Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: kerstmis

Adriaen Brouwer (15)

  

Toen ik voor de tweede keer naar Adriaen Brouwer ging kijken, was het Allerzielen. De zon scheen stralend en onderweg naar Oudenaarde keek ik mijn ogen uit naar de grijsbruine herstkleuren met hun stralend gele en gloeiend rode accenten. Opeens viel het me in: dit zijn precies de kleuren waarmee Brouwer schildert! Hij is een bij uitstek ‘herfstige’ schilder. Zijn werk vertoont de typische transparantie die de natuur krijgt in november: de bomen verliezen hun bladeren en je kunt overal doorheen kijken. Zo kijkt ook Scorpio naar de wereld: niets blijft verborgen voor zijn doordringende blik. Zoals hij de natuur uitkleedt, zo kleedt ook Brouwer de mens uit: hij zet hem in zijn hemd. Dat levert ontluisterende beelden op, maar doet tevens een mysterieuze schoonheid verschijnen: de schoonheid van de stervende ziel die zich losmaakt uit het lichaam en zich hult in louter kleuren. Zoals de aarde een beetje zon wordt als gele en rode bladeren haar bedekken, zo heeft ook de herfstige wereld van Adriaen Brouwer zonnekwaliteiten.

Natuurlijk heeft Scorpio ook een duistere kant: de kille, door merg en been gaande natheid van de herfst, die onder je huid kruipt en waartegen je je niet kunt verweren. Dat aspect wordt bij Brouwer zichtbaar in zijn gore kroegen, maar ook in de onheilspellende figuren die er zich in verbergen. Soms dragen ze een masker, soms hebben ze een dierenkop. Lugubere schimmen zijn het, echte dubbelgangersfiguren. Vreemd genoeg merk je hun aanwezigheid niet op, evenmin als het feit dat Brouwer sommige andere figuren ‘verminkt’: ze missen een arm, een been, een hand of zelfs een hele onderkant. Heel bizar. Waarom zou hij dat doen? Eén ding is zeker: Brouwer weet de onheilspellende Schorpioen heel goed te camoufleren. Ook dat hoort bij dit teken: camoufleren en verbergen is zijn tweede natuur, de keerzijde van zijn transparantie. Niemand komt op het idee iets te zoeken achter Brouwers transparante schilderijen. Wat zouden ze kunnen verbergen? Tonen ze de mens niet juist zoals hij is, zonder masker, onopgesmukt?

Het duurt een tijdje voor je in dit werk het dubbele karakter van het novemberteken ontdekt: de lage schorpioenkant en de verheven adelaarskant. Hoever beide tegenpolen ook uit elkaar liggen, Brouwer slaagt erin ze te verenigen en daardoor onzichtbaar te maken. De duistere dubbelgangersfiguren en vreemde verminkingen blijven onopgemerkt. Niemand voelt de dreiging van de Schorpioen, wel integendeel, het is een vrolijke boel bij Brouwer. Maar niemand merkt ook iets van de verheven inzichten van de adelaar. Geen mens zoekt iets diepzinnigs in het werk van deze drinkebroer, deze nar, deze Tijl Uylenspieghel. Wellicht is dat de reden waarom zijn werk in de vergetelheid is geraakt: men vindt Brouwer veel te gewoon, veel te oppervlakkig. Hij is een humoristische noot in de kunstgeschiedenis, meer niet. Groter vergissing kan men natuurlijk niet maken. Als er ooit een ‘occulte’ schilder is geweest – in alle betekenissen van het woord – dan wel Adriaen Brouwer.

Die ‘verborgen’ dimensie beperkt zich niet tot zijn schilderijen en zijn leven. Ze strekt zich ook uit tot de kijker. Mijn eerste bezoek aan de tentoonstelling verliep onder de auspiciën van Michaël: een heerlijke nazomer, een verkwikkende fietstocht, een rustig museum – wat wil een mens nog meer! Maar na mijn tweede bezoek werd ik geconfronteerd met de keerzijde, met de draak zeg maar. Toen ik de tentoonstelling verliet, weerklonk er door het hele stadhuis een kabaal alsof er beneden een fuif aan de gang was. De overgang van kunst naar werkelijkheid was bepaald ontnuchterend. De vorige keer had ik het ook al gehoord, maar ik had er geen aandacht aan geschonken, vol als ik was van mijn eerste ontmoeting met Brouwer. Het lawaai bleek afkomstig van de ‘educatieve voorstelling’ op het gelijkvloers: in een met glas afgeschermde ruimte werden de schilderijen van Brouwer, enorm uitvergroot, op de muren geprojecteerd terwijl uit de boxen een met muziek afgewisselde uiteenzetting over leven en werk van de schilder schalde. 

Ik wilde dit audiovisuele inferno snel passeren, toen ik aangesproken werd door een keurige mevrouw van de organisatie die me vroeg of ik de presentatie al had gezien. Nee, antwoordde ik naar waarheid. Of ik niet geïnteresseerd was? Toch wel mevrouw, maar mijn zenuwen zijn niet bestand tegen zoveel decibels. Dat leek op haar geen enkele indruk te maken, en dus vroeg ik: waarom staat dat geluid eigenlijk zo hard? O, antwoordde ze, enigszins verrast omdat ik dat zelf niet had kunnen bedenken: dat is voor de slechthorenden! Die had ik niet zien komen, en ik stond even met mijn mond vol tanden. En de goedhorenden, vroeg ik, moeten zij dan maar watten in hun oren stoppen? Daar kon ze niet om lachen. Wij willen ook de slechthorenden de gelegenheid bieden om kennis te maken met Adriaen Brouwer, zei ze een beetje bits. Het klonk alsof ze me een auditieve racist vond, en ik slikte gauw mijn volgende vraag in: en hoe zit het eigenlijk met de slechtzienden, wordt er voor hen ook iets gedaan? 

Was het dit soort domheid waarvoor Adriaen Brouwer wegvluchtte in zijn kroegen, buiten het bereik van ’s werelds ydel goet? Werd ook hij geconfronteerd met de morele schone schijn van zijn tijd en zocht hij daarom het gezelschap van deplorables die lak hadden aan de 17de eeuwse politieke correctheid? Blijkbaar is die schaduw hem gevolgd tot in de 21ste eeuw, want het lawaai in het museum en het gekakel van de audiogids lijken Brouwer nog altijd het zwijgen te willen opleggen. Deze schilder spreekt in stille herfstbeelden, in een taal die onhoorbaar is door het luide gesnater en getater van onze tijd. De moderne mens is als de dood voor de stilte waarin beelden beginnen spreken. Hij is bang voor hun fluisterende stem, die spreekt van een heel andere wereld dan waar de woorden over toeteren, de luidruchtige, geleerde, abstracte woorden die ons van ’s morgens tot ’s avonds omringen, als een cordon sanitaire dat ons moet beschermen tegen wat beelden ons willen vertellen.

We leven in een herfstige wereld, een wereld die steeds donkerder wordt. De beschaving verliest haar bladeren, de doodskrachten rukken op. Het zijn apocalyptische tijden, vol dreiging, verminking en ontbinding. Echte Scorpio-tijden. Maar apocalyps betekent ook openbaring: er wordt in onze tijd een mysterie zichtbaar dat gekend wil worden. Het spreekt met stille stem, in beelden die doorzien willen worden, zoals de beelden van Adriaen Brouwer. Ze lijken trouwens in elkaar over te gaan: de beelden van Brouwer en de beelden van onze tijd. In de prachtige raadzaal van een prachtig stadhuis hingen in gouden lijsten de meest ontluisterende kroegtaferelen die een kunstenaar ooit geschilderd heeft. Is dat geen sprekend beeld van onze moderne wereld? Nooit was er zoveel rijkdom, nooit was er zoveel pracht, maar al dat bladgoud verbergt een wereld die tot een gore kroeg is geworden waar de mens zich overgeeft aan zijn dierlijke driften en zijn bewustzijn verdooft met drank en drugs.

Maar ook het omgekeerde is waar. Zoals de vuile, stinkende kroegen van Brouwer een diep mysterie verbergen, zo verbergt ook onze vuile, stinkende, moderne wereld een onvermoed geheim, een kerstgeheim. De stal waarin destijds het Jezuskind werd geboren, bevond zich in een donkere grot waar mensen zich in vroeger tijden hadden overgegeven aan hun laagste driften en hun menselijkheid helemaal verdoofd hadden. Uitgerekend op die duistere plek werd het nieuwe licht ontstoken, zoals ook onze eigen duistere wereld het toneel is van de wederkomst van Christus. In onze apocalyptische tijd wil iets heel groots zich openbaren, maar het doet dat heel klein en heel stil, voor de mensen van goede wil, die de stem van hun hart niet laten overstemmen door het kabaal van degenen die niet willen zien. Zoals in de grot van Bethlehem een ziel werd geboren die nooit eerder op aarde was geweest, zo dook in Oudenaarde een schilder op die nog nooit een tentoonstelling had gekregen. 

Adriaen Brouwer onthult het wezen van onze tijd, een wezen waar wij niet durven naar kijken omdat het zo lelijk, zo duister en zo laag-tegen-de-grond is, maar ook – en misschien zelfs vooral – omdat het zo mooi, zo mysterieus en zo verheven is. Zoals de kunstwetenschap al eeuwenlang de neus ophaalt voor de boertige taferelen van Brouwer, zo is de moderne mens vol afkeer en morele verontwaardiging over de laagheid van zijn tijd. Maar juist daardoor blijft hij blind voor het genie dat zich uitdrukt in de beelden van die tijd. De verborgen, geestelijke dimensie van de wereld was nooit zo dichtbij en toegankelijk als vandaag. Net als de schilderijen van Brouwer vergen haar beelden geen bijzondere kennis, het volstaat om er met ons hart naar te luisteren. Maar daar ligt juist het probleem. Niet alleen is het bijzonder pijnlijk om ons hart open te stellen voor de ‘kwetsende’ beelden van onze tijd, er staat ook een legioen moraalridders klaar om iedere uiting van ons hart neer te sabelen en ons aan het kruis te nagelen als misdadigers. 

In zo’n hart-vijandige wereld is het werk van Adriaen Brouwer als een godsgeschenk. Zonder angst voor lijf of ledematen kunnen we hier ons hart laten spreken. Alleen en van geen mens gestoord kunnen we een gesprek op gang brengen tussen hoofd en hart. Daarvoor moeten we ons wel afschermen van het-lawaai-dat-uit-de-kelder-komt en van gidsen allerhande die in onze plaats willen spreken. We moeten ons weerloze hart verdedigen, zowel tegen de wilde driften als tegen het arrogante intellect. Maar dat is lang niet zo’n onmogelijke strijd als in het gewone leven. Kunst is tenslotte schijn en geen werkelijkheid. Het is echter wel ware schijn. Wat we in de kunst leren – het lezen van beelden – kunnen we daarna ook toepassen op de realiteit. De kloof tussen beide is weliswaar diep, maar in Adriaen Brouwer hebben we een bruggenbouwer van formaat. Zijn stille stem heeft een grensoverschrijdend karakter: ze klinkt niet alleen over de eeuwen heen, ze klinkt ook tot ver buiten de gouden lijsten van zijn kunst.

Ik vernam die stem reeds nog voor ik de tentoonstelling gezien had. Hoe merkwaardig was het niet dat Adriaen Brouwer na 400 jaar opeens opdook, en dan nog wel vlak naast mijn deur, kort nadat ik in zijn geboortestreek was komen wonen. Dat was nog eens een welkomstgeschenk! Mijn hart sprong op en ik begon de maanden af te tellen. Het stond meteen vast dat ik er met de fiets naartoe zou gaan, in alle rust en stilte, langs de Schelde, tussen de eerste ritselende herfstbladeren. Ik besefte nog niet hoe goed die beelden pasten bij het werk dat ik nog moest zien. En er waren nog meer beelden: de Walburgakerk die al van ver te zien was, de grote markt met haar fontein, het stadhuis als een reliekschrijn, de moderne beeldenstorm die binnenin had plaatsgevonden, de beide boeken die ter gelegenheid van de tentoonstelling verschenen waren, het codeklavier naast de toegangsdeur, de kist met het ingewikkelde beveiligingsmechanisme, de twee portretten van Lievens en Van Dijck, de drie handtekeningen …

Uit dat alles klonk reeds de stem van Adriaen Brouwer nog voor ik hem had gezien. Maar dat realiseerde ik me pas achteraf, nadat zich in mijn gedachten een gesprek ontsponnen had met een man die al vierhonderd jaar dood was, maar wiens geest nog volop leefde en erom vroeg begrepen te worden. In de weken die volgden leerde ik de taal van Brouwers beelden begrijpen. En het waren niet alleen geschilderde beelden. Zo werd ik tijdens mijn ‘taallessen’ drie keer kort na elkaar opgeschrikt door een luide bons. Er was een vogel tegen het raam gevlogen. De eerste overleefde het niet, de twee andere lagen op hun buik met opengesperde bek te hijgen maar waren een uur later alweer verdwenen. Ik stond er niet bij stil, ik legde geen verband tussen buiten en binnen. Dat begon ik pas te doen toen mijn computer opeens uitviel, vlak nadat ik een bericht had geplaatst over de hond op de Gentse boekentoren. Toen begon ik mijn aandacht ook te richten op wat er buiten de schilderijen gebeurde.

