Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: links en rechts

Kunst en politiek

  

Eén van de vele reacties op de verkiezingsuitslag van afgelopen zondag was een open brief van Elke Neuville, een ‘tv-maakster en columniste’ waar ik nog nooit van gehoord had. In haar brief richt ze zich tot de 18 procent van de bevolking die voor het Vlaams Belang heeft gestemd en ze doet dat in naam van de 82 procent die dat niet heeft gedaan. Je moet er maar op komen. Na 30 jaar sanitaire verontwaardiging over het Vlaams Belang vraagt een mens zich af hoe ze hetzelfde nog eens op een andere manier gaan zeggen. Sinds de eerste ‘Zwarte Zondag’, toen het Vlaams Blok 1 miljoen stemmen haalde, zijn in de media al ontelbare variaties verschenen op het thema dat ook Elke Neuville weer bespeelt – uiting geven aan de afschuw voor extreem-rechts – en het houdt maar niet op. Je zou bijna bewondering krijgen voor de gedrevenheid en kreativiteit van links Vlaanderen als het gaat om het uitschelden, bespotten, kleineren, schofferen, veroordelen en minachten van rechts Vlaanderen.

Links kan in Vlaanderen dan ook beroep doen op zowat alle kreatief talent. Schrijvers, dichters, kunstenaars, musici, acteurs, filmmakers en andere kreatievelingen: allemaal behoren ze tot het linkse kamp. Zelfs de communistische PVDA, het vroegere Amada, kan bogen op een hele rits Bekende Kunstenaars. In het rechtse kamp daarentegen vind je er niet één. De reden daarvoor is bekend: wie ook maar in de buurt van extreem-rechts komt, kan zijn artistieke carrière wel op zijn buik schrijven. Het overkwam The Strangers, destijds een van de meest populaire zanggroepen in Vlaanderen. Eén optreden voor het (toen nog) Vlaams Blok en het was afgelopen met hun succes. Nergens konden ze nog optreden, niemand durfde hen nog te boeken. En zo vergaat het iedere artistiekeling die het waagt zijn diensten te verlenen aan ‘de vijand’. De buitenwacht let er misschien niet op, maar in de kunstwereld weet iedereen welk lot hem beschoren is als hij zich niet houdt aan deze (ongeschreven) wet.

De open brief van Elke Neuville is dan ook minder gericht aan de 18 procent Vlaams-Belangstemmers dan aan de artistieke gemeenschap waartoe ze behoort en de subsidiërende overheid waarvan ze afhankelijk is. Hen wil ze duidelijk maken hoe flink en hoe recht in de leer ze is. Men mag niet vergeten dat kunstenaars volkomen afhankelijk zijn van de appreciatie van het publiek, en dus van de kunstpausen die deze appreciatie sturen. Kunstpausen hebben vandaag de status van ingewijden en zieners. Het zijn geestelijke leiders die het ware geloof behoeden. Verketterd worden door zo’n paus is het ergste wat een kunstenaar kan overkomen. De deuren van de kunstwereld gaan dicht, niemand waagt het nog met hem om te gaan, het is alsof hij niet meer bestaat. Geen enkele kunstenaar durft dat risico te lopen. Daarom houdt hij zich ver van alles wat rechts is en neemt hij iedere gelegenheid te baat om zijn trouw aan het ware, linkse geloof te bevestigen. 

Zonder deze nauwe alliantie met de kunstwereld zou links Vlaanderen er nooit in geslaagd zijn op zo grote schaal haar groteske boodschap te verspreiden. Vlaanderen bestaat voor de helft uit superieure linkse mensen en voor de andere helft uit inferieure rechtse mensen. Dwars door Vlaanderen loopt een morele scheidslijn, met aan de ene kant liefdevolle, goedwillende idealisten, en aan de andere kant haatdragende racisten en fascisten. Vlamingen zijn ofwel zeer goed ofwel zeer slecht. Daartussenin is er niets, want wie niet links is, is rechts tot extreem-rechts. Niemand zou deze kinderachtige wereldvisie geloven als ze niet op kreatieve, originele en geraffineerde manier aan de man werd gebracht en als dat niet gebeurde met de bezieling en de gedrevenheid van een kunstenaar. Net als deze laatste doet Links wat haar gevoel haar ingeeft. Dat het daardoor voedsel geeft aan Rechts, daar trekt het zich niets van aan. Het heeft immers een roeping, een missie, en daar laat het zich door niets of niemand van afhouden.

Er is iets fundamenteel tegenstrijdigs aan deze alliantie van kunst en politiek. Sinds wanneer zijn kunstenaars politiek geëngageerd? Ze wijden hun leven aan de kunst en daar moet alles voor wijken. Ze hebben de vrijheid lief en laten zich niets voorschrijven. Het zijn individualisten die hun eigen weg gaan, en bereid zijn daar zware offers voor te brengen. Hoe valt dat te rijmen met de dienstbaarheid aan een ideologie die iedereen dwingt politiek correct te zijn, die de vrijheid aan banden legt met een vloedgolf van regels, wetten en verboden? Dit duivelspact tussen kunst en (linkse) ideologie is alleen mogelijk omdat de kunst zelf ideologisch is geworden. Probeerde ze vroeger de zintuiglijke werkelijkheid een ideële vorm te geven (de formulering is van Rudolf Steiner), dan doet ze nu het omgekeerde: ze probeert ideeën in een materiële vorm te gieten. Kunst is met andere woorden in haar tegendeel gekeerd: de vorm primeert niet langer op de inhoud, alles draait nu om de – intellectuele, ideologische – inhoud. 

In de politiek is dan weer het omgekeerde gebeurd: de ideeën die vroeger haar inhoud uitmaakten, zijn vervangen door lege vormen. Verkiezingen zijn niets anders dan theater: spektakelstukken die de bevolking in de ban houden en de indruk wekken dat zij het voor het zeggen heeft. In werkelijkheid doen de politieke partijen wat zij willen. Rechts heeft de voorbije verkiezingen gewonnen, maar het is heel goed mogelijk dat we een linkse regering krijgen. De bevolking heeft daar niet de minste zeggenschap over. Terwijl ze zich blindstaart op het verkiezingsdrama dat voor haar wordt opgevoerd, wordt ze ongemerkt beroofd van haar stem, haar geld en haar vrijheid. Nergens is die omkering zo duidelijk als bij Links. In oorsprong een sociale beweging die opkwam voor de rechten van het gewone volk, is zij vandaag de ideologie van de elite geworden en spant zij zich tot het uiterste in om het gewone volk te onderdrukken en te demoniseren. Maar omdat de vorm – de kleur, de naam, de slogans – dezelfde is gebleven, komt Links daarmee weg.

Deze omkering, hoe radicaal ook, is nog altijd niet doorgedrongen tot het algemene bewustzijn. Nog altijd wordt Links beschouwd als de vertegenwoordiger van de kleine man, van de underdog, van de minderheid. Niemand associeert Links met macht en geweld, ook al waren de totalitaire machthebbers van de 20ste eeuw allemaal links en hebben ze het leven gekost aan 100 miljoen mensen. Maar deze feiten, hoe ontzettend ook, doen er niet toe, want Links verstaat de kunst om haar nieuwe inhoud te verbergen achter verleidelijke vormen. Ook de omkering van de kunst is na 100 jaar nog altijd niet doorgedrongen tot het moderne bewustzijn. Kunstenaars maken al lang geen mooie dingen meer, ze stellen pispotten tentoon of pronken met hun uitwerpselen, en dat weerzinwekkende gedrag verbergen ze achter een rookgordijn van ronkende ideeën. Net als Links is de kunst in haar tegendeel gekeerd, en het feit dat dit niet wordt waargenomen, geeft een idee van de bewustzijnsverdovende kracht die uitgaat van deze dubbele omkering.

