Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: karikatuur

Lichtbaken (20)

  

Toen ik karikaturen begon te tekenen, werd het ‘beest’ in me ontketend. Had ik me tot dan braaf gehouden aan de grenzen die de wereld me stelde, nu overschreed ik ze zonder schroom. Tenminste op papier. In mijn tekeningen kon ik ongeremd stout zijn en mijn vernietigingsdriften botvieren. Een doel op zich was dat echter niet. Het was een middel om beter te leren tekenen. Het beest bleef ondergeschikt aan de kunst en onder haar invloed verloor het langzaam zijn wildheid. Dat werd bevestigd toen kinderen me vroegen om karikaturen van hen te tekenen. Mijn vernietigende krachten vormden geen bedreiging meer, ik had ze getransformeerd tot het vermogen om al tekenend iemands Ik zichtbaarder te maken. En daar hadden die kinderen (blijkbaar) behoefte aan. Mijn modellen werden steeds jonger en uiteindelijk maakten ze het beest in me helemaal onschadelijk. Het was er nog wel en het had nog al zijn tanden, maar het deed nu wat ik wilde, niet omgekeerd. 

Kinderen zijn wijzer dan volwassenen. Ze begrepen altijd veel beter waar het om ging in mijn karikaturen. Bij momenten begrepen ook volwassenen het, maar evenmin als bij de kinderen drong het tot hun bewustzijn door. Dat was ook bij mezelf niet het geval. Pas nu, vele jaren nadat ik gestopt ben met het tekenen van karikaturen, begin ik me een beeld te vormen van wat er allemaal speelde. Dat kost me veel moeite, want duisternis is eigen aan het scheppingsproces. Pas wanneer het voltooid is, kan het licht van het bewustzijn ontstaan. Die volgorde is essentieel, want als je ze omkeert worden scheppingskrachten vernietigingskrachten. Dat valt goed waar te nemen in de hedendaagse kunst, die niet vertrekt vanuit de duisternis van de wil, maar vanuit het licht van de ideeën, en daardoor (zelf)vernietigend wordt. In de werkelijkheid gebeurt hetzelfde: ook daar wordt steevast uitgegaan van bewuste ideeën, concepten en theorieën, en ook daar wordt de scheppende wil vernietigend. 

Ik heb die omkering eens op een heel merkwaardige manier meegemaakt toen ik nog tekende op de Gentse Feesten. Dat was geen plek om (gewone) portretten te maken, maar er waren altijd mensen die geen karikatuur wilden. Omdat ik de centen goed kon gebruiken, probeerde ik dat probleem op te lossen door dubbel zoveel te vragen voor een portret. Dat hield mensen echter niet altijd tegen, en op een dag vroeg een jonge vrouw me om haar portret te tekenen, een gewoon portret drukte ze me op het hart, géén karikatuur. Dat laatste zou me waarschijnlijk toch niet gelukt zijn, want ze was een verbluffende schoonheid. Zo’n model had ik nog nooit van m’n leven gehad, en er kwam een gedachte in me op die ik ook nog nooit van m’n leven had gehad. Als ik nu eens, in plaats van deze vrouw zo lelijk mogelijk te maken, precies het omgekeerde deed en haar nóg mooier maakte dan ze al was! Als ik met andere woorden eens een geïdealiseerd portret van haar maakte! 

Een bevriend antroposoof had me dat ooit eens gesuggereerd. Mijn karikaturen riepen gemengde gevoelens bij hem op. Waarom toch altijd de klemtoon leggen op het lagere in de mens! Waarom niet eens proberen het hogere zichtbaar te maken! Hij was wat je noemt ‘een mens van goede wil’, hij probeerde overal het goede te zien. Zei je iets negatiefs, dan plaatste hij daar steevast het positieve tegenover. Heel vermoeiend, vond ik dat. Toch dacht ik bij mezelf: waarom niet eigenlijk? Waarom zou ik voor de verandering niet eens de schijnwerpers richten op het hogere, geestelijke Ik van de mens? Tenslotte was ik toch antroposoof. Maar alle goede voornemens ten spijt, kon ik mezelf er niet toe brengen het eens te proberen. Het was zoveel plezieriger en spannender om stout te zijn. En dus bleef ik karikaturen tekenen en mijn uiterste best doen om mensen zo lelijk mogelijk te maken. Tot die dag op de Gentse Feesten, toen die onwaarschijnlijk mooie vrouw op mijn stoel plaatsnam.

Ik dacht meteen: nu ga ik het eens proberen! Ik ga deze vrouw nog mooier maken dan ze al is! Ik hoefde er mezelf niet eens geweld voor aan te doen: haar schoonheid ontwapende me. Je moest echt wel een onmens zijn om dit godenkind naar beneden te willen halen. Zelfs ík was zo slecht niet. En zo kwam het, dat op die zomerse dag, te midden van de feestdrukte, mijn betere Ik de bovenhand kreeg en ik mijn allereerste geïdealiseerde portret tekende. Het resultaat mocht er best wezen, vond ik. De vrouw op mijn papier was nóg knapper dan de vrouw die voor me zat, en ik verheugde me al op haar reactie. Toch zat het me niet helemaal lekker. Ik had het gevoel niet eerlijk te zijn en de boel te belazeren. Slijmerd die je bent, dacht ik bij mezelf, schijnheiligaard! Het scheelde niet veel of ik had een hekel aan mezelf gekregen. Ik begreep het niet. Was ik voor één keer niet onversneden positief geweest? Had ik mijn slechte Ik niet het zwijgen opgelegd? En uitgerekend nu kreeg ik een vieze smaak in de mond.

Ik haalde m’n schouders op. Waarschijnlijk voelde mijn lagere Ik zich verongelijkt omdat het zijn tanden niet in mijn model had mogen zetten. Trots en vol verwachting toonde ik de vrouw het resultaat van mijn inspanningen. Ze bevroor. Met opengesperde ogen staarde ze naar mijn tekening. Ben ík dat? kon ze uiteindelijk uitbrengen. Ze was in shock. Ben ik dan ZO lelijk? stond er in grote letters op haar verbijsterde gezicht geschreven. Mijn eigen gezicht moet het hare weerspiegeld hebben, want ik was op mijn beurt verbijsterd. Ik had deze vrouw nóg mooier gemaakt dan ze al was, en wat ze zag was … een monster! Zo’n reactie hadden zelfs mijn kwaadaardigste karikaturen nooit teweeggebracht. Ik begreep er niks van. Wat was hier aan de hand? Mijn portret mocht dan misschien niet zo ‘ideaal’ zijn als ik wel dacht, maar een karikatuur was het heel zeker niet. En toch was de vrouw vervuld van afgrijzen en ongeloof. Wat had zij eigenlijk verwacht? Welk beeld had zij van zichzelf? 

Ik moest denken aan de onaantrekkelijke vrouwen die af en toe in mijn stoel kwamen zitten. Soms waren ze ronduit lelijk. Toch lieten ze een karikatuur van zich maken en ze konden er nog hartelijk om lachen ook. Het wekte onwillekeurig mijn bewondering. Dat zelfrelativeringsvermogen heb ik ooit eens in de overtreffende trap meegemaakt toen ik twee zwaar spastische mensen tekende. Ze waren vreselijk om aan te zien, ik durfde haast niet te kijken. Ben je zeker dat ze een karikatuur willen? vroeg ik aan hun begeleider. Heel zeker, antwoordde hij. Het was trouwens onmogelijk om van hen iets anders dan een karikatuur te maken, karikaturaler dan ze eruitzagen kon eenvoudig niet. En dus tekende ik gewoon wat ik zag. Toen ik aarzelend het resultaat liet zien, kregen ze allebei een soort epileptische aanval. Ze hingen half uit hun rolstoel, liepen paars aan, maakten piepende geluiden en schokkende bewegingen. O God, dacht ik, wat heb ik gedaan! Maar hun begeleider stelde me gerust: ze komen niet bij van het lachen!

Hij vertelde me dat er niks mis was met hun verstand, innerlijk waren ze net als iedereen. Alleen uiterlijk zagen ze er monsterlijker uit dan zelfs mijn ‘beestachtigste’ karikaturen. En met dat afschuwelijke uiterlijk waren ze nu als gek aan het lachen. Later op de dag zag ik ze in de verte passeren. Ze waren nog altijd naar mijn tekening aan het kijken. Het voorval maakte een diepe indruk op mij. Deze ‘ongelukkigen’, zoals ze vroeger genoemd werden, hadden niet alleen vrede met hun uiterlijk, ze konden er zelfs hartelijk om lachen. Zoveel relativeringsvermogen kwam me bijna bovenmenselijk voor. Het verschil met de vrouw die geschokt naar haar geïdealiseerde portret staarde, kon niet groter zijn. Haar reactie had iets ‘ondermenselijks’: ze was begiftigd met een uiterlijk dat velen haar ongetwijfeld benijdden, maar in plaats van dit geschenk naar waarde te schatten, was ze diep teleurgesteld omdat het niet mooier was. Mijn portret mocht dan geïdealiseerd zijn, haar reactie was een groteske karikatuur. 

Waarom bracht mijn streven om mensen zo lelijk mogelijk te maken het beste in hen naar boven? Waarom beleefden zij, net als ikzelf, ongeremd plezier aan het zichtbaar worden van hun lager Ik, terwijl het omgekeerde – het zichtbaar worden van hun hoger Ik – hen met afschuw vervulde? Ik heb weliswaar maar één keer geprobeerd een geïdealiseerd portret te maken, en misschien was die ene vrouw toevallig een uitzondering. Maar als ik denk aan een fenomeen als de politieke correctheid, dan meen ik daarin dezelfde reactie te herkennen. De moderne mens is, althans uiterlijk, een ‘mooie’ mens: beschaafd, vriendelijk, verdraagzaam, vredelievend, enzovoort. De wereld waarin hij leeft steekt schril af tegen de vele landen waar oorlog heerst, armoede, honger, onderdrukking, enzovoort. Toch is deze mooie mens niet te spreken over zijn wereld. Als iemand er een beeld van schetst dat de positieve kanten accentueert, reageert hij geschokt en ziet alleen maar monsterlijk racisme.

Die mooie vrouw was dus geen uitzondering, evenmin als die twee spastische mensen. Samen belichaamden ze een regel: probeer iemands hoger Ik zichtbaar te maken (door bijvoorbeeld een geïdealiseerd portret van hem te maken) en zijn lager Ik komt tevoorschijn, probeer hem daarentegen zo lelijk mogelijk te maken (door bijvoorbeeld een karikatuur van hem te maken) en hij wordt mooi. Anders gezegd, het hogere maakt het lagere wakker, het lagere het hogere. Of nog: positief-zijn werkt averechts, negatief-zijn ook. Dat is natuurlijk de omgekeerde wereld. Mijn vriend de antroposoof zou het er zeker niet eens mee zijn. En hij zou nog gelijk hebben ook. Want er ontbreekt iets aan mijn regel, iets essentieels: hij geldt alleen in de kunst. De klemtoon leggen op het lagere in de mens, werkt alleen ‘verhogend’ als het een middel is om kunst te maken. In de werkelijke wereld maakt het accentueren van het lagere de mens niet beter, wel integendeel. En het accentueren van het hogere maakt hem ook niet slechter. Dat gebeurt alleen in de kunst. 

Maar als deze (omkering)regel alleen geldt in de kunst, hoe komt het dan dat je hem ook aantreft in de politieke correctheid, die maar al te werkelijk is? Men probeert uit alle macht het hogere Ik van de mens tevoorschijn te roepen door te hameren op verheven idealen als gelijkheid, verdraagzaamheid, liefde, diversiteit, enzovoort. Het resultaat is een schrikbarende ‘verlaging’ van de mens, want de haat, de afschuw, de onverdraagzaamheid en de verontwaardiging nemen hand over hand toe. Met andere woorden, de moderne mens reageert in toenemende mate zoals de mooie vrouw op mijn poging tot idealisering. Wat in de kunst gebeurt, gebeurt dus ook in de werkelijkheid. De grenzen tussen beide vallen weg. Toch blijft er nog altijd één groot verschil: de moderne mens reageert beslist niet zoals de twee ‘ongelukkigen’ op mijn (getekende) karikatuur. Wanneer hij geconfronteerd wordt met een levende karikatuur barst hij niet in lachen uit, maar in woede en verontwaardiging.

Geen mooier voorbeeld dan de Amerikaanse presidentsverkiezingen van dit jaar. Ze waren een karikatuur van wat verkiezingen horen te zijn en de verkozen president was een karikatuur van wat een president hoort te zijn. Maar daar werd niet om gelachen, o nee. Overal ter wereld braken protesten uit, de mensheid leek wel ten prooi aan massahysterie. De reacties op Donald Trump waren nog karikaturaler dan de man zelf. Ze getuigden van een gebrek aan relativeringsvermogen dat in de kunst ondenkbaar is. Want zelfs als mensen niet kunnen lachen om een karikatuur, beseffen ze dat ze dat eigenlijk wel zouden moeten kunnen, en dat het getuigt van zwakheid om je kwaad maken. Wat de mens in de kunst wél kan, kan hij niet in de werkelijkheid. En hij kan het niet omdat hij niet weet dat de grenzen tussen kunst en werkelijkheid verdwenen zijn. Hij realiseert zich niet dat de moderne wereld één grote karikatuur is geworden waar hij eigenlijk zou moeten kunnen om lachen.  