De reële beelden bleken echter veel moeilijker te lezen dan de kunstzinnige beelden. Ik zag wel een verband tussen Ahriman en die hond, en misschien stond die dode vogel wel voor Lucifer, maar wat hadden ze met Brouwer te maken? Technisch werkloos zijnde, ging ik dan maar een eindje wandelen. Zoals zo vaak voerde mijn wandeling me naar Dikkele, het stilste dorp in de buurt. Tot mijn ontzetting klonk er dit keer echter luide muziek door de straten. Arbeiders waren een huis aan het verbouwen en dat kon uiteraard niet zonder assistentie van een radio die de tere herfststilte brutaal aan flarden scheurde. Ik haastte me verder en sloeg de hoek om. Daar was het kerkje van Dikkele al, omringd door zijn zwijgende doden. Maar tot mijn verbazing klonk ook daar luide muziek: iemand was het orgel aan het bespelen. Het moest een flink uit de kluiten gewassen instrument zijn, want het dreunde door de hele straat. Eens gaan luisteren, dacht ik. Maar ik morrelde vergeefs aan de kerkdeur. De organist wilde niet gestoord worden.

Ik vervolgde mijn weg en bereikte de rand van het dorp. Alle gerucht was nu verdwenen, je kon de bladeren horen vallen. Ik passeerde een keurig gerestaureerd boerderijtje en wierp er een jaloerse blik op: hier te wonen! Toen zag ik de hond. Opgewonden liep hij achter de haag heen en weer, zijn uiterste best doend om me de stuipen op het lijf te jagen. Maar dat lukte niet, want uit zijn keel klonk alleen wat amechtig gekuch. Dat ik dat nog mocht meemaken: een hese hond! Gewoonlijk zijn het vervaarlijke monsters die ik tijdens mijn wandelingen tegenkom, schuimbekkend van razernij en oorverdovend blaffend. Wat had dit allemaal te betekenen? Waar anders diepe stilte heerste, klonk nu lawaai, waar anders oorverdovend geblaf klonk, was nu alleen wat gekuch te horen. Het leek de omgekeerde wereld wel. Was dat een gevolg van mijn taallessen, van mijn pogingen om de beelden van Brouwer te begrijpen? Ik wist het niet. Ik kon alleen maar ijverig voort studeren, want de wereld telt meer beelden dan Brouwer ooit kon schilderen. 

 

Advertenties

Christus opnieuw geboren

  

Het belangrijkste feest in ons deel van de wereld is ongetwijfeld kerstmis. Vier weken lang dompelen we ons onder in een sfeer van kerstbomen, kerstlichtjes en kerstmuziek. We wensen ‘vrede op aarde aan alle mensen van goede wil’. Tot voor kort was dat zowat iedereen, want niemand kwam op het idee om deze tijd van gluhwein en gezelligheid te verstoren. Dit jaar is daar verandering in gekomen. Kerststallen werden gemolesteerd, kerstbomen in brand gestoken, kerstlammetjes doodgeslagen, kerstmarkten overhoop gereden, kerstgangers vermoord. Er lopen blijkbaar heel wat ‘mensen van kwade wil’ rond, want hoe barbaars moet je niet zijn om uitgerekend in deze tijd van het jaar je duivels te ontbinden! Zelfs aan het front van 14-18 werd een kerstbestand in acht genomen. Maar de kwaadwilligen zijn natuurlijk geen mensen ‘van bij ons’. Het zijn moslims, vreemdelingen, belijders van een godsdienst die al sinds haar ontstaan de doodsvijand is van het christendom.

Wat dit jaar met kerstmis gebeurt komt niet als een verrassing. Er waren de rellen rond Zwarte Piet – het christelijke Sinterklaas werd onder het mom van antiracisme aangevallen – en het was gewoon wachten tot ook dat andere feest, het kerstfeest, in het vizier zou komen. Wie over de grenzen keek, wist trouwens al langer dat moslims overal ter wereld de vervolging van christenen hebben ingezet. Is het toeval dat momenteel Syrië verwoest wordt, het land dat de bakermat van het christendom genoemd wordt? Het kwaad – althans in de ogen van moslims – wordt bij de wortel aangevat, en die wortel is de geboorte van Christus, het Lam Gods. In Heist op den Berg, een dorp in de buurt van Mechelen, hebben kinderen een kerstlammetje doodgeslagen. Het is maar een detail in de grootscheepse moslimagressie, maar het is wel een veelzeggend detail. Want wat brengt kinderen ertoe om een lammetje – het toonbeeld van onschuld – dood te slaan? Welke kwade geest bezielt hen?

Het is een geest die het al langer op het kerstfeest voorzien heeft. Wat wij met kerstmis vieren is in feite een vermenging van twee zeer verschillende geboorteverhalen: dat van Lucas en dat van Mattheus. Bij Lucas wordt het kind geboren in een stal. Binnen heerst de rustgevende aanwezigheid van de os en de ezel, buiten slapen de velden en fonkelen de sterren. Alles ademt stilte en vrede. Hoe anders gaat het eraan toe in het geboorteverhaal van Mattheus! Hier geen stal met dieren en herders, maar een voornaam huis waar koningen hun opwachting maken. In een dorp als Bethlehem moet hun komst heel wat opschudding veroorzaakt hebben. Zelfs koning Herodes was ervan op de hoogte. Omdat hij vreesde dat zijn troon in gevaar was, liet hij alle pasgeborenen in Bethlehem vermoorden. De rust en de vrede zijn hier ver te zoeken, alles is dramatiek en geweld. Groter verschil dan tussen deze twee verhalen is niet mogelijk, en toch is daar in ons traditionele kerstfeest niks van te merken. 

Het gemengde kerstmis dat wij vieren, en waarbij koningen samen met herders hun opwachting maken in een stal, is een half kerstmis. Het is in twee gehakt en het Mattheusdeel is aan de kant geschoven. Alle dramatiek, alle gewelddadigheid is eruit verdwenen en wat overblijft is een feest van louter sentiment en gezelligheid. Van de koningen hebben we alleen de materiële rijkdom overgehouden: het overvloedige eten en drinken, de cadeautjes onder de kerstboom, de luxe en de glitter. Niemand kan nog echt gelukkig zijn met dit gehalveerde kerstfeest. Natuurlijk is er niks mis met kerstbomen en kerstversieringen. Ze horen bij deze tijd van het jaar, ze vieren de terugkeer van het licht, ze zijn elementair. Dat kan evenwel niet gezegd worden van de koopwoede en de jachtige drukte die van dit feest voor zoveel mensen een kwelling maken. Kerstmis is helemaal ten prooi gevallen aan het materialisme. Koningen en herders vinden elkaar alleen nog in het zintuiglijk genot. 

Van de kinderlijke innigheid en onschuld, zoals we die nog kunnen beluisteren in de traditionele kerstliederen, blijft niets meer over. Uit het Lucas-verhaal is alle mysterie en betovering verdwenen. Er zijn alleen nog de uiterlijke beelden en die hebben alle bezieling en schoonheid verloren. Ze vragen er als het ware om vernietigd te worden. Het moderne kerstfeest is een feest zonder hart, een feest dat zijn leegte en gevoelloosheid verbergt achter een masker van sentimentaliteit. Maar het is ook een feest zonder hoofd. Van de wijsheid van de koningen is geen spoor meer te bekennen. Wie weet nog wat we met kerstmis precies vieren? De geboorte van het kind in de stal? Maar hoe zit het dan met het kind uit het Mattheusevangelie? De waarheid is dat we met kerstmis – strikt genomen – geen van beiden vieren. Evenmin vieren we de winterzonnewende, de geboorte van Mithras of een ander heidens feest. Wat we, zonder het te weten, met kerstmis vieren is de ‘geboorte’ van Christus zelf. 

We moeten er stilaan aan gaan twijfelen of de paus zelf nog wel het onderscheid kent tussen Jezus en Christus. Het verdwijnen van de Mattheusversie van het kerstverhaal kan model staan voor het verdwijnen van de wijsheid uit het christendom. Christenen hebben (allang) geen inzicht meer in de ware aard van Christus. Niemand weet nog dat hij de kosmische geest is die op 25 december van het jaar 1 de sfeer van de aarde betrad. Hij werd niet geboren uit een vrouw van vlees en bloed, zoals beide Jezuskinderen. Het was de hemel zelf die Christus baarde, vandaar de ‘maagdelijke’ geboorte. De teloorgang van dit ‘koninklijke’ inzicht gaf het in oorsprong drieledige kerstgebeuren prijs aan de splijtende krachten van het materialisme. Eerst werd een wig gedreven tussen de kosmische Christusgeest en de twee Jezuskinderen. Vervolgens werden de koninklijke en de herderlijke Jezus uit elkaar gedreven en bleef alleen de laatste over. Maar zonder het scherpe bewustzijn en inzicht van zijn tegenpool kon hij zich niet handhaven en werd door het materialisme tot een karikatuur vervormd.

Tweeduizend jaar geleden was het de Christusgeest die beide Jezuskinderen samenbracht en één deed worden tijdens het mysterieuze gebeuren in de tempel, waarna de kinderlijke Jezus uit het Lucasevangelie opeens over de koninklijke wijsheid van de Jezus uit het Mattheusevangelie bleek te beschikken. Deze eenwording was de voorwaarde voor de menswording van Christus, die plaatsvond tijdens de doop in de Jordaan. Daarmee werd een voorbeeld gesteld dat voor alle tijden geldig is, ook – en zelfs vooral – voor onze tijd. Want het wordt met de dag duidelijker dat alleen de Christusgeest onze wereld nog kan redden, een wereld die ten onder dreigt te gaan aan haat en geweld. Er is niets waar de moderne mens meer naar verlangt dan de geest van kerstmis, de geest van vrede aan alle mensen van goede wil. Maar die geest kan alleen in ons wakker worden wanneer kerstmis weer heel wordt gemaakt, wanneer beide aspecten ervan weer verenigd worden en de schaapachtigheid doordrongen wordt met wijsheid. 

Het is geen toeval dat momenteel de schaapachtigheid hoogtij viert in het Westen. Het is in dat deel van de wereld dat de – weliswaar aan het materialisme vervallen – herderlijke kwaliteiten van de Jezus uit het Lucasevangelie zijn ontwikkeld: de gerichtheid op de aarde, de broederlijkheid, de verdraagzaamheid. De koninklijke wijsheid van de Jezus uit het Mattheusevangelie bleef als het ware achter in het Oosten en viel daar ten prooi aan de islam die van het koningschap alleen de heerszucht en de gewelddadigheid overhield. Het uiteenvallen van kerstmis is een pars pro toto, een beeld van wat op grote schaal in de wereld gebeurt. Maar ook het omgekeerde is waar: de clash of civilisations die momenteel de wereld beheerst, weerspiegelt zich in het kerstfeest. De moslimagressie tegen kerstmis is een materialistische karikatuur van het gebeuren in de tempel: de Mattheus-Jezus verenigt zich met de Lucas-Jezus. De groteske vervorming van het oorspronkelijke beeld mag ons niet blind maken voor de gelijkenis. 

Juist die gelijkenis wijst op een nieuwe ‘geboorte’ van de Christusgeest, die louter door zijn aanwezigheid beide Jezuskinderen ertoe brengt zich met elkaar te willen verenigen. Ook nu weer is het de oudere Jezus die het initiatief neemt. Hij manifesteert zich in de moslims die zich massaal losmaken uit hun oude, oosterse wereld en – net als de drie koningen – de grote reis ondernemen naar de nieuwe ‘herderlijke’ wereld van het Westen. Wat we vandaag meemaken, is een herhaling van het kerstgebeuren tweeduizend jaar geleden. Het oerbeeld dat zich toen op heldere, zuivere wijze manifesteerde, is door het materialisme zodanig misvormd dat het nagenoeg onzichtbaar is geworden. Wanneer we ons echter niet laten misleiden door de uiterlijke vervormingen, hoe stuitend ze ook zijn, en doordringen tot de dieperliggende kunstzinnigheid van de actuele gebeurtenissen, dan wordt het oerbeeld langzaam weer zichtbaar en realiseren we ons dat Christus inderdaad opnieuw geboren wordt. 

Het is goed dat we vasthouden aan het traditionele kerstmis in de Lucas-sfeer: de eenvoudige kerststal, de herders en de schapen, de flonkerende sterren, de hemelse muziek. Maar we staan nu voor de opgave om dit vredige, dromerige kerstmis-van-het-hart te verbinden met het bewuste en dramatische kerstmis-van-het-hoofd uit het Mattheusevangelie. Zonder de eenwording van die tegenpolen kan de Christusgeest immers niet geboren worden, en kan de wereld ook niet gered worden. Paradoxaal genoeg zijn de dramatische en angstaanjagende gebeurtenissen van dit jaar een bron van hoop en vertrouwen, want ze wijzen erop dat Christus daadwerkelijk opnieuw geboren wordt, of we dat nu weten of niet. Hij laat ons dus niet in de steek. Maar hoe zwaar de geboorte wordt – en Christus wordt dit keer niet uit de hemel maar uit de aarde geboren – hangt van ons af, en meer bepaald van ons bewustzijn, van ons inzicht in het geboorteproces. Dat ‘koninklijke’ inzicht maakt een wereld van verschil. 

Zalig zij die …

  
‘Iemand ‘zalig kerstmis’ wensen is één van de grootste zonden. Het is erger dan iemand doden.’

