Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: Kali Yuga

De goede dood

  

Met je verstand, zei Rudolf Steiner ooit, kun je veel verder in de geestelijke wereld doordringen dan op gelijk welke andere wijze. Dat ondervond ik zelf – in het klein – toen ik onder deskundige leiding leerde tekenen. Door de zintuiglijke werkelijkheid met mijn verstand te herleiden tot abstracte vormen, drong ik er veel dieper in door dan ik door kinderlijk nabootsen ooit had gekund. De zintuiglijke wereld is natuurlijk de geestelijke wereld niet, maar beide liggen wel in elkaars verlengde. Ze verhouden zich tot elkaar zoals kunstwerk en kunstenaar. Het kunstwerk behoort tot de materiële werkelijkheid, maar het is een schepping en uitdrukking van de geest van de kunstenaar. En die geest – zijn Ik – leren we beter kennen door het kunstwerk dan door de kunstenaar zelf, want veel van wat in deze laatste verborgen blijft, wordt zichtbaar in het kunstwerk. Op voorwaarde dat we doordringen tot bovenzintuiglijke dimensie van dat kunstwerk en daarvoor hebben we ons verstand nodig. 

Het menselijk gelaat is het kunstwerk waarin de geest het duidelijkst tot uiting komt. In de portretten die ik tekende, werden – tot mijn eigen verbazing – soms eigenschappen zichtbaar die ik op geen enkele (bewuste) manier had waargenomen aan mijn model. Door me uitsluitend te concentreren op de uiterlijke vormen van zijn gezicht, was ik doorgedrongen tot zijn geestelijke wezen. In bepaalde gevallen werd ik dat wezen reeds gewaar tijdens het tekenen zelf. Ik stuitte dan bijvoorbeeld op onverwachte weerstanden bij mensen die naar buiten toe heel open en sociaal waren, maar die innerlijk een onzichtbare vesting bleken die ik moest belegeren. Ook het omgekeerde gebeurde. Mensen die heel gesloten en terughoudend waren, legden me innerlijk niets in de weg. Ze gaven me vrij toegang tot hun diepste wezen, ofschoon daar uiterlijk niks van te merken was. Weerstand of medewerking: alles speelde zich af op geestelijk niveau, een niveau dat zij noch ik konden waarnemen – tot ik begon te tekenen. 

Dat niveau had ik nooit kunnen bereiken als ik op kinderlijk nabootsende wijze was blijven tekenen, als ik niet mijn verstand had gebruikt om iemands gezicht te herleiden tot louter abstracte vormen. Hoe is dat mogelijk? Waarom dringen we met ons verstand dieper door in de wereld van de geest dan bijvoorbeeld met ons gevoel? Staat het gevoel niet veel dichter bij de levende geest dan het verstand, dat de geest juist doodt? En toch kunnen we met dat dodelijke verstand dieper in iemands ziel doordringen dan met ons empathische gevoel. Dat ondervond ik bij het tekenen van portretten. Wat ik waarnam door iemands gezicht louter verstandelijk te analyseren en weer op te bouwen als was het een meetkundige constructie, kon ik op geen enkele andere manier waarnemen. Sprekende portretten – waarin het Ik van een mens tot uitdrukking komt – ontstaan dan ook niet doordat de kunstenaar zich zo goed kan inleven in zijn model, maar doordat hij er zo goed afstand kan van nemen. 

Hoe valt die paradox te verklaren? Dat lijkt misschien een vraag voor kunstliefhebbers, maar de manier waarop een kunstenaar de werkelijkheid benadert is vandaag de enige manier waarop we nog kunnen doordringen tot de wereld van de geest. Er bestaan weliswaar ook andere manieren, maar die brengen ons niet zover als de kunstzinnige benadering en ze openen bovendien de deur voor allerlei vormen van misleiding. Niet voor niets baseerde Rudolf Steiner zijn antroposofie op de werkwijze van Goethe, die kunstenaar was in alles wat hij deed. De Goetheaanse fenomenologie vormde de brug tussen de zintuiglijke en de bovenzintuiglijke wereld. En die brug zocht hij, want hij wilde meer dan enkel spreken over de bovenzintuiglijke wereld die hij als helderziende waarnam. Hij wilde die wereld ook ontsluiten voor niet-helderzienden door hem te verbinden met de zintuiglijke wereld, of beter: door aan te tonen dat de zintuiglijke en de bovenzintuiglijke wereld zijden van eenzelfde medaille zijn. 

Mensen zoals Rudolf Steiner, die van nature de geestelijke wereld kunnen waarnemen, zijn uiterst zeldzaam. De moderne mens heeft in de regel zijn oude helderziende vermogens verloren, zelfs in die mate dat hij niet meer gelooft in het bestaan van een geestelijke wereld. Hij doet geen enkele moeite meer om die wereld waar te nemen, overtuigd als hij is dat de zintuiglijke werkelijkheid de enige, echte werkelijkheid is. Slechts één soort mensen heeft nog iets van de oude helderziendheid bewaard en dat zijn de kunstenaars. Ze zijn kunstenaar geworden omdat ze (onbewust) nog iets waarnemen van de bovenzintuiglijke dimensie van de wereld. In hun kunst proberen ze een brug te slaan tussen die bovenzintuiglijke dimensie en de gewone zintuiglijke dimensie. Ze creëren beelden die zowel materieel als geestelijk zijn. Op die manier houden kunstenaars in een steeds materialistischer wordende wereld een plekje vrij voor de geest, ook al is dat een geest die enkel gevoelsmatig waargenomen wordt. 