De moderne mens beseft niet dat het omkeringsprincipe van de kunst vandaag ook in de werkelijkheid werkzaam is en dat hij de wereld dus niet zal kunnen verbeteren door er louter positieve, idealiserende krachten op los te laten. Dat zal juist averechts werken, de actualiteit bewijst het iedere dag. Het enige wat echt zal helpen, is het omgekeerde: een karikatuur maken van de werkelijkheid. Alleen door het negatieve uit te vergroten zal de mens kunnen doen wat hij zo graag wil: een nieuwe, mooiere wereld maken. Hij moet ‘het beest’ in zich loslaten, maar dan wel op een kunstzinnige manier: niet als een doel op zich, maar als een middel om kunst te maken. Daarvoor moet hij echter eerst een beeld hebben van wat kunst is, hij moet weten hoe een kunstwerk ontstaat. En dat betekent in de eerste plaats dat hij zich bewust moet worden van het omkeringsprincipe dat in de kunst werkzaam is. Want als hij dat niet doet, zal al zijn idealisme, al zijn streven naar wereldverbetering hem alleen maar in het ongeluk storten. 

Advertenties

Lichtbaken (19)

  

Ik herinner mij nog altijd het moment dat mijn leraar me op de karikatuur wees. Ik moet een jaar of 15 zijn geweest. Hij had gezien dat ik in een doodlopend straatje was terechtgekomen en greep in. Je tekent uitstekend, zei hij, maar het blijft allemaal nogal braaf, er ontbreekt ‘leven’ aan. Je zou eens moeten proberen om het specifieke van iemand naar voor te halen, zoals dat in een karikatuur gebeurt. En hij tekende een vierkant, een cirkel en een driehoek waarin hij vervolgens een gezicht tekende: drie smiley’s avant la lettre. Snap je? zei hij. Ik snapte het. Meer hoefde hij niet te vertellen. Vanaf dat moment begon ik karikaturen te tekenen met een hartstocht waarvan hij later (monkelend) zou zeggen: had ik dát geweten …! Het was alsof hij olie had aangeboord: het spoot eruit, er was geen tegenhouden aan. Maar het werkte: door karikaturen te tekenen ontwikkelde ik de beweeglijkheid, de levendigheid en de expressiekracht die in mijn ‘ernstige’ tekeningen ontbraken. Tekenen werd een spel, en de brandstof was … pure vernietigingskracht. Uit de diepten van mijn wil kwam iets naar boven dat zwart was als de nacht.  

Ik nam het mensen vreselijk kwalijk dat ze zo lelijk waren, dat ze zo diep ‘gevallen’ waren (uiterlijk gezien dan). Mijn autistische bewustzijn bevond zich meer buiten dan in mijn lichaam en daardoor had ik een sterkere beleving van het Ik (van anderen) dan normaal. Volgens Rudolf Steiner leeft het Ik immers niet in maar rondom de mens. Zonder het te beseffen, werd ik het enorme verschil gewaar tussen het geestelijke wezen van de mens en diens fysieke verschijning. En die tegenstelling kon ik niet verteren. Ze een diepe weerzin in me , een woede waarvan ik me niet bewust was en die ik instinctief onderdrukte. Samen met die woede onderdrukte ik echter ook mezelf: ik kon niet zijn wie ik was, ik wist niet eens wie ik was. Door karikaturen te tekenen werd die ban gebroken: ik had een manier gevonden om uiting te geven aan mijn weerzin en tegelijk ook aan mezelf. In mijn tekeningen kon ik mijn afschuw botvieren want ze werd in toom gehouden door mijn tekentechniek. Dat moest wel, want het had geen zin om mensen af te beelden als monsters als ze niet op die monsters leken. 

Wat ik wilde, was mensen confronteren met hun dubbelganger en dat lukte alleen als ze er zichzelf in herkenden. Het was niet moeilijk om monsters te tekenen, maar dubbelgangers werden het pas als mensen niet anders konden dan toegeven: ja, dat ben ik! En dat was precies wat ik beoogde. Ik wilde hen als het ware dwingen hun ‘gevallen’ toestand onder ogen te zien. Of juister: mijn eigen dubbelganger wilde dat. Hij was het die mensen in het stof wilde zien kruipen en erkennen dat ze afzichtelijke wezens waren. Maar ik hield hem in toom. Ik gebruikte mijn tekeningen nooit om mensen te vernederen of te choqueren. Ik tekende hen stiekem en liet het resultaat alleen zien als ze erom vroegen. Ik was me maar al te zeer bewust van mijn eigen aandeel in de zaak: als ik mensen (een glimp van) hún dubbelganger liet zien, liet ik hen tegelijk ook de mijne zien, en daar schaamde ik me voor. Maar het belette me niet om – in mijn eentje – volop te genieten van het ‘vernietigen’ van mensen, van het uitoefenen van macht over hun Ik (waar ik me, als autist, zo zwaar door geïntimideerd voelde).

Ik gaf mijn dubbelganger dus de vrije teugel. Hij kon – binnen de grenzen van mijn tekening – razen en tekeer gaan zoveel hij wilde. Ik legde hem geen strobreed in de weg. Dit botvieren van mijn laagste driften was echter niet de reden waarom ik karikaturen tekende. Het was slechts een middel om mijn doel te bereiken, en dat was: betere tekeningen maken. Dat is trouwens altijd het doel van de kunstenaar: beter worden. Wie niet langer probeert beter te worden, houdt op kunstenaar te zijn. Hij houdt ook op mens te zijn, want is dit onophoudelijke streven om zich te verbeteren niet juist wat een mens tot mens maakt? Toen enkele jongeren ooit aan Rudolf Steiner vroegen wat ze hic et nunc konden doen, antwoordde hij: doe wat je doet, en probeer het beter te doen! Bondiger heeft hij het (kunstzinnige) wezen van de antroposofie nooit uitgedrukt. De antroposofie is geen doel op zich, ze is slechts een middel om beter mens te worden. En centraal in dat middel staat momenteel de confrontatie met de dubbelganger, de omgang met het kwaad. Dat is de grote opgave van de mens van deze tijd.

Je zou dan ook kunnen zeggen dat de hele antroposofie niets anders is dan een voorbereiding op deze confrontatie met het kwaad, een voorbereiding op de beslissende geestelijke strijd die vandaag aan de gang is en het hele wereldgebeuren bepaalt. Rudolf Steiner vertelde aan het eind van zijn leven dat de hele antroposofische arbeid niets anders was dan een voorbereiding op het eind van de 20ste eeuw. Dan zouden, zei hij, de grote platonici voor het eerst sinds eeuwen weer op aarde zijn en moesten ze samenwerken met de aristotelische antroposofen. Wat hij er niet bij vertelde (maar wat je uit andere uitspraken kon opmaken) was dat op datzelfde moment het Beest uit de duistere diepten van de aarde zou oprijzen. De confrontatie met dit apocalyptische kwaad zou de mens alleen aankunnen als hij erop voorbereid was en daarvoor moest de antroposofie zorgen. Het kloppende hart van die voorbereiding was de samenwerking tussen oude en jonge zielen, tussen platonici en aristotelici. Zij moest het kader vormen waarbinnen het Beest zijn duivels kon ontbinden zonder (al te) veel schade aan te richten.

Toen ik karikaturen begon tekenen, ging ik de confrontatie aan met het beest in mezelf. Ik was daar goed op voorbereid want ik had leren tekenen onder leiding van een man die met zijn nuchtere, bijna wetenschappelijke aanpak zowat de tegenpool was van de dromerige oude ziel die ik zelf was. Zijn ‘aristotelische’ manier van werken was me vreemd, maar ik gedijde in de sfeer van helderheid en vrijheid die in zijn klas heerste. Binnen het strikte kader dat hij creërde liet hij me vrij mijn gang gaan en toen hij merkte dat er verstarring optrad, stimuleerde hij mijn Spieltrieb door me op de karikatuur te wijzen. Dat hij tevens duistere krachten in me aanboorde, kon hij niet vermoeden. Hij deed alleen wat noodzakelijk was om van mij een betere tekenaar te maken. Daar ging het om, de rest was niet belangrijk. In de kunst wordt alles ondergeschikt gemaakt aan de kunst, ook duistere krachten van het kwaad. De kunst gebruikt alles wat ze aantreft – zowel wat onder de luciferische Formtrieb valt als wat onder de ahrimaanse Stofftrieb valt – en zelf laat ze zich nergens door gebruiken. 

De vormkrachten die ik aan de academie ontwikkeld had (door nauwgezet en gedisciplineerd dode vormen te tekenen) bleken bestand tegen het geweld van de vernietigingskrachten die in me ‘ontketend’ werden: de ‘monsters’ die ik tekende waren gelijkend. De ontketende vernietigingskrachten spoorden me op hun beurt aan om mijn vormkrachten verder te ontwikkelen, want hoe meer ruimte die duistere krachten kregen, des te sterker werden ze. Er school – zeker voor een autist – een intens genot in het gevoel van macht dat de karikatuur me verleende, en daar wilde ik steeds meer van: alle Lust will Ewigkeit, tiefe, tiefe Ewigkeit. Op die manier – door het (gecontroleerde) wisselspel tussen Lucifer en Ahriman – werden mijn karikaturen langzaam beter, werd ik een betere tekenaar. Hoewel het hard werk bleef – ik kreeg er altijd grote honger van – werd tekenen steeds meer een spel. En zo hoort het ook: kunst is in wezen een spel, een ernstig spel. Uiteindelijk ging het om de kunstzinnige kwaliteit van mijn karikaturen. De vreugde die ik daaraan beleefde deed het genot van macht en vernietiging verbleken. 

Dit streven naar (de vreugde van de) verbetering bracht ongemerkt een transformatie op gang. Door de jarenlange ‘training’ werden mijn vormkrachten sterk en beweeglijk genoeg om op een gegeven moment de stap te zetten naar het tekenen (van karikaturen) om den brode. Dat diende in het openbaar te gebeuren want ik had (en heb) er een ontzettende hekel aan om naar foto’s te werken. Ik moest me dus blootstellen aan de oordelende blikken (of woorden) van de omstaanders, en dat waren opnieuw ‘vernietigende’ krachten. Maar ik bleek ertegen bestand (en voor een autist wil dat heel wat zeggen). Terwijl mijn vormkrachten opschoven in de richting van het spel, deden mijn vernietigingskrachten precies hetzelfde. Mede door het feit dat ik alleen mensen tekende die dat echt wilden en alles dus in een sfeer van vrijheid plaatsvond, verloor mijn dubbelganger (en ook die van mijn model) zijn grimmigheid en kreeg hij amusementswaarde. Men moest er hartelijk om lachen, zoals men ook moet lachen om een klein kind dat zich verschrikkelijk kwaad maakt en wiens engelengezicht verandert in een duivelstronie. 

Noch ikzelf noch de toeschouwers beseften dat door het zichtbaar maken van het dierlijke-in-de-mens ook het geestelijke-in-de-mens zichtbaar wordt en een sfeer van kinderlijke onschuld verspreidt. Die onschuld ontwapent de dubbelganger en maakt hem tot een bron van vreugde. Hoe reëel die ‘ontwapening’ van mijn vernietigingskrachten was, ondervond ik toen kinderen mij om een karikatuur begonnen te vragen. Aanvankelijk weigerde ik dat. Zoiets deed je niet, vond ik. Je bracht het onschuldige wezen van een kind niet in contact met het monsterlijke wezen van de dubbelganger. Bovendien was het, louter tekenkundig, heel moeilijk om niet te zeggen onmogelijk, om de zachtheid van een kindergezicht te bewaren als je er een karikatuur van maakte. Karikaturen verdierlijken én verouderen de mens. Een kind houdt op een kind te zijn als je er een karikatuur van tekent. Was dat niet juist wat me zo kwelde: dat het engelachtige Ik-wezen van de mens ‘viel’ en harde, dierlijke trekken kreeg? En nu zou ik die ‘zondeval’ zelf tot stand brengen? Nee, dat wilde ik niet.

Maar dat was zonder de kinderen gerekend. Ze bleven aandringen. Wil je dan niet liever een gewoon portret? vroeg ik hen. Neenee, het moest zo’n tekening zijn – ze konden het woord ‘karikatuur’ niet eens uitspreken. Tegen kinderen is geen kruid gewassen en dus gaf ik toe: ik begon karikaturen van kinderen te tekenen. Daarmee voorzag ik duidelijk in een behoefte, want algauw zag ik me op feestjes, kermissen, markten en andere plaatsen waar ik mijn kunsten vertoonde, omringd door kinderen die getekend wilden worden en geduldig hun beurt afwachtten, desnoods urenlang. Ik stond ervan te kijken hoe stil en rustig ze waren. Het was alsof deze woelwaters voelden dat er iets bijzonders te gebeuren stond. En eigenlijk was dat ook zo. Als ik een kind tekende, zag ik – of voelde ik – hun Ik tevoorschijn komen als een bloem die openbloeide. Dat was tenminste de indruk die deze ‘bovenzintuiglijke waarneming’ op me maakte. Ik zag dat ook wel bij volwassenen, maar in veel, veel mindere mate. Het was een wonderlijk gebeuren dat me diep ontroerde en dat (af te lezen aan hun gedrag) ook door de kinderen zelf werd waargenomen. 

