Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: kunst en wetenschap

Het raadsel van Zegelsem (14)

  

Als Zegelsem het raadsel van een geboorte is en Scheldewindeke dat van een conceptie, dan is Brugge het raadsel van een bevruchting. Aangezien het geen fysiek kind is dat in Zegelsem geboren werd, was het in Brugge ook geen eicel die bevrucht werd. Maar wat was het dan wel? Wat werd er op de Dijver in een complete chaos herschapen? Het antwoord ligt voor de hand: mijn kunstzinnige streven. Brugge was een cruciale fase in mijn poging om de kunstenaar-in-me nieuw leven in te blazen. Als ik erin slaagde om op de markt voldoende geld te verdienen dan kon ik blijven schilderen en bestond de kans dat ik op de valreep nog iets kon waarmaken van mijn droom om kunstenaar te worden. Slaagde ik daar niet in, dan was het game over en zou het definitief afgelopen zijn. Brugge was mijn laatste kans en ik had dan ook alles op alles gezet. Het was nu of nooit. Maar de hele onderneming mislukte. Mijn kunstenaarsdroom viel aan scherven en zelf viel ik in een groot, zwart gat. 

Brugge zien en dan sterven. Daar kwam het op neer. En het moet gezegd: ik eindigde in schoonheid. Ik had me geen mooiere plek kunnen dromen om naar buiten te komen met mijn werk. De drempeloverschrijding vond plaats op de Dijver – oud-Keltisch voor ‘heilig water’ – in het centrum van Brugge, een stad die een kunstwerk op zich is. Als een eicel daalde ik af in een baarmoeder waar ik me al vlug thuis voelde. Door op de markt te gaan staan met mijn schilderijtjes betrad ik een wereld waar ik me tot nog toe verre van had gehouden: de wereld van de materie, het openbare leven, de omgang met mensen. Dat was heel wat anders dan thuis in mijn eentje te zitten denken en schrijven. In mijn nieuwe – publieke en toch beschutte – omgeving voelde ik het bloed weer door mijn aderen stromen. Ik vond het geweldig om buiten te zijn en deel uit te maken van die kleurrijke marktdrukte. Het deed ook enorm veel deugd om eindelijk weer eens iets te verdienen. Kortom, ik kwam weer tot leven.

En toen was het opeens allemaal voorbij. Ik had het wel zien aankomen, maar ik had koppig volgehouden. Op het laatste moment had ik zelfs nog een ultieme reddingspoging ondernomen. Maar het mocht niet baten. Ik werd gevloerd door drie opeenvolgende klappen en ofschoon ik nog probeerde recht te krabbelen, moest ik inzien dat ik verslagen was. Net op het moment dat ik aan de winnende hand leek te zijn, leed ik een beschamende nederlaag. Ik had weliswaar nog nooit een gevecht gewonnen in mijn leven, maar het wende nooit om het onderspit te delven. Ik had alles gegeven en me tot het uiterste ingespannen, maar in Brugge verloor ik mijn laatste strijd. Het ontbrak me nochtans niet aan talent en evenmin aan inzet, maar net als altijd was er weer iets dat stokken in de wielen kwam steken. Alsof de duivel ermee gemoeid was, alsof ik niet mocht winnen. Ik voelde me compleet verslagen, letterlijk en figuurlijk, als een eicel die getroffen is door een zaadcel, zeg maar.

Wat mocht die zaadcel dan wel wezen? Wat was het dat mijn kunstzinnige streven in rouw dompelde? Op mijn allerlaatste marktdag in Brugge kreeg ik bezoek van een bevriend kunstenaar die – net als ik – zijn werk verkocht op de markt, een paar honderd meter verder. We raakten aan de praat en hij vertelde me dat zijn schilderijen verkochten als zoete broodjes. Hij gaf wel toe dat zijn vrouw een geboren verkoopster was, anders zou het hem ook niet lukken. Hij had collega’s gekend die rijk waren geworden met de verkoop van ingekleurde fotocopies – de toeristen zagen toch het verschil niet. Eentje had er zelfs een kasteel van kunnen kopen (dat hij vervolgens weer verspeeld had door te gokken). Ik luisterde met pijn in het hart naar al die succesverhalen en opeens drong het tot me door dat ik dat ook gekund zou hebben – als ik het gewild had. Maar ik wilde het niet. Ik wilde iets anders, en ik wilde het met zoveel kracht dat het mijn kunstzinnige streven keer op keer torpedeerde. 

Het probleem was dat ik twee verschillende dingen wilde. Enerzijds wilde ik kunstenaar zijn, met hart en ziel, daar kon geen twijfel over bestaan. Ik zou nooit op de markt zijn gaan staan als ik niet zo graag had willen schilderen. Ik had er alles voor over. Dat had ik wel bewezen toen ik op m’n 33ste mijn schepen achter me verbrandde om mijn leven helemaal te kunnen wijden aan wat ik altijd het liefst gedaan had: tekenen. Kunst betekende alles voor me, ze was mijn thuis, ze was de enige plek op aarde waar ik mezelf kon zijn. Toch had ik haar vijftien jaar tevoren verlaten om naar de universiteit te gaan. Hoewel er grote maatschappelijke druk op me werd uitgeoefend, zou ik dat toch nooit gedaan hebben als ik niet diep van binnen iets anders had gewild. Wat dat ‘andere’ was ontdekte ik tijdens mijn tocht door de woestijn van de wetenschap. In Leuven vond ik zowel mijn vrouw als de antroposofie. Zij werden voor mij een tweede thuis, dat ik algauw evenmin kon missen als het eerste. 

Ik wilde het allebei, kunst en (geestes)wetenschap. Daarom pendelde ik al mijn hele leven tussen beide heen en weer, want ze waren tegenpolen en lieten zich niet met elkaar verzoenen. Tijdens mijn jeugd bezocht ik school en academie in een wekelijks ritme. Toen ik naar de universiteit ging, probeerde ik die pendelbeweging in stand te houden, maar de kloof tussen beide tegenpolen was te groot geworden. De wetenschap eiste al mijn energie en aandacht op en de kunst verdween helemaal naar de achtergrond. Vervolgens sloeg de pendel weer de andere richting uit en was het de wetenschap die naar de achtergrond verdween en de kunst die me helemaal opeiste. Hoewel ik me tot het uiterste inspande om deze terugkeer te doen slagen, liep het op een mislukking uit. Voor de tweede keer wendde ik mij tot de wetenschap, die intussen geesteswetenschap was geworden, maar ook die pendelslag leverde niets op. En opnieuw keerde ik, met de staart tussen de benen, terug naar de kunst.

Zo kwam ik in Brugge terecht, vast van plan mijn tweede terugkeer naar de kunst niet te laten mislukken, want een derde keer zou er niet komen, daar was ik te oud voor geworden. Bovendien kon ik niet eeuwig heen en weer bijven pendelen. Maar mijn kunstzinnige streven, hoe hartstochtelijk ook, droeg zijn eigen ondergang in zich. Diep van binnen wist ik allang dat kunst nooit alles voor me kon zijn, daarvoor was mijn (wetenschappelijke) verlangen om te begrijpen veel te groot. Maar dat kon ik mezelf niet toegeven. Want hoe moest ik die liefdes met elkaar verzoenen? Op de kunst kon ik moeiteloos mijn verlangen richten, op de geesteswetenschap eveneens. Ze waren allebei van levensbelang voor me. Maar wat moest ik me voorstellen bij de vereniging van kunst en (geestes)wetenschap? In de antroposofie werden daar wel pogingen toe ondernomen, maar een overtuigend resultaat had ik nog niet gezien. Er was niets waar ik mijn twee verlangens tegelijk kon op richten en dus bleef ik pendelen tussen beide.

In Brugge bereikte mijn dubbele verlangen zijn grootste intensiteit. Ik had al mijn krachten verzameld om mijn kunstenaarsdroom te doen uitkomen en ik leek er heel dichtbij te staan. Maar toen de officiële marktvergunning om onbegrijpelijke redenen uitbleef, zag ik mijn droom in rook opgaan. Ik deed wat ik in dergelijke gevallen altijd deed: ik schakelde over naar mijn andere verlangen en begon een blog. Dat bleek te beantwoorden aan een diepe behoefte, want ik schreef van ’s morgens tot ’s avonds. Ik stond er zelf van te kijken. Die schrijfroes hielp me in ieder geval om Brugge te vergeten en toen na twee jaar de vergunning alsnog in de bus viel, kostte het me de grootste moeite om opnieuw over te schakelen. Die administratieve vertraging had tot gevolg dat in Brugge mijn twee verlangens – het kunstzinnige en het wetenschappelijke – voor het eerst tegelijk optraden. Ze waren elkaar heel dicht genaderd en het stond in de sterren geschreven dat daar kortsluiting zou van komen. 

Ik had altijd heen en weer gependeld tussen kunst en wetenschap omdat beide niet met elkaar te verzoenen waren. Ik kon niet tegelijk tekenen en nadenken. Ik wilde dat ook niet. Ik ondervond hoe verlammend het bewuste denken werkte op het dromerige scheppingsvermogen en hoezeer dat laatste op zijn beurt het heldere denken vertroebelde. Bovendien zag ik in de hedendaagse kunst wat er gebeurde als beide met elkaar in contact kwamen. Ik peinsde er niet over om kunst en wetenschap elkaar te laten vernietigen en dus hield ik ze streng gescheiden. Tegelijk besefte ik dat het uitstel van executie was: tegen de machtswellust van de wetenschap was geen kruid gewassen, zij wilde alles in haar greep krijgen. De kunst verkeerde in gevaar en enige manier om haar te redden was de onontkoombare coniunctio oppositorum te laten plaatsvinden op de voorwaarden van de kunst en niet op die van de wetenschap. Dus begon ik als kunstenaar na te denken over de kunst. Ik werd wetenschapper uit liefde voor de kunst. 

In Brugge kwam ik als het ware oog in oog met mezelf te staan. De cirkel was rond. Het was allemaal begonnen toen ik als kind de trappen van de academie besteeg en daar ingewijd werd in de mysteriën van de kunst. In deze ‘tempel’ bruiste het van geestelijk leven en dat maakte een onuitwisbare indruk op me. Maar de kunst was een oase in een woestijn van wetenschap, en ik zag hoe ze in snel tempo veroverd werd door de – als hedendaagse kunst vermomde – woestijnwetenschap. Geen moment kwam het in me op om de knie te buigen voor de barbaarse demonen die zich meester hadden gemaakt van de tempel en dus trok ik de woestijn in. Na een omzwerving van 40 jaar kwam ik terecht op de Dijver in Brugge, een oude mysterieplek in een stad die sterk leek op het oude Mechelen met zijn bruggen en reien. Ik kwam als het ware weer thuis, maar nu als … marktkoopman. Ik was met andere woorden geworden waarvoor ik op de vlucht was gegaan: een barbaarse ontwijder van de tempel. 

Ik had de kunst hartstochtelijk verdedigd tegen de opdringerige wetenschap maar was daardoor zelf een opdringerige wetenschapper geworden. Zo gaat dat: men wordt waartegen men vecht. Toen dat tot me doordrong, legde ik de wapens neer. De kunstenaar-in-me besefte dat het geen zin had me te blijven verdedigen tegen de wetenschap, want dan hield ik op kunstenaar te zijn. En de wetenschapper-in-me besefte dat het geen zin had om aan te dringen, want in plaats van de kunst te begrijpen zou ik haar vernietigen. Om het in bevruchtingstermen uit te drukken: de kunstzinnige eicel besefte dat het geen zin had zich te blijven afschermen tegen de wetenschappelijke zaadcel, want dan zou ze verdorren tot een oude vrijster. En de zaadcel van zijn kant besefte dat het geen zin had deze vesting te blijven bestormen, want daardoor zou de eicel zich alsmaar krampachtiger afsluiten. Ze zou haar eigen mysterie vernietigen en het zou geen zin meer hebben daarin te willen doordringen. 

Het staakt-het-vuren van zowel mijn vrouwelijk-kunstzinnige als mijn mannelijk-wetenschappelijke verlangen betekende echter niet het einde van mijn streven, want beide verlangens verenigden zich: de eicel werd bevrucht door de zaadcel. Deze eenwording was echter niet het resultaat van persoonlijk of egoïstisch begeren. Ze geschiedde als het ware in dienst van een hoger wezen dat zich met mijn dualistische streven wilde verbinden. En dat wezen bleek Michaël te zijn. Ik werd deze geest gewaar toen Brugge op zo’n ostentatieve, karikaturale wijze mislukte dat ik voelde dat er meer aan de hand was. De gebeurtenissen die op Brugge volgden, bevestigden dat. Eerst werd ik uitgenodigd op de antroposofische zomeruniversiteit, daarna op de Lichtbakenconferentie en vervolgens kwam Scheldewindeke uit de hemel vallen. Het waren drie onverwachte geschenken die alleen maar van hogerhand konden komen, want ik had ze jarenlang ‘van lagerhand’ nagestreefd en dat had niets opgeleverd. 

Vijftien jaar lang had ik vergeefs geprobeerd het thema van oude en jonge zielen op de antroposofische agenda te krijgen, en nu werd het mij opeens gevraagd. Die toenadering kwam er pas toen ik het opgegeven had aan te dringen. Het streven zelf had ik niet opgegeven, maar ik had het overgelaten aan het lot (en dus aan een hogere geest). Ik was met andere woorden een ‘Michaëldienaar’ geworden. Om het met het beeld van de bevruchting te zeggen: mijn zaadcel had het opgegeven de antroposofische eicel met geweld te willen binnendringen, haar verlangen was gezuiverd van egoïsme en pas toen ging de deur open. Hetzelfde met Scheldewindeke. Hoelang zochten we al niet naar een acceptabel huis? We vonden het pas toen we alles opgegeven hadden en ons overgeleverd hadden aan het lot. In Brugge was mijn persoonlijke streven gestorven en daarna verrees het – gelouterd – uit zijn assen. Ik kreeg wat ik altijd gewild had, maar niet langer begeerde. 

Brugge betekende de Steigerung van mijn dubbele verlangen. Mijn kunstzinnige en mijn wetenschappelijke streven verenigden zich, maar in plaats van elkaar te verlagen (zoals ze deden in hun ongezuiverde vorm), verhoogden ze elkaar en kregen een bovenpersoonlijk karakter. Dat ging niet ten koste van hun persoonlijke karakter, wel integendeel. Mijn streven werd juist persoonlijker dan ooit, en wel op instigatie van Michaël, de tijdgeest. Het sloot nu aan bij het streven van de tijd. Niet toevallig drukte zich dat uit in karmaonderzoek, want door mijn eigen karma te onderzoeken, onderzocht ik ook het wereldkarma. Alle persoonlijke karma’s maken immers deel uit van één groot karmisch geheel. Dat geheel is een wereldkunstwerk-in-wording. Mijn wetenschappelijke streven was nu tegelijk een kunstzinnig streven geworden, het was niet langer alleen maar een poging om te begrijpen, het was ook een poging om mee te scheppen aan dat wereldkunstwerk. Mijn denken was met andere woorden scheppend geworden.

Het raadsel van Zegelsem (11)

   
Het raadsel van Zegelsem is een zeer persoonlijk raadsel. Niet iedereen krijgt, zoals ik, op zijn oude dag twee opeenvolgende verhuizingen voor de kiezen die – als de twee zijden van eenzelfde medaille – volkomen tegengesteld zijn aan elkaar. Toch is dit dubbelbeeld ook herkenbaar in de wereld om me heen. Het begon al toen onze verhuizing naar Zegelsem beklonken werd precies op de eerste dag van de corona-lockdown. Ik zie An nog voor het raam van de badkamer staan zwaaien met haar smartfoon tegen het oor. Ik was in de tuin aan het werk en dacht: yessss, het is voor mekaar, we hebben een nieuw huis! De opluchting was groot en we genoten met volle teugen van de laatste maanden in Scheldewindeke in de overtuiging dat het in Zegelsem wel anders, maar daarom niet slechter zou zijn. We hadden geen flauw idee wat ons boven het hoofd hing en nog minder beseften we dat ons lot ook bovenpersoonlijk was, dat we in het klein beleefden wat de wereld in het groot beleefde.

Het is natuurlijk gewaagd om een parallel te trekken tussen je persoonlijke leven en wat zich op het wereldtoneel afspeelt. Maar als antroposoof moet je risico’s durven nemen. Rudolf Steiner waarschuwde er weliswaar voor dat karmaonderzoek niet lichtzinnig mag worden opgevat – karma stamt uit de hoogste geestelijke gebieden en dient met de nodige eerbied te worden benaderd – maar hij waarschuwde ook voor een nog groter gevaar: de angst om eraan te beginnen. Mijn karmaonderzoek in Scheldewindeke begon met een waagstuk: ik nam mijn persoonlijke karma als uitgangspunt van een voordracht op een internationale antroposofische conferentie. Ik meende dat te doen op aanwijzing van Michaël, maar dat was een – alweer – gewaagde veronderstelling. Tot mijn opluchting bleek ik het bij het rechte eind te hebben. Michaël gaf duidelijk te kennen dat hij het eens was met mijn beslissing om te luisteren naar mijn hart in plaats van op veilig te spelen zoals mijn hoofd me aanmaande. 

Een betere aanmoediging om die weg verder te volgen kon ik me niet dromen en dus doe ik in Zegelsem wat ik ook in Scheldewindeke al deed: ik luister naar de stem van mijn hart zonder die van mijn verstand in de wind te slaan. Die samenwerking van denken en voelen houdt risico’s in maar tot nog toe zijn die lonend gebleken. Ik heb reeds de overeenkomst ontdekt tussen mijn twee verhuizingen en respectievelijk de terugblik en het kamaloka, en ook wat er vandaag in de wereld gebeurt lijkt te beantwoorden aan dat dubbelbeeld. Maar mijn hoofd eist meer argumenten en dus stel ik mezelf de vraag: zijn er nog meer voorbeelden te vinden van de ‘dubbele omkering’? Een courant begrip is het zeker niet, maar wanneer ik ‘omkering’ vervang door ‘keerpunt’ – wat min of meer hetzelfde betekent – gaat er een belletje rinkelen. Niet alleen is Het Keerpunt de titel van een beroemd boek waarin Klaus Mann, door zijn eigen lot te beschrijven, een heel tijdperk in beeld brengt, het is ook een begrip dat iedere antroposoof kent. 

Rudolf Steiner noemt de tijd waarin we leven ‘het keerpunt der tijden’. We bevinden ons precies in het midden van de mensheidsontwikkeling en dat is een scharniertijd, een tijd van belangrijke beslissingen, een tijd ook van grote geestelijke strijd. Omstreeks 1900 liep ‘de wereld van gisteren’ ten einde en begon ‘de wereld van morgen’. De 20ste eeuw werd het toneel van zo ingrijpende veranderingen dat hij met recht en reden een ‘keerpunt der tijden’ mag worden genoemd. Maar Rudolf Steiner gebruikt dat begrip ook nog voor iets anders: de menswording van Christus. Dat heeft me altijd in de war gebracht. Wat was dat fameuze keerpunt nu precies: de tijd van Christus of onze tijd? Of moeten we de hele 2000 jaar daartussen als één groot keerpunt zien? In de grondsteenspreuk heeft Rudolf Steiner het over een Welten-Zeitenwende-Anfang. Het keerpunt der tijden begon blijkbaar pas toen Christus op aarde kwam. Maar wanneer eindigt het dan? Alleszins niet in onze tijd, want die blijkt eveneens nog maar een begin te zijn.