In die zin is iedere kunstenaar of kunstliefhebber een onbewuste antroposoof. Zonder het te beseffen, gaat hij een scholingsweg die leidt van de zintuiglijke waarneming naar de bovenzintuiglijke waarneming, van materie naar geest. Op die manier blijft hij, alle materialisme ten spijt, verbonden met de wereld van de geest. Maar vandaag dreigt die verbinding verloren te gaan doordat de kunst in toenemende mate vervangen wordt door een schijnkunst die de mens geen toegang meer biedt tot de geestelijke wereld. Het loutere feit dat deze ‘hedendaagse’ kunst erin geslaagd is de plaats van de ‘oude’ kunst in te nemen, toont aan hoe zwak ons zintuig voor de geest geworden is. Het dreigt helemaal in te slapen en ons over te leveren aan een geestloze, kunstloze wereld waarin het niet langer mogelijk is mens te blijven. We realiseren ons niet hoe groot het gevaar voor ontmenselijking en verdierlijking is, nu we langzaam maar zeker ons laatste contact met de geest – de kunst – kwijtraken. 

Paradoxaal genoeg wordt deze ontmenselijking aangevuurd door onze … vergeestelijking. Tijdens de zogenaamde Godenschemering trok de geestelijke wereld zich langzaam terug en verloren we stap voor stap al onze helderziende vermogens. Vandaag is het Duistere Tijdperk afgelopen en dringt de geestelijke wereld opnieuw tot ons door. Als gevolg daarvan worden we op natuurlijke wijze weer helderziend. Maar onze helderziende waarnemingen – die tussen haakjes kunstenaars en wereldverbeteraars van ons maken – vinden geen toegang tot ons materialistische bewustzijn. Ze worden er als het ware door teruggestoten en zien zich verplicht via ons onderbewustzijn een weg te banen naar ons hart. In die onbewuste, slapende wereld zijn ze echter niet meer op hun plaats en ze ontketenen er wilde driften en begeerten. Als we er niet in slagen deze instinctief werkende geest in ons bewustzijn te heffen en te verbinden met onze vrije wil, dan zal hij ons verdierlijken in plaats van vergeestelijken. 

Het is geen toeval dat Rudolf Steiner als één van zijn allereerste basiswerken een esthetica schreef. Hij had ondervonden hoe cruciaal de kunst was voor de toekomstige ontwikkeling van de mens en wees met nadruk op twee diametraal tegengestelde opvattingen over kunst: een Goetheaanse opvatting die de menselijke cultuur zou vergeestelijken en redden, en een materialistische opvatting die de menselijke cultuur ten gronde zou richten. Deze laatste opvatting wordt belichaamd door de hedendaagse kunst, die inderdaad een niet te miskennen beeld ophangt van een beschaving in verval. Toch wordt het dehumaniserende karakter van deze schijnkunst nauwelijks waargenomen, en dat is een veeg teken. Eén van de gevolgen van de verdierlijking is namelijk dat de mens er zich niet van bewust is. Een mens weet wel dat hij mens is, maar een dier weet niet dat het dier is. Het bezit de gave des onderscheids niet en juist die – typisch menselijke – gave is vandaag zienderogen aan het verdwijnen.  

Daarom is het van het grootste belang dat we ons bewust worden van de kunstzinnige benadering van de werkelijkheid en daarbij duidelijk onderscheid maken tussen twee tegengestelde visies op kunst die Rudolf Steiner, niet zonder reden, centraal plaatste in zijn esthetica. Kunst, zei hij, is niet een idee in zintuiglijke vorm (zoals vandaag algemeen wordt aangenomen), het is een zintuiglijke werkelijkheid in ideële vorm. Anders gezegd, kunst is geen geest die materie wordt, maar omgekeerd, materie die geest wordt. Blijven we kunst zien als iets wat de geest ‘materialiseert’, dan zal deze benadering ons steeds dieper in de materie trekken, en dat des te meer naarmate we helderziender worden en de kunst instinctief tot voorbeeld nemen. Het zal dus paradoxaal genoeg onze (onbewuste) honger naar geest en kunst zijn die ons de onderwereld in drijft, die ons verdierlijkt en ontmenselijkt, en ons tegelijk in de waan brengt dat we steeds kunstzinniger en menselijker worden. 

Deze duivelse valstrik kunnen we alleen vermijden door kunst te zien als een zintuiglijke werkelijkheid in de vorm van de idee – als vergeestelijkte materie zeg maar – en niet omgekeerd. Zolang we nog enig gezond gevoel bezitten, doen we dat vanzelf. Niemand kan ons dan wijsmaken dat een pispot net zo goed kunst is als de madonna van Rafaël. Maar als dat gevoel zo zwak wordt dat we geen verschil meer zien tussen kunst en onkunst, dan kan alleen bewust inzicht ons nog helpen. En daarvoor moeten we met ons verstand doordringen in de wereld van de kunst, we moeten de manier waarop zij de wereld benadert in heldere begrippen gieten. Dat is wat Rudolf Steiner gedaan heeft in zijn esthetica en in zijn andere werken over Goethes Weltanschauung. Op dat fundament bouwde hij vervolgens zijn hele antroposofie waarmee hij de moderne mens de weg toonde om op een bewuste en vrijwillige manier – niet instinctief en dwangmatig dus – weer in contact te komen met de geestelijke wereld.