Als de karikatuur dan klaar was en ik ze toonde, knikten ze heftig maar durfden nauwelijks te kijken. Ze waren nog niet bestand tegen een confrontatie met hun dubbelganger, maar ze hadden wel behoefte aan een beeld van hun Ik. Als ze er zich sterk genoeg voor voelden – zo stelde ik mij voor – zouden ze de tekening uit de omslag halen en een blik werpen in een spiegel die ze nergens anders vonden. Want waar konden ze een waarheidsgetrouw beeld vinden van zichzelf? Wie vertelde hen wie ze werkelijk waren? Aan de ene kant werden ze verwend zoals moderne kinderen verwend worden: alsof het engeltjes waren. Aan de andere kant leerden ze op school dat de mens eigenlijk een dier is en tot duivelse dingen in staat. Hoe moesten ze die twee uitersten aan elkaar knopen? De karikatuur die ik van hen had gemaakt, zou hen – tenminste dat wilde ik graag geloven – tonen dat zoiets mogelijk is, dat de mens zowel een engel als een dier is. Dat hadden ze trouwens tijdens het tekenen reeds ondervonden: ze poseerden als engeltjes, om daarna weer te veranderen in kwajongens en -meisjes. 

De transformatie van duivel(tje) tot engel werd bewerkstelligd door mijn geconcentreerde aandacht. Dat was zeker niet de ‘liefdevolle’ (luciferische) aandacht die ze gewoon waren en evenmin het harde (ahrimaanse) oordeel waaraan ze onderworpen werden. Het was de volstrekt nuchtere, ‘technische’ aandacht voor hun zintuiglijke verschijning, met voorbijgaan aan hun engelachtige aard. Ja, met die verleidelijke engel moest ik het gevecht aangaan, want het is heel moeilijk om afstand te nemen van het kinderlijke, om je er niet aan over te geven. Zonder afstand kun je echter niemand tekenen en dus moest ik al mijn vernietigende krachten inschakelen om die afstand te creëren. Het gevecht met de (luciferische) engel bracht me echter in contact met het Ik van het kind. Het deed dat Ik (even) openbloeien, maar werkte ook in de andere richting. De voortdurende inspanning van mijn vernietigende krachten putte die krachten langzaam maar zeker uit. Door jarenlang karikaturen te tekenen van kinderen verloor ik gaandeweg de behoefte om mensen in monsters te veranderen. 

Mijn dubbelganger beet zich bij wijze van spreken zijn tanden stuk op … kinderen. Tientallen jaren had hij zijn vernietigende krachten kunnen botvieren, zonder dat ik hem ook maar één beperking – tenzij de gelijkenis – had opgelegd. En het resultaat was dat hij onschadelijk werd. Ik liet me bij het tekenen van mensen (nog altijd) volledig gaan, maar dat leverde in toenemende mate tekeningen op die nauwelijks nog karikaturen genoemd konden worden. Het waren gewoon levendige, sprekende portretten geworden. Dubbelganger en Ik waren – zowel in de tekening als in de tekenaar – samengesmolten, en in plaats dat de dubbelganger het Ik had doen ‘vallen’, had hij precies het omgekeerde gedaan: hij had zich door het Ik laten ‘verheffen’, hij had er zich dienstbaar aan gemaakt en het zijn kracht en levendigheid ter beschikking gesteld. Door me op de karikatuur te wijzen had mijn leraar destijds (ongewild) een doos van Pandora geopend. Maar hij had het omwille van de kunst gedaan, en daardoor was die doos veranderd in een schatkist waaruit ik naar believen kon putten. 

Lichtbaken (13)

  

Tot hier (de uitgebreide versie van) mijn uiteenzetting over de geestelijke dimensie van de begripsverwarring tussen karikatuur en kartoen. Wat de lezer van deze theoretische beschouwing moet onthouden, is dat de karikatuur géén in beeld gebrachte idee is, maar een in beeld gebrachte mens. De karikatuur is met andere woorden een portret. Maar ze is natuurlijk geen gewoon portret, ze is een overdreven portret, een gechargeerd portret zoals men ook wel eens zegt. De karikatuur is inderdaad een frontale aanval op het fysieke uiterlijk van de mens. Diens zintuiglijke verschijning wordt op alle mogelijke manieren geweld aangedaan. De geportretteerde is, zou je kunnen zeggen, het slachtoffer van een terroristische aanslag. Toch gaat het in dit geval niet om zinloos geweld, want ondanks de soms groteske vervormingen blijft de mens in kwestie herkenbaar. Meer zelfs, hij wordt nog een stuk herkenbaarder. 

Ooit zat ik op de Gentse Feesten een karikatuur te tekenen toen een van de omstaanders uitriep: het lijkt er meer op dan hijzelf! Hij vond dat mijn (overdreven) portret méér leek op de man die ik aan het tekenen was dan de man zelf. Dat was natuurlijk een onzinnige uitspraak, want hij kon mijn tekening toch alleen maar vergelijken met de man die hij zag zitten. Of misschien toch niet? Volgens Rudolf Steiner nemen we het Ik van een mens rechtstreeks waar. We lezen het niet af aan zijn fysieke verschijning. Het is dus niet zo dat, wanneer we een mens ontmoeten, er in ons bewustzijn een soort gezichtherkenningsprogramma wordt opgestart dat het uiterlijk van de betrokken persoon scant en de resultaten vervolgens vergelijkt met een database die ergens in datzelfde bewustzijn opgeslagen ligt. Zo gaat het niet. We nemen het geestelijk wezen van de mens rechtstreeks, op helderziende wijze, waar zonder bemiddeling van het fysieke uiterlijk.

Dat verklaart de op het eerste gezicht nonsensikale uitroep van de toeschouwer. Hij had zowel het lichaam als de geest van de man waargenomen, had beide vervolgens vergeleken met mijn tekening, en was tot de conclusie gekomen dat de tekening méér leek op het Ik van de man dan zijn eigen fysieke verschijning. Van dat hele waarnemings- en vergelijkingsproces was hij zich natuurlijk niet bewust. Niemand beseft nog dat we voortdurend helderziende waarnemingen hebben. We realiseren ons niet dat we het lichaam van een mens op zintuiglijke wijze waarnemen, en zijn geest of zijn Ik op bovenzintuiglijke wijze. We beleven die twee zeer verschillende waarnemingen als één enkele, ongedeelde waarneming. Onze waarneming van de mens is dus een gemengde waarneming. Je zou ze kunnen vergelijken met de kleur groen, die eveneens ontstaat doordat twee verschillende kleuren – geel en blauw – met elkaar vermengd worden. 

We weten dat groen gevormd wordt door geel en blauw, maar van onze waarneming weten we niet dat ze gevormd wordt door een zintuiglijke en een bovenzintuiglijke component. De karikatuur confronteert ons dus met iets waarvan we ons totaal niet bewust zijn: de samengestelde of gemengde aard van onze waarneming. Want wat voor de mens geldt, geldt ook voor de rest van de werkelijkheid: ze hebben allebei een zintuiglijke en een bovenzintuiglijke dimensie. Maar het materialisme heeft ons ervan overtuigd dat de werkelijkheid slechts één dimensie heeft, een zintuiglijke. Het maakt ons dus niet blind voor de geest in de zin dat we die geest niet meer zouden waarnemen. Dat is zeker niet het geval, want sinds het aflopen van het Kali Yuga hebben we steeds meer geestelijke waarnemingen. Nee, wat het materialisme uitschakelt is ons bewustzijn van die waarnemingen. Het belet ons met andere woorden om onderscheid te maken tussen zintuiglijke en bovenzintuiglijke waarnemingen. 

Tot voor kort waren er mensen die dat onderscheid wel nog konden maken. Ernest Claes heeft daar prachtige bladzijden over geschreven. Hij noemde ze ‘de mannen van de nacht’: de stropers die bij nacht en ontij door de bossen en de velden zwierven, en ’s avonds bij het haardvuur wonderlijke verhalen vertelden over geesten en spoken. Die verhalen waren natuurlijk vermengd met de nodige fantasie, maar ze kwamen toch voort uit de waarneming van een onzichtbare wereld waar ‘de mensen van overdag’ niks meer vanaf wisten. Ernest Claes kon die wereld zelf niet meer waarnemen, maar zijn kinderlijke ziel was nog zuiver genoeg om in de verhalen van Wannes Raps de waarheid te detecteren. Tegelijk was zijn verstand wakker genoeg om die wonderlijke wereld in twijfel te trekken. Maar Wannes, zei hij, spoken bestaan toch niet! Wannes Raps keek hem dan met een onpeilbare blik aan en zei: menneke, ge moet nog veel leren! 

Het waren profetische woorden aan het adres van een generatie die niets meer afweet van de wereld der geesten. We zijn er vandaag van overtuigd dat we de wereld eindelijk zien zoals hij werkelijk is. We voelen ons veel wakkerder dan de vorige generaties, en in ons denken zijn we dat inderdaad. De stropers waar Ernest Claes over schrijft, waren nooit naar school geweest en konden waarschijnlijk niet eens lezen of schrijven. Wij daarentegen spenderen onze hele jeugd op de schoolbanken, waar ons denken intensief getraind wordt. Het maakt ons tot kritische, zelfstandig denkende mensen, maar daar betalen we een hoge prijs voor. Doordat we in ons denken wakker zijn geworden, zijn we in onze waarneming in slaap gevallen. We hebben geen flauw benul meer van de twee werelden die zich in onze waarneming mengen. We maken geen onderscheid meer tussen zintuiglijke en de bovenzintuiglijke dimensie van het bestaan. 

‘Menneke, ge moet nog veel leren’. De woorden van Wannes Raps zijn vandaag zeer actueel geworden. Als de moderne mens niet opnieuw wakker wordt in zijn waarneming, als hij geen onderscheid leert maken tussen zijn zintuiglijke en zijn bovenzintuiglijke waarnemingen, dan zal hij zijn verstand verliezen. Hij zal compleet in de war raken. Daarom hamerde Rudolf Steiner er steeds weer op dat we wakker moesten worden. Niet in ons denken, maar in onze waarneming. Wakker worden is de core business van de antroposofie. Want zolang we slapend door de wereld gaan, blijven we, zoals Steiner zei, ronddwalen in duisternis en laten we ons leiden als blinden. Als we niet opnieuw wakker leren waarnemen, zullen we in de onderwereld eindigen. We zullen ons verstand verliezen, denken dat we in de hemel zijn en ons vrij wanen. Om die geestelijke dementie te voorkomen, is het vóór alles nodig dat we leren onderscheiden in onze waarneming.

Het grote probleem is dat dit wakkere waarnemen niet ten koste mag gaan van ons wakkere denken. Het heeft geen zin om wakker te worden in onze waarneming en weer in slaap te vallen in ons denken. Dan keren we de evolutie om en dat veroorzaakt altijd ellende. We moeten vooruit en dat betekent in dit geval: ontwaken in onze waarneming en wakker blijven in ons denken. Dat kan maar op één manier: de kunstzinnige manier. Alleen de kunst is bij machte die twee tegenpolen met elkaar te verbinden. Zowel in het scheppen als in het waarnemen van kunst zijn we slapend wakker en slapen we op een wakkere manier. De kunstenaar moet denken, want anders kan de werkelijkheid niet omzetten in een beeld. Maar hoe afstandelijk hij die werkelijkheid ook benadert, hij blijft er altijd intens mee verbonden. Hij voelt voor de zintuiglijke werkelijkheid een bijna religieuze eerbied die hem belet om er zich – zoals in de wetenschap – helemaal van los te maken. 

Ook de kijker moet actief – dat wil zeggen denkend – waarnemen, anders dringt hij niet door tot het wezenlijk kunstzinnige van het kunstwerk. Zijn denken wordt echter nooit abstract en afstandelijk zoals in de wetenschap, want dan verliest hij het contact met de geestelijke (of kunstzinnige) dimensie van het kunstwerk. Zowel kunstenaar als kijker worden dus wakker en actief in de waarneming, maar nooit zo wakker en actief als in de wetenschap. Ze blijven in de dromerige sfeer tussen slapen en waken die de sfeer is van de kunst: wakkerder dan in de religieuze sfeer, maar niet zo wakker als in de wetenschappelijke sfeer. De volgende stap in het wakker worden moet bijgevolg de verbinding van kunst en wetenschap zijn: een volkomen wakkere kunst en een kunstzinnige wetenschap. Hierop doelde Goethe toen hij zei dat wie kunst en wetenschap heeft ook religie heeft. Een kunstzinnige wetenschap verbindt de mens opnieuw met de geest. 

