Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: koningen en herders

Adriaen Brouwer (6)

  

Het klapstuk van de Adriaen-Brouwertentoonstelling in Oudenaarde is ongetwijfeld De Rokers, het enige (bekende) zelfportret van de kunstenaar. Dat alleen al maakt dit schilderij bijzonder, want van Brouwer verwacht je geen zelfportret. Zijn werk bestaat uit louter snapshots, momentopnamen van het leven in een kroeg, alsof hij een verborgen camera was. Maar deze kroegtaferelen zijn met olieverf geschilderd en dat kan Brouwer alleen uit het geheugen gedaan hebben. Hij moet zijn modellen langdurig – en vooral onopvallend – bestudeerd hebben, want ze zouden het ongetwijfeld niet gepikt hebben als ze wisten dat iemand hen de hele tijd zat te beloeren. Bovendien zouden ze hun naturel verloren hebben en dat wilde Brouwer ten alle prijze vermijden. Geen poses voor hem, alles diende uit het leven gegrepen te zijn. Het was dus essentieel voor zijn kunst dat hij – als kijker – onopgemerkt bleef, dat hij keek zonder gezien te worden.  

Dit zelfportret is uitzonderlijk omdat de onzichtbare Brouwer zich laat zien. Hij doet zelfs meer dan dat. Hij beeldt zichzelf af in flagrante delicto, op het moment dat hij betrapt wordt in een kroeg en niet de kans krijgt om een pose aan te nemen. Hij laat zich met andere woorden zien zoals hij is, zonder masker. Daarmee gaat Brouwer een stuk verder dan Rubens en Rembrandt. Zij tonen zich in hun (klassieke) zelfportretten zoals ze gezien willen worden. Ze kijken in de spiegel zoals iedereen dat doet: met voorbedachten rade en met een welbepaald zelfbeeld voor ogen. Rembrandt doet dat zelfs meer dan 40 keer, telkens wisselend van persona. Pas in zijn laatste zelfportret laat hij alle maskers vallen en geeft zichzelf bloot in al zijn weerloze menselijkheid. Rubens blijft dan weer zijn leven lang vasthouden aan het beeld van de grand seigneur, al vertoont dat in zijn laatste zelfportret reeds grote (figuurlijke) barsten. Brouwer pakt het anders aan. Hij schildert zichzelf op een onbewaakt moment, wanneer hij er niet op bedacht is.

Dat levert niet één maar twee Brouwers op. Enerzijds een man van stand, duidelijk beter gekleed dan zijn tafelgenoten, en ook hun onbetwiste middelpunt. Deze man is, letterlijk en figuurlijk, de grootste figuur die Brouwer ooit geschilderd heeft. Last van valse bescheidenheid had hij dus niet. Zijn zelfbewustzijn was meer dan ontwikkeld. Het had echter een objectiever karakter dan dat van Rubens of Rembrandt. Brouwer beeldt zich namelijk ook af als een losbol die in een verdachte kroeg zit te drinken en te ‘smoren’. Hij relativeert dus zichzelf, hij toont ook de keerzijde van de jonge god die hij is. We zien zowel zijn hoger als zijn lager zelf en dat levert een humoristisch zelfportret op dat verrassend modern van geest is. Adriaen Brouwer steekt trouwens niet alleen de draak met zichzelf. Zijn tafelgenoten blijken collega’s te zijn, schilders, waarvan hij er drie voorstelt als verlopen figuren en de vierde als een dominee. We zien het Rubens of Rembrandt niet gauw doen …