Om die reden is het van cruciaal belang dat we de twee kunstvisies waar Rudolf Steiner op wijst, duidelijk onderscheiden. Want als het fundament waarop we onze brug naar de geestelijke wereld bouwen verkeerd is, als het een omgekeerd fundament is, dan bouwen we geen brug naar de hemel maar naar de hel. We dalen dan steeds dieper in de onderwereld af, terwijl we ervan overtuigd zijn steeds hoger te stijgen. We hoeven maar aan moslimterroristen te denken om te begrijpen hoe reëel dit gevaar is. Deze mensen begaan gruwelijke misdaden, maar ze wanen zichzelf halve heiligen, martelaars voor de goede zaak. Dezelfde mentaliteit vinden we bij de politiek-correcten, de zogenaamde Gutmenschen. Ze richten de menselijke beschaving ten gronde in de overtuiging dat zij haar redden. Deze terreurzaaiers – Oostelijke zowel als Westerse – worden bezield door grootse idealen en gedreven door louter goede wil, maar zij steunen op het verkeerde fundament. 

Met ons verstand doordringen in de kunst, is doordringen in de fundamenten van onze wereldbeschouwing. Dat vergt een strijd met het kwaad, want de tegenmachten weten beter dan wie ook hoe belangrijk de kunst is voor de moderne mens. Ze weten ook dat de mens dat weet (dankzij zijn nieuwe helderziendheid) en dat het dus geen zin heeft hem ervan af te willen brengen. Wat ze echter wel kunnen doen – en wat ze, met doorslaand succes, ook gedaan hebben – is de kunst vervangen door een ‘nieuwe’ kunst, die precies hetzelfde doet als de oude maar dan omgekeerd. Ze hebben de kunstenaar en de kunstliefhebber – die altijd zijn uitgegaan van de zintuiglijke werkelijkheid – laten geloven dat ze in feite uitgaan van de bovenzintuiglijke werkelijkheid. Dat denkbeeld was des te aantrekkelijker omdat het materialisme de mens geestelijk uithongerde en hem tot een gemakkelijke prooi voor deze omkering maakte. De uitgehongerde mens wilde maar al te graag geloven dat hij uitging van de geest.

Rudolf Steiner doorzag deze duivelstruc en stelde hem aan de kaak in zijn esthetica. Maar hij werd niet begrepen. De ‘geestelijke honger’ verdoofde het onderscheidingsvermogen van zijn leerlingen. Honderd jaar nadat Rudolf Steiner de antroposofie officieel verbond met de kunst – en daardoor de afscheuring van de theosofie bewerkstelligde – openden ze de poorten van het Goetheanum voor de hedendaagse kunst. Ze begrepen niet dat deze schijnkunst de visie belichaamde die Rudolf Steiner in zijn esthetica ontmaskerd had en dat ze dus het paard van Troje binnenhaalden. Ze dachten een brug te slaan naar de moderne wereld, maar in werkelijkheid deden ze net het tegenovergestelde en keerden ze terug naar het theosofische stadium. In plaats van uit te gaan van de zintuiglijke werkelijkheid gingen ze uit van de geest. Ze negeerden het dualistische karakter van de materiële wereld en probeerden hem – vergeefs uiteraard – de idee van de driegeleding op te leggen. 

Rudolf Steiner was geen dromer. Hij zag de mogelijkheid onder ogen dat de antroposofie een werktuig van de tegenmachten zou worden en drukte ons daarom op het hart om wakker te blijven. Dat laatste is vandaag niet meer mogelijk zonder de omkering van de kunst te doorzien. Het grote struikelblok daarbij, is de rol die het verstand speelt in het scheppingsproces. Die rol wordt onomwonden verwoord in het beroemde vers van Oscar Wilde: each man kills the thing he loves. Om scheppend werkzaam te kunnen worden, moet de kunstenaar (en moet ieder mens) datgene doden waarvan hij het meeste houdt: de geest. Het is de waarneming van de geest die een mens tot kunstenaar maakt, die in hem de liefde wekt voor de zintuiglijke werkelijkheid, en juist die liefde moet hij ‘doden’ door de zintuiglijke werkelijkheid (met zijn verstand) te herleiden tot dode, abstracte vormen. Dat is het – schokkende – mysterie van de kunst, het mysterie waarvoor de moderne mens instinctief terugdeinst.