(Sjeik Abu Mussab Wajdi Akkari)

Een gemengde kerstboodschap

  

Een Engelse televisiezender heeft de vader van Aylan Kurdi, het verdronken Syrische jongetje, gevraagd om een kerstboodschap in te spreken voor de camera. De Engelsen zullen op kerstdag dus niet alleen kunnen luisteren naar hun koningin maar ook naar de Syriër die zijn gezin opofferde voor een nieuw gebit. Dat laatste is men aan de overkant van het Kanaal blijkbaar al vergeten, wat niet verwonderlijk is voor een extreem politiek correct land als Engeland. Abdullah vraagt de wereld om zijn deuren te openen voor Syriërs. Dat klinkt natuurlijk heel kerstmis-achtig, maar we vergeten gemakkelijk dat er twee ‘kerstmissen’ zijn: het vredevolle kerstmis gebaseerd op het Lucas-evangelie en het kerstmis van de kindermoord gebaseerd op het Mattheus-evangelie. We kunnen de kerstboodschap van Abdullah dus op twee manieren interpreteren: ofwel als een smeekbede van onschuldige mensen om toegelaten te worden in ‘de herberg’, ofwel als de vraag om het land open te stellen voor kindermoordenaars. Of zijn Rotherham en Oxfordshire ook alweer vergeten? We moeten dus niet naïef zijn en het vredevolle kerstmis (laten) gebruiken om het gewelddadige kerstmis mogelijk te maken. Bedoel ik daarmee dat Abdullah kwade bedoelingen heeft? Nee, zover wil ik zeker niet gaan. Maar ik vind het toch wel smakeloos dat uitgerekend hij voor deze kerstboodschap gevraagd wordt, want hij is in feite beide tegelijk: een onschuldige vluchteling die onderdak zoekt en een kindermoordenaar. Dergelijke politiek correcte smakeloosheden moeten een aansporing zijn om wakker te zijn en onderscheid te maken. De tijd van het ene kerstmis en de ene Jezus is nu wel definitief voorbij … 

Zwarte Kerst

Vrede op aarde aan alle mensen van goede wil.
Als deze kerstboodschap enige waarheid inhoudt dan zijn er dezer dagen nog maar weinig mensen van goede wil te vinden.
Sla de kranten open: onvrede alom.
Met name het zwarte gedeelte van de bevolking is zéér ontevreden, van Amerika tot België.
Het begon al met Sinterklaas en het lijkt het steeds erger te worden.
Hoe zei een zwart meisje het onlangs?
‘Het deksel is van de beerput en de shit vliegt in het rond.’
Nee, het wordt geen witte kerst dit jaar.

Vanwaar al die onvrede?
Het antwoord ligt voor de hand: racisme.
De schuldige is bekend: de blanke.
Het probleem: hij blijft volharden in het kwaad.
Conclusie: de blanke is een mens van slechte wil.
Dus: geen vrede voor hem.
Hij maakt zich op om kerstmis te vieren?
Wel, daar heeft hij geen recht op, en dus gaan we dat feest verpesten.
Daar komt het zo’n beetje op neer.

Als de ontevreden zwarte mens gelijk heeft, dan zitten we met een serieus probleem.
Kijk naar Amerika, waar de gevangenissen vol zitten met overwegend zwarte mensen, waar ook tien keer meer zwarten dan blanken doodgeschoten worden door de politie.
Kijk naar Afrika, waar ontelbare zwarten omkomen door bruut geweld.
Kijk naar het Midden-Oosten, waar de grootste terreur heerst.
Er wonen ginder wel geen zwarten, maar de mensen zijn er toch niet blank.
En al dat ten hemelschreiende geweld is de schuld van de blanken.
Daar is iedereen het over eens.
Ook de blanken zelf: ze protesteren niet eens als ze beschuldigd worden.
Ze knikken alleen en geven toe: ja, wij zijn racistisch!
Maar … ze doen er niks aan.
Integendeel, ze worden alsmaar racistischer.
Als we tenminste onze ontevreden zwarte en bruine medemens mogen geloven.

Eigenlijk wordt in deze kersttijd de wereld in twee gespleten.
Aan de ene kant zijn er de blanken, de mensen van slechte wil.
Ze weten dat ze racistisch zijn maar toch doen ze er niks aan, wel integendeel.
Aan de andere kant zijn er de niet-blanken, de mensen van goede wil.
Ze weten dat de blanken racistisch zijn, maar ze doen er niks aan, wel integendeel.
Ze verdragen al die discriminatie, al die vernederingen, al dat geweld.
Alleen in de kersttijd, als de blanken vrede wensen aan alle mensen van goede wil, krijgen ze het moeilijk: zoveel schijnheiligheid wordt zelfs voor hun verdraagzame hart te veel.
Ze protesteren dan luidkeels en zeggen dat ze het moe zijn en dat het niet kan blijven duren want dan gaan er erge dingen gebeuren.
Maar na nieuwjaar zijn ze het alweer vergeten en laten zich opnieuw zwijgend vernederen door de blanken.
It’s the same old song: goede mensen lijden door slechte mensen.

Dit is in een paar woorden het verhaal dat ons vrijwel dagelijks wordt opgedist.
Een verhaal dat is uitgegroeid tot een moderne mythe.
Net als in lang vervlogen tijden wordt deze mythe onvoorwaardelijk geloofd.
Een mythe is immers een ‘hogere’ waarheid: ze is heilig.
We kennen tegenwoordig een hele reeks van deze nieuwe mythen.
Zo is er de mythe van de Opwarming van de Aarde.
De mythe van de Holocaust.
De mythe van de Hedendaagse Kunst.
De mythe van de Naakte Aap.
De mythe van de Big Bang.
De mythe van de Religie als wortel van alle Kwaad.
De mythe van de Vrouw als slachtoffer van de Man.
Enzovoort.
Al deze mythen hebben één ding gemeen: ze zijn boven alle twijfel verheven.
Wie het waagt ze in twijfel te trekken, is een mens van slechte wil.
Hij verdient het om in de gevangenis te vliegen.
Alleen wie in deze mythen gelooft, is een mens van goede wil.

En dat is vreemd.

Is een modern mens niet juist iemand die NIET meer gelooft in mythen?
Is het wezen van de moderniteit niet juist dat men het geloof in mythen en andere ‘hogere’ waarheden afgezworen heeft en vervangen door het geloof in de zintuigelijke werkelijkheid, een werkelijkheid die we kunnen zien, horen, voelen, smaken?
Uiteraard staan we op een keerpunt in de mensheidsgeschiedenis.
We hebben de grenzen van ons ‘aardse’ kunnen bereikt en moeten nu weer contact maken met het ‘hemelse’ kunnen, anders raken we niet meer uit de problemen.
Het ligt dus helemaal in de lijn van de evolutie dat de moderne mens weer gaat geloven in mythen en andere ‘hogere’ waarheden.
Maar.
Dit nieuwe geloof kan alleen een vooruitgang – en dus ook een uitweg uit de problemen – betekenen als het NIET ten koste gaat van ons oude geloof in de concrete werkelijkheid.
En dat laatste is nu precies wat WEL gebeurt: we geloven weer in mythische verhalen zonder ons af te vragen of ze wel stroken met de werkelijkheid.
Ja, die vraag mag zelfs niet meer gesteld worden: we moeten blindelings geloven in de nieuwe mythen.
Wie dat niet doet is een slecht mens.

Voor niet-blanken is het moeilijk om zich het blanke ongeloof eigen te maken en zich los te maken van het mythische geloof van de voorvaderen.
Slechts enkelingen slagen daarin.
Voor de meesten is die stap veel te groot.
Ze deinzen ervoor terug en klampen zich vast aan hun oude geloof.
Heel wat kleiner is de stap naar het blanke geloof in de nieuwe mythen, en dan vooral het geloof in die ene grote mythe: dat de blanke schuld heeft aan alles wat verkeerd gaat in de wereld.
Met dat nieuwe geloof slaan ze namelijk drie vliegen in één slag.
Ten eerste hoeven ze zich niet dat moeizame zoeken naar de waarheid eigen te maken dat zo typisch is voor de blanke wereld.
Ze kunnen veilig in de mythische sfeer van gezag en geloof blijven.
Dat is veel aangenamer dan die eenzame zoektocht, waarbij tal van persoonlijke gehechtheden sneuvelen.
Ten tweede is het voor hen een vorm van integratie: ze voelen zich verbonden met de blanken die eveneens in die mythe geloven. Ze kunnen met andere woorden zichzelf modern wanen zonder hun oude geloof op te geven.
En ten derde komt het hun ego natuurlijk goed uit.
Tal van niet-blanken kunnen in het Westen carrière maken door zich op te werpen als fervente verdedigers van het nieuwe mythische geloof.

Wat hen drijft, is in feite precies hetzelfde wat ook de blanke gelovigen drijft: het verlangen om niet langer eenzaam naar de waarheid te moeten zoeken, maar zich in plaats daarvan verbonden te weten in een nieuwe geloofsgemeenschap, een mythische broederschap die strijdt tegen het kwaad in de wereld.
Wat ze echter niet beseffen, is hoe hoog de prijs ligt die ze betalen voor het lidmaatschap van deze nieuwe broederschap.
Die prijs is een verscheurde ziel en een verscheurde wereld.
Een wereld die uiteenvalt in goede en slechte mensen.
Een ziel die uiteenvalt in een dr. Jekyll en een mr. Hyde.
Wat ze niet beseffen is dat ze met hun protesten oproepen tot een wereldwijde rassenoorlog.
Want lang niet iedere blanke gelooft in de mythe dat hij de incarnatie van het kwaad in de wereld is. In feite gelooft geen enkele blanke daarin.
Hij doet maar alsof.
Hij gelooft enkel in de nieuwe mythen omdat hij er voordeel bij heeft: materieel voordeel, psychisch voordeel, geestelijk voordeel.
Zijn nieuwe geloof is niets anders dan het tot religie verheven egoïsme.
En daarin sleurt hij ook de niet-blanken mee.
Al die verontwaardigd protesterende mensen – blank of zwart – zijn in feite handlangers van Herodes, de kindermoordenaar.
Ze hebben het gemunt op het kind dat in deze kersttijd geboren wordt.
En dat is helaas een echte mythe, die wél strookt met de moderne werkelijkheid.

Driekoningen-essay (deel 2: een paard van Troje)

In het eerste deel van mijn driekoningen-essay vertelde ik over mijn kersttijd, over hoe ik ieder jaar weer verlang naar vrede, en hoe die vrede ieder jaar weer verstoord wordt.
Alsof de duivel ermee gemoeid is.
Dit jaar was de duivel-van-dienst Joseph Beuys, de man die de Hedendaagse Kunst als een modern paard van Troje de antroposofische wereld heeft binnengehaald.
Dat binnenhalen is onder luid gejuich gebeurd. Het wordt gezien als een overwinning: eindelijk is de muur die de antroposofie scheidt van de moderne, hedendaagse wereld doorbroken!
Ik kan helaas niet delen in die feestvreugde.
Ik weet namelijk welke geest zich verbergt in de Hedendaagse Kunst.
Ik heb hem aan het werk gezien, ik heb hem aan de lijve ondervonden.
En ik twijfel er niet aan: hij zal de antroposofie ten gronde richten.

Maar dat is het ergste niet.

Het ergste is dat hij het zal doen zonder dat iemand het merkt.
Hij zal het antroposofische huis helemaal uithollen en alleen de buitenmuren laten staan.
Van buitenaf gezien, zal er niets veranderd zijn.
Integendeel, het antroposofische leven zal bruisen als nooit tevoren.
Maar het zal wel zíjn leven zijn.
Als een spin zal hij zijn prooi zorgvuldig inpakken, er zijn gif in spuiten, wachten tot de binnenkant veranderd is in een papje, en dat dan opzuigen.
Voor de antroposofen zal het zijn alsof ze ‘over de drempel’ gaan en terechtkomen in de geestelijke wereld. Maar het zal een onderwereld zijn. En daar zullen ze gevangen zitten, want in de roes van de drempeloverschrijding zullen ze niet beseffen dat ze zich in de buik van de draak bevinden.

20140112-190209.jpg

Hoe weet ik dat allemaal? Ben ik helderziend of zo? Kan ik de toekomst voorspellen?
Helemaal niet.
Ik weet het omdat ik het allemaal al eens meegemaakt heb in de wereld van de kunst.
Ik weet het omdat ik het vandaag opnieuw zie gebeuren.
En ik zie het niet alleen in de antroposofische wereld gebeuren.
Ik zie het overal gebeuren.
De geest van de Hedendaagse Kunst verspreidt zich vandaag over de hele aarde.
En hij doet dat op zijn eigen gekende manier: met een Blitzkrieg.
Er is tegen deze geest geen kruid gewassen.
Daarover maak ik mij geen enkele illusie.
Hij zal de wereld veroveren, zoals hij eerst de wereld van de kunst veroverd heeft.
Want de kunst bootst niet langer de werkelijkheid na.
Het is vandaag de werkelijkheid die de kunst nabootst.

Zoals ik al zei: dit is geen divinatie of speculatie, het is louter waarneming. Waarneming en denken natuurlijk, want deze beelden liggen niet zomaar voor het grijpen. Ze zijn in de werkelijkheid aanwezig, maar ze moeten al denkend zichtbaar worden gemaakt.
Antroposofen staan er niet voor bekend een scherp oog te hebben voor de wereld die hen omringt. In de afleveringen van ‘Das Goetheanum’ die verschenen tijdens de periode 1940-1945 werd met geen woord gerept over de wereldoorlog die buiten de muren aan de gang was.
De antroposofische blik is inderdaad vooral naar binnen gericht, en om die blik te beschermen, worden er dikke muren gebouwd.
Daar is op zich niets tegen.
De wereld heeft nood aan de naar binnen gerichte, geestelijke blik.
Maar zoals er gevaren verbonden zijn aan de eenzijdig naar buiten gerichte, materialistische blik, zo zijn er ook gevaren verbonden met de eenzijdig naar binnen gerichte, spirituele blik.
Echt bedreigend worden die gevaren echter pas wanneer ze zich verenigen, wanneer de beschermende muur tussen beide blikrichtingen doorbroken wordt, en materialisme en spiritualiteit zich vermengen.
Dat gebeurt in de vorm van een kunstwerk, want overal waar geest en materie één worden, ontstaat kunst.