Maar er zijn nog meer dingen die dit zelfportret uitzonderlijk maken. Het is niet alleen groter van formaat dan zijn meeste schilderijen, het is ook complexer van compositie en vooral: het is met opvallend veel zorg geschilderd. Weliswaar vertoont het de voor Brouwer zo typische transparantie en losheid van penseelvoering, maar wanneer we het van dichtbij bestuderen, stellen we vast dat Adriaen Brouwer een erfgenaam is van de Vlaamse Primitieven, een miniaturist die je met een vergrootglas moet bekijken. Dat kun je van Rubens en Rembrandt beslist niet zeggen: zij zien het groot, heel groot zelfs. Het vergrootglas toont ons echter ook dat Brouwer op zo’n vrije, impressionistische manier schildert dat hij niet alleen qua geest maar ook qua techniek de brug slaat naar de moderne tijd. Detailvergrotingen zouden dit duidelijk aan het licht kunnen brengen, maar dat gebeurt niet, of veel te weinig. In plaats daarvan wordt de moderne technologie gebruikt om Brouwers hartkwaliteiten aan ons oog te onttrekken.

De Rokers bevestigt inderdaad ons beeld van Adriaen Brouwer als een mens van het midden, een bruggenbouwer. Maar er komt nog een element bij: bewustzijn. Brouwer zou dit zelfportret nooit hebben kunnen schilderen als hij zich niet heel scherp bewust was geweest van de zwei Seelen in seiner Brust: aan de ene kant de grand seigneur die met kop en schouders boven zijn tijdgenoten uitsteekt, aan de andere kant de kroegloper die omgaat met de low lifes van de samenleving. Dit bewustzijn van zijn verscheurde ziel moet bijzonder pijnlijk zijn geweest, want de kunstenaar-bohémien duikt pas veel later in de Europese cultuur op. In de 17de eeuw begint de kunstenaar-held uit de Renaissance nog maar van zijn voetstuk te vallen. Hij zal nog eeuwenlang vallen tot hij uiteindelijk in de onderwereld terechtkomt. Adriaen Brouwer kende die onderwereld reeds, en in die zin was hij zijn tijd ver vooruit. Dit voortijdig ‘moderne’ bewustzijn heeft hem fysiek gesloopt, maar wat het geestelijk opleverde, zien we in zijn magistrale zelfportret. 

De Rokers is een hoogtepunt en tegelijk een kantelpunt in Brouwers oeuvre. Hij is ongeveer 30 jaar oud wanneer hij het schildert, en werken uit de laatste jaren van zijn leven – zoals de Dikke Man en het Duinlandschap – ademen een heel andere sfeer, een sfeer van eindeloze weemoed en verlangen. Wat Adriaen Brouwer schildert in zijn zelfportret is de geboorte van een nieuw zelfbewustzijn, een bewustzijn dat ontstaat uit de spanning tussen de zwei Seelen in zijn borst. Hij brengt hier zijn eigen ziele-Steigerung in beeld en dat is alleen mogelijk als er naast die twee zielen nog een ‘derde ziel’ in hem leefde, een ziel die zich verhief boven de oer-dualiteit van beide andere, zonder ze evenwel los te laten, af te wijzen of te negeren. Deze ziele-drieëenheid verklaart alvast de eeuwenlange miskenning van Adriaen Brouwer, want sinds de 17de eeuw is het bewustzijn van de mens alsmaar dualistischer geworden. Het verloor gaandeweg het – kunstzinnige – vermogen om beide tegenpolen als een eenheid te zien. 

Dat is dan ook de opgave waarvoor De Rokers ons plaatst: hetzelfde driegelede bewustzijn ontwikkelen door de tegenpolen in dit schilderij duidelijk te onderscheiden en de spanning tussen beide uit te houden tot er een nieuw en dieper inzicht ontstaat. Merkwaardig genoeg zet uitgerekend de moderne kunstwetenschap ons daarbij op weg, want in de catalogus van de tentoonstelling lezen we dat Brouwer ons op dit zelfportret verrast aankijkt. Volgens de geleerden wordt hij dus betrapt door de kijker. De ironie van deze interpretatie ontgaat hen blijkbaar. Ze laten de schilder als het ware in opperste verbazing uitroepen: wat zullen we nu krijgen, een kunstkenner in mijn kroeg? Ze hebben me waarempel ontdekt, na vierhonderd jaar! Adriaen Brouwer mocht zijn tijd dan wel ver vooruit zijn, het is weinig waarschijnlijk dat hij voorzag vier eeuwen lang geen sant in eigen land te zijn. De interpretatie van de kunstwetenschappers is dan ook verkeerd. Adriaen Brouwer kijkt ons op zijn zelfportret niet aan. 