Deze kunstzinnige wetenschap – of wetenschappelijke kunst – is de antroposofie. Zij wil de wetenschap tot een kunst ontwikkelen, zodat zij ook de geestelijke dimensie van de werkelijkheid omvat. Maar als zij een kunst wil zijn, kan zij nooit een idee in de vorm van een zintuiglijke verschijning zijn. Het kan met andere woorden nooit haar bedoeling zijn de antroposofische ideeën om te zetten in werkelijkheid. Dat is nochtans wat veel antroposofen – met de beste bedoelingen – proberen. Het is echter niet hoe een kunstenaar tewerk gaat. Rudolf Steiner laat daar in zijn esthetica geen twijfel over bestaan, een esthetica die hij tussen haakjes een ‘gezond fundament van de antroposofie’ noemt. Zijn steeds weer herhaalde oproep om wakker te worden, betekent dus iets anders dan het realiseren van antroposofische ideeën. Het betekent precies het omgekeerde: het geven van ‘de vorm van de idee’ aan de werkelijkheid. 

Daarvoor moeten we eerst die vorm van de idee (of van de geest) leren waarnemen. Rudolf Steiner vindt het in dat verband komisch dat mensen voortdurend op zoek zijn naar beelden van de geest, terwijl ze het beste en meest grandioze beeld van de geest in … het menselijk hoofd hebben. Als we willen weten wat ‘de vorm van de idee’ is – niet de idee of de geest zelf, daar drukt Steiner op – dan moeten we naar het hoofd van de mens kijken. En dan moeten we actief, dat wil zeggen kunstzinnig kijken, zoals een portrettist dat doet, zoals ik dat zelf jarenlang heb gedaan. Het was bij het tekenen van karikaturen nooit mijn bedoeling om geweld te plegen op het menselijke hoofd. Dat was slechts het middel. De bedoeling was om de geest – het Ik van de geportretteerde mens – zichtbaar te maken. En daarvoor moest ik de vorm van die (levende) ‘idee’ heel intens bestuderen, want het is bepaald geen sinecure om een gelijkend portret te maken. 

Lichtbaken (7)

  
Ik stond nog met mijn kop koffie in de hand toen de gong weerklonk: de werkgroepen zouden beginnen. Ik had het lijstje in de folder bestudeerd en vond het moeilijk om te kiezen. Eén man wilde ik echter graag horen: Mathijs van Alstein. Hij was degene van wie ik een werkgroep had overgenomen omdat hij na de middag verhinderd was, en door dat ‘toeval’ had ik aan de conferentie kunnen deelnemen. Zoiets schept toch een zekere band. Maar dat was niet de enige reden waarom ik hem wilde horen. Iets zei me dat het interessant zou zijn en ik was niet de enige die dat dacht want zijn werkgroep vond bij wijze van uitzondering plaats in de grote zaal, zoveel belangstelling was er. Kwam dat doordat hij een ex-leerling van de school was? Wilde men graag eens een priester aan het woord horen? Wie zal het zeggen. Op het podium stapte een slanke jongeman van tussen de 25 en de 30 jaar. Naderhand zou blijken dat ik hem meer dan 10 jaar te jong had geschat. Op een rustige en zelfverzekerde manier vertelde hij wie hij was en waarover hij het zou hebben. Het klonk alsof hij dat meer gedaan had. 

De uiteenzetting die volgde was helder, eenvoudig en to the point. Het was zo’n voordracht waarvan je dingen onthoudt en dat vind ik al heel wat. Ik luisterde met groeiende belangstelling, maar ook met stijgende verbazing. Want wat Mathijs van Alstein vertelde, kwam in wezen op hetzelfde neer wat ik later op de dag in mijn eigen werkgroep zou gaan vertellen. Daar keek ik van op. Tot voor kort had ik nog nooit gehoord van de man, laat staan dat ik wist waarover hij het zou hebben. Over het trinitaire denken, zo stond het in de folder. Maar wat moest ik me daarbij voorstellen? Stond dat soort denken niet haaks op mijn eigen denken-in-tegenstellingen? Juist daarom wilde ik er meer over weten. Tot mijn verrassing bleken we het met elkaar eens te zijn en kwam Mathijs tot gelijklopende conclusies als ik. Een mooiere bevestiging van het bestaan van de ‘geest van de conferentie’ had ik me niet kunnen dromen. Maar ik had hem onderschat. Opeens hoorde ik Mathijs het woordje ‘karikatuur’ gebruiken. De tegenmachten, zei hij, waren karikaturen van de Triniteit. Krijg nou wat! dacht ik. Hoe groot was de kans dat iemand op deze conferentie over karikaturen zou spreken? En Mathijs deed het niet één keer, of twee keer, hij deed het wel tien, twintig keer. Het hele tweede deel van zijn voordracht leek in het teken van de karikatuur te staan, de karikatuur als abstract begrip weliswaar, niet als concreet kunstwerk, maar toch. Ik stond perplex. 

Een klein uur geleden had ik de zwarte doeken die de ingang tot de school afsloten, opzij geschoven en was de grote ruimte vol levendig pratende mensen binnengestapt. Niemand nam notitie van mij. Ik schoof aan voor een kop koffie en had nog maar één slok gedronken of ik moest me al naar de zaal reppen. Zonder een woord gesproken of een groet uitgewisseld te hebben, ging zitten en dacht: ik had net zo goed een toevallige voorbijganger kunnen geweest zijn die gewoon was binnengestapt om eens te kijken wat hier gaande was. Niemand had me iets gevraagd, niemand had me iets gezegd. Maar wat de mensen niet deden, deed de geest van de conferentie wel: hij verwelkomde mij, en hij deed dat in de taal die ik begrijp, de taal der beelden. Het werd me warm om het hart. Na afloop van de werkgroep schoof ik aan voor het middagmaal. Meneer, zeiden de (letterlijk) opscheppende meisjes: u heeft geen badge, wij mogen u geen eten geven! Ik antwoordde: als ik geen eten krijg, kan ik straks geen werkgroep leiden! O, zeiden ze, in dat geval … Ik ging bij enkele oude bekenden uit Gent zitten en begon me een beetje thuis te voelen.

Rechts naast me zat iemand die ik niet kende. Toen ze me hoorde praten, zei ze: je bent ook niet van hier, is het wel? Nee, antwoordde ik, ik kom uit Gent. Dat is toch geen Gents wat ik hoor? fronste ze de wenkbrauwen. Nee, zei ik, ik woon wel in het Gentse maar ik ben opgegroeid in Mechelen, vandaar. Nu was ze helemaal in de war, en ik hielp haar uit de brand: mijn ouders zijn van Gullegem en Stasegem (spreek uit: Hullehem en Stoasehem). Ik illustreerde dat met een lokale uitdrukking: aa Oarelbeke ni gescheetn, Stoasegem na gin eetn! Ja, lachte ze, zo ken ik de West-Vlamingen wel! Ik knikte: stofwisselingshumor, daar zijn we goed in. Denk maar aan Kamagurka en Wim Delvoye: beroemd geworden dankzij stront. De toon was meteen gezet: spontaan was het gesprek op kunst gekomen. Ja, het zou nog leuk worden op deze conferentie, dat voelde ik. 

Maar nu liet mijn slapeloze nacht zich voelen. Als ik om vijf uur – de start van mijn werkgroep – nog wakker wilde zijn, moest ik ergens een dutje kunnen doen. Gelukkig had ik al iemand gevonden waarmee ik ’s avonds mee terug naar Gent kon rijden. Daar hoefde ik me al geen zorgen meer over te maken. Werner Govaerts ontfermde zich over me en wees me de weg naar de ziekenboeg. Ik trok mijn schoenen uit en sloot met een zucht van verlichting de ogen. 

Om halfvijf werd ik wakker, precies op tijd. Ik trok mijn schoenen weer aan, ging me wat opfrissen en haalde een kop koffie, de zoveelste vandaag. Daarna ging ik op zoek naar het lokaal waar het zou gebeuren. Ik moest er helemaal voor naar de bovenste verdieping en was buiten adem toen ik lokaal 4.14 vond. Hé, dacht ik, 14 was mijn huisnummer toen ik in de Teichmannstraat woonde (Constance Teichmann was de Antwerpse Florence Nightingale). Ik opende de deur en mijn hart sloeg over. Door het raam zag ik het beeld waarop ik meer dan 40 jaar geleden verliefd was geworden: het panorama van de stad met in het midden de Onze-Lieve-Vrouwetoren. Dat uitzicht zag ik dagelijks vanuit de RTT-toren in de Lange Nieuwstraat waar ik tijdens de grote vakantie als jobstudent werkte. Ik was ingedeeld bij de inlichtingendienst van wat later Belgacom zou worden, en werd geprezen voor mijn geduld met de klanten en mijn karikaturen van de werknemers. Was dat niet een beetje hetzelfde wat ik ook nu weer zou doen: inlichtingen verstrekken en karikaturen tekenen? Ja, het leven kan wonderlijk zijn! En de geest die zoiets regelt, is een groot kunstenaar. Ik was er klaar voor. Met zijn zegen zou ik een vervolg breien aan het betoog van Mathijs Van Alstein, ik zou er bij wijze van spreken een tekeningetje bij maken …

(Op de foto: Mathijs van Alstein)

Lichtbaken (4)

  

Ik was dus geen klein beetje verrast toen mij vanuit antroposofische hoek de vraag werd gesteld om over kunst te spreken. Begreep ik dat goed? Strikt genomen werd de vraag me niet gesteld door antroposofen, maar door de geest die hen – naar ik meende – inspireerde. Maar hoe kon ik weten dat die geest echt bestond? Hoe kon ik weten dat hij geen hersenschim was, een product van mijn verbeelding, een subjectieve interpretatie van feiten? Wat me overtuigde van zijn bestaan was de kunstzinnigheid van zijn werk. Ik zag complexe verbanden ontstaan die geen mensenwerk konden zijn. Ze konden evenmin aan het toeval worden toegeschreven. Er zijn grenzen aan wat het toeval kan verklaren. Overschrijd je die, dan wordt gezonde twijfel aan het bestaan van geesten een krampachtig geloof in het niet-bestaan ervan. En het is je gevoel dat je waarschuwt wanneer je zo’n grens overschrijdt. De kunst heeft me geleerd dat gevoel niet te negeren en naar m’n hart te luisteren. In dit geval vertelde dat hart – steeds duidelijker – dat er van toeval geen sprake kon zijn. De lijst van toevalligheden was veel te lang. Bovendien vormden ze samen één groot kunstwerk dat ik voor mijn verbaasde ogen zag ontstaan, een kunstwerk dat alleen kon toegeschreven worden aan een geest, een geniale scheppende geest.  

Het begon al met de vraag of ik op de Lichtbaken-conferentie een werkgroep wilde leiden. Hoe groot was de kans dat men daarvoor uitgerekend op mij een beroep zou doen? Ik wist nauwelijks iets af van driegeleding en na mijn aanval op de heilige Joseph (Beuys) meende ik het voorgoed verkorven te hebben in de antroposofische vereniging. Een paar jaar tevoren had men me weliswaar gevraagd om drie voordrachten te geven op de zomeruniversiteit, maar dat was een jongeren-initiatief dat diep verscholen in de Ardense bossen plaatsvond en waar men zich in het heetst van de zomer overgaf aan Wein, Weib und Gesang. Dit keer ging het echter om een initiatief van gepensioneerde antroposofen dat hartje winter plaatsvond in Antwerpen, het middelpunt van de aarde, zoals iedere Sinjoor weet. Hier werd geen plaatselijke Rochefort gedronken maar zuiver bronwater, (per snek?) aangevoerd uit het verre IJsland. De opvallende polariteit tussen deze twee conferenties had me reeds wakker kunnen maken, maar het was nog te vroeg dag. Ik was nog bezig mijn ogen uit te wrijven. 

Op deze eerste verrassing volgde meteen een tweede: in de folder van de conferentie werd ik aangekondigd als karikaturist en blogger. Er ging een kleine schok door me heen: het contrast met de andere sprekers was toch wel heel groot. Ik voelde me misplaatst in dat geleerde gezelschap. Maar dan drong tot me door hoe kernachtig de polariteit tot uitdrukking werd gebracht die mijn leven beheerste: tekenen en schrijven, een herderlijke en een koninklijke activiteit. Die eerste activiteit was altijd de belangrijkste geweest en ik vond het bijzonder pijnlijk dat ik ze los moest laten. Vooral de laatste klap in Brugge kwam hard aan. In een ultieme poging om het contact met het tekenen en schilderen niet te verliezen, greep ik opnieuw naar de karikatuur. Maar de (terug)weg werd me op niet mis te verstane wijze versperd. Ik was er het hart van in en begreep niet waarom ik zo bruusk gescheiden werd van wat mij lief was. Pas na het lezen van de conferentiefolder begon me iets te dagen. Er was een soort metamorfose aan de gang. Wat ik zolang met zoveel passie had gedaan – karikaturen tekenen – diende zich nu in een veel bewustere vorm aan. Ik had de karikatuur moeten loslaten om er tegenover te kunnen gaan staan. Maar tegelijk bleef ik ermee verbonden, want ik maakte nog altijd een karikatuur: een karikatuur van de karikatuur. 

