om hem te ontmaskeren, moeten we weten wàt hij precies omkeert.
We moeten Lucifer en Ahriman van elkaar onderscheiden, want dat zijn de twee gezichten die de antichristelijke Januskop voortdurend omkeert dat ze in ons bewustzijn ineen vloeien tot één gezicht.

En dat gezicht doet zich aan ons voor als … het aangezicht van Christus.
Want het verenigt in zich de spiritualiteit van Lucifer en de aardsheid van Ahriman.
Het is echter een schijngezicht, een illusie die ontstaat doordat ons bewustzijn niet in staat is het snelle omkeren van de Januskop te volgen en er ‘dronken’ van wordt.
Telkens Lucifer plaats maakt voor Ahriman of omgekeerd voelen we een diepe opluchting, want beide zijn in hun eenzijdigheid een kwelling voor ons.
We krijgen (of nemen) echter de tijd niet om Lucifer en Ahriman te onderscheiden, en zo blijft uiteindelijk alleen dat gevoel van opluchting over waardoor de Antichrist zich aan ons voordoet als de Grote Bevrijder.

De aanslagen in Parijs bijvoorbeeld schokten ons en we realiseerden ons opeens welke dreiging er uitgaat van de fundamentalistische islam.
Als twee mensen zo’n enorme opschudding kunnen veroorzaken, wat staat ons dan te wachten als overal in Europa ‘slapende cellen’ wakker worden en gelijktijdig aanslagen plegen!
Die gedachte is nauwelijks te dragen en het lucht op om de zaak ook eens van de andere kant te bekijken en ons te realiseren hoeveel geweld het Westen reeds gepleegd heeft in het Midden-Oosten.
In het licht van al dat oorlogsgeweld komt die ene aanslag ons opeens voor als een speldeprik en … de druk is van de ketel.
Maar als we dan weer doordenken op terroristische geweld van het Westen wordt de zaak opnieuw ondraaglijk en is het een opluchting om ons weer te kunnen overgeven aan de verontwaardiging over de aanslag op Charlie Hebdo.

Zo doen we dat voortdurend, zonder het te beseffen.
We veranderen van standpunt omdat we de spanning die Lucifer en Ahriman in hun extreme eenzijdigheid – de fanatieke gelovige versus de kille materialist – veroorzaken niet kunnen verdragen.
Dit onbewuste switchen wordt een onbewuste gewoonte die zich steeds dieper vastzet in onze ziel en daar tot een heus antichristelijk instinct wordt dat het ons vrijwel onmogelijk maakt om in het christelijke midden te blijven staan en Lucifer en Ahriman tegelijk – maar gescheiden – waar te nemen.
Dat komt bijvoorbeeld tot uiting in de onzalige strijd tussen politiek links en rechts die heel Europa in zijn greep heeft.
Ofschoon beide een polariteit vormen en niet van elkaar los te denken zijn, kunnen ze elkaars bloed wel drinken. Niemand komt dan ook op het idee dat ze eigenlijk zouden moeten samenwerken, hoewel dat nochtans voor de hand ligt.
Het geeft een idee van hoe diep de Antichrist zich reeds in onze ziel genesteld heeft.

Hij verleidt er ons toe geen onderscheid te maken tussen de tegenstelling Lucifer-Ahriman en de tegenstelling Christus-Antichrist.
Door Lucifer en Ahriman te doen samenvloeien tot één gezicht, wist hij ook het onderscheid tussen zichzelf en Christus uit.
Door een Christusmasker op te zetten, perverteert hij onze liefde voor Christus en zet ze om in haat en terreur.
Dat is de vreselijke paradox van onze tijd: het terrorisme drijft op Christuskrachten.
Al die terreur is niets anders dan geperverteerde liefde, mensheidsliefde.
Daarom zegt Rudolf Steiner ook dat we op dit Keerpunt der Tijden geen behoefte hebben aan Christus, maar aan het bewustzijn van Christus.
Het is onze blinde liefde voor Hem die terroristen van ons maakt.
En het enige wat ons dat kan beletten, is ziende liefde.
Onze liefde moet ontwaken en dat vergt een intense bewustzijnsstrijd.
Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, zei Christus, maar het zwaard.
Daarmee bedoelde hij niet het kromzwaard van de moslims, maar zwaard van ons onderscheidingsvermogen.

Happy Birthday

20140611-184118.jpg

Vanmiddag kreeg ik het bericht dat ik vandaag precies één jaar aan het bloggen ben.
In die tijd heb ik 637 berichten geplaatst, heb ik 16.745 bezoekers gehad, en zijn er 242 reacties verschenen.
Dat zijn geen indrukwekkende cijfers, maar in de geestelijke sfeer gaat het niet om kwantiteit maar om kwaliteit. Woeha!
Voor mij volstaat het alleszins.
Kunst en antroposofie zijn nu eenmaal geen onderwerpen waarmee je voetbalstadions vult.
Ik ben al heel blij dat mensen me blijven lezen.
Dat is beslist een stimulans.

Sinds ik half maart marktkramer ben geworden, heb ik niet meer zoveel tijd om te schrijven, maar de koek moet nu eenmaal gedeeld worden met het schilderen. Dat heb ik blijkbaar karmisch zo bepaald.
Ik heb nog altijd geen gezond evenwicht gevonden tussen die twee, maar ik blijf zoeken.