20140112-190348.jpg

Het paard van Troje was een kunstwerk, en om het binnen te halen, sloopten de Trojanen de muren van hun stad.
Het werd hun ondergang.
De Griekse strijdmacht had zich te pletter gelopen op de muren van Troje, maar er was één Griek die de Trojanen van binnenuit kende en wist dat ze niet zouden kunnen weerstaan aan een kunstwerk dat hun zege symboliseerde.
Vandaag herhaalt die geschiedenis zich.
De antroposofie is een spiritueel bolwerk waartegen het materialisme zich te pletter loopt.
Na 100 jaar strijd staat het nog altijd overeind.
Maar onder de ‘materialistische strijdkrachten’ is er één man die de antroposofie van binnenuit kent en die weet dat antroposofen niet kunnen weerstaan aan een kunst die haar zege symboliseert: de kunst van Joseph Beuys.
In de persoon van deze kunstenaar hebben ze een antroposoof die het helemaal gemaakt heeft in de ‘buitenwereld’ en dus het ideaal van de antroposofie belichaamt.
Want de antroposofie wil geen klein spiritueel bolwerk blijven, waar de esoterische wijsheid zorgvuldig behoed wordt, zoals dat in vroeger tijden gebeurde. Nee, de antroposofie wil een vereniging zijn die tegelijk esoterisch en exoterisch is. Ze wil helemaal in de moderne, hedendaagse wereld staan. Ze wil die wereld bevruchten met haar geestelijke impuls.

En dat is het ideaal dat Joseph Beuys in hun ogen belichaamt.
Zijn hele leven heeft hij de antroposofische ideeën verkondigd, niet binnen de antroposofische muren zoals gebruikelijk, maar erbuiten, in de moderne, hedendaagse wereld. En hij werd daar niet weggehoond en bespot, nee hij werd daar bewonderd en geëerd, en hij groeide uit tot één van de bekendste kunstenaars van de 20ste eeuw.
Van zo’n succes kan een antroposoof alleen maar dromen.
Ja, in feite is Joseph Beuys de allereerste antroposoof die erin geslaagd is de ondoordringbare muur tussen antroposofie en moderne wereld te doorbreken.
Zelfs Rudolf Steiner is daar nooit in geslaagd.

20140112-190531.jpg

Het valt dus te begrijpen dat Joseph Beuys veel enthousiasme losweekt onder moderne antroposofen, dat ze hem zien als een eerste zwaluw die de antroposofische lente aankondigt, en dat hij voor hen een lichtend voorbeeld is dat ze willen volgen.
Ik begrijp dat allemaal heel goed.
Maar ik begrijp ook dat dit mes aan twee kanten snijdt.
Langs de bres die de antroposofen in hun muur hebben geslagen toen ze Joseph Beuys triomfantelijk binnenhaalden, kan de antroposofische geest zich inderdaad over de moderne, hedendaagse wereld verspreiden en doen wat van haar verwacht wordt en wat haar wezenlijke opgave is: de wereld bevruchten.
Maar ook het omgekeerde kan gebeuren: langs diezelfde bres kan ook de materialistische buitenwereld – vermomd als kunst – de antroposofie binnenstromen, haar verlammen met haar gif en haar helemaal leegzuigen.

In het licht van de enorme macht die het materialisme vandaag ontplooit in de wereld, lijkt het mij geen overbodige voorzorgsmaatregel om op zijn minst beide mogelijkheden onder ogen te zien.
Via Joseph Beuys en de Hedendaagse Kunst kan de antroposofie inderdaad de wereld veroveren, daar ben ik het volkomen mee eens, althans in theorie.
Maar via Joseph Beuys kan de wereld ook de antroposofie veroveren, en dat is helaas wat ik in de praktijk zie gebeuren.
Ik heb daar in het eerste deel van dit essay twee voorbeelden van gegeven, maar er zijn er veel meer.
In feite zie ik het overal gebeuren.
De ‘bres in de antroposofische muur’ is geen materiële bres, ofschoon ze zich wel in de materie uitdrukt. Het is een wereldwijd netwerk van scheuren en barsten waarlangs de materialistische geest langzaam binnensijpelt.
Maar nergens zie ik dit ‘worldwide web’ zo duidelijk als in de kunst, de kunst die zo essentieel is voor de antroposofie.

20140112-190825.jpg

De grote kracht van de antroposofie ligt in haar kunstzinnigheid, in haar streven om geest en materie met elkaar te verbinden.
Het antroposofische streven is niet louter spiritueel van aard, het is evenmin louter materieel van aard, het is beide tegelijk.
Het uiteindelijke doel van de antroposofie is om van de wereld een kunstwerk te maken, noch meer noch minder.
Juist die kunstzinnigheid onderscheidt haar van vrijwel alle andere spirituele of materialistische bewegingen.
Maar diezelfde kunstzinnigheid is ook haar achilleshiel.
Daar, en daar alleen, is de antroposofie kwetsbaar.
En dat weet de draak heel goed.
Daarom richt hij zijn pijlen op deze plek.
Dat doet hij overigens niet alleen in de antroposofie, hij doet dat overal.
Er is geen gebied dat door de draak zo geviseerd wordt als de kunst, en met name dan de beeldende kunst.
Daar vinden in onze tijd de grootste verwoestingen plaats.
En het zijn ‘kunstzinnige’ verwoestingen, verwoestingen die tegelijk geestelijk en materieel van aard zijn.

We zijn in onze tijd niet alleen getuige van de verwoesting van de kunst, maar ook van het ontstaan van de kunst der verwoesting.
Anders gezegd: het verwoesten van de kunst gebeurt op kunstzinnige wijze.
Het gebeurt van binnenuit, met de middelen van de kunst zelf.
Weten waar de achilleshiel van de kunst zich bevindt, en die zwakke plek ook nog eens feilloos raken, dat is een kunststuk, daar moet je een kunstenaar voor zijn.
Ik voel dan ook onwillekeurig bewondering, niet voor de Hedendaagse Kunst, dat wil zeggen voor de verwoesting zelf, maar voor de geest die erachter zit, die buitengewoon intelligente en ‘kunstzinnige’ geest die erin geslaagd is het gehele artistieke verleden van de mensheid in pakweg 50 jaar van de aardbodem weg te vegen.
Voor alle duidelijkheid: ik heb het hier over de geest van de kunstzinnige traditie, niet over de materie, dat wil zeggen over de kunstwerken. Die bestaan nog altijd en worden nog altijd geëerd. Maar de geest waaruit ze zijn ontstaan, is dood. Hij is door de geest van de Hedendaagse Kunst als het ware met één reusachtige zwaardhouw doormidden gehakt.

20140112-191343.jpg

Hoezeer ik de ‘oude’ geest van de kunst ook liefheb, ik voel onwillekeurig ontzag voor de enorme kracht van de ‘nieuwe’ geest.
Je moet het maar kunnen: zo’n glorieus verleden met één enkele welgemikte slag vernietigen.
De antroposofie kan niet op zo’n indrukwekkend verleden bogen, integendeel, ze is nog piepjong. Toch heeft ze de afgelopen 100 jaar al heel wat gepresteerd. Alleen al het feit dat ze nog bestaat, mag als een prestatie van formaat gelden, want spirituele bewegingen zijn meestal kort van duur. De antroposofie heeft zich echter over de hele aarde verspreid: men treft ze aan van Amerika tot China, van de Noordpool tot de Zuidpool. Kwantitatief stelt het allemaal niet veel voor, maar kwalitatief wordt er overal ter wereld belangrijk werk verricht. Antroposofen zijn gedreven mensen, met een wereldvisie die tegen meer dan één stoot kan. De instellingen die ze overal opgericht hebben – scholen, landbouwbedrijven, artsenpraktijken, banken, economische associaties, wetenschappelijke onderzoekscentra, kunstzinnige initiatieven, religieuze verenigingen, zorginstellingen, ziekenhuizen, enzovoort – zijn voor veel zoekende mensen een toevluchtsoord, een thuishaven, een oord van inspiratie. Hoe bescheiden ook: het is een alternatief worldwide web.

Welnu, dit hele mondiale antroposofische web wordt vandaag geïnfiltreerd door de geest van de Hedendaagse Kunst. Overal kom je de naam van Joseph Beuys tegen, de grote voorman van deze kunst. Overal wordt hij enthousiast ontvangen, tot zelfs in Dornach. Deuren gaan voor hem open, fondsen worden vrijgemaakt, initiatieven opgestart. Met name jonge, geestdriftige antroposofen kiezen hem tot hun geestelijke leider. Ze zien in hem een eigentijdse versie van Rudolf Steiner: geen ernstige dominee met een zwart kostuum, maar een speelse, ondeugende kunstenaar die de ouderen choqueert, die uitdaagt en tot nadenken stemt. En die ouderen hebben geen verweer. Ze bekijken die vreemde nieuwlichter met wantrouwen, maar is dat niet wat ‘ouderen’ altijd doen? Het is volkomen normaal dat het oude weerstand biedt aan het nieuwe. Maar in het geval van Joseph Beuys is de oude garde machteloos. Ze moet toegeven dat de ideeën van deze avantgardist antroposofisch zijn en dat ze de jeugd weten te begeesteren. Dus wat kunnen ze anders doen dan hun bezwaren opzij zetten, in naam van de antroposofie? Een mens moet nu eenmaal offers brengen voor de goede zaak, nietwaar?

20140112-191515.jpg

En zo gebeurt het dat Joseph Beuys als een overwinnaar wordt binnengehaald.
Hij werd in Dornach zelfs herdacht op hetzelfde moment dat men de 100ste verjaardag vierde van de verbinding van de kunst met de antroposofie. Het was als één viering en daarom in zekere zin de officiële erkenning van de Hedendaagse Kunst als doel en middel van het moderne antroposofische streven.
Deze plechtige overhandiging van ‘de sleutels van de antroposofie’ aan de geest van de Hedendaagse Kunst ging vanzelfsprekend gepaard met een kunsttentoonstelling. Een leerlinge van Beuys had er niet beter op gevonden dan een zaal van het Goetheanum vol … verdroogde bananenschillen te strooien.
Voor sommige mensen (waaronder ikzelf) was dat de druppel die de emmer deed overlopen en ze deden iets ongehoords: ze protesteerden.
Zelf hoorde ik pas jaren later over de hele zaak toen ik twee artikels onder ogen kreeg die toen een fundamentele kritiek op Joseph Beuys en zijn Hedendaagse Kunst hadden geformuleerd. Voor mij was het de eerste kritische noot die ik in 30 jaar antroposofie hoorde. Ik voegde daar mijn eigen kritische noot bij, en samen ondergingen ze het lot dat alle kritiek op de Hedendaagse Kunst ondergaat: niemand sloeg er acht op.
Er kwamen in mijn geval twee ironische reacties, die het best vermakelijk vonden dat iemand zich druk maakte over die bananenschillen in het Goetheanum, en dat was dat. Ik heb nog even overwogen om op mijn beurt te reageren, maar de kans dat het tot een gesprek zou kunnen komen, was zo klein dat ik het maar opgaf.
Ik weet intussen wel dat de pleitbezorgers van de Hedendaagse Kunst de mond vol hebben van ‘kritische instelling’, ‘confrontatie’, ‘communicatie’ en ‘sociale sculptuur’, maar in de praktijk dulden ze geen enkele tegenspraak en reageren ze in de regel verontwaardigd op iedere kritische vraagstelling. Wie de vanzelfsprekendheid van de Hedendaagse Kunst niet aanvaardt, wordt beschouwd als een mens van slechte wil: hij komt niet in aanmerking voor een gesprek.

20140112-191652.jpg

Dat is in de antroposofische wereld niet anders dan daarbuiten.
De bijna totale afwezigheid van antroposofische kritiek op Joseph Beuys weerspiegelt de algemene kritiekloosheid ten aanzien van de Hedendaagse Kunst.
Het aantal kunstkenners dat ik ooit een fundamentele kritiek op de Hedendaagse Kunst heb weten formuleren, kan ik tellen op de vingers van één hand.
Vaste prik is ook dat van die klokkenluiders nadien nooit meer iets vernomen wordt. Ze verdwijnen geruisloos van het toneel.
Iedereen weet wat hem te wachten staat als hij zijn stem durft te verheffen tegen de Hedendaagse Kunst, en dus zwijgt iedereen als vermoord. Nergens is ook maar één spoor van kritiek te horen op de Heilige Hedendaagse Kunst (behalve dan die uiterst zeldzame druppels op de hete plaat). Overal heerst een ijzeren omerta die niemand straffeloos doorbreekt.