Er was een verband tussen het no passaran in Brugge en de uitnodiging uit Antwerpen. Blijkbaar kon ene deur niet opengaan voor de andere gesloten was. Er moest eerst iets vernietigd worden, voor het weer kon worden opgebouwd. Stirb und Werde. En ik kende de geest die daarachter zat. Ik had hem reeds leren kennen toen ik als jongetje van net geen 11 aan de hand van mijn vader de trappen besteeg van de academie van Mechelen. Maar pas veel later zou ik me een beeld van hem vormen. Ik begreep toen hoeveel ik aan hem te danken had, wat een zegen zijn leiding was geweest. Eén van de meest opvallende eigenschappen van die leiding was dat ze zo … onopvallend was. Alsof er helemaal géén leiding werd gegeven, alsof je helemaal op jezelf aangewezen was. Een andere opvallende eigenschap was de mannelijkheid. Deze geest was allesbehalve sentimenteel. Hij hield totaal geen rekening met je ego en sloeg het zo nodig met één klap tegen de grond. Maar voor je Ik had hij een grenzeloos respect, dat raakte hij met geen vinger aan. Het gevolg was dat je je vrij voelde, volkomen vrij. Deze leider stond niet boven je, hij stond naast je. Hij wees je de weg, maar je moest hem wel zelf gaan.  

Ik heb het natuurlijk over Michaël, de grote zwijgzame geest wiens wezen louter dienstbaarheid is. Hij valt zo moeilijk te vatten omdat hij zo zelden op de voorgrond treedt. Als een soldaat staat hij op wacht, zonder te bewegen. Maar hij is bijzonder alert en als er gevaar dreigt, grijpt hij resoluut in, om daarna weer zijn wachthouding aan te nemen. Michaël is ‘van wacht’ en daarom merk je hem niet op. Hij maakt als het ware deel uit van het decor. Pas wanneer hij daaruit tevoorschijn komt, kort en krachtdadig, besef je dat hij er al die tijd stond. Je zag hem niet, maar hij zag jou wel. Als je dat begint te begrijpen, stijgt er een diepe dankbaarheid in je op en je voelt je ontroerd door zoveel onbaatzuchtige waakzaamheid. Maar je weet ook dat die gevoelens Michaël niet raken, hij is een geharnaste geest. Zijn blik is op de resultaten van je werk gericht, niet op hoe je ze tot stand brengt, want dat is jouw zaak. Daarom is hij ook de leidsman van de kunstenaars. Hun gevoelens doen er niet toe. Het enige wat telt is hun werk. 

Pas na de conferentie drong het echt tot me door wie mijn gedachten had geleid tijdens de voorbereiding op de conferentie. Want dát ze geleid werden, daaraan twijfelde ik niet. Wat me nooit gelukt was, lukte nu wel. Het beeld waaraan ik al m’n hele leven werkte, waarnaar ik al m’n hele leven zocht, en waarvan ik de hoop had opgegeven het ooit te zullen vinden, begon stap voor stap gestalte te krijgen, alsof het een eigen leven leidde. Ik hoefde alleen maar te volgen. Dat wil niet zeggen dat het allemaal vanzelf ging, wel integendeel. Als vanouds sloeg ik – als een echte Wandervogel – ieder (denk)weggetje in dat ik tegenkwam. Maar als het me te ver afleidde, keerde ik de volgende dag op mijn stappen terug en begon opnieuw. Op die trage, bedachtzame manier – processie-van-Echternachgewijs zeg maar – kwam ik verder dan ik zwervend ooit was geraakt. Toch had dat jarenlange, (schijnbaar) doelloze zwerven-in-gedachten het materiaal opgeleverd waaruit nu mijn beeld ontstond, mijn karikatuur van de karikatuur. Persoonlijker kon dat beeld niet zijn en ik ging dan ook helemaal op in mijn eigen wereld, maar tegelijk had ik het volste vertrouwen dat het dit was wat van mij werd verwacht. De conferentie zou dat bevestigen. 

Lichtbaken (2)

  

Enkele weken na mijn toezegging ontving ik de officiële folder van de conferentie en zag tot mijn verbazing dat ik werd aangekondigd als … karikaturist. Daar moest ik toch even van slikken. De lijst van doctoren, professoren, filosofen, wetenschappers en andere geleerde mensen was lang. Ze schreven dikke boeken, hielden lange voordrachten, bekleedden belangrijke functies en waren kind aan huis in Dornach. En daartussen stond ik dan: een karikaturist, een nar, een sotscop. Wie zou dáárnaar willen gaan luisteren? Ach, troostte ik mezelf, als er niemand komt opdagen, loop je ook niet het risico op je gezicht te vallen. En ondertussen kun je die conferentie toch maar mooi gratis bijwonen. Trouwens, wás ik eigenlijk geen nar? Was dat niet de rol die ik zo graag speelde? Mensen een beetje sarren, de draak met hen steken, hun masker afrukken, dingen tegen hen zeggen die niemand durfde zeggen.

En deed ik dat ook niet wanneer ik karikaturen tekende? Ik probeerde de mens achter het masker tevoorschijn te halen. Als ik daar enig geweld voor moest gebruiken, deed ik dat met plezier. Ja, ook als ik géén tekeningen maakte, was ik een karikaturist. Overdrijven, dat was mijn regel wel. De karakterisering in de folder was dus raak. Het was niet omdat ik al lang geen karikaturen meer tekende dat ik geen karikaturist meer was. Ik begon schik te krijgen in de zaak. Misschien was dit wel wat ik moest doen op die conferentie: de rol van nar spelen, al die koningen van de geest een lachspiegel voorhouden zodat ze niet vergaten dat ze ook maar mensen waren. Misschien kreeg ik op deze manier mijn opdracht toegewezen: de ‘gewone mens’ vertegenwoordigen aan het antroposofische hof, de mens waarmee koningen nooit in contact kwamen, die vanuit zijn hart sprak en zijn mond geen vijf keer spoelde voor hij iets zei. Ja, die rol van go between tussen de tegenpolen, tussen de herders en de koningen, was me wel toevertrouwd. Het was mijn favoriete antroposofische thema.

Hoe meer ik erover nadacht, hoe sterker het vermoeden werd dat mij de taak werd toebedeeld om op de Lichtbaken-conferentie op te treden als karikaturist. Dat kon natuurlijk niet betekenen dat ik karikaturen zou gaan tekenen van de deelnemers. Maar wat kon het dan wél betekenen? Op zoek naar een antwoord op die vraag begon ik na te denken over de karikatuur. Wat is een karikatuur? Waarom maken mensen karikaturen? Wat is het wezen van dit randverschijnsel uit de wereld van de kunst? En vooral: wat heeft het te maken met het thema van de conferentie, met de driegeleding? Die vragen bleken verrassend vruchtbaar te zijn. Ze leverden antwoorden op die mijn vermoeden bevestigden dat de manier waarop ik in de folder werd voorgesteld inderdaad een ‘karmische vingerwijzing’ was. Na de nodige aarzeling besloot ik het in mijn werkgroep over de karikatuur te hebben. Ik stond er zelf van te kijken, want het was wel het allerlaatste onderwerp dat ik gekozen zou hebben. Stel je voor: mij viel de eer te beurt om te mogen spreken op een internationale antroposofische conferentie over driegeleding en ik zou daar een uiteenzetting gaan geven over … de karikatuur! Kon het gekker? 

Maar het voelde goed en ik ging verder in de aangewezen richting – of in de richting waarvan ik dacht dat ze mij aangewezen werd. Stap voor stap verdwenen mijn twijfels. Ja, dit was wat ik moest doen. Dit was ook wat ik wilde doen, want niets lag me nauwer aan het hart dan het tekenen van mensen en het zoeken naar wat hen uniek maakte. Ik zou proberen een portret te maken van de karikatuur, en aangezien ik altijd overdreef zou dat een karikatuur-van-de-karikatuur worden. Ik zou als het ware tegenover mezelf gaan staan en nadenken over wat mijn grootste hartstocht was. Op die internationale antroposofische conferentie zou ik het met andere woorden over … mezelf hebben. En dat was toch wel een grap, een narrenstreek, een sotternij. Hoe vaak had ik al niet moeten horen dat ik de zaken veel te persoonlijk benaderde, dat een antroposoof daarboven moest staan en zich richten op de objectieve geestelijke wereld! En nu zou ik precies het omgekeerde doen. Ik zou voor de spiegel gaan staan en zeggen wat ik zag: iemand die anderen een spiegel voorhield. Ik zou op de stoel gaan zitten waar anders de mensen zaten die door mij getekend werden. Ik zou met andere woorden het tekenen tekenen, ik zou een portret maken van de kunst. Geen doorwrocht, uitgewerkt portret maar een vlugge schets, een karikatuur, een poging om het unieke van de kunst zichtbaar te maken. 

Was dat niet wat ik mijn hele leven geprobeerd had? Honderden, duizenden mensen had ik getekend, ik kon daar nooit genoeg van krijgen. Het menselijk gelaat was voor mij landschap waarin ik eindeloos kon ronddwalen. Ik begreep dan ook niet waarom er met steeds grotere minachting werd neergekeken, niet alleen op het tekenen van mensen, maar op het tekenen tout court en op de kunst in het algemeen. Verbijsterd zag ik hoe de kunst brutaal aan de kant werd geschoven om plaats te maken voor pispotten, kakmachines en ander afval. Wat mij zo lief was, werd ontheiligd en verkracht op een manier die mij vervulde van ontzetting. Die barbaarse beeldenstorm schokte mij tot in het diepst van mijn ziel en deed daaruit de vraag oprijzen: wat gebeurt hier in godsnaam? Waarom wordt de kunst aan het kruis geslagen? Waarom moet ze zo’n smadelijke dood sterven? Want zo beleefde ik het: de kunst stierf. Er kwam een eind aan een oeroude traditie die terugging tot de grotten van Lascaux en Altamira. Al die tijd was er continuïteit geweest, al die tijd was de kunst herkenbaar gebleven. Tot vandaag. Nu brak de rode draad, en werd de kunst onherkenbaar verminkt. 

Het werd voor mij een zaak van levensbelang om mij een beeld te vormen van die stervende kunst, een beeld dat ik diep in mijn hart kon bewaren. Maar daarvoor moest ik de kunst begrijpen, daarvoor moest ik me van haar losmaken en tegenover haar gaan staan. En dat was buitengewoon pijnlijk, dat was als een sterven, want ik moest loslaten wat me het liefst was. Hoe intenser ik nadacht over de kunst, des te moeilijker werd het om zelf nog kunst te maken. Mijn denken verlamde mijn scheppende vermogens. Ik bloedde als kunstenaar langzaam leeg. De genadeslag kreeg ik in Brugge, waar ik in een laatste, uiterste krachtinspanning geprobeerd had mijn band met de kunst te behouden. De klap kwam hard aan, want het betekende het einde van mijn kunstenaarschap. Ik begreep het niet: waarom moest ik afscheid nemen van wat altijd mijn redding was geweest, van wat altijd de zin van mijn leven was geweest? Wanhopig probeerde ik de zin daarvan te doorgronden. Maar het lukte niet. Alles was één groot vraagteken geworden. Ik had geen idee hoe het nu verder moest. 

En toen kwam, als uit het niets, de vraag om op de antroposofische zomeruniversiteit in Frandeux drie voordrachten te houden. Dat was een stap over de drempel, want spreken voor een publiek was van jongs af mijn grootste nachtmerrie. Maar het lukte. Ik raakte met de hakken over de sloot. En twee jaar later kwam dan de vraag om op de Lichtbaken-conferentie een werkgroep te leiden. Voelde ik me in Frandeux nog moreel verplicht om die stap-over-de-drempel te zetten – wie zou anders over oude en de jonge zielen spreken? – dan voelde ik me in Antwerpen volkomen vrij. Wat wist ik nu helemaal over driegeleding! Ik was een rasechte tweegeleder (overdrijven is het midden verlaten en de uitersten opzoeken) en op die conferentie zou ik dus in het hol van de leeuw terechtkomen. Niemand had het me kwalijk genomen als ik daarvoor gepast zou hebben. Niemand zou er ook graten hebben in gezien als ik de manier waarop ik in de folder werd voorgesteld niet als een karmische vingerwijzing had geïnterpreteerd en bijgevolg niet over de karikatuur had gesproken. Wel integendeel. Deze stap de (internationale) drempel was een volkomen vrije beslissing.