20140611-195441.jpg

Nog even een woordje over de geboortedag van deze blog.
11 juni is een bijzonder beweeglijke datum, samengesteld als hij is door Tweelingen en Maan.
Juni is namelijk Gemini-maand en het cijfer 2 (1+1) staat voor de Maan.
Dat kan wel kloppen met zowel vorm als inhoud van deze blog.
Tweelingen is verstand, Maan is gevoel.
Tweelingen is schrijven, Maan is beeld.
Spelende kinderen zijn een symbool van scheppen, de Maan van reflecteren.
Enzovoort.
Of de Mercurius van Tweelingen hier een boodschapper van de goden is, dan wel de god van de dieven laat ik aan uw oordeel over.

20140611-195649.jpg

Het koldereske stukje over duiveluitdrijvingen dat ik vandaag gepubliceerd heb (en dat overigens – als altijd – gebaseerd is op ware feiten) was al geschreven vóór ik mijn verjaardagswensen van WordPress ontving.
Of het iets te betekenen heeft dat ik uitgerekend dáármee mijn tweede blogjaar heb ingezet, weet ik niet. Maar het zou best kunnen.
Is antroposofie trouwens geen vorm van exorcisme?
Volgens Rudolf Steiner was de strijd met het kwaad DE opgave van onze tijd.
En zonder een beetje humor hou je die strijd niet vol.
Het feit dat ik na een jaar bloggen en roeren in allerlei stinkende potjes nog altijd kan lachen, stemt me hoopvol.
Ik zal die hoop trouwens nodig hebben, want morgen vat ik weer de strijd aan met een heel bijzondere duivel, een duivel die zich bezighoudt met … kunst en antroposofie.
U raadt het al: Joseph Beuys staat weer op het menu.

20140611-195918.jpg

Ik hoor lezers al zuchten en kreunen: daar IS hij weer! Hoelang gaat dat nog duren?
Wel, tot ik deze duivel-met-de-hoed uitgedreven heb.
Of beter: tot ik hem zijn geheim ontfutseld heb.
Want zomaar duivels uitdrijven, is de antroposofische regel niet.
Daarvoor moet je bij de paters van Averbode zijn.
Of bij duurdere en kleurrijker exorcisten.
Antroposofen willen hun duivels niet uitdrijven (want dan gaan ze gewoon andere en zwakkere mensen kwellen), ze willen die duivels verlossen, ze willen hen ontheffen van hun taak, ze willen hen weer veranderen in engelen.
Als ik aan de Beuysduivel denk, dan zal ik nog véél werk hebben.
Maar ik leer bij.
Iedere dag opnieuw.

En ik hoop van u hetzelfde.
Prosit!

20140611-200914.jpg

Driekoningen-essay (deel 7)

In deel 6 van dit essay had ik het over de Grote Breuk in de kunst. Ik kwam daarbij tot de conclusie dat niet zozeer de breuk zelf het probleem vormt, dan wel de ontkenning ervan.
Nochtans is het onmogelijk om naast die breuk te kijken.
Ze deelt de kunst, zowel in tijd als in ruimte, in twee stukken.

Laat ik beginnen met de tijd.

Wie een boek over kunstgeschiedenis doorbladert, wordt willens nillens getroffen door het enorme verschil tussen de kunst van de 20ste eeuw en de kunst van daarvoor.
Tot pakweg 1900 vormt de kunst van de mensheid, ondanks haar grote diversiteit, een organisch geheel. De grottekeningen van Altamira mogen dan 15.000 jaar oud zijn, ze zien eruit alsof ze in onze tijd gemaakt hadden kunnen zijn. Ondanks hun hoge ouderdom roepen ze een gevoel van herkenning en vertrouwdheid op.
Dat gevoel van herkenning verdwijnt wanneer de 20ste eeuw aanbreekt,
Het maakt plaats voor bevreemding.
De rode draad breekt.
Tussen de zonnebloemen van Vincent van Gogh en de pispot van Marcel Duchamp liggen amper 20 jaar en toch is er geen enkel raakpunt tussen beide.
Ze behoren tot twee totaal verschillende werelden.
En tussen die werelden gaapt een diepe kloof.

20140224-161726.jpg

Het is onmogelijk om die kloof niet te zien, en toch doet men alsof er helemaal geen kloof is.
Men doet alsof de pispot van Duchamp op volkomen natuurlijk wijze voortgekomen is uit de zonnebloemen van Van Gogh.
Die overgang is geen breuk maar een … metamorfose.
Zoals een rups zich ontpopt tot vlinder, zo heeft de oude kunst zich getransformeerd tot nieuwe kunst.
Hetzelfde wezen, maar in een totaal andere gedaante.
Niks aan de hand dus, in de natuur gebeurt het ook.

De Hedendaagse Kunst presenteert zich als de wettige erfgenaam van de oude kunst, haar eniggeboren zoon.
En die zoon overtreft de moeder, want de kunst heeft zich bevrijd uit haar cocon en ontplooit nu haar ware wezen.
Zo wordt het ook door diverse Hedendaagse Kunstenaars verkondigd: pas in de 20ste eeuw krijgen we de echte kunst te zien.
Wat daarvoor kwam, was slechts voorbereiding.
Verre van in twee stukken gebroken te zijn, is de kunst juist opengebloeid in een alles overtreffende synthese.

Wie dat niet begrijpt, verraadt zichzelf als iemand die niet in staat is verder te kijken dan het uiterlijk van de kunst.
Vroeger kon de kunstliefhebber zich nog vergapen aan de zintuiglijke verschijning van de kunst, aan haar esthetiek, aan haar vermogen tot nabootsing. Maar nu de kunst die uiterlijkheden heeft afgeworpen, blijft de oppervlakkige kijker met lege handen achter. Hij moet machteloos toezien hoe de kunst bij wijze van spreken ten hemel stijgt.
Alleen wie doorheen het uiterlijk van de kunst haar wezen kan waarnemen, is in staat om haar te volgen op haar hoge vlucht.