Adolf Hitler was de eerste om gebruik te maken van deze kracht. Hij was niet alleen een kunstenaar die politicus werd, hij maakte van de politiek ook een kunst. Zijn meetings waren zorgvuldig geregisseerde en tot de verbeelding sprekende massaspektakels. Zelf trad hij op als een bevlogen acteur die de menigten in vervoering bracht. Hij verzekerde zich daarbij van de medewerking van de zeer begaafde regisseuse Leni Riefenstahl en gebruikte het nieuwe filmmedium om zoveel mogelijk mensen te bereiken. Maar hij deed meer dan dat: hij plaatste de kunst zelf op de politieke agenda. De tentoonstelling Entartete Kunst die hij organiseerde, zindert nog altijd na en droeg sterk bij tot het succes van de hedendaagse kunst. Hitler was een visionair die instinctief begreep hoe cruciaal de verbinding van kunst en politiek was. Het gaf hem een onwaarschijnlijke overtuigingskracht en zelfs de grootste geesten – denken we maar aan Thomas Mann en Martin Heidegger – lieten er zich door misleiden.

Wanneer we denken aan wat Rudolf Steiner zegt over de sociale kunst dan kunnen we begrijpen waarom de Duitsers – het meest ontwikkelde en vooruitstrevende volk van die tijd – zich een rad voor de ogen liet draaien. Het samengaan van kunst en politiek stond (en staat nog altijd) in de sterren geschreven. Het is de volgende, beslissende stap in de ontwikkeling van de mensheid: politiek wordt verheven tot kunst en kunst breidt zich uit tot de hele werkelijkheid. De kloof tussen kunst en maatschappij – die nooit groter was dan in de 19de eeuw – moet (en zal) overbrugd worden. Dit streven leeft in de ziel van de moderne mens, het is zijn grootste ideaal, zijn diepste verlangen: Alle Menschen werden Brüder, alle mensen worden sociale kunstenaars. Aan dat verlangen appelleerde Adolf Hitler, en aan dat verlangen appelleert Links nog altijd. Juist omdat het zo’n groot mensheidsideaal is, wekt de verbinding van kunst en politiek onweerstaanbare zielekrachten, zielekrachten die ten goede of ten kwade kunnen worden gebruikt.

Het verschil tussen goed en kwaad ligt in de mate van bewustzijn waarmee deze krachten worden gewekt en aangewend. In nazi-Duitsland gebeurde dat onbewust en onder dwang, met als gevolg dat de tegenmachten er zich meester over maakten. Adolf Hitler ging niet bewust en weloverwogen te werk, hij wist niet wat hij deed en zijn volgelingen wisten het evenmin. Ze reageerden instinctief, zonder hun (gezonde) verstand te gebruiken. In communistisch Rusland gebeurde hetzelfde en in het China van Mao eveneens. Door middel van beelden en slogans werd overal het diepste verlangen van de mens aangesproken, en daar ging zo’n magische werking vanuit dat het rationele bewustzijn helemaal verlamd werd. Dat bewustzijn was de bloem van de voorbije mensheidsontwikkeling en in plaats van bevrucht te worden door het verlangen naar een betere wereld waar Alle Menschen Brüder zijn, werd het brutaal verkracht en keerde het grootste aller idealen in zijn tegendeel.  

Na de verkiezingen van afgelopen mei klonken opnieuw overal stemmen die waarschuwden voor een herhaling van de jaren ’30 in Duitsland. Niet ten onrechte, want het is nog altijd hetzelfde ideaal dat in zijn tegendeel wordt gekeerd. De manier waarop Rechts vandaag gedemoniseerd wordt door Links, doet verdacht veel denken aan de manier waarop de joden door de nationaalsocialisten tot zondebok werden gemaakt, en het cordon sanitaire waarachter honderdduizenden Vlamingen al 30 jaar opgesloten zitten, is een moderne versie van de concentratiekampen. Maar dat bedoelen die waarschuwende stemmen natuurlijk niet. Nee, ze zien het helemaal omgekeerd. Juist die rechtse Vlamingen vormen het grote gevaar, want ze demoniseren de moslims, de migranten, de homo’s en andere minderheden. Dat die rechtse Vlamingen geen vinger uitsteken naar die minderheden, maar alleen protesteren tegen hun arrogante en zelfs agressieve gedrag, doet er niet toe. Alles wordt omgekeerd.

De wereld is als het ware in beweging gekomen, op ieder gebied gaan de tegenpolen in elkaar over: links wordt rechts en rechts wordt links, politiek wordt kunst en kunst wordt politiek, meerderheid wordt minderheid en minderheid wordt meerderheid, winnaars worden verliezers en verliezers winnaars, zelfs mannen worden vrouwen en vrouwen worden mannen. Alles is in beweging, een buitengewoon complexe en verwarrende combinatie van omkeringen, alsof de wereld binnenstebuiten wordt gekeerd en zich helemaal vernieuwt. Slechts één iets onttrekt zich aan die vernieuwende beweging en dat is ons denken. Dat is nog altijd het oude, materialistische denken van de 19de eeuw. Het is vandaag zelfs onbeweeglijker dan ooit. Tussen onze linker- en rechterhersenhelft is vrijwel geen verkeer meer. Beide benaderingen van de werkelijkheid – de mannelijke en de vrouwelijke zeg maar – zijn verstard tot ideologieën. Ons denken is tot stilstand gekomen. Het werkt niet meer.

Dat wil zeggen: wij werken niet meer. In plaats dat we ons verstand gebruiken, gebruikt het verstand ons. Denken is een automatisme geworden dat zich aan onze wil onttrekt en zijn eigen gang gaat. En dat is natuurlijk de gang van de tegenmachten. Zij bedienen zich van ons denken omdat we het zelf niet doen. Rudolf Steiner bekloeg zich daar al over. We kunnen ongelooflijk goed denken, zei hij, maar we doen het niet. We laten dat bij uitstek menselijke vermogen ongebruikt liggen, met alle gevolgen van dien. Daarom hamerde hij erop dat we ons denken weer in beweging moesten brengen en de verstarring overwinnen die het gedood had. Dit dode denken staat vandaag tegenover een wereld die steeds levendiger, steeds beweeglijker, steeds geestelijker wordt. En met die geest gaan de materialistische ideologieën waarin het denken is uiteengevallen – een linkse en een rechtse – een nietsontziende strijd aan.

Zolang de mens zijn denken niet zelf ter hand neemt, zal hij meegesleurd worden in deze strijd, die in wezen een strijd is tussen Christus en de tegenmachten. En omdat de mens deze strijd niet doorziet, kiest hij, zonder het te beseffen, de kant van de tegenmachten. Zolang de mens brieven schrijft zoals Elke Neuville en zich opsluit in een – linkse of rechtse – ideologie, draagt hij bij tot deze strijd, een strijd die hij nooit kan winnen omdat hij niet op geestelijk vlak wordt gevoerd. De echte, geestelijke strijd bestaat uit het weer in bezit nemen van het denken dat nu in handen is van Lucifer en Ahriman, die het onder elkaar verdelen. Het weer in beweging brengen van dat denken, impliceert een strijd met de tegenmachten die ieder op hun gebied willen blijven en niet verbonden willen worden met het gulden midden, dat wil zeggen met Christus. Hij is de Logos, het wezen van het denken. Hij is ook degene die de wereld in beweging brengt en aan ons de vrije keuze laat of we willen mee bewegen of niet. 