Het is een raadsel dat mensen die beroepshalve bezig zijn met het bestuderen van kunst niet zien dat Brouwer ons op zijn zelfportret helemaal niet aankijkt. Het volstaat om zijn blikrichting te vergelijken met die van de figuren links en rechts van hem om vast te stellen dat hij niet naar ons kijkt. Hij kijkt naar iets wat in de kroeg gebeurt, terwijl de twee anderen kijken naar iets wat buiten de kroeg gebeurt, dat wil zeggen: naar de kijker voor het schilderij. Er kan geen twijfel over bestaan dat de schilder dit zo bedoeld heeft – het verschil is duidelijk genoeg – maar toch wordt dit cruciale punt door de ‘kenners’ over het hoofd gezien. Dit zelfportret – en eigenlijk het hele oeuvre van Brouwer – confronteert ons dan ook met onze manier van kijken. We kijken niet meer als een liefhebber, met ons hart, maar als een geleerde, met ons hoofd. In een louter materiële wereld vormt dat geen probleem, maar in de wereld van de kunst veroorzaakt het een eigenaardig soort blindheid: we zien het meest essentiële niet meer. 

Deze blindheid is geen toeval. De materialistische wetenschap wil niet met het hart kijken. Dat is haar sterkte en haar zwakte. Door alle gevoelens uit te sluiten en de werkelijkheid onpersoonlijk te benaderen, verwerft ze diep inzicht in – en grote macht over – de materiële werkelijkheid. Maar ze betaalt dat met een verregaande blindheid voor de geestelijke werkelijkheid. Ze negeert dat probleem door het bestaan van de geest simpelweg te ontkennen, maar in de wereld van de kunst is dat onmogelijk. Ieder kunstwerk is het product van een scheppende geest. Wie die geest ontkent en een kunstwerk reduceert tot louter materie, ziet helemaal geen kunst meer. Hij doet maar alsof. De lof die de kunstwetenschappers Brouwer in de tentoonstellingscatalogus toezwaaien is dan ook in flagrante tegenspraak met hun gebrek aan aandacht voor zijn werk. Brouwer ontmaskert niet alleen zichzelf, hij ontmaskert ook de kijker die zich een alwetende koning waant, maar in werkelijkheid een dronkelap is die dubbel ziet.  

Het maakt van dit zelfportret een harde noot om te kraken. Brouwer confronteert ons met de keerzijde van ons moderne zelfbewustzijn, het zelfbewustzijn waar we zo ongelooflijk trots op zijn dat het niet eens in ons opkomt dat een 17de eeuwse kroegloper de draak met ons steekt. Brouwer laat zichzelf op De Rokers in een andere richting kijken dan de figuren vóór en achter hem. Hij doet dat ook nog eens met de twee overige figuren. Dat levert niet minder dan vijf verschillende blikrichtingen op. Men kan zich voorstellen dat Adriaen Brouwer zich danig geamuseerd heeft en dacht: laten ze dit raadsel maar eens oplossen! Maar de moderne, wetenschappelijk geschoolde kijker merkt het raadsel niet eens op. Hij mengt al die verschillende blikken door elkaar alsof hij niet goed wakker is, en concludeert: de schilder kijkt ons aan! Waarom hij ons dan zo verbaasd aankijkt, vragen zelfs de kenners zich niet af. Misschien wel omdat Brouwer vaststelt dat ze al even verdwaasd kijken als zijn gedrogeerde kroeglopers …

