Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: Karl Julius Schröer

Antroposofie en karmabewustzijn (4)

  

Tijdens de lange reeks karmavoordrachten die Rudolf Steiner aan het eind van zijn leven hield, zegt hij op een bepaald moment dat de antroposofie niets anders is dan een voorbereiding op het einde van de 20ste eeuw. Dan moeten platonici en aristotelici onze beschaving de grote geestelijke impuls geven die haar van de ondergang zal redden. Dat is waar het om gaat: de beschaving redden. In het licht van dat grootse doel lijkt de geschiedenis van de antroposofie een aaneenschakeling van louter mislukkingen, en de vraag rijst: hoe kon het zó mislopen met dit reddingsplan? Of beter: hoe had het ooit kunnen slagen? Want het begon al met een valse start: Karl Julius Schröer, de man die de antroposofie moest ontwikkelen, raakte niet uit de startblokken. Hij werd vervangen door Rudolf Steiner, die veel beter toegerust was voor deze taak maar voortijdig stierf. Daarna viel de antroposofische beweging uit elkaar en van de reddende samenwerking tussen platonici en aristotelici kwam niets in huis. 

Het falen van de antroposofie vestigt de aandacht op die andere wereldhistorische mislukking: de kruisdood van Christus. Ook daar begon alles met een valse start. Het oudste Jezuskind, waarin men de langverwachte Messias zag, stierf nog voor hij aan zijn heilstaak kon beginnen. De jongere Jezus nam het dan van hem over, maar kwam voortijdig aan zijn eind, waarna zijn leerlingen in alle windrichtingen werden verstrooid. De gelijkenissen tussen deze twee mislukte reddingsoperaties zijn opvallend, en in beide gevallen speelt de relatie tussen oude en jonge zielen een cruciale rol. Wat er in de tempel gebeurt tussen beide Jezuskinderen, heeft tot gevolg dat Christus uiteindelijk de marteldood zal sterven. Immers, als de joden hadden geweten dat de heilstaak van de oudere Jezus was overgegaan op de jongere Jezus, dan zouden ze nooit hun Messias aan het kruis hebben geslagen. Maar ze wisten het niet en die onwetendheid besliste over leven en dood.

In de antroposofie is het niet anders. Als voldoende antroposofen hadden ingezien dat een jonge ziel (Rudolf Steiner) de levenstaak van een oude ziel (Karl Julius Schröer) had overgenomen, en als ze begrepen hadden dat die ‘overname’ een oerbeeld is van de antroposofie, dan zouden de spanningen tussen beide zielengroepen nooit zo hoog opgelopen zijn dat het Goetheanum er (bij wijze van spreken) door in brand vloog, dan zouden ze nadien Rudolf Steiner niet aan het kruis hebben geslagen, dan zouden na zijn dood de leiders van de jonge zielen niet uit de vereniging zijn gezet, en dan zou ten slotte de samenwerking tussen platonici en aristotelici niet op een mislukking zijn uitgedraaid. Zeker weten kan men dat natuurlijk nooit, maar men kan wel inzien dat de relatie tussen oude en jonge zielen een beslissende rol heeft gespeeld in het hele drama. En die rol vestigt dan weer de aandacht op de gelijkenis met die andere mislukking: het leven en sterven van Christus. 

Juist die gelijkenis doet vermoeden dat de antroposofische ‘mislukking’ net zo onafwendbaar was als de christelijke. Rudolf Steiner onthulde het geheim van de oude en de jonge zielen pas helemaal aan het eind van zijn leven. Dat moet voor zijn toehoorders een flinke schok zijn geweest want ze hadden zich altijd hevig verzet tegen het karma-thema en nu werd het hen ineens op een zeer persoonlijke manier voorgeschoteld. Nog voor ze van de schok bekomen waren, volgde er een tweede: Rudolf Steiner stierf. En er volgde nog een derde: de antroposofische vereniging werd in twee gescheurd. En een vierde: Hitler kwam aan de macht en de tweede wereldoorlog brak uit. De antroposofen kregen eenvoudig niet de kans om het zielenthema te verwerken. Bovendien had slechts een beperkt aantal onder hen de bewuste karmavoordrachten bijgewoond. De meesten wisten van niets en het zou nog tot 1980 duren vooraleer de eerste grondige studie over het onderwerp verscheen: Christussucher und Michaëldiener van Hans Peter van Manen.