Barbarians at the gate

  

Verleden woensdag kwam Jordan Peterson een lezing houden op de Queen’s University in Kingston, Ontario. De Canadese psychologie-professor is momenteel de meest populaire en tegelijk meest gecontesteerde publieke intellectueel worldwide. Vanuit het niets werd hij de beroemdheid in gekatapulteerd nadat hij protest aantekende tegen Bill C-16, een wetsvoorstel dat transgenders het recht geeft aangesproken te worden met de voornaamwoorden van hun keuze. Hij lichtte zijn argumenten toe in een aantal youtube-filmpjes en dat was het begin van een nieuwe carrière als woordvoerder van het groeiende protest tegen de politieke correctheid (die in Canada hoge ogen gooit met een premier die vooroploopt in gay parades en vindt dat het woord ‘mankind’ vervangen moet worden door ‘peoplekind’). Jordan Peterson is een intelligent, welbespraakt en strijdlustig man die zijn standpunten met vuur verdedigt en dat wordt hem door politiek-correct links dan ook niet in dank afgenomen. 

In Ontario werd hij opgewacht door zo’n 150 demonstranten, hoofdzakelijk studenten, die slogans riepen, gaande van ‘no hate speech at our university’ tot ‘lock them in and burn it down‘. Algauw verschenen op youtube filmpjes vanuit de zaal zelf en die waren lichtjes hallucinant. Ze tonen een eerbiedwaardige universiteitszaal in neo-classicistische stijl, met veel hout, glasramen en een spreekgestoelte. Terwijl Jordan Peterson aan het woord is, klinkt buiten onophoudelijke geroep en geschreeuw. Het geeft de zaal het karakter van een belegerde vesting die ieder moment kan ingenomen worden. Door de ramen zijn schimmen zichtbaar die proberen het glas-in-lood in te slaan, en daar uiteindelijk ook in slagen. Op andere filmpjes is te zien hoe de meute samentroept voor de ingang en inbeukt op de deur. Heel opvallend: de aanwezige politie-agenten grijpen niet in, ze laten begaan. Even later raken de demonstranten dan ook binnen. Ze schreeuwen vanop het balkon en klimmen op het podium met een spandoek waarop staat: permission to smash bigotry.    

Achteraf verschijnt in de kranten het bericht dat een (oudere) vrouw werd gearresteerd met een ‘dodelijk wapen’ in haar bezit, dat ze ook van plan was te gebruiken. Ze verzette zich naar verluidt hevig tegen haar arrestatie, sloeg, krabde en beet, en vernielde een venster van de politie-combi. Het past allemaal in het plaatje. Wat doorgaans begint als een studentikoos protest tegen ideeën en opvattingen verandert tegenwoordig heel snel in een persoonsgerichte agressie met de intussen klassiek geworden scheldwoorden: fascist, sexist, nazi, islamofoob, homofoob, enzovoort. Jordan Peterson, een beschaafd en ontwikkeld man, is duidelijk niets van dat alles, maar daar gaat het ook niet om. Het verschil van mening is slechts een voorwendsel om wilde driften los te laten. Je ziet dat ook aan de glunderende gezichten van de protesterende studenten: ze genieten, niet van de ideeënstrijd, maar van dat grijze gebied waar ideeën overgaan in daden, en waar andersdenkenden net niet gelyncht worden. 

Deze jonge mensen, kinderen nog, zijn blij dat er eens iets gebeurt in die kille, intellectuele wereld van de universiteit, iets dat hun bloed weer doet stromen en hen het gevoel geeft dat ze leven. Ze hebben niet veel nodig om opgeruid te worden en hysterisch te staan schreeuwen tegen iemand die afgeschilderd wordt als een ‘slecht mens’. In hun onbewuste beleving is dat iemand die hen wil beletten om toe geven aan hun lagere driften, iemand als Jordan Peterson die zegt dat ze moeten nadenken, logisch redeneren en hun demonen in bedwang houden. Zo iemand is dan een ‘rechtse zak’, een fascist, een weerzinwekkend figuur. Linkse mensen zijn veel sympathieker, want die stimuleren hen om enerzijds te zwelgen in luciferische eigenliefde en anderzijds in ahrimaanse haat. Wat een genot om je laagste driften bot te vieren en jezelf niettemin als een halve heilige te kunnen beschouwen! Jordan Peterson bestempelde de demonstranten op twitter als ‘barbarians at the gate‘, en dat zijn ze inderdaad.

In die lachende, joelende, schreeuwende, scheldende, hysterische jonge mensen at the gate of Queen’s University, Ontario, Canada, herkennen we de mens die over de drempel gaat en voor de keuze staat: zie ik mijn dubbelganger onder ogen of raak ik in zijn greep? En dat zou je de zwakke plek van Jordan Peterson kunnen noemen: dat hij dit onvoldoende beseft. Want in zijn – moedige en noodzakelijke – stellingname tegen de politieke correctheid schuilt eveneens genot. We zien hem op het vermelde youtube-filmpje glimlachend toekijken hoe de demonstranten de zaal op stelten zetten en hem het spreken beletten. Maar er valt helemaal niets te lachen of te glimlachen. Wat er vandaag gebeurt aan universiteiten, hogescholen, gewone scholen en andere ‘opvoedingsinstellingen’ is van een diepe, diepe, treurigheid. Dat men jonge mensen toelaat om deze (eertijdse) boegbeelden van het vrije denken op zo’n manier te onteren, dat vraagt om een molensteen, daar is geen vergeving voor. 

Zei de goede mens tegen de slechte (1)

  

Onmenselijk Links

  

  

In een satirisch stuk maakte Ludo Abicht onlangs een karikatuur van de opvatting die opdook na het Brexit-referendum: beperk het stemrecht in leeftijd, geef de stemmen van oude mensen aan jonge mensen, tenslotte zijn zij het die de gevolgen moeten dragen! Door flink te overdrijven legde Abicht het wezen van deze opvatting bloot: het is je reinste egoïsme – alles voor mij en niks voor een ander. Ook Mark Grammens wees al op het fascistische karakter van dit jeunisme. Verwarrend genoeg dook deze opvatting niet op aan de rechter- maar aan de linkerzijde van het politieke spectrum, dat wil zeggen aan de zijde die prat gaat op haar sociaalvoelendheid, haar empathie, haar solidariteit. Het waren inderdaad de Remainers die al die verzuurde oude mensen hun stem wilden afnemen, degenen die bij Europa wilden blijven, die verbonden en solidair wilden zijn, die de vluchtelingen en de islam in de armen sloten. Uitgerekend deze linkse mensen stonden een maatregel voor die je alleen maar van Rechts zou verwachten.

Hoe valt dat samen te rijmen: egoïsme én solidariteit? Je kunt toch niet Links én Rechts tegelijk zijn, communistisch én fascistisch? Of toch wel? Hoe zit eigenlijk met Rechts, dat door Links afgeschilderd wordt als het Grote Kwaad? Rechts is egoïstisch, daar kan geen twijfel over bestaan. Eén procent van de bevolking bezit vijftig procent van alle rijkdom. Zo’n gigantische rijkdom stapel je niet op als je sociaal voelend bent, empathisch, solidair. Maar is rechts dan alleen maar egoïstisch, ongevoelig en asociaal? Kun je rijk worden zonder samen te werken? Zijn bedrijfsleiders niet juist mensen die over een buitengewoon vermogen beschikken om samen te werken en anderen te laten samenwerken? En komt hun kreativiteit en ondernemingszin niet ten goede aan heel veel mensen? Is het niet juist aan hun individuele inzet te danken dat de algemene welvaart toegenomen is? In het communisme, dat het ‘rechtse’ individualisme de kop indrukt, gebeurt juist het tegenovergestelde.

De tegenstelling tussen Links en Rechts is dus vals, in die zin dat Links zowel links als rechts is en hetzelfde ook gezegd kan worden van Rechts. De geweldige polarisatie die nu al meer dan honderd jaar het politieke leven beheerst, is een schijntegenstelling, en ze is dat des te meer naarmate ze voorgesteld wordt als de tegenstelling tussen goed en kwaad. Want Links beschouwt zichzelf als de vertegenwoordiger van alles wat goed, waar en schoon is, terwijl Rechts wordt afgeschilderd als de incarnatie van het kwaad. Doet Rechts dan niet hetzelfde? Ziet Rechts Links ook niet als het kwaad dat moet uitgeroeid worden? Dat valt moeilijk te zeggen, want de stem van Rechts is nauwelijks te horen. Eigenlijk kennen we Rechts alleen via Links, want de media zijn volledig links, rechtse journalisten bestaan eenvoudig niet. Hetzelfde geldt voor de wereld van kunst en cultuur: hij is volledig links. Idem voor de academische wereld. En dan de enorme rol die de Staat speelt in onze tijd: we leven in een eenzijdig linkse wereld.