20140224-162019.jpg

En daardoor wordt de breuk-in-de-tijd ook een breuk-in-de-ruimte.
Want ook het kunstminnende publiek valt in twee stukken uiteen.

Aan de ene kant staan de kunstliefhebbers die er geen moeite mee hebben om in de pispot van Duchamp een metamorfose te zien van de zonnebloemen van Van Gogh. Ze houden evenveel (zo niet meer) van de nieuwe kunst als van de oude, en zien geen wezenlijk verschil tussen beide.
Aan de andere kant staan de kunstliefhebbers voor wie deze metamorfose een duister raadsel blijft. Zij zien geen enkel verband tussen de pispot en de zonnebloemen, en keren zich van de pispot af. Zij begrijpen niets van de nieuwe kunst en beperken zich dan maar tot de oude.

Tussen deze beide categorieën kunstliefhebbers gaapt een al even diepe kloof als tussen de oude en de nieuwe kunst.
Want hoezeer de avant-garde ook haar best doet om die kloof te overbruggen en de ‘achterblijvers’ voor te lichten, uit te leggen en op te voeden, het baat allemaal niets.
Ook na 100 jaar Hedendaagse Kunst is het nog altijd slechts een kleine minderheid die in staat is kunst te zien in pispotten, kakmachines, varkens en conservenblikken.
Terwijl het stormloopt voor tentoonstellingen met werk van ‘oude’ kunstenaars, blijven de zalen leeg wanneer het om ‘nieuwe’ kunstenaars gaat (behalve op de vernissage waar de avant-garde elkaar ontmoet en de pers aanwezig is).

20140224-162250.jpg

Deze breuk weerspiegelt ook de breuk tussen de kunstenaars zelf.
Want net zoals er kunstliefhebbers zijn die de stap van de oude naar de nieuwe kunst niet hebben kunnen zetten, zijn er ook kunstenaars die nog altijd zweren bij de oude, klassieke kunst.
Hoe talrijk ze zijn, valt moeilijk te boordelen, want ze worden doodgezwegen in de media, hebben geen toegang tot de kunsthandel, worden geweerd uit het onderwijs, en krijgen geen enkele overheidssteun. Ze zijn helemaal op zichzelf aangewezen, en was het internet er niet geweest, men zou denken dat ze uitgestorven zijn.
Dat is echter niet het geval.
Er zijn duizenden websites en weblogs van klassieke kunstenaars die niet zelden op hoog niveau werken, die (privé) lesgeven, boeken uitgeven, educatieve filmpjes maken en hun werk aan de man brengen. Voeg daarbij nog eens de ontelbare amateurs en zondagsschilders, en je hebt een hele alternatieve wereld waarover in de media met geen woord wordt gerept en die voor de officiële kunstwereld eenvoudig niet bestaat.

Het wonderlijke is dat in deze klassieke wereld met geen woord gerept wordt over de Hedendaagse Kunst. Men sluit er gewoon de ogen voor en doet alsof er niks aan de hand is.
Je zou het kunnen vergelijken met een land dat bezet is door een vijandige mogendheid. Het hele officiële leven is in handen van de bezetter, maar het dagelijkse leven gaat zijn gewone gang: de boeren ploegen, de onderwijzers onderwijzen, de huismoeders moederen, enzovoort. Ze proberen hun oude leven voort te zetten.
Zo gaat het ook in de kunst: de hele officiële kunstwereld is in handen van de Hedendaagse bezetter, maar de niet-collaborerende kunstenaars proberen hun oude ‘beroep’ uit te oefenen en de vijand zoveel mogelijk te negeren.

In deze multiculturele en globaliserende tijden, waarin alle grenzen wegvallen en de hele mensheid lijkt te versmelten, is het lichtjes verbijsterend om zien hoe twee werelden compleet naast elkaar leven en doen alsof de anderen niet bestaan.
Er is geen enkel contact tussen beide, ze leven in volstrekte apartheid.

20140224-162553.jpg

Slechts één ding hebben ze gemeen: hun ontkenning van de Grote Breuk.

We staan er zelden bij stil, maar we leven niet langer in een natuurlijke omgeving, we leven in een kunst-matige omgeving. We zijn van ’s morgens tot ’s avonds omringd met kunst en cultuur in al zijn aspecten: gebouwen, woorden, beelden, muziek. We kunnen er ons eenvoudig niet aan onttrekken.

Art is everywhere.

Maar juist die alomtegenwoordigheid – in combinatie met een eindeloze diversiteit – belet ons om afstand te nemen van die ‘kunstwereld’.
We worden erdoor meegesleurd, we verdrinken erin.
En daardoor ontgaat ons de diepe kloof die dwars door die wereld loopt.
Maar wanneer we erin slagen om de betovering van die alomtegenwoordige zintuiglijke schijn te doorbreken (sic) wordt de kloof zichtbaar en kunnen we er niet meer naast kijken.
Zij groeit dan uit tot hét centrale fenomeen in de wereld van de kunst.
Tegelijk zien we dan ook hoe smal de grens is geworden tussen de kunstwereld en de gewone wereld.
De Grote Breuk die door de wereld van de kunst loopt, loopt ook door de wereld daarbuiten. Ze loopt overal, zelfs door ons eigen wezen, want de kunst weerspiegelt niet alleen de zichtbare werkelijkheid, zij weerspiegelt ook de onzichtbare werkelijkheid, dat wil zeggen: onze eigen ziel, ons eigen bewustzijn.