Dat is de werkelijkheid achter de Hedendaagse Kunst: een wereldwijde genadeloze dictatuur van een machtige geest waartegen geen kruid gewassen is.
Dat is ook de werkelijkheid achter Joseph Beuys, de antroposofische sjamaan die zoveel antroposofische geesten betovert.
Die (geestelijke) werkelijkheid dringt nu de antroposofische wereld binnen langs alle kieren en spleten.
Ik ken die geest al m’n hele leven, hij is mijn grootste kwelduivel.
Hij vernietigt alles wat mij lief is, hij steekt stokken in al mijn wielen.
Toen ik de antroposofie ontdekte, hoopte ik eindelijk een plek te vinden waar ik veilig voor hem was. Die illusie heeft niet lang geduurd. Ik heb hem in de antroposofische wereld zelfs beter leren kennen dan daarbuiten, juist omdat zijn duisternis zich daar duidelijker aftekent tegen het licht van de antroposofie.
De ontmoeting met Joseph Beuys is dan ook één van de grootste ontgoochelingen in mijn leven. Als een mens ook binnen de antroposofische muren niet veilig kan zijn voor de Grote Verwoester, waar dan wel?

20140112-191925.jpg

Ik heb echter leren begrijpen dat je als antroposoof niet kunt verlangen naar vrede op aarde aan alle mensen van goede wil, als je niet bereid bent de strijd met de draak aan te gaan. En daarvoor hoef je de antroposofische wereld niet te verlaten, o nee.
Dat heb ik de afgelopen kersttijd weer eens mogen ondervinden.
Ik was vast van plan mijn huis niet te verlaten en alle heilige dagen in mijn zetel naast de kerstboom door te brengen.
Maar dat was zonder de waard gerekend.
Toen ‘Antroposofie Vandaag’ in de bus viel, sloeg ik het nietsvermoedend open.
En daar was hij weer, de Herodes van mijn kerstdagen, de onvermijdelijke.
In liefst vier verschillende artikelen kwam ik Joseph Beuys tegen, twee keer expliciet en twee keer impliciet.
Het was meteen afgelopen met mijn kerstvrede.

Ik werd geconfronteerd met de vraag: wat moet ik doen?
Moet ik mijn mond houden, en de lieve vrede bewaren?
Of moet ik mijn mond opendoen, en Herodes wakker maken?
Dat is geen eenvoudige vraag.
In het verleden heb ik altijd gereageerd als ik deze kindermoordenaar zag verschijnen.
Ik kon mijn weerzin niet beteugelen.
Ook al verscheen hij in al zijn glorie tijdens de feestelijke afsluiting van een steinerschooljaar, ik stond op en klaagde hem aan.
Dat werd mij kwalijk genomen door ouders, leerkrachten én kinderen.
Hoe haalde ik het in mijn hoofd om dergelijke dingen te zeggen over mensen die zich het hele jaar hadden ingezet voor de school en de kinderen!
Waar was ik trouwens geweest dat hele jaar?
Men had me niet eens gezien!
Maar nu iedereen welverdiend aan het feestvieren was, verscheen ik om ieders vreugde te vergallen!
Wie was nu eigenlijk de Herodes?

20140112-192035.jpg

Ik droop af als een geslagen hond, met de staart tussen de poten.
Ik moest bekennen: ik had het feest verstoord met mijn geblaf.
Ik had leerkrachten in tranen doen uitbarsten.
Ik had ouders vol afkeer naar me zien kijken.
Ik had zelfs de verontwaardiging van de leerlingen gewekt.
Nee, ik had er absoluut geen goed gevoel bij.
Ik voelde me smerig, en ik had diepe spijt van wat ik gezegd had.
Maar van één ding had ik geen spijt: dát ik gesproken had.
Trots was ik er niet op, want ik had een figuur geslagen.
Maar ik had het tenminste geprobeerd.
Ik had geprotesteerd.
En toen ik nadien de kinderen van de klas – letterlijk en figuurlijk – in hun ondergoed zag staan, wist ik dat ik me niet vergist had.
Voor hen was ik opgekomen, al beseften ze dat zelf niet.
Ze beseften niet dat ze misbruikt werden.
Ook de ‘misbruikers’ beseften dat niet.
Ze waren ervan overtuigd in de geest van de Hedendaagse Kunst te handelen.
En wat kon daar verkeerd mee zijn?

Ik heb al die mensen gebruskeerd, al vermoed ik dat het nauwelijks tot hen doordrong.
Ze vonden het al te vergezocht wat ik zei, en de manier waaróp ik het zei bevestigde dat alleen maar.
Toen ik jaren later vernam dat diezelfde geest van de Hedendaagse Kunst ook in Dornach feestelijk ontvangen was, herhaalde de geschiedenis zich.
Ik protesteerde opnieuw, ik wekte opnieuw verontwaardiging en ik droop opnieuw af.
Als ik herlees wat ik toen geschreven heb, schaam ik me diep.
Maar ik schaam me over de vorm, niet over de inhoud.
Ik heb geen spijt dát ik geprotesteerd heb.
Iemand moest het doen, ook al was die iemand niet opgewassen tegen de geest waartegen hij protesteerde.

20140112-192154.jpg

En nu gebeurt het dus opnieuw.
There is a system in this madness.
Opnieuw zie ik – tijdens de kersttijd dan nog – een geest verschijnen die een diepe weerzin in me oproept, die mij letterlijk ziek maakt.
Ik zou me veel beter voelen als ik hem negeerde.
Het zou voor iedereen veel aangenamer zijn als ik mijn mond hield.
Maar er zou iets blijven knagen.
Mijn geweten zou geen rust hebben.
Zeker, ik zou het het zwijgen kunnen opleggen.
Dat zou mij, en ook anderen, vele voordelen opleveren, voordelen waar ik heel erg naar verlang.
Maar ik wil het niet, ik kan het niet.
Al m’n hele leven weiger ik dat zwakke, beverige stemmetje van mijn geweten de mond te snoeren als ik weer eens tegenover de Herodiaanse geest van de Hedendaagse Kunst kom te staan.
Ik zoek die afschuwelijke geest niet op, integendeel, ik probeer hem juist zoveel mogelijk te vermijden.
Maar ieder jaar komt hij mijn kersttijd verpesten, en ik wil nu toch eindelijk eens weten waarom.
Daarom schrijf ik dit ‘Driekoningen-essay’: in een (zoveelste) poging om de geest te begrijpen die mij al m’n hele leven kwelt, de geest die mij voor een verbijsterend raadsel stelt, de geest die mij niet los wil laten, de geest van de Hedendaagse Kunst.

Ik ken de risico’s die daarmee verbonden zijn.
Waarschijnlijk zal ik weer mensen voor het hoofd stoten.
Waarschijnlijk zullen mensen weer denken: o nee, niet opnieuw!
Waarschijnlijk zal ik een pak lezers verliezen.
Maar ik doe het toch.
Ik wil verlost raken van die pesterige Hedendaagse Geest.
En dat lukt nooit door hem te negeren.
Dus moet ik hem onder ogen zien.
En mijn diepe, diepe walg beteugelen.
Want hij is mijn dubbelganger.
Hij is mijn hoogstpersoonlijke kwelgeest, de nagel aan mijn doodskist.
Ik haat hem uit de grond van mijn hart.
Hij belichaamt alles wat ik verafschuw.
Hij is het kruis dat ik moet dragen, en waaraan ik weer eens gespijkerd zal worden.
Maar als ik dat niet accepteer, dan wordt dat kruis op iemand anders’ schouders gelegd, dan wordt iemand anders aan het kruis genageld, een onschuldig kind.
En dat kan ik niet hebben.

20140112-192847.jpg

Daarom trek ik weer eens ten strijde tegen de geest van de Hedendaagse Kunst, tegen die monsterachtige draak die zich voedt met onschuldige kinderen.
Ik zal die strijd weer smadelijk verliezen, maar het is al verliezend dat men wint van de draak.
Ik voel me bovendien gesterkt door de droom die ik had tijdens een van de heilige nachten, de droom waarin ik aan tafel zat en driekoningentaart at met een gangsterbende. Het was mijn buurman die op de boon beet en ze vloekend voor mij op tafel gooide, de boon die van goud bleek te zijn.

Ik hoor in antroposofische kringen al jaren spreken over de twaalf heilige nachten en over de heel bijzondere mogelijkheid die er dan bestaat om contact te maken met de geestelijke wereld.
Dat laatste lukte me nooit.
Mijn kerstnachten waren allesbehalve heilig, en dromen deed ik nooit.
Tot dit jaar.
Toen was er die slapstick-droom over die gangsterbende.
Niet bijster spiritueel, als je ’t mij vraagt.
Maar hé, ik ben een beginneling, het was mijn allereerste kerstdroom!
We zullen nu eens zien wat er waar is van al die mooie verhalen over de heilige nachten van de kersttijd.
We zullen eens zien of ik in staat ben mijn dubbelganger wat goud te ontfutselen.
Want the proof of the pudding is in the eating, isn’t it?

20140112-192350.jpg

De 12 heilige nachten

De twee weken tussen kerstmis (25 december) en driekoningen (6 januari) werden van oudsher als heilig beschouwd.
De oude Germanen legden het leven dan helemaal stil. Je mocht niks meer doen, zelfs niet vechten.
Het was een tijd van bezinning en inkeer.
Aan de ’12 heilige nachten’ werden ook voorspellende kwaliteiten toegeschreven: men zou iedere nacht een droom krijgen die betrekking had op de corresponderende maand van het komende jaar.

De heiligheid van deze dagen en nachten dateert uit een tijd dat de mensen nog dicht bij de natuur leefden.
De natuur is dezer dagen inderdaad heel stil en verlaten. Ze heeft zich als het ware helemaal in zichzelf teruggetrokken en nodigt de mens uit hetzelfde te doen.
Maar de moderne, van de natuur vervreemde mens gaat niet in op die uitnodiging, tenzij in letterlijke, materialistische zin: hij blijft binnen en viert feest.
Maar van inkeer en bezinning is weinig te merken.
Het is misschien wel de drukste en meest ‘uiterlijke’ periode van het jaar.
Kadootjes kopen, eten kopen, drinken kopen, eten klaarmaken, feesten voorbereiden, kinderen die de hele dag voor tv zitten, muziek boven, muziek beneden, en dan moet er natuurlijk ook nog met vakantie worden gegaan, naar de bergen en de sneeuw, of voor wie het koud heeft naar het zuiden, en intussen slikken we pillen tegen de verkoudheden, tegen de stress, tegen de depressies.
Nee, heilig zijn deze dagen al lang niet meer.

Men is het er tegenwoordig min of meer over eens dat het misdadig is om kinderen in contact te brengen met religie.
Wel, ik begin het hoe langer hoe meer misdadig te vinden om kinderen niet met religie in contact te brengen, en met name om hen de beelden van de kersttijd te onthouden.
Die beelden zijn zo kernachtig dat ze het hele jaar als in een notedop samenvatten, en bovendien zijn ze op maat van het kind gesneden.

20140102-175836.jpg

De manier waarop we vandaag kerstmis en nieuwjaar vieren, maakt duidelijk hoezeer we vervreemd zijn van het kind-in-ons.
Ik kan me soms zelfs niet van de indruk ontdoen dat we in deze tijd van het jaar zo’n vreselijke drukte maken juist om het kind-in-ons niet te moeten horen.
We verstikken dat innerlijke kind door ons materialisme, zodat we onze kinderen bedelven onder kadootjes.
Anna is het enige kleinkind in onze familie en dus was drie vierde van alle kadootjes voor haar.
De hele dag had ze begerig op de loer gelegen naar die kadootjes-onder-de-kerstboom, en toen het grote moment daar was, stortte ze zich als een leeuw op haar prooi en scheurde het ene na het andere kadootje open, nauwelijks de tijd nemend om te kijken wat erin zat.
Het openmaken was haar grootste plezier.
De inhoud daarentegen leek haar onverschillig te laten.
Het belangrijkste was dat hij van haar was en van niemand anders.

Mij vergaat het eigenlijk net zo met de kersttijd.
Ik kijk er ieder jaar weer naar uit als naar een kadootje.
Maar als ik het dan heb opengemaakt, blijkt er niks in te zitten en wil ik het zo vlug mogelijk weer vergeten.
Ons moderne kerstfeest is een mooi verpakte lege doos.
Iedereen doet of hij de tijd van zijn leven beleeft, maar ik kan alleen maar denken: heer, laat deze kelk vlug aan mij voorbijgaan!
Maar als ze dan voorbij is, voel ik me niet opgelucht.
Ik voel alleen dat ik een kans gemist heb.

20140102-175932.jpg

De antroposofie pepert me dat nog eens in als ze vertelt over de 12 heilige nachten, over die heel speciale tijd van het jaar waarin de mens de kans krijgt om een brug te slaan naar de geestelijke wereld en een blik te werpen op de binnenkant-der-dingen.
Dat doet ze trouwens wel meer: ze spiegelt een mens allerlei mooie maar onbereikbare dingen voor en ‘vergeet’ erbij te zeggen dat het godallemachtig moeilijk is om erbij te komen.
Ook dat is eigenlijk een teken van hoever we van het kind-in-ons zijn komen af te staan.
Want bij een kind moet je altijd rekening houden met zijn onmacht.

Met name als het over kerstmis ging, heb ik mezelf altijd heel erg onmachtig gevoeld.
Als ik weer eens uitgeput in bed kroop met een overladen maag en een tollend hoofd, dacht ik: ja, dit wordt weer een heilige nacht!
Verpletterd onder het materialisme, dat was ik, ieder jaar weer.
Maar dit jaar heb ik een vuist kunnen maken.
Twee vuisten eigenlijk.
Om te beginnen heb ik mezelf half december op dieet gezet.
Ik woog bijna 100 kilo en die kaap wilde ik liever niet ronden.
De voorbije heilige nachten heb ik dus voor het eerst sinds lang niet half groggy doorgebracht.
Ik werd wel telkens wakker van de knagende honger, maar je kunt niet alles hebben.
En dan is er natuurlijk ook mijn blog: dat is mijn dagelijkse meditatie-instrument.
Daarmee kan ik vorm geven aan de indrukken en gevoelens die anders toch maar gewoon wegwaaien.