Slechts 20 jaar bleven over tot het eind van de 20ste eeuw en de bewustwording van het zielenthema moest nog beginnen. Dat was onbegonnen werk. De enige die het mislukken van de samenwerking tussen platonici en aristotelici had kunnen voorkomen, was Rudolf Steiner zelf. Als hij was blijven leven en evenveel tijd had kunnen besteden aan zijn eigen levenstaak als aan die van Karl Julius Schröer, dan had hij zijn leerlingen misschien kunnen doordringen van het belang van het zielenthema. Misschien. Want de weerstanden waren groot. Maar Rudolf Steiner stierf en met hem stierf ook het antroposofische reddingsplan. Of toch niet? Maakte zijn voortijdige dood wellicht deel uit van het reddingsplan, zoals ook de dood van Christus deel uitmaakte van het heilsplan? Was de dood van Rudolf Steiner met andere woorden geen mislukking maar juist datgene waar het allemaal om draaide? Om daar achter te komen, moeten we de gelijkenis tussen het antroposofische karma en het Christus-karma verder uitdiepen. 

Dat Christus-karma begint in zekere zin bij de 12-jarige Jezus in de tempel. Wanneer het Ik van de oudste Jezus in hem overgaat, wordt het lot van Christus bezegeld: hij zal sterven. Zijn kruisdood is een soort herhaling van wat zich tussen beide Jezuskinderen afspeelt, want op Golgotha gaat het Christus-Ik over in de aarde (en daarmee in de hele mensheid). Maar eerst heeft er nog een andere ‘Ik-verhuizing’ plaatsgevonden: tijdens de doop in de Jordaan gaat het Ik van Christus over in het lichaam van Jezus. Dat zijn drie Ik-verhuizingen, drie variaties op hetzelfde thema. In drie stappen wordt de geboorte van de nieuwe mens en de nieuwe aarde verwezenlijkt: eerst de vereniging van een oude en een jonge ziel, dan de vereniging van deze geheelde mensenziel met Christus, en ten slotte de vereniging van de mensgeworden Christus met de aarde. Het zijn drie metamorfosen van hetzelfde oerbeeld en de eerste begint op menselijk niveau met de vereniging van een oude en een jonge ziel.

Deze eerste ‘menselijke’ metamorfose wordt weerspiegeld in de antroposofie. En opnieuw kunnen we drie stappen onderscheiden. Drie keer verenigen een oude en een jonge ziel zich met elkaar: eerst Karl Julius Schröer en Rudolf Steiner, daarna Marie von Sivers en Rudolf Steiner, en ten slotte Ita Wegman en Rudolf Steiner. Het zijn drie stadia op weg naar de volmaakte eenwording zoals die gerealiseerd wordt door beide Jezuskinderen. Tussen Karl Julius Schröer en Rudolf Steiner wil het nog niet goed lukken: de platoonse ziel is niet in staat de stap te zetten naar de aristotelische wereld. In dat stadium bevindt de antroposofische beweging zich vandaag: ze slaagt er niet in de kloof tussen beide zielenwerelden te overbruggen. Net als Karl Julius Schröer beseft ze niet dat dit haar werkelijke opgave is. Ze is zich niet bewust van haar oude-zielenaard en leeft grotendeels in een platonische ideeënwereld waaruit ze de weg niet vindt naar de moderne werkelijkheid zoals de aristotelicus Rudolf Steiner dat wel kon. 

Ook Marie von Sivers is een oude ziel die zich thuisvoelt in de platonische ideeënwereld. Rudolf Steiner zei ooit van haar dat ze een kosmisch wezen was. Maar anders dan Karl Julius Schröer kan ze zich wel verbinden met de ‘aardse’ Steiner. Het feit dat ze een vrouw is, zal daar wel een rol in gespeeld hebben. 21 jaar lang zal deze zeer spirituele ziel zich ten dienste stellen van Rudolf Steiner en de praktische kant van de antroposofische beweging op zich nemen: ze doet de administratie, houdt de boekhouding bij, organiseert de voordrachten en reizen, verzorgt de uitgave van boeken en voordrachten. Zonder haar zou Rudolf Steiner nooit in staat zijn geweest zijn rol als geestelijk leraar op te nemen en hij was haar daar zeer dankbaar voor. Hij wist wat een offer het voor haar betekende, niet alleen om zich met dergelijke ‘banale’ zaken bezig te houden, maar ook om zich ten dienste te stellen van een man. Reeds in haar Griekse incarnatie als Hypatia was ze immers een sterke, vrijgevochten vrouw.