Het vermoeden begint te rijzen dat De Rokers een superieure ironie bevat. Op één vlak is ze alleszins onmiskenbaar. Dankzij de kunstwetenschap weten we wie Brouwer op dit schilderij heeft afgebeeld. Van links naar rechts zijn dat: Jan Lievens, Adriaen Brouwer zelf, Joos Van Craesbeeck, Jan Cossiers en Jan de Heem. Allemaal schilders, allemaal collega’s, allemaal leeftijdsgenoten. De eerste, Jan Lievens, werd net als Brouwer beschouwd als een wonderkind. Hij gold in zijn tijd als de grote concurrent van Rembrandt en vond zichzelf als schilder ongeëvenaard in Europa. Brouwer zet hem hier neer als één van zijn kroeglopers, bedwelmd door het roken (of door zijn eigendunk). De snuiten die hij achter de rug van Brouwer trekt, zouden heel goed een allusie kunnen zijn op laatdunkende uitlatingen van Lievens over Brouwer. Heel anders wordt (aan de andere kant van het schilderij) Jan de Heem afgebeeld: als een keurig en fijnzinnig heerschap dat eigenlijk niet thuishoort in dit morsige gezelschap. 

We mogen geredelijk aannemen dat Brouwer op De Rokers niet alleen de draak steekt met zichzelf maar ook zijn collega’s op flessen trekt (sic). Joos Van Craesbeeck en Jan Cossiers komen er zelfs nog bekaaider vanaf dan Lievens en de Heem. Ze zitten er verdwaasd bij en nemen niet deel aan de handeling. Het zou een opdracht voor kunstwetenschappers kunnen zijn om eens na te gaan of Brouwers portrettering klopt met (wat er bekend is over) het karakter van deze schilders. Jan de Heem bijvoorbeeld, de fijnzinnigste van het gezelschap, schilderde uiterst nauwgezette bloemstukken, dus dat zou wel kunnen kloppen met hoe Brouwer hem hier voorstelt. Maar het verklaart dan weer niet waarom hij met zoveel zorg en liefde geportretteerd wordt dat het bijna lijkt alsof dit schilderij evenzeer over hem gaat als over Brouwer. Tijdgenoten konden deze (persoonlijke) betekenislaag ongetwijfeld veel beter duiden dan wij, voor ons blijft ze in hoge mate speculatief. 

Maar Brouwer (reeds een beetje) kennende, mogen we even geredelijk aannemen dat dit niet de enige betekenislaag is van De Rokers. Latere schilderijen tonen ons een Brouwer die alle ironie en spot achter zich heeft gelaten en buitengewoon mild en weemoedig is geworden. Deze nieuwe Brouwer – zo geheel anders dan de man-van-uitersten die we hebben leren kennen – kondigt zich reeds aan in het openstaande venster rechts bovenaan het schilderij. Daar zien we een vreedzaam tafereeltje: een man heeft een arm rond zijn vrouw geslagen en samen zitten ze – met hun rug naar de kroeg – te kijken naar een weg die zich in het landschap omhoog kronkelt. De arm van de man ligt op de rand van het venster, dat misschien wel een deur is waarvan de bovenste helft openstaat. Deze compositorisch ietwat vreemde uitsnede is een veelzeggend beeld dat ons een blik gunt op een heel andere wereld aan de andere kant van de kroegmuur, een wereld waar de tegenpolen zich met elkaar verzoend hebben. 

Een en ander maakt van De Rokers een buitengewoon complex schilderij dat zeker niet enkel een sotternie is, maar ook een ernstig beeld, een ideaalbeeld zelfs. Beide polen komen hier samen: de luim en de ernst. Brouwer toont zich hier een typische clown: humoristisch en spitant aan de buitenkant, melancholisch en weemoedig aan de binnenkant. Eén ding is duidelijk: deze man is niet voor één gat te vangen. Hij portretteert zichzelf heel bewust als een raadsel. Of de kijker dat raadsel wil oplossen hangt helemaal van hemzelf af. Het ontdekken ervan komt reeds als een schok, want een 17de eeuwse schilder van kroegtafereeltjes confronteert ons, moderne kijkers, niet alleen met ons gebrek aan wakkerheid, maar ook met ons gebrek aan moed. Want er is moed nodig om naar ons ‘koninklijke’ zelfbewustzijn te kijken en te erkennen dat het blind blijft zonder zijn tegenpool, het ‘herderlijke’ hartbewustzijn. Brouwer lijkt ons ertoe te willen bewegen een beschermende arm te leggen rond ons verwaarloosde hart  …

