Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: koe

Jonge Vlamingen kijken in de spiegel

20131018-184637.jpg

Dat multiculturele exemplaar op de voorgrond is onze kleindochter Anna.

Quatorze juillet

Om halfzeven opgestaan.
Ik ben een ochtendmens, en deze ochtend belooft een mooie dag.
Koffie maken, een croissant eten en voor het raam in de keuken wat bloggen.
Wat wil een mens nog meer!
Aha, daar komt ook mijn vrouw, rozig en glimlachend als altijd.
Ze gaat vandaag haar moeder gezelschap houden in haar serviceflat in Leuven.
Mijn jongste dochter zal rijden.
Ze moet oefenen voor haar rijexamen.
Als ik die twee maar terugzie!

Tegen elf uur is mijn dagje Brugge verteerd.
Tijd voor een fietstochtje.
Het zal nog niet al te druk zijn langs de Schelde.
Hoop ik.
Maar die hoop wordt al meteen de kop ingeslagen.
Als ik de laatste steile helling richting Schelde oprijd, kom ik midden in een peleton fietsers terecht. Het zijn er wel een stuk of dertig. Allemaal met een helm op hun kop.
Ik ben geen peletonfietser en dus laat ik me afzakken.
Achter me hebben ze dat niet door.
Ze denken wellicht dat ik een van hen ben.
Het duurt in ieder geval een hele tijd voor ze me beginnen voorbij te steken.

Opeens hoor ik een stem naast me:

Are you taking my job as a sweep?
How are you doing?

Okay, mompel ik lichtjes verbouwereerd.
Mijn vertaalprogramma is nog volop aan het draaien.
Pas als de man me is voorbijgereden, begrijp ik de toedracht.
Op zijn t-shirt lees ik de woorden:

My favorite breed: RESCUED

ik moet glimlachen: die Amerikanen toch!
Want er was geen twijfel mogelijk. Die lage, mannelijke stem, die jovialiteit, die humor: een Amerikaan!
De man fungeerde als bezemwagen voor een groep fietsende Amerikanen.
Fietsende Amerikanen langs de Schelde in Destelbergen?
Dat zie je ook niet elke dag.
Ze fietsten heel rustig en op hun gemak.
Dat zie je ook niet elke dag.
Zou de man zich bewust zijn geweest van de bijbelse connotatie van de woorden die hij op zijn rug droeg?
Waarschijnlijk wel. Amerikanen leven nog met de bijbel.
And I absolutely adore de vrijmoedigheid waarmee ze de parabel van de Verloren Zoon vertalen naar het … wielrennen: Gods voorkeur gaat uit naar degenen die door de bezemwagen van de weg worden geraapt. Niet naar de Lance Armstrongs dezer wereld.

En uiteraard gaat God er als vanzelfsprekend van uit dat iedereen in de wereld Amerikaans spreekt…

Ziezo. De toon van dit fietstochtje is gezet.
Dat belooft.
Voorbij Wetteren ga ik op een bank zitten.
Even uitblazen.
De tijd dat ik in één ruk naar Dendermonde reed, is voorbij.

Achter me hoor ik hoefgetrappel.
Ik kijk om en zie 2 cowboys en 2 cowgirls verschijnen.
De mannen dragen brede leren broeken met franjes, en allemaal hebben ze een geruit overhemd aan een een Stetson op hun hoofd. Achter hun zadel ligt een opgerold deken.
Yeeha!
Ze houden een gestrekte hand boven de ogen en speuren de horizon af.
Geen Indiaan te bekennen.
Op mij slaan ze geen acht.
Ik ben namelijk incognito. Ik heb mijn paard geruild voor een fiets, mijn lange haren voor een kale kop en mijn oorlogskleuren heb ik afgewassen.
Ze vervolgen hun weg.
Ugh!

Een paar tellen later passeren twee wielerterroristen.
Ik hoor de ene tegen de ander zeggen:

Ik vraag mij af wat er zo wijs is aan op een paard zitten!

Aha, denk ik, een beeld!
En wat voor één!

De wielrenner op zijn stalen ros begrijpt niet hoe iemand op een ros van vlees en bloed kan gaan zitten.

Het is een beeld van de moderne mens die zo trots is op zijn mechanische speelgoed dat hij zich niet meer kan voorstellen dat ook levend speelgoed leuk kan zijn.
Het is een beeld van de gemechaniseerde mens die ’s zondags massaal de natuur in trekt, maar niet begrijpt dat je die natuur ook zou willen voelen, erop gaan zitten, erdoor gedragen worden.
Nee, de natuur is voor de moderne mens geen dragende kracht meer, zij is enkel nog decor.
En in dat decor doet de gemechaniseerde mens precies hetzelfde als in de stad: fietsen, auto rijden, op een terrasje zitten.