James Ensor verafschuwde het academische kunstonderwijs, maar hij was eerlijk genoeg om het een noodzakelijk kwaad te noemen. Hij behoorde tot de generatie kunstenaars die na het aflopen van het Kali Yuga de geest steeds sterker begonnen waar te nemen en het daarom steeds moeilijker kregen die geest – waarnaar ze zozeer hongerden – te ‘doden’. Uiteindelijk konden ze dat niet meer opbrengen en werden ze met waanzin geslagen. Deze waanzin bedreigt vandaag de hele mensheid, want de werking van de geest wordt steeds sterker en grijpt steeds meer mensen aan. Daarom moet het mysterie van de kunst openbaar worden gemaakt. Het moet onttrokken worden aan de kunstscholen waar het in zijn tegendeel wordt gekeerd. We moeten leren begrijpen en beleven dat de geest niet sterft wanneer we hem met ons verstand doden, maar dat hij verrijst, stralender dan ooit. Dat is het pijnlijke maar verlossende geheim van de kunst, het wonder van het vermoorde kind dat lacht en in der eeuwigheid blijft zingen.

Is kunst wetenschap?

Ik lees en hoor steeds vaker de vraag: is kunst wetenschap?
Waar komt zo’n vraag in ’s hemelsnaam vandaan?
Niemand vraagt toch ook: is religie wetenschap?
Religie en wetenschap zijn immers gezworen vijanden.
Maar kunst en wetenschap zijn dat ook.
Wetenschap streeft naar objectiviteit.
Kunst naar subjectiviteit.
Ze staan dus lijnrecht tegenover elkaar.
En toch vraagt men of ze hetzelfde zijn.
Alsof hun tegenstelling niet bestaat.
Alsof men geen verschil ziet tussen beide.

Wat zit daarachter?

20131023-120947.jpg

Ooit vormden kunst, wetenschap en religie een eenheid.
Die eenheid raakte in de loop der tijden opgesplitst in drie delen, die ieder hun eigen weg gingen.
Omstreeks 1900 hadden ze niets meer met elkaar gemeen, behalve hun onderlinge vijandigheid.
Die vijandigheid was het gevolg van hun aards-worden.
Naarmate de mens het contact met de geestelijke wereld verloor, verloren ook kunst, wetenschap en religie het contact met elkaar.

Hun zelfstandig worden betekende ook het zelfstandig worden van de mens.
De vrije ruimte die tussen hen in ontstond, was de ‘baarmoeder’ waarin het Ik zich kon ontwikkelen.
Ze was de ‘huid van de draak’, want het was immers de draak die de mens losscheurde van de geestelijke wereld, en kunst, wetenschap en religie uit elkaar dreef.

Vandaag zijn we echter op een keerpunt gekomen.
Het Kali Yuga is afgelopen, het ‘duistere’ tijdperk waarin de mens het contact met de geest verloor en het materialisme gestaag toenam.
Omstreeks 1900, bereikte dat materialisme zijn hoogtepunt en sloeg om in zijn tegendeel: het nieuwe ‘lichte’ tijdperk begon, waarin de mens het contact met de geest herstelt en de spiritualiteit gestaag toeneemt.
Dit keerpunt heeft tot gevolg dat kunst, wetenschap en religie weer naar elkaar toe groeien.
Stap voor stap wordt hun onderlinge afstand kleiner en vandaag zien we zelfs hoe ze in elkaar beginnen over te vloeien.

Een paar voorbeelden.

In haar ijver om de evolutietheorie te verkondigen, heeft de wetenschap iets van een religie gekregen, en door in te grijpen in genetische structuren gedraagt zij zich als een kunst die nieuwe vormen wil scheppen.
De religie van haar kant is, net als de wetenschap, verstard tot een geheel van dogma’s en voorschriften, en door deel te nemen aan de politiek wil zij, net als de kunst, de wereld veranderen.
De kunst ten slotte is niet langer denkbaar zonder wetenschappelijke verklaringen, en tegelijk is ze georganiseerd als een kerk, met een paus aan het hoofd.

20131023-121149.jpg

De grenzen tussen kunst, wetenschap en religie vervagen en we stevenen af op een hereniging.

Maar de oude, oorspronkelijke eenheid kan niet meer hersteld worden.

Twee zaken verhinderen dat.
Enerzijds de ‘drakenkrachten’ die kunst, wetenschap en religie uit elkaar hebben gedreven.
En anderzijds de vrijheid die de mens in hun tussenruimte ontwikkeld heeft.
De draak denkt er niet over om zijn macht op te geven, en de mens wil zijn vrijheid evenmin afstaan.
Geen van beiden, drakenmacht of menselijke vrijheid, kan nog ongedaan worden gemaakt.
De eenheid waar we sinds 1900 op afstevenen, kan dus nooit de oude, door de geestelijke wereld geïnspireerde en door de religie geleide eenheid zijn.
Het zal noodzakelijkerwijs een nieuwe eenheid zijn, die zowel de draak als de vrije mens zal insluiten.
En die twee zullen met elkaar uitvechten wie de leiding krijgt over de nieuwe eenheid die tot stand komt.

We leven in een Michaëlstijd, een tijd van grote beslissingen.
De scheiding der geesten begint.
De mensheid raakt verdeeld.
Een deel plaatst zich onder leiding van de draak.
Een ander deel plaatst zich onder leiding van Michaël.

Die scheiding is het gevolg van een keuze,
een keuze tussen goed en kwaad.
Maar het gaat niet om goede of slechte daden, goede of slechte gedachten, goede of slechte gevoelens.
Het gaat om het wezen van goed en kwaad.
Het gaat om twee (geestelijke) wezens waartussen we moeten kiezen.
En een derde is er niet.