Een en ander wordt duidelijker als ik het ‘keerpunt der tijden’ vergelijk met mijn eigen persoonlijke keerpunt en het zie als een dubbel gebeuren. Ook bij het bovenpersoonlijke keerpunt gaat het om twee doodservaringen: de kruisdood van Christus 2000 jaar geleden en de ‘tweede kruisiging’ van Christus aan het eind van de 19de eeuw. De eerste doodservaring vond plaats op fysiek vlak, de tweede op etherisch vlak. De fysieke kruisdood betekende de climax van een zware lijdensweg die uitmondde in de etherische wederopstanding, niet alleen van Christus zelf maar van de hele menselijke beschaving. Dat kwam onder meer tot uitdrukking in de Europese beschaving – de beschaving van het ‘midden’ van de wereld – die een waar hoogtepunt vormde in de geschiedenis van de mensheid. Aan die bloei kwam bruusk een eind met de tweede, etherische kruisiging van Christus, die voor de mensheid het begin vormde van een afdaling in de hel, een soort wereldkamaloka.

De dubbele omkering die ik zelf heb meegemaakt (en nog altijd meemaak) blijkt dus een christelijk oerbeeld te zijn, een oerbeeld dat Christus zelf in de aardesfeer heeft geprent. Zoals ik mezelf pas bewust werd van dit tweevoudige oerbeeld na mijn tweede omkering in Zegelsem, zo werd de mens zich ook pas bewust van het mysterie van Golgotha na de tweede kruisdood van Christus. Dat gebeurde in de persoon van Rudolf Steiner die, geïnspireerd door Michaël, de kosmische betekenis van dit centrale mensheidsmysterie onthulde. Er is dus een tweede keerpunt nodig om ons bewust te kunnen worden van het eerste keerpunt. Dat ‘bewustwordingskeerpunt’ is als het ware de omkering van het eerste keerpunt. Kregen we de eerste keer alleen de fysieke ‘voorkant’ van het keerpunt der tijden te zien, dan krijgen we nu ook de etherische ‘achterkant’ te zien, het karmische weefsel dat door Rudolf Steiner openbaar werd gemaakt. Maar die etherische (of esoterische) bewustwording is slechts een begin. 

De fysieke kruisdood van Christus was een zo diep mysterie dat het aanvankelijk alleen voor de wil en het gevoel toegankelijk was. Het kon nog niet bewust begrepen worden. Eerst moest Christus de fysieke sfeer van de aarde doordringen. Hij moest als een tuinman de bodem klaarmaken voor het bewustzijnszaad dat later gezaaid zou worden. Tweeduizend jaar zou het duren voor het begrijpen-met-het-hart ook een begrijpen-met-het-hoofd kon worden. De openbaarmaking van het centrale mysterie van dood en wederopstanding verliep dus in twee stappen: eerst werd het op een kunstzinnige manier zichtbaar in de zintuiglijke werkelijkheid en pas daarna werd het ook zichtbaar in de ideële werkelijkheid en kon het wetenschappelijk benaderd worden. De eerste kruisdood van Christus vond plaats op Golgotha, op de Schedelplaats. De tweede kruisdood vond plaats in de schedel, dat wil zeggen in het denken. Deze ‘omgekeerde’ kruisiging betekende de bewustwording – en daardoor ook de dood – van de kunstzinnige benadering. Het was de stap van kunst naar wetenschap. 

Het gelijke wordt door het gelijke gekend, schreef Aristoteles. Rudolf Steiner kon het mysterie van Golgotha bewust begrijpen doordat hij zelf deze etherische dood doormaakte en de stap van kunst naar wetenschap zette. Hij ontwikkelde de kunst van Goethe tot een geesteswetenschap. Deze kunst streefde zelf reeds naar wetenschap – en daardoor ook naar religie – maar Goethe kwam niet tot de Steigerung die het overschrijden van de drempel naar de geest mogelijk maakt. Het was nog te vroeg, de tweede kruisiging van Christus had nog niet had plaatsgevonden. Rudolf Steiner, die honderd jaar later kwam, slaagde daar wel in. Hij wist de kunst tot wetenschap te transformeren zodat hij de geestelijke wereld bewust kon betreden en hem wetenschappelijk onderzoeken. Op die manier ontmoette hij Christus in een volkomen bewust ‘etherisch’ beleven van het mysterie van Golgotha. Dat was het grote keerpunt in zijn leven. Nu treedt hij naar buiten als geesteswetenschapper, als geestelijk leider.

De etherische kruisdood van Christus werd niet alleen gespiegeld in het leven van Rudolf Steiner. Ze werd ook zichtbaar in de kunst, die aan het begin van de 20ste eeuw ‘sterft’. Ze houdt op uitdrukking te zijn van de levende geest en wordt het voertuig van louter dode, abstracte gedachten. De kunst, zou je kunnen zeggen, wordt wetenschap, ware het niet dat dit ‘sterven’, deze transformatie volkomen onbewust verloopt. Ze leidt dan ook tot een contradictio in terminis: een onbewuste wetenschap die tegelijk een onbewuste kunst is. Rudolf Steiner daarentegen transformeert de kunst heel bewust tot een wetenschap die tegelijk een kunst is. Hij loodst de kunst door de dood en brengt ze tot wederopstanding in zijn antroposofie. De geesteswetenschap wordt geboren uit de stervende kunst en na de ‘grote scheiding’ volgt de herverbinding van (de kunstzinnige) moeder en (het wetenschappelijke) kind. In de wereld gebeurt het omgekeerde: kunst en wetenschap drijven steeds verder uiteen, ze worden vreemden voor elkaar.

De ontmoeting met Christus in het meebeleven van diens etherische kruisdood betekende voor Rudolf Steiner niet alleen een innerlijk maar ook een uiterlijk keerpunt. Er komt abrupt een eind aan zijn artistieke vie de bohème en hij wordt een ‘spiritueel leraar’. Maar de geesteswetenschapper verbindt de antroposofie onmiddellijk weer met de kunst. Rudolf Steiner begint zijn openbare leven met een voordracht over een kunstwerk: Goethes sprookje van de groene slang. Op het theosofisch congres in Munchen versiert hij de zaal met zeven schilderijen die een voorbode zijn van de zeven zuilen van het Goetheanum, het gebouw dat de hereniging van het antroposofische kind met zijn kunstzinnige moeder moet bezegelen. Maar deze herverbinding – deze re-ligie zeg maar – van geesteswetenschap en kunst stuit van meet af aan op weerstanden die alsmaar sterker worden en uiteindelijk culmineren in de brand van het Goetheanum. Moeder en kind worden met geweld weer gescheiden. 

De vernietiging van het Goetheanum was voor Rudolf Steiner een enorme klap die zijn etherische lichaam dreigde te scheiden van zijn fysieke lichaam. Het was zijn Hof-van-Olijvenmoment: net als Christus worstelde hij tijdens de fatale nacht met de dood en met het mislukken zijn levensmissie. Want zijn leerlingen waren ‘in slaap gevallen’: ze hadden niet het wakkere bewustzijn ontwikkeld dat moeder en kind – en ook de vader – had moeten beschermen. Slechts met inspanning van al zijn Ik-krachten wist Rudolf Steiner deze aanslag op zijn etherische lichaam te overleven. De brand van het Goetheanum mocht dan wel van buitenaf aangestoken zijn, de voorwaarden waren volgens hem van binnenuit geschapen doordat de antroposofische vereniging ‘sliep’. Steiners leerlingen waren er niet in geslaagd zich tot het niveau van het wakkere denken te verheffen, ze waren blijven steken op het oude niveau van het dromerige voelen met al zijn dualiteiten, tegenstellingen en conflicten.

Het in de as gelegde Goetheanum weerspiegelde de interne toestand van de antroposofische vereniging: alleen het betonnen fundament bleef over. De antroposofie was erin geslaagd een kunstwerk te worden, maar dat had een vernietigende aanval van de tegenmachten uitgelokt, en nu was men terug bij af. De brand was het begin van Rudolf Steiners lijden en sterven. Een jaar later volgde zijn eigen Golgotha toen hij tijdens de Weihnachtstagung zijn leven gaf voor zijn vrienden. Hij verbond zijn lot met dat van zijn leerlingen en nam – net als Christus – vrijwillig hun ‘zonden’ op zich. Dat kostte hem het leven. De brand van het Goetheanum had zijn etherische lichaam verwoest en nu was het de beurt aan zijn fysieke lichaam. Op foto’s uit zijn laatste levensjaar ziet Rudolf Steiner eruit als een levende dode. Louter door inspanning van al zijn geestelijke krachten weet hij nog een tijdlang in leven te blijven, een beetje zoals Kaspar Hauser een messteek door het hart nog enkele dagen overleefde. 

Beide doodservaringen – de brand van het Goetheanum en de Weihnachtstagung – zijn het gevolg van de conflicten binnen de antroposofische vereniging. Het zijn de ruzies tussen zijn leerlingen die Rudolf Steiner het (etherische en fysieke) leven kosten. Na zijn dood breken ze heviger uit dan ooit en scheuren de vereniging in twee. Men kan zich de vraag stellen of dit voor Rudolf Steiner – die zijn lot had verbonden met dat van de antroposofische vereniging – geen nieuwe doodservaring was. Hoe dan ook, deze conflicten hadden vreselijke gevolgen. Reeds van de eerste wereldoorlog had Rudolf Steiner gezegd dat hij vermeden had kunnen worden als het Goetheanum vlugger klaar was geweest – lees: als antroposofen beter hadden samengewerkt – en na zijn dood zei Ita Wegman dat Hitler aan de macht zou komen als de antroposofen hun ruzies niet wisten bij te leggen. Ook wat we vandaag zien gebeuren had vermeden kunnen worden als platonici en aristotelici erin geslaagd waren samen te werken.

Het is natuurlijk gewaagd om een verband te veronderstellen tussen wat er in de antroposofische wereld gebeurt en wat er op wereldvlak gebeurt. Maar noblesse oblige. Wie Rudolf Steiner ernstig neemt, moet dit verband onder ogen zien, hoe pijnlijk het ook is. Pas wanneer we de (etherische) doodservaring van die bewustwording meemaken, leren we de keerzijde van het antroposofische karma kennen. En die is dat we niet machteloos zijn. Door aan karmaonderzoek te doen, herenigen we moeder en kind, we brengen de geestelijke en de fysieke dimensie van het leven weer bij elkaar, we verbinden kunst en wetenschap, hart en hoofd. We versterken de band die al meer dan honderd jaar de grootste doorn is in het oog van de tegenmachten. Dat is vandaag meer dan ooit nodig want de tegenmachten ontketenen opnieuw hun duivels. De corona-pandemie is geen fysieke maar een geestelijke pandemie: ze wil moeder en kind zover uit elkaar drijven dat ze elkaar nooit meer kunnen vinden.

Corona (10)

  

De zon schijnt en de seringen bloeien. Na een malse regenbui ligt de wereld er als nieuw bij, glanzend van gezondheid en groeiend dat het een lieve lust is. Maar in onze ziel is het geen lente, wel integendeel, onze innerlijke zon is verdwenen. We tasten in het duister en weten niet meer wat we moeten denken van die stralende natuur. Is ze wel te vertrouwen? Is zij niet het liefelijke gezicht van het kwaad dat in de vorm van dodelijke virussen overal op de loer ligt? Opeens blijkt de lente levensgevaarlijk te zijn en kan ze ons leven onverwacht in een hel veranderen. Of komt het coronavirus niet uit de natuur maar uit één van onze laboratoria, waar we het gecreëerd hebben als leerling-tovenaars die nu de controle over hun eigen schepping kwijt zijn? Ja, misschien zijn wij zelf wel een kwaadaardig virus dat het leven op aarde bedreigt! Wat moeten wij onze kinderen nog vertellen over de lente, over de wereld, over onszelf? De waarheid? Maar wat is de waarheid? We weten het minder dan ooit.

Hoe ouder een mens wordt, hoe meer hij beseft niets te weten. De wereld wordt voor hem opnieuw een mysterie, net als bij zijn geboorte. Vandaag lijken we allemaal oud te zijn geworden, want de werkelijkheid heeft de illusies van de wetenschap doorprikt. Het pronkstuk van ons denken heeft geen antwoord op de problemen waarmee we momenteel geconfronteerd worden (en die het voor een groot deel zelf veroorzaakt heeft). We staan met lege handen tegenover de corona-dreiging en worden overrompeld door de vraag: wat kunnen we nog geloven? De waarheid is onvindbaar geworden en we worden overspoeld door angst, depressie en vertwijfeling. Wanhopig zoeken we naar houvast en zekerheid in een wereld die steeds chaotischer, steeds onherbergzamer, steeds dreigender wordt. De behoefte aan een sterke man (of vrouw) groeit, want het wordt alsmaar duidelijker dat de wetenschap dat houvast niet kan bieden. Ons weten is aan een grens gekomen, het verandert steeds meer in een niet-weten.

Maar hoe kunnen we dan nog zekerheid vinden in het leven zonder onze vrijheid kwijt te raken? Het antwoord komt uit onverwachte hoek, namelijk uit de kunst. Dat is de laatste plek waar we de waarheid gaan zoeken, want kunst staat voor ons gelijk met subjectiviteit en individualisme, terwijl we van de waarheid juist verwachten dat ze – zoals de wetenschap – objectief is en geldt voor iedereen. Maar het is precies deze dualiteit die overwonnen moet worden, want de waarheid mag dan wel objectief zijn, ze is tevens subjectief: ze kan niet los worden gemaakt van ons eigen wezen. De waarheid is geen ding dat buiten ons kan worden geplaatst, zij moet worden beleefd. Ze is iets levends: we moeten haar kunnen voelen in ons hart, ze moet ons vervullen. Zonder die rechtstreekse, persoonlijke verbinding merken we het niet als de leugen de plaats van de waarheid inneemt. En die gevoelsmatige verbinding, die hart-kwaliteit, vinden we in de kunst: zij geeft ons wat de wetenschap niet kan geven.

Maar ook het omgekeerde is waar: de wetenschap geeft ons wat de kunst niet kan geven: helderheid en inzicht. Het licht van de rede is als de zon die alles doet verschijnen. Die zon leeft weliswaar ook in de kunst, maar daar is zij verduisterd door de materie. Deze artistieke ‘zonsverduistering’ maakt echter iets zichtbaar dat in de zonovergoten werkelijkheid niet kan waargenomen worden: de allesdoordringende zonne-aura van de waarheid. Dit waarheidslicht is er altijd, maar het verschijnt alleen wanneer de maan de zon precies bedekt, dat wil zeggen wanneer de kunstenaar erin slaagt geest en materie volkomen te doen samenvallen. Er is echter nog een tweede voorwaarde: alleen degenen die precies weten waar en wanneer ze moeten kijken, krijgen deze mysterieuze zonne-aura te zien. Zij weten ook wat ze zien, zodat de verduistering hen geen angst aankaagt. Anders gezegd, zonder de wetenschap krijgt men het waarheidslicht van de kunst niet te zien, tenzij per ongeluk. 

Kunst en wetenschap zijn dus allebei nodig om de waarheid te kunnen zien: in de kunst beleven we de waarheid zonder het te weten, in de wetenschap kennen we de waarheid, maar we hebben er het contact mee verloren. Het probleem is dat kunst en wetenschap elkaar uitsluiten: we kunnen de waarheid niet tegelijk kennen en beleven, evenmin als we tegelijk de aardse wereld en de sterrenwereld kunnen zien. Als de zon verschijnt, verdwijnen de sterren en omgekeerd. Ze zijn er altijd allebei, maar we zien ze nooit tesamen, tenzij tijdens een eclips. Zo gaat het ook met kunst en wetenschap. Om kunst te kunnen zien, moeten we er ons aan overgeven en dat maakt een rationele benadering onmogelijk. Een rationele benadering sluit dan weer de gevoelsmatige overgave uit en doet de kunst uit onze waarneming verdwijnen. Kunst en wetenschap wisselen elkaar af zoals de zon en de maan, maar ze vallen nooit samen, tenzij bij hoge uitzondering, zoals tijdens een zonsverduistering.

De grens die de wetenschap bereikt heeft, is de grens met de kunst. Pas wanneer ze die grens overschrijdt, kan ze de waarheid vinden die ze zoekt. Wat haar daarvan weerhoudt, is het feit dat ze dan verdwijnt, dat ze zichzelf opheft. De wetenschap kan het gebied van de kunst niet betreden zonder haar objectieve afstandelijkheid op te geven. En dus rijst de vraag: kan de wetenschap deze grens overschrijden en toch wetenschap blijven? Kunnen we de waarheid bewust leren kennen of kunnen we ze hoogstens gevoelsmatig beleven zoals in de kunst? Dat is de cruciale vraag die Rudolf Steiner zich stelde aan het eind van de 19de eeuw. Als helderziende was hij er diep van doordrongen dat de wetenschap aan een grens was gekomen: de grens tussen de dode materie en de levende geest. Voor hem was het geen probleem om die grens in beide richtingen te overschrijden, maar wat hij zocht was een brug tussen beide werelden, zodat er – op de grens – een wetenschap van de hele werkelijkheid kon ontstaan.

Die brug vond hij in de kunst (van Goethe) en dat is geen toeval, want in de kunst zijn materie en geest met elkaar verbonden. Maar dat zien we niet, want zowel materie als geest verdwijnen uit ons bewustzijn wanneer we naar kunst kijken. We zien geen van beide meer, zoals we ook de zon en de maan niet meer zien tijdens een zonsverduistering. Wat we wel zien, is een nieuwe, onbekende werkelijkheid: de zonne-aura van de waarheid. Daar zijn we ons echter niet van bewust, want we stellen ons geen vragen naar de aard van deze derde, kunstzinnige werkelijkheid. Ze vervult ons met verrukking en doet al onze vragen verstommen. De kunst is het antwoord op al onze vragen. Maar juist doordat we sprakeloos naar haar kijken, blijft haar (waarheids)wezen ons onbekend. Nochtans zien we in de figuur van Goethe dat de kunst wel degelijk gekend wil worden, dat ze streeft naar wetenschap en bewustzijn. Maar de laatste vraag, de vraag naar haar eigen wezen, kon Goethe niet stellen zonder op te houden kunstenaar te zijn. 