Christus opnieuw geboren

  

Het belangrijkste feest in ons deel van de wereld is ongetwijfeld kerstmis. Vier weken lang dompelen we ons onder in een sfeer van kerstbomen, kerstlichtjes en kerstmuziek. We wensen ‘vrede op aarde aan alle mensen van goede wil’. Tot voor kort was dat zowat iedereen, want niemand kwam op het idee om deze tijd van gluhwein en gezelligheid te verstoren. Dit jaar is daar verandering in gekomen. Kerststallen werden gemolesteerd, kerstbomen in brand gestoken, kerstlammetjes doodgeslagen, kerstmarkten overhoop gereden, kerstgangers vermoord. Er lopen blijkbaar heel wat ‘mensen van kwade wil’ rond, want hoe barbaars moet je niet zijn om uitgerekend in deze tijd van het jaar je duivels te ontbinden! Zelfs aan het front van 14-18 werd een kerstbestand in acht genomen. Maar de kwaadwilligen zijn natuurlijk geen mensen ‘van bij ons’. Het zijn moslims, vreemdelingen, belijders van een godsdienst die al sinds haar ontstaan de doodsvijand is van het christendom.

Wat dit jaar met kerstmis gebeurt komt niet als een verrassing. Er waren de rellen rond Zwarte Piet – het christelijke Sinterklaas werd onder het mom van antiracisme aangevallen – en het was gewoon wachten tot ook dat andere feest, het kerstfeest, in het vizier zou komen. Wie over de grenzen keek, wist trouwens al langer dat moslims overal ter wereld de vervolging van christenen hebben ingezet. Is het toeval dat momenteel Syrië verwoest wordt, het land dat de bakermat van het christendom genoemd wordt? Het kwaad – althans in de ogen van moslims – wordt bij de wortel aangevat, en die wortel is de geboorte van Christus, het Lam Gods. In Heist op den Berg, een dorp in de buurt van Mechelen, hebben kinderen een kerstlammetje doodgeslagen. Het is maar een detail in de grootscheepse moslimagressie, maar het is wel een veelzeggend detail. Want wat brengt kinderen ertoe om een lammetje – het toonbeeld van onschuld – dood te slaan? Welke kwade geest bezielt hen?

Het is een geest die het al langer op het kerstfeest voorzien heeft. Wat wij met kerstmis vieren is in feite een vermenging van twee zeer verschillende geboorteverhalen: dat van Lucas en dat van Mattheus. Bij Lucas wordt het kind geboren in een stal. Binnen heerst de rustgevende aanwezigheid van de os en de ezel, buiten slapen de velden en fonkelen de sterren. Alles ademt stilte en vrede. Hoe anders gaat het eraan toe in het geboorteverhaal van Mattheus! Hier geen stal met dieren en herders, maar een voornaam huis waar koningen hun opwachting maken. In een dorp als Bethlehem moet hun komst heel wat opschudding veroorzaakt hebben. Zelfs koning Herodes was ervan op de hoogte. Omdat hij vreesde dat zijn troon in gevaar was, liet hij alle pasgeborenen in Bethlehem vermoorden. De rust en de vrede zijn hier ver te zoeken, alles is dramatiek en geweld. Groter verschil dan tussen deze twee verhalen is niet mogelijk, en toch is daar in ons traditionele kerstfeest niks van te merken. 