Het probleem is natuurlijk dat we geen geestelijke wezens (meer) kunnen waarnemen.
We kunnen het wezenlijk goede en het wezenlijk kwade niet onderscheiden.
Nochtans is dat juist wat we zozeer nodig hebben, want in hun uitingen – in gedachten, gevoelens en daden – zijn goed en kwaad zodanig met elkaar verstrengeld dat ze niet meer uit elkaar te houden zijn.
Met ons moderne, heldere onderscheidingsvermogen zien we geen verschil meer tussen beide.
Goed en kwaad zien er net hetzelfde uit.

20131023-122210.jpg

Tot nog toe maakten we onderscheid tussen beide met ons geweten.
Dat geweten is een soort herinnering aan wat we vroeger ge-weten hebben.
En we wisten het omdat we het zagen.
We konden de geestelijke wereld nog waarnemen en onderscheid maken tussen de verschillende wezens die hem bevolkten.
Van dat oude (helder ziende) weten is vandaag nog slechts een (slecht ziend, tastend) geweten overgebleven.
Dat moderne geweten is een gevoelszintuig: we maken onderscheid tussen goed en kwaad met ons ‘hart’.

Maar dat hart is nagenoeg blind geworden.
Het heeft ook bijna geen stem meer.
Het wordt het zwijgen opgelegd door het hoofd, dat Oost-Indisch doof blijft voor alles wat wezenlijk of geestelijk is.
En dus zijn onze morele keuzes in toenemende mate blinde en willekeurige keuzes.
We tasten letterlijk en figuurlijk in het duister.

Maar een willekeurige keuze is geen vrije keuze.
Het is geen keuze van de vrije mens, maar van … de draak.
Zonder het te beseffen, laten we de draak in onze plaats kiezen.
Door niet (goed) te weten waarvoor we kiezen, geven we ons leven steeds meer in handen van de draak.
En de enige manier om het zelf weer in handen te nemen, is door vrije keuzes te maken, dat wil zeggen, keuzes waarbij we weten waartussen we kiezen.
En daarvoor is het noodzakelijk dat we goed en kwaad leren onderscheiden, dat we hun geestelijke wezen leren waarnemen.

Niemand die bij goed bij zijn hoofd is, zal namelijk voor het kwaad kiezen.
Het volstaat het wezen van het kwaad te zien, om het af te wijzen.
Maar daar ligt juist het probleem: we zien het niet.
We zijn (met ons hart dat moet kiezen) niet goed bij ons hoofd (dat onderscheidt).
Ons bewustzijn is verdeeld.
Er gaapt een kloof tussen hoofd en hart.
Ons denken bestaat uit abstracte, dode gedachten.
Onze gevoelens worden vertroebeld door brandende begeerten.
En onze wil is verlamd omdat hij de kloof tussen beide niet kan overbruggen.

Van het oude eenheidsbewustzijn rest ons niets meer dan kille gedachten, verhitte emoties, een verlamde wil, en daartussen … niets.
Althans, dat denken we.
Want het is de draak die zich genesteld heeft in die lege ruimte tussen denken, voelen en willen.
De draak met de twee koppen: een luciferische kop die ons hart in brand steekt, en een ahrimanische kop die ons hoofd bevriest.
Zolang we die twee koppen niet onderscheiden, kunnen we ook de draak zelf niet onderscheiden.
En zolang we de draak (het wezen van het kwade) niet onderscheiden, kunnen we ook Christus (het wezen van het goede) niet onderscheiden.

20131023-122719.jpg

Op dit keerpunt der tijden moeten we een nieuw moreel zintuig ontwikkelen.
Het oude werkt niet meer.
Zonder dat nieuwe zintuig zullen we binnenkort geen onderscheid meer kunnen maken tussen goed en kwaad.
We zullen geen vrije keuzes meer kunnen maken.
We zullen onze vrijheid verliezen.
Alle keuzes zullen in onze plaats gemaakt worden, door de draak.
We zullen stap voor stap zelf draken worden.
En we zullen het niet weten.
Want we zullen geen verschil meer zien tussen goed en kwaad.
We zullen de vreselijkste dingen doen in de overtuiging dat we het goede doen.
Ja, hoe beestachtiger we ons zullen gedragen, des te betere mensen zullen we ons voelen, des te groter zal ons morele superioriteitsgevoel worden.
En dat is al lang geen apocalyptische toekomstvoorspelling meer.
Het is gewoon een waarneming van wat reeds aan de gang is.
Dat we de Nobelprijs voor de Vrede geven aan de grootste terroristenleider ter wereld is geen krankzinnige fictie maar harde werkelijkheid, een werkelijkheid die zich onder onze bijna blinde ogen afspeelt.

Het openen van onze nieuwe ‘morele ogen’ is dan ook geen spirituele prietpraat maar dringende noodzaak.
Tenminste als we niet werkloos willen toekijken hoe de menselijke beschaving systematisch vernietigd wordt en het leven van miljoenen mensen tot een hel maakt.
Als we nog een hart in ons lijf hebben en niet helemaal afgestompt zijn door de luxe en de leugens die dagelijks over ons uitgestort worden, dan moet het ontwikkelen van dit innerlijke zintuig een absolute prioriteit zijn.
Onze ene mensenplicht tegenover alle mensenrechten.