Rudolf Steiner kon dat wel. Als wetenschapper kon hij de ultieme vraag stellen naar het waarheidswezen van de kunst, naar het scheppende wezen van de mens. Dat was een grote stap, want alles verandert wanneer we ons vragen beginnen te stellen over datgene wat alle vragen doet verstommen. Er is een enorm verschil tussen het onbewuste en het bewuste betreden van de geestelijke dimensie van de werkelijkheid, tussen het dromerig-gevoelsmatige beleven en het bewust-verstandelijke benaderen van het wezen van de kunst. Het eerste vervult ons met verrukking, het tweede met ontzetting. In ons hart kennen we de waarheid, zij is ons vertrouwd, het waarnemen ervan is een herkenning. Maar wat voor onze onbewuste ziel kinderspel is, is voor onze bewuste, verstandelijke ziel een schokkende ervaring. De wetenschapper die vragend doordringt tot het wezen van de kunst, voelt zich overweldigd, al zijn wapens worden hem uit handen geslagen. En daar staat hij dan: klein, nietig en onmachtig. 

Het bewust overschrijden van de grens tussen kunst en wetenschap is een beproeving en er is veel liefde nodig om deze beproeving te doorstaan. We kunnen ons niet voorstellen wat Rudolf Steiner doorgemaakt heeft toen hij – als eerste – deze grens overschreed. Voor het oog van de wereld was hij een mislukte wetenschapper die leefde als een bohémien tussen kunstenaars. Maar dat was slechts een uiterlijk beeld van wat zich in zijn ziel afspeelde: als wetenschapper betrad hij het gebied van de kunst en werd ‘verduisterd’. Maar dankzij deze (vrijwillige) verduistering zag Rudolf Steiner de zonne-aura van de waarheid verschijnen en werd een nieuwe wetenschap geboren: de geesteswetenschap, de wetenschap van de hele werkelijkheid, de materiële zowel als de geestelijke. Dit waarheidslicht scheen echter in de duisternis van een door en door materialistische wereld en werd er niet door aanvaard. Dat nam echter niet weg dat het een keerpunt was, het aanbreken van een nieuw tijdperk. 

Rudolf Steiner voorspelde dat de wetenschap zoals we die vandaag kennen zou verdwijnen. Dat kunnen we ons nauwelijks voorstellen, want de moderne wetenschap is machtiger dan ooit. Toch heeft de corona-crisis duidelijk gemaakt dat die machtige wetenschap een reus op lemen voeten is. En hij wankelt. Wat we vandaag meemaken, is de machtsgreep van een materialistische wetenschap die voelt dat haar dagen geteld zijn en zich gedraagt als een gewond dier dat gevaarlijker is dan ooit. Dit dier is vervuld van haat tegen de kunst en tegen het vrije, scheppende wezen van de mens wiens tijd gekomen is. Die haat is eigenlijk angst, want de enige manier waarop de wetenschap zichzelf kan redden, is door zich te verbinden met die verafschuwde kunst, er zich door te laten ‘verduisteren’ en daarna in een nieuwe vorm weer te verschijnen. Tegelijk is dat ook de enige manier waarop belet kan worden dat de vrije mens opgesloten wordt in een kooi: door de waarheid van de kunst bewust te leren kennen. 

Honderd jaar geleden zei Rudolf Steiner dat het in de 20ste eeuw twee kanten op kon: ofwel kwam de antroposofie tot bloei en gaf zij de menselijke beschaving de geestelijke impuls die ze nodig had, ofwel kwam die beschaving aan de rand van het graf te staan. Alles hing af van de samenwerking tussen platonici en aristotelici, tussen de kunstenaars en wetenschappers par excellence dus. Er moest op ruimere schaal gebeuren, wat 2000 jaar geleden op één enkele plaats gebeurde: in de tempel van Jeruzalem, waar het Ik van de solomonische Jezus (de ‘wetenschapper’) overging in de nathanische Jezus (de ‘kunstenaar’). Door dit goed bewaarde geheim te onthullen, maakte Rudolf Steiner het oerbeeld zichtbaar van wat hij zelf zou doen tijdens de Weihnachtstagung: hij offerde zijn leven door zijn lot te verbinden met dat van zijn leerlingen. Toen hij vervolgens – wegkwijnend als de solomonische Jezus – het geheim onthulde van de oude en de jonge zielen, nodigde hij ons uit zijn voorbeeld te volgen.

De kern van dat voorbeeld is de manier waarop de tegenpolen met elkaar verbonden worden. De verbinding zelf wordt bewerkstelligd door de (weder)komst van Christus en ligt niet in de vrijheid van de mens. Wat wel in zijn vrijheid ligt is hoe de verbinding tot stand komt: op de manier van de wetenschap of op die van de kunst. In het eerste geval is de verbinding gebaseerd op macht: zoals de wetenschap de natuur onderwerpt, zo onderwerpt ze ook de kunst. Het resultaat zien we in de hedendaagse kunst. Deze zogenaamde ‘nieuwe’ kunst kan niet bestaan zonder de uitleg van experts, ze is afhankelijk van de wetenschap. Eigenlijk is ze niet meer dan een toegepaste wetenschap: ze brengt de ideeën van de (materialistische) wetenschap in beeld. In het tweede, kunstzinnige geval is de verbinding gebaseerd op liefde: de wetenschap geeft zich over aan de kunst, en laat er zich door verduisteren. Het resultaat van deze kunstzinnige verbinding zien we in de antroposofie: een wetenschap die tegelijk een kunst is.

Het kan dus twee richtingen uit met de verbinding der tegenpolen: de richting van de kunst of de richting van de wetenschap. De eerste resulteert paradoxaal genoeg in een nieuwe wetenschap (de antroposofie), de tweede in een nieuwe kunst (de hedendaagse). In beide gevallen worden kunst en wetenschap één, maar in het ene geval gebeurt dat op christelijke wijze (naar het voorbeeld van de twee Jezuskinderen), in het andere geval gebeurt het op omgekeerde, ahrimaanse wijze. Wat de hele zaak zo complex maakt, en waardoor beide manieren voortdurend met elkaar verward worden, is dat het in beide gevallen om een omkering gaat. In het christelijke geval wordt de wetenschapper een kunstenaar, in het ahrimaanse geval wordt de kunstenaar een wetenschapper. In abstracto lijkt dat hetzelfde te zijn, in concreto is het het verschil tussen goed en kwaad: de christelijke omkering leidt tot een Steigerung van zowel kunst als wetenschap, de ahrimaanse omkering leidt tot de vernietiging van beide. 

Op welke manier verbinden we kunst en wetenschap met elkaar? Dat is de keuze waarvoor we vandaag staan. Het is de keuze tussen Christus en Ahriman, tussen goed en kwaad, tussen een nieuwe lente en de dood. Op zich is die keuze niet moeilijk, het probleem ligt in het onderscheiden van de twee keuzemogelijkheden. Doordat we allemaal ‘wetenschappers’ zijn geworden en met ons hoofd denken, zien we geen verschil tussen beide. Dat verschil zien we alleen met ons hart. De wetenschapper onderscheidt zintuiglijk en verstandelijk, dat wil zeggen op materieel vlak. De kunstenaar onderscheidt ook op moreel-geestelijk vlak: hij kan de waarheid waarnemen. Maar hij onderscheidt niet met zijn hoofd, hij onderscheidt met zijn hart, en dat hart moet de wetenschapper leren kennen. Daarvoor moet hij dit ‘waarheidsorgaan’ echter bevrijden, want Ahriman heeft het in zijn wurgende greep, de greep van de angst. En om het hart te bevrijden is moed nodig, michaëlische moed. 

Corona (5)

  

Science is the belief in the ignorance of experts. (Richard Feynman)

Tijdens de eerste wereldoorlog, toen miljoenen mensen stierven op het slagveld, werd er in Dornach getimmerd, gebeeldhouwd en geschilderd aan het Goetheanum. Ook tijdens de daaropvolgende katastrofe, toen nog veel meer mensen stierven aan de Spaanse griep, bleef Rudolf Steiner voordrachten geven over de wereld van de geest. Juist in deze tijden, zei hij, is het van belang dat we ons blijven concentreren op het antroposofische werk. Zowel de wereldoorlog als de epidemie waren volgens hem karmische gevolgen van het 19de eeuwse materialisme en zolang dat niet overwonnen werd, zouden de katastrofes elkaar blijven opvolgen. Daaraan moest ik denken tijdens het werken aan mijn beschouwingen over het ontwikkelen van een oog voor kunst. Hoe futiel lijkt het niet om je daarmee bezig te houden in tijden van corona-crisis! Maar kijk, tot mijn eigen verbazing stel ik vast dat mijn conclusies nauw aansluiten bij de huidige situatie waarin we ons blindelings overleveren aan ‘experts’ die de hele wereld op zijn kop zetten.   

Virologen, epidemiologen en bacteriologen buitelen over elkaar en overstelpen ons met hun expertise tot onze oren ervan tuiten. Niet alleen spreken ze elkaar tegen, maar ze veranderen ook geregeld van mening, een beetje zoals wijlen Jan Hoet, die de ene dag zonder verpinken het tegenovergestelde zei van wat hij de dag tevoor nog had beweerd. Het deed niets af aan zijn gezag of geloofwaardigheid, wel integendeel, hij werd op handen gedragen, net als griepcommissaris Marc Van Ranst vandaag. Deze laatste lijkt wel in quarantaine te zitten op de VRT en brengt zijn tijd door met de bevolking te vertellen wat ze moet doen en vooral niet mag doen. Volgens hem zal de toestand nog maanden duren en vallen de drastische maatregelen niet zomaar terug te schroeven. Niet alleen in ons land, maar in heel Europa, ja in de hele wereld zullen mensen nog een hele tijd ‘in hun kot’ moeten blijven en dat terwijl de zon schijnt en iedereen naar buiten wil. 

Zoals dat ook met de klimaatkwestie het geval was, heerst er grote eensgezindheid onder de experts. Tenminste, dat wordt ons voorgehouden. Wie echter een beetje rondkijkt op het internet weet dat die consensus een fabeltje is. Verschillende virologen, en heus niet de eerste de beste, beweren dat de hele corona-pandemie een hoax is, boerenbedrog dus. Ze wijzen er onder meer op dat het dodental niet hoger ligt dan andere jaren. Ieder jaar weer kost de griep het leven aan talloze mensen, meestal bejaarden. Het is een soort jaarlijkse lenteschoonmaak. Wat is er dit jaar dan anders? Vanwaar die wereldwijde paniekreactie? Verleden jaar bijvoorbeeld stierven wereldwijd 650 000 mensen aan de griep. In eigen land waren dat er een kleine drieduizend. Dat waren normale gemiddelden en geen haan kraaide er dan ook naar. Ondanks alle dramatische berichten staan we nog altijd ver van die cijfers af. Maar, waarschuwen de experts, dit is de stilte voor de storm, er zullen mogelijk miljoenen slachtoffers vallen! 

Twintig jaar geleden voorspelden experts dat half Europa vandaag onder water zou staan. Reden genoeg dus om sceptisch te staan tegenover ‘wetenschappelijke’ doemscenario’s. Eén ding is zeker: door luid alarm te slaan over een virus dat tot nog toe vrij onschuldig is gebleken, wordt een virus verspreid dat veel gevaarlijker is: angst. Volgens Rudolf Steiner is angst de beste voedingsbodem voor virussen en bacillen. Hoe angstiger mensen zijn, des te gemakkelijker worden ze geïnfecteerd. Dat zou dus betekenen dat de experts bevorderen wat ze menen te bestrijden. Ze creëren een vicieuze cirkel: hoe meer angst, hoe meer infecties, hoe meer infecties, hoe meer angst. Dat doet opnieuw de vraag rijzen: waarom jagen ze de mensen dit jaar zoveel angst aan en niet verleden jaar of de jaren daarvoor, toen er net zoveel slachtoffers vielen? Wat is het verschil? Is het na de klimaatexperts wellicht de beurt aan de virusexperts om ons de stuipen op het lijf te jagen met hun onheilspellende cijfers, tabellen en grafieken? 

Aan sommige experts, moeten we opnieuw zeggen, want er zijn er ook die beweren dat de remedie erger is dan de kwaal en dat de maatregelen die vandaag getroffen worden (veel) meer ellende veroorzaken dan het virus zelf. Denken we maar aan al die oude mensen die vandaag in eenzaamheid sterven, of aan jonge ouders die samen met hun kinderen opgesloten zitten in hun appartementje, of aan de economische gevolgen die dreigen de hele gezondheidszorg (en nog veel meer) in het gedrang te brengen. Maar, zeggen de experts, dat is de prijs die we moeten betalen om nog groter verschrikkingen te voorkomen! Dan hebben ze in Azië toch betere experts, want daar slagen verschillende landen erin het aantal slachtoffers tot een minimum te beperken zonder dat ze daarvoor een lockdown nodig hebben. Jamaar, roepen de Europese experts, we kunnen de cijfers van die communistische landen niet zomaar geloven! Alsof kapitalistische cijfers wel betrouwbaar zijn en Marc Van Ranst geen communist is …

Wie bepaalt welke experts het voor het zeggen hebben? Net als in de klimaatkwestie wordt ook nu weer een hele groep deskundigen monddood gemaakt. Alleen de angstverspreiders mogen hun mening verkondigen. Dat ligt geheel in de lijn van wat de media nu al decennia lang doen: angst en tweedracht zaaien, afwijkende meningen doodzwijgen of belachelijk maken. Daar plukken we nu de vruchten van: de angst sleurt iedereen mee. Landen die een eigen aanpak voorstaan, worden gedwongen hun standpunt te herzien. Overal moeten individuele reacties wijken voor de grote, collectieve angstreactie. Krijgswetten worden afgekondigd, alsof het oorlog is. In Amerika kan gelijk wie opgesloten worden als hij ervan verdacht wordt virusdrager te zijn. Wie bij ons op voedingswaren hoest riskeert vijf jaar cel. In Indië dreigt men overtreders van het uitgaansverbod gewoon neer te schieten. Enzovoort, enzovoort. En dat alles wordt mogelijk gemaakt door experts die onafgebroken angst zaaien. 

Marc Van Ranst vertelt op televisie dat het nog wel het hele jaar zal duren voor de situatie weer normaal is. Hij vertelt ook dat het virus terug zal keren. Dat betekent dat we volgend jaar weer hetzelfde zullen meemaken en dat de angst dus permanent zal worden. Tenzij er een vaccin wordt gevonden (Marc Van Ranst werkt nauw samen met Johnson & Johnson). Maar vaccins verzwakken het immuunsysteem, ze maken de mens kwetsbaarder en de virussen derhalve gevaarlijker. Het beste voorbeeld zijn de mazelen, een onschuldige kinderziekte die (onder meer) door massale vaccinatie vandaag levensbedreigend is geworden. De roep om een universeel vaccin zal na de corona-epidemie dan ook luider klinken dan ooit. Wellicht wordt dat het geneesmiddel dat Rudolf Steiner voorspelde en dat de mens van bij zijn geboorte zou afsnijden van de geest. De vicieuze cirkel zal dan helemaal rond zijn, want juist dit afgesneden-zijn van de geest is de grondoorzaak van de huidige crisis. 

De mensheid wordt langzaam maar zeker opgesloten in een gevangenis die ze zelf bewaakt. Men moet het maar eens wagen de nieuwe regels in vraag te stellen: onmiddellijk wordt men er door zijn medemensen van verdacht een gewetenloze egoïst te zijn, een gevaar voor de anderen, een corona-terrorist. Angst maakt mensen volgzaam op een agressieve manier: ze beginnen elkaar te controleren, ze dwingen elkaar in de pas te lopen. Het politiek-correcte bewind waaronder we al zolang leven, is een angstbewind. Het heeft het pad geëffend voor de huidige angstepidemie en die effent op haar beurt het pad voor nog meer angst, nog meer eenheidsdenken, nog meer controle. Tenzij we van de gelegenheid gebruik maken om die vicieuze cirkel te doorbreken. Maar dan komen we een nog diepere angst tegen: de angst voor de geest. Daar vinden de corona-angst, de politiek-correcte angst en de vele andere moderne angsten hun oorsprong. Nergens is de moderne mens zo bang voor als voor de geest.

Die angst kunnen we goed waarnemen in de kunst. Gevaar voor virale besmetting bestaat hier niet, want onze relatie met kunst is zuiver geestelijk: we kijken of luisteren ernaar, meer niet. Toch heerst in de kunstwereld precies hetzelfde angstklimaat als elders, met dat verschil dat het hier al zo gewoon is geworden dat we niet eens meer beseffen hoe bang we zijn, bang om zelf te kijken, bang om zelf te voelen, bang om zelf te denken. We durven niet meer oordelen over kunst omdat we geloven dat alleen experts kunnen bepalen wat kunst is en wat niet. Dat blinde geloof bepaalt heel onze omgang met kunst. Experts bepalen wat we te zien krijgen en hoe we erop moeten reageren. Zij hebben de rol van ons Ik overgenomen, een Ik dat verlamd is van angst voor de geest en zelfs niet meer durft te protesteren als het de grootste rotzooi te slikken krijgt. We leven in een angstcultuur en we beseffen het niet. Integendeel, we zijn er trots op en reageren agressief tegen al wie onze angst niet deelt.

Maar hoe kunnen we nu bang zijn voor iets waar we niet meer in geloven? Heeft ons materialisme ons niet juist bevrijd van vele irrationele angsten? Niemand is vandaag nog bang voor spoken, demonen en andere kwelgeesten. Althans niet bewust. Want onbewust gaan we allemaal over de drempel en nemen we weer geestelijke wezens waar. De angst die ze ons aanjagen projecteren we op de fysieke wereld, op onze medemensen of op virussen waarmee we de strijd aanbinden. Maar die strijd dient alleen om onze angst voor de geest te verdoven. In die zin zouden we de huidige angst-pandemie kunnen zien als het gevolg van een collectieve opstoot van onbewuste helderziendheid. Zonder het te beseffen ‘zien’ we een geest die ons de stuipen op het lijf jaagt. En wie kan dat anders zijn dan Ahriman, die op het punt staat zijn gezicht te tonen? Het corona-virus is dan ook een wake up call. We moeten onze ogen openen voor de geest die ons zoveel angst aanjaagt, anders komen we in een spiraal van geweld terecht.

Maar hoe doen we dat? Hoe ontwikkelen we een oog voor Ahriman, voor de geestelijke dimensie van de corona-epidemie? Het antwoord luidt: op dezelfde manier als we een oog voor kunst ontwikkelen. Want in de kunst slaan we geen acht op de materie, we vragen ons niet af welke verf, welke olie of welke pigmenten de schilder gebruikt heeft (tenzij we een expert zijn). We richten onze aandacht enkel op het beeld dat door deze materialen zichtbaar wordt. Daar ligt het wezen van het kunstwerk en het heeft geen zin om het elders te zoeken, bijvoorbeeld aan de achterkant van het schilderij, want daar is niets te zien. Ook de gedachten en bedoelingen van de kunstenaar kunnen we niet zien, dus daar houden we evenmin rekening mee. We kijken enkel en alleen naar het kunstwerk, naar het – in wezen geestelijke – beeld dat aan ons verschijnt. Tenminste, zo deden we dat vroeger, want sinds de hedendaagse kunst op het toneel verscheen, kijken we niet meer naar beelden, we luisteren enkel nog naar de woorden van (materialistische) experts.