De hele zaak deed me onwillekeurig denken aan wat Rudolf Steiner zegt over het Ik van de mens, namelijk dat het van buitenaf op hem toe komt. Ik heb dat altijd een mysterieuze en paradoxale uitspraak gevonden, want hoe kan iets zo intiems als het Ik nu van buitenaf op de mens toekomen? Maar nu begon ik het te begrijpen, ik begon het te ondervinden. Het tekenen van karikaturen was iets van mezelf en van mezelf alleen. Niemand moest me dat leren, niemand moest me daartoe aanzetten. Het was een drift die zich vanuit de duistere diepten van mijn wezen onweerstaanbaar een weg naar buiten baande. Ik vergeleek het wel eens met aardolie die werd aangeboord: het spoot eruit. En uitgerekend die hartstochtelijke wilsimpuls, die ik met zoveel hartpijn had moeten opgeven, kwam nu – totaal onverwacht – van buiten op me af in de vorm van een vraag die me volkomen vrij liet. Die vraag werd niet gesteld door mijn persoonlijke ‘demon’ maar door een bovenpersoonlijke geest die als het ware boven de conferentie zweefde en – dat zou ik duidelijk kunnen waarnemen – iedereen inspireerde die eraan deelnam. Toch was de vraag onmiskenbaar aan mij gericht en aan mij alleen. Uit de manier waarop ze werd gesteld sprak bovendien een diep inzicht in wie ik was, veel dieper dan het mijne. En de herkenning was wederzijds: ik begon een vermoeden te krijgen van wie de geest was die mij de ‘verlossende’ vraag had gesteld. 

For Auld Long Syne

Vandaag gaan de Schotten naar de stembus.
Ze moeten, pardon ze mogen zich in een referendum uitspreken voor of tegen onafhankelijkheid.
Onafhankelijkheid is een groot woord, het gaat eerder om een vorm van confederalisme, hetzelfde dus wat Bart De Wever nastreeft en waarom hij vergeleken wordt met Hitler.
In Schotland gaat het er een stuk beschaafder aan toe.
Daar wordt in de strijd tussen AYE en NO zelfs … humor gebruikt.

20140918-100451.jpg

In De Standaard vraagt Ludo Abicht zich vandaag af: waarom kan zoiets niet in ons land?
Waarom kunnen Vlamingen niet sine ira et studio over onafhankelijkheid spreken?
Wel, een antwoord op die vraag kreeg ik gisteren in De Haan.
Of moet ik zeggen Le Coq sur Mer?
Ik was daar, met vrouw en (klein)kind, op bezoek bij mijn ouders, die er genieten van een onverwacht zomers verblijf in Dunepanne, een hersteloord van de onafhankelijke ziekenfondsen.
Aan tafel, omringd door een indrukwekkend aantal jaren, vertelde mijn vader een kleine doch veelzeggende anekdote.

Hij staat in de lift en wil uitstappen, maar ziet zich de weg versperd door enkele vrouwen.
Mag ik alstublieft passeren? vraagt hij beleefd.
De vrouwen verroeren zich niet.
Hij herhaalt zijn vraag: zou ik alstublieft mogen passeren?
De vrouwen geven geen kik.
Als hij ten slotte zegt: wilt u alstublieft opzij gaan? antwoordt één van de vrouwen:
Comprends pas.
Dat overbekende zinnetje riep bij mijn vader onaangename herinneringen op aan de tijd dat hij in Brussel werkte en voortdurend geconfronteerd werd met de Franstalige arrogantie die niet alleen weigerde om Nederlands te spreken maar zelfs om het te verstaan.
Dus duwde hij die vrouwen opzij, want hij wist dat het de enige manier was om uit die lift te raken.
Nooit zouden die Franstalige vrouwen (meestal afkomstig uit Brussel) één stap voor hem opzij hebben gezet.
Als hij braaf gewacht had tot ze hun eigen verdieping bereikt hadden en daar uitgestapt waren, zou hun plaats ingenomen zijn door soortgenoten (in Dunepanne wordt hoofdzakelijk Frans gesproken door hoofdzakelijk oude vrouwen) en kon het spelletje opnieuw beginnen.

20140918-122739.jpg

Dat spelletje van baas en knecht duurt in België al bijna 200 jaar.
Het spelletje van de Franstaligen die zich gedragen alsof Vlaanderen van hen is en vinden dat de Vlamingen moeten betalen om het te mogen gebruiken.
Het spelletje van de Vlamingen die dat kolonialisme over hun kant laten gaan en zelfs trots zijn hun Franstalige bwana’s te mogen dienen.
Zoals ik het zie zijn er vandaag twee soorten Vlamingen:
Degenen die zich schamen voor die vernedering en degenen die zich schamen voor de schaamte.
De enen willen een eind maken aan de vernederingen, de anderen willen de vernederingen ontkennen.
Een deel van de Vlamingen wil wakker worden, een ander deel wil blijven slapen.
Daar komt het zo’n beetje op neer.

20140918-124049.jpg

Het is geen typisch Vlaams probleem, want de hele wereld is vandaag verdeeld in mensen die willen ontwaken en mensen die willen blijven slapen.
Slapende Vlamingen doen graag smalend over de communautaire problemen in dit land.
Alsof er geen dringender zaken zijn! roepen ze uit.
Wel, die zijn er inderdaad niet.
Onlangs las ik ergens een opmerking van een universiteitsprof die zei dat zijn studenten heel anders beginnen te spreken van zodra er één gehoofddoekte moslima in de zaal zit.
Hoe herkenbaar is die situatie voor de Vlaming niet!
Van zodra zich bij een gezelschap Vlamingen één Franstalige voegt, beginnen al die Vlamingen op slag Frans te spreken.
Doen ze dat uit beleefdheid, uit hoofsheid?
Dat maken ze zichzelf graag wijs.
Maar van die beleefdheid en die hoofsheid blijft weinig over wanneer één onder hen weigert Frans te spreken (omdat hij ervan uitgaat dat je van een Belg op zijn minst mag verwachten dat hij de andere landstaal begrijpt).
Zo’n Vlaming wordt als een spelbreker beschouwd, als een kleinzielige, bekrompen proviciaal, als iemand die … er niet bijhoort.
Vlamingen tooien zich graag met hun gastvrijheid, hun ruimdenkendheid, hun verdraagzaamheid. Maar ze gebruiken die kwaliteiten al te vaak om hun gebreken te verdoezelen.
En die gebreken komen in feite neer op één groot gebrek: een tekort aan wakkerheid.

20140918-122827.jpg

Opnieuw: dit is geen exclusief Vlaams probleem.
Vlamingen maken er alleen een karikatuur van, een zeer gelijkende karikatuur, helaas.
Het is niet moeilijk om in de relatie tussen Vlamingen en Franstaligen de relatie tussen het Westen en de islam te herkennen.
De moslims – en mijn Vlaamse aard eerbiedigend maak ik er nu een karikatuur van – zijn niet naar Europa gekomen om deel te hebben aan een betere wereld.
Dat is slechts de (bewuste) fysieke buitenkant.
Veel belangrijker is de (onbewuste) geestelijke binnenkant.
Ze zijn naar Europa gekomen om er een betere wereld van te maken, om een eind te maken aan de ondraaglijke Westerse dekadentie, om het ware geloof te brengen.
Omdat de materialistische Europese mens alleen de fysieke buitenkant ziet, heeft hij geen oog voor wat de moslims geestelijk drijft.
Hij slaapt met andere woorden.
Zelfs nu het steeds duidelijker wordt dat de moslims hier niet als knechten maar als meesters zijn gekomen, weigert de politiek correcte Westerling dat onder ogen te zien.
De schaamte is te diep.
En die schaamte is de keerzijde van zijn eigen grenzeloze arrogantie.
Dat hij – dat superieure wezen dat eindelijk de waarheid heeft gevonden (de wereld bestaat louter uit materie) – als een knecht zou behandeld worden door primitievelingen die nog in de middeleeuwen leven, nee dat is voor hem volstrekt ondenkbaar.
En dus sluit hij de ogen voor de werkelijkheid.

20140918-122931.jpg

Wat mij altijd getroffen heeft, vanaf het allereerste moment dat ik een ‘allochtoon’ op straat tegenkwam (en dat is inmiddels al lang geleden), is de blik in zijn ogen.
Ik las daarin niet wat ik verwachtte van mensen die hier hulp kwamen zoeken, namelijk: hulpeloosheid, verwarring, onderdanigheid.
Ik las in die ogen precies het tegenovergestelde, en dat zette me aan het denken.
Hoe was het mogelijk dat dergelijke – vanuit materialistisch standpunt gezien – meelijwekkende mensen zich gedroegen alsof ze … thuis waren, alsof niet zij maar wij de immigranten waren?
Uiteraard kon ik die vraag niet hardop stellen, men zou me gek verklaard hebben.
Maar de blik in die moslimogen liet me niet los.

Vandaag wordt alsmaar duidelijker dat ik het met die simpele waarneming bij het rechte eind had.
Uit die ogen sprak de ziel van dit volk, en het wás een volk, geen verzameling individuen zoals wij.
Dat is ook de vergissing die zoveel Vlamingen maken: de Franstaligen gedragen zich niet zoals de Vlamingen, dat wil zeggen als een verzameling individualisten.
Ze gedragen zich zoals een volk, ze spreken als uit één mond, ze handelen (politiek) als één blok.
Als Vlamingen daar een eigen blok tegenover willen zetten, beginnen ze elkaar onderling te verketteren.
En zelfs te vermoorden.

20140918-123434.jpg

Op dezelfde dag dat de Schotten met hun onafhankelijkheidsreferendum een steen in de Europese kikkerpoel gooien, lees ik in de krant dat een Vlaming, een operazanger notabene, veroordeeld is wegens doodslag op zijn partner.
Die partner, een 81-jarige man, had namelijk … voor de N-VA gestemd.
Een karikaturaler voorbeeld van hoe diep de communautaire kwestie geworteld is in de ziel van de Vlaming is nauwelijks denkbaar.
En juist omdat die ziel zo moeilijk tot bewustzijn komt, slaagt de Vlaming er niet in zich tot een vrij en zelfbewust Ik te ontwikkelen.
In plaats daarvan onderwerpt hij zich aan de vernederingen van zowel Franstaligen als moslims en verwordt hij tot een karikatuur waar de hele wereld mee lacht.
Dat lachen zal die wereld evenwel vergaan wanneer ze beseft in een spiegel te kijken.

Daarin ligt dan ook de schone opgave van de Vlamingen: zich bewust te worden van hun karikaturale aard.
In dat bewustzijn – en in dat bewustzijn alleen – ligt de oplossing voor de vernederingen die ze nu al 400 jaar ondergaan.
Dat bewustzijn is ook het mooiste geschenk dat ze de wereld kunnen bieden.
Naast bier en chocolade uiteraard.

20140918-123805.jpg

In Memoriam Jan Hoet (1)

20140228-161817.jpg

Het moet zowat twintig jaar geleden zijn.
Ik had nel mezzo del camin di nostra vita besloten om het roer drastisch om te gooien en ‘mijn leven te wijden aan de kunst’.
Dat was makkelijker gezegd dan gedaan.
In de praktijk kwam het erop neer dat ik werkloos werd en niet wist van welk hout pijlen maken.
Het was in die dagen dat de RVA (de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening) mij ‘uitnodigde voor een gesprek’.
Iedere werkloze weet wat dat betekent.
Het betekent net hetzelfde als wanneer een vrouw tegen haar man zegt: we moeten eens praten.
Stront aan de knikker dus.

Bleek dat ik moest bewijzen dat ik ‘werkwillig’ was.
Hoe moest ik dát aanpakken?
Solliciteren was uitgesloten.
Been there, done that.
Op m’n 33ste – ik herinner het me nog als de dag van gisteren – had ik in a split second besloten mijn oude leven vaarwel te zeggen en een nieuw leven te beginnen.
En ik was niet van plan dat besluit terug te draaien.
Nee, ik wilde tekenen en niets anders.
Dus besloot ik de RVA een plan voor te leggen om een bestaan op te bouwen als karikaturist, want daar was ik goed in, al zeg ik het zelf.

Het was best een gewaagd plan, maar de RVA was toen nog niet zo streng als nu.
Ik zag trouwens geen andere mogelijkheid.
Deel van mijn plan was om een reeks karikaturen te maken van bekende Gentenaars.
Ik heb er namelijk een ontzettende hekel aan om naar foto’s te tekenen, en dus moest ik op zoek naar Bekende Vlamingen die voor mij wilden poseren en die ik per fiets of bus kon bereiken.

20140228-162112.jpg

Zo kwam ik terecht bij Jan Hoet.

Ik had al Koen Crucke getekend, en Nolle Verseyp, en Jo Demeyere, en dat was best meegevallen. Dat gaf me de moed om een tandje bij te steken en mijn kans te wagen bij de grote Jan Hoet, kunstpaus en God in Gent.
Ik trok mijn stoutste schoenen aan en belde het Museum voor Hedendaagse Kunst.

‘Goeiemorgen, met het Museum voor Hedendaagse Kunst!’
Een vriendelijke meisjesstem.
‘Is het mogelijk om met meneer Hoet te spreken alstublieft?’
‘Een ogenblikje!’
Klik, een seconde stilte, en dan:
‘Met Jan Hoet!’