Marie von Sivers slaagt waar Karl Julius Schröer faalde, en belichaamt op die manier het tweede antroposofische stadium: oude en jonge zielen werken eendrachtig samen. Het derde stadium is echter te hoog gegrepen voor haar. Dat is voorbehouden aan Ita Wegman die aan de zijde van Rudolf Steiner staat wanneer het Goetheanum afbrandt. Marie von Sivers kan die ramp (veelzeggend genoeg) slechts van op afstand gadeslaan, want ze raakt de heuvel niet meer op. Het is mede-lijden met Rudolf Steiner dat Ita Wegman ertoe brengt haar leven in zijn dienst te stellen. Bovendien maakt de schok van de brand haar bewust van de oude karmische band die tussen haar en Rudolf Steiner bestaat. Reeds als Gilgamesj en Enkidu waren ze met elkaar verbonden, en ook in hun incarnatie als Alexander de Grote en Aristoteles werkten ze nauw samen. Dankzij dit karma-bewustzijn kan Ita Wegman de weg openen naar het derde antroposofische stadium, het stadium van de nieuwe mysteriën. 

Deze nieuwe mysteriën zijn Christus-mysteriën. Ze vormen de overgang naar de tweede metamorfose van het christelijke oerbeeld. In het medelijden van Ita Wegman herkennen we reeds iets van het medelijden dat Jezus voelde met de hulpeloze mensheid. De deerniswekkende toestand waarin de oude mysteriën verkeerden, bracht Jezus ertoe zichzelf te openen voor Christus. Op dezelfde manier brengt de aanblik van de zwartgeblakerde resten van het Goetheanum Ita Wegman ertoe haar hart te openen voor Rudolf Steiner en zijn lijden tot het hare te maken. Vanuit dat mede-lijden stelt ze dan de vraag naar de nieuwe mysteriën. Het is deze (Parsifal)vraag die Rudolf Steiner in staat stelt tijdens de Weihnachtstagung de antroposofische vereniging geheel te vernieuwen. Ook de oude vereniging was ontstaan door een vraag, dit keer van Marie von Sivers. 21 jaar eerder had ze Rudolf Steiner gevraagd naar een christelijke versie van de oude mysteriën en die vraag vormde het begin van de antroposofische beweging. 

Karl Julius Schröer vertegenwoordigt de oude, voorchristelijke mysteriën die hij als Plato onderwezen had. Marie von Sivers staat voor de gekerstende en ‘gemoderniseerde’ oude mysteriën, zoals we die terugvinden in de antroposofie van vóór de Weihnachtstagung. Ita Wegman ten slotte vertegenwoordigt de nieuwe mysteriën die rechtstreeks van Christus uitgaan en door Michaël naar de mensen worden gebracht die er wakker voor zijn. Deze drie antroposofische stadia herkennen we (op een hoger niveau) ook in het christelijke heilsgebeuren. De oudste Jezusziel draagt het hele mysterieverleden van de mensheid in zich. Tijdens het gebeuren in de tempel wordt die alomvattende wijsheid verbonden met de alomvattende liefde van de jonge Jezusziel. Maar dat volstaat niet om de wereld te redden. Er is nog een derde factor nodig en dat is Christus. Pas in het samengaan van Jezus en Christus kunnen de mysteriën volledig vernieuwd en verjongd worden. 

Het zielenthema maakt deel uit van die nieuwe mysteriën. De bewustwording van de rol die oude en jonge zielen spelen in het reddingsplan van de mensheid is de eerste prille stap in de uitvoering van dat plan. Het is in wezen een mysteriedaad, net zoals het gebeuren in de tempel toen het ik van de oude Jezusziel overging op de jonge Jezusziel. Maar die oude tempel bestaat niet meer, ook niet in zijn antroposofische versie. Hij moet opnieuw gebouwd worden en de eerste steen wordt gelegd wanneer we gevolg geven aan Rudolf Steiners laatste, dringende oproep om het zielenthema ter harte te nemen. Dit onaanzienlijke, kinderlijk eenvoudige thema is het zaadje waarin de hele (oude) antroposofie vervat zit. Om haar opnieuw tot leven te wekken moet ware aard van dit zaadje herkend worden. Nadenken over oude en jonge zielen, zei Rudolf Steiner, is geen vrijblijvende theorie maar een intensieve toepassing op het leven. Het is een daad, een stap over de drempel van oud naar nieuw. 

