Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: Lucifer en Ahriman

Lichtbaken (16)

  

Met dat alles is nog steeds de vraag niet beantwoord hoe het komt dat een kleine verandering aan het fysieke lichaam (de neus!) volstaat om een mens onherkenbaar te maken, terwijl we nochtans het Ik van die mens – datgene wat we herkennen – niet aflezen aan zijn fysieke lichaam, maar het rechtstreeks, bovenzintuiglijk waarnemen. Groter tegenstelling dan tussen het (geestelijke) Ik en het (materiële) lichaam is niet mogelijk, en toch drukt het Ik zich volgens Rudolf Steiner juist in dat fysieke lichaam het duidelijkst uit, veel duidelijker dan in het karakter of het innerlijk. Dat is ook mijn ervaring als portrettist. Om een sprekend portret te tekenen, een portret waarin het Ik van de betrokken mens tot uitdrukking komt, concentreer ik me enkel en alleen op het fysieke lichaam. Daarvoor moet ik de mens ‘doden’, ik moet abstractie maken van alles wat levend aan hem is. Met zijn karakter of innerlijk hou ik geen rekening. En zo ondervind ik dat zijn Ik niet samenvalt met zijn innerlijk, dat het er zelfs tegengesteld kan aan zijn. Het innerlijk is dus onbetrouwbaarder dan het het fysieke uiterlijk – op voorwaarde dat dit laatste nauwkeurig en objectief wordt waargenomen, zoals een portrettist dat doet.  

De paradox is inderdaad dat het Ik pas zichtbaar wordt wanneer je de mens doodt, wanneer je alles elimineert wat hem tot een subject maakt en hem herleidt tot een louter materieel ding. Doordat je het fysiek lichaam isoleert en het (in gedachten) losmaakt van het etherisch lichaam, het astraal lichaam en het Ik, wordt het een spiegel voor dat Ik. Want dat is wat materie in wezen doet: de geest weerspiegelen. Dankzij de spiegel van de materie kunnen we ons bewust worden van de geest. Zolang er alleen maar geest is – en we deel uitmaken van die geest – is dat niet mogelijk. Wat die bewustwording echter zo moeilijk maakt, is dat de materiële wereld leeft: hij is nog altijd opgenomen in de geest, hij is vermengd met geest. Daardoor wordt hij tot een onbetrouwbare spiegel, want een spiegel mag niet leven. Hij moet hard en transparant zijn als glas, hij mag geen enkele gelijkenis meer vertonen met datgene wat hij weerspiegelt. In feite is dat het verhaal van de mens: de wereld waarin hij leeft, sterft langzaam, hij wordt stap voor stap ‘ontgeestelijkt’ en ‘gematerialiseerd’ waardoor hij tot een spiegel wordt van de geest. Op die manier kan de mens zich bewust worden van de geest, hij kan ertegenover gaan staan en vrij worden.

In dat stervens- en bewustwordingsproces hebben we vandaag een kritiek punt bereikt. De wereld is meer dan ooit een spiegel van de geest, maar we kijken niet in die spiegel, we kijken naar de spiegel. We maken met andere woorden geen onderscheid tussen spiegel en spiegelbeeld. We denken dat het beeld (van de geest) deel uitmaakt van de spiegel en dat de geest dus een aspect van de materie is. Hoe moeilijk het is om onderscheid te maken tussen spiegel en spiegelbeeld ondervinden we wanneer we in een vijver de wolken en de blauwe hemel weerspiegeld zien. De vijver zelf zien we dan niet meer. Zien we echter onder het wateroppervlak de vissen zwemmen, dan merken we weer niks van de weerspiegelde wolken. Het is onmogelijk om ze allebei te zien, de vissen én de wolken. Het is zelfs buitengewoon moeilijk om de blik van de spiegel naar het spiegelbeeld te verplaatsen. We kunnen eigenlijk zelf niet bepalen wat we zien: de vissen of de wolken. We hebben daar geen greep op, onze blik is als het ware gevangen en we kunnen hem niet losmaken van datgene wat we toevallig zien. Verandert onze blik toch van richting, dan gebeurt dat per ongeluk, zonder dat we weten hoe het gebeurt. 

We kunnen de vijver zien als een metafoor van het menselijk lichaam: dat lichaam weerspiegelt het Ik (de wolken), maar om dat Ik te kunnen zien moeten we de blik afwenden van alles wat leeft in dat lichaam (de vissen). En dat lukt ons niet want onze blik gehoorzaamt niet aan onze wil. Hij zit als het ware vast aan zijn onderwerp, of dat nu het (geestelijke) Ik is of het (fysieke) lichaam. Als gevolg daarvan kunnen we die twee niet onderscheiden, want daarvoor moeten we de blik afwisselend van de een op de ander richten. Wanneer we tegenover een mens staan, nemen we zijn Ik wel waar, maar niet bewust, want we onderscheiden het niet van wat we waarnemen aan zijn lichaam. Zien we in een vijver de vissen rondzwemmen, dan wordt onze blik vertroebeld door onze onbewuste waarneming van de weerspiegelde wolken, en omgekeerd. We zien dus nooit de hele werkelijkheid (of de hele mens), en de ‘halve’ werkelijkheid zien we ook nog eens troebel. Er is trouwens nog iets anders dat aan ons bewustzijn ontsnapt: zowel de wolken als de vissen verschijnen aan ons in het wateroppervlak. We zien met andere woorden slechts een beeld van beide werelden, nooit de vissen en de wolken (of het lichaam en het Ik) zelf. 

Het kost ons een behoorlijke denkinspanning om in te zien dat de wereld waarin we leven in wezen drieledig is en dat hij – metaforisch gesproken – bestaat uit wolken, vissen en een wateroppervlak dat beide scheidt. Dat wateroppervlak is een essentiële factor, want bij de minste rimpeling verdwijnen zowel de wolken als de vissen uit beeld en zien we alleen nog het water zelf. In feite is dat spiegelende oppervlak het meest ongrijpbare en mysterieuze element in die drieledigheid. Je kunt het vergelijken met het fysieke uiterlijk van een mens. Diens lichaam is een ongelooflijk complexe wereld waarvan we in normale omstandigheden alleen maar het oppervlak zien: de huid met alles wat erbij hoort. Dat oppervlak weerspiegelt zowel het lichaam eronder als het Ik erboven – volgens Rudolf Steiner komt het Ik van buitenaf op ons toe – maar daar merken we nauwelijks iets van omdat ons moderne bewustzijn zo star en onbeweeglijk is geworden dat het slechts een troebele vermenging van beide waarneemt. Dit troebele mengsel beschouwen we momenteel als dé werkelijkheid, een werkelijkheid waarvan we overtuigd zijn dat we ze helder en objectief waarnemen. 