Ik rijd weer verder.
Het plan is om voorbij de brug van Wichelen een ijsje te gaan eten.
Daar is namelijk een boerderij waar ze hoeve-ijs verkopen.
Je kunt het opeten in een grote tuin met net geen uitzicht op de Schelde.
Voor 2,5 euro hoef je voor de rest van de dag niet meer te eten.

Maar in Schellebelle wordt mij de weg versperd.
Ik mag het pad langs de Schelde zelfs niet meer op eigen risico betreden.
Gevaar voor drijfzand!
Verboden toegang.
Ik zie het doodsbericht al voor me:
Lieven ging fietsen, beet in het zand en verdween spoorloos.
Dat zou nog eens een poëtische dood zijn!
Maar ’t zal niet voor vandaag zijn.
Ik maak humeurig rechtsomkeer.
Mag ik zelf nog bepalen wanneer ik mijn leven wil riskeren?
Verrekte bemoeials!

Dan maar poëzie.
Ik ben namelijk net een bord voorbijgereden dat gedichten-in-de-natuur signaliseert.
Zo ben ik nu eenmaal: als ik moet kiezen tussen gedichten en een ijsje, dan kies ik voor het ijsje.
Ik zal vlug ondervinden dat het op hetzelfde neerkomt.

20130714-175751.jpg

Ik hou daar wel van: poëzie in het landschap, muziek op straat, kunst in het gras.
Als ’t maar niet hedendaags is, want dan vind ik het de ergste vorm van milieuvervuiling.
Ik ben dus wantrouwig.
Hier in Destelbergen staan ook gedichten in het groen rond de bibliotheek.
Van een of ander plaatselijk talent.
Artistiekerige onbegrijpelijkheid.
Goed genoeg voor die Destelbergenaren, want die denken natuurlijk: ik begrijp er niks van, dus ’t zal wel poëzie zijn.
En waarom zouden ze in Schellebelle verstandiger zijn dan in Destelbergen?
Schellebelle mag dan wel beter klinken dan Destelbergen, maar ’t is niet al verstandig wat goed klinkt…

20130714-180646.jpg

Ik stap af en lees het eerste gedicht.
Over een vrouw die ligt te dromen dat ze door haar man verwend wordt met rozenolie en lavendel.

‘In een wieg van warme armen
Droeg hij haar naar bed
Sloot met een mond haar ogen’

Jezus, denk ik, een heel gedicht over een vrouw die ligt te dromen van genot?
Maar dan komt de laatste strofe

‘dat droomde ze die nacht, toen hij
een das zocht, een lus maakte
en met blote voeten in de tuin zweefde’

Jezus, denk ik.
Die had ik echt niet zien komen.
Ik sta er een beetje beduusd bij.
Het is zondagmiddag.
Quatorze juillet.
Het is warm. Alles is stil.
Het land ligt te stoven in de zon.
Alleen de vogeltjes fluiten en de bijtjes zoemen.
In de verte blaft een hond.
Hoog in de lucht een vliegtuig.
Verder niets.
Hier hou ik van.
De roerloosheid van een zomerse zondag.
De wereld baadt in de zon en beweegt zich niet.
Ze droomt van alles wat de zon met haar doet.

En intussen hangt haar man zich op in de nacht.
Ik ben er even niet goed van.

Dan maar het volgende gedicht gelezen.
‘Geschept papier’ door Jo Gisekin.
Ik lees:

‘Hoe heerlijk als een windhaan te draaien op losse schroeven
hoe zalig een kijkgat te vinden tussen vouwen van geschept papier.

Een vers te beginnen niets vermoedend.’

Ik ben verrast.
De kwaliteit van deze gedichten is beter dan ik had verwacht. Veel beter.
Wat dacht u bijvoorbeeld van deze:
‘Melk’ door Leonard Nolens.

‘Verlies je de moeder
Verspeel je de melk, en omspoelt je
De leegte, verdrink je vandaag
In opgedroogde bronnen,

Maak van je dorst

Een tepel, geef
De borst aan afwezigen straks,
Gemis is een min.
Je tekort is de stevigste kost

Voor andere wezen.’

Ik lees alle gedichten.