Advertenties

Antroposofie en karmabewustzijn (3)

  

Het falen van Karl Julius Schröer was het spreekwoordelijke domino-blokje dat omviel en een hele reeks andere blokjes in zijn val meesleurde. Rudolf Steiner werd er om te beginnen door gedwongen de ontwikkeling van de antroposofie op zich te nemen en zijn eigen levenstaak – de studie van karma en reïncarnatie – uit te stellen. Toen hij daar eindelijk kon mee beginnen, werd hij opeens zwaar ziek en zag zich gedwongen om in 9 maanden samen te persen waar hij anders een heel leven had kunnen aan wijden. De enorme inspanningen die hij in dat laatste jaar van zijn leven leverde, waren echter niet voldoende. Hij slaagde er wel in het thema van de oude en de jonge zielen te onthullen, maar het drong niet door tot het antroposofische bewustzijn. Tot op heden blijft Rudolf Steiners (dringende) oproep om dit zaadje verder te ontwikkelen onbeantwoord. Het gevolg is een ‘halve’ antroposofie, een antroposofie zonder karmabewustzijn.

Deze gehalveerde antroposofie leeft nog wel, maar ze leidt een kwijnend bestaan: boekhandels verdwijnen, initiatieven sluiten de deuren, het ledenaantal loopt terug, de gemiddelde leeftijd stijgt, antroposofische leraars zijn nauwelijks nog te vinden, artsen evenmin. Het vuur brandt niet meer, zoveel is duidelijk. Vlugger dan verwacht gaat Rudolf Steiners voorspelling over het eind van de 20ste eeuw in vervulling: de (Europese) beschaving gaat ten onder en ze sleept de antroposofie in haar val mee. Wat begon met de mislukking van Karl Julius Schröer lijkt te eindigen met het mislukken van de samenwerking tussen platonici en aristotelici. Ook daartussen stapelen de mislukkingen zich op: de brand van het Goetheanum, de voortijdige dood van Rudolf Steiner, de scheuring van de antroposofische beweging. Het is eigenlijk één lange aaneenschakeling van mislukkingen en de meeste antroposofen kiezen er dan ook voor de ogen te sluiten voor de keerzijde van de antroposofische medaille.  

Desondanks komt deze pijnlijke geschiedenis langzaam maar zeker aan het licht. Stap voor stap raken de onverkwikkelijke feiten bekend en ontstaat een beeld waarin het zielenthema zich duidelijk aftekent. Rudolf Steiner wordt belet zijn levenstaak uit te voeren omdat Julius Schröer zodanig faalt dat er tussen deze oude en deze jonge ziel geen samenwerking tot stand kan komen. Het Goetheanum gaat in de vlammen op als gevolg – of toch minstens als uitdrukking – van de wrijvingen tussen oude en jonge zielen die er maar niet in slagen met elkaar samen te werken. Vervolgens wordt Rudolf Steiner dodelijk ziek omdat hij het karma van deze ruziënde zielengroepen op zich neemt. Na zijn dood spat de antroposofische beweging uit elkaar omdat oude en jonge zielen elkaar minder dan ooit kunnen luchten. En als kers op de tragische taart volgt dan de ultieme mislukking aan het eind van de 20ste eeuw: platonici en aristotelici komen niet tot samenwerking. Het is de zoveelste variatie op hetzelfde thema.

De samenwerking tussen oude en jonge zielen is de kracht maar ook de zwakheid van de antroposofie. Het is de achillespees waar de tegenmachten steeds weer hun pijlen op richten en de wonde is intussen zo lelijk en pijnlijk geworden dat we er niet meer durven naar kijken. Toch is dat de enige manier om de zwaargewonde antroposofie te helen. Op fysiek vlak is dat echter niet meer mogelijk. De oude antroposofie en de oude beschaving vallen niet meer te redden. Rudolf Steiner heeft het geprobeerd, en ook zijn leerlingen hebben het geprobeerd, maar het heeft niet mogen zijn. De tegenmachten vieren vandaag hun overwinning en ons rest niets anders meer dan het voorbeeld van Rudolf Steiner te volgen. Toen hij na de brand van het Goetheanum inzag dat de oude vereniging een verloren zaak was, concentreerde hij de hele antroposofie in de Grondsteenspreuk die hij als een zaadje ‘in de harten van de aanwezigen’ plantte, dat wil zeggen in de harten van degenen die wakker waren.