We zien de Grote Breuk dan ook slechts in de mate dat we ook de breuk in ons eigen bewustzijn onder ogen zien.
Het is die innerlijke breuk die ons blind maakt voor de breuk in de (buiten)wereld.
Het is in feite één en dezelfde kloof.
De kloof die de kunst in twee deelt, is een kloof die wij zelf hebben geslagen.
Wij zijn de scheppers van die gebroken kunst.
Wij drukken er ons eigen gebroken wezen in uit.
Maar dat weten we niet.
We scheppen immers niet bewust.
Om ons bewust te worden van onze scheppende geest moeten we in de spiegel van de kunst kijken.
Maar dat durven we niet, want dan worden we geconfronteerd met dat grote gapende gat, met die diepe en duistere kloof.
En die jaagt ons de stuipen op het lijf.

20140224-163035.jpg
(performance door Chinese kunstenaar)

Die kloof, dat is de drempel waar we overheen moeten.
Dat is de grote uitdaging waarvoor we staan.
Als we die uitdaging uit de weg gaan, als we onze ogen sluiten voor dat ‘gat’ in onze ziel, dan zal het steeds groter worden en ten slotte veranderen in de muil van een monster dat ons met huid en haar verslindt.
Dat is misschien een ietwat melodramatische voorstelling, maar het gaat nu eenmaal om geestelijke realiteiten die alleen door middel van beelden zichtbaar kunnen worden gemaakt. Die realiteiten leunen echter zo dicht aan bij de materiële wereld dat beeldspraak minder beeldspraak is dan het lijkt.
Het ‘monster’ waarover ik spreek, bestaat wel degelijk.
Het is geestelijk – en dus onzichtbaar – van aard, maar het houdt zich op in de etherische wereld, het deel van de geestelijke wereld dat het dichtst aanleunt bij de zichtbare, materiële werkelijkheid.

En juist omdat we in deze tijd allemaal ‘over de drempel’ gaan, komen we in contact met dat monster. We voelen dat het er is en het jaagt ons diepe angst aan.
De moderne mens is een angstige mens, een mens die een reusachtig onheil voelt naderen en steeds moeilijker zijn tegenwoordigheid van geest kan bewaren.
En toch is dat laatste het enige wat helpt.
Tegenover dit apocalyptische monster kunnen we alleen onze tegenwoordigheid van geest plaatsen, de tegenwoordigheid van onze geest, de geest van de mens.
Want het ‘monster’ of de ‘draak’ is een onmenselijke geest.
Het is een geest die het op onze menselijkheid gemunt heeft en haar van binnenuit wil verzwelgen.

Het grootste gevaar schuilt dan ook niet in de wereld om ons heen, het schuilt in onszelf.
Daar leeft het monster: in onze ziel, in onze geestelijke wereld.
En daar moet het overwonnen worden.
Maar dat kunnen we niet als we het niet waarnemen: je kunt geen onzichtbare vijand overwinnen.
Daarom hebben we een spiegel nodig: de spiegel van de materiële wereld.
In die wereld is niets wat ook niet in de wereld van de geest is.
De materie is niet meer dan een spiegel van de geest.
Hijzelf is schijn, maar wat hij weerspiegelt is waar.
En de spiegel van die spiegel is de kunst.
In de kunst weerspiegelt de werkelijkheid zichzelf in tegelijk zeer geconcentreerde en zeer afgezwakte mate.
Kunst is, zoals Plato al zei, schijn-van-schijn.
Maar juist daardoor biedt de kunst ons de mogelijkheid om onder ogen te zien wat we in de werkelijkheid niet onder ogen durven of kunnen zien, en dat is het monster uit Yeats’ Second Coming, ‘the rough beast that slouches towards Bethlehem’.

20140224-163740.jpg

Welke verblindende, bewustzijnsverlammende kracht uitgaat van dit ‘beest’ kunnen we aflezen aan de algemene ontkenning van wat ik de Grote Breuk in de kunst noem.
Er wordt met geen woord over gesproken, aan geen van beide kanten.
Iedereen doet alsof er niets aan de hand is, ook al wordt er stront als kunst geserveerd, ook al wordt het Goetheanum vol bananenschillen gegooid.
Men houdt de lippen stijf op elkaar, meer zelfs: men applaudisseert.
Dit is geen taboe meer.
Dit is iets anders.
Het is een taboe dat niet meer als taboe wordt beschouwd, omdat het uit ons bewustzijn is verdwenen en tot een tweede natuur geworden.
Iedere bewustwording van de Grote Breuk wordt dan ook ervaren als een aanslag op het eigen wezen.
Er wordt instinctief op gereageerd met verontwaardiging, woede, agressie, hoon en spot.
En instinctief is werkelijk instinctief: men is zich niet bewust van die reactie.
Het is een verschijnsel dat je goed kunt waarnemen bij politiek correcte intellectuelen. Ze produceren een niet aflatende stroom van beschuldigingen tegen racisten, onverdraagzamen, haatdragenden, verzuurden, enzovoort, en ze beseffen totaal niet hoe racistisch, onverdraagzaam, haatdragend en verzuurd ze zelf wel zijn.
En het is echt geen truc, ze geloven werkelijk dat ze verdraagzaam, liefdevol en welwillend zijn.
De Grote Breuk is in hun ziel tot werkelijkheid geworden: het ene deel van hun bewustzijn heeft geen weet van het bestaan of het gedrag van het andere deel.
Dr. Jekyll heeft geen flauw idee wie mr. Hyde is, ook al wonen ze in dezelfde kamer.