Met die twee ‘vuisten’ heb ik dit jaar een beetje ruimte gecreëerd onder die verstikkende deken van de materialistische eindejaarstijd.
En zie, ik heb vannacht gedroomd!
Het was nog een behoorlijk materialistische droom, maar hey, alle begin is moeilijk!
Ik was ook niet de hoofdpersoon, ik keek alleen maar toe.
Ik zag hoe een maffia-bende binnenbrak in een niet nader gedefinieerd gebouw.
Een olijke maar vastberaden figuur (de conciërge?) waarin ik David Jason meende te herkennen (wijlen inspecteur Frost) spoedde zich naar de kluis, haalde al het geld eruit en stak het in een grote kartonnen doos.
Verborgen achter die doos (Frost was niet groot van stuk) repte hij zich weg.
Excuseer, zei hij tegen een maffia-lid, dat hem beleefd liet passeren maar meteen besefte dat hij de buit had laten ontsnappen en zichzelf door het hoofd schoot, waarna hij rustig een sigaret opstak.
Intussen had de man-met-de-doos zich verschanst in een kamer en was daar bezig het geld door het raam op straat te gooien, als een soort kerstman.
Tot zover het eerste couplet.

20140102-180121.jpg

In het volgende tafereel zit ik met de maffia-bende aan tafel driekoningentaart te eten.
Opeens vloekt mijn gebuur: hij heeft op de boon gebeten.
Hij haalt ze uit zijn mond en gooit ze voor mij op tafel, als om te zeggen: ik hoef die rommel niet!
Ik keek er verbaasd naar want de ‘boon’ blijkt een gouden tand te zijn, of althans iets wat op een tand lijkt: een klompje goud.

En toen was de droom afgelopen.

Kort daarop – ik lig nog altijd in bed – komt een gedachte in me op.
Kerstmis, dat is de geboorte van Christus op aarde: het verleden dat ons gegeven is.
Driekoningen daarentegen is de geboorte van Christus in de mens: dat ligt nog in de toekomst.
En daartussenin ligt nieuwjaar, en dat is de ‘geboorte’ van de oudere Jezus in de jongere, de stap van verleden naar toekomst, de stap over de drempel.
Kerstmis is het kind dat in ons (wilsleven) slaapt, als een zaadje.
Driekoningen is het kind dat in ons (wakker bewustzijn) ontwaakt, als een plantje.
En nieuwjaar is de verbinding tussen beide, het midden, de overgang.
Aan kerstmis hebben we niets bijgedragen: dat is een geschenk uit de hemel.
Aan driekoningen dragen we in zekere zin ook niets meer bij omdat we dan de plaats geruimd hebben voor de Christus-in-ons.
Maar nieuwjaar is het vrijheidsmoment, want dan beslissen wij of we de stap van kerstmis naar driekoningen zetten.
En dat doen we door gelijkheid en broederlijkheid te creëren tussen oude en jonge zielen.

20140102-180325.jpg

Kerstmis is het feest van het oude christendom dat nu ten einde loopt.
Driekoningen is het feest van het nieuwe christendom, dat geen religie meer zal zijn maar werkelijkheid, de werkelijkheid van een nieuwe wereld die door Christus geleid wordt.
Nieuwjaar is het feest van de overgang, van het keerpunt.
En dat moeten wij bewerkstelligen.
Of beter: wij moeten kiezen tussen twee mogelijkheden.
Kiezen we voor een toekomst onder leiding van Christus, of kiezen we voor een toekomst onder leiding van de Antichrist?

Met kerstmis kunnen we nog dromen.
Met driekoningen moeten we in actie schieten.
Maar daartussen ligt nieuwjaar en dan moeten we kiezen.
Om te kunnen kiezen moeten we kunnen onderscheiden.
Want als we slechts één mogelijkheid zien, is er geen keuze.
Onderscheiden doen we altijd in het midden, van waaruit we beide tegenpolen kunnen waarnemen.
Daarom is nieuwjaar het keuzemoment, het moment van de vrije beslissing.
We kijken achterom en we kijken vooruit.
We zien aan de ene kant de Lucas-geboorte (kerstmis) en aan de andere kant de Mattheus-geboorte (driekoningen).
En hier valt de beslissing, hier maken we onze voornemens.
Zien we die dubbele geboorte onder ogen?
Zien we de dubbelheid van de mensheid onder ogen?
Houden we de polariteit van oude en jonge zielen in ons bewustzijn?
Houden we die spanning uit?
Of sluiten we onze ogen?
En zoeken we ontspanning en vergetelheid?
En beginnen we weer te dromen over vrede aan alle mensen van goede wil?
En vergeten we Herodes en zijn soldaten?

Anders gezegd: gaan we vooruit of keren we terug?

20140102-181025.jpg

De periode tussen kerstmis en driekoningen werd vroeger beschouwd als de tocht die de drie koningen ondernamen naar Bethlehem, de tocht van de duisternis naar het licht, van het verleden naar de toekomst.
Halverwege die tocht ligt het heden van nieuwjaar.
Dan moeten wij beslissen: gaan we verder of keren we terug?
Het is een beproevingsmoment.

Kerstmis is een traditie die we in stand houden zonder erbij na te denken.
Driekoningen is een feest dat we helemaal niet vieren (tenzij tussen de solden).
Kerstmis is het exoterische luik van het eindejaarsfeest, driekoningen het esoterische.
En daartussen staan wij nu.
Het is Nieuwjaar, we kunnen doen wat we willen.
Maar onze keuze is beslissend voor zowel kerstmis als driekoningen.
Zonder die keuze blijven we zitten in het bewustzijnsverdovende, materialistische karakter van de hele eindejaarstijd.
Ofwel wordt deze tijd van het jaar verder ontheiligd en ontaardt hij in een orgie van zinnelijke genoegens, koopwoede en wedijver.
Ofwel vinden we de weg naar een langzame reiniging van deze Augiasstal, en krijgen we weer voeling met het drieledige mysterie van kerstmis, nieuwjaar en driekoningen.

20140102-181525.jpg

Wij moeten beslissen of we de stap zetten van een dualistisch en materialistisch eindejaar naar een nieuw driegeleed feest waarin ook de geestelijke dimensie zijn plaats krijgt, dan wel of we die stap niet zetten en verder wegzakken in de duisternis van de materie.
Daarom noemt Rudolf Steiner onze tijd het grootste keerpunt dat er ooit is geweest en dat er ooit zal zijn.
Nu valt de beslissing, nu moeten we kiezen.
En dat betekent in de eerste plaats dat we moeten onderscheiden.
Want als er geen onderscheid is, is er ook geen vrijheid.
En als er geen vrijheid is, kunnen we nooit voor Christus kiezen.
Dan wordt er in onze plaats gekozen, en dat is iets wat Christus nooit zal doen.
Zijn grote tegenpool aarzelt echter niet: hoe minder en blinder we kiezen, des te meer neemt hij bezit van onze ziel en ons lichaam.
Onderscheid maken tussen Christus en de Antichrist is uitermate moeilijk, want we zien geen van beide. De eerste is veel te bescheiden om zich te tonen en de tweede heeft er alle belang bij om onzichtbaar te blijven en ons in de waan te laten dat hij niet bestaat.
Maar een onderscheid dat we wél kunnen maken, is dat tussen oude en jonge zielen.
In de omgang met onze medemensen kunnen we een onderscheid leren maken dat ons stap voor stap van buiten naar binnen leidt.
Het is geen gemakkelijke weg en hij wekt dan ook grote weerstanden op. Maar juist deze weg – die ook van theorie naar praktijk voert – maakt ons gaandeweg duidelijk dat de keuze niet gaat tussen 2 mensen of tussen 2 groepen van mensen, maar tussen 2 geesten, grote alomtegenwoordige geesten waartussen geen compromis mogelijk is, en die allebei zeggen: wie niet voor mij is, is tegen mij!

Nieuwjaar is mijns inziens verbonden met de antroposofie en met het thema van de twee Jezuskinderen en dat van de oude en de jonge zielen.
De weg naar Christus vinden we niet in ons eentje, we vinden hem alleen door samenwerking tussen twee mensen, een vrije en liefdevolle samenwerking die uit inzicht geboren wordt.

Nu ik eraan denk, de man uit mijn droom was niet alleen.
Ze waren met twee om de inhoud van de kluis te redden uit de handen van de gangsters.
Maar die tweede figuur werd niet duidelijk.
Hij bleef schimmig.

Er is dus nog heel wat werk aan de winkel om klaarheid te scheppen in de duisternis van deze tijd.
Maar zie!
Precies op het moment dat ik dit schrijf, komt buurman Karel binnen.
Ik zeg: wie komt daar vanuit het duister mijn woning binnen?
Hij antwoordt: ik ben het, uw buurman, en ik kom u de sleutels van het hemelrijk brengen!
Het zijn natuurlijk gewoon zijn huissleutels die ik morgen aan z’n schoonmaakster moet overhandigen.
Ik neem ze aan en kijk naar de gele BOB-sleutelhanger.
Ja, zeg ik, dát hemelrijk ken ik!

Er moet nog flink gekuist worden voor we echt plezier kunnen beleven aan het hemelrijk…

20140102-181709.jpg

Oud en nieuw

Zo. Het is achter de rug!
De drempel van het nieuwe jaar is overschreden.
Moge de rust weerkeren, na het geknal, geknetter en gevuurwerk van vannacht.
De dag begon alvast met dezelfde blakende zon van kerstochtend, maar gedempter.
Algauw werd ze in nevelen gehuld, om later op de dag weer tevoorschijn te komen.
Maar wat een zuiver licht goot ze over de blote aarde!
Hoe fris en helder was het buiten!
Het was een belevenis om ’s morgens een wandeling te maken, terwijl de mensheid nog z’n roes lag uit te slapen.
In een enkel huis zaten kinderen al naar televisie te kijken, maar verder was er geen leven te bespeuren.

20140101-191914.jpg

De zon was als een kind dat pas komt kijken in een wereld die nog kil en kaal en levenloos is.
Het straalt omdat het niet anders kan – het kinderwezen is nu eenmaal zonnig – maar algauw verdwijnt het weer in nevels van droom en slaap.
Het is een heel bijzonder licht dat deze nieuwe zon over de aarde werpt.
Vrolijk kun je het niet noemen, daarvoor zit er te weinig beweging in.
Het is een heel rustig licht, dat heel dicht bij zichzelf blijft, maar de wereld toch laat meegenieten van zijn kinderlijke zuiverheid en onschuld.
Je kunt niet zeggen dat de wereld er als nieuw uitziet, want hij oogt juist heel oud, met zijn stramme bomen en roestige kleuren. Maar het licht dat op die oude wereld valt, is gloednieuw, alsof het net uit zijn verpakking is gehaald.
Een kadootje aan de wereld!

Louter fysiek gezien, is er waarschijnlijk nauwelijks verschil tussen deze nieuwjaarszon en de zon van een paar weken geleden.
Ze staat nog niet vroeger op, ze klimt nog niet hoger aan de hemel en ze slaagt er evenmin in om de aarde te verwarmen.
Maar wanneer ik die twee zonnen, of beter misschien: het licht dat ze op de wereld werpen, met elkaar vergelijk, dan kan ik alleen maar zeggen dat het twee heel verschillende zonnen zijn: een oude zon en een nieuwe zon.
Zo dicht bij elkaar en toch zo verschillend.
De oude zon is ondergegaan en de nieuwe zon is opgekomen.
Als ik aan die oude zon terugdenk, dan is het alsof ze dicht bij de aarde was gekomen en haar licht er overheen scheerde.
Maar het licht van de nieuwe zon scheert niet over de aarde.
Het vleit er zich als het ware op neer, zoals een kind zich vol aanhankelijkheid tegen je aan kan komen vleien.
Het is een teer licht, dit nieuwjaarslicht, maar het weet wat het wil.
Net als een kind, is het veel krachtiger dan je zou denken.

20140101-200345.jpg

Zoals ik al zei, vrolijk en opgewekt kun je het niet noemen, hoewel het die kwaliteiten wel in zich draagt. Maar ze worden nog in toom gehouden door de kinderlijke ernst. En kinderen kunnen heel ernstig zijn.
Als ik soms gekheid uithaal met Anna, zijn er momenten dat ze opeens tegen me zegt: zachtjes, zachtjes! Dan is het alsof de rollen worden omgedraaid en zij een wijze, bedaagde volwassene is en ik een onstuimig kind.
Nee, een kind kan verrassend ernstig zijn.

Ik herinner me nog een klein voorval, een Anneke Dote zeggen we hier sinds vanmorgen.
Ik was een winterse wandeling aan het maken.
Je moest werkelijk goed ingepakt zijn want de vrieskou beet in alles wat niet bedekt was.
Op een gegeven moment kwam ik een grootmoeder tegen die haar kleinkind in een buggy voor zich uitduwde. Het was een klein ukje van een jaar of twee schat ik, en het was zodanig ingepakt dat het wel een klein mummietje leek. Het kon geen vin verroeren.
Ik moest onwillekeurig lachen, want het was een vermakelijk tafereel.
En terwijl ik lachend naar dat kind keek, verscheen op zijn gezichtje een glimlach waaruit een bewustzijn sprak dat véél groter was dan dat kind.
Zijn ogen zeiden: ja, ik weet het, het is inderdaad om te lachen zoals ik er hier bij lig, maar ja – wat doe je eraan!
In die ene blik vol verstandhouding lag zoveel begrip dat ik opeens besefte dat het lichaam van een kind wel klein is, maar dat er een oude, wijze geest kan in schuilen.
En die geest komt tevoorschijn als in de volwassen mens het kind tevoorschijn komt.
Die twee herkennen en begrijpen elkaar: de oude man in het kind, en het kind in de oude man.
Ik heb zelden zo’n zuiver moment van wederzijds begrip meegemaakt als toen tussen mij en dat ingepakte kind.