Wil dat dan zeggen dat Rechts niet bestaat, en dat het een uitvinding is van Links, een imaginaire vijand die moet dienen om steeds meer macht te verwerven? Er wordt inderdaad voortdurend gewaarschuwd voor het Rechtse Gevaar, voor het fascistische monster dat weer zijn kop opsteekt. Alleen is daar in de realiteit niks van te merken. Zeker, er zijn overal rechtse partijen die aan kracht winnen, maar verkondigen zij werkelijk een extreemrechts, fascistisch gedachtengoed zoals Links beweert, of zijn ze gewoon een vorm van verzet tegen de verstikkende, totalitaire macht die de linkse staat uitoefent? Is het niet zo dat in die rechtse partijen vooral uitdrukking wordt gegeven aan het vrijheidsstreven van de mens? Links wil de vrijheid van de mens opofferen aan de gemeenschap en doet er alles aan om de vrijheid van meningsuiting – de grondsteen van de vrije samenleving – aan banden te leggen. Hoe kan het anders dan dat daar reactie op komt? Wat vandaag Rechts wordt genoemd, is in de eerste plaats een bevrijdingsbeweging. 

Eén gebied heeft evenwel geen behoefte aan bevrijding: het economische gebied. Daar heerst reeds de allergrootste vrijheid. De grote bedrijven, de grote bankinstellingen, de rijken der aarde: ze doen gewoon hun zin en niemand kan hen tegenhouden. Ze spannen staat en politiek voor hun kar. Hoe de verhoudingen liggen zien we in de kunst. Wat vandaag als kunst beschouwd wordt – en derhalve onderwezen en gesubsidieerd door de staat en de intelligentsia – wordt bepaald door de kunsthandel. Het zijn zuiver materiële belangen die deze ‘geestelijke’ wereld sturen. Dat geldt eigenlijk voor alles: wat vandaag doorgaat voor geestelijk, cultureel of intellectueel is niets anders dan een schaamlapje voor het economische. In materialistische tijden als de onze kan dat ook niet anders: het geestelijke heeft geen grond meer in zichzelf, het is slechts een bijproduct van de materie. Dat zien we ook bij Links: uiterlijk gezien komt het op voor de samenleving, maar in de kern is het zo egoïstisch en machtsbelust als maar kan. 

De werkelijke tegenstelling – tussen economie en geestesleven – wordt dus aan het zicht onttrokken door een schijntegenstelling: die tussen politiek rechts en links. Als we die twee nuchter bekijken, stellen we vast dat ze nauwelijks van elkaar verschillen: wat bij de een aan de buitenkant zit, zit bij de ander aan de binnenkant, dat is alles. Ze verhouden zich tot elkaar als man en vrouw: de man is aan de buitenkant (fysiek lichaam) mannelijk maar aan de binnenkant (etherisch lichaam) vrouwelijk, terwijl de vrouw fysiek vrouwelijk is en etherisch mannelijk. Maar man en vrouw zijn allebei onderworpen aan de wetten van de materie (alsook aan die van de geest). Daarin verschillen ze niet van elkaar. Pas in hun ontmoeting, in hun wisselwerking, bevrijden ze zich langzaam uit die onderworpenheid. In dat gemeenschappelijke middengebied groeit hun Ik, hun persoonlijke, individuele Ik dat zowel belichaamt waarin ze verschillen (man en vrouw) als waarin ze gelijk zijn (het kind). 

Geestelijk (cultureel, intellectueel) Links zal zich nooit kunnen losmaken uit zijn afhankelijkheid van materieel (economisch) Rechts als het geen relatie aangaat met geestelijk Rechts. Als het op geestelijk gebied de baas blijft spelen over Rechts, zal het op economisch gebied het slaafje blijven van Rechts. De politieke strijd tussen Links en Rechts is slechts een middel om de mens steeds sterker te binden aan (en afhankelijk te maken van) de materie. Deze materiële gebondenheid zal de mens langzaam maar zeker verdierlijken, ze zal het individueel-geestelijke in hem stap voor stap uitdoven tot hij uiteindelijk geen mens meer kan genoemd worden. Dat is de droeve waarheid van Links: in naam van het Goede, het Ware en het Schone rolt het de loper uit voor de materialistische geest van het Kwaad, de Leugen en de Lelijkheid die het menselijke wil vernietigen. Door deze geest te identificeren met mensen – rechtse mensen, slechte mensen, racistische mensen – ontmenselijkt Links zichzelf. 

Maak eens een selfie!

  

‘Een jonge, schijnbaar geradicaliseerde moslim schiet zijn handwapen leeg op een fuivende massa. Voor rechts het zoveelste bewijs van het inherente kwaad van de islam; voor links het zoveelste bewijs van de waanzin van de liberale Amerikaanse wapenwet. In het onvermogen van beide zijden om elkaars visie te begrijpen schuilt het morele bankroet van de Amerikaanse politiek. Wat als beide zijden (enigszins) gelijk hebben? Amerikanen ontdekken nu, in extreme vorm, hetzelfde bestuurlijke falen dat België na 22 maart zo lelijk parten heeft gespeeld: er is geen gezagvoerder meer die met empathie de tegengestelde kampen weet te overbruggen en met autoriteit de volledige analyse durft te maken.’

Aldus Bart Eeckhout in De Morgen. Merkwaardig hoe hij de juiste analyse maakt – links én rechts hebben gelijk en hun morele bankroet schuilt in het onvermogen om elkaars visie te begrijpen – maar daar geen enkele reden in ziet om zelf aan de slag te gaan. Hij doet al weken (maanden?) vrolijk mee aan het Donald-Trumpbashen en het komt niet eens in hem op om begrip of empathie op te brengen voor deze rechtse brulboei. Het is alsof hij zegt: ik ken de waarheid, maar ik heb er niks mee te maken. Hij kan de waarheid verstandelijk wel inzien, maar hij kan er zich gevoelsmatig niet mee verbinden. Dat laat hij over aan gezagvoerders en autoriteiten. 

Kleuterleiders

  

Op DeWereldMorgen lees ik een uiteenzetting over het basisinkomen waarover binnenkort in Zwitserland een referendum wordt gehouden. Blijkt dat er twee visies op het basisinkomen zijn: een linkse en een rechtse. In de rechtse versie krijgt iedereen een laag basisinkomen, in de linkse versie een hoog basisinkomen. Heerlijk toch? Ik ken er zo nog een. Er zijn twee soorten klimaatverandering: een linkse en een rechtse. In de rechtse regent het voortdurend, in de linkse schijnt de zon. Er zijn uiteraard ook linkse en rechtse auto’s, links- en rechtsdraaiende yoghurt, linkse en rechtse bomen, linkse en rechtse kunst, linkse en rechtse verzekeringen, enzovoort. Ja, het wordt dolle pret in deze heerlijk eenvoudige wereld! 