De ooit zo vanzelfsprekende fenomenologische benadering van kunst – waarbij we ons enkel baseren op wat we waarnemen – is vervangen door een blind geloof in experts die ons, op grond van hun vermeende helderziendheid, vertellen wat we moeten zien, wat we moeten denken en wat we moeten voelen. Trekken we hun alwetendheid in twijfel en proberen we ons zelf een oordeel te vormen, dan is verontwaardiging ons deel: wie denken we wel dat we zijn! De kunstexperts dwingen hun gezag af door middel van angst en niemand durft tegen hen in te gaan. Die geestelijke lafheid is inmiddels een tweede natuur geworden zodat niemand in de kunstwereld zich nog realiseert hoe bang hij wel is. Immers, wie niet durft te verroeren, voelt niet dat hij verlamd is van angst. Hij verkeert in de mening dat er niks aan de hand is, en de gedachte dat er angst heerst in de kunst komt hem bespottelijk voor. De kunst is in zijn ogen juist een wereld waar iedereen zich bevrijd heeft van de angst, een wereld die moedig voorop loopt, een avant garde

We staan vandaag voor de keuze: ofwel geven we toe aan de angst en kiezen we voor een wereld vol geweld – medisch geweld, politiek geweld, sociaal geweld, militair geweld – ofwel overwinnen we die angst en openen we onze ogen voor de geest. Dat laatste doen we door de wereld fenomenologisch te benaderen, dat wil zeggen op dezelfde manier waarop we dat in de kunst doen. Maar daar komen we opnieuw voor de keuze te staan: laten we ons intimideren door de hedendaagse kunst en haar leger van experts of kiezen we voor de klassieke kunst en haar fenomenologische benadering van de werkelijkheid? Pas wanneer we dat laatste doen, ondervinden we hoe groot onze (geestelijke) angst is. Want ofschoon we volkomen vrij zijn, waagt niemand het om deze keuze te maken. We zijn als de dood voor de reactie van de experts en hun volgelingen, voor hun woede en verontwaardiging, voor hun spot en hun minachting. We zijn verlamd van angst voor de geest die door hen spreekt. 

Na de War on Drugs, de War on Terror en de War on CO2, is vandaag de War on Virus uitgebroken. Het zal de laatste niet zijn. We zitten gevangen in een spiraal van geweld waar geen eind zal aan komen tenzij we ons bewust worden van de bron van al dat geweld: onze angst voor de geest. Die angst voelen we pas wanneer we geestelijk in beweging komen, wanneer we zelf beginnen kijken, zelf beginnen voelen, zelf beginnen denken. Door ons blinde geloof in te ruilen voor vertrouwen in onszelf krijgen we de ware – ahrimaanse – aard van de experts te zien. Want zij dulden geen tegenspraak, zij dulden geen twijfel aan hun (geestelijke) gezag. Het zijn dus geen wetenschappers en het zijn evenmin kunstenaars, het zijn magiërs die de wetenschap en de kunst gebruiken om ons steeds dieper in slaap te brengen zodat ze met ons kunnen doen wat wij met de dieren doen. Het enige wat we tegen die verdierlijking kunnen doen, is wakker worden, geestelijk in beweging komen, zelf aan kunst en wetenschap doen.      

Het levende denken (epiloog)

  
 
Met mijn beschouwingen over het levende denken heb ik een grens bereikt. Welke grens dat precies is weet ik niet, maar ik heb het gevoel dat ik niet meer verder kom, dat ik in een kringetje begin te draaien. Dat geldt trouwens niet alleen voor de afgelopen beschouwingen, maar ook voor mijn denken en schrijven in het algemeen. Misschien ben ik gewoon vermoeid en moet ik er een tijdje tussenuit, maar ik denk dat er meer aan de hand is. Het is alsof er een cirkel rond is. Toen ik, in antwoord op een lezersvraag, begon na te denken over het levende denken, knoopte ik – zonder me dat te realiseren – aan bij het boek waarmee het 35 jaar geleden allemaal begon: Rudolf Steiners Filosofie der Vrijheid. Daarin denkt hij na over het denken en dat trok me over de streep. Opeens kwam er een eind aan mijn jarenlange verzet tegen de antroposofie. Ik gaf me over, zonder enige terughouding. Nadat ik dit meest onleesbare van al zijn boeken had uitgelezen, was ik antroposoof geworden. En ik ben het nog altijd.

Ik herinner het mij nog goed. Het was de avond van mijn 30ste verjaardag. Ik zat in mijn zetel en voelde me lethargisch, verveeld en leeg. Het enige wat ik wilde, was iets om mijn gedachten bezig te houden. We hadden geen televisie en dus greep ik het boek dat toevallig naast me op de grond lag. Het bleek de Filosofie der Vrijheid te zijn. Geen idee waar het vandaan kwam. Had ik het zelf gekocht of was het van mijn vrouw? Het maakte niet uit. Als het de leegte van die lange herfstavond maar kon vullen. En dat deed het. Ik las het in één ruk uit en op slag waren al mijn weerstanden tegen de antroposofie overwonnen. Wat me overstag deed gaan was de gedachte dat denken en waarnemen samenhoren, dat binnen- en buitenwereld twee kanten van dezelfde werkelijkheid zijn, en dat ze alleen in ons bewustzijn gescheiden optreden. Dat was voor mij een enorme geestelijke verlossing, want ik voelde me opgesloten in mezelf, niet in staat om de mij omringende wereld te bereiken. 

Het dualisme – de leer van de twee werelden – was voor mij geen overtuiging, maar een staat van zijn, een existentiële ervaring. Aan de ene kant was er de wereld van mijn gedachten, gevoelens, dromen en verlangens, aan de andere kant de buitenwereld, die vreemd, onherbergzaam en dreigend was. In de ene wereld kon ik mezelf zijn, in de andere werd ik gedwongen iemand anders te zijn. Ik leefde in twee werelden die volkomen haaks op elkaar stonden en die tegenstelling was een voortdurende kwelling. Eén uitzondering: de kunst. Toen ik als 11-jarig jongetje naar de academie ging, ontdekte ik een wereld waar ik helemaal mezelf kon zijn en die niettemin deel uitmaakte van de buitenwereld. Het was een soort vrijplaats waar ik de ruimte en de tijd kreeg om al tekenend stap voor stap door te dringen in die buitenwereld. Was dat niet dezelfde situatie die Rudolf Steiner beschrijft in de Filosofie der Vrijheid wanneer hij het heeft over het denken? Alleen trof ik die situatie niet in mezelf aan, maar in de buitenwereld.

De verwantschap tussen kunst en denken ondervond ik al op de eerste dag, want in plaats van me vol genot over te kunnen geven aan de vormenrijkdom van de wereld – wat ik voordien al tekenend placht te doen – moest ik mij de discipline van het meetkundige denken eigen maken. Ik deed wat me gezegd werd en in de loop der jaren veranderden al die rechte lijnen langzaam in vloeiende lijnen waarmee ik de zintuiglijke werkelijkheid beter kon beschrijven dan ooit. Toen ik later op school dezelfde meetkunde kreeg – maar dan in zuiver abstracte vorm, los van iedere concrete werkelijkheid – blokkeerden mijn hersenen, ze weigerden alle dienst. Het was een soort allergische reactie op alles wat met wiskunde te maken had en ik kreeg ze niet onder controle. Mijn schooltijd eindigde in een complete ramp. Zoals ik er nu op terugkijk, was het die tweedeling tussen zinnelijkheid en abstractie, tussen waarnemen en denken, tussen kunst en wetenschap die zo’n heftige, instinctieve reactie bij me teweegbracht.

De academie was voor mij de plaats waar denken en waarnemen met elkaar verzoend werden, de school was de plaats waar ze uit elkaar werden gedreven en alle zintuiglijkheid aan de deur werd gezet. Die school vertegenwoordigde de moderne wereld waar de wetenschap oppermachtig heerste, de academie daarentegen was een restant van de oude kunstzinnige wereld wier dagen geteld waren. Dat ondervond ik aan den lijve: onder druk van ‘de wereld’ werd de kunst geleidelijk uit mijn leven geperst. Toen ik op mijn 30ste verjaardag de Filosofie der Vrijheid ter hand nam, was ze er helemaal uit verdwenen en in mijn ziel was een doffe leegte achtergebleven. Al tekenend was ik nog in staat geweest om de diepe kloof tussen mezelf en de buitenwereld te overbruggen, maar nu was die brug ingestort en zat ik hopeloos gevangen in mezelf, in een hoofd vol nutteloze gedachten en een hart vol machteloos verlangen. Ik had de grenzen van het dualisme bereikt, ik was helemaal verscheurd. 

De Filosofie der Vrijheid verloste me uit die gevangenschap, net zoals de kunst dat eerder had gedaan. Ze deed dat op het niveau van het bewuste denken, terwijl de kunst dat had gedaan op het niveau van het fysieke handelen. Maar wat er op die twee – schijnbaar zover uit elkaar liggende – gebieden actief was, was hetzelfde en het had een geestelijk karakter, een denkkarakter. De meetkunde bijvoorbeeld, die ten grondslag lag aan het tekenen (en bij uitbreiding aan alle beeldende kunst) was niet ontleend aan de zintuiglijke werkelijkheid, ze had zich zuiver in het denken zelf ontwikkeld. En dat zuivere denken was in staat door te dringen in de zintuiglijke werkelijkheid en zichzelf te transformeren tot het vermogen om kunstzinnige beelden te scheppen, beelden die deel uitmaakten van de zintuiglijke werkelijkheid, die hetzelfde karakter en uitzicht hadden, met dat verschil dan dat ze niet leefden, dat ze dezelfde abstracte, onbeweeglijke aard hadden als de meetkunde.

In de kunst wordt het denken zintuiglijk maar niet levend. Wie naar een kunstwerk kijkt, kijkt naar een buitengewoon complex denken, waarvan iedere beweging is vastgelegd in een tekening of een schilderij. Want de kunstenaar denkt op papier en op doek, hij denkt niet in gedachten die hij vervolgens uitvoert. Nee, zijn denken en handelen vallen samen. Iedere lijn die hij trekt of iedere penseelstreek die hij aanbrengt, is in wezen een denkbeweging, en al die denkbewegingen samen vormen het kunstwerk. Een kunstliefhebber is dan ook een denkliefhebber, iemand die er niet genoeg kan van krijgen te kijken naar iemands denken. Maar het is niet diens denken-in-gedachten waar hij naar kijkt (want dat is onzichtbaar), het is een denken-in-beelden, een denken dat in de materie is afgedaald en daardoor zodanig vertraagd is dat het zichtbaar is geworden. Kunst maakt het denken zichtbaar (of hoorbaar, zoals in de muziek).

Het wonderlijke is nu dat dit zintuiglijk geworden denken rechtstreeks tot het gevoel spreekt. Het spreekt ook nog wel tot het verstand, maar dat is bijzaak geworden, want het verstand kan nooit doordringen tot het wezen van de kunst, het blijft erbuiten staan. Wie dit aspect miskent, reduceert kunst tot wetenschap voor kinderen, tot science for dummies, en dat is ze niet. Kunst maakt het mogelijk dat een uiterst complex geheel van denkbewegingen in één oogopslag waargenomen en beoordeeld wordt. De kwaliteit van dit denken komt tot uiting in de schoonheid van het kunstwerk, en die kan nooit waargenomen worden met het verstand. Schoonheid wordt waargenomen met het hart, en dat gevoelsmatige waarnemen is een oordelen, een Anschauende Urteilskraft zoals Goethe het noemt. Iedereen die in staat is met zijn hart te kijken, ziet dat het ene kunstwerk van een hoger niveau is dan het andere, maar bewijzen kan hij dat nooit, het is een strikt individuele waarneming. 

Toen ik 35 jaar geleden de Filosofie der Vrijheid las, deed ik dat met mijn verstand, maar begrijpen deed ik het boek met mijn hart. Ik ‘zag’ als het ware waar het om ging en dat zien had op mij hetzelfde verlossende, vreugdevolle effect als een kunstwerk. Het boek was een uiterst complex geheel van zeer abstracte gedachten waar ik, toen ik ze later opnieuw las, nog maar weinig van begreep, maar op de een of andere manier vormden ze een kunstwerk, anders hadden ze nooit tot mijn hart kunnen doordringen en erdoor begrepen worden. Zoiets had ik nog nooit gelezen: een boek dat tegelijk wetenschappelijk en kunstzinnig was, een boek dat in de praktijk bracht waar het in theorie over sprak, namelijk het samengaan van waarnemen en denken, van het in wezen kunstzinnige waarnemen en het rationele, wetenschappelijke denken. Zonder het te beseffen bevond ik mij tijdens het lezen van de Filosofie der Vrijheid in wat Rudolf Steiner de ‘uitzonderingstoestand’ noemde: het waarnemen van het denken. 

Kort daarna trof ik, op dezelfde toevallige manier, in de boekhandel een ander antroposofisch werk aan dat hetzelfde deed, maar dan in omgekeerde zin: Van Bethlehem tot de Jordaan, van Emil Bock. Ik was in die tijd al lang van mijn geloof afgevallen, en zonder de Filosofie der Vrijheid zou ik nooit een boek over Jezus van Nazareth hebben gelezen. Dat deed ik nu wel, zij het niet zonder enige aarzeling, en tot mijn verbazing was ik van bij de eerste regels enthousiast. Zoiets had ik ook nog nooit gelezen: iemand die op een buitengewoon kunstzinnige en beeldende manier aan wetenschap deed. Het mocht dan wel geen natuurwetenschap zijn, het was toch een zeer nuchter en nauwkeurig tekst- en geschiedkundig onderzoek dat zeker niet bedoeld was als fictie. Ook dit boek las ik in één ruk uit en opnieuw was er dat intense gevoel van bevrijding: samen met de beelden van het christendom kon ik mijn jeugd weer omarmen. Na de brug naar de buitenwereld werd er nu een brug naar het verleden geslagen, een brug in de tijd. 

Enkele jaren later volgde er nog een derde boek, dat me eveneens toevallig in handen viel: Christussucher und Michaëldiener van Hans Peter van Manen. Ik had nooit een woord Duits geleerd, maar ik las het boek, net als beide vorige, in één ruk uit (met behulp van een Prisma-woordenboekje). Ten derde male voelde ik het enthousiasme opvlammen, wat (achteraf gezien) niet zo verwonderlijk was, aangezien het in wezen om dezelfde zaak ging: de coincidentia oppositorum, het samenvallen der tegendelen. Ging het in de Filosofie der Vrijheid om waarnemen en denken, en in Van Bethlehem tot de Jordaan om de twee Jezuskinderen, dan ging het dit keer om oude en jonge zielen. Het waren drie variaties op hetzelfde thema. De eerste variatie speelde zich af op denkgebied, de tweede op gevoelsgebied, en de derde op wilsgebied. Iedereen is immers ofwel een oude ofwel een jonge ziel en dus kun je niet buiten dit thema blijven staan. Het komt pas tot leven als je je er – heel persoonlijk – mee verbindt.

Die verbinding is een vrije daad. Dat blijkt wel uit het feit dat vrijwel geen enkele antroposoof hem stelt, ondanks de aanmaningen van Rudolf Steiner. De Filosofie der Vrijheid is een cultboek, er wordt in de antroposofische wereld hoog over opgegeven ofschoon ik betwijfel dat veel mensen het gelezen hebben. Ook het verhaal van de twee Jezuskinderen is algemeen bekend, maar veel wordt er niet over nagedacht, heb ik de indruk. Het blijft grotendeels in de gevoelssfeer steken, de sfeer van eerbied en verering. Over het zielenthema echter wordt helemaal niet nagedacht, de drempel naar de wilssfeer blijkt te hoog te zijn. Het gaat hier niet om het willen op zich – men kan moeilijk beweren dat antroposofen niet actief zijn – het gaat om een willen dat zowel met het denken als het voelen verbonden is. En dit bewuste en vrije willen roept heel sterke weerstanden op. Dat heb ik de afgelopen 30 jaar meermaals mogen ondervinden. Mensen worden zelfs kwaad als ze met het zielenthema geconfronteerd worden.

Voor mij is het thema van de oude en de jonge zielen het mooiste uit de antroposofie. Het maakt me enthousiast en ik beleef er vreugde aan, zoals aan alles wat kunstzinnig is. Maar het bezorgt me ook veel verdriet. Niet alleen vind ik het pijnlijk om te zien hoe antroposofen Rudolf Steiner negeren, juist wanneer hij met de grootste aandrang spreekt, maar de miskenning van het zielenthema schept ook afstand tussen mezelf en de antroposofische beweging. Die beweging had in feite de opvolger moeten worden van de academie zoals ik die in mijn jeugd heb gekend: een spirituele oase in een woestijn van materialisme, een vrijplaats waar ik me thuisvoelde en helemaal mezelf kon zijn. Dat is de antroposofische vereniging echter nooit geweest. Juist de wilssfeer, waar kunst ontstaat en vrijheid reëel wordt, waar het dode denken tot leven komt en zich transformeert tot een scheppende kracht, bleek het grote struikelblok. Zodra ik die sfeer betrad werd ik de deur gewezen, en niet altijd op zachtzinnige wijze.

Op de meest pregnante manier kwam dat tot uiting toen ik (ongeveer) zeven jaar na het lezen van de Filosofie der Vrijheid nog een vierde variatie op hetzelfde tweeledige thema leerde kennen. Dat gebeurde opnieuw volkomen onverwacht. Dit keer betrof het geen antroposofisch werk – althans niet in naam – maar een kunstwerk dat helemaal wortelde in de wereld van onze tijd. Wat ik ervaren had aan de drie boeken beleefde nu zijn Steigerung. Niet alleen de vreugde was veel groter, maar ook het verdriet, want de miskenning en afwijzing van de antroposofische wereld was nu totaal. Wat hebben wij daarmee te maken! zeiden ze in koor. Het klonk me in de oren als: wat hebben wij met jou te maken! Maar meer nog klonk het als: wat hebben wij te maken met de wereld van onze tijd! Voor het eerst in mijn leven had ik werkelijk het gevoel over de brug te zijn geraakt en mijn isolement overwonnen te hebben. En uitgerekend op dat moment zei de antroposofische wereld: ga weg met die onzin, laat ons met rust!