20140101-201027.jpg

Ik moet onwillekeurig denken aan de relatie tussen beide Jezuskinderen.
Wat er tussen die twee gebeurde, was waarschijnlijk iets gelijkaardigs: de oudste – de ondergaande zon van de oude wereld – werd weer kind en daardoor werd in de jongste – de rijzende zon van de nieuwe wereld – de wijze man wakker.
Alleen gebeurde het niet bij wijze van spreken, zoals tussen mij en dat mummie-kindje, het gebeurde letterlijk: het Ik van de oudere Jezus ging over in de jongere Jezus en ontwaakte daar in een nieuwe vorm.
Kort daarop stierf de oudere Jezus, maar de quintessens van zijn wijsheid, de wijsheid van het verleden, leefde voort in de jongere Jezus.

Datzelfde gebeuren meen ik waar te nemen tussen kerstmis en nieuwjaar.
Met kerstmis wordt het nieuwe kind geboren.
Een week later sterft het oude jaar, maar de dag daarop verrijst het in een geheel nieuwe gedaante als de nieuwjaarszon. Die nieuwjaarszon is dezelfde als de kerstzon, maar gedempter en meer op maat van de mensenwereld dan die oogverblindende zon van kerstochtend.
In het licht dat ik vandaag op de wereld zag schijnen, lag zowel de kracht en helderheid van de jeugd als het begrip en de mildheid van ouderdom.

Je kunt het nieuwe maar karakteriseren wanneer je het in het licht van het oude plaatst, net zoals je het oude pas echt naar waarde kunt schatten als het er niet meer is.
In de 12 heilige nachten tussen kerstmis en driekoningen ontmoeten oud en nieuw elkaar en maken ze elkaar als het ware zichtbaar.
Hun relatie is heel complex en paradoxaal.
In december, de laatste maand van het oude jaar, is alles gericht op het nieuwe, op de toekomst. Dat herken je ook in de Boogschutter, die zijn pijlen op verre doelen schiet.
Januari echter, de eerste maand van het nieuwe jaar, valt onder de Steenbok, het meest behoudende en op het verleden gerichte teken van de hele zodiak.
Beide tekens staan voor wijsheid en inzicht: het zijn ‘filosofische’ tekens.
In Boogschutter is die wijsheid nog levend, groots en kosmisch.
In Steenbok is ze veel aardser, doodser en concreter geworden.
Ze is als het ware gestorven en tot starre materie geworden.
Maar ze is tevens geïncarneerd in het kind, dat geboren is in een grot.
En die grot is Saturnus, de sombere, de donkere, de harde.
Het is de zwarte, kale, troosteloze aarde in januari.

20140101-201303.jpg

Het geheim van de aardse Steenbok, is het kind dat diep verborgen in zijn schoot leeft, als een baby die in zijn wieg ligt te slapen.
Af en toe opent het de ogen, en dan wordt de dodelijke grauwheid van januari doorbroken met dagen of momenten dat het wel lente lijkt.
Maar dan sluimert het kind weer in en blijft de aarde schijnbaar doods achter.
Zowel Boogschutter als Steenbok zijn sterke tekens, die hun kracht ontlenen aan het kind dat geboren wordt op de grens tussen beide.
Boogschutter zoekt het kind, gaat op reis naar het kind, is als in een rechte lijn gericht op het kind. Daarom kan dit teken model staan voor de oude zielen, de Christuszoekers.
Steenbok daarentegen zoekt het kind niet, hij draagt het in zich en laat zijn leven erdoor bepalen, als een ouder die zich bewust is van zijn plicht en verantwoordelijkheid. Daarom kan dit teken model staan voor de jonge zielen, de Michaëldienaars.
De eersten leven in verwachting van het kind, met hun ogen gericht op de hemel, waar het vandaan komt.
De laatsten leven in verantwoordelijkheid voor het kind, met hun ogen op de aarde gericht, waar het nu leeft.

In de week voor en na kerstmis gaat het om hun beider relatie tot Christus.
Ze staan als het ware voor en achter het kind.
De oude zielen laten zich leiden door het licht van het kind en hopen het zo te vinden.
De jonge zielen laten zich voortstuwen door de kracht van het kind, maar ze zien het niet.
In de week voor en na nieuwjaar daarentegen gaat het om de relatie tussen hen beiden.
In de laatste week van het oude jaar brengt het kind hen samen.
En met nieuwjaar culmineert dat in hun eenwording.

20140101-201438.jpg

Voor zover ik het zie en aflees aan de natuur in deze tijd van het jaar, vieren we met Nieuwjaar eigenlijk het mysterieuze gebeuren in de tempel, als de oudere en jongere Jezus één worden.
Vanaf dat moment wordt alles anders.
De ouders van de solomonische Jezus verliezen hun kind.
De ouders van de nathanische Jezus herkennen hun kind niet meer.
En de joden verliezen het spoor van de Messias.
Ze zoeken hem namelijk in de solomonische Jezus, maar die kwijnt weg en sterft.
En de stap van koning naar herder kunnen ze niet zetten.
Daarmee spiegelen zij de moderne mens, die vandaag voor precies hetzelfde probleem staat: hij kan – om een zichtbaar aspect van dit ‘drempelprobleem’ te noemen – de stap van monarchie naar democratie niet zetten.

Tweeduizend jaar geleden vond het Kosmische Kerstmis plaats: Christus werd op aarde geboren.
Vandaag vindt het Kosmische Nieuwjaar plaats: de oude en de jonge zielen moeten één worden.
De hele wereld is vandaag een ‘tempel’ geworden, waar de drempeloverschrijding van de mensheid plaatsvindt.

Het grote verschil tussen deze twee keerpunten is dat het eerste door Christus tot stand werd gebracht, maar dat het tweede door de mens moet worden bewerkstelligd.
Dat kunnen we aflezen aan de manier waarop we kerstmis en nieuwjaar vieren.
Kerstmis is een religieus feest dat in familieverband wordt gevierd en dat, ondanks alles, nog een traditioneel karakter heeft.
Nieuwjaar daarentegen is een zeer werelds feest dat voornamelijk onder vrienden wordt gevierd en dat volkomen vrij wordt ingevuld.
Al dat vuurwerk dat tegenwoordig wordt afgestoken, is een zeer recent verschijnsel.
Het is een beeld van het enthousiasme dat jonge zielen eigen is.
Het is ook een gebeuren dat buiten plaatsvindt en niet zonder risico is.
Kerstmis daarentegen is een uitgesproken ‘binnenfeest’, letterlijk en figuurlijk.
Het wordt veel rustiger en ingetogener gevierd.
Natuurlijk zijn beide feesten ten prooi gevallen aan het materialisme, maar zowel in het in ere houden van de kersttraditie als in het vuurwerk met nieuwjaar zien we oude én jonge zielen uitdrukking geven aan hun (onbewuste) streven naar iets ‘hogers’.

20140101-201614.jpg

Het moderne kerstmis staat in het teken van de traditie, het verleden en de oude verbanden.
Het moderne nieuwjaar staat in het teken van de vrijheid, de toekomst en de broederlijkheid.
En allebei zijn ze nodig om het kind-in-de-mens wakker te maken en op te voeden.
Christus zegt op 25 december: zie, ik maak alles nieuw!
Op 1 januari zegt hij: als jullie dat tenminste willen.

En zo begint een nieuw jaar voor alle mensen van goede wil.

20140101-202041.jpg

Kerstmis als kunstwerk zien

Het is geen witte kerst geworden dit jaar.
Jammer, want kerstmis zonder sneeuw, dat is maar half werk.
Sneeuw staat voor zuiverheid, schoonheid, geborgenheid, betovering, stilte.
Sneeuw is een deken waarmee de aarde als een kind wordt toegedekt.
Sneeuw is als kerstmuziek, maar dan in beeld.
Beide, beeld en klank, brengen een boodschap van vrede.
Stilte die tot muziek wordt, muziek die tot beeld wordt, beeld dat tot werkelijkheid wordt.
Kerstmis is een sfeer die ontstaat wanneer geest, natuur en cultuur samenvallen.
Wanneer buiten de wereld wit ligt en de klokken luiden.
Wanneer binnen de lichtjes in de kerstboom branden.
En het kindje zijn schaapjes telt.

20131230-125221.jpg

Nee, zo’n kerstmis is het dit jaar niet geworden.
De wind rukte aan alles wat los en vast zat, hij gierde door gaten en kieren.
Slapen lukte nauwelijks, dromen nog minder.
Overal was onrust, vrede bleef een vrome wens.
Maar ook dat hoort bij kerstmis: geen geboorte zonder weeën.
Ook tijdens die stormachtige dagen vielen natuur en cultuur samen.
Was deze kerststorm immers geen treffend beeld van hoe het er bij ons ‘van binnen’ uitziet?
Raast in deze tijd van het jaar de stress niet als een storm door ons lijf?
Is de koopwoede niet als een hevige wind die al onze verlangens, begeerten, angsten en dromen hoog doet opwaaien?
Zo buiten, zo binnen.
Zo natuur, zo cultuur.

20131230-125304.jpg

Iedere geboorte kent deze twee aspecten: hemelse vrede en aardse pijn.
Ook kerstmis heeft twee gezichten: de stilte van de sneeuw en het woeden van de storm.
Het is niet moeilijk om hierin de gezichten van beide Jezuskinderen te herkennen.
Enerzijds de hemelse liefde van het jongere kind, een onschuldige ziel die voor het eerst op aarde is.
Anderzijds de aardse wijsheid van het oudere kind, de vrucht van veel lijden.
Beide maken deel uit van het oerbeeld van kerstmis, een oerbeeld dat van alle tijden is maar 2000 jaar geleden, in het ‘midden’ van de tijd, tot levende werkelijkheid werd.
Dat kerst-oerbeeld is ook vandaag nog onverminderd van kracht, want oerbeelden trekken er zich niks van aan of ze door mensen gezien en begrepen worden. Het zijn eeuwige ideeën die leven in de wereld van de geest.

De concrete vorm die deze oerbeelden op aarde aannemen, is natuurlijk wel afhankelijk van de waarneming en het begrip van de mens.
2000 jaar geleden werd die mens in hoge mate geïnspireerd door de goden.
De fysieke vorm die hij aan het oerbeeld van kerstmis gaf, was een onvergelijkelijk kunstwerk, een levend kunstwerk, een kunstwerk dat tegelijk werkelijkheid was.
Anno 2013 laat de mens zich echter niet meer leiden door de goden, en in geestelijke inspiratie gelooft hij niet meer.
Laten we eens kijken wat hij tegenwoordig van kerstmis maakt.

De betoverende kinderlijke onschuld waarover het Lucas-evangelie vertelt, heeft hij herleid tot … plastic: plastic kerstbomen, plastic lichtjes, plastic kerstbollen, een plastic kindje Jezus. Een synthetisch kerstmis dus, bestaande uit louter glitter en schijn.

20131230-125412.jpg

Deze uiterlijke beelden zijn een weerspiegeling van wat kerstmis in onszelf is geworden: een paar sentimentele herinneringen uit onze kindertijd. We houden eraan vast omdat het jaareinde anders alle decorum verliest en herleid wordt tot louter eten en drinken.
Dat is wat overblijft van de hemelse vrede van kerstmis: plastic en sentiment.
En af en toe wat sneeuw.

Het hedendaagse kerstfeest weerspiegelt ons onvermogen om gestalte te geven aan levende ideeën, aan oerbeelden.
We voelen dat we in deze donkerste tijd van het jaar iets moeten doen. Maar we tasten in het duister, we hebben geen contact meer met de wereld van de oerbeelden.
En dus voeren we ieder jaar onze ‘kerstperformance’ op, waar we veel geld tegenaan gooien om onszelf wijs te maken dat het belangrijk is, maar het raakt ons hart niet.
Onze kerstvreugde is al even vals als de plastic rommel die we gebruiken.
Kerstmis is een bezweringsritueel waarmee we onze onmacht toedekken.
Het hemelse Jezuskind waar we (stiekem) zo naar verlangen, is onbereikbaar geworden.

Heel anders is het met gesteld met het andere Jezuskind.
Het Mattheus-aspect van kerstmis is alive and kicking.
Dit jaar raasde storm ‘Dirk’ over het land en ranselde de kerstbollen uit de bomen.
Niks geen vrede dus, alleen hevige onrust.
Alsof de soldaten van Herodes overal op zoek waren naar pasgeboren kinderen.
Maar niet alleen in de natuur ging Herodes tekeer.
Overal ter wereld zijn mensen met hun kinderen op de vlucht voor soldaten.
En ze vluchten naar het moderne Egypte, naar Europa, waar ze schuilen tussen de resten van een oude, vervallen beschaving.
Maar er wordt ook op modernere manieren jacht gemaakt op kinderen: als abortus meetelt als moord, dan was de Herodiaanse kindermoord klein bier vergeleken bij wat kinderen vandaag te verduren hebben.
En dan heb ik het nog niet over de figuurlijke kindermoord: de manier waarop het kinderlijke in de mens systematisch wordt uitgeroeid en vervangen door angst, agressie, wantrouwen, depressie, wanhoop.