Fatsoenlijk rechts

  

  

In Frankrijk heeft het Front National de verkiezingen gewonnen en dat noopte De Morgen tot de vraag: ‘Welk antwoord heeft fatsoenlijk rechts?’ Met ‘fatsoenlijk rechts’ wordt de partij van oud-president Sarkozy bedoeld, ter onderscheiding van de ‘onfatsoenlijk rechtse’ partij van Marine Le Pen. Uiteraard wordt over linkse partijen nooit in deze bewoordingen gesproken. Is de regerende partij van president Hollande ‘fatsoenlijk links’ of is de PvdA in eigen land ‘onfatsoenlijk links’? Nooit zal men die begrippen in de een krant zien opduiken, in geen enkele. Daaruit kan men ondubbelzinnig de gevolgtrekking maken dat de media links zijn. Links wordt immers als vanzelfsprekend beschouwd als fatsoenlijk. Zelfs extreem-links wordt nooit als onfatsoenlijk betiteld. Nee, rond links hangt een aureool van fatsoen: dit zijn de mensen die het hart op de rechte (dat wil zeggen linkse) plaats hebben. Rechts daarentegen bestaat uit onfatsoenlijke mensen, mensen met slechte bedoelingen. Dat hoeft niet meer gezegd te worden, dat spreekt vanzelf.

Het komt mij voor dat juist deze vanzelfsprekendheden een groot gevaar vormen. Ze kunnen namelijk niet meer in vraag worden gesteld, juist omdat ze vanzelfsprekend zijn geworden. En dat is paradoxaal, want de postmodernistische mentaliteit die vandaag regeert, is groot geworden door alle vanzelfsprekendheden in twijfel te trekken. De waarheid bijvoorbeeld bestaat volgens de postmodernisten niet: alles is relatief. Dat ze daarmee een … waarheid poneren, ontgaat hen blijkbaar. De waarheid kán eenvoudig niet ontkend worden, want dan houdt ook de ontkenning op waar te zijn. Wat postmodernisten doen, is dus niet de waarheid ontkennen maar ze vervangen door een andere waarheid, een zelfvernietigende waarheid: de waarheid dat de waarheid niet bestaat …

Dat links als vanzelfsprekend fatsoenlijk is (en rechts als vanzelfsprekend onfatsoenlijk) is zo’n zelfvernietigende ‘waarheid’. Want het is allesbehalve fatsoenlijk om jezelf fatsoenlijk te noemen en andersdenkenden onfatsoenlijk. Het is zelfs buitengewoon onfatsoenlijk om dat ook nog eens als vanzelfsprekend voor te stellen. Het is alsof je zegt: natúúrlijk bestaat de wereld uit fatsoenlijke en onfatsoenlijke mensen, en natúúrlijk behoor ik tot de fatsoenlijke mensen, dat spreekt toch vanzelf! Juist omdat links dit als vanzelfsprekend beschouwt, wordt het nooit uitgesproken. Maar het blijkt uit tal van zaken, zoals de uitdrukking ‘fatsoenlijk rechts’. Op het eerste gezicht lijkt dat een onschuldige uitdrukking, maar ze verbergt een onwaarschijnlijk racistische mentaliteit, een mentaliteit die de wereld indeelt in fatsoenlijke en onfatsoenlijke, moreel superieure en moreel inferieure mensen, Ubermenschen en Untermenschen zeg maar. 

Het beste bewijs van deze mentaliteit is de voortdurende projectie ervan op anderen: links ziet overal racisme en reageert daar furieus op. ‘Er waart een monster door Europa, het monster van het racisme!’ Was het niet Karel De Gucht, een zeer fatsoenlijk burger, die deze groteske zin ooit uitsprak? Het misleidende ervan is natuurlijk dat hij gelijk heeft. Er wáárt inderdaad een racistisch monster door Europa: het spreekt door de mond van mensen als Karel De Gucht, mensen die behept zijn met een ‘monsterlijk’ superioriteitsgevoel waarvan ze zich totaal niet bewust zijn. Want dat zich grenzeloos superieur wanende monster verbergt zich achter vanzelfsprekendheden, achter overtuigingen die niemand nog in twijfel trekt, die niemand nog in twijfel dúrft te trekken. Wie De Gucht een beetje kent, kan zich levendig voorstellen hoe hij zou reageren als je hem van monsterlijk racisme zou betichten. En De Gucht is geen alleenstaand geval, wel integendeel. Mensen zoals hij zijn … vanzelfsprekend geworden. Hij is niet eens links. Maar links is dan ook vanzelfsprekend geworden. 

Het lijkt me van het grootste belang om dit soort vanzelfsprekendheden te doorprikken, want ze oefenen een magische, bewustzijnsverlammende werking uit. Wie durft zich vandaag nog rechts te noemen? Het klinkt als een zelfbeschuldiging: ik ben onfatsoenlijk, ik ben een slecht mens! Nochtans ligt dat veel dichter bij de waarheid dan de zelfverafgoding van links. Zei Rudolf Steiner niet dat er honderd keer meer haat dan liefde is in de ziel van de moderne mens? Welaan dan. De (luciferische) zelfverafgoding van links is niets anders dan de keerzijde van zijn (ahrimanische) haat. Links toont zijn luciferische gezicht maar verbergt zijn ahrimanische achterkant door hem op rechts te projecteren. Beide horen echter samen en zo moeten ze ook gezien worden. Wie spreekt over links zou tegelijk ook moeten spreken over de rechtse achterkant ervan (en omgekeerd). Dat zou … vanzelfsprekend moeten zijn.

De Dag van de Arbeid

De gedachte waarmee ik opstond op deze dag van de arbeid, is de volgende. De wereld raakt in toenemende mate verdeeld in twee kampen die elkaar op leven en dood bevechten. In grote delen van de wereld is dat een fysieke strijd, hier bij ons is het vooralsnog een mentale en emotionele strijd. Op deze 1ste mei zullen er weer optochten, manifestaties en toespraken worden gehouden door de socialisten, de traditionele arbeiderspartij. Die partij betekent niet veel meer in ons land, maar ik stel me zo voor dat ze weer hevig van leer zal trekken tegen rechts, dat overigens ook niet veel voorstelt in dit land. Is dat niet hoogst merkwaardig? Alle politieke partijen verdringen zich in het midden, maar hoe meer ze op elkaar gaan lijken, hoe meer ze elkaar extreem-rechts en extreem-links noemen en hoe heviger ze elkaar bestrijden. 

Het doet me een beetje denken aan die Italiaanse hertog die lang geleden over zijn aartsvijand zei: ‘we zijn het volkomen met elkaar eens, we vinden allebei dat Venetië van ons is’. Ook links en rechts zijn het met elkaar eens: de wereld is van hen en van niemand anders. Ze willen allebei de macht, de volledige macht, want de ander is het vleesgeworden kwaad en niemand wil in een wereld leven waar het kwaad het mee voor het zeggen heeft. Het idee dat de macht verdeeld zou kunnen worden tussen links en rechts en dat beiden dus zouden kunnen samenwerken, komt niet meer op in moderne geesten. Het hedendaagse streven is helemaal gericht op eenheid, en volgens links moet die eenheid links zijn en volgens rechts moet ze rechts zijn. Tertium non datur

Dit streven naar eenheid is een geestelijk streven, een Michaëlisch streven: de grenzen verdwijnen, de wereld wordt één. Het is dan ook op geestelijk gebied dat deze eenheid gerealiseerd moet en kan worden. Maar juist degenen die zo hevig naar eenheid streven, geloven niet in het bestaan van een geestelijke dimensie. Dat heeft tot gevolg dat de eenheid die ze nastreven, gezocht wordt in de materiële dimensie. Daar ontmoeten ze echter degenen die precies hetzelfde nastreven maar … op de tegenovergestelde manier. En dat resulteert in een nietsontziende strijd, een strijd die paradoxaal genoeg gevoed wordt door het streven naar eenheid, naar vrede, naar liefde. 