Als we beweren dat niets belangrijker is dan vrede, dan vergissen we ons.
Als we denken dat we het hier zo goed hebben in ‘ons landje’, dan zijn we al flink verdwaasd.
We worden bedreigd door het allergrootste gevaar: het gevaar op te houden mens te zijn, het gevaar ongemerkt te veranderen in een beest dat zich moreel superieur waant en daaraan het recht ontleent ‘de inferieuren’ uit te roeien.
Wie denkt dat hij dat gevaar niet loopt, droomt.
Denken we maar aan wat er nog niet zolang geleden gebeurd is in Duitsland, het meest ontwikkelde, meest progressieve en cultureel meest hoogstaande land ter wereld, het land waar wetenschap en kunst de hoogste toppen scheerden.
Uitgerekend daar sloeg de draak ongenadig toe, en hij kreeg nagenoeg iedereen in zijn macht, de intelligentsia op kop.
We denken dat zoiets niet nog eens kan gebeuren, maar het is al volop bezig en we zien het niet.
Tientallen jaren reeds voert de overheid een door de media en de hele intellectuele wereld gesteunde propagandacampagne waarin mensen dag in dag uit aan de schandpaal worden genageld en afgeschilderd als het grootste gevaar voor de samenleving: de zogenaamde racisten, de onverdraagzamen, de haatzaaiers, de islamofoben, de fascisten, de verzuurden, de extreem-rechtsen, de ‘onmensen’ kortom.
En we trappen er met beide voeten in.
Want de draak is buitengewoon sluw en intelligent.
Hij weet precies waar onze achillespees ligt.

En wij weten dat niet.

20131023-123204.jpg

Ons fel verzwakte morele zintuig, dát is onze achillespees.
Daar richt de draak zijn pijlen op.
En we hoeven ons geen illusies te maken: hij zal ons geweten vernietigen.
Hij zal de herinnering aan ons oude menszijn helemaal uitwissen.
Hij zal ons tot gewetenloze mensen maken, mensen die niet meer weten wat menszijn is.
En in ruil zal hij ons een nieuw geweten geven.
Hij zal van ons mensen maken die bij het minste kwaad vol verontwaardiging opspringen en roepen: we moéten iets doen, we moeten dat kwaad uitroeien!
Alleen zal dat kwaad geen kwaad zijn, maar goed.
Het nieuwe ‘geweten’ zal immers alles omdraaien: het zal goed en kwaad verwisselen.
De draak zal van ons mensen maken die het goede in naam van het goede willen uitroeien.

Het grote gevaar is dus niet dat onze morele ogen helemaal gesloten worden.
Het grote gevaar is dat ze opnieuw opengaan en alles omgekeerd zien.
Het grote gevaar is dat het nieuwe morele zintuig niet óns zintuig wordt maar dat van de draak.

De enige manier om dat te voorkomen, is door wakker te blijven.

Waar we vandaag getuige van zijn, is het verdwijnen van de oude moraliteit, het volledig dichtgaan van ons innerlijke oog, het uitsterven van de oude gewetensvolle mens.
Maar tegelijk zijn we getuige van het ontstaan van een nieuwe moraliteit, van het opengaan een nieuw moreel zintuig.
We zijn wereldwijd getuige van de geboorte van de nieuwe mens, de nieuwe mens die zich een nieuwe wereld schept.
Maar zijn we wakkere getuigen?
Zien we dat de nieuwe moraliteit een omgekeerde moraliteit is, die goed en kwaad gewoon verwisselt?
Zien we dat de moreel o zo gevoelige nieuwe mens in feite een drakenmens is, die in naam van het goede de vreselijkste dingen doet?
Zien we dat de nieuwe wereld niets anders is dan de vernietiging van de oude?

De vraag stellen, is ze beantwoorden.
We zien het niet.
Het zou overdreven zijn te zeggen dat we er compleet blind voor zijn, want ons oude morele zintuig werkt nog genoeg om ons te doen lijden onder de situatie waarin mens en wereld zich vandaag bevinden.
Maar we zien niet helder meer.
We begrijpen niet meer wat er gebeurt.
In feite raken we steeds meer in de war.
We kunnen goed en kwaad niet langer van elkaar onderscheiden.
Ons bewustzijn dooft langzaam maar zeker uit.

En daar ligt het werkelijke gevaar.

20131023-124001.jpg

We kunnen het sterven van de oude wereld niet tegenhouden, het maakt dat sterven alleen maar pijnlijker.
We kunnen ook niet beletten dat er een nieuw moreel zintuig – en daarmee ook een nieuw soort mens – ontstaat.
Dit wereldwijde Stirb und Werde, dit sterven en weer geboren worden, zal hoe dan ook plaatsvinden.
Het is een kosmische wetmatigheid waaraan de hele wereld en de hele mensheid op dit moment onderworpen is.
Maar wat we wél in de hand hebben, is of we dit sterven-en-geboren-worden bewust meemaken of niet.
Knijpen we onze ogen dicht of houden we ze open?
That is the question.