Ik was lichtjes verbouwereerd, want ik had er niet echt op gerekend hem te kunnen bereiken, laat staan zo gemakkelijk.
Hij luisterde aandachtig naar het ietwat meelijwekkende verhaal dat ik ophing en waarmee ik al verschillende keren succes had geboekt.
Hij zuchtte: ‘Geen tijd jong, geen tijd!’
Het leek uit de grond van zijn hart te komen.
Maar ik gaf niet af.
Ik had in Leuven geleerd hoe ik examinatoren – en Jan Hoet was toch een soort examinator? – om mijn vinger moest winden.
Ook dit keer lukte het.
Hoet gaf toe.
Allez vooruit, zei hij, kom donderdag om 10 uur naar ’t museum en dan zal ik zien of ik wat tijd voor je kan vrijmaken!
OK, antwoordde ik, ik zal er zijn!

Die donderdagochtend fietste ik van Destelbergen naar het Gentse Citadelpark met mijn tekenmap onder de snelbinder.
Het SMAK bestond nog niet en het Museum voor Hedendaagse Kunst was gewoon een afdeling van het Museum voor Schone Kunsten.
Terwijl ik de trappen opliep, hoorde vanuit het museum een ritmisch gedreun opklinken, alsof er ergens een paal in de grond werd geheid.

Boemmm. Boemmm. Boemmm. Boemmm.

‘Kunt u mij vertellen waar ik meneer Hoet kan vinden?’, vroeg ik aan de balie.
‘Heeft u een afspraak?’
‘Jawel.’
Ze wezen me de weg.
Binnen klonk het gedreun nog veel doordringender.

Boemmm. Boemmm. Boemmm. Boemmm.

20140228-162311.jpg

Ik wandelde door de zalen en begreep waarom dit museum onder (Antwerpse) kunstenaars smalend ‘het pissijn’ werd genoemd.
Gezellig was anders.
En dan dat gedreun!
Het werd steeds luider naarmate ik de Hedendaagse afdeling naderde.
Toen eindelijk voor de ingang stond, ontdekte ik de bron van al dat lawaai.
Een televisietoestel.
Op het scherm verscheen een stenen hoofd, in silhouet.
Na vijf tellen kwam er opeens een hamer op dat hoofd neer en vloog het in duizend stukken.

Boemmm!

Het dreunende geluid kwam uit twee grote boxen die verdekt opgesteld stonden.
Een installatie!
Kunst!
Ik had de drempel der Hedendaagsheid bereikt, dat leed geen twijfel.
Alvorens hem te overschrijden, bleef ik even naar dat filmpje kijken in de hoop dat er misschien iets zou veranderen.

Maar nee, het was alleen maar dat hoofd en dan … boemmm, aan gruizelementen.
Ik wilde al verder lopen toen ik plots zag dat het telkens een ander hoofd was.
Het was dus niet iedere keer dezelfde scène die herhaald werd, neenee, het was telkens een nieuw hoofd!
Hoeveel zouden ze er zo wel in stukken geslagen hebben?, vroeg ik me af.
Daar kon ik me helaas niet mee bezighouden, want ik had een afspraak.
En wát voor afspraak!

Ik verwachtte er mij eigenlijk aan dat Jan Hoet mij compleet vergeten zou zijn of dat hij mij door een secretaresse zou laten meedelen dat hij verhinderd was.
Maar niets was minder waar.
Toen ik de gang naar zijn kantoor insloeg, stond hij me voorwaar al op te wachten.
Meneer Debrouwere, riep hij, kom binnen, kom binnen!
Ik was lichtjes overrompeld.
Zo’n ontvangst had ik echt niet verwacht.

20140228-162411.jpg

Voor mij stond de aantrekkelijkste man die ik ooit had ontmoet.
Laag op de benen, soepel bewegend, donker van uiterlijk, open van karakter, joviaal, zonder enige pose.
En heel heel mannelijk.
Was ik een vrouw geweest (of een homo), ik had m’n knieën voelen knikken.
Er straalde iets onweerstaanbaars van hem uit, iets dat me helemaal deed ontdooien.
Wat een charisma had die man!
Niet te geloven.
Hoet bleek precies hetzelfde type te zijn als Raymond Goethals, de legendarische voetbaltrainer, en Julien Schoenaerts, de niet minder legendarische acteur (wiens zoon Matthias nu furore maakt in Hollywood).
Ja, Jan Hoet was een oertypische Vlaming, een volkse figuur, maar met stijl.
Je voelde in hem nog iets van de oerkracht van het volk.

Ik stapte zijn kantoor binnen, dat er al even onconventioneel uitzag als hijzelf.
‘Ga zitten, zei hij, ga zitten!’
Was dit de man die het zo druk had?
Ik kreeg het gevoel alsof hij alle tijd van de wereld had, en alsof die tijd helemaal voor mij was.
‘Zeg mij maar wat ik moet ik doen’, zei hij.
Dat was een makkelijke, die vraag had ik al honderden keren gehoord.
‘Zo weinig mogelijk’, antwoordde ik.
Daar moest hij om lachen, en hij nam plaats achter zijn bureau.

Ik had verwacht dat hij het moeilijk zou hebben met stilzitten, want Jan Hoet staat bekend als een hyperactief iemand, iemand die aan 100 per uur leeft.
Dat schrok me niet af.
De meeste mensen kalmeren als ze voor me poseren, zelfs kinderen.
Ze zijn gefascineerd en gevleid door de intense aandacht die ze krijgen.
Iemand vertelde me ooit dat het was alsof ik zijn gezicht met heel voorzichtige vingers aftastte.
Dat is inderdaad wat ik doe: ik kijk met mijn handen, ik tast mijn model met onzichtbare vingers af.
Waarschijnlijk ondervinden mensen dat als een soort geestelijke massage die hen doet ontspannen.
Natuurlijk zijn er ook mensen die niet op die manier willen aangeraakt worden.
Ze beseffen dat zelf niet, want het speelt zich op een diep innerlijk niveau af.
Maar ik ondervind het meteen als ik begin te tekenen.
Er ontstaat dan een intense geestelijke worsteling om die weerstand te overwinnen, iets waar uiterlijk niks van te zien is.
Zo’n worsteling treedt niet zelden op bij mensen van wie je ’t nooit zou verwachten, mensen die uiterlijk heel open en sociaal zijn, zoals Jan Hoet bijvoorbeeld.
Omgekeerd zijn er ook stugge en gereserveerde mensen die zich innerlijk volkomen overgeven en bij wie het portretteren als het ware vanzelf gaat.
Die tegenstelling tussen uiterlijk en innerlijk heb ik altijd als een mysterie ervaren, want zelfs met al mijn ervaring – ik heb al duizenden mensen geportretteerd – kan ik aan iemand niet zien of hij zich zal overgeven dan wel of er gevochten zal moeten worden.
Dat ondervind ik pas als ik hem of haar teken.

20140228-162531.jpg

Het ‘innerlijk’ waarover ik spreek, is natuurlijk niet het karakter.
Dat is iets uiterlijks, dat kun je aan een mens aflezen.
Nee, het gaat om een veel dieper innerlijk, een innerlijk dat zich aan de gewone zintuigen onttrekt en alleen kunstzinnig kan benaderd worden.
En dát innerlijk – een geestelijk, niet-lichamelijk innerlijk – is wat mij zo eindeloos fascineert bij mensen en dat vooral bij kinderen kan openbloeien tot iets onwaarschijnlijk moois.

Mijn excuses voor deze uitweiding, maar ik had ze nodig om enigszins duidelijk te maken wat er gebeurde toen ik Jan Hoet begon te tekenen.
Het werd namelijk een ontzettende worsteling.
Maar wonderlijk genoeg was dat niet omdat Jan Hoet zich innerlijk verzette.
Hij … verdween gewoon.
Hij gleed als het ware langzaam weg in een diepe put.
En ik moest me hevig verzetten om niet mee in die put te glijden.
Ik voelde hoe er in hem een zwart gat openging.
Gelukkig had ik mijn potlood en mijn geconcentreerde aandacht voor zijn uiterlijke, fysieke verschijning.
Daar klampte ik mij aan vast om niet mee in dat innerlijke zwarte gat gezogen te worden.

Als je een mens tekent, moet je voortdurend heen en weer bewegen tussen zijn fysieke uiterlijk en de geestelijke ‘binnenkant’ ervan.
Als ik met mijn ‘vingers’ een gezicht aftast, dan tast ik – uiteraard – niet het vlees af, ik tast de vormen af, en die vormen zijn in wezen geestelijk.
Ze drukken zich wel in de materie af, maar ze zijn geen materie.
In die geestelijke vormenwereld ben ik blind, want ieder helderziend vermogen ontbreekt mij.
Maar ik kan er wél tasten, en wat ik op die manier ‘voel’ kan ik in een beeld gieten, ik kan het (weer) in de materie afdrukken.

Wie zegt dat de klassieke, figuratieve kunst de zintuiglijke werkelijkheid nabootst, begrijpt er niks van.
Als je een mens portretteert, dan boots je hem niet na, je herschept hem.
Eerst herleid je hem tot geest, en vervolgens druk je die geest weer af in de materie, de materie van een tekening, een schilderij of een beeldhouwwerk.
Bij een karikatuur overdrijf je de tweede fase: je drukt de geest – het Ik van de geportretteerde – wat al te nadrukkelijk af in de uiterlijke vormen, die daardoor geweld worden aangedaan.

20140228-162640.jpg

Bij Jan Hoet bleek dat echter buitengewoon moeilijk omdat ik met mijn ‘innerlijke vingers’ helemaal niets voelde.
Ik tastte in het donker, ik voelde alleen maar leegte.
En nog eens, dat was niet omdat zijn Ik zich verborg of zich verzette – dat zou ik wel gevoeld hebben – het was omdat het er doodeenvoudigweg niet was.
Het was verdwenen, en het liet een duistere leegte achter die in toenemende mate ook op zijn gezicht te lezen stond.
Er zat een ‘lege’ mens voor mij, een mens die door zijn Ik verlaten was, en dat was een deerniswekkend, aangrijpend gezicht (sic).

Innerlijk voelde ik bij hem die grote leegte, dat peilloze zwarte gat.
Uiterlijk zag ik een man die ten prooi was aan een zo grote somberte en melancholie dat ik bijna niet kon geloven dat het dezelfde Jan Hoet was.
Het was alsof er iemand anders voor me zat.
Ik voelde me zelf verscheurd en moest al mijn wilskracht aanspreken om verder te kunnen tekenen.
Al een geluk dat de RVA met een stok achter de deur stond.

(Wordt vervolgd)

Lachen op aarde

Op 25 september had ik het in ‘Tears in Heaven’ over hoe je mensen in de hemel kunt herkennen: aan hun bewegingen.
Ik had het er ook over dat je mensen hier op aarde aan precies het tegenovergestelde herkent: aan hun gezicht (en meer speciaal hun neus), het meest bewegingsloze deel van hun lichaam.
Het wordt dus even wennen als we dood zijn.
Van onbeweeglijke fysieke vormen naar bewegende geesten: het is een hele stap.
Maar er is een tussenstap.
Tussen ons onbeweeglijke hoofd en onze beweeglijke geest staat ons bewegende lichaam.
Als we iemand na zijn dood kunnen herkennen aan de bewegingen van zijn geest,
dan moet het mogelijk zijn hem tijdens zijn leven te herkennen aan de bewegingen van zijn lichaam.

Op het eerste gezicht (sic) is het veel moeilijker om iemand te herkennen aan zijn lichaamsbewegingen dan aan zijn (onbeweeglijke) gezicht.
Er zijn miljarden mensen en toch hebben er geen twee hetzelfde gezicht.
Het menselijk gelaat is een thema met oneindig veel variaties.
Maar op hoeveel manieren kan iemand lopen, gras maaien of piano spelen?
Hier is de diversiteit veel kleiner.
Het hoofd is veel individueler dan het lichaam.
Zelfs rasverschillen drukken zich vooral in het hoofd af.
Het menselijk lichaam is veel algemener, en dus onpersoonlijker.
Hoe zouden we daaraan een mens – uit miljarden anderen – kunnen herkennen!

20131002-200002.jpg

En toch.

Ik woon op een paar honderd meter afstand van het Damvalleimeer.
Dat is een weidse naam voor wat in feite niet meer is dan een grote vijver.
Maar er is een wandelpad, en er zijn bomen, en het is er aangenaam om te wandelen.
En te joggen.
In alle maten en gewichten rennen ze rond de vijver, mannen en vrouwen.
Allemaal bewegende mensen.
Fraai om te zien, is het niet.
Want de meeste van die mensen kunnen helemaal niet lopen.
Een zeldzame keer zie ik iemand die echt loopt, en daar kijk ik dan met bewondering naar, want het is een totaal ander soort beweging.

Ze doet me een beetje denken aan de reeën die wat verder in een wei staan.
Gewoonlijk zijn ze aan het grazen of staan ze daar wat met hun korte staartjes te kwispelen.
Maar soms rennen ze de wei rond, en dan weet je niet wat je ziet.
Het is iets tussen dansen en zweven,
alsof dat ranke reeënlijf niet langer onderhevig is aan de zwaartekracht,
alsof het niet uit knoken en spieren bestaat,
alsof het louter … geest is.