Het beeld dat zichtbaar wordt, is dat van een mensheid die één gezamenlijk doel nastreeft, maar terugkaatst tegen de muur van het materialisme en daardoor slaags raakt met zichzelf. Een ander beeld is dat van de Goetheaanse Steigerung: twee tegenpolen worden tot de grootste intensiteit opgevoerd waarna er uit de spanning tussen beide iets nieuws ontstaat. Dat nieuwe ontstaat echter op een hoger niveau en dat is juist het niveau dat in onze materialistische tijd ontkend wordt. Daardoor wordt de spanning niet opgelost maar blijft ze zich opstapelen tot ze uiteindelijk explodeert. Dat beeld roept weer een ander beeld op: dat van de menselijke sexualiteit. Ook hier gaat het om de stijgende spanning tussen twee tegenpolen – man en vrouw – die zich ontlaadt in een eenwording op een onbewust niveau (dat van zaadcel en eicel) en resulteert in een kind.

Volgens de antroposofie is het fysieke lichaam van de mens het meest volmaakte deel van zijn wezen en toont het ons als in een spiegel het ideaalbeeld van ons nog zeer onontwikkelde Ik. Aan dat spiegelbeeld kunnen we aflezen dat de Steigerung, de eenwording van de tegenpolen op een hoger niveau, een bijzonder ingewikkeld en dramatisch proces is. We weten nog niet zolang wat er precies gebeurt bij de bevruchting: het hele proces was tot voor een paar honderd jaar nog één groot mysterie. Op dezelfde manier is de relatie tussen de tegenpolen en het ‘geestelijke kind’ dat uit de spanning tussen beide wil geboren worden (en met hen een ‘driegelede’ relatie wil tot stand brengen) vandaag nog een mysterie. Maar alles wijst erop dat ook dit mysterie ontsluierd moet worden en dat we met ons bewustzijn moeten doordringen in de geheimen van dit ‘conceptieproces’. 

Ik vrees echter dat daar niet veel van te merken zal zijn tijdens de toespraken op deze Dag van de Arbeid. Alles zal weer gaan over de fysieke arbeid en over de fysieke strijd, en over de geestelijke arbeid en de geestelijke strijd zal als altijd zedig gezwegen worden. Op dát vlak zijn links én rechts het roerend met elkaar eens …
  
(Albert Marquet: vrouw in de regen)

Een linkse lente?

Onlangs verklaarde Ayaan Hirsi Ali in de krant dat gewone moslims wél tot verandering bereid zijn.
Dat is natuurlijk goed nieuws.
Ander goed nieuws vond ik in eigen land, en wel op het zeer linkse DeWereldMorgen waar Bram Vanden Broecke onder meer het volgende schreef:

Het lijkt alsof ons mooie Belgenland gesplitst is.
Eindelijk is het zover, al bevindt de splitsing zich niet op onze taalgrens, maar in ons politieke landschap.
Ofwel ben je een egoïstische, verbitterde N-VA’er, ofwel behoor je tot die stakende, luie Sossen.
Beiden beschuldigen elkaar van respectievelijk de huidige of de historische foute regeringsbeslissingen. Het is een ware burgeroorlog waarbij de sociale media het slachtveld zijn.
Voorgekauwde opinies worden gedeeld, waarop comments komen van schijnbaar begripvolle mensen.
Iedereen heeft een mening die onder geen beding gewijzigd kan worden.
Omdat niemand elkaar kan overtuigen, eindigen deze discussies regelmatig in persoonlijke verwijten. Niemand wint in deze oorlog, iedereen verliest.

Laat ik even recapituleren en mezelf voorstellen, aangezien ik wil dat het duidelijk is wat mijn perspectief is in dit verhaal.
Ik heb het linkse gedachtengoed met de paplepel meegekregen.
In mijn studie biologie heb ik echter geleerd om me als observator totaal af te sluiten van alle menselijke gevoelens en interpretaties om op die manier een zo goed mogelijk wetenschappelijk onderzoek te voeren.
Deze rationele werkwijze heeft zo zijn effect op mijn persoonlijke leven.
De laatste tijd ben ik namelijk begonnen de ventilaties van mijn linksgezinde facebook-vrienden te analyseren.
Zo observeerde ik dat ze enerzijds enkel akkoord gaan met linkse comments, statussen en opinies. Schrijvers met de boodschap dat BDW een “neoliberale dictator” is, worden opgehemeld want elke ‘enthousiasteling’ weet dat je zoiets enkel kan zeggen als je er deftig over ‘nadenkt’.
Anderzijds worden alle artikels of meningen die niet stroken met het linkse idee afgeschilderd als niet betrouwbaar of simpelweg dom.
Feiten en cijfers die niet links genoeg zijn, worden onder de tafel geveegd en voorgesteld als dom en ondoordacht.
Ik en al mijn linkse vrienden schieten alles wat rechts is af als dom en onsolidair.
Het is zo erg zelfs dat als een rechtse politieker een socialistisch idee verkondigde we niet zouden luisteren, want het is een “rechtse zak die enkel denkt aan zichzelf”.

Is dit hoe wij, de zogezegd “linkse intellectuele elite”, onze mening vormen?
Door feiten en cijfers die niet links genoeg zijn te negeren en rechtse opinies als dom te bestempelen? Zijn wij dan beter geïnformeerd? Hebben wij er dan meer over nagedacht?
Dit is het linkse oogklep-denken waar ik me enorm aan stoor en ik geef hier eerlijk toe dat ik er ook schuldig aan ben.
Wij zijn in een hol gekropen dat zich totaal heeft afgesloten van de buitenwereld en de werkelijkheid.
In dit hol schrijven we tekstjes voor elkaar, complimenteren we en geloven we enkel elkaars mening.
Soms steken we onze hoofden uit dit hol en blaffen ongenuanceerd naar alles wat de regering doet.
Wat zijn we toch allemaal onsolidair geworden voor andere meningen, opinies, cijfers en feiten.
Misschien moet dat maar eens veranderen.
We lezen enkel wat we willen en we bezien het alleen vanuit ons linkse ooghoek.
We blijven blind voor al het andere en maken ons direct kwaad over al dat rechtse gedoe.
Want, zo redeneren we, mensen met dezelfde mening zijn automatisch correct.

Er is een burgeroorlog aangebroken in ons Belgenland.
DE strijd tussen rechts en links is heviger dan ooit tevoren.
Bij veel mensen is de politieke interesse enorm gestegen waardoor discussies niet meer worden bekeken als “saai”.
Laten wij onze strijd langs links tenminste objectief voeren met rationele argumenten.
Het is mogelijk dat die rechtse twitteraar een domme opmerking maakt, maar het is evengoed mogelijk dat hij of zij een goed gefundeerd argument maakt dat we niet zomaar achteloos opzij mogen schuiven als onzin.

Laten we vooral luisteren en begrip tonen voor elkaar, laten we onderzoek doen.
Informeer jezelf, check je bronnen en geloof niet alles wat je leest!
Wind je niet te veel op en maak je niet te kwaad.
Zeg niet direct nee als de andere nog aan het spreken is.
De wereld zal niet vergaan als gevolg van een discussie.
Oh, en vergeet niet dat straks Die Hard 3 op tv is!

On est tous Charlie

In Duitsland wordt er door Pegida betoogd tegen de islamisering van Europa.
Maar er wordt ook betoogd tegen Pegida zelf.
In Frankrijk kwamen miljoenen mensen op straat voor de vrijheid van meningsuiting.
Meteen besloten de Europese leiders om de vrijheid van meningsuiting wat meer aan banden te leggen.
Het minste wat men kan zeggen, is dat Europa verdeeld is.
Een deel is tegen de islamisering, een deel is ervoor.
Een deel is tegen de vrijheid van meningsuiting, een deel is ervoor.
Vanwaar die verdeeldheid?
Het is de oude tegenstelling tussen links en rechts.
Rechts is voor de vrijheid van meningsuiting, links is ertegen.
Rechts is tegen de islamisering, links is ervoor.
Sommigen zullen dat een veralgemenende, polariserende, rechtse voorstelling van zaken vinden.
Ze zullen pleiten voor een genuanceerde, verzoenende, linkse voorstelling.
Die zou dan luiden:
Links is voor een vreedzaam samenleven tussen Europa en de islam, rechts stuurt aan op polarisatie.
Links is voor een vrijheid van meningsuiting met beperkingen, rechts wil absolute vrijheid zonder enige beperking.