Het beeld dat hier verschijnt, is dat van het ‘monster’ dat zich in onze ziel genesteld heeft zonder dat we er iets van weten. En hoe meer dat kwalijke wezen in ons te keer gaat, des te meer trekken we ons terug in het andere brokstuk van onze ziel, en des te betere mensen voelen we ons.
Een karikatuur van die gespleten mens zien we in de moslimterrorist die zich opmaakt om met een bomauto in te rijden op een menigte onschuldige mensen, en die zichzelf een halve heilige voelt, een martelaar, een zuivere van geest.

20140224-164126.jpg

Het geeft alleszins een idee van hoe gevaarlijk deze monsterlijke geest is, hoe hij ongezien in de ziel van de mens sluipt en hem de meest onmenselijke dingen laat doen zonder dat hij er zich van bewust is. Wel integendeel, wie door deze geest bezeten wordt, waant zich een verlichte geest, een moreel superieur mens, in wiens hart louter liefde en verdraagzaamheid wonen.
Het is nagenoeg onmogelijk om zo’n mens nog tot inzicht te brengen, want iedere poging om hem te wijzen op de breuk in zijn ziel, maakt die breuk alleen nog groter. Enerzijds trekt hij zich terug in de ‘goede’ kant van zijn ziel (en voelt zich een nóg beter mens) en anderzijds ontbindt het monster zijn duivels en verovert nog wat meer terrein in de ziel van zijn ‘gastheer’.

Dergelijke mensen moeten gezien worden als ‘offers’ die het ons mogelijk maken om in een spiegel te kijken en ons bewust te worden van het vreselijke wezen dat als een koekoeksjong onze ziel binnendringt en daar onze menselijkheid beetje bij beetje uit verwijdert.
Zo moet mijns inziens ook – en vooral – de Hedendaagse Kunstenaar worden gezien.
Zoals iedere kunstenaar duikt hij met zijn bewustzijn onder in de etherische wereld, want daar leven de scheppende krachten die hij nodig heeft.
Maar in onze tijd is de etherische wereld het toneel van de ontmoeting tussen Christus en de Antichrist, en omdat Christus zich op geen enkele manier opdringt en zijn grote tegenstander wél, is de kunstenaar een vogel voor de kat. In zijn eentje is hij niet opgewassen tegen deze zo ongelooflijk geraffineerde en kwaadaardige geest.
We herkennen in de Hedendaagse Kunstenaar eigenlijk de oude, individuele kunstenaar wiens tijd voorbij is, maar dat niet wil of kan toegeven en daardoor ten prooi valt aan een kwaadaardige geest, zoals alles en iedereen wiens tijd voorbij is.

20140224-164457.jpg

Op het ogenblik dat ik dit schrijf, loopt in Brussel de overzichtstentoonstelling van Michaël Borremans, een kunstenaar die de oude, klassieke kunst lijkt te verzoenen met de nieuwe, Hedendaagse kunst.
Borremans is trouwens niet de enige in zijn soort.
Het klassieke, traditionele schilderen, dat nog niet zolang geleden officieel dood werd verklaard door kunstpaus Jan Hoet, is aan een even onverwachte als steile opmars bezig.
Steeds meer jonge mensen bekennen zich weer tot de traditie van het klassieke, figuratieve tekenen en schilderen.
Maar of dat een goede zaak is, durf ik sterk te betwijfelen.
Ik zie er veeleer een teken in dat de Grote Breuk nog ‘onzichtbaarder’ wordt dan ze al was.
Door die vermenging van oud en nieuw, van Klassiek en Hedendaags, wordt de spiegel helemaal wazig en verdwijnen de contouren van de breuk die dertig, veertig jaar geleden nog heel scherp waren.

Wat er ook van zij, het is hoog tijd dat we in de spiegel van de kunst durven kijken en daar de Grote Kloof ontwaren die ook door onze eigen ziel loopt. Want alleen het bewustzijn van die kloof kan er ons voor behoeden om erin te vallen en ‘opgeslokt’ te worden door een kwaadaardige geest die ons diep vernedert en ons in de waan laat dat we ons hoog verheffen.

Hiermee wil ik dit Driekoningen-essay afronden.

Het begon met Joseph Beuys die mijn kersttijd verstoorde en het eindigt er eigenlijk ook mee.
Want Beuys is zowat de belichaming van de Grote Breuk.
Zijn werk bestaat uit twee totaal verschillende werelden waartussen geen enkel contact is: een bevlogen antroposofische ideeënwereld en een grauwe, akelige wereld die uit louter materie bestaat.
Zolang we Beuys dualistisch benaderen, blijven we blind voor die breuk, maar wanneer we hem driegeleed benaderen – zoals we kunst altijd zouden moeten benaderen – dan groeit die breuk juist uit tot de kern van zijn werk.
Het wezenlijke van Joseph Beuys zijn niet zijn theorieën en ook niet zijn praktijk, maar het totale ontbreken van enig verband tussen die twee.
En dan rijst de vraag: wat zegt het over de hedendaagse antroposofie dat Joseph Beuys er zo’n hoge status bekleedt?
Wordt het niet stilaan tijd dat we Beuys als een spiegel gaan zien en niet als een na te volgen voorbeeld?
Moeten we niet eindelijk eens ons hart laten spreken en het offer aanvaarden dat deze man gebracht heeft?