We leven in de illusie dat we de wereld – eindelijk – zien zoals hij is, terwijl onze waarneming in werkelijkheid steeds troebeler en verwarder wordt. We zijn ons weliswaar scherp bewust van de materiële wereld en we worden ons langzaam ook weer bewust van de geestelijke wereld, maar doordat ons bewustzijn niet in staat is zich tussen die twee werelden te bewegen (en ze daardoor ook niet kan onderscheiden) raken ze In toenemende mate vermengd en stompen ze ons bewustzijn af. We zijn dus op een keerpunt gekomen: als we ons bewustzijn niet in beweging krijgen, dan zal het degenereren. Dat proces is trouwens reeds volop bezig. De wetenschap (die onze waarneming van de materiële wereld vertegenwoordigt) raakt in toenemende mate vermengd met ideologische en zelfs religieuze elementen, en verliest daardoor haar objectiviteit. De religie van haar kant (die zich bezighoudt met onze waarneming van de geest) is verworden tot een stel abstracte wetten en formules die geen ruimte meer laten voor de (subjectieve) mens. Maar het grootste slachtoffer is wel de kunst, die geest en materie, subject en object met elkaar verbindt en het beweeglijke spel tussen beide belichaamt. 

De kunst is uitdrukking van het fysieke uiterlijk van de mens (als grens tussen binnen en buiten), van het spiegelende wateroppervlak (als grens tussen vissen en wolken), van de natuur (als grens tussen aarde en kosmos). Zij is een middengebied dat de tegenpolen verbindt én scheidt. Haar voornaamste eigenschap is dan ook beweging, een uiterst complexe, ritmische beweging. Wat is een portret anders dan het resultaat van een hele reeks bewegingen? De tekenaar beweegt zijn potlood over het papier in een ingewikkeld patroon dat uiteindelijk een beeld van een mens oplevert. De fysieke bewegingen die hij maakt, spiegelen de bewegingen die zijn bewustzijn maakt, want iedere beweging van zijn hand is een bewuste beweging (of hoort dat te zijn). Die bewustzijnsbewegingen zijn op hun beurt een weerspiegeling van de Ik-bewegingen die geleid hebben tot het ontstaan van het gezicht dat getekend wordt (want het is het Ik van de mens dat zijn lichaam schept). Uiteindelijk is dat wat de portrettist beoogt: zichzelf ter beschikking stellen van het Ik van de geportretteerde zodat dit als het ware zichzelf kan tekenen. Maar dit samenwerken van twee Ikken vergt een grote beweeglijkheid, een grote Ik-inspanning. 

Als we ons bewustzijn – en daarmee ook ons menszijn – willen redden, dan moeten we het weer in beweging krijgen. Ons Ik moet weer greep krijgen op dat verstarde bewustzijn dat niet in staat is zijn aandacht te verplaatsen van de vissen naar de wolken of omgekeerd. De grote vraag daarbij is natuurlijk hoe dat moet gebeuren. Hoe kunnen we weer meester worden in een bewustzijn dat in de ban is van (de spirituele) Lucifer en/of (de materialistische) Ahriman? Het antwoord ligt in de kunst, het antwoord is de kunst. Want kunst is beweging, geestelijke beweging tussen twee tegenpolen. Die beweging kan niet uitgedrukt worden in wetten omdat ze bij iedere mens anders is. Geen twee mensen bewegen op dezelfde manier, noch geestelijk, noch fysiek. En toch hebben al die bewegingen iets gemeenschappelijks, ze hebben deel aan dezelfde oerbeweging, hetzelfde scheppende wereldwoord. Hoe meer de persoonlijke beweging van de kunstenaar deel heeft aan deze ‘wereldbeweging’, des te groter is zijn kunst. En omgekeerd: hoe groter zijn kunst is, des te persoonlijker is ze ook. Dat is het wonder van de kunst: het samen bewegen van het persoonlijke en het bovenpersoonlijke, als in een dans. 

Datzelfde wonder treffen we ook aan in het paradoxale samengaan van Ik en fysiek lichaam. Ieder menselijk Ik is uniek en toch drukt het zich uit in een lichaam dat voor iedereen hetzelfde is: een hoofd, twee armen, twee benen, enzovoort. Op dit thema – het menselijk lichaam – bestaan er miljarden variaties die we feilloos uit elkaar kunnen houden. Het plastisch vermogen van dit lichaam is verbijsterend, en het duidelijkst komt dat tot uiting in het hoofd, waar het Ik zich het duidelijkst in uitdrukt. Dat maakt het tekenen van portretten zo ongemeen boeiend: ieder mens is totaal anders, ieder portret is volkomen nieuw. Het vergt echter een grote beweeglijkheid om het basismateriaal – het gezicht met zijn neus, mond, twee ogen en oren – zodanig te kneden dat het telkens weer uitdrukking wordt van een ander Ik, dat het telkens weer de vorm krijgt van een uniek ‘idee’ en tegelijk ook van de ‘wereldidee’, want die twee gaan altijd samen. Maar die beweeglijkheid kan iedereen zich eigen maken, iedereen kan leren tekenen en zijn bewustzijn in beweging brengen, te beginnen met de meest starre en dode vormen, de rechte lijnen van de meetkunde. Daar is geen talent voor nodig, alleen de wil. 

De Wachter en het beeld

  

Gisteren zaterdag begon de herfst, en het was one of those days. Ik besloot om eens naar Gent te fietsen, want de afgelopen weken was ik altijd de omgekeerde richting uit gefietst en na al die natuur was ik toe aan een beetje cultuur. Ik zag wel op tegen de drukte van de stad, maar de atmosfeer was zo ontspannen dat ik er zelf van ontspande. En dan zien de dingen er heel anders uit. Bovendien had ik een doel: ik zou een boek kopen en een porseleinen koffiefilter. Dat scheelt ook. Het was inderdaad heel druk in Gent: de terrassen zaten vol, de trottoirs liepen vol, en ik vond aan de ballustrade van de Ajuinlei met moeite nog een plaatsje voor mijn fiets. Met de zon op mijn huid bereikte ik de Fnac. Het contrast met al de electronica aan de ingang kon nauwelijks groter zijn. 

Ik keurde de computers en smartfoons echter geen blik waardig en stevende direct af op de dvd’s in de kelder. Geen goed idee, zo bleek. Ik botste er op een meisje met roze schoenen dat aan een keyboard zat te zingen voor een kleine kring van toehoorders. Het geluid stond – zoals altijd – veel te hard en hoe ik ook probeerde me af te sluiten voor de electronische klanken, het lukte niet. Ijlings vluchtte ik naar de bovenverdieping, naar de boeken. Daar botste ik warempel alweer op een vrouwspersoon die aan een keyboard zat te zingen. Bach als ik me niet vergis. Dat klonk al veel beter, maar het bleef vreemd. Want niet alleen stond er niemand te luisteren, maar de vrouw zat ook in een stand die behangen was met witte doorschijnende doeken waarop lijsten met grote vergeelde foto’s waren bevestigd.

Het had iets van een dodenwake en ik verwachtte ieder ogenblik een vleermuis te zien rondfladderen. In plaats daarvan ontwaarde ik, halfverborgen in een hoek, een man die een bord voor zich hield met daarop een foto, waarin ik Dirk De Wachter meende te herkennen, een psychiater die de laatste tijd nogal veel in de media verschijnt. Vanachter dat bord met die foto klonk een stem die iets voordroeg. En dan was er muziek van Roy Orbison. Wat een bizarre voorstelling! Temeer daar niemand er enige notitie van leek te nemen. De man en de vrouw gingen helemaal op in hun eigen wereldje, een wereldje dat als een tang op een varken paste bij de zaterdagdrukte in de Fnac. De gedachte dat het om de presentatie van een boek kon gaan, kwam niet eens bij me op, zo bevreemdend was het allemaal. 