Dat heb ik dan ook gedaan: afgezien van enkele zure oprispingen heb ik hen sindsdien met rust gelaten. Er was trouwens geen doorkomen aan, het was alsof ik op een muur botste. Ik zag maar één manier om deze kloof te overbruggen en dat was: denkend doordringen in het kunstwerk dat mij bevrijd had en dat als geen ander het denken in beeld bracht. Het bleek het spannendste te zijn wat ik ooit gedaan had, maar ook het moeilijkste. Ik realiseerde me dat ik nog nooit echt nagedacht had in mijn leven. Pas nu – nel mezzo del cammin di nostra vita – begon ik dat te doen. Zoals ik destijds naar de kunstacademie ging om echt te leren tekenen, zo zette ik nu mijn eerste stappen in een ‘denkacademie’, en die heb ik sindsdien niet meer verlaten. Ik ben blijven nadenken over dit kunstwerk, telkens weer botsend op de grenzen van mijn denken, telkens weer mijn onmacht belevend. Vandaag wil ik een laatste poging doen om deze zaak rond te krijgen, de zaak waar mijn hele leven rond gedraaid heeft: de coincidentia oppositorum

Het levende denken (7)

  

Het oerbeeld van een polariteit die uitmondt in een Steigerung is de geschiedenis van de twee Jezuskinderen. Hun relatie leidde tot de incarnatie van de Christusgeest tijdens de doop in de Jordaan, het begin van diens menswording. Vandaag staan we aan het begin van de Christuswording van de mens. Het verschijnen van een figuur als Rudolf Steiner getuigt daarvan. Sinds het aflopen van het Kali Yuga zijn de poorten van de hemel weer opengegaan, de poorten die tijdens de Godenschemering langzaam dicht waren gegaan tot ze in de 19de eeuw helemaal op slot zaten. Dit afgesloten zijn van de geest bracht de vrijheid van de mens met zich mee en die vrijheid speelt vandaag een cruciale rol in de herverbinding met de geest. Want de mens heeft de keuze: ofwel zoekt hij contact met de oude, paradijselijke geest ofwel probeert hij zich te verbinden met de christelijke geest. In het eerste geval laat hij zich (mis)leiden door de tegenmachten, in het laatste geval volgt hij de weg van de twee Jezuskinderen. 

‘Niemand komt tot de Vader dan door Mij.’ Deze woorden van Christus zeggen hetzelfde als het beeld van de engel met het vlammende zwaard: de mens kan geen rechtsomkeer maken en terugkeren naar het paradijs. Hoe actueel die boodschap is, wordt met de dag duidelijker. Het linkse ideaal, dat de wereld tot een paradijs wil maken waar Alle Menschen Brüder zijn, heeft de mens stevig in zijn greep, ondanks alle ellende die het reeds veroorzaakt heeft en nog altijd veroorzaakt. Dit reactionaire, luciferische verlangen naar het verloren gegane paradijs – het verlangen naar de Vader- of de Moedergeest – vermengt zich met angst voor de toekomst en drijft de mens in de armen van Ahriman. Verre van het paradijs te bereiken, komt hij in de onderwereld terecht. Wie niet vrijwillig de weg van beide Jezuskinderen gaat – de weg naar Christus – kiest zonder het te beseffen de weg van beide tegenmachten – de weg naar de Antichrist – en dat is een keuze met apocalyptische gevolgen. 

De christelijke weg van de twee Jezuskinderen is een geheim dat ondanks eeuwenlange intensieve studie van de bijbelteksten 2000 jaar lang verborgen is gebleven en pas in onze tijd onthuld werd door Rudolf Steiner. Die onthulling had een theoretisch-platonische en een praktisch-aristotelische kant. Enerzijds was er het vijfde evangelie, waarin Rudolf Steiner uitvoerig beschreef wat in de bijbel slechts summier wordt aangeduid: de weg van Jezus tot Christus. Anderzijds was er het thema van de oude en de jonge zielen, dat deze weg vertaalde naar onze tijd en er een concrete en persoonlijke aangelegenheid van maakte. Dit praktische luik was er bijna niet gekomen, want onmiddellijk na de Weihnachtstagung werd Rudolf Steiner zwaar ziek. Men wist zijn leven op het nippertje te redden, maar het was slechts uitstel van executie, want 15 maanden later stierf hij. Toch volstond dat uitstel om de onthulling van de (michaëlische) weg naar Christus te vervolledigen. 

De geestelijke krachten die het bestaan van de twee Jezuskinderen zolang geheim hadden gehouden, bleven echter doorwerken en ze doen dat tot op de huidige dag. Het vijfde evangelie werd vol eerbied opgenomen in het antroposofische bewustzijn, maar dat kon zeker niet gezegd worden van de andere zijde van de medaille: het thema van de oude en de jonge zielen. Dat stuitte meteen op sterke weerstanden die 100 jaar later nog altijd niet overwonnen zijn. Integendeel, ze verhinderden de samenwerking tussen platonici en aristotelici waarin de antroposofische weg naar Christus had moeten culmineren en het Christusbewustzijn doen opbloeien. Dat deze Steigerung niet heeft kunnen plaatsvinden is een kwalijke zaak, want Rudolf Steiner waarschuwde ervoor dat de mensheid niks ergers kon overkomen dan dat ze de wederkomst van Christus zou verslapen. Tijdens de onthulling van het zielenthema sprak hij zelfs over ‘het graf van alle beschaving’.

Wie de actualiteit een beetje volgt, kan moeilijk ontkennen dat (ook) deze voorspelling van Rudolf Steiner in vervulling lijkt te gaan. Verre van tot een hoger, levend denken te komen, wordt het denken van de mens stap voor stap verboden. Er mag geen onderscheid meer gemaakt worden, alles moet genuanceerd en gerelativeerd worden tot een eindeloze diversiteit. Het opdelen van de mensheid in oude en jonge zielen moet in het huidige streven naar paradijselijke eenheid zowat het toppunt van kwaadaardigheid zijn. Maar het ‘goedaardige’ politiek-correcte denken heeft wél tot gevolg dat de mensheid opgedeeld wordt in goede en slechte zielen. Het is een ander aspect van de keuze waarvoor de mensheid staat: ofwel maakt ze onderscheid tussen oude en jonge zielen en begrijpt ze dat beide moeten samenwerken, ofwel maakt ze onderscheid tussen goede en slechte zielen, en ontketent ze een uitzichtloze strijd. 

De politiek-correcte mens heeft echter geen oog voor het verband tussen zijn eenheidsdenken en de dualistische realiteit die eruit voortvloeit. Zijn (dode) denken heeft zich losgemaakt van de werkelijkheid en rekent zich tot een andere, hogere wereld die zich gerechtigd voelt haar wil op te leggen aan alles en iedereen. Deze zichzelf boven alles verheven wanende wereld is de wereld van Ahriman, de grimmige geest die totale onderwerping eist. Dat is zeker niet de wereld van de wetenschap, want een denken dat geen andere relatie tot de wereld heeft dan een machtsrelatie is geen wetenschappelijk denken maar het tegendeel ervan. Het rationele, mannelijke denken heeft juist als belangrijkste eigenschap zijn onzelfzuchtigheid, zijn totale overgave aan de werkelijkheid. Niet wat het zelf denkt is van belang, maar wat de werkelijkheid denkt. De wetenschap brengt het denken van de aarde tot bewustzijn, en dan in eerste instantie het denken van haar fysieke, materiële dimensie. 

Wil de wetenschap zich verder ontwikkelen, dan moet ze ook het denken van de geestelijke dimensie van de aarde tot bewustzijn brengen, te beginnen met de etherische dimensie. Daartoe moet ze zich verbinden met de kunst, want daar wordt deze dimensie in beeld gebracht. In de kunst wordt de weg naar deze etherische Christus in beeld gebracht, maar daar zijn we ons niet van bewust. In het beste geval volgen we deze weg (bij het kijken naar kunst) gevoelsmatig en brengt hij ons tot een dromerig waarnemen van de etherische Christus. Het is de taak van de wetenschap dit dromerige, kunstzinnige waarnemen (en scheppen) tot bewustzijn te brengen. Zij is de prins die de Schone Slaapster wakker moet kussen, en daardoor zelf ook toegang krijgt tot de etherische dimensie van het bestaan. De weg naar Christus – die van polariteit naar Steigerung loopt – ligt in de kunst als in een betoverde slaap, en die betovering moet door de wetenschap doorbroken worden als ze niet allebei in handen van Ahriman willen vallen. 

De moderne wetenschap kust de kunst echter niet wakker, integendeel. Ze vergrijpt zich aan haar, ze onderwerpt haar en verlaagt daardoor ook zichzelf. Deze machtsrelatie komt tot uitdrukking in zowel de moderne technologie als de hedendaagse kunst. In het eerste geval wordt de wetenschap het slachtoffer van de kunst, dat wil zeggen van haar wetenschappelijke instrumentarium en methodiek, in het tweede geval wordt de kunst het slachtoffer van de wetenschap, dat wil zeggen van de ideeën die ze toepast. Kunst en wetenschap misbruiken elkaar uit zelfzucht. Dat is opnieuw een ander aspect van de keuze die de moderne mens moet maken: verbindt hij kunst en wetenschap op zelfzuchtige of op onzelfzuchtige wijze, doet hij het uit liefde of uit haat. Momenteel gaapt tussen kunst en wetenschap een diepe kloof, gevuld met wederzijdse afkeer. Die kloof moest ontstaan opdat de mens vrij zou worden, maar wil hij die vrijheid behouden en verder ontwikkelen, dan moet ze overbrugd worden. 

Het oerbeeld van die overbrugging vinden we in de relatie tussen de twee Jezuskinderen. De oudste van de twee was ‘de wetenschapper’, een buitengewoon intelligente jongen in wie de meest ontwikkelde ziel van de mensheid leefde, de Zaratoestra-ziel. Deze Jezus was van koninklijke bloede en al vlug rees het vermoeden dat hij wel eens de langverwachte Messias kon zijn. De jongere Jezus daarentegen was allesbehalve intelligent, sommigen zouden zelfs gezegd hebben dat hij achterlijk was. Hij was een kinderlijke dromer, helemaal niet geïnteresseerd in kennis of ideeën. Maar hij beschikte wel een bijzonder scheppend vermogen. De legende vertelt dat de kleine Jezus uit klei vogels boetseerde die vervolgens wegvlogen. Hij was met andere woorden ‘de kunstenaar’ van de twee. Het is dit kind dat in een stal werd geboren en opgroeide in een eenvoudige, zelfs armoedige omgeving. Zijn vader was timmerman en zijn moeder een onontwikkeld dorpsmeisje.

Normaal gezien zouden deze twee erfelijk zo verschillende kinderen nooit met elkaar in aanraking zijn gekomen, maar door een speling van het lot – lees: door een karmische voorbeschikking – groeien ze samen op. Dezelfde situatie treffen we aan in de antroposofische beweging waar twee groepen van zielen samenkomen die nooit eerder met elkaar in contact kwamen. Het feit dat ze elkaar nu toch vinden, is karmisch bepaald en wel door Michaël, die beide groepen samenbracht in de geestelijke wereld en voorbereidde op hun gemeenschappelijke taak. Hun karma spiegelt dat van beide Jezuskinderen. Maar er zijn ook opmerkelijke verschillen. De antroposofische oude zielen zijn eerder kunstzinnig dan wetenschappelijk. Het zijn dromers, zwevers, onpraktische lieden die zich niet thuisvoelen in de moderne wereld en opgelucht zijn in de antroposofische beweging een oase van spiritualiteit gevonden te hebben. Ze lijken dus niet op de oude maar op de … jonge Jezus.

Hetzelfde geldt voor de antroposofische jonge zielen: zij lijken niet op de jonge Jezusziel maar op de oude. Het zijn immers de wetenschappers, knappe koppen, aanpakkers die de wereld willen veranderen. Hoe valt dat te verklaren? Het antwoord ligt in het keerpunt der tijden. Met de menswording van Christus begint een algehele ommekeer, een ingrijpende metamorfose. Het bekendste voorbeeld is Johannes de Doper, de alleroudste ziel van de mensheid. Kort nadat hij Jezus gedoopt heeft, wordt hij onthoofd en verliest dus datgene wat altijd de grote kracht van de oude zielen is geweest: zijn geleerdheid, zijn kennis, zijn inzicht. Zijn kluizenaarschap gaf trouwens reeds aan dat de tijd van de oude zielen voorbij was. Als koninklijke vertegenwoordigers van de zonnegod hadden ze zich altijd in het centrum van de beschaving bevonden, maar nu hun god zelf op aarde kwam – en wel in de gedaante van een jonge ziel – was hun rol uitgespeeld en trokken ze zich, zoals Johannes de Doper, terug in de woestijn. 

Dat kwam tot uiting in de woorden van Johannes: ik moet afnemen, hij moet toenemen. De leiding van de mensheid, die altijd bij de oude zielen had berust, ging over op de jonge zielen. Omdat Johannes Christus trouw bleef, werd hij – bij wijze van spreken – zelf een jonge ziel. De kluizenaar die in de woestijn leefde en geheel gericht was op de geest, verschijnt in zijn incarnatie als Rafaël in de gedaante van een wereldse schilder die de zintuiglijke wereld met hart en ziel is toegedaan. Een grotere ommekeer of transformatie is niet denkbaar en toch heeft Johannes zijn vroegere gerichtheid op de geest niet verloren. Alleen zoekt hij die geest niet langer in de hemel maar op aarde. De oude ziel, die Rafaël (ondanks zijn miraculeuze verjonging) nog altijd is, drukt zijn waarneming van de geest niet meer uit in profetische woorden, maar in kunstzinnige beelden, beelden met een diepe esoterische betekenis. In dat beeldend vermogen ligt de kracht van de verchristelijkte oude zielen, de platonici op kop. 

Bij de jonge zielen vindt de omgekeerde transformatie plaats. Het treffendste voorbeeld is hier Rudolf Steiner zelf. In zijn incarnatie als Enkidoe, vriend en raadgever van koning Gilgamesj, is hij nog een soort wildeman die dicht bij de natuur leeft. Anders dan in de oude ziel van Johannes de Doper, die zich reeds terugtrekt uit de aardse beschaving, leeft in hem een grote honger naar die beschaving en haar kennis. Deze kennisdrang herkennen we nog duidelijker in latere incarnaties als Aristoteles en Rudolf Steiner. Deze nog zeer jonge ziel beschikte – net als de jonge Jezus – aanvankelijk over grote scheppende krachten, maar onder de ‘omwentelende’ invloed van Christus ontwikkelde hij zich tot wetenschapper. Zoals de (christelijke) oude zielen kunstenaar werden en hun vroegere weten nu in beelden uitdrukten, zo werden de (christelijke) jonge zielen wetenschapper, en transformeerden ze hun oude scheppende vermogen tot denkvermogen. En zo ontmoetten deze getransformeerde zielen elkaar in de antroposofische beweging. 

Zoals de twee Jezuskinderen in Nazareth bij elkaar werden gebracht ten tijde van de eerste (fysieke) komst van Christus, zo worden de verchristelijkte oude en jonge zielen ten tijde van de tweede (etherische) komst van Christus bij elkaar gebracht in de antroposofische beweging. Maar of ze, net als de Jezuskinderen, naar elkaar toegroeien en één worden, hangt dit keer volledig van hun vrije wil af en met name van hun bereidheid om de tegenmachten onder ogen te zien. Die doen er vandaag alles aan, niet om de eenwording van kunst(enaar) en wetenschap(per) te verhinderen, want die voltrekt zich vandaag op grote schaal, maar om te verhinderen dat ze zich op de juiste – lees christelijke – manier voltrekt. Daarom is het van het grootste belang dat we ons bewust worden van deze ‘christelijke manier’ en dat doen we door het oerbeeld ervan – de eenwording van de twee Jezuskinderen – te verbinden met de heldere begrippen van het zielenthema. De begrippen beginnen dan te leven en het beeld begint te spreken. 

Het levende denken (4)

  

Levend denken ontwikkelt zich van imaginatie over inspiratie naar intuïtie. Hoezeer dat alles nog toekomstmuziek is, kunnen we opmaken uit de receptie van Goethes oerplant, de eerste bekende imaginatie. Volgens Rudolf Steiner was het een baanbrekende wetenschappelijke prestatie, en ook Niels Bohr en Werner Heisenberg, die beiden aan de wieg stonden van de quantummechanica, beschouwden Goethe als een wetenschapper die zijn tijd ver vooruit was. Maar zij blijven uitzonderingen. De moderne wetenschap heeft Goethe nooit ernstig genomen. Voor zijn imaginatieve denken is er geen enkele plaats in het wetenschappelijke of filosofische denken van onze tijd. Zelfs in de antroposofische wereld valt er weinig van te merken. De moderne mens slaagt er niet in kunst en wetenschap met elkaar te verbinden zoals Goethe dat deed en op die manier de eerste stap te zetten naar een levend denken en een hoger bewustzijn. Hoe komt dat? Wat houdt hem tegen? 

Een eerste probleem is het enorme gezag dat de wetenschap in onze tijd gekregen heeft. We worden op school allemaal wetenschappelijk opgeleid, maar voor kunst is er geen plaats in het moderne onderwijs. We staan dus met z’n allen aan de kant van de wetenschap en dat maakt het moeilijk om de brug te slaan naar de kunstzinnige overkant, want een brug bouwt men vanop beide oevers naar het midden toe. Daar komt nog eens bij dat er aan wetenschappelijke kant geen motivatie is om de andere oever te bereiken, wel integendeel. De wetenschap heeft die de kloof juist geslagen door de subjectieve, gevoelsmatige benadering van de kunst uit te sluiten en alleen de objectieve, verstandelijke benadering toe te laten. Die uitsluiting zit er zo diep ingebakken dat ze het fundament van het moderne bewustzijn is geworden. Vanuit dat rationele, wetenschappelijke bewustzijn zien we dan ook geen enkele toenadering tot de kunst. Alleen in de geesteswetenschap worden pogingen ondernomen om de brug te slaan.  

Nu duikt een tweede probleem op: de kunst is geen eenduidig gegeven meer. Er zijn vandaag twee kunsten – een oude en een nieuwe – die elkaar in hoge mate uitsluiten. Er loopt dus niet alleen een kloof tussen kunst en wetenschap, er loopt ook een kloof door de kunst zelf. Of het om dezelfde kloof gaat is niet meteen duidelijk, maar als we een levend denken willen ontwikkelen, dan moeten we eerst dit probleem oplossen, want het heeft geen zin om een brug te slaan naar de kunst als we niet weten in welke richting we moeten werken, die van de oude of die van de nieuwe kunst. Het ligt misschien voor de hand dat we ons vanuit de nieuwe (geestes)wetenschap richten op de nieuwe (hedendaagse) kunst. Deze laatste komt, door haar intellectuele karakter, de wetenschap alvast een heel eind tegemoet en in het werk van Joseph Beuys worden zelfs expliciet antroposofische ideeën verbonden met de kunst. Maar vanzelfsprekend is deze keuze toch niet, verre van zelfs.