Wat je bij die gracieuze reeën ziet bewegen, is niet hun fysieke lichaam maar hun etherische lichaam.
De in hoge mate kunstzinnige bewegingen van dat onzichtbare ‘geestelijke’ lichaam zijn van een geheel andere aard dan de mechanische bewegingen van het fysieke lichaam.
Ze tarten de natuurwetten waaraan het fysieke lichaam onderworpen is.
Het zijn … geestelijke bewegingen.
De manier waarop bijvoorbeeld een eekhoorntje over de takken van de bomen rent, is niet van deze aarde.
Het diertje is snel als een gedachte.

20131002-200918.jpg

Ik heb dit soort bewegingen ooit eens waargenomen bij een groep Afrikaanse dansers.
De manier waarop ze bewogen was totaal anders dan de manier waarop wij moderne mensen bewegen. Het was alsof er bij iedere beweging die ze maakten eerst een onzichtbare lege ruimte werd gecreëerd die vervolgens door het fysieke lichaam werd ingenomen. Er zat maar een fractie van een seconde tussen, maar ze maakte alle verschil.

Dít soort bewegingen zie je aan het Damvalleimeer vrijwel nooit.
Wat je daarentegen wel ziet, zijn zwoegende en zwetende (zeer) fysieke lichamen die ongenadig voortgedreven worden door het hoofd.
Dat is het grote verschil tussen natuurlijke en menselijke bewegingen: de eerste staan onder leiding van het etherische lichaam, de laatste onder leiding van het hoofd.
Het etherische lichaam past als een tweede huid rond het fysieke lichaam.
Het kent ons lichaam door en door, en weet waartoe het in staat is.
Het hoofd daarentegen, en zeker het moderne hoofd, staat als een slavendrijver hoog boven het lichaam.
Het heeft er niet het minste begrip maar louter minachting voor.
Vandaar dat al die zwoegende joggers er zo gekweld uitzien.
Lopen is voor hen geen plezier, zoals voor een ree of een eekhoorntje.
Het is een kwelling, een lijden.

Ik moet soms letterlijk het hoofd afwenden als ik weer zo’n martelaar zie afkomen: het is niet om aan te zien.
Die joggende mensen hebben werkelijk geen idee hoe meelijwekkend en lachwekkend ze er wel uitzien.
Ik herinner me nog dat er ooit eens een loopwedstrijd werd gehouden in Destelbergen.
De deelnemers passeerden voor onze deur.
Helena was toen een jaar of vijf en ze stond buiten te kijken.
Telkens er zo’n dwangarbeider kwam aangesukkeld, barstte ze in lachen uit.
Ze dacht waarschijnlijk dat het clowns waren die een komische act opvoerden.
Ze stond er ongegeneerd bij te schateren.
Het werd zo gênant dat we haar binnen hebben moeten halen.
Maar het kind had natuurlijk gelijk.
Die lopers waren stuk voor stuk karikaturen, groteske, vervormde en lachwekkende karikaturen.

20131002-202125.jpg

Maar dat is nu net wat me aan die joggers rond de vijver zo treft: hun stuntelige, geforceerde, karikaturale manier van lopen is … ongelooflijk expressief.
Het is een heel ander soort expressiviteit dan bij het natuurlijke, soepele, ‘etherische’ lopen, want daarin komt een soort geestelijk ideaal tot uitdrukking: het oerbeeld van het lopen.
Wat bij die joggers evenwel tot uitdrukking komt, is hun eigen, onvolkomen individualiteit.
Er zijn geen twee joggers die op dezelfde manier lopen.
Bij mensen die echt kunnen lopen, herken je meteen het oerbeeld van het lopen.
Je denkt onwillekeurig: ja, zo moet je lopen!
Bij mensen die niét kunnen lopen, herken je iets unieks, iets hoogst persoonlijks.
En je denkt: alleen déze mens kan zo lopen!

Ik sta er werkelijk van te kijken hoeveel verschillende manieren van lopen er zijn als je … niet kunt lopen.
Al die amateur-lopers, al die hobbyisten, al die dilettanten, ze zijn zo ongelooflijk individueel in hun bewegingen.
In hun gewone dagelijkse bewegingen zijn ze waarschijnlijk nauwelijks van elkaar te onderscheiden, maar van zodra ze gaan lopen, van zodra het sneller gaat, beginnen hun lichamen te … spreken.
Ik denk zelfs dat het, mits enige oefening, mogelijk moet zijn mensen te herkennen aan hun manier van lopen.
Als ik denk aan de mensen die ik regelmatig tegenkom langs de vijver, dan komt me niet alleen hun gezicht, maar ook hun manier van lopen voor de geest.
Ik kan die twee niet langer van elkaar losmaken, en ik denk zelfs dat ze samen een vollediger beeld geven van de persoon dan het gezicht alleen.

Het verschil tussen hoofd en lichaam is namelijk dat het lichaam niet kan liegen.
Liegen doet alleen het hoofd.
We passen ons gezicht aan de omstandigheden aan.
We leggen het in een plooi, we zetten een masker op.
Ons lichaam kan dat niet.
Het kan alleen kleren aantrekken.
En die worden gekozen door het hoofd.
Wanneer het lichaam echter in half ontklede toestand begint te lopen, dan spreekt het de waarheid. Dan toont het wie de loper is.

Je moet die lichaamstaal natuurlijk kunnen verstaan.
Maar iedereen bezit die ‘taalkennis’.
Iedereen moet lachen met een karikatuur.
Iedereen herként een karikatuur.
Dat is het merkwaardige van een karikatuur: de fysieke vormen zijn veranderd, en toch herken je de mens. Je herkent hem zelfs beter dan wanneer zijn fysieke gelaat onveranderd blijft.
Ik herinner me nog dat ik op de Gentse Feesten een karikatuur zat te tekenen en dat een van de omstaanders uitriep: hij lijkt er meer op dan in ’t echt!
Het is inderdaad zo dat je in een karikatuur de specifieke persoonlijkheid van een mens naar boven haalt. Je accentueert wat hem uniek maakt, waarin hij verschilt van andere mensen.
En dat doe je door elementen van het gezicht – en vooral dan de neus – uit te vergroten.
Je verandert het gezicht niet.
Je brengt de vorm ervan in beweging.
En de kijker moet diezelfde beweging maken wanneer hij het model vergelijkt met de karikatuur: in gedachten moet hij (de vormen van) het gezicht in beweging zien, en dat veroorzaakt een herkenning die groter is dan wanneer het gezicht niet beweegt.

Wat een karikaturist eigenlijk doet, is een gezicht voorstellen als een … lichaam.

20131002-202256.jpg

Hij ziet het hoofd (onbewust) als een verstard lichaam, en dat lichaam probeert hij weer in beweging te krijgen door aan de neus te trekken, door de wangen op te blazen, door de ogen open te sperren, enzovoort.
De karikaturist is een soort fysical trainer die het stijf geworden gezicht weer soepel probeert te maken.
En dat doet hij niet zozeer door de beweeglijke delen (mond, ogen, wenkbrauwen) aan te porren, maar vooral door de onbeweeglijke delen (neus, kaak, schedel, oren) in beweging te brengen.
Het is een soort ‘onttovering’ van een schone slaapster, een wakker maken van de ingeslapen vormen van het hoofd, die daardoor beginnen te spreken.

En het hoofd spreekt hier niet als hoofd, dat wil zeggen met de ‘gespleten’, leugenachtige tong van de mond.
Het hoofd spreekt nu als lichaam, als een uit zijn doodsslaap gewekt lijk.
En dát hoofd liegt niet.
Door van iemand een karikatuur te maken, kleed je zijn gezicht als het ware uit.
Je ontdoet het van zijn masker en tekent het naakte gezicht.
Je tekent het hoofd als was het een lichaam.
Je brengt de etherische kwaliteiten ervan weer tot leven.
Je tilt het hoofd uit de zwaarte van de bewegingsloze materie.
Je doet het verrijzen uit de dood.

Het merkwaardige is dat je alleen van mensen karikaturen kunt tekenen.
Van dieren kun je geen karikaturen tekenen.
Dieren ZIJN reeds karikaturen.
Ze zijn in feite groteske karikaturen van de mens.
Volgens de evolutietheorie stamt de mens van de dieren af.
Volgens de antroposofie is het net omgekeerd: de dieren stammen van de mens af.
Dieren zijn bij wijze van spreken menselijke lichamen die helemaal in de greep van de materie zijn geraakt.
Daarom hebben dieren ook geen individualiteit, geen Ik (tenzij als soort).
Maar zo star en onbeweeglijk hun fysieke lichaam is geworden (dieren kunnen bijvoorbeeld vrijwel niks tot uitdrukking brengen met hun gezicht), zo soepel en beweeglijk is hun etherische lichaam gebleven. Want het is juist door roofbouw te plegen op de etherische levenskrachten dat de mens zijn bewustzijn ontwikkelt.
Daarom is de zo wakkere en zelfbewuste mens van deze tijd lichamelijk zo star en zwak geworden. Een groot deel van zijn beweeglijke etherische krachten zijn getransformeerd tot denken.
Denkbewegingen zijn gemetamorfoseerde lichaamsbewegingen.
En het bulldozerkarakter van ons moderne intellectuele denken geeft aan hoever we verwijderd zijn geraakt van de (etherische) beweeglijkheid van de geest.

De moderne mens is massaal aan het joggen geslagen omdat er een grens is bereikt.
Als hij nog langer onbeweeglijk voor zijn computerscherm blijft kijken naar digitale schijnbewegingen, dan zal zijn bewustzijn helemaal verstarren, zelfs in die mate dat zijn Ik, zijn geestelijke wezen, er zich niet langer zal kunnen in uitdrukken.
De moderne mens dreigt zijn individuele geest te verliezen.
Hij dreigt te verdierlijken, zij het dan zonder de etherische gratie en beweeglijkheid van de echte dieren.
Hij is een soort wilde bulldozer aan het worden, en hij richt enorme vernielingen aan met zijn grove, gemechaniseerde bewegingen.
Daarom begint de mens te lopen, op ieder vrij moment dat hij vindt.
Het is een instinctieve angstreactie van zijn Ik, dat zich opgesloten voelt in een steeds onbeweeglijker wordend lichaam.
Met bulldozergeweld wordt dat lichaam gedwongen om in beweging te komen.
Het is zelfs een soort collectieve psychose geworden: we moeten bewegen, kost wat kost.
Vandaar het bijna religieuze karakter van de sport.
Vandaar de bijna-heiligverklaring van voetballers en de waanzinnige geldsommen die ze verdienen.

Maar deze angstreactie dreigt in het andere uiterste te vallen.
Veel sporters doen hun lichaam zoveel geweld aan dat het (na een korte, hevige carrière) nog stijver en onbeweeglijker wordt dan het al was.
En de sport wordt ook steeds mechanischer.
Alles draait om kracht, bulldozerkracht.
Van de dierlijke gratie en beweeglijkheid is nauwelijks iets te merken.
Iemand als Roger Federer is een grote uitzondering.
Hij is een van de zeldzamen die van sport een kunst heeft gemaakt.
Zijn bewegingen hebben iets van de lichtheid van de geest.
En toevallig of niet, hij is ook een zeer sympathieke, bescheiden man zonder capsones.
Ik had bijna gezegd: hij is eenvoudig gebleven.
Maar dat is het nu net: de jonge Federer was een onuitstaanbaar arrogante kerel die ver naast zijn schoenen liep (zoals zovele topsporters).
Blijkbaar heeft het kunstzinnige, etherische bewegen dat hem zo kenmerkt die arrogantie losgemaakt en weer ruimte geschapen voor zijn Ik, het scheppende kind-in-hem.

20131002-202909.jpg

Tussen de onbeweeglijke moderne mens die zijn dagen voor een computerscherm doorbrengt en de professionele sporter die van zijn lichaam een geoliede machine maakt, staat de mens die in beweging komt, de amateur-jogger, de vrijetijdsloper.
Deze leerling-beweger is een ongelooflijke stuntel.
Een lachwekkende karikatuur.
Maar juist in zijn karikaturale bewegingen wordt zijn individuele Ik zichtbaar.
Het drukt zich sprekend uit in dat lijdende, onschuldige lichaam dat geteisterd wordt door het ongenadige hoofd.
En in dat gemartelde lichaam moet het ook herkend worden.
De herkenning van de mens moet uitgebreid worden van zijn hoofd tot zijn hele lichaam.
We moeten de taal van dat lichaam leren begrijpen om op die manier op het spoor te komen van de menselijke geest die er zich in uitdrukt.
Want als het hoofd dat lichaam helemaal naar zijn beeld en gelijkenis vormt, dan zal de geest zich zelfs niet meer in het bewegende lichaam kunnen uitdrukken.
De mens zal dan helemaal dier worden, een soepele en efficiënte bewegende machine waarin geen spoor van waarheid meer te bekennen is.
En zonder de herkenning van het waarachtige Ik, zullen we geen onderscheid meer kunnen maken tussen echte mensen en schijnmensen.

En o ja, het tekenen van karikaturen zal dan hoogstwaarschijnlijk verboden zijn, wegens te kwetsend.
Want het nieuwe ras van dier-mensen zal zeer lange tenen hebben. Het zal niet meer kunnen lachen met zichzelf.
En dat zal pas erg zijn.