Dat is de keuze waarvoor we staan: ofwel blijven we slapen en proberen we te redden wat niet meer te redden valt, ofwel proberen we de antroposofie in ons hart samen te ballen tot een zaadje dat we kunnen meenemen over de grens van de dood. Want alles wat zich in ons hoofd bevindt, moeten we achterlaten. Alleen wat in ons hart leeft en met ons eigen wezen verbonden is, kunnen we meenemen en bewaren voor de toekomst. Na de Weihnachtstagung toonde Rudolf Steiner ons hoe we de oude antroposofie-van-het-hoofd kunnen transformeren tot een antroposofie-van-het-hart: door onderscheid te maken, door het feit onder ogen te zien dat de antroposofische beweging bestaat uit ‘hoofdzielen’ en ‘hartzielen’. Wie niet naar deze ‘wonde’ wil kijken, zal haar ook niet kunnen of willen genezen. Daarom verwachtte Rudolf Steiner van iedere antroposoof dat hij erachter kwam tot welke zielengroep hij behoorde (of daar minstens over nadacht). Daarmee begint de genezing van de gewonde antroposofie.

Wat er gebeurt wanneer deze stap wordt overgeslagen, hebben we gezien na Steiners dood. Beide zielengroepen botsten frontaal op elkaar, de oude antroposofie werd gerestaureerd, de dragers van de nieuwe antroposofie (Ita Wegman op kop) vlogen aan de deur, en het zielenthema werd taboe. De antroposofische beweging maakte met andere woorden rechtsomkeer en ging daarmee dwars tegen Rudolf Steiner in. Eigenlijk doet ze dat nog altijd, want zolang het zielenthema genegeerd wordt, kan de antroposofie geen hartsaangelegenheid worden en kan ze de stap naar de toekomst niet zetten. Ze blijft opgesloten in haar hoofd en de polariteit van oude en jonge zielen verhardt tot een dualistische tegenstelling waarvan de spanningen vroeg of laat tot een uitbarsting leiden. Niet de zielenpolariteit op zich is het probleem, maar het gebrek aan bewustzijn ervan. Dat (karma)bewustzijn maakt het verschil tussen een hele en een halve antroposofie, en dat is tegelijk het verschil tussen een genezende en een ziekmakende antroposofie. 

Want de problemen van de antroposofie zijn ook de problemen van de wereld. Het is geen toeval dat onmiddellijk na Rudolf Steiners deadline het zielenthema een wereldprobleem wordt. In de karmavoordrachten spreekt Steiner uitvoerig over de intense geestelijke strijd die de aristotelici (waaronder hijzelf, in zijn vorige incarnatie als Thomas van Aquino) in de middeleeuwen uitvochten met de islamitische geleerden. Vandaag laait die strijd weer op en het is pijnlijk om zien hoe machteloos Europa staat tegenover haar oude vijand. Wat Europa ontbeert, is een antroposofie die deze strijd weer opneemt en samen met de platonici beslecht. Maar zo’n antroposofie bestaat helaas niet. Alleen een intens karmabewustzijn had beide zielengroepen kunnen doen samenwerken in de strijd tegen de islam. Sinds de dood van Rudolf Steiner verzet de antroposofische beweging zich echter hevig tegen dit karmabewustzijn. Het heeft nooit de kans gekregen om zich te ontwikkelen, en daar plukken we nu de zure vruchten van.

Dit besef zou ons met verdubbelde ijver moeten doen werken aan dat karmabewustzijn, want kunnen we deze beschaving niet meer redden, we kunnen nog wel de volgende voorbereiden. Dat is en blijft de opgave van de antroposofie. Als we die ernstig nemen, mogen we ons niet verschansen in ons hoofd waar we alles wegrelativeren en ons vastklampen aan de illusie dat het allemaal wel in orde komt. We moeten ons hart openstellen voor de tragedie die vandaag plaatsvindt en wakker worden voor de realiteit van de wereldproblemen die ook onze eigen, antroposofische problemen zijn. We moeten de blik richten op de doodskrachten die nu de overhand nemen en stap voor stap alles afbreken wat we met zoveel moeite hebben opgebouwd. Alleen door de intense dramatiek van deze doodsstrijd mee te beleven, kan in ons de bevrijdende catharsis ontstaan die we nodig hebben om onze ziel te zuiveren en met vereende krachten verder te werken. 