De kloof tussen de oude, klassieke kunst en de nieuwe, hedendaagse kunst is zo groot dat men zich kan afvragen: is deze laatste nog wel kunst? Kan de pispot van Marcel Duchamp werkelijk op één lijn geplaatst worden met pakweg de Zonnebloemen van Vincent van Gogh? Is er geen wezenlijk verschil tussen kunstenaars die letterlijk op hun doek schijten en kunstenaars die er met een penseel kleurrijke taferelen op aanbrengen? Het enige wat deze twee kunsten met elkaar gemeen hebben is het begrip ‘kunst’. Maar welke inhoud heeft dat begrip nog als het op gelijk wat kan toegepast worden? Moeten we niet eerst de vraag stellen wat kunst is voor we haar verbinden met de wetenschap? Dat is in ieder geval wat Rudolf Steiner deed toen hij nog vóór de Filosofie der Vrijheid een filosofie van de kunst schreef en daarin duidelijk onderscheid maakte tussen twee tegengestelde opvattingen over kunst. Uitgerekend de opvatting die we belichaamd zien in de hedendaagse kunst wees hij radicaal af.

Het is maar één van de – vele – redenen om de hedendaagse kunst in vraag te stellen en te betwijfelen of zij het is waarnaar we vanuit de wetenschap een brug moeten slaan. Maar vreemd genoeg gebeurt dat niet. Nergens, ook niet in de antroposofische wereld, worden er vragen gesteld bij de hedendaagse kunst, nergens wordt onderscheid gemaakt tussen de oude en de nieuwe kunst. Alsof het volkomen vanzelf spreekt dat de (geestes)wetenschap zich voor de ontwikkeling van het levende denken net zo goed kan richten op pispotten en kakmachines als op de madonna van Rafaël. Dit totale gebrek aan kritische bevraging – en dan nog ten aanzien van haar centrale opgave – is zo onwetenschappelijk dat de antroposofie de kloof tussen kunst en wetenschap lijkt te willen overbruggen door … zichzelf af te schaffen, door op te houden een wetenschap te zijn. Ze gedraagt zich ten aanzien van de kunst als iemand die verliefd is, die alle redelijkheid overboord gooit en doet wat zijn hart hem ingeeft. 

Dat zou een normale, gezonde reactie zijn, ware het niet dat deze blinde (luciferische) liefde een al even blinde (ahrimaanse) haat verbergt. Wie het waagt om (kritische) vragen te stellen bij de hedendaagse kunst krijgt af te rekenen met woede, verontwaardiging en uitsluiting. Het is verboden om deze kunst wetenschappelijk te benaderen en dat (denk)verbod wordt angstvallig gehoorzaamd. Nergens hoort men een kritisch woord of een nuchtere vraagstelling. Lucifer en Ahriman slaan de handen – met veel succes – in elkaar om de ontwikkeling van het levende denken te verhinderen. De eerste wekt in de moderne mens de blinde liefde voor de kunst en de tweede leidt deze liefde af naar de hedendaagse kunst. Samen zorgen ze ervoor dat hij kiest voor de verkeerde kunst, samen creëren ze de illusie dat hij op die manier een hoger bewustzijn bereikt. De wetenschap slaat dus wel degelijk een brug naar de kunst, maar het is geen vrije, bewuste verbinding. Het is een instinctieve, door de tegenmachten gecontroleerde, dwangmatige verbinding.

Het grootste probleem voor wie de brug wil slaan tussen kunst en wetenschap, is dat die brug al lijkt te bestaan. De hedendaagse kunst gaat hand in hand met het intellectuele denken en kent zoveel succes dat er geen reden is om nog een andere brug te willen bouwen. Bovendien is deze (blinde) verbinding van kunst en wetenschap uitgegroeid tot een fanatieke religie die ketters en ongelovigen er zonder pardon uitgooit. Ik kan ervan meepraten. Al sinds ik antroposoof ben, bestrijd ik de rol die de hedendaagse kunst speelt in de antroposofische wereld. Ik stel er vragen over, vragen waar geen antwoord op komt. Ik probeer er gesprekken over aan te gaan, gesprekken die geweigerd worden. Het is teleurstellend om een dergelijke houding aan te treffen bij mensen die zichzelf (geestes)wetenschappers noemen en te moeten vaststellen dat de hedendaagse kunst – die de ontwikkeling van het levende denken lam legt – ook in de antroposofische wereld geen strobreed in de weg wordt gelegd.

Dezelfde teleurstelling voel ik ook in verband met het thema van de oude en de jonge zielen. Hier tref ik dezelfde onwil aan om (geestes)wetenschappelijk te werk te gaan, hier ontmoet ik dezelfde weerstand, ergernis en verontwaardiging als ik vragen stel. Dat is geen toeval, want beide thema’s horen samen, ze vormen de zijden van een zelfde medaille. De brug tussen kunst en wetenschap is tevens de brug tussen oude en jonge zielen, en dan met name tussen de denkers van beide zielengroepen, de platonici en de aristotelici. Zij moesten volgens Rudolf Steiner vóór het eind van de 20ste eeuw tot samenwerking komen om de menselijke beschaving de beslissende impuls van het levende denken te geven. Hier wordt duidelijk waar het om gaat bij de verbinding tussen kunst en wetenschap, tussen platonici en aristotelici: het gaat om de redding van de menselijke beschaving, de redding van de menselijke ziel. Hier wordt ook duidelijk wat die redding tegenhoudt: het is de anti-antroposofie of ‘de jezuiet’ zoals Rudolf Steiner zijn vijand ook wel eens noemde. 

Hoe teleurstellend en deprimerend het ook is dat deze samenwerking er niet is gekomen – onmiddellijk na Rudolf Steiners deadline werd de neergang ingezet – de opgave om een brug te slaan tussen kunst en wetenschap, en tussen platonici en aristotelici blijft onverminderd bestaan. Ze is vandaag zelfs dringender dan ooit. Maar ze zal op veel kleinere schaal moeten worden opgenomen, want op het niveau van de antroposofische vereniging is over geen van beide thema’s een gesprek mogelijk. De zaak zit al bijna 100 jaar muurvast en het ziet er niet naar uit dat daar verandering zal in komen. Het geeft een idee van hoe de tegenmachten werken, namelijk op een zeer diep en onbewust niveau, een niveau dat alleen op kunstzinnig-imaginatieve manier te bereiken is. Ze ontplooien hun misleidende werking allang niet meer in het dode denken (daar zit hun taak erop), maar in het hart en de wil van de moderne mens. Daar is het dat ze de ontwikkeling van het levende denken blokkeren.

Aan het eind van zijn leven, na de Weihnachtstagung, beklemtoonde Rudolf Steiner steeds weer de rol van het hart. Daar wordt volgens hem de michaëlische strijd met de draak uitgevochten. ‘De harten moeten helpers van Michaël worden bij de verheffing van de uit de hemel op aarde geworpen intelligentie’. Met deze woorden verwees hij naar de samenwerking tussen platonici en aristotelici. De aristotelici, dat waren de antroposofen, de geesteswetenschappers, de Michaëldienaars, en ze moesten de hulp krijgen van de platonici, de Christuszoekers, de kunstwetenschappers. Dat laatste is een ietwat misleidende term want platonici denken helemaal niet na over kunst zoals moderne wetenschappers dat doen, dat wil zeggen in heldere, abstracte begrippen. Zij denken in beelden, op kunstzinnig-imaginatieve wijze. Ze slaan vanuit de kunst een brug naar de wetenschap, en dat is de hulp die de (wetenschappelijke) antroposofen nodig hebben. 

De antroposofische pogingen om een brug te slaan naar de kunst zijn bewonderenswaardig maar ook naïef. Ze zijn, om zo te zeggen, geschikt voor de kleuterklas en de lagere school, maar wanneer er echt moet nagedacht worden – in de middelbare en de hogeschool zeg maar – gaan ze de mist in en worden ze om de tuin geleid door de kunst-met-de-twee-gezichten. Dat is het punt waarop de (mannelijke) aristotelici de hulp nodig hebben van de platonici, die hen de weg kunnen wijzen in het (vrouwelijke) labyrint van de kunst. De wereld van de kunst presenteert zich aan de wetenschapper inderdaad als een verwarrende doolhof waar hij zijn weg niet vindt, want met het logische denken als kompas kan hij hier niks aanvangen. Hier moet hij zich oriënteren op zijn gevoel en dat is nu juist wat hij – als wetenschapper – geleerd heeft om niet te doen. Deze omslag van verstand naar gevoel brengt hem dan ook in verwarring en voert hem op dwaalwegen. Het verleidt hem ertoe de verkeerde keuze maken. 

Dit omslagmoment wordt (op kunstzinnige wijze) in beeld gebracht door de graallegende. Wanneer Parsifal de graalburcht betreedt en daar de gewonde Visserkoning ontmoet, weet hij niet wat hij moet doen: de stem van zijn verstand volgen (en doen wat hem geleerd is) of luisteren naar zijn hart (en het risico lopen majesteitsschennis te plegen). Hij speelt op veilig en dat blijkt de verkeerde keuze te zijn. Het klinkt misschien vergezocht om in de middeleeuwse Visserkoning de gespleten kunst van onze tijd te zien, maar Rudolf Steiner noemde de Parsifalweg de weg van onze tijd. Parsifal was de gereïncarneerde Mani en in het manichëisme stond de confrontatie met het kwaad centraal. Die confrontatie is het hoofdthema van onze tijd en diep in zijn ziel weet de moderne mens dat. Het verklaart het overweldigende succes van moderne versies van de graallegende zoals Titanic en De da Vinci Code. Maar ook hier weer toont de kunst haar dubbele, misleidende gezicht en verzuimt de mens de verlossende vraag te stellen.

En dat is de vraag: wat is kunst? Nooit werd deze vraag dringender aan de orde gesteld dan door de hedendaagse kunst. Zij stelt de moderne mens – en de geesteswetenschapper in het bijzonder – voor de keuze: met welke kunst wil hij zich verbinden, welke kunst wil hij tot leiddraad nemen in het steeds complexer en verwarrender wordende moderne leven: de oude of de nieuwe? Maar hij kiest niet, hij maakt geen onderscheid, hij verzuimt de vraag te stellen welke van de twee kunsten de ware is. Hij maakt het zich gemakkelijk, hij wil de machtige hedendaagse kunst niet voor het hoofd stoten en doet wat hem is geleerd: hij gebruikt zijn verstand en legt zijn hart het zwijgen op. Dat hart beseft echter veel beter dan het hoofd in welke situatie het zich bevindt en het reageert dan ook enthousiast op eigentijdse kunstwerken die deze situatie in beeld brengen. Helaas haalt de wetenschappelijke mens daar de schouders voor op, want hij heeft geleerd niet te luisteren naar zijn hart, en dit (vrouwelijke) gebied niet te betreden. 

Kunstenaars betreden dit gebied wel, tenminste dat deden ze tot de hedendaagse kunst hen daaruit verdreef. Sindsdien ligt het menselijke hart er onbewoond bij en wordt het ‘gekraakt’ door de tegenmachten die het vullen met haat, wantrouwen en angst. Dat is de duistere wereld die de wetenschapper moet betreden wanneer hij zijn dode denken tot leven wil brengen. Want alleen kan hij dat niet, hij heeft de hulp van het hart nodig. Maar dat hart heeft op zijn beurt de hulp van de wetenschapper nodig om bevrijd te worden van zijn bezetters, van de misleiders die in zijn naam spreken. Het moderne hart heeft het hoofd nodig om weer een stem te krijgen en de ratio heeft de (beeld)taal van het hart nodig om zijn weg te vinden in een wereld die steeds meer een doolhof wordt vol monsters. Hoofd en hart hebben elkaar nodig om tot imaginaties te komen, tot van heldere gedachten doordrongen beelden en van kleurrijk leven vervulde gedachten. Zonder die imaginaties kan er geen orde komen in de huidige chaos.  

Het levende denken (3)

  

Het cultiveren van het levende denken begint paradoxaal genoeg met de cultivering van het dode denken. Aan dat laatste hebben we onze vrijheid te danken en het is niet de bedoeling dat we die weer kwijtraken doordat ons denken tot leven komt. De doodskrachten die ons (huidige) denken beheersen, hebben het een ‘geraamte’ gegeven waardoor het vrij kan bewegen. Zonder dat dode geraamte zakt ons denken in elkaar, en dat is wat we momenteel zien gebeuren. Sinds de terugkeer van de geest na het aflopen van het Kali Yuga dringen de levenskrachten (die in wezen geestelijke krachten zijn) het denken weer binnen. Ze waren daaruit verdwenen naarmate het denken zich terugtrok in ons hoofd. Maar nu zakt dat denken bij wijze van spreken weer naar beneden en verbindt zich met onze gevoelens, emoties en driften. Als gevolg van deze (luciferische) vergeestelijking wordt ons denkgeraamte week, verliest ons denken zijn vorm en reageert het niet meer op onze wil.

Als we zelf willen (blijven) denken in plaats van onze gedachten te laten sturen door anderen, dan moeten we ons denkgeraamte – de logische structuur van ons denken – versterken. Tegelijk moeten we de doodskrachten beletten zich over ons hele denken te verspreiden en er als het ware één groot geraamte van te maken, een starre denkmachine die zo snel draait dat de onderdelen loskomen en de hele zaak uit elkaar valt. We moeten de doods- en levenskrachten met andere woorden gescheiden houden, we moeten voorkomen dat ze in elkaar doordringen zodat enerzijds ons ‘denkgeraamte’ week wordt en anderzijds ons ‘denkvlees’ verhardt. De doodskrachten moeten beperkt blijven tot de logica van ons denken zodat we vrij blijven, de levenskrachten moeten de ‘denkspieren’ soepel en sterk maken zodat ons denken beweeglijker wordt en meer geest kan opnemen. Dit scheiden en in evenwicht houden van beide tegengestelde krachten is de taak van ons Ik. 

In vroeger tijden was het denken veel levendiger en geestelijker dan nu, maar het was geen individueel denken, het was een groepsdenken. Niet de mens dacht, maar het ras, het volk, de streek, de familie waartoe hij behoorde. Vandaag keert dat oude groepsdenken weer terug en bedreigt ons nog prille Ik dat zelf wil denken. Deze (luciferische) vergeestelijking van ons denken, in combinatie met de (ahrimaanse) materialisering, leidt niet tot een hoger maar tot een lager bewustzijn. Uit angst voor het isolement van het individu en in ruil voor de geborgenheid van de groep geeft de moderne mens zijn Ik weer op. Maar de oude groepsgeesten – de volkszielen, de familiegoden, de genii loci enzovoort – hebben een stap achteruit gedaan ten voordele van de vrije Ik-mens. Als deze laatste de vrijgekomen plaats niet inneemt, dan doen de tegenmachten dat. Daarom is het groepsdenken vandaag kwaadaardig geworden. Menselijk en heilzaam is alleen nog het individuele denken, het Ik-denken.

Het oude groepsdenken werd geleid door de mysteriën en de religies. Zij hielpen de mens op weg naar zelfstandigheid, maar toen zijn vrije Ik gestalte kreeg werden ze een blok aan het been. Ze moesten vervangen worden door filosofie en wetenschap. Daardoor verloren de denkinhouden hun levende, geestelijke karakter en verbleekten tot dode, abstracte begrippen. Dit ‘sterven’ van de kosmische intelligentie schiep ruimte voor de vrije mens, maar maakte hem ook weerloos als een pasgeboren kind. Hij bezit nog niet de kracht om zijn vrijheid te gebruiken – zijn spieren zijn te zwak, zijn geraamte te week – en hij vult zijn dagen met slapen. Wil hij opgroeien in vrijheid dan moet hij aansterken door zich te voeden aan zijn moeder waaruit hij zich heeft losgemaakt. Hij moet zich met andere woorden omkeren en weer verbinding maken met zijn kosmisch-spirituele oorsprong. Dat mag echter niet op de oude manier gebeuren, door terug te keren naar het groepsdenken. De relatie met de geest moet vrij zijn, gebaseerd op individueel denken. 

Rudolf Steiner was de eerste die erin slaagde om als vrij mens weer aansluiting te vinden bij de levende, kosmische geest. Op eigen kracht sloeg hij een brug tussen de moderne wetenschap en de oude spiritualiteit. Wat voorheen alleen gevoelsmatig-intuïtief kon opgenomen worden, maakte hij toegankelijk voor het rationele denken. Zijn antroposofie is voor de meeste mensen echter onverteerbaar. Hun gevoel wordt nog beheerst door de afkeer voor de oude, onvrij makende religieuze denkpatronen en ze zijn niet bereid de kloof tussen religie en wetenschap weer te overbruggen. Maar ook voor antroposofen blijft het voorbeeld van Rudolf Steiner een onbereikbaar ideaal. Ze hebben een tussenstap nodig, en dat is de kunst. Die tussenstap zette Rudolf Steiner trouwens zelf ook. Voor hij zijn Filosofie der Vrijheid schreef – de filosofische grondslag van zijn antroposofie – schreef hij een esthetica, een filosofie van de kunst, die hij (eveneens) een fundament voor de antroposofie noemde.

Deze esthetica baseerde hij op het werk van Goethe. De hele moderne cultuur moest zich volgens hem op deze kunstenaar oriënteren, anders zou ze ten onder gaan. En aan het eind van zijn leven stelde hij zijn leerlingen opnieuw een kunstenaar tot voorbeeld: de dichter Novalis. Het waren dus kunstenaars – en geen wetenschappers of religieuzen – die Rudolf Steiner als voorbeeld gaf aan mensen die zich geroepen voelden het denken weer tot leven te wekken. Natuurlijk was Goethe (net als Novalis) ook een wetenschapper en een religieus mens. Van hem is trouwens de uitspraak dat wie kunst en wetenschap heeft, ook religie heeft. Die drie horen samen, net als denken, voelen en willen, of imaginatie, inspiratie en intuïtie. Maar ze ontwikkelen zich wel in een bepaalde volgorde. Eerst komt de religie, dan de kunst, en als laatste verschijnt de wetenschap, die tegelijk een keerpunt is. Vandaag moet die volgorde in omgekeerde zin worden gevolgd: de wetenschap moet zich (eerst) verbinden met de kunst vóór ze geesteswetenschap kan worden. 

Alle weten is afkomstig uit de kunst, schreef Schiller. De wetenschap is het (mannelijke) kind van de (vrouwelijke) kunst, en om levensvatbaar te zijn moet deze zoon zich weer verbinden met zijn moeder. Dat is de grote ommekeer die Rudolf Steiner tot stand heeft gebracht: hij heeft de moderne wetenschap verbonden met de kunst (van Goethe) en daaruit ontstond de antroposofie, de wetenschap van de geest. Als eerste baande hij zich een weg naar hoger bewustzijn met behulp van de twee vormen van lager bewustzijn die ieder modern mens ter beschikking heeft: het heldere, bewuste denken van de wetenschap en het dromerige, gevoelsmatige denken van de kunst. Geen van beide zijn wakkere vormen van denken: het wetenschappelijke denken is weliswaar wakker voor de materiële werkelijkheid, maar het slaapt voor de geest, terwijl het kunstzinnige denken op beide gebieden droomt. Maar door deze twee vormen van slapen met elkaar te verbinden, kan de mens wakker worden.