Deze linkse voorstelling doet echter twee vragen rijzen.
Ten eerste: kunnen Europeanen en moslims wel vreedzaam samenleven?
De realiteit lijkt dat tegen te spreken.
Hoe langer ze samenleven, des te groter worden de spanningen.
Hoezeer ook de lof wordt gezongen van de multiculturele samenleving, ze mislukt zienderogen.
De tweede vraag luidt: kan de vrijheid van meningsuiting beperkt worden?
De realiteit lijkt dat alweer tegen te spreken: in Engeland is het op bepaalde plaatsen al verboden om een zwarte koffie te bestellen, dat geldt namelijk als kwetsend voor bepaalde minderheden.
Het inperken van de vrijheid van meningsuiting leidt tot ergerlijke absurditeiten.

De linkse voorstelling van zaken is dus bedrieglijk.
Ze pleit voor vrede en verzoening maar veroorzaakt onvrede en geweld.
De rechtse voorstelling is een stuk oprechter.
Ze pleit ondubbelzinnig voor de confrontatie tussen Europa en de islam, en voor le choc des idées.
Zo’n botsing veroorzaakt natuurlijk ook onvrede en geweld, en dus maakt het eigenlijk geen verschil of we de zaken links of rechts aanpakken: het leidt in beide gevallen tot hetzelfde.
De strijd tussen links en rechts is met andere woorden een schijn-strijd.
Hij is als de strijd tussen de terroristen en de anti-terroristen die we in de straten van Parijs aan het werk hebben gezien: een strijd tussen gemaskerde mannen die als twee druppels water op elkaar leken.
Die (opvallende) gelijkenis drukte een diepe waarheid uit: dit was geen strijd van het goede tegen het kwade, dit was een strijd van het kwade tegen het kwade.
De strijd tussen links en rechts is een strijd tussen Lucifer en Ahriman.
Of tussen Ahriman en Lucifer, want beide lijken tegenwoordig zo sterk op elkaar dat ze inwisselbaar worden. Ze vormen een onontwarbaar kluwen waarachter een geest schuilgaat die het rechtstreeks op de mens gemunt heeft.
Terroristen en anti-terroristen lijken tegen elkaar te vechten, maar in werkelijkheid vechten ze samen tegen de mens en de menselijkheid.

Dat is the inconvenient truth van onze tijd: links en rechts vechten een verbitterde strijd uit met elkaar, een strijd die door beide wordt voorgesteld als een strijd tussen goed en kwaad, maar die in werkelijkheid een zelfvernietigende strijd is, een strijd van de mens tegen de mens.
De strijd tussen links en rechts is exemplarisch voor alle hedendaagse conflicten.
De grote uitdaging van onze tijd is dan ook: hoe kunnen links en rechts met elkaar verzoend worden?
Want dat is de enige manier om de zelfvernietiging tegen te gaan.
Maar eerst moet een andere vraag gesteld worden: kunnen beide tegenpolen wel met elkaar verzoend worden?
Die vraag zou ons tot bezinning moeten brengen, want als we ze negatief beantwoorden, vellen we ons eigen doodvonnis.
Als links en rechts niet met elkaar verzoend kunnen worden, dan is het afgelopen met de mensheid, dan zal ze zichzelf vernietigen.

We hoeven niet eens naar het Midden-Oosten te kijken om dat te begrijpen.
In ons eigen land zien we hoe een democratisch verkozen regering bestreden wordt alsof ze de incarnatie van het kwaad is, enkel en alleen omdat ze rechts is.
De ‘boze geest’ achter die regering, het kwaadaardige brein Bart De Wever, wordt door links afgeschilderd als de nieuwe Hitler, en geen moment komt het bij links op dat het met deze onafgebroken demonisering zelf nazi-praktijken toepast.
Het is verbijsterend om te zien hoeveel mensen daarin meegaan, hoe het demoniseren van een mens een vanzelfsprekende zaak is geworden, een morele plicht bijna.
In Nederland heeft dat destijds geleid tot de moord op Pim Fortuyn. En dat is dan ook de onvermijdelijke uitkomst van de polarisatie tussen links en rechts: moord en doodslag.
In de afgelopen eeuw heeft die polarisatie zowat 100 miljoen doden geëist, en nog altijd heeft de mensheid niet bijgeleerd. Nog altijd trapt ze in dezelfde val en dreigt er opnieuw een apocalyptische vernietigingsgolf.
Er bestaat dus geen dringender vraag dan hoe we links en rechts met elkaar kunnen verzoenen.

Laten we die vraag eens toespitsen op de vrijheid van meningsuiting.
Rechts is voor absolute vrijheid: alles moet kunnen gezegd worden, hoe kwetsend het voor anderen ook is.
Links is het daar niet mee eens, het vindt dat er grenzen zijn aan de vrijheid van meningsuiting en dat je niet zomaar iedereen mag kwetsen.
Om een lang verhaal kort te maken: rechts heeft gelijk.
De vrijheid van meningsuiting is absoluut of ze is niet.
Een beperking, hoe klein ook, is als een gaatje in een dijk: vroeg of laat breekt de dijk door.
Voor wie in een vrije samenleving wil leven, kan er over dit principe geen discussie bestaan: de vrijheid van meningsuiting moet absoluut zijn.

Daarmee is de zaak natuurlijk niet opgelost, want principes zijn één zaak, de realiteit is een andere.
Er leven in Europa momenteel miljoenen moslims die wel de voordelen van een vrije samenleving willen, maar niet bereid zijn daarvoor de prijs te betalen, want ze willen niet gekwetst worden in hun religieuze gevoelens.
Worden ze toch gekwetst, dan reageren ze met agressie en geweld.
We kunnen daarvan denken wat we willen, maar de realiteit is dat er geweld van komt als we vasthouden aan de vrijheid van meningsuiting zoals rechts die voorstaat.
Links wil dat geweld vermijden door de moslims niet meer kwetsen.
Dat klinkt redelijk want star vasthouden aan de vrijheid van meningsuiting zal die vrijheid uiteindelijk fataal worden.
Toch is de linkse toegeeflijkheid al evenmin realistisch als de principiële houding van rechts, want hoe meer we toegeven aan de moslims, des te meer voelen ze zich tekortgedaan en des te minder moeten ze weten van onze vrije samenleving.
Beide houdingen – de linkse én de rechtse – leiden dus onvermijdelijk tot een botsing tussen de vrije samenleving en de islamitische samenleving.
En daarbij zal de vrije samenleving het onderspit delven, om de eenvoudige reden dat ze verdeeld is.
Als twee honden vechten om één been, dan loopt de derde ermee weg.

Er is dus geen andere mogelijkheid: als we de vrije samenleving willen redden, moeten we rechts en links met elkaar verzoenen.
En dat betekent dat de vrijheid van meningsuiting verzoend moet worden met een niet-kwetsende houding.
Dat klinkt als een contradictio in terminis, want de essentie van de vrije meningsuiting is juist dat men andere mensen mag kwetsen.
Als ik bijvoorbeeld van de kunstwerken van Berlinde De Bruyckere zeg dat ze me braakneigingen bezorgen, dan kwets ik haar daar ongetwijfeld mee.
Maar door die kunstwerken te maken, kwetst ze mij ook.
Wat nu gedaan?
Moet ik mijn mond houden of moet zij ophouden kunst te maken?
Moet zij zich aanpassen aan mij of ik aan haar?
Dat leidt onvermijdelijk tot een machtsstrijd en de kunstwereld toont ons hoe die eindigt: niemand durft zijn mond nog opendoen, niemand durft er nog een eigen mening op nahouden.
Ook de kunstenaar mag niet meer doen wat hij wil, hij moet zich strikt aan de ongeschreven regels houden.
Hij heeft al even weinig vrijheid als de kijker, dat wil zeggen: geen.
Toch voelen beiden zich volkomen vrij: ze denken dat ze mogen doen wat ze willen en ze denken dat ze mogen zeggen wat ze willen.
Dat is waar de ondergang van de vrije samenleving toe leidt: tot slaven die denken dat ze vrij zijn.
Het is de natte droom van elke machthebber.
Mensen die weerzinwekkende dingen doen en daar vreugde aan beleven.
Mensen die naar weerzinwekkende dingen kijken en nog nooit zoiets moois gezien hebben.
Mensen die in de hel zitten en zich in de hemel wanen: wat kan een duivel nog meer wensen?