Wanneer we ontwaken voor het mysteriedrama dat zich voor onze ogen afspeelt, komen we vroeg of laat terecht bij Karl Julius Schröer. Want met zijn mislukking is alles begonnen. Lang voor de hel van de wereldoorlogen losbarstte, lang voor de oude strijd met de islam weer oplaaide, werd in Wenen de eerste steen gelegd van deze lijdensweg, althans de eerste zichtbare steen. Niemand besefte dat, behalve Rudolf Steiner. Niemand kon bevroeden dat de beschaafde en fijnzinnige Karl Julius Schröer aan de oorsprong lag van een ongeziene katastrofe. Uiterlijk gezien was er niks aan de hand met deze brave professor die les gaf, gedichten schreef en een groot bewonderaar van Goethe was. Maar achter de coulissen speelde zich één van de grootste drama’s aller tijden af: het falen van de gereïncarneerde Plato. Volgens Rudolf Steiner was zijn vader bovendien de gereïncarneerde Socrates, maar ondanks diens steun slaagde Schröer er niet in de antroposofie te ontwikkelen. En als gevolg daarvan sloeg het noodlot toe.

Dit historische falen roept heel wat vragen op. Zoals de joden (lichamelijk) de menswording van Christus moesten voorbereiden, zo moesten de antroposofen (geestelijk) de wederkomst van Christus voorbereiden. Belangwekkender taken kan men zich moeilijk indenken. En toch werd de taak om de antroposofie te grondvesten toevertrouwd aan iemand die daar volkomen ongeschikt voor was. Want het is niet zo dat de man te maken kreeg met zware tegenslagen of felle weerstanden. Nee, hij kon het gewoon niet, hij heeft het zelfs niet geprobeerd. Deze vaststelling laat maar twee mogelijkheden open. Ofwel hebben degenen die het antroposofische karma moesten regelen zich zwaar vergist toen ze Julius Schröer uitkozen voor deze taak. Ze hebben daarna nog geprobeerd hun vergissing recht te zetten door Rudolf Steiner te sturen, maar die kon de meubelen niet meer redden. Ofwel, en dat is de tweede mogelijkheid, moeten we het falen van Karl Julius Schröer op een heel andere manier bekijken.

Volgens Rudolf Steiner is het karma afkomstig uit de allerhoogste regionen van de geestelijke wereld. In het geval van twee wereldhistorische karma’s als het joodse en het antroposofische mogen we zelfs aannemen dat ze gestuurd werden vanuit de Triniteit, en als ze zich daar vergissen, dan valt er voor ons mensen niet veel te herstellen. We hebben als antroposoof dus geen andere keuze dan te vertrouwen op de wijsheid van de karmascheppende goden en ervan uit te gaan dat ze een goede reden hadden om uitgerekend Karl Julius Schröer te kiezen voor een zo belangrijke opdracht. We kunnen derhalve niet zomaar spreken van een ‘mislukking’ van de antroposofie. We zouden dan ook moeten spreken van een mislukking van Christus, want toen hij naar de aarde kwam om de mensheid te redden, kon hij niet eens zichzelf redden: hij werd terechtgesteld als een misdadiger. Groter fiasco kan men zich niet indenken, en toch werd deze ‘mislukte’ geschiedenis een heilsgeschiedenis.

Het wordt langzaam duidelijk dat we de geschiedenis van de antroposofische beweging nog op een geheel andere manier kunnen bekijken. Het is begrijpelijk dat we als antroposoof positief willen blijven en ons concentreren op de goede dingen. Hoe zouden we het anders volhouden! Maar de waarheid heeft haar rechten. Als onze positieve instelling inhoudt dat we de schaduwkanten van het antroposofische karma negeren, dan beperken we ons tot de halve waarheid en die is soms erger dan een hele leugen. Wanneer we ons hart openstellen voor de hele waarheid, dan komt dat in eerste instantie hard aan. Gevoelens van mislukking, onmacht en wanhoop overspoelen ons. Maar als we de verleiding weerstaan om de blik af te wenden en ons in onszelf op te sluiten, dan begint een zaadje te ontkiemen en langzaam wordt een beeld zichtbaar dat ons een blik gunt op een andere, diepere werkelijkheid, een karmische werkelijkheid waar ‘mislukken’ deel uitmaakt van het plan.