20140224-164853.jpg

Driekoningen-essay (deel 3: een prangende geboorte)

In deel 1 en 2 van mijn driekoningen-essay vertelde ik hoe mijn kersttijd verstoord werd door Joseph Beuys, de man die ik beschouw als een paard van Troje dat de geest van de Hedendaagse Kunst binnen de antroposofische muren heeft gehaald.
In de ogen van veel antroposofen is dat juist een goede zaak, want zij willen van de Antroposofische Vereniging een moderne, hedendaagse vereniging maken.
Ik wil zelf ook niets liever, en juist daarom verzet ik me hevig tegen de Hedendaagse Kunst, want ze is in mijn ogen noch hedendaags, noch kunst.
Ze is precies het tegenovergestelde.
En dat wil ik in dit essay aantonen.

20140114-162052.jpg

Het beeld van het Trojaanse paard is een mes dat aan twee kanten snijdt, want Troje moest vallen. Het vertegenwoordigde namelijk het verleden vertegenwoordigde, terwijl de Grieken dragers waren van de toekomst. En omdat het verleden geen plaats wilde ruimen voor de toekomst, werd het door die toekomst verwoest.
Die geschiedenis dreigt zich vandaag te herhalen.
De Antroposofische Vereniging is een modern Troje: een vesting met dikke muren waarbinnen men zich vooral richt op het verleden, dat wil zeggen op wat Rudolf Steiner 100 jaar geleden gezegd heeft. Daar is natuurlijk niks op tegen, want de woorden van Rudolf Steiner zijn een kostbaar erfgoed dat alle goede zorg verdient.
Maar buiten deze beschermende muren ligt een wereld waar de toekomst zich hevig roert, een wereld in beweging, een wereld waar de grenzen een voor een wegvallen. Die wereld duldt ook de grenzen niet die de Antroposofische Vereniging om zich heen heeft getrokken, en dus dringt ze de antroposofie binnen, zoals de Grieken destijds Troje binnendrongen: via de kunst.

Waarom belegerden de Grieken Troje?
Omdat de stad iets had wat van de Grieken was, namelijk Helena, de mooiste onder de vrouwen.
En de Trojanen wilden haar niet teruggeven.
Ook binnen de antroposofische vesting leeft iets wat de wereld en de toekomst toebehoort: Antroposofia, de mooiste onder de geestelijke wezens.
De antroposofen willen (of kunnen) haar niet afstaan, en dus komt de wereld haar halen, met list en geweld.

Joseph Beuys vergelijken met het paard van Troje is natuurlijk geen doorslaand argument. Het is eerder een tastend proberen om greep te krijgen op een toch tamelijk verbijsterend verschijnsel.
Ik kan er best inkomen dat antroposofen Joseph Beuys hogelijk waarderen, want de man houdt er boeiende (antroposofische) ideeën op na.
Ik vind het echter vreemd om te luisteren naar iemands ideeën en geen acht te slaan op zijn werk, zeker als het om een beeldend kunstenaar gaat.
Dat lijkt mij de wereld op zijn kop.
Ik doe in de regel precies het omgekeerde: ik kijk naar de kunstwerken en sluit mijn oren voor de ideeën die de maker erop nahoudt.
Waarom zou ik naar hem luisteren?
Wat kan hij mij vertellen dat zijn werk niet vertelt?
Zoals Joseph Beuys zelf zei: de kunst weet meer dan de kunstenaar.

20140114-162317.jpg

Als ik ideeën wil horen, dan leg ik mijn oor te luisteren bij wetenschappers en filosofen.
Het is natuurlijk mogelijk dat beide in één persoon aanwezig zijn.
Goethe is daar een mooi voorbeeld van.
Maar als ik de kunst en de ideeën van Goethe naast elkaar plaats, dan zie ik een grote organische samenhang: het zijn takken van één en dezelfde boom.
Als ik echter hetzelfde doe met Joseph Beuys dan treft mij de enorme discrepantie tussen zijn (antroposofische) ideeën en zijn werk. Met mijn hoofd kan ik zijn ideeën begrijpen en beamen, maar met mijn hart verafschuw ik zijn werk. En tussen die twee gaapt een diepe kloof waar doorgaans met geen woord over gerept wordt.
Ik zie in Beuys dus geen man uit één stuk zoals Goethe, een man die vertrouwen inboezemt. Ik zie een gespleten man, een man uit twee stukken waartussen geen enkel waarneembaar verband is, en die daarom een diep wantrouwen bij mij opwekt.

Ons rationele denken is door en door dualistisch. Het is niet in staat twee tegengestelde zaken naast elkaar te zien, en heeft de onweerstaanbare – en onbewuste – neiging één ervan te negeren. Het blijft dus blind voor een uitgesproken dualistisch fenomeen als Joseph Beuys.
Wie echter in beelden denkt, kan wel degelijk tegengestelde zaken naast elkaar zien.
Zoals bijvoorbeeld het gewelddadige binnendringen van de Hedendaagse Kunst in de antroposofische wereld en het besef dat dit listige geweld onvermijdelijk was (geworden).
Het is – ook voor mezelf – tamelijk choquerend om die twee in één beeld verenigd te zien, maar tegelijk voel ik dat juist dat tegenstrijdige beeld verhelderend werkt.
Maar het moet natuurlijk verder ontwikkeld worden. Het moet verbonden worden met andere beelden, zodat het groeit en completer wordt.
En dat wil ik hier proberen.