Hij kan echter ook nog (veel) dieper in slaap raken. Dat is de andere mogelijkheid die zijn pas veroverde vrijheid opent en die vandaag werkelijkheid aan het worden is. Ons wetenschappelijke denken slaapt voor de geest, en dus merken we niet dat die geest ons denken ongemerkt binnendringt en ‘dromerig’ maakt. We slapen dus niet alleen voor de geestelijke wereld maar dreigen nu ook voor de materiële wereld in slaap te vallen. In de kunst zijn zowel de levende geest als het dode denken binnengedrongen en hebben de kunstenaar helemaal in de war gebracht. Maar dat beseft hij evenmin als de wetenschapper. Geen van beiden realiseren ze zich dat hun denken veranderd is, dat het hoe langer hoe minder in staat is door te dringen in de (zowel materiële als geestelijke) werkelijkheid. Het volstaat dus niet dat de wetenschap zich tot de kunst wendt, want die verbinding kan twee kanten op: ze kan tot een hoger bewustzijn leiden, maar ook tot een lager. Dat hangt af van de manier waarop de verbinding tot stand komt: wakker of slapend. 

De eerste stap in de ontwikkeling van een hoger bewustzijn, is de verbinding van kunst en wetenschap, of beter gezegd, de bewustwording van die verbinding. Want ze is reeds een feit. Kunst en wetenschap zijn al lang geen op zichzelf staande, scherp afgegrensde gebieden meer, behalve misschien op fysiek vlak. Op geestelijk vlak hebben ze zich reeds met elkaar vermengd. Eerst drong in de kunst het rationele, abstracte denken van de wetenschap door, en daarna dook in de wetenschap het subjectieve, gevoelsmatige denken van de kunst op. Aan deze wederzijdse doordringing van kunst en wetenschap kunnen we aflezen dat er zich in de moderne mens een ander bewustzijn aan het ontwikkelen is. Maar of het een hoger bewustzijn is, valt zeer te betwijfelen. Een kunst die zich uitstrekt tussen pispot en kakmachine, en een wetenschap die iedere kritiek de mond snoert: het zijn zaken die wijzen op een verlaging, om niet te zeggen vrije val van ons bewustzijn.

Deze bewustzijnsverlaging is niet zomaar een terugkeer naar een vroegere vorm van bewustzijn. Het is veeleer de ontbinding van ons huidige bewustzijn. En het eerste wat daarbij verloren gaat, is ons onderscheidingsvermogen. Dat is nergens duidelijker dan in de kunst. Na duizenden jaren lang schoonheid te hebben geproduceerd, is ze overgeschakeld op lelijkheid. Ze is met andere woorden in haar tegendeel gekeerd, maar dat wordt niet eens opgemerkt. De kunstkenners (de intellectuelen, de wetenschappers) doen alsof er niets gebeurd is. Ze maken geen onderscheid tussen de oude ‘schone’ kunsten en de nieuwe ‘lelijke’ kunsten, hoewel het verschil hen in het gezicht schreeuwt. Het is alsof de wetenschap, door zich om te keren naar de kunst, volkomen verblind is geraakt, alsof ze geconfronteerd wordt met een werkelijkheid die haar zodanig overweldigt dat ze er de tegenwoordigheid van geest bij verliest. En die geest is het individuele Ik van de mens. 

Wat mag het dan wel zijn dat de ‘wetenschappelijke’ mens ziet wanneer hij zich tot de kunst wendt en dat hem als het ware in zwijm doet vallen? Twee dingen: enerzijds zijn ‘moeder’ waaruit hij geboren is, en anderzijds de diepe kloof die hem van haar scheidt. De scheppende moedergeest die hij in de kunst waarneemt, doet in hem het onstuitbare verlangen ontstaan zich in haar armen te werpen, maar voor zijn voeten gaapt een afgrond die hem doet terugdeinzen omdat hij gevuld is met louter haat. Hier zijn de doodskrachten werkzaam die kunst en wetenschap uit de moederschoot van de religie hebben gedreven, die hen tot wederzijdse vijanden hebben gemaakt, en die in de loop der eeuwen verstard zijn tot haat en afschuw. Met die afgrond van haat wordt de moderne mens geconfronteerd wanneer de kunstzinnige geest hem bij wijze van spreken op de schouder tikt en hij zich omdraait. Hij is als verlamd door de twee tegenstrijdige krachten waarmee hij geconfronteerd wordt: zijn (luciferische) verlangen en zijn (ahrimaanse) angst. 

Van dit alles is hij zich echter niet bewust. Het vergaat hem als de kunstliefhebber die een museum betreedt: zonder dat hij het beseft verandert zijn bewustzijnstoestand. Instinctief past hij zich aan aan zijn nieuwe, kunstzinnige omgeving: hij begint te ‘dromen’, want op een andere manier kan kunst niet worden waargenomen. Op dit dromen kan hij op twee manieren reageren: hij kan er zich aan overgeven en steeds dieper in slaap raken tot hij helemaal van de wereld weg is, of hij kan er zich ook tegen verzetten en halsstarrig vasthouden aan zijn oude ‘wakkere’ bewustzijn. Beide zijn instinctieve reacties: zowel het luciferische zwelgen in prachtige kunstzinnige en spirituele dromen, als het ahrimaanse afwijzen van alles wat afwijkt van de nuchtere, wetenschappelijke benadering van de werkelijkheid. In het eerste geval kan men wel eeuwig in die museale wereld blijven ronddwalen, in het tweede geval keert men die ‘onzin’ geërgerd de rug toe.

Maar er is nog een derde mogelijkheid, en dat is de enige bewuste en vrije reactie: men kan proberen wakker te worden in de droom. Men kan proberen een bewustzijn te ontwikkelen dat zowel dromend als wakker is, zowel kunstzinnig als wetenschappelijk. Maar dat veronderstelt een scholingsweg, zoals ook het wetenschappelijke denken een scholingsweg veronderstelt. Men moet het leren om wakker te worden in de dromende, gevoelsmatige wereld van de kunst. Dat is geen luxe meer die voorbehouden is aan kunstliefhebbers, want sinds de terugkeer van de geest, leven we in toenemende mate in een museale wereld. Zonder dat we het beseffen, wordt de werkelijkheid steeds kunstzinniger en reageren we daarop door te dromen. We zien dat weerspiegeld in de hedendaagse kunst, die – met haar pispotten en kartonnen dozen – nauwelijks nog te onderscheiden valt de gewone, dagelijkse werkelijkheid. Wat zij in beeld brengt is het vervagen van de grens tussen kunst en werkelijkheid.

Dit in elkaar doordringen van de tegenpolen, dit werkelijk worden van de kunst en kunstzinnig worden van de werkelijkheid, is een gevolg van de terugkeer van de geest. Wat er gebeurt wanneer we ons daar niet bewust van worden, zien we in diezelfde hedendaagse kunst: ontwikkelde mensen staan er vol bewondering te kijken naar pispotten en uitwerpselen, zonder zich van enig kwaad bewust te zijn. Wel integendeel, ze wanen zich ver verheven boven de barbaren die enkel maar pispotten en uitwerpselen zien. Verre van wakker te zijn in een droom, dromen zij in wakkere toestand. En dat is ook de bewustzijnstoestand die in de gewone werkelijkheid snel terrein wint. De hedendaagse kunst is dan ook een dringende waarschuwing: zij toont ons tot welke laagten de mens kan wegzinken als hij niet wakker wordt in de droom, als hij niet beseft dat hij een nieuw bewustzijn moet ontwikkelen en actief de kunstzinnige en de wetenschappelijke sfeer met elkaar verbinden. 

Kerstmijmeringen

  

Op kerstavond vieren we traditioneel de geboorte van het kindje-in-de-stal. Het is waarschijnlijk het meest populaire feest ter wereld, het meest natuurlijke ook. De donkerste periode van het jaar is voorbij, het licht wordt weer sterker. Er is een eind gekomen aan de zwangerschap van de herfst en de geboorte van het kind heeft verlossing gebracht in al die zwaarte. Geboorteproces en natuurproces spiegelen elkaar: eenvoudiger en vanzelfsprekender kan niet. Toch betekende kerstmis oorspronkelijk iets anders. Het ging helemaal niet om de geboorte van een kind, het ging ook niet om de winterzonnewende of de recuperatie van een of ander heidens feest. Kerstmis was de viering van iets totaal nieuws, iets wat zich op geestelijk vlak had afgespeeld: de komst van Christus op aarde, de intrede van deze kosmische geest in de mensheidsontwikkeling. Dat is de eigenlijke betekenis van kerstmis, de betekenis die we in de loop der eeuwen helemaal vergeten zijn.  

Dat wil niet zeggen dat het traditionele kerstfeest een leugen is. Het is een beeld, een metafoor. Hoe zouden we anders iets kunnen vieren dat geestelijk van aard is, dat geen vorm heeft en onzichtbaar is? Het kindje is een beeld van de grote kosmische Christusgeest die zich heel klein heeft gemaakt, de stal is een beeld van de nederige aarde. Maar dat beeld is geen fictie, het is ontleend aan de historische werkelijkheid. Kort voordat Christus op aarde kwam, werd inderdaad een kindje in een stal geboren, een kindje dat later het fysieke voertuig zou worden van de geest die tijdens de doop in de Jordaan neerdaalde in het lichaam van Jezus. Christus wachtte dus 30 jaar in de geestelijke sfeer van de aarde tot het kindje-in-de-stal volgroeid was en geschikt om als ‘woning’ te dienen. Die wachttijd was een weerspiegeling van wat iedere mensengeest meemaakt wanneer hij incarneert: hij wacht in de etherische sfeer van de aarde tot er een fysiek lichaam vrij komt.

Hoewel de komst van Christus een zuiver geestelijke gebeurtenis was en de geboorte van het kindje-in-de-stal een zuiver natuurlijke gebeurtenis, weerspiegelden beide elkaar. Ze waren nauwer met elkaar verbonden dan we zouden denken, maar er waren ook aanzienlijke verschillen. Het lichaam dat de Christusgeest uitkoos, was een volwassen lichaam: dat van de 30-jarige Jezus. Het lichaam dat een mensengeest uitkiest, is niet meer dan een eicel. Aan die eicel werkt hij in de baarmoeder negen maanden tot hij er een lichaam heeft uit gemaakt waarmee hij op aarde kan leven. De Christusgeest doet hetzelfde, met dat verschil dat hij aan een reeds bestaand lichaam werkt. Je zou kunnen zeggen: Christus bouwt niet, hij renoveert. Drie jaar lang, van de doop in de Jordaan tot Golgotha, verbouwt hij het lichaam van Jezus tot het klaar is om ermee geboren te worden. Die geboorte vindt plaats op het moment dat Jezus sterft. De kruisdood is een baringsproces. 

Tijdens de doop in de Jordaan, wanneer Christus zich verbindt met het lichaam van Jezus, klinkt een stem uit de hemel: heden heb ik u verwekt. De doop komt overeen met het moment dat de menselijke geest zich verbindt met de eicel: het moment van verwekking, van conceptie. De drie jaren dat Christus vervolgens op aarde leeft, komen overeen met de menselijke zwangerschap. Christus wandelt over de aarde, hij spreekt met mensen en hij doet wonderen. Maar dat is slechts de buitenkant van het eigenlijke wonder: Christus werkt aan het lichaam van Jezus. Hij verbouwt het van binnenuit en transformeert het stap voor stap tot zijn eigen lichaam. Het Laatste Avondmaal is de bezegeling van die transformatie: lichaam van Christus is nu klaar om ‘gegeten’ te worden. Daarna beginnen de geboorteweeën: op Goede Vrijdag wordt het nieuwe lichaam uit de baarmoeder geperst (de lijdensweg), op Stille Zaterdag duikt het in het geboortekanaal (de neerdaling ter helle) en op Paaszondag wordt het geboren (de verrijzenis). 

Dit hele conceptie- en geboorteproces – beginnend met kerstmis en eindigend met Pasen – was uniek en eenmalig: het was nog nooit gebeurd en zou ook nooit meer gebeuren. Tegelijk was het een proces dat ieder mens doormaakt tussen zijn aankomst op aarde en zijn geboorte. Maar wat bij de mens diep in het verborgene van de baarmoeder plaatsvindt en negen maanden duurt, speelde zich bij Christus in het openbaar af en nam drie jaar in beslag. Talloze mensen waren getuige van dat ‘openbare mysterie’: de apostelen en de leerlingen, de farizeëers en de schriftgeleerden, de Romeinen en het joodse volk. Allemaal zagen en beleefden ze de schepping van het nieuwe lichaam uit het oude, maar er was er slechts één die echt begreep wat hij zag: Johannes, ‘de leerling die Jezus liefhad’. Als Lazarus was hij door Christus ingewijd en als Johannes werd hij op Golgotha met Maria verbonden. Uit die verbintenis kwam het esoterische christendom voort dat later het kerstfeest zou instellen. 

Dat kerstfeest kan model staan voor het hele heilsgebeuren, van de geboorte van Jezus in Bethlehem tot de geboorte van Christus op Golgotha. Waar de evangeliën over berichten is in feite één groot geboorte-mysterie. Maar het kerstfeest kan ook model staan voor het christendom, dat begon als een levende spirituele beweging en zich ontwikkelde tot een kerkelijk instituut dat uiteindelijk in elkaar stortte. Het is ook de weg die Christus zelf gevolgd heeft: van een kosmische geest tot een gewone mens die ten slotte aan het kruis sterft. Er schuilt dus iets fundamenteel christelijks in de teloorgang van het christendom. Het verdwijnen van de christelijke jaarfeesten en rituelen, de bespotting en vernedering van alles wat christelijk is, de vervolgingen van christenen: het is een herhaling van het mysterie van Golgotha op wereldschaal. Net als de kruisdood van Christus is het een tragisch gebeuren, maar tegelijk bewerkt het het grootste heil: het maakt de wedergeboorte of wederkomst van Christus mogelijk.  

Dat maakt van onze moderne tijd een nieuwe kersttijd: hij is het toneel van een nieuwe Christusgeboorte. Deze geboorte is net als 2000 jaar geleden een onzichtbaar gebeuren, maar dit keer vindt ze niet plaats op de heuvel van Golgotha maar in de etherische sfeer van de aarde, dezelfde sfeer waarin Christus destijds op aarde arriveerde en waar hij 30 jaar wachtte terwijl het lichaam van Jezus in gereedheid werd gebracht. Net als zijn komst wordt ook zijn wederkomst op aarde gespiegeld door de geboorte van een kindje-in-de-stal: de antroposofie die als een etherisch wezen geboren wordt tijdens de Weihnachtstagung in een houten barak in Dornach. Deze antroposofie moet het lichaam worden van de etherische Christus, het lichaam dat hij vervolgens ‘verbouwen’ kan zoals hij dat ook deed met het lichaam van Jezus. Maar voor het zover is, moet dat kinderlijke antroposofische lichaam volwassen worden opdat het klaar zou zijn voor de tweede ‘doop in de Jordaan’.

Een beslissend moment in die ontwikkeling van kind tot volwassene is de ‘aarderijpheid’ zoals Rudolf Steiner het noemt. Het oerbeeld daarvan vinden we in het zogenaamde ‘gebeuren in de tempel’. De komst van Christus werd 2000 jaar geleden niet enkel gespiegeld door de geboorte van het kindje-in-de-stal maar ook door de geboorte van het kindje-in-het-huis. Er werden niet één maar twee Jezuskinderen geboren. Hoewel deze dubbele geboorte duidelijk valt op te maken uit de evangeliën, is ze geheim gebleven tot Rudolf Steiner ze onthulde. Ze weerspiegelt nochtans een volkomen ‘natuurlijke’ zaak: een eicel alleen volstaat niet opdat een mens zich zou kunnen incarneren op aarde, er moet ook een zaadcel zijn. En die twee moeten zich verenigen vóór de mensengeest er zich kan mee verbinden. Daarom waren er twee Jezuskinderen die zich tijdens het ‘gebeuren in de tempel’ met elkaar verenigden: de jongste Jezus werd ‘bevrucht’ door het Ik van de oudste Jezus. 

De bevruchting van de eicel door de zaadcel vindt plaats diep in het verborgene van de baarmoeder. Niemand heeft er weet van. Ook 2000 jaar geleden wist niemand wat zich tussen beide Jezuskinderen afspeelde in de tempel van Jeruzalem. Had men het wel geweten, dan zou alles anders zijn verlopen, Jezus zou niet aan het kruis zijn geslagen en het mysterie van Golgotha zou niet hebben plaatsgevonden. Het ‘gebeuren in de tempel’ was dus een mysterie van de hoogste orde: van de geheimhouding ervan hing het heil der wereld af. Niemand mocht weten dat de oudste Jezus – op wie de joodse Messiasverwachting was gericht – voortleefde in de jongste Jezus, waar niemand iets van verwachtte. Twaalf jaar lang groeiden beide Jezuskinderen naast elkaar op, daarna ontwikkelden ze zich achttien jaar lang als één enkele persoon tot ze klaar waren om – tijdens de doop in de Jordaan – de Christusgeest te ontvangen en hem tot lichaam te dienen.

In de geschiedenis van beide Jezuskinderen vinden we het oerbeeld van de ontwikkeling van de antroposofie. De oude en de jonge zielen binnen de antroposofische beweging moeten langzaam naar elkaar toegroeien met als doel een nieuw ‘gebeuren in de tempel’. Rudolf Steiner wees daar na de Weihnachtstagung op toen hij de antroposofie bestempelde als een voorbereiding op het samenkomen van platonici en aristotelici. Deze ‘bevruchting’ zou de aarderijpheid van de antroposofie markeren en de menselijke beschaving een nieuwe geestelijke impuls geven. Dit nieuwe tempelgebeuren betekent natuurlijk niet dat de platonische en aristotelische zielen samensmelten tot één enkele ziel en dat de oude zielen gewoon van het toneel verdwijnen. De samensmelting zal plaatsvinden op geestelijk-etherisch gebied en ze moet voorbereid worden doordat de oude zielen de vermogens van de jonge zielen verwerven en de jonge zielen de vermogens van de oude zielen. 

Welke vermogens dat zijn kunnen we aflezen aan de twee Jezuskinderen. De oudste was de meest ontwikkelde ziel ter wereld, de knapste kop. De jongste was een ongerepte ziel die nog beschikte over al haar scheppende vermogens. Ze waren met andere woorden het oerbeeld van de wetenschapper en de kunstenaar. Ze vormden de grootst mogelijke tegenstelling, maar onder invloed van de ‘wachtende’ Christus groeiden ze langzaam naar elkaar toe tot de ‘wetenschapper’ zich opofferde en overging in de ‘kunstenaar’. Dit offer bracht Rudolf Steiner ook toen hij het karma van Karl Julius Schröer overnam. Tot dan had zijn leven helemaal in het teken van de wetenschap gestaan: zijn gehele jeugd had Rudolf Steiner gestudeerd, hij had als kind zelfs nooit gespeeld. Na zijn karmische offer kwam hij terecht in een kunstzinnige sfeer: hij bestudeerde Goethe, leerde door Schröer de Oberufer-kerstspelen kennen, werd uitgever van een literair tijdschrift en verkeerde in artistieke kringen.