We moeten de kunst dankbaar zijn dat zij in beeld brengt wat de uiteindelijke gevolgen zullen zijn als we er niet in slagen de vrije samenleving te redden.
Het zal leiden tot de ontmenselijking van de mens.
Het zal van hem een duivel maken die denkt dat hij een engel is.
Het is niet moeilijk om dat mensentype nu reeds waar te nemen.
Maar de kunst zou geen kunst zijn als zij ons niet ook nog iets anders toonde.
Hedendaagse kunst is eigenlijk niets anders dan een karikatuur van de vrije meningsuiting zonder enige beperking: alles is hier toegelaten, hoe kwetsend en choquerend het ook is.
De paradox is dat deze absolute vrijheid omslaat in zijn tegendeel: ze wordt tot de absolute plicht om te kwetsen en te choqueren.
Hedendaagse kunst is per definitie kwetsende en choquerende kunst.
Luc Tuymans vertolkte de geest van deze kunst toen hij zei: ik haat schoonheid!
De klassieke kunst – die schoonheid nastreeft en aangenaam wil zijn – is absoluut taboe in hedendaagse kringen.
Het merkwaardige is nu dat deze Hedendaagse kunst, die met haar bandeloze vrijheid en kwetsende natuur alles belichaamt wat de moslim verafschuwt, in de islamitische wereld niet op verzet stuit (in tegenstelling tot de klassieke kunst).

Hoe valt dat te verklaren?

Ik denk dat het op dezelfde manier verklaard kan worden als de massale solidariteit met Charlie Hebdo.
De grote meerderheid van al die Je suis Charlie-sympathisanten kende Charlie Hebdo niet eens.
Velen onder hen zouden waarschijnlijk zelfs afkeer gevoeld hebben voor het blad als ze het gekend hadden.
Maar ze reageerden niet rationeel, ze reageerden zelfs niet emotioneel, ze reageerden vanuit een dieper aanvoelen van waar het werkelijk om ging: de vrije meningsuiting, de vrije samenleving, de vrije menselijkheid.
Op een gelijkaardige manier reageren moslims, vermoed ik, op de Hedendaagse Kunst.
De meeste moslims kennen deze kunst niet eens, en ze zouden er waarschijnlijk weerzin voor voelen als dat wel het geval was.
Maar net als de Parijzenaars reageren ze er vanuit een diepere bewustzijnslaag op en voelen onbewust aan hoe belangrijk het is om mensen te mogen kwetsen en choqueren.

De Hedendaagse kunst toont met andere woorden aan dat Westerlingen en moslims ten aanzien van de wezenlijkste zaken niet verschillen: allebei vinden ze de vrije samenleving een kostbaar goed, allebei accepteren ze het kwetsende karakter van de Hedendaagse Kunst.
En dat is natuurlijk goed nieuws, want het toont aan dat de Westerse wereld en de moslimwereld wel degelijk met elkaar te verzoenen zijn: in de grond willen ze immers precies hetzelfde.
Dat is trouwens de reden waarom de moslims zo massaal naar Europa emigreren: ze willen deel uitmaken van de vrije samenleving. Daarvoor verlaten ze hun vaderland, daarvoor riskeren ze hun leven, daarvoor hebben ze alles over.
Maar waar ligt dan het probleem?
Waarom raken mensen die hetzelfde willen zodanig slaags dat ze elkaar naar het leven staan en zelfs dreigen te vernietigen?
Hoe kan een gemeenschappelijke impuls de wereld zo verdelen?
Om het antroposofisch uit te drukken: hoe kan de Wederkomst van Christus zo’n uitbarsting van haat veroorzaken?
Het antwoord is eenvoudig: omdat de mensheid zich niet bewust is van die wederkomst.
Zowel Westerlingen als moslims zijn zich niet bewust van de gemeenschappelijke impuls die hen bezielt: Christus, het wezen van de vrije samenleving.

Wat betekent dit nu concreet, in verband met de vrije meningsuiting?
Hoe kunnen twee zo tegengestelde idealen als anderen-mogen-kwetsen en niet-gekwetst-willen-worden met elkaar verzoend worden?
De oplossing ligt in het woordje ‘mogen’.
Vrijheid van meningsuiting betekent: anderen mogen kwetsen.
Het betekent niet: anderen moeten kwetsen, of anderen willen kwetsen.
Wie de vrije samenleving toegedaan is, mag anderen kwetsen, maar hij is daar niet toe verplicht.
Hij is namelijk vrij.
Dat is de kern van de zaak.
We zijn vrij om de ander al dan niet te kwetsen.
We mogen kwetsen, maar we moeten niet.
We kunnen kiezen.
En wie zich werkelijk bewust is van die keuze, zal niet gauw kiezen voor geweld, want hij weet dat het geen oplossing is.
Het is dus niet de keuze die moeilijk is, het is de bewustwording ervan.
Het is niet moeilijk om voor Christus te kiezen, het is zelfs het meest vanzelfsprekende dat er is.
Maar het is ontzettend moeilijk om ons van Hem bewust te worden.
En dat bewustzijn moet zo diep en zo levend zijn dat het tot een tweede natuur wordt, een nieuwe geweldloze natuur die onze oude gewelddadige natuur overwint en vervangt.

Dat bewustzijn sluimert reeds in ons.
Door de aanslag tegen Charlie Hebdo kwam het even naar boven, niet alleen bij Westerlingen maar ook bij moslims.
Opeens besefte iedereen: dit is niet de weg!
Maar dat besef was nog zeer zwak en kwetsbaar.
Het had geen verhaal tegen het intellectuele geweld dat meteen losbarstte en opriep tot oorlog: oorlog tegen het terrorisme, oorlog tegen de fundamentalistische islam, oorlog tegen de vrije meningsuiting, oorlog tegen Pegida, oorlog tegen alles en iedereen.
Deze oorlogsreactie is begrijpelijk, maar het is een onbewuste reactie, hoe geleerd en intellectueel ze ook klinkt.
De echte oorlog die moet uitgevochten worden is een bewustzijnsoorlog.
Er moet gevochten worden om die gemeenschappelijke impuls, die mondiale wil om te leven in een vrije samenleving, tot bewustzijn te brengen.
Daarbij moeten we elkaar mogen kwetsen, want anders kan er niet gevochten worden.
Maar tegelijk moeten we proberen gebruik te maken van onze vrijheid om niet te kwetsen.
We moeten met andere woorden leren vechten zonder te kwetsen.
En dat kan maar op één manier: door er een kunst te maken, door van de ideeënstrijd een spel te maken.
Dat is dus het goede nieuws: we staan niet machteloos tegenover het geweld dat vandaag de wereld teistert.
We kunnen er allemaal iets aan doen.
Iedere keer dat we met andere mensen spreken, kunnen we ons oefenen in de kunst om vrij onze mening te zeggen en toch anderen niet te kwetsen.
Niemand kan ons daartoe verplichten, we kunnen het alleen uit vrije wil doen, en die wil zal des te sterker worden naarmate we inzien dat deze verzoening van de tegenpolen de enige weg naar de toekomst is.