Het gemengde kerstmis dat wij vieren, en waarbij koningen samen met herders hun opwachting maken in een stal, is een half kerstmis. Het is in twee gehakt en het Mattheusdeel is aan de kant geschoven. Alle dramatiek, alle gewelddadigheid is eruit verdwenen en wat overblijft is een feest van louter sentiment en gezelligheid. Van de koningen hebben we alleen de materiële rijkdom overgehouden: het overvloedige eten en drinken, de cadeautjes onder de kerstboom, de luxe en de glitter. Niemand kan nog echt gelukkig zijn met dit gehalveerde kerstfeest. Natuurlijk is er niks mis met kerstbomen en kerstversieringen. Ze horen bij deze tijd van het jaar, ze vieren de terugkeer van het licht, ze zijn elementair. Dat kan evenwel niet gezegd worden van de koopwoede en de jachtige drukte die van dit feest voor zoveel mensen een kwelling maken. Kerstmis is helemaal ten prooi gevallen aan het materialisme. Koningen en herders vinden elkaar alleen nog in het zintuiglijk genot. 

Van de kinderlijke innigheid en onschuld, zoals we die nog kunnen beluisteren in de traditionele kerstliederen, blijft niets meer over. Uit het Lucas-verhaal is alle mysterie en betovering verdwenen. Er zijn alleen nog de uiterlijke beelden en die hebben alle bezieling en schoonheid verloren. Ze vragen er als het ware om vernietigd te worden. Het moderne kerstfeest is een feest zonder hart, een feest dat zijn leegte en gevoelloosheid verbergt achter een masker van sentimentaliteit. Maar het is ook een feest zonder hoofd. Van de wijsheid van de koningen is geen spoor meer te bekennen. Wie weet nog wat we met kerstmis precies vieren? De geboorte van het kind in de stal? Maar hoe zit het dan met het kind uit het Mattheusevangelie? De waarheid is dat we met kerstmis – strikt genomen – geen van beiden vieren. Evenmin vieren we de winterzonnewende, de geboorte van Mithras of een ander heidens feest. Wat we, zonder het te weten, met kerstmis vieren is de ‘geboorte’ van Christus zelf. 

We moeten er stilaan aan gaan twijfelen of de paus zelf nog wel het onderscheid kent tussen Jezus en Christus. Het verdwijnen van de Mattheusversie van het kerstverhaal kan model staan voor het verdwijnen van de wijsheid uit het christendom. Christenen hebben (allang) geen inzicht meer in de ware aard van Christus. Niemand weet nog dat hij de kosmische geest is die op 25 december van het jaar 1 de sfeer van de aarde betrad. Hij werd niet geboren uit een vrouw van vlees en bloed, zoals beide Jezuskinderen. Het was de hemel zelf die Christus baarde, vandaar de ‘maagdelijke’ geboorte. De teloorgang van dit ‘koninklijke’ inzicht gaf het in oorsprong drieledige kerstgebeuren prijs aan de splijtende krachten van het materialisme. Eerst werd een wig gedreven tussen de kosmische Christusgeest en de twee Jezuskinderen. Vervolgens werden de koninklijke en de herderlijke Jezus uit elkaar gedreven en bleef alleen de laatste over. Maar zonder het scherpe bewustzijn en inzicht van zijn tegenpool kon hij zich niet handhaven en werd door het materialisme tot een karikatuur vervormd.

Tweeduizend jaar geleden was het de Christusgeest die beide Jezuskinderen samenbracht en één deed worden tijdens het mysterieuze gebeuren in de tempel, waarna de kinderlijke Jezus uit het Lucasevangelie opeens over de koninklijke wijsheid van de Jezus uit het Mattheusevangelie bleek te beschikken. Deze eenwording was de voorwaarde voor de menswording van Christus, die plaatsvond tijdens de doop in de Jordaan. Daarmee werd een voorbeeld gesteld dat voor alle tijden geldig is, ook – en zelfs vooral – voor onze tijd. Want het wordt met de dag duidelijker dat alleen de Christusgeest onze wereld nog kan redden, een wereld die ten onder dreigt te gaan aan haat en geweld. Er is niets waar de moderne mens meer naar verlangt dan de geest van kerstmis, de geest van vrede aan alle mensen van goede wil. Maar die geest kan alleen in ons wakker worden wanneer kerstmis weer heel wordt gemaakt, wanneer beide aspecten ervan weer verenigd worden en de schaapachtigheid doordrongen wordt met wijsheid. 