Vreemd om dat te doen in dit zomerse landschap,
waar alleen de puiten kwaken.
Maar vreemd is niet dat ik hier gedichten sta te lezen.
Vreemd is dat die gedichten niks te maken hebben met dat landschap.
Ze staan er als volstrekte vreemdelingen in.
En zij weten het.
Wat zij gemeen hebben is een sfeer van zwaarte, van gemis, van eenzaamheid, van onmacht.
Zij zijn afgesneden van deze zomerse wereld van licht en warmte.
Deze quatorze juillet die uitnodigt om te leven als God in Frankrijk.
Met open deuren en vensters,
Als was buiten binnen en binnen buiten.
Ze zijn afgesneden van God.
Er staat een muur zonder deuren of vensters
tussen binnen en buiten,
tussen dag en nacht,
tussen droom en realiteit,
tussen poëzie en natuur.

En zij weten het, deze dichters, zij weten het allemaal.
En daarover schrijven zij hun gedichten.

Nog eens: ik ben verrast.
Ik lees al lang geen gedichten meer, of toch geen moderne.
Ik beperk me tot de oude meesters.
Rilke, Gezelle, Bloem.
Maar blijkbaar is het in de poëzie bijlange niet zo erg als in de beeldende kunst.
Deze dichters gebruiken nog woorden,
Ze schrijven nog zinnen die je kunt verstaan,
Ze maken nog beelden die spreken.

Van dat alles is in de hedendaagse kunst al lang geen sprake meer.
Daar worden alleen nog dierlijke kreten geslaakt.
Daar is het één groot krankzinnigengesticht.
Maar is dat niet omdat de beeldende kunstenaar veel dieper in die leegte en die onmacht doordringt?
Is dat niet omdat hij alles waar de dichters over schrijven veel rechtstreekser beleeft, zo rechtstreeks dat het hem van zijn zinnen berooft?
Ik vrees van wel.

Beelden zijn reëler dan woorden.
Deze prachtige zomerdag, waarop de aarde diep in slaap ligt en droomt van haar bruidegom,
is niet de echte werkelijkheid.
Hij is er slechts een beeld van.
Een beeld van de werkelijkheid.
Heel onze wereld is één groot beeld.
Alles Vergängliche ist nur ein Gleichnis.
Wij leven in een wereld van beelden.
Dat is onze realiteit: een beeldrealiteit.
En met woorden gaan we tegenover die realiteit staan:
We reflecteren beelden, zoals de maan de zon reflecteert.

Dat is wat ik voel als ik deze gedichten lees.
Zij zijn geschreven in de nacht.
Hun kwaliteit is die van de kille maan.
Groter verschil dan met de zomerse zon is niet mogelijk.
En toch horen die twee bij elkaar.
Zon en maan zijn bruid en bruidegom.
Maar het water tussen beide is veel te diep.
Woord en beeld kunnen elkaar niet meer bereiken.
De woorden houden zich sterk en spreken over hun verdriet.
Maar de beelden zakken door de knieën en schreeuwen het uit.
Woorden zijn mannen.
Beelden zijn vrouwen.
En de man die zich in de nacht de das omdoet, is de poëzie zelf.

De gedichten die ik hier in volle zomer lees, dragen de dood in zich.
Allemaal.
En zij weten het.

Toen ik de affiche de eerste keer voorbijreed en de titel las van deze gedichtententoonstelling (gedichten gedragen zich als beeld te Schellebelle…), dacht ik bij mezelf:

Vers Land, wat heeft dat in godsnaam te betekenen?

Het duurde een tijdje voor het tot me doordrong dat ik het als één woord moest lezen: versland, het land der verzen.
Beetje goedkoop, vond ik.
Maar meteen daarna dook de gedachte op: vers land, dat is toch precies wat kunst hoort te zijn!
Kunst is de voedingsbodem van de toekomstige wereld.
De natuurlijke wereld is stervende en de toekomstige wereld moeten we zelf scheppen uit die natuurlijke wereld.
De kunst zal de nieuwe aarde zijn die wij bewonen,
het Verse Land dat wij bewerken.

Dat klinkt natuurlijk nogal, euh … poëtisch.
En dat is het ook.
Voorlopig toch nog.
Maar ooit, in de verre toekomst, zal het dat niet meer zijn.
Dan zal de kunst onze nieuwe realiteit zijn, ons nieuwe huis waarin we wonen.
En dat is ze nu reeds.

We zien het alleen nog niet.

Het zal ons zien zijn dat de nieuwe wereld uit de oude doet geboren worden.
De oude wereld is onze moeder, en wij, haar zonen, moeten haar bevruchten.
Met onze blik, met onze aandacht, met ons bewustzijn.
We moeten de wereld als een kunstwerk leren zien.
Pas dan kan zij zich vernieuwen.
Pas dan kan ze uit de dood opstaan.
Dat is onze eerste stap naar een nieuwe wereld.
Onze redding uit de stervende oude wereld.