Toen legde de man zijn bord weg en trok zijn schoenen uit, lange puntige schoenen van wit krokodilleleer. Ook de eigenaar bleek lang te zijn, evenals zijn haar dat tot op zijn schouders viel. Verrek, dacht ik, het is Dirk De Wachter zelf! Wat doet die vent in godsnaam in de Fnac op een zonnige zaterdagmiddag in september! En waarom ziet hij eruit als een doordruk van Nick Cave? De man is verdorie professor in de psychiatrie, diensthoofd van het Psychiatrisch Centrum van de Leuvense universiteit! Hoezo, mogen professoren dan geen witte schoenen van krokodilleleer dragen en eruitzien als een rock ’n rollzanger? Natuurlijk mogen ze dat, maar ze moeten dan niet verwonderd zijn als ik me vragen begin te stellen. Want ik vind het maar niks, die vermenging van kunst en wetenschap. 

Ik gluur vanachter de boeken naar het vreemde koppel. Blijkbaar ben ik niet de enige die zich onwennig voelt bij dit optreden, want niemand blijft staan om te luisteren. Het lijkt Dirk De Wachter niet te deren. Ik begrijp het niet goed. Waarom doet een wetenschapper van zijn niveau zoiets? Waarom gaat iemand met een druk beroepsleven op een zalige nazomerdag naar de Fnac in Gent om daar een vreemdsoortige voorstelling te geven voor een onbestaand publiek? Van een jong meisje met roze schoenen kan ik het nog begrijpen. Ze moet iedere kans te baat nemen om op te treden en bekendheid te verwerven. Bovendien had ze wel degelijk luisteraars. Maar een bijna 60-jarige professor, die het helemaal gemaakt heeft in het leven? Wat kan zo’n man bezielen om witte schoenen te dragen en zich zo te kijk te zetten? 

Ik kan er maar één bedenken: ijdelheid. Het doet me denken aan die andere professor: Etienne Vermeersch. Dat is ook zo’n ijdeltuit. Toen ik hem, lang geleden, ging portretteren op zijn (enorme) kantoor naast de Vooruit, bracht zijn secretaresse hem een map met persknipsels waarin hij vernoemd werd. Die zat hij glunderend te lezen terwijl hij poseerde. Zijn ijdelheid bleek ook uit het korte gesprek dat ik daarna met hem had. Hij liet duidelijk blijken dat hij goed bekend was met de artistieke scène in Gent. Ik vond het een merkwaardig contrast: die zeer ernstige, zeer deftige (en zeer lelijke) professor in de filosofie die zo ongeremd genoot van de aandacht die de media aan hem besteedden. Zoiets verwacht je van iemand die het nog moet maken – ik ben zelf jong geweest – maar toch niet van een vice-rector die aan zijn pensioen toe is?

Nu goed, wat me die zaterdagmiddag trof, was het algemene beeld. Op de bovenverdieping van de Fnac trof ik de ijdele Lucifer aan, op de onderverdieping de electronische Ahriman. Vreemd genoeg werd Lucifer vertegenwoordigd door een oudere professor en Ahriman door een jong meisje, terwijl je net het tegenovergestelde zou verwachten. Want Lucifer is uitgesproken vrouwelijk-kunstzinnig, terwijl Ahriman onmiskenbaar mannelijk-wetenschappelijk is. Het was dus alsof de tegenpolen van plaats hadden verwisseld, of zich met elkaar vermengd hadden. En dat kon alleen gebeuren omdat het middengebied – het gelijkvloers – bezet was door electronica (vooraan) en kassa’s (achteraan). 

De ‘tempel’ van de mens – zijn hart – is ontwijd door hebberige kooplieden (die met hun geldverrichtingen op de achtergrond blijven) en door kille electronica (die zich overal op de voorgrond dringt). Daardoor kan de mens geen onderscheid meer maken tussen Lucifer en Ahriman. Ze verwisselen van plaats zonder dat hij het merkt. Ik heb me de afgelopen jaren vaak afgevraagd waarom er voortdurend geschoven werd met de verschillende afdelingen van de Fnac, waarom de kassa’s bijvoorbeeld verhuisden van vooraan (waar je ze zou verwachten) naar helemaal achteraan. Maar zie: there is a system in that madness, en op een mooie dag als gisteren wordt het opeens zichtbaar. Toch blijft het een complex systeem. Ik ben er nog altijd niet uit wat die witte en roze schoenen betekenden. Something though

Lawaai

  

Ik zit op een bank bij het Damvalleimeer en kijk hoe de zon glinstert op het water. Wat een zaligheid, die sint-michielszomer! Iedereen is weer aan het werk, de jeugd zit weer op de schoolbanken, en ik, ik heb het rijk voor mij alleen. Natuurlijk zijn er de gepensioneerden die overal electrisch rondfietsen, maar op mijn wandelingen volg ik paden waar zij nooit komen. Wie een beetje zoekt, vindt hier in Destelbergen nog plekken waar je zelden een mens tegenkomt, waar je van de wereld weg bent en waar je alleen maar vijvers, velden, bomen en weiden ziet. Wat een weelde! Maar helaas. Al dat moois wordt grondig verpest door het alomtegenwoordige lawaai van de autostrades die er dwars doorheen lopen. Het is alsof ze op een natuurfilm een heavy metal soundtrack hebben geplakt.

Niemand die met gesloten ogen naar mijn bank bij het Damvalleimeer werd geleid, zou ooit kunnen vermoeden dat hij op een idyllische plek zit waar alleen water en bomen en vogels te zien zijn. Want van het ruisen van de bomen, het zingen van de vogels en het plonzen van de vissen is niks te horen. Het wordt allemaal overstemd door het geraas of gebulder (al naargelang de wind) van de autostrade. De geluiden die bij het natuurbeeld horen, zijn vervangen door een geluid dat er niks mee te maken heeft. Het is alsof ik op de brug over de E17 zou staan en alleen maar het geklater van water en het gefluit van vogels zou horen. Het zou die eindeloze stroom voorbijzoevende auto’s ontdoen van zijn betekenis en van het beeld een leugen maken. Beeld en geluid moeten samenhoren om waar te zijn. 

Soms probeer ik me Destelbergen voor te stellen zonder lawaai. Ik zit dan op mijn bank aan het water en span me in om het geraas en gebulder van de autostrade weg te denken, om alleen die weidse vijver te zien, die paradijselijke zonovergoten plek. Maar het lukt niet. Ik kan mijn ogen wel sluiten en alleen het lawaai horen, maar niet omgekeerd. Voor lawaai kan een mens zich nooit echt afsluiten. Zelfs als hij zijn oren dichtstopt, wordt het nog als trilling door zijn lichaam waargenomen. Ik heb dus geen idee hoe Destelbergen zou zijn zonder autostrades. Ik kan het me zelfs niet voorstellen. Want de eenheid van beeld en geluid is meer dan de som der delen. Als ze van elkaar gescheiden worden, verdwijnt er iets dat je met behulp van beeld en geluid afzonderlijk niet meer kunt oproepen.