20131230-125724.jpg

Het kerstmis van 2000 jaar geleden heeft zich in de loop der eeuwen zodanig vermenigvuldigd dat Bethlehem vandaag overal ligt.
Maar die wonderbaarlijke ‘vermenigvuldiging’ ging gepaard met een pijnlijke ‘aftrekking’: van de hemelse schoonheid van de Lucas-geboorte blijft enkel wat blinkend plastic over, en van de dramatiek van de Mattheus-geboorte blijft alleen het Herodiaanse aspect over.
Het jongere Jezuskind is als het ware het hart uitgerukt, het oudere Jezuskind is onthoofd.
Zowel de bezieling als het bewustzijn zijn verdwenen.
Overgebleven zijn alleen de dode vormen waarin Lucifer en Ahriman zich genesteld hebben.

Het oerbeeld van kerstmis drukt zich vandaag over de hele wereld uit, maar tegelijk heeft het zijn drieledigheid verloren. Het is herleid tot een louter aards, dualistisch beeld.
Wat eruit verdwenen is, is de Christusgeest.
Hij was het die 2000 jaar geleden beide Jezuskinderen bezielde en ze samenbracht in een onvergelijkelijk kunstwerk dat we tot op vandaag blijven nabootsen.
Maar die nabootsing is een louter automatisme geworden, een uiterlijke gewoonte zonder enige inhoud. Kerstmis is daardoor tot een kwellende leegte geworden, een holle vorm die erom schreeuwt gevuld te worden.

En ook dát hoort bij kerstmis, want wat we op 25 december vieren, is (de verjaardag) van de komst van Christus, en die komst was de vervulling van een kwellende leegte.
Het joodse volk was ‘uitverkoren’ om de komst van Christus voor te bereiden.
Daartoe had het zich, veel vroeger dan de andere volkeren, afgekeerd van de uiterlijke leiding van de mensheid: de sterren en de natuurgeesten. Het had zich naar binnen gekeerd en de leiding in zichzelf gezocht, in de ‘innerlijke stem’ van Jahweh. Die stem werd vertolkt door de profeten, mensen die het ‘luisteren’ naar God tot een kunst hadden verheven. Maar in de eeuwen die vooraf gingen aan de komst van Christus was de innerlijke stem van het joodse volk verstomd. Er traden geen profeten meer op en de joden kwamen in een soort innerlijke leegte terecht, waarin alleen nog een intens Messiasverlangen leefde.
De situatie was dus in hoge mate vergelijkbaar met de situatie vandaag.
Zelfs de politieke toestand is vergelijkbaar.
Zoals de joden kreunden onder het Romeinse juk, zo kreunen vandaag alle volkeren onder het juk van het materialisme, in zijn Westerse-kapitalistische of Oosters-communistische variant. En overal staan moderne Herodessen op, lijdend aan machtswellust en grootheidswaanzin.

20131230-130555.jpg

We beseffen het wellicht niet goed, maar ook vandaag heerst er onder de mensheid een sterk Messiasverlangen. Mensen voelen zich machteloos tegenover de stortvloed van problemen waarmee ze geconfronteerd worden, en dagelijks kunnen we in de kranten de kreet lezen: ‘de overheid moet ingrijpen’ of ‘de wereldleiders moeten iets doen’ of ‘de politici moeten hun verantwoordelijkheid nemen’. Het zijn allemaal variaties op het thema van de sterke man die de wereld moet redden. De idee dat de mens zelf zijn problemen zou kunnen oplossen, komt in de moderne geest niet meer op. Bewust of onbewust is alle hoop gevestigd op een moderne Messias.

Een beetje antroposoof begrijpt welk gevaar de mensheid daardoor bedreigt, want degene die vandaag zijn komst (op grote schaal) voorbereidt, is niet Christus maar Ahriman.
Als er niet meer bewustzijn komt van het verschil tussen beide tegengestelde geesten, zal het wereldwijde Messiasverlangen op de verkeerde geprojecteerd worden. En wat daar de gevolgen van zijn, hebben we in de 20ste eeuw al kunnen zien, toen de joden-van-de-moderne-tijd, de Duitsers, hun Messiasverlangen op de man met het snorretje richtten. Aanvankelijk leek hij inderdaad de redder van het gekwelde Duitsland te zijn, maar uiteindelijk ontpopte hij zich tot de vernietiger van Duitsland en probeerde hij de hele wereld mee te sleuren in zijn val.

Het gevaar dat de mensheid bedreigt, is dus dat de geschiedenis zich herhaalt.
Want 2000 jaar geleden sloegen de joden hun Messias aan het kruis en kozen de kant van de Romeinse keizer. Anders gezegd: zij verwisselden goed met kwaad.
Als we niet weer dezelfde vergissing willen begaan, moeten we Christus leren onderscheiden, want alleen wanneer we erin slagen ons een beeld van de Christusgeest te vormen, kunnen we hem onderscheiden van zijn tegenpool.
Wie denkt dat zulks niet nodig is, omdat hij echt wel het verschil zal kunnen zien tussen Christus en de Antichrist, vergist zich schromelijk.
Niet alleen lieten de meest vooraanstaande en ontwikkelde Duitsers zich destijds misleiden door Hitler, maar ook vandaag laten intellectuelen zich massaal voor de kar van de politieke correctheid spannen, in de stellige overtuiging dat ze het goede doen en het kwaad bestrijden.

20131230-131325.jpg

Nee, de grootste en dringendste opgave van onze tijd is het ontwikkelen van een zintuig voor de Christusgeest. En dat kan geen ander dan een kunstzinnig zintuig zijn, want Christus manifesteert zich in onze tijd ‘op de wolken’, dat wil zeggen in de etherische wereld, de wereld van de levens- en vormkrachten. Het is de wereld waar de beelden worden geschapen: de baarmoeder van onze zintuiglijke werkelijkheid.
Tot die wereld moeten we ons leren verheffen om de Christusgeest te vinden.
En dat betekent heel concreet dat we afstand moeten leren nemen van de materiële, zintuiglijke werkelijkheid. Want het is in dié werkelijkheid dat we Christus moeten zoeken, het is in die werkelijkheid dat hij werkzaam is. En we vinden hem daar wanneer we de wereld als een kunstwerk zien.

We leven in een kunstwerk, maar we zien het niet omdat we er met onze neus op staan.
De aantrekkingskracht van de materie is zo groot geworden dat we als het ware tegen de aarde plakken. Fysiek kunnen we nog wel rechtstaan, al krijgt onze rug het steeds harder te verduren, maar ons bewustzijn ligt plat op de grond en is niet meer in staat zich op te richten. Het ziet niets anders dan dode stof en het ziet die stofdeeltjes heel scherp, maar het is niet in staat er afstand van te nemen en te zien hoe die ze gegroepeerd zijn, hoe ze samen beelden vormen, en hoe die beelden beginnen te bewegen en uiteindelijk zelfs te spreken. Daar is het moderne bewustzijn blind voor geworden.

Als gevolg daarvan beleven we ieder jaar een kersttijd die bijna een exacte kopie is van het kerstmis van 2000 jaar geleden. Het oerbeeld van kerstmis is dus alive and kicking, maar … we zien het niet. We worden zodanig meegesleurd door de zintuiglijke aantrekkingskracht van dit moderne feest, dat we de beelden niet herkennen. Want daarvoor moeten we ons even kunnen terugtrekken uit de drukte en er met een ‘onthechte’ blik naar kijken, zoals we dat ook met een kunstwerk doen.
Als we naar een tentoonstelling gaan, dan trekken we ons terug uit de drukke werkelijkheid en kijken in alles rust naar beelden van … de werkelijkheid die we net de rug hebben toegekeerd.
Zo moeten we ook naar het moderne kerstmis kijken: we moeten ons uit de drukte terugtrekken, maar we mogen er onze ogen niet voor sluiten. Integendeel, van de rust moeten we juist gebruik maken om des te beter te kijken, om al die afzonderlijke bestanddelen van het kerstfeest samen te voegen tot beelden. Het is niet uiterlijk maar innerlijk dat we afstand moeten nemen. Er is helemaal niks tegen kerstbomen en cadeautjes en lekker eten en gezellig samenzijn, wel integendeel, al die zaken maken deel uit van het kerstfeest. Het probleem is dat we er te dicht opgeplakt zitten, we worden erdoor meegesleurd, we worden er zelfs door geterroriseerd.

20131230-131539.jpg

We mogen hier zeker denken aan Steiners uitspraak dat wie niet tegenover de idee kan gaan staan erdoor geknecht wordt. Dat is wat in het moderne kerstfeest gebeurt: we worden geknecht door de kerst-idee, en die kerst-idee is uiteindelijk Christus zelf.
Dat is in één woord de tragiek van onze tijd: we worden geknecht door Christus omdat we niet in staat zijn afstand van hem te nemen en hem te onderscheiden.
We vinden hem niet omdat hij te dichtbij is.
We klampen ons als kinderen aan hem vast – en omdat hij uit louter liefde bestaat, wijst hij niemand af – maar juist daardoor zien we hem niet en kunnen we ook geen bewuste relatie met hem aangaan.
Nochtans is dát juist onze Michaëlsopdracht: tegenover Christus gaan staan en hem in het gelaat kijken.
Hoe moeilijk dat is, kreeg ik op kerstochtend – in een beeld – te zien, want de opkomende ochtendzon blakerde met een zodanige kracht dat ik ervoor terugdeinsde en de armen voor mijn ogen moest slaan. Het is dus geen sinecure om Christus in het gelaat te kijken. Daarvoor moeten we Michaëlskrachten ontwikkelen, en dat doen we door de wereld waarin we leven – en waarin de Christuszon blakert – met een kunstzinnige blik te benaderen.
Wie denkt dat zoiets gemakkelijk is, moet het maar eens proberen.
De eerste die je dan tegenkomt, is Ahriman, want hij houdt onze kunstzinnige blik in een ijzeren greep, en wee degene die zich tegen hem verzet!
Het is pas als je het gebied van de kunst betreedt, dat het gevecht met de draak echt begint.

Daarmee kom ik weer terug bij wat eigenlijk het uitgangspunt van deze kerstbeschouwing was, en dat is de vaststelling dat we enkel de Lucasversie van kerstmis vieren: het kinderlijke feest waarbij we als schaapjes dicht bij elkaar kruipen in een sfeer van vrede op aarde aan alle mensen van goede wil. De Mattheusversie negeren we volkomen, want wrede Herodessen, kindermoorden, vluchten naar het buitenland: daar willen we in deze tijd van het jaar juist niét aan denken.
Maar daardoor zwelgen we in het ene aspect van kerstmis en sluiten we ons af voor het andere aspect. We klemmen het ene Jezuskind in onze armen en sturen het andere de nacht in.
De kunst bestaat erin tegenover beide kinderen te gaan staan en ze allebei in ons hart te sluiten, want dan wekken we de Christusgeest in onszelf en herstellen we het drieledige oerbeeld van kerstmis. En hoe duidelijker we beide Jezuskinderen leren onderscheiden, des te meer worden we ook gegrepen door hun onderlinge liefde.
Het is een paradox: we verenigen ons met Christus door afstand van hem te nemen.
Zo gaat het ook met de kunst: we leren haar niet kennen door erin te kruipen maar door er tegenover te gaan staan.
Eén ding kunnen we van de kunst alvast leren: de weg naar Christus is zeer lang.
Immers, ars longa vita brevis.

20131230-132047.jpg

De kerstboom

20131226-145520.jpg

Toen ik gisteravond laat buiten nog een luchtje ging scheppen, zag ik één van de helderste sterrenhemels die ik in lang gezien heb. Rondom rond alleen maar sterren. En hoe langer je keek, hoe meer je er zag.
Ik zag zelfs twee vallende sterren!
Ze waren heel verschillend.
De ene trok bliksemsnel een lange, rechte streep dwars door de hemel.
De andere zag eruit als goudkleurige komeet die een duik naar beneden nam: een ster-met-een-staart.
En terwijl ik dwars door de kale takken van mijn berkenboom naar al die hemellichtjes stond te kijken, begreep ik opeens de symboliek van de kerstboom.
Ik zag hem namelijk vlak voor mij: een winterse boom met sterren tussen zijn takken.

20131226-150947.jpg

Die winterboom, dat is de kale aarde.
(De driehoekige vorm heeft hoogstwaarschijnlijk ook wel een betekenis.)
De lichtjes die erin hangen, dat zijn de sterren.
De gekleurde bollen, dat zijn de planeten.
De ster bovenaan, dat is de middernachtelijke zon, de Christus die van bovenaf de aardse wereld binnenkomt.
En het kindje Jezus onderaan de boom, bij de wortel, is de geïncarneerde zon, de zon die op aarde, in een mensenkind begint te schijnen en aan de ene kant omringd is door de herders (dat is de komeet-met-staart die ik zag: hij zag er best wel wollig uit) en aan de andere kant door de koningen (dat was die scherpe rechte lijn: oude zielen zijn echt wel rechtlijnig).

20131226-152621.jpg

Het is een wat grove schets, maar hij geeft toch een idee van hoe hemel en aarde vervlochten zitten in dit kerstsymbool bij uitstek, en hoe kerstmis een aangelegenheid is van natuur en cultuur.

Hoe kerstmis eruitziet als de natuur eruit verdwijnt, dat kun je dan weer op de Brusselse Grote Markt zien, een van de mooiste ‘culturele’ plekken ter wereld, maar geen boom te bespeuren.

20131226-153313.jpg