Tijdens die kunstzinnige periode hield hij evenwel niet op wetenschapper te zijn, integendeel. Hij ontwikkelde een geheel nieuwe wetenschap, een wetenschap die tegelijk een kunst was. Na die kunstzinnig-wetenschappelijke periode volgde de derde, antroposofische periode in zijn leven en daarin herhaalden de drie perioden zich: eerst was er een (geestes)wetenschappelijke periode, daarna een kunstzinnige periode, en ten slotte een periode van aardse werkzaamheid. Eerst wordt wetenschap kunst, daarna wordt kunst werkelijkheid: dat is de wetmatigheid die twee keer tot uitdrukking komt in Rudolf Steiners leven. Na de Weihnachtstagung herhaalt ze zich voor de derde keer, met dat verschil dat Steiner nu alleen een wetenschappelijke aanzet kan geven: hij onthult het geheim van de oude en de jonge zielen. Kort daarna sterft hij en het is nu aan zijn leerlingen om de wetmatigheid voort te zetten en van de zielenwetenschap een zielenkunst te maken die leidt tot een nieuw tempelgebeuren. 

Het voorbeeld van Rudolf Steiner maakt duidelijk wat het wezen is van dat naar-elkaar-toegroeien van oude en jonge zielen: het is een offer, een wederzijds offer. We herkennen dat bij de twee Jezuskinderen: de oudste offert zijn leven om over te kunnen gaan in de kunstzinnige sfeer van de jongste, maar ook voor deze laatste betekent het ‘ontvangen’ van het Ik van de ander een offer. Zoals de eicel na de bevruchting door de zaadcel herschapen wordt in een chaos, zo wordt ook het leven van de jongste Jezus helemaal ondersteboven gegooid na het gebeuren in de tempel. Tot dan leefde hij als in een droom en was de aarde een afspiegeling van de hemel. Door het opnemen van het scherpzinnige Ik van de andere Jezus gaan zijn ogen echter open voor het kwaad in de wereld en dat veroorzaakt in hem een diep lijden. Het tempelgebeuren is ook voor hem een offer, en het is dit wederzijdse offer waarop oude en jonge zielen zich moeten voorbereiden door elkaars vermogens te verwerven. 

Wat dat concreet inhoudt, zien we in de relatie tussen kunstenaar en wetenschapper. Aan alles valt af te lezen dat beiden naar elkaar toegroeien, en in die wederzijdse aantrekkingskracht herkennen we de werking van de etherische Christus. Maar dit samengroeien van de tegenpolen is niet het resultaat van een bewuste inspanning, laat staan van een offer. Het is een onbewuste vermenging waarin de tegenmachten werkzaam zijn. Dat resulteert in een verregaande dekadentie van zowel kunst als wetenschap, een dekadentie die weerspiegeld wordt door het huidige kerstfeest, dat eveneens een onbewuste vermenging is (van twee tegengestelde geboorteverhalen). Een wederopstanding van dit kerstfeest – en daarmee van onze hele beschaving – is maar mogelijk wanneer we ons opnieuw bewust worden van de oorspronkelijke (Christus)geest van dit feest. En een cruciale stap in die wederopstanding is de bewustwording van de relatie tussen beide Jezuskinderen en hun vertegenwoordigers in onze tijd. 

Adriaen Brouwer (13)

  

Wie de Brouwertentoonstelling in Oudenaarde bezoekt en zijn ogen de kost geeft, ziet in De Rokers een schilderij waarin Adriaen Brouwer zijn hele kunnen heeft samengebald. Verbaasd kijkt hij naar dit zelfportret en voelt zijn hart zwellen van vreugde over zoveel schilderkunde. Kijkt hij echter wat nauwkeuriger en begint hij zich vragen te stellen over wat hij ziet, dan komt vanachter de eerste Brouwer een tweede Brouwer tevoorschijn. Het zichtbare schilderij blijkt nog een tweede, onzichtbaar schilderij te bevatten, een schilderij dat niet alleen bewonderd maar ook begrepen wil worden. Maar nog altijd ziet hij niet het hele werk. Achter de eerste en de tweede Brouwer verbergt zich namelijk nog een derde Brouwer, de eigenlijke schepper van De Rokers. Samen met beide andere vormt hij een drieëenheid die ook de kijker omvat, want naarmate we dieper in De Rokers doordringen, wordt onze verbazing groter en stellen we vast dat we steeds meer gaan lijken op de Brouwer waar we naar kijken. 

Brouwers zelfportret blijkt tegelijk ons portret te zijn. We kijken dus in een spiegel wanneer we voor De Rokers staan. Dat geeft de zaak een geheel nieuwe dimensie: we betreden een wereld waar alles met alles verbonden is, waar binnen en buiten elkaar spiegelen, waar de kijker tegelijk de bekekene is. Hoe heeft Adriaen Brouwer zo’n verbluffende wereld kunnen scheppen? Hij was een geniaal schilder, daar kan geen twijfel over bestaan. Hij was ook een denker van formaat, daarvan getuigt de ideeënrijkdom van zijn zelfportret. Maar hoe is hij erin geslaagd die twee geniale tegenpolen samen te voegen tot een doodgewone man die samen met vrienden in een kroeg zit te drinken en te roken? That is the question. Het is pas wanneer we ons realiseren hoe diep de kloof is tussen de zichtbare schilder en de onzichtbare denker dat het ons begint te dagen welk huzarenstuk Adriaen Brouwer hier voor elkaar heeft gebracht: hij heeft kunst en wetenschap met elkaar verzoend.

Natuurlijk blijft Brouwer in de eerste plaats een schilder. Hij heeft ons geen geschriften nagelaten, en al zeker geen wetenschappelijke geschriften. Toch moet hij zeer onderlegd zijn geweest. Zijn tijdgenoten wisten dat. Syn verstant was soo groot, schreven ze. Brouwer stond bekend als een intelligent, scherpzinnig en belezen man, een man die veel wist. Uit De Rokers kunnen we bijvoorbeeld afleiden dat hij zeer goed op de hoogte was van de sterrenkunde (daarover later meer). Ook zijn inzicht in de drieledige mens wijst op een zeer diepe, hoogstwaarschijnlijk geheime kennis. Waar hij die vandaan haalde, weten we niet, hij bezat niet eens boeken. Brouwer was vermoedelijk, net als Rubens en mogelijk ook Rembrandt, een ingewijde. Dat maakt zijn mysterie alleen maar groter, want waarom hield zo’n grote geest zich op in gore kroegen? Waarom ging hij niet, zoals Rubens, om met koningen en geleerden? Waarom verborg hij zijn esoterische weten in ‘boertige tafereelkens’?

Eén ding is zeker: hij verborg het opdat het ontdekt zou worden. Hij verborg het omdat het een weten is dat niet zomaar kan doorgegeven worden. Wetenschappelijk weten wordt verworven doordat men afstand neemt van het hart en zijn subjectieve gevoelens. Op die manier ontstaat objectieve kennis die openlijk kan worden doorgegeven. Esoterisch weten daarentegen kan alleen verworven worden wanneer de afstand tussen hoofd en hart overbrugd wordt, en dat veronderstelt een heel ander soort scholingsweg, een scholingsweg die Brouwer verwerkt in zijn schilderkunst, met name dan in De Rokers. De moeite die de kijker moet doen om dit schilderij te ontraadselen, is voorwaarde voor het verwerven van het soort weten dat hij wil doorgeven, of beter: opwekken. Door zijn kennis te verbergen in kroegtaferelen schept Brouwer bijzondere voorwaarden: men moet bereid zijn aandacht te besteden aan deze ‘oninteressante’ schilderijen, maar wie dat doet, ondervindt dat ze heel toegankelijk zijn.

Brouwers ‘boertige tafereelkens’ zijn als het ware uitdrukking van een democratische reflex. Het verschil met Rubens, die andere ingewijde, kan niet groter zijn. Rubens vertegenwoordigde de oude, centralistisch bestuurde wereld. Hij onderwierp zich, op een soms vernederende manier, aan het gezag van koningen en edelen. Ook de geheime kennis die hij in zijn schilderijen verwerkt is ‘koninklijk’: ze is alleen toegankelijk voor ‘ingewijden’. Het weten van Brouwer daarentegen is toegankelijk voor al wie bereid is hoofd en hart met elkaar te verbinden, het hoofd en het hart waarover iedereen beschikt. Misschien is dat wel de reden waarom zijn werk zolang in de vergeethoek heeft gelegen: de democratische reflex om hoofd en hart te gebruiken, was nog niet ontwikkeld. Nu is dat wel het geval: wie dat wil, kan op eigen kracht de verborgen dimensies van De Rokers leren kennen. Brouwer toont hem zelf de weg. Zijn zelfportret is een in beeld gebrachte scholingsweg die zelfs kroeglopers kunnen volgen.

De Rokers is zowel op kunstzinnig als op esoterisch gebied een meesterwerk. Dit zelfportret vormt het hoogtepunt van Brouwers oeuvre. Hij schildert het op 28-jarige leeftijd bij zijn terugkeer naar Vlaanderen. Hij is dan al een meester en heeft een zeer intense artistieke scholingsweg achter de rug. In nog geen tien jaar tijd heeft hij zich ontwikkeld van een veelbelovend talent tot een waar genie. De kennis en wijsheid die hij in De Rokers verwerkt, doet vermoeden dat hij op esoterisch vlak een al even steile ontwikkeling achter de rug heeft en een ingewijde is geworden. Inzicht in de sterrenkunde komt je niet zomaar toevallen. Het is niet uitgesloten dat zijn zelfportret het moment van inwijding in beeld brengt: voor de verbaasde ogen van Brouwer gaat een onbekende wereld open, een wereld waar alles in een groter verband verschijnt, waar weten tegelijk zien is, en omgekeerd. Dat hij dit ook nog eens kan schilderen, maakt van hem niet alleen een ziener en een ingewijde, maar ook een magiër.

Veelbetekenend genoeg situeert de schilder zijn inwijding in een kroeg, alsof hij te kennen wil geven dat de ‘hogere’ wereld in wezen geen andere is dan de ‘lagere’ wereld, en dat we hem niet in de hemel moeten zoeken maar op aarde, tussen doodgewone stervelingen. Dat is een buitengewoon christelijk gegeven: God die mens wordt, een doodgewone, onopvallende mens. Adriaen Brouwer belichaamde deze ‘christelijkheid’ met heel zijn werk en heel zijn wezen. Deze grote geest zag af van alle roem en rijkdom, hij leefde tussen de minsten-onder-de-minsten en deelde hun lot. Hij had geen huis en geen bezittingen, was voortdurend op de vlucht voor schuldeisers. Hij schilderde geen grote, indrukwekkende doeken zoals Rubens en Rembrandt, maar kleine paneeltjes waarop schamele lieden figureerden die geen kunstenaar ooit tot onderwerp van zijn kunst had genomen. En op zijn zelfportret beeldt hij zichzelf niet af als een geïsoleerd individu, maar als deel van een gezelschap.

Zelden of nooit is een kunstenaar van dit formaat zo diep afgedaald als Adriaen Brouwer. Deze grote geest maakte zichzelf heel klein en werd daardoor toegankelijk voor iedereen. Dat schiep echter wel een nieuwe voorwaarde: ook de kijker moet bereid zijn zichzelf klein te maken. Hij moet zich vooroverbuigen naar deze kleine schilderijtjes, hij moet er bij wijze van spreken in kruipen en zich als een kind verbazen over wat hij allemaal te zien krijgt. Dat valt met name de moderne mens heel moeilijk. Hij heeft weliswaar zijn verstand ontwikkeld en ook zijn gevoel voor vrijheid, maar juist daardoor hebben zijn arrogantie en zijn morele superioriteitsgevoel enorme proporties aangenomen. Anders gezegd, hij is veel te groot geworden voor de kleine Brouwer. Het was opvallend hoe weinig mensen op de tentoonstelling in Oudenaarde de schilderijtjes van dichtbij bekeken. Ze stonden allemaal vanop afstand te kijken en te luisteren naar hun audiogids, in de overtuiging op die manier Adriaen Brouwer te leren kennen.

Uit die houding – en ook uit de resultaten ervan – blijkt dat de moderne mens de schilderkunst niet ernstig neemt. Hoewel hij er instinctief wordt door aangetrokken, blijft zijn bewustzijn hooghartig op afstand staan: het wil zich niet inlaten met die domme en vuile schilders. Deze intellectuele minachting heeft de hele kunstwereld in zijn greep: kunstenaars die hun kunst niet ondergeschikt maken aan ideeën, concepten en visies, worden niet langer geduld. Wie zich onderwerpt aan de wetenschap wordt bejubeld, wie weigert deze knieval te maken, wordt uitgespuwd. Voor oude kunstenaars zoals Adriaen Brouwer, wordt een uitzondering gemaakt: zij wisten nu eenmaal niet beter, zij dachten nog dat kunst bestond uit het maken van mooie beelden. De bewondering voor de oude kunst is altijd vermengd met zelfbewondering: gelukkig weten wij vandaag beter, gelukkig hebben wij het oude bijgeloof overwonnen dat het scheppen van schoonheid even belangrijk zou zijn als wetenschappelijk onderzoek!

Adriaen Brouwer ontmaskert deze hoogmoed. De ‘wetenschappelijke’ benadering van zijn werk levert geen weten op. De beschouwingen in de tentoonstellingscatalogus mogen dan wel geleerd klinken, ze kunnen niet verhullen dat de geleerden geen toegang vinden tot het werk van Brouwer. Ze lopen er zelfs met zo’n grote boog omheen dat duidelijk wordt dat er meer in het spel is dan hoogmoed en minachting alleen. De wetenschappers voelen dat Brouwer hen een spiegel voorhoudt en in die spiegel durven ze niet kijken. Het is deze angst om geconfronteerd te worden met zichzelf die hen ertoe brengt van hun eigen wetenschap een schijnvertoning te maken. Het is allemaal best interessant wat ze over Brouwer weten te vertellen, maar het is slechts het topje van de ijsberg. Het verzinkt in het niets vergeleken bij de ideeënwereld die zich onder de oppervlakte bevindt. Een wetenschap die terugdeinst voor een wereld die ze (nog) niet kent, houdt op een wetenschap te zijn, ze verschrompelt tot een lege huls.

De kunstwetenschap is een pars pro toto. In feite ontwikkelt de hele moderne wetenschap zich niet meer. Wat haar tot stilstand brengt, is de – onbewuste – weigering van de wetenschapper om in de spiegel te kijken en het (subjectieve) zelf onder ogen te zien dat hij altijd buitenspel heeft geplaatst om tot objectieve waarheid te komen. De scherpe grens die hij altijd getrokken heeft tussen objectief en subjectief heeft grote diensten bewezen, maar nu moet ze overschreden worden. Dat gebeurt ook, maar stiekem, ‘achter de rug’ van de wetenschapper, zonder dat hij het weet. Het geval Brouwer is daar een goed voorbeeld van. Eeuwenlang heeft wetenschap deze schilder genegeerd en nu verklaart ze hem opeens haar liefde. Tegelijk blijft ze weigeren naar zijn zelfportret te kijken of erover na te denken. Dergelijk tegenstrijdig gedrag wijst op sterke irrationele invloeden, maar toch doet men alsof er niks aan de hand is. De wetenschappelijke schijn wordt hoog gehouden, terwijl de geleerden eigenlijk voor schut staan.  

Is het dan niet mogelijk om kunst wetenschappelijk te onderzoeken? Zeker wel, maar het veronderstelt een bewuste grensoverschrijding, een vrijwillige wederzijdse toenadering tussen kunst en wetenschap. De wetenschap moet haar oude paradigma opgeven en de streng bewaakte grens tussen (objectief) verstand en (subjectief) zelf openstellen. De kunst moet hetzelfde doen, maar dan in omgekeerde zin: ze moet haar subjectieve zelf objectiveren, ze moet het niet alleen verruimen tot de zintuiglijke wereld maar ook tot de wereld van de ideeën, de wereld van de geest. Een kunstenaar als Adriaen Brouwer toont aan dat de bal in het kamp van de wetenschap ligt, want hij maakt dit toenaderingsgebaar reeds in de 17de eeuw. En hij is niet de enige: doorheen de hele Europese kunstgeschiedenis loopt een rode draad van grensoverschrijdende kunstenaars wier werk getuigt van een grote ideeënrijkdom en daardoor toegankelijk is voor de wetenschap (als die tenminste bereid is eveneens over de grens te gaan).

Terwijl de wetenschap steeds meer de kant van het objectieve verstand op ging, deed de kunst het tegenovergestelde: ze werd steeds subjectiever, steeds persoonlijker. Maar altijd waren er ook kunstenaars die de brug sloegen tussen de persoonlijke kunst en de onpersoonlijke wetenschap. Vermoedelijk waren er ook wetenschappers die hetzelfde deden en die in hun wetenschap het contact met de wereld van het ‘zelf’ bewaarden. Maar in tegenstelling tot de kunstenaars kwamen zij niet in de openbaarheid. Meer dan waarschijnlijk onderhielden zij contacten met die kunstenaars die de omgekeerde beweging maakten, maar daarover is niets bekend. Deze omgang van kunstenaars en wetenschappers is een verborgen laag van de Europese cultuurgeschiedenis en het bestaan ervan dringt pas tot ons door wanneer we de verborgen dimensie ontdekken in het werk van kunstenaars zoals Rafaël, Michelangelo, Rubens of Brouwer, dat wil zeggen wanneer wij de kunst echt wetenschappelijk benaderen.

In de rode draad die deze ‘esoterische’ schilders vormen, lijkt Adriaen Brouwer een belangrijk knooppunt te vormen. Vergelijken we hem met zijn grote tijd- en landgenoot Rubens, dan zien we duidelijk het verschil tussen de ‘koninklijke’ en de ‘herderlijke’ sfeer. Wat in het 17de eeuwse Vlaanderen zichtbaar wordt, is het oerbeeld van de twee Jezuskinderen: twee mensen die polair tegengestelde werelden vertegenwoordigen gaan in elkaar over. Rubens geeft de toorts door aan Brouwer. Het glorierijke Rubensiaanse Vlaanderen sterft en maakt plaats voor het armoedige, grauwe Vlaanderen van Brouwer. Op het moment dat, aan het eind van de 19de eeuw, ook dit Brouweriaanse Vlaanderen sterft, komt in de persoon van Rudolf Steiner de wetenschap aan de oppervlakte die tot dan toe verborgen was gebleven en alleen via schilders als Rubens en Brouwer ‘verhuld’ in de openbaarheid trad. Samen met deze twee grote Vlamingen maakt Rudolf Steiner deel uit van het esoterische christendom.