Als ik even verlost wil zijn van al dat lawaai, fiets ik naar de Kalkense meersen, een natuurgebied vijftien kilometer verderop. Zodra ik de Dendermondesteenweg verlaat en het autogeraas wegvalt, is het alsof ik in een deken van rust en stilte word gewikkeld. Het is een bijna fysieke sensatie die ik niet kan oproepen met mijn voorstellingsvermogen, daarvoor is ze veel te indringend. Op zo’n moment realiseer ik me dat ik in Destelbergen constant moet vechten tegen dat lawaai en dat ik er nooit echt tot rust kom. Vroeger gingen we wel eens logeren bij mijn schoonouders, die ver weg van alle autolawaai woonden. Het viel me op dat ik daar altijd veel beter en veel dieper sliep dan thuis. Je zou denken dat het gevecht met het lawaai ophoudt als je slaapt en niks meer hoort, maar dat is dus niet zo. 

Slapen hoort bij de natuur zoals wakker-zijn bij de stad. Wie in en met de natuur leeft, slaapt niet alleen beter, hij staat ook dichter bij de geestelijke wereld. Wie daarentegen in de stad woont, slaapt minder diep en verliest gaandeweg het vanzelfsprekende contact met de geest. Hij moet het onderhouden door middel van kunst en cultuur. Maar zoals er in ons land geen echte natuur meer is, zo zijn er ook geen echte steden meer. Alles loopt door elkaar. Dat was vroeger niet zo. Er was toen nog een duidelijk onderscheid. En ik kan het weten, want ik heb mijn jeugd doorgebracht op de grens tussen stad en land. Tien minuten wandelen en ik stond aan de voet van de Sint-Romboutstoren, in het centrum van Mechelen. Honderd meter de andere richting uit begon er een heel andere wereld, een (in mijn kinderogen) grenzeloze wereld van rivieren, bossen en velden. 

Vandaag is die grens volkomen vervaagd. Waar de natuur begon ligt nu een autostrade, en daarachter beginnen de villawijken. Als een kankergezwel heeft de stad zich uitgezaaid. Maar ook het omgekeerde is gebeurd: de natuur is de stad binnengedrongen en heeft er een jungle van gemaakt, vol koortsachtig leven en duistere driften. De tegenpolen hebben zich met elkaar vermengd en het grensgebied uitgewist. Ik zou vandaag niet meer kunnen wat ik vroeger kon. Ik stond ’s zondags op en keek uit het slaapkamerraam. De zon blikkerde op de daken. Niets bewoog. Geen geluid was er te horen. Aan de ene kant lag de stad te slapen, aan de andere kant maakte de natuur zich op voor weer een zomerse dag. Door die voorwereldlijke rust fietste ik eerst naar de stad om te gaan tekenen, en na de middag fietste ik de wijde natuur in. 

Zo pendelde ik tussen cultuur en natuur. Na een ochtend hard werken op de academie, zag de wereld er heel anders uit en genoot ik dubbel zoveel van de natuur. Maar na een middag fietsen langs de rivier, tussen bomen en velden en vogelgefluit, was ik blij weer een boek te kunnen lezen of naar kapitein Zeppos te kunnen kijken. Dat heb ik nog altijd: ik kan niet zonder natuur, maar ik kan ook niet zonder cultuur. Ik pendel nog altijd tussen beide. Maar dat grensgebied heeft lang niet meer dezelfde kwaliteit. Noch in de natuur noch in de cultuur kan ik nog zo diep onderduiken als vroeger. Het onderscheid tussen beide is verdwenen en daardoor ook hun complementariteit. Ze bevruchten elkaar niet meer, ze vermengen zich alleen nog tot een grijze, kleurloze werkelijkheid waarmee ik me niet meer kan verbinden. 

Het lawaaierige Damvalleimeer is daar een beeld van. Hoe natuurlijk en idyllisch het er ook uitziet, ik blijf erbuiten staan. Hoe graag ik ook zou opgaan in die natuur, inslapen in die natuur, contact maken met de geest die erin leeft, het wordt me belet door die andere geest die me teistert met zijn onophoudelijke gebrul en geraas. Als een onzichtbare muur staat hij tussen de wereld en mezelf. Hij verhindert het contact met zowel natuur als cultuur. Doordat hij me belet te pendelen tussen beide kan ik lang niet meer zo diep in hen doordringen en wordt mijn contact steeds oppervlakkiger. In plaats dat ik doordring in beide werelden en ze met elkaar verbind, dringen zij in elkaar door en persen mij als het ware naar buiten. Hun eenwording is als een dode muur die het levende grensgebied vervangt waar ik als kind woonde. 

Het is echter niet alleen een muur van lawaai die tussen mij en de wereld staat. Ook wanneer het stil is, zoals in de Kalkense meersen, en ik volop geniet van de rust en het landschap, kan ik me er nauwelijks nog mee verbinden. Ik blijf erbuiten staan, hoe mooi het allemaal ook is. De ‘muur’ bevindt zich met andere woorden ook in mezelf. In de wereld van de cultuur vergaat het me niet anders. Musea waren vroeger oorden van rust en stilte. Vandaag heerst er een drukte van jewelste die het contact met de kunstwerken nagenoeg onmogelijk maakt. Maar ook wanneer het er (even) rustig is, lukt het me niet meer – of toch zeker lang niet meer zo goed als vroeger – om door te dringen in de kunstwerken en me ermee te verbinden. De muur van lawaai, die zowel de natuur als de cultuur teistert, loopt dwars door me heen. 

Die gedachte was al in me opgekomen toen ik op mijn bank aan het Damvalleimeer zat. Dat eeuwige geraas en gebulder van de autostrade: is dat niet een beeld van het lawaai in mijn eigen ziel? Zijn het niet mijn eigen (abstracte) gedachten die ik daar onder de brug over de E17 zie voorbijzoeven? Vermengen ze zich niet met mijn (natuurlijke) driften, begeerten en verlangens, omdat er in mijn ziel geen grensgebied meer is dat ze op hun plaats houdt, omdat er geen levendig verkeer meer is tussen beide? Is het Damvalleimeer geen weerspiegeling van mijn ziel? Als ik op mijn bank aan de vijver zit, kijk ik in een spiegel, verlangend naar mezelf, maar niet bij machte om mezelf te zijn. Want dwars door mijn ziel loopt een muur van beelden en geluiden die niet bij elkaar horen en die daarom een leugen zijn. 

De uiterlijke wereld weerspiegelt mijn innerlijke wereld. In allebei heerst een waanzinnige activiteit, maar in feite gebeurt er niets. Alles blijft bij het oude, er is alleen maar stilstand en verstarring. Het is een wereld die ten prooi is aan materialisme, een mensheid die langzaam maar zeker versteent. Immers, ook in een steen heerst een intense activiteit – die van de elementaire deeltjes – maar ze is geen teken van leven, ze is een teken van de dood. Niet de dood als een natuurlijke overgang van de ene wereld naar de andere, maar de dood als een permanente toestand: een opgesloten zitten in een grensgebied waarvan de ritmische beweging verstard is tot een muur die de mens de toegang tot zowel de materiële als de geestelijke wereld ontzegt. De moderne mens wordt steeds meer tot een steen in die muur en hij beseft het niet. 