In feite is dát onze Michaëlische opgave: wakker blijven, kijken, zien wat er gebeurt.
En daar is moed voor nodig, want zowel sterven als geboren worden zijn ingrijpende, schokkende en zelfs gewelddadige processen.
Maar het zijn juist deze processen die we moeten leren zien en doorzien.
We moeten leren zien dat ze samen een ingewikkelde omkering vormen.
En om getuige te kunnen zijn van deze omkering moet ons bewustzijn die omkering zelf meemaken.
Alleen een ‘omgekeerd’ bewustzijn is in staat om in de nieuwe wereld onderscheid te maken tussen goed en kwaad.

Dat het nieuwe Lichte Tijdperk nog niets anders opgeleverd heeft dan oorlog en geweld is niet te wijten aan het feit dat het wezen van de mens door een diepgaande transformatie gaat, het is te wijten aan het feit dat zijn bewustzijn die transformatie niet meemaakt.
Het keert er zich van af, het sluit de ogen, het valt in slaap.

Het oerbeeld van dit omkeringsproces is natuurlijk het sterven en verrijzen van Christus.
Wanneer dat sterven inzet, in de tuin van Gethsemane, vraagt Christus maar één ding van zijn leerlingen: waakt met mij!
Hij wil niet dat ze zijn gevangenneming verhinderen of zich verzetten tegen zijn kruisdood, want die dingen moeten juist gebeuren, daarvoor is hij op aarde gekomen.
Hij wil alleen dat zijn leerlingen wakker blijven, dat ze getuige zijn.
Maar het lukt hen niet, ze ‘vallen in slaap’.
Hun bewustzijn wordt overweldigd, het is niet sterk genoeg..
Alleen het vrouwelijke bewustzijn kan het zien van dit lijden verdragen.
Het zijn ‘de vrouwen’ die getuige zijn van de kruisdood van Christus.
Volgens Mattheus, Marcus en Lucas kijken ze ‘uit de verte’ toe.
Alleen volgens Johannes staan ze onder het kruis.
Ze zijn nu echter ook vergezeld van ‘de leerling die Jezus liefhad’.
Tegen hem zegt de stervende Christus: zie, uw moeder.
En tegen zijn moeder zegt hij: vrouw, zie, uw zoon.

20131023-124436.jpg

Met deze woorden verenigt Christus het mannelijke en het vrouwelijke bewustzijn en vormt daarmee het oerbeeld van het nieuwe Michaëlische bewustzijn dat in staat is wakker te blijven en zijn sterven van dichtbij waar te nemen.
Michaël is namelijk de engel die voor het aangezicht van Christus staat.
Hij is degene die de blik niet neerslaat bij het zien van het lijden en sterven van degene die hij boven alles liefheeft en die hij bij zijn neerdaling ‘uit de hemel’ gevolgd is.
Hij is Christus evenwel niet tot in de materie gevolgd.
Hij is blijven staan in de geestelijke wereld.
En van daaruit kijkt hij toe.
Hij maakt het lijden en sterven van Christus in zijn bewustzijn mee.
Hij is de mede-lijdende getuige.
Hij is degene die zowel Maria als Johannes de kracht geeft om ‘wakker’ onder het kruis te staan en toe te kijken.

De oude, gewetensvolle mens herkennen we in Petrus.
Hij is degene die de gevangenneming van Christus wil verhinderen en naar het zwaard grijpt.
Hij is ook degene die Christus, uit angst voor zijn eigen leven, verloochent.
En wanneer zijn geliefde meester sterft, dwaalt hij ergens rond in de nacht, verteerd door schaamte en schuldgevoel.
Het oude bewustzijn van Petrus is niet sterk genoeg om het sterven van Christus onder ogen te zien.
Daarvoor is een nieuw bewustzijn nodig, een ‘geheeld’ bewustzijn, dat het meevoelende moederhart van Maria verbindt met de scherpe blik van Johannes, de ‘adelaar’ onder de evangelisten.
Het is dít bewustzijn dat ook in staat is de verrezen Christus te herkennen.
Maria Magdalena, de ‘adelaar’ onder de vrouwen, is de eerste die de ‘nieuwe’ Christus ontmoet en herkent.
Zij staat aan het lege graf, samen met Johannes en Petrus.
In dit beeld heeft het nieuwe Michaëlische bewustzijn van Maria en Johannes zich verbonden met het oude bewustzijn van Petrus.
Zoals Christus zich verbonden heeft met de aarde, zo heeft Michaël zich verbonden met de aardse Petrus.

20131023-124820.jpg

Dit is het oerbeeld:
van het oude, gespleten bewustzijn,
over het nieuwe geheelde bewustzijn,
naar het drieledige aardse bewustzijn.

Dit bijbelse oerbeeld is op zijn beurt drieledig.
Het transformatieproces dat ons bewustzijn moet doormaken als we (een vrij) mens willen blijven, begint bij het oude dualistische bewustzijn en eindigt met een nieuw, drieledig bewustzijn.
Over dit deel van het proces hebben we geen zeggenschap.
Ons oude gespleten bewustzijn zal onherroepelijk sterven en het zal even onherroepelijk verrijzen als een nieuw eenheidsbewustzijn.
Vrij zijn we alleen in de tweede en middelste fase van het transformatieproces: de verbinding van hoofd en hart.
Daar valt de beslissing.
Daar wordt uitgemaakt of het nieuwe bewustzijn een menselijke bewustzijn zal zijn dan wel een drakenbewustzijn.
Het is déze fase die we niet mogen verslapen.