Tsjonge, wat een gedachten!
Dat had ik op deze quatorze juillet niet verwacht.
Ik wilde gewoon een fietstochtje maken, een luchtje scheppen, een beetje zon opdoen.

Maar het was nog niet gedaan.
Toen ik in Schellebelle, zeer tegen mijn zin, rechtsomkeer moest maken, was mijn versnelling ontregeld geraakt.
Ik had nu nog maar twee versnellingen: een heel klein en een heel groot.
En niks daartussenin.

Ik besloot van de nood een deugd te maken.
Ik zette mijn pet achterstevoren op m’n hoofd en werd … coureur.
Ik zette er vaart in.
Vreemd genoeg hield mijn oude rammelkast als bij wonder op met rammelen.
Ik heb het nu over mijn fiets, want zelf kraakte ik in al mijn voegen.
Ik boog me over het stuur en perste er alles uit.

Opeens begreep ik wat het is om een hond te zijn.
Ik zag namelijk niks meer dan de weg onder me, maar ik rook al de geuren waar ik doorheen fietste, en dat waren er nogal wat.
Een zee van geuren!
Ja, nu begreep ik waarom honden het altijd zo vreselijk druk hebben met snuffelen.
Die beesten zien niks, maar ze leven in een wereld van duizenden geuren.
En ze houden natuurlijk van snelheid, net als coureurs, want dan ruiken ze nog meer.

Ik betwijfel evenwel of coureurs veel aandacht besteden aan de geuren waar ze doorheen fietsen.
Waarschijnlijk ruiken ze alleen de olie waarmee ze hun blinkende benen hebben ingesmeerd.
Want een renner moet goed geolied zijn, net als zijn ketting.
Hij is immers een onderdeel van zijn fiets.
Een mechaniekje op een mechaniekje.
Kan het moderner?

Ik begreep ook waarom renners zo hard fietsen.
De wereld verdwijnt dan namelijk. Hij lost op in geuren.
Maar ook die geuren verdwijnen.
De renner wordt louter lichaam.
Dat is het enige waar hij zich nog van bewust is:
dat zwetende, zwoegende lichaam,
die draaiende mechaniek.
Snel fietsen is eigenlijk, net als zonnebaden en vissen, een vorm van meditatie.
Je trekt je terug uit de buitenwereld en keert naar binnen.
Daarom worden fietsers wielerterroristen: ze zien niks of niemand meer, ze beleven alleen nog zichzelf.

Ik begreep nu ook waarom uitgerekend Vlaanderen het slachtoffer is van deze nieuwe vorm van terreur.
Vlaanderen is één grote villawijk.
Vlaanderen is volkomen verstedelijkt.
Het is er godallemachtig druk.
Rust en stilte zijn nagenoeg onvindbaar.
De Vlaamse steenwegen zijn de lelijkste ter wereld.
De Vlaamse fietspaden de gevaarlijkste.

Nu wil het lot dat de Vlaming een poëtisch wezen is.
De Vlaming is een koe.
Want de koe is de dichter onder de dieren.
De koe doet niets dan grazen: zij verzamelt indrukken, zoveel mogelijk indrukken.
Dan gaat ze liggen en begint te herkauwen.
Ze verwerkt de indrukken.
Ze verteert de beelden,
met een verteringssysteem dat één groot kunstwerk is.
En al dat grazen en herkauwen, de hele dag door, levert uiteindelijk melk op.

Vlaanderen is een koe die door iedereen gemolken wordt.
Frankrijk, Spanje, Oostenrijk, Nederland, Duitsland: allemaal zijn ze hier al komen melken.
Want de Vlaamse melk is zeer in trek.
Maar van de Vlaamse koe trekt niemand zich wat aan.
Zo gaat dat met kunstenaars.
Men bewondert het werk, maar minacht de maker.
Zo was het al in de Oudheid, zo is het nog altijd.

Welnu, al die vlijtige Vlaamse koeien, leven vandaag niet meer in grazige weiden, maar in steden van steen.
En daar is het niet stil en rustig als op deze zomerdag.
Het is er onvoorstelbaar druk en lawaaierig.
En de Vlaamse koeien nemen al die agressieve indrukken diep in zich op.
Want alles gaat diep bij de Vlaming, heel diep.
Hij zegt niet veel, omdat hij het veel te druk heeft met indrukken opdoen en verwerken.
En hij moet ze grondig verwerken, anders wordt hij ziek.
En daar wringt juist het schoentje.
De Vlaming heeft geen tijd om al zijn indrukken te verwerken.
Hij moet te hard werken.
Hij beult zich af als een mechaniekje dat maar draait en draait en draait.
Hij krijgt de kans niet om te herkauwen.