Je wordt dat wel gewoon, zei men toen we in Destelbergen kwamen wonen, na een tijdje hoor je dat lawaai niet meer! Wel, 21 jaar later hoor ik dat lawaai nog altijd, en zelfs beter dan ooit. Ik ben heus niet blind voor de schoonheid van het Damvalleimeer, maar ik kan en wil mijn oren niet sluiten voor het brullende ahrimanische monster dat zich achter die luciferische schoonheid verbergt. Wie hun eenheid gewoon wordt en hun discrepantie – zowel in de natuur als in de cultuur – niet langer opmerkt, bespaart zich ongetwijfeld veel ellende. Maar hij raakt wel ongemerkt in een materialistische coma: hij maakt geen onderscheid meer tussen de tegenpolen, hij probeert niet meer te pendelen tussen beide. Zijn ziel versteent. Hij herkent zichzelf niet meer in de spiegel van de wereld. Hij wordt een vreemde voor zichzelf.  

De dode kunst (3)

  

Via Facebook maakte ik onlangs kennis met het werk van Emanuele Dascanio, waarvan u hierboven een voorbeeld ziet. Een grote ontdekking was het niet, want er lopen vandaag veel Dascanio’s rond. Op het eerste gezicht zijn het fotografen zoals er dertien in een dozijn gaan, maar bij nader toezien blijken het … tekenaars te zijn. Ze maken tekeningen die als twee druppels water op foto’s lijken. De gebruikelijke reacties op zo’n kunststukje zijn verbazing, ongeloof en bewondering. Niet te geloven! Net echt! Wat een kunstenaar! Achter die uitroepen gaat echter een diepe tragiek schuil, want in feite viert men hier de dood van de kunst. Die getekende foto’s van Emanuele Dascanio hebben evenveel met kunst te maken als een lijk met een levend mens. Ze lijken wel op kunst, maar ze zijn iets totaal anders.  

Als een mens sterft, verlaat zijn ziel het lichaam, dat vervolgens verandert in een lijk, een stoffelijk overschot. Dat lijk lijkt (sic) op de overledene, maar het heeft er verder niks meer mee te maken. Een mens is namelijk een levend wezen, dode mensen bestaan niet. Wat wij dode mensen noemen zijn lijken. Het zijn herinneringen-in-vlees, afbeeldingen van de overledene, die op dat moment elders is en springlevend. De tekeningen van Emanuele Dascanio zijn zo’n herinnering aan de levende kunst. Het zijn lijken, gemummificeerde lijken die als zodanig niets meer met kunst te maken hebben, want kunst leeft. Dat is haar meest fundamentele eigenschap. Daarom kan ze ook a joy forever zijn. In principe kan de kunst niet sterven, ze kan echter wel haar lichaam verlaten en een andere bestaansvorm aannemen. 

Volgens Willem Zeylmans van Emmichoven was een kunstwerk geen dode materie. Het was materie die op de een of andere manier tot leven is gekomen, materie waarin opstandingskrachten leven. Dat is natuurlijk een onbevattelijk mysterie. Het vormt de – voor velen onverteerbare – kern van het christelijke geloof: het lichaam kan uit de dood opstaan. Iets van dat mysterie kunnen we nochtans gewaarworden wanneer het geniale van een meesterwerk tot ons doordringt. We zeggen dan tegen onszelf: dit kan niet! Wat de kunstenaar hier gedaan heeft, is niet mogelijk! Geen mens is daartoe in staat! We kunnen letterlijk onze ogen niet geloven, en uit de botsing tussen ongeloof en waarneming ontstaat het aangrijpende en bijwijlen schokkende besef tegenover iets van een andere wereld te staan. 

De tragiek van onze tijd bestaat erin dat het niet langer de levende kunst is deze ontroering, deze eerbied en dit ontzag opwekt, maar de dode kunst, het lijk van de kunst. Emanuele Dascanio is namelijk lang geen uitzondering. Wel integendeel. Er zijn tegenwoordig tal van ‘kunstenaars’ die niets anders doen dan foto’s kopiëren. In feite doen ze het allemaal, tenminste degenen die figuratief werken. Luc Tuymans en Michaël Borremans: ze schilderen foto’s na. Ze doen het weliswaar niet zo pietepeuterig als Emanuele Dascanio maar in wezen is er geen verschil. Ze schilderen geen levende mensen of landschappen, ze schilderen dode foto’s, ze schilderen een stuk bedrukt papier. Het resultaat lijkt op een kunstwerk, maar dan op de manier waarop een lijk op een levend mens gelijkt. 

Deze kopiisten of hyperrealisten worden hogelijk bewonderd omdat mensen geen verschil meer zien tussen leven en dood. Alle bewondering en eerbied die ze vroeger voelden voor de levende kunst, richten ze nu – zonder het te beseffen – op een lijk. Helemaal misplaatst is die bewondering niet, want ook een dood lichaam blijft nog altijd een indrukwekkend bouwwerk. Daarom is het volkomen terecht als men het werk van Emanuele Dascanio bewondert, want het is een knap staaltje vakmanschap. Maar hoe bewonderenswaardig het ook is, het is geen kunst. Als het zo wordt voorgesteld of begrepen is het een misleiding. Kunst is van een heel andere orde dan vakmanschap. Het blaast leven in dat vakmanschap, en dat is iets wat alleen de geest kan. Een kunstwerk is geestelijk omdat het leeft. Daarom is het ook a joy forever.

De tekeningen van Emanuele Dascanio lijken veel dichter te staan bij de klassieke kunst dan bij de hedendaagse kunst, maar dat is niet zo. Wat ze gemeen hebben met de klassieke kunst is de vorm, een vorm die ontleend is aan de zintuiglijke werkelijkheid. Die vorm is gecreëerd door de geest, maar het is geen geest, het is er slechts een afdruk van. Emanuele Dascanio houdt alleen die afdruk over, zonder zich bezig te houden met de (scheppende) geest. En daarin verschilt hij niet van de hedendaagse kunstenaars die pispotten en bananenschillen tentoonstellen. Die trekken zich evenmin iets aan van de geest, ze werken alleen met dode vormen. Maar terwijl Dascanio deze ‘lijken’ zorgvuldig bewaart, gooien zijn hedendaagse collega’s ze – letterlijk en figuurlijk – bij het afval. 

Geen van beiden hebben enige belangstelling voor de levende geest, allebei werken ze slechts met dode vormen, maar is er bij hyperrealistische kopiisten á la Dascanio nog sprake van respectvolle herinnering, dan is er bij de hedendaagsen alleen maar spot en minachting voor de overleden geest. Door zijn lijk onherkenbaar te verminken, willen ze de herinnering aan de geest helemaal uitwissen. Beide zijn verstokte materialisten die de geest de rug toekeren, maar de hyperrealisten zijn dat op luciferisch-bedrieglijke wijze, de hedendaagsen op ahrimanisch-agressieve wijze. En hun materialisme stijgt ten top wanneer les extrêmes se touchent en de hyperrealisten quasi onopgemerkt aanvaard worden door de hedendaagse kunst en deze laatste zich lijkt te verzoenen met de klassieke kunst.