20140114-163026.jpg

Zo’n complementerend beeld is dat van conceptie en geboorte.

Toen Rudolf Steiner tijdens de Weihnachtstagung de herders en de koningen met elkaar verbond in de nieuwe Antroposofische Vereniging daalde het geestelijke wezen Antroposofia daarin af. Het werd middels de Grondsteenspreuk ‘in de harten’ van de aanwezigen gelegd en vermenigvuldigde zich vervolgens van hart tot hart.
Voor Steiner was het ‘in de echt’ verbinden van beide (ruziemakende) zielengroepen een waagstuk: hij wist niet of deze verbinding – die een persoonlijk initiatief van hem was – de goedkeuring zou wegdragen van de geestelijke wereld en of deze er zich op zijn beurt zou willen mee verbinden. Anders gezegd: hij wist niet of de koppeling van de oude met de jonge zielen tot een bevruchting zou leiden.
Toen dat inderdaad het geval bleek, was hij zeer verheugd, en in de korte tijd die hem nog restte, sprak hij over de geboorte van het kind dat zich in de schoot van de Antroposofische Vereniging ontwikkelde. Dat zou namelijk aan het eind van de 20ste eeuw ter wereld moeten komen als een geestelijke impuls die de beschaving van de ondergang moest redden.
Hoe geestdriftig Steiner ook was over het kind dat hij in Dornach op aarde had gebracht, er klonk ook een zelden gehoorde ernst in zijn woorden. Tot drie keer toe waarschuwde hij voor de ondergang van de menselijke beschaving als de platonici en de aristotelici elkaar niet zouden vinden aan het eind van de eeuw.

Vanuit dit perspectief gezien, was de Antroposofische Vereniging dus de baarmoeder waarin het geestelijk wezen Antroposofia zich in de loop van de 20ste eeuw een lichaam vormde. Dit verenigingslichaam – Joseph Beuys noemde het een ‘sociale sculptuur’ – was wat de wereld nodig had om zich van de ondergang te redden, en volgens Rudolf Steiner moest dat vóór het eind van de 20ste eeuw gebeuren.
We schrijven vandaag 2014 en van enige geboorte is nog altijd niets te merken.
Het kind is dus over tijd.
Dat is een situatie die niet te lang mag duren, of moeder en kind komen in gevaar.
En als de moeder er niet in slaagt het kind ter wereld te brengen, dan moet de wereld ingrijpen, dan moet ze zich met geweld een toegang verschaffen tot de ‘ommuurde vesting’ die iedere baarmoeder is.

20140114-163521.jpg

Het kind dat in de schoot van de Antroposofische Vereniging leeft, is de geestelijke tegenhanger van de mooie Helena. En evenmin als Helena de Trojanen toebehoorde, is Antroposofia het bezit van de antroposofen. Dit wezen hoort de wereld toe, en de wereld heeft het nodig om de stap naar de toekomst te kunnen zetten. Dus komt de wereld dat wezen halen.
Dat is mijn inziens wat momenteel gebeurt via het Trojaanse paard van de Hedendaagse Kunst: de materialistische buitenwereld dringt ongemerkt de antroposofie binnen. Waarschuwingen helpen niet, want men wil de overwinningsroes niet laten verstoren door doemdenkers.
Eindelijk een doorbraak, wordt er gedacht, eindelijk erkenning aan de andere kant (van de muur)!
Dat die erkenning uitgerekend komt uit een stad die Wolfsburg heet, doet geen belletje rinkelen. Want we zijn het niet gewend om beelden ernstig te nemen. Zelfs als het om kunst gaat, kijken we niet naar de beelden (en de taal die ze spreken) maar naar de ideeën, hoe abstract die ook zijn.
En als die ideeën antroposofisch zijn, zijn we gerustgesteld.
Alsof een wolf geen schaapsvacht zou kunnen dragen …

Ik zal in dit Driekoningen-essay proberen aan te tonen dat de Hedendaagse Kunst, ondanks al haar spirituele ideeën, een wolf is.
En het is mijn overtuiging dat deze wolf, als hij niet ontmaskerd wordt, de Antroposofische Vereniging zal verwoesten zoals de Grieken destijds Troje verwoest hebben.

Deze verwoesting zal – zoals alles in dit verhaal – niet fysiek maar etherisch van aard zijn. De buitenmuren van de antroposofie zullen overeind blijven staan, zodat het lijkt alsof er niets aan de hand is. Maar innerlijk zal alle (geestelijke) leven verdwenen zijn, zoals dat ook in de Hedendaagse Kunst zelf het geval is. Deze ‘kunst’ zal – als haar ware aard niet herkend wordt – de antroposofie herscheppen naar haar eigen beeld en gelijkenis, en dat is het beeld van een wolf in een schaapsvel, van een als spiritualiteit vermomd materialisme.

20140114-164604.jpg

Maar hoe kan men die verwoesting verafschuwen en toch overtuigd zijn dat ze onvermijdelijk was?

Er bestaat een geestelijke wet die zegt dat als de dingen-die-moeten-gebeuren niet uit vrije wil en inzicht plaatsvinden, ze dan door middel van geweld en catastrofes plaatsvinden.
Het is een van de onthutsende inzichten van de antroposofie dat de catastrofes die over de mensheid komen niet het werk van de tegenmachten zijn, maar van de goede goden. Deze laatsten geven de mens ruim de kans om uit eigen beweging te doen wat nodig is, maar als dat niet lukt, dan grijpen ze in. En ze zijn daar absoluut niet sentimenteel in, evenmin als de vader die ziet dat zijn kind de verkeerde weg opgaat en kordaat ingrijpt, evenmin als de gynaecoloog die het mes in de (baar)moeder zet als een kind niet wil of kan geboren worden.