Daarom springt hij op de fiets.
En het moet een koersfiets zijn.
Want die gaan snel, verduiveld snel.
En door die snelheid komt de Vlaamse fietser tot zichzelf.
Van een hoofd dat voortdurend indrukken opneemt,
wordt hij tot een lichaam dat verteert.

Een zondagse wielertoerist, dat is iemand die de week probeert te verteren.
En wielerterrorisme is niets anders dan een geforceerd verteringsproces.
Zo agressief als de wekelijkse wereld bij de Vlaming binnenkomt,
zo agressief sluit hij die wereld op zondag buiten.
Op zondag wil de Vlaming louter lichaam worden.
Dat is zijn nieuwe godsdienst.
Hij fietst met religieus fanatisme.
En daardoor wordt hij een terrorist.

Dat ging allemaal door mijn hoofd toen ik snelheid maakte op mijn oude fiets.
Want hoezeer ik ook lichaam word, ik blijf wakker.
Ik houd dat evenwel niet lang vol.
Ik stak in volle vaart een wielertoerist voorbij (met een t-shirt dat reclame maakte voor whiskey, voor geestelijke drank dus), maar werd even later zelf weer voorbijgestoken door de man.
Hij keek even om, en ik kon zijn gedachten lezen.
Voorspelbare kost.

Ik ging uitblazen op een bank.
Het was bijna halfdrie en het verwonderde me dat ik niet meer wielertoeristen zag.
Toen viel het me te binnen: ze zaten allemaal naar de Tour de France te kijken!
Met bier en chips.
Dat helpt ook om lichaam te worden.
En luisteren naar Michel Wuyts natuurlijk, want die schakelt alle hersenen uit.

Toch passeerde er nog een koppeltje, man en vrouw.
Allebei uitgedost als professioneel wielrenner.
Er zat waarschijnlijk voor minstens 3000 euro tussen hun benen.
Van een man kun je dat verwachten: boys and their toys.
Maar als ook vrouwen dat beginnen doen, dan wordt de situatie toch wel bedenkelijk.
Het is al erg genoeg dat mannen mechaniekjes worden, maar vrouwen?
Horen die niet van vlees en bloed te zijn?

Ik voel altijd plaatsvervangende schaamte als ik zo’n vrouwelijke wielerterrorist zie.
En als ze dan ook nog eens haar mond opendoet …

Ik hoorde ze tegen de man zeggen:

Maar ge hebt toch ne goeien tijd, hé!

Ze bedoelde niet dat ze het zo goed getroffen hadden, hier met hun beidjes langs de Schelde fietsend in de zon.
Nee, ze hadden helemaal geen oog voor de omgeving.
Ze waren alleen geïnteresseerd in snel fietsen.
En snel fietsen druk je uit in … tijden, in uren, minuten en seconden.
Dáár had ze het over.
Haar fietspartner was misschien net onslagen, zijn vrouw was misschien weggelopen, zijn kind was misschien zwaar ziek, hij zag de toekomst misschien somber in, maar …
hij had toch een goeie tijd gereden!
En dat was het belangrijkste.
Wat er ook moge gebeuren, wie een goede tijd rijdt, stijgt boven alles uit.
Kijk maar naar de Tour de France:
wie daar een goede tijd rijdt, is niets minder dan een held,
een held van deze tijd, een mechanische held.

Dat is, helaas, het grote Vlaamse ideaal geworden.
De ideale Vlaming is een mechanische koe.
Een verteringssysteem van staal, carbon, plastic en rubber.
Een koe waar geen melk maar … stront uitkomt.
De Cloaca turbo.

Ik sprong vlug weer op mijn fiets.
Ik had meer dan genoeg beleefd voor vandaag.
Hoog tijd om te herkauwen.

Ik kwam in extremis nog een groep stappers tegen.
Ze waren uitgerust met grote hoeden met grote flappen.
Ze speelden waarschijnlijk ontdekkingsreizigertje.
Wisten zij veel dat er maar één land meer te ontdekken valt,
het verse land van de kunst.
Maar dat is dan wel een heel groot land,
een land zo groot als de wereld en verder.

Ik had genoeg gespeeld voor vandaag.
Tijd om te werken.
Ik spoelde mijn zweet af, trok propere kleren aan,
en ging in de zetel liggen.

Tijd om te herkauwen.

20130714-203211.jpg

20130714-203240.jpg