Op die manier wordt de herinnering aan de levende geest met wortel en tak uitgeroeid terwijl de schijn wordt gewekt dat men vol eerbied voor hem is. Lucifer en Ahriman slaan de handen in elkaar en verwisselen de levende geest en zijn dode lijk zonder dat iemand het merkt. Alle eerbied, alle verlangen en alle hoop die de moderne mens op de geest van de kunst richt (vanuit het onbewuste weten dat alleen hij de wereld kan redden) worden op de materie gericht. Het resultaat is een soort occulte gevangenschap: de mens richt zijn streven naar de geest op de materie en raakt daar steeds dieper aan vastgekluisterd terwijl hij in de overtuiging leeft dat hij steeds spiritueler wordt. Naarmate Ahriman hem naar beneden sleurt, sleurt Lucifer hem naarboven, en beide scheuren ze de mens langzaam maar zeker in twee. 

Deze gevangenschap in de materie en de schijn wordt in stand gehouden (en verdiept) door wat in feite een cultus van de dood is, een lijkenverering zoals bij de oude Egyptenaren. Ze maakt de mens tot wat hij nu reeds zienderogen wordt: een wezen met agressieve dierlijke impulsen en abstracte spirituele gedachten. De sleutel van deze occulte (want onbewuste) gevangenis is de bewustwording van de dood van de kunst. Zolang de moderne mens het sterven van de kunst niet onder ogen ziet en meebeleeft, zal hij zich niet realiseren een lijk te aanbidden. Hij zal gevangen zitten in een dodenwereld waaraan hij zijn beste krachten wijdt. Op die manier maakt hij de opstanding van de kunst onmogelijk en roept hij apocalyptisch geweld over zich af, want dat is het enige wat zijn kluisters nog kan verbreken. 

  

Lucifer bestormt de mens wanneer hij zich overgeeft aan eenzaam gepieker. Het Ahrimanische principe is werkzaam wanneer hij alleen maar luistert of op een andere manier waarneemt. Wanneer wij onze ziel echter innerlijk versterken en activeren zodat we onze gedachten kunnen horen of zien wanneer we ze denken, dan mediteren we. Mediteren is de middenweg. Het is geen denken en het is geen waarnemen. Het is een denken dat zo levend is als het waarnemen, en het is een waarnemen van wat niet buiten maar in de mens is. Tussen het Luciferische element van de gedachte en het Ahrimanische element van de waarneming, vloeit het leven van de mediterende ziel in een goddelijk-spiritueel element dat in zichzelf de rechtmatige ontwikkeling van wereldverschijnselen draagt. De mediterende mens leeft in deze goddelijke stroom. Aan zijn rechterzijde zijn alleen gedachten, aan zijn linkerzijde is alleen het luisteren. Hij sluit geen van beide buiten maar begrijpt dat hij in een drieheid leeft. Hij weet ook dat er een polariteit is tussen beide elementen, waartussen het mediteren zich voortstromend beweegt. En hij weet dat in het mediteren het luciferische en ahrimanische element in evenwicht moeten worden gehouden.’

(Rudolf Steiner) 

Tunnelvisie

  

Gisteren vroeg ik me af wat er met de Zwitsers scheelt dat ze 2250 euro per maand, gratis voor niks, zomaar afwijzen. Vandaag heb ik daar een afdoend antwoord op gekregen dat helemaal in de lijn ligt van wat ik al vermoedde: de Zwitsers zijn bang. Een paar dagen tevoren hadden ze hun angst uitgeschreeuwd, maar daar had ik niks van gemerkt omdat de media het de moeite niet vonden om daarover te berichten. De opening van de nieuwe Gotthardtunnel op 1 juni ging gepaard met een 6 uur durende plechtigheid die het bloed in de aderen deed stollen. Het was alsof uit de 57 km lange tunnel alle demonen van de onderwereld tevoorschijn kwamen en toonden hoe het eraan toe ging onder de bergen. Het was werkelijk hallucinant en het moet voor de toeschouwers een helse ervaring zijn geweest, tenzij … ze er natuurlijk van genoten, want als moderne, ontwikkelde mensen kenden ze dit soort spektakel allang uit de wereld van de hedendaagse kunst. Vreemd genoeg zwegen de media (die anders geen woorden genoeg hebben om de lof te zingen van deze ‘kunst’) in alle talen over deze verbijsterende openingsceremonie, die nochtans integraal werd uitgezonden op de Zwitserse televisie en daardoor ook op youtube te bewonderen valt. Waarschuwing: de beelden zijn NIET geschikt voor gevoelige kijkers – al vraag ik me soms af of dergelijke kijkers nog wel bestaan. Wie voelt zich nog geschokt door de voorstellingen van pakweg Jan Fabre? Ze oogsten overal applaus en de overheid kan ze – alle besparingen ten spijt – niet genoeg subsidiëren. Het is al erg genoeg dat dit soort performances overal wordt opgevoerd, veel erger is dat niemand er nog graten in ziet. De moderne mens is eraan gewend geraakt, hij reageert er niet meer op, hij neemt het demonische niet meer waar. Hij heeft blijkbaar de ‘nieuwe gevoelens’ ontwikkeld waar onlangs in een blad van de Antroposofische Vereniging  voor gepleit werd. 

Zijn degenen die de openingsplechtigheid van de nieuwe Gottardo bijwoonden gillend weggevlucht? De vraag stellen, is ze beantwoorden. Ze hebben de hele afschuwelijke rit braaf uitgezeten. Maar zouden hun ingewanden werkelijk rustig op hun plaats zijn gebleven? Want dit ging toch wel héél ver. Het leek of de demonen zelfs de moeite niet meer deden om zich als ‘kunst’ te vermommen. Ze lieten hun maskers zakken en toonden zich in hun ware gedaante. Zou dat ook niet de reactie van de pers zijn geweest: dit keer hebben ze zich toch te ver gewaagd? Daarom repte die pers – als altijd buitengewoon alert als het erom gaat de waarheid te verzwijgen – met geen woord over dit 6 uur durende satanische ritueel. Op youtube valt het in al zijn duivelse pracht te bewonderen, maar wie zal daarnaar kijken? En vooral: wat zal men ervan denken? Je verstand staat gewoon stil als je dit soort dingen ziet. Je kunt het eenvoudig niet geloven. Die keurige, cleane, efficiënte Zwitsers die zich te buiten gaan aan een urenlange orgie van duivelse beelden? Dat houdt toch totaal geen steek! Tenzij je natuurlijk het referendum van 5 juni erbij neemt. Zo menselijk, zo hoopgevend, zo toekomstgericht als de idee van het basisinkomen is, zo onmenselijk, zo tot wanhoop drijvend, zo reactionair zijn de demonen die op 1 juni uit de Gotthardtunnel tevoorschijn kwamen. Het stralendste licht en het akeligste duister in één en dezelfde week. In Zwitserland. Veelzeggender kan een beeld nauwelijks zijn. Zoals ik het interpreteer is de idee van het basisinkomen op dit moment nog zeer luciferisch: het bevindt zich op de zuivere, maar ijle hoogten van de Zwitserse bergen waar geen mens kan leven. Dat kwam al tot uitdrukking in die reusachtige tifo’s die De voorstanders van het basisinkomen op de grond ontrolden: je moest een berg beklimmen om ze te kunnen lezen. Tegenover deze zeer juiste maar zeer abstracte idee staat dan weer de ahrimanische werkelijkheid van de onderwereld: het materialistische kwaad. 