Op die manier kan ik begrijpen dat de associatie van de Hedendaagse Kunst met de antroposofie weliswaar een catastrofe is voor deze laatste, maar niettemin toch iets dat onvermijdelijk was.
Rudolf Steiner zegt over dit soort zaken: het had helemaal niet zover hoeven te komen, maar als het gebeurt is dat omdat het noodzakelijk was geworden.
Als de Antroposofische Vereniging wakkerder was geweest en een bewustzijn had ontwikkeld dat op maat van onze tijd was gesneden, dan zou het nooit zover zijn gekomen dat ze juichend een ‘kunst’ binnenhaalt wier actieradius zich uitstrekt tussen pispotten en kakmachines. En we zouden niet het beschamende schouwspel moeten zien van antroposofen die in naam van het allerhoogste het allerlaagste bewonderen.

Toch heb ik – zij het met veel moeite – leren inzien dat deze vernedering nog altijd beter is dan de diepe slaap waarin de antroposofie dreigt te verzinken en die alle ontwikkeling stopzet. Het ergste wat de mens kan overkomen, is namelijk dat hij niet meer groeit, dat zijn bewustzijnsontwikkeling tot stilstand komt. En alles wat hem uit die slaap wakker kan schudden is het mindere kwaad.

20140114-165052.jpg

Met hoeveel intense afschuw de Hedendaagse Kunst mij ook vervult, ik begin nu te begrijpen dat zij een (paarden)middel is om enerzijds het wezen Antroposofia te verlossen, en om anderzijds de moeder, de Antroposofische Vereniging, wakker te schudden.
Of dat laatste nog zal lukken is zeer de vraag.
Over Antroposofia hoeven we ons geen zorgen te maken: als een geestelijk wezen geen plek krijgt op aarde, dan trekt het zich terug.
Het is over onszelf dat we ons zorgen moeten maken.
Zal de moeder het overleven?
That is the question.

Zelf denk ik dat het lot van de antroposofie nauw verbonden is met het lot van de kunst.
Was het niet door de antroposofie te verbinden met de kunst (op het Congres in München in 1907) dat Rudolf Steiner de antroposofie losmaakte van de Theosofische Vereniging en op eigen benen zette? Dat uitgerekend deze verbinding 100 jaar later gevierd werd door de hedendaagse antroposofie te verbinden met de Hedendaagse Kunst (vertegenwoordigd door Joseph Beuys) lijkt mij een veeg teken.
Want één van de meest wezenlijke kenmerken van deze ‘kunst’ is dat ze sinds haar ontstaan niet meer geëvolueerd is. Ze heeft hoogstens de afstand tussen pispot en kakmachine afgelegd. Hedendaagse Kunstenaars doen vandaag nog altijd precies hetzelfde als 100 jaar geleden. Ze maken geweldig veel drukte, maar wie daar doorheen kijkt, ziet dat ze gewoon stilstaan. Het drukke leven van de Hedendaagse Kunst is een schijnleven, een aangezien dat schijnleven enerzijds met schier grenzeloze middelen in stand wordt gehouden en anderzijds geen spoor van kritiek meer oproept, kan het wel voor eeuwig in hetzelfde kleine cirkeltje ‘tussen pis en poep’ blijven ronddraaien.

Door zich met de Hedendaagse Kunst te affiliëren, zal de antroposofie volgens mij haar eigen ontwikkeling tot stilstand brengen. Ze zal tot een lege huls worden waar gelijk wie in kan kruipen om anderen te intimideren met magische spreuken en rituelen.

20140114-165746.jpg

Ik kan mij uiteraard vergissen, en ik zou bijna zeggen dat ik dat hoop, maar ik kan in die grauwe, intimiderende, zichzelf eindeloos herhalende Hedendaagse Kunst met de beste wil van de wereld het stralende kind Antroposofia niet herkennen, dat schitterende wezen waar oorlogen worden om gevoerd. Als mensen mij vragen om een beeld van de antroposofie, dan zie ik mezelf nog niet gauw zeggen: gaat u eens kijken naar het werk van Joseph Beuys, daar zult u Antroposofia in al haar pracht zien!
Nee, de aarde zal nog behoorlijk moeten opwarmen voor ik die woorden over mijn lippen krijg.

Maar er zal ook nog veel moeten gebeuren voor ik mijn mond houd over de Hedendaagse Kunst.
Haar machtsontplooiing is enorm en blijft maar toenemen.
Juist daarom is het zaak om haar te ontmaskeren, want zij wil ons iets zeggen en zij zal niet ophouden het te zeggen voor we het begrijpen.
De Hedendaagse Kunst heeft een boodschap die ze steeds luider recht in ons gezicht schreeuwt, en het is een dubbele boodschap.
Enerzijds is dat de wolven-boodschap: zwijg, sluit uw ogen en kniel neer!
Anderzijds is dat de boodschap van de goede goden op de achtergrond: wordt wakker, zie uw dubbelganger onder ogen, en blijf overeind!

Want: omnia cooperantur in bonum, alles werkt samen ten goede.
Hoezeer de wolf ook te keer gaat, achter hem staat zijn meester.
En die meester moeten we leren zien, dwars door de wolf heen.
Een andere manier is er niet.

20140114-165257.jpg