Het is geen toeval dat momenteel de schaapachtigheid hoogtij viert in het Westen. Het is in dat deel van de wereld dat de – weliswaar aan het materialisme vervallen – herderlijke kwaliteiten van de Jezus uit het Lucasevangelie zijn ontwikkeld: de gerichtheid op de aarde, de broederlijkheid, de verdraagzaamheid. De koninklijke wijsheid van de Jezus uit het Mattheusevangelie bleef als het ware achter in het Oosten en viel daar ten prooi aan de islam die van het koningschap alleen de heerszucht en de gewelddadigheid overhield. Het uiteenvallen van kerstmis is een pars pro toto, een beeld van wat op grote schaal in de wereld gebeurt. Maar ook het omgekeerde is waar: de clash of civilisations die momenteel de wereld beheerst, weerspiegelt zich in het kerstfeest. De moslimagressie tegen kerstmis is een materialistische karikatuur van het gebeuren in de tempel: de Mattheus-Jezus verenigt zich met de Lucas-Jezus. De groteske vervorming van het oorspronkelijke beeld mag ons niet blind maken voor de gelijkenis. 

Juist die gelijkenis wijst op een nieuwe ‘geboorte’ van de Christusgeest, die louter door zijn aanwezigheid beide Jezuskinderen ertoe brengt zich met elkaar te willen verenigen. Ook nu weer is het de oudere Jezus die het initiatief neemt. Hij manifesteert zich in de moslims die zich massaal losmaken uit hun oude, oosterse wereld en – net als de drie koningen – de grote reis ondernemen naar de nieuwe ‘herderlijke’ wereld van het Westen. Wat we vandaag meemaken, is een herhaling van het kerstgebeuren tweeduizend jaar geleden. Het oerbeeld dat zich toen op heldere, zuivere wijze manifesteerde, is door het materialisme zodanig misvormd dat het nagenoeg onzichtbaar is geworden. Wanneer we ons echter niet laten misleiden door de uiterlijke vervormingen, hoe stuitend ze ook zijn, en doordringen tot de dieperliggende kunstzinnigheid van de actuele gebeurtenissen, dan wordt het oerbeeld langzaam weer zichtbaar en realiseren we ons dat Christus inderdaad opnieuw geboren wordt. 

Het is goed dat we vasthouden aan het traditionele kerstmis in de Lucas-sfeer: de eenvoudige kerststal, de herders en de schapen, de flonkerende sterren, de hemelse muziek. Maar we staan nu voor de opgave om dit vredige, dromerige kerstmis-van-het-hart te verbinden met het bewuste en dramatische kerstmis-van-het-hoofd uit het Mattheusevangelie. Zonder de eenwording van die tegenpolen kan de Christusgeest immers niet geboren worden, en kan de wereld ook niet gered worden. Paradoxaal genoeg zijn de dramatische en angstaanjagende gebeurtenissen van dit jaar een bron van hoop en vertrouwen, want ze wijzen erop dat Christus daadwerkelijk opnieuw geboren wordt, of we dat nu weten of niet. Hij laat ons dus niet in de steek. Maar hoe zwaar de geboorte wordt – en Christus wordt dit keer niet uit de hemel maar uit de aarde geboren – hangt van ons af, en meer bepaald van ons bewustzijn, van ons inzicht in het geboorteproces. Dat ‘koninklijke’ inzicht maakt een wereld van verschil.