Het is beslist een geweldige prestatie van de Zwitsers dat ze zich een weg hebben gebaand door 57 kilometer rotsen, diep onder de begane grond. Zonder dat ze het beseften, hebben ze de geesten wakker gemaakt die daar leven (hetzelfde soort geesten dat ook het klimaat in de war stuurt en overal natuurrampen veroorzaakt). Maar blijkbaar hebben de Zwitserse kunstenaars die ontwaakte demonen waargenomen en ze in beeld gebracht. Dat is dan weer de positieve keerzijde van dit bloedstollende spektakel: het wijst ons op de realiteit van die ahrimanische geesten. Als we ze tenminste onder ogen willen zien. En daar wringt het schoentje: de moderne Facebookmens is dronken van de meest beroezende, idealistische ideeën – liefde, menselijkheid, verdraagzaamheid, gelijkheid, solidariteit, enzovoort – maar hij beseft niet dat hij op die luciferische manier een vreselijke ahrimanische kater over zich afroept. Moet hij dan al die mooie idealen overboord werpen? Moet hij bijvoorbeeld de idee van het basisinkomen afdoen als een onbereikbare utopie? Geenszins. Maar hij moet het zien in verband met de tegenmachten, die er alles zullen aan doen om de realisering van die idee te verhinderen. In de openingsplechtigheid van Gottardo 2016 hebben de Zwitsers kunnen zien wat het toekomstideaal van de tegenmachten is, welke wereld zij voor de mens in petto hebben: het is precies de tegenovergestelde wereld waar de mensen van dromen. Wie het echt meent met het basisinkomen, wie niet enkel maar wil dromen, moet de tegenmachten ernstig nemen, hij moet hen leren kennen. En vandaag is er wellicht geen betere manier om dat te doen dan via de hedendaagse kunst. Hier laten de tegenmachten hun masker zakken, hier tonen ze zich in hun echte, bloedstollende gedaante. Maar het is natuurlijk geen pretje om ze onder ogen te zien. Véél aangenamer is het om op ik vind dit leuk te klikken. 
  

Fatsoenlijk rechts

  

  

In Frankrijk heeft het Front National de verkiezingen gewonnen en dat noopte De Morgen tot de vraag: ‘Welk antwoord heeft fatsoenlijk rechts?’ Met ‘fatsoenlijk rechts’ wordt de partij van oud-president Sarkozy bedoeld, ter onderscheiding van de ‘onfatsoenlijk rechtse’ partij van Marine Le Pen. Uiteraard wordt over linkse partijen nooit in deze bewoordingen gesproken. Is de regerende partij van president Hollande ‘fatsoenlijk links’ of is de PvdA in eigen land ‘onfatsoenlijk links’? Nooit zal men die begrippen in de een krant zien opduiken, in geen enkele. Daaruit kan men ondubbelzinnig de gevolgtrekking maken dat de media links zijn. Links wordt immers als vanzelfsprekend beschouwd als fatsoenlijk. Zelfs extreem-links wordt nooit als onfatsoenlijk betiteld. Nee, rond links hangt een aureool van fatsoen: dit zijn de mensen die het hart op de rechte (dat wil zeggen linkse) plaats hebben. Rechts daarentegen bestaat uit onfatsoenlijke mensen, mensen met slechte bedoelingen. Dat hoeft niet meer gezegd te worden, dat spreekt vanzelf.

Het komt mij voor dat juist deze vanzelfsprekendheden een groot gevaar vormen. Ze kunnen namelijk niet meer in vraag worden gesteld, juist omdat ze vanzelfsprekend zijn geworden. En dat is paradoxaal, want de postmodernistische mentaliteit die vandaag regeert, is groot geworden door alle vanzelfsprekendheden in twijfel te trekken. De waarheid bijvoorbeeld bestaat volgens de postmodernisten niet: alles is relatief. Dat ze daarmee een … waarheid poneren, ontgaat hen blijkbaar. De waarheid kán eenvoudig niet ontkend worden, want dan houdt ook de ontkenning op waar te zijn. Wat postmodernisten doen, is dus niet de waarheid ontkennen maar ze vervangen door een andere waarheid, een zelfvernietigende waarheid: de waarheid dat de waarheid niet bestaat …

Dat links als vanzelfsprekend fatsoenlijk is (en rechts als vanzelfsprekend onfatsoenlijk) is zo’n zelfvernietigende ‘waarheid’. Want het is allesbehalve fatsoenlijk om jezelf fatsoenlijk te noemen en andersdenkenden onfatsoenlijk. Het is zelfs buitengewoon onfatsoenlijk om dat ook nog eens als vanzelfsprekend voor te stellen. Het is alsof je zegt: natúúrlijk bestaat de wereld uit fatsoenlijke en onfatsoenlijke mensen, en natúúrlijk behoor ik tot de fatsoenlijke mensen, dat spreekt toch vanzelf! Juist omdat links dit als vanzelfsprekend beschouwt, wordt het nooit uitgesproken. Maar het blijkt uit tal van zaken, zoals de uitdrukking ‘fatsoenlijk rechts’. Op het eerste gezicht lijkt dat een onschuldige uitdrukking, maar ze verbergt een onwaarschijnlijk racistische mentaliteit, een mentaliteit die de wereld indeelt in fatsoenlijke en onfatsoenlijke, moreel superieure en moreel inferieure mensen, Ubermenschen en Untermenschen zeg maar. 

Het beste bewijs van deze mentaliteit is de voortdurende projectie ervan op anderen: links ziet overal racisme en reageert daar furieus op. ‘Er waart een monster door Europa, het monster van het racisme!’ Was het niet Karel De Gucht, een zeer fatsoenlijk burger, die deze groteske zin ooit uitsprak? Het misleidende ervan is natuurlijk dat hij gelijk heeft. Er wáárt inderdaad een racistisch monster door Europa: het spreekt door de mond van mensen als Karel De Gucht, mensen die behept zijn met een ‘monsterlijk’ superioriteitsgevoel waarvan ze zich totaal niet bewust zijn. Want dat zich grenzeloos superieur wanende monster verbergt zich achter vanzelfsprekendheden, achter overtuigingen die niemand nog in twijfel trekt, die niemand nog in twijfel dúrft te trekken. Wie De Gucht een beetje kent, kan zich levendig voorstellen hoe hij zou reageren als je hem van monsterlijk racisme zou betichten. En De Gucht is geen alleenstaand geval, wel integendeel. Mensen zoals hij zijn … vanzelfsprekend geworden. Hij is niet eens links. Maar links is dan ook vanzelfsprekend geworden. 

Het lijkt me van het grootste belang om dit soort vanzelfsprekendheden te doorprikken, want ze oefenen een magische, bewustzijnsverlammende werking uit. Wie durft zich vandaag nog rechts te noemen? Het klinkt als een zelfbeschuldiging: ik ben onfatsoenlijk, ik ben een slecht mens! Nochtans ligt dat veel dichter bij de waarheid dan de zelfverafgoding van links. Zei Rudolf Steiner niet dat er honderd keer meer haat dan liefde is in de ziel van de moderne mens? Welaan dan. De (luciferische) zelfverafgoding van links is niets anders dan de keerzijde van zijn (ahrimanische) haat. Links toont zijn luciferische gezicht maar verbergt zijn ahrimanische achterkant door hem op rechts te projecteren. Beide horen echter samen en zo moeten ze ook gezien worden. Wie spreekt over links zou tegelijk ook moeten spreken over de rechtse achterkant ervan (en omgekeerd). Dat zou … vanzelfsprekend moeten zijn.