En daarmee komen we weer terug bij de oorspronkelijke vraag: is kunst wetenschap?

Kunst en wetenschap zijn namelijk uitdrukking van hart en hoofd.
Ze zijn de spiegel van wat zich in ons bewustzijn afspeelt.
Zij geven ons een objectief beeld van de tweede, centrale fase in de bewustzijnstransformatie die we vandaag doormaken.
En aan dat beeld kunnen we aflezen dat hoofd en hart inderdaad verbonden worden.
Kunst en wetenschap groeien naar elkaar toe en gaan in elkaar over.
Maar we kunnen er ook aan aflezen dat dit volgens de regels van het hart gaat, dat wil zeggen: blind, gevoelsmatig, meedrijvend op de grote kosmische verbindingskrachten die sinds het einde van het Kali Yuga de plaats hebben ingenomen van de oude scheidende krachten.
Het gaat met andere woorden om een vrouwelijke verbinding, een samensmelten met de kosmisch-vrouwelijke krachten die op alle gebieden streven naar een hereniging van wat gescheiden is.
Aan deze verbinding heeft het wakkere hoofd part noch deel.
Het is er veeleer het slachtoffer van.
De ‘mannelijke’ onderscheidingsvermogen van het hoofd lost langzaam maar zeker op in die zee van ‘vrouwelijke’ krachten.
In de beslissende fase van het aan de gang zijnde bewustwordingsproces vallen we met andere woorden in slaap.
We slagen er niet in om wakker te blijven.

De gevolgen daarvan zijn duidelijk.
De wetenschap houdt op wetenschap te zijn,
en de kunst houdt op kunst te zijn.
Ze vermengen zich tot een heksenbrouwsel vol leugens en lelijkheid, waarin alle menselijkheid en moraliteit oplost en verdwijnt.
De wetenschap stelt de mens voor als minder dan een aap, als een kruipende worm.
En de kunst doet eigenlijk net hetzelfde, zij het iets ‘plastischer’: zij stelt de mens voor als een stuk stront, een uitwerpsel.

20131023-125337.jpg

De vraag ‘is kunst wetenschap?’ is – op cultureel gebied – de meest prangende vraag die men kan stellen.
Enerzijds is zij uitdrukking van ons falende ‘mannelijke’ onderscheidingsvermogen, dat beide niet meer uit elkaar kan houden.
Anderzijds is zij een appèl aan ons Ik om wakker te worden, om vragen te stellen over de relatie tussen kunst en wetenschap, om te zien wat er met beide aan de hand.
En die vragen komen uiteindelijk neer op die ene Michaëlische vraag: wie is als God?
Het antwoord op die vraag is: de mens.
Maar in zijn abstractie is dat antwoord natuurlijk een leugen.
Verre van ‘als God’ te zijn, is de moderne mens veel meer ‘als een worm’ of nog minder.
De Michaëlische vraag moet dus heel concreet gesteld worden.
Het is de vraag naar de mens en het menselijke op ieder gebied.
Het is het afwegen tussen wat ‘als God’ is en wat ‘als de draak’ is.
Het is, kortom, het maken van onderscheid tussen goed en kwaad.

Om een Michaëlvraag te zijn moet de vraag ‘is kunst wetenschap?’ heel concreet gesteld worden.
Van ieder afzonderlijk kunstwerk moeten we ons afvragen wat er subjectief aan is en wat objectief.
En ten aanzien van de wetenschap moeten we eigenlijk precies hetzelfde doen.
Iedere wetenschappelijke bewering moet onderzocht worden op haar wetenschappelijkheid. De objectieve elementen moeten gescheiden worden van de subjectieve.

In beide gevallen betekent dat een strijd met de draak.
Want de draak spant zich tot het uiterste in om zowel het objectieve in de kunst als het subjectieve in de wetenschap te verbergen.
Hij stelt de kunst voor als een zuiver subjectieve aangelegenheid waarover niets objectiefs te vertellen valt (met als gevolg dat anything goes).
En hij stelt de wetenschap voor als een volkomen objectieve aangelegenheid waar geen subjectiviteit aan te pas komt (met als gevolg dat er niet meer kan getwijfeld worden aan de wetenschap).

Dit is de achillespees van de draak.
Als men heel bewust en heel concreet de vinger legt op het samengaan van objectief en subjectief in zowel kunst als wetenschap, dan wordt de draak woest, dan laat hij zich kennen.
En dan is het zaak om goed te kijken.
Want zonder kennis van de draak kunnen we binnenkort geen onderscheid meer kunnen maken tussen goed en kwaad.
De draak zal zich dan diep in ons verborgen hebben en vanuit zijn schuilplaats heel ons denken en doen bepalen, zonder dat we het beseffen.
Daarom moeten we de draak zichtbaar maken, want alleen een onzichtbare draak kan ons in zijn greep krijgen.

20131023-125656.jpg