De waarheid liegen

  

Na weken intensief zoeken door de politie en de veiligheidsdiensten van Frankrijk én België is de voortvluchtige terrorist Abdeslam Salah nog altijd niet gevonden. Het geeft een idee van het uitgebreide netwerk dat moslimterroristen in Europa moeten hebben. En ook van de geringe bereidheid van de ‘gematigde’ moslims om mee te zoeken naar de moordenaar. Als gevolg daarvan heeft (vooral) Brussel onder een terreurdreiging en dito maatregelen geleefd die zijn burgemeester – niet ten onrechte – deed uitroepen dat Brussel onder islamitisch bewind leefde. Heel die buitenissige en karikaturale situatie, die België – niet ten onrechte – tot de risée van de wereld heeft gemaakt, hebben we te danken aan de politieke correctheid die in dit land met zoveel overtuiging beleden wordt en met zoveel volgzaamheid ondergaan. 

Eén van de meest actieve en invloedrijke vertegenwoordigers van die politieke correctheid is Yves Desmet, de voormalige hoofdredacteur van De Morgen. Weinigen hebben meer schuld aan de sfeer van intellectuele terreur die nu al tientallen jaren in Vlaanderen heerst. Hoeveel hetzes heeft deze man al niet ontketend met zijn commentaren in de krant? Ik denk bijvoorbeeld aan islam-kenner en hoogleraar Urbain Vermeulen, wiens carrière hij gebroken heeft. Het is slechts één van de karaktermoorden die hij op zijn geweten heeft. Het is dus nauwelijks overdreven om deze journalist een intellectuele terrorist te noemen. Hij heeft er, samen met zijn talloze collega’s terroristen, voor gezorgd dat bijna niemand nog zijn mond durft opendoen in dit land. Hij heeft een intellectuele volgzaamheid gecreëerd die enerzijds vol devotie de politiek correcte waarheden belijdt en anderzijds genadeloos optreedt tegen ‘ongelovigen’. 

Yves Desmet en co hebben van de Vlaamse intellectuele en culturele wereld bezet gebied gemaakt. Er heerst angst en dreiging, want één verkeerd woord, één uitgelekte e-mail kan voldoende zijn om uit de gemeenschap der weldenkenden te worden gestoten, met alle gevolgen van dien. Onder de Vlaamse intelligentsia heerst eigenlijk voortdurend terreurdreiging niveau 3. Een normaal geestesleven, met woord en wederwoord, is allang niet meer mogelijk. In de straten van het denken paraderen de soldaten van het politiek correcte leger met het machinegeweer in de aanslag. Pantservoertuigen controleren de kruispunten, en langs de gevels schuifelen de gedachten schichtig voorbij, bang om opgemerkt en verdacht te worden. Ja, het Brussel van de afgelopen weken was een treffend beeld van hoe het er allang aan toe gaat in het hoofd van de modale Vlaamse intellectueel: een bezette stad, boem paukeslag, daar ligt alles plat. Met dank aan Paul Van Ostaijen. 

Welnu, wat doet de politieke corrector nr 1 vandaag in de krant? Hij klaagt de toestand aan die … hij zelf gecreëerd heeft. ‘O volgzaam België, schrijft hij, o bang land der vaad’ren, mogen we in dit land nog vragen stellen, of moeten we allemaal zwijgen, en ons leven zoals we dat kenden opgeven? Want zover zijn we gekomen: wie zelfs maar een kritische voetnoot durft te plaatsen bij het theater van de angst dat dagelijks in overtreffende trap wordt geënsceneerd, is een negationist. Het terreurklimaat is voor velen, merkwaardig genoeg zelfs in de journalistiek, een reden om iedere kritische bevraging ongepast, zelfs verwerpelijk te vinden. Iedereen stapt mee in het theater van de angst, uit angst als inciviek te worden bestempeld. Mag dat nog gezegd worden, of moeten we allemaal zwijgen?’

Het kan niet ontkend worden: hij kan het goed zeggen, Yves Desmet. Een journalist met talent, een intellectueel met visie. Er is echter één probleem: hij keert alles om. Wat hij over zichzelf zou moeten zeggen, zegt hij over ‘de anderen’. Hij spreekt tegen een spiegel en hij weet het niet. Hoe meer hij zich opwindt over wat hij in de spiegel ziet, des te minder beseft hij dat hij naar zichzelf kijkt. Het ontbreekt hem dus aan zelfbewustzijn, niet in de figuurlijke maar in de letterlijke zin. Hij is zich niet bewust van wat hij zelf is en wat hij zelf doet. Meer precies: hij is zich niet bewust van de intellectuele terrorist die hij is, van de intellectuele terreur die hij nu al zolang verspreidt. Hij is zich daarentegen zéér bewust van zijn morele superioriteit, van zijn rechtschapenheid, van zijn goedheid. Anders gezegd: de Lucifer in zijn ziel weet niets af van de Ahriman in zijn ziel, en omgekeerd. Vraag de zelfingenomen Lucifer naar zijn agressiviteit en terrorisme en hij zal je verbluft aankijken en niet weten waarover je ’t hebt. Vraag de kille Ahriman naar zijn ijdelheid en superioriteitsgevoel en hij zal je met enkele scherpe woorden de mond snoeren. Maar geen van beide hebben enig besef van de ander noch van zichzelf. 

Iemand die dat wél heeft en begrijpt welk spelletje Lucifer en Ahriman in zijn ziel spelen, is in die ziel niet aanwezig. Dat kan men afleiden uit het ‘pamflet’ dat Yves Desmet in de krant geschreven heeft en dat getuigt van zoveel aanmatiging dat je begrijpt dat deze man volkomen blind is voor zichzelf. Die blindheid krijgt zelfs karikaturale dimensies, want op hetzelfde moment dat zijn pamflet verschijnt, begint De Morgen met een nieuwe rubriek ‘Lezersbrieven’. And guess what, die rubriek is grotendeels gevuld met brieven van lezers die Yves Desmet bedanken en lof toezwaaien. Dat getuigt van een Lucifer-complex om U tegen te zeggen, en waarschijnlijk ook van een Ahriman-complex van vergelijkbare omvang. Want hoe zelfingenomener Lucifer wordt, des te grimmiger wordt Ahriman. En des te meer verzinkt Yves Desmet in een soort bewustzijnscoma. Deze man heeft geen midden meer, de Ik-instantie die in zijn ziel de relatie tussen Lucifer en Ahriman zou moeten regelen, is verdwenen of althans zodanig verzwakt dat ze de kracht niet meer heeft om in de spiegel te kijken.

Dat laatste wordt natuurlijk steeds moeilijker naarmate je het spiegelbeeld – waarvan je denkt dat het ‘de ander’ is – belaadt met alle zonden Israëls. Als je de anderen – dat wil zeggen je eigen spiegelbeeld – al tientallen jaren aan één stuk beschuldigt van racisme, fascisme, haatzaaierij, onderdraagzaamheid, discriminatie, enzovoort, dan wordt het nagenoeg onmogelijk om nog te erkennen dat je zelf racistisch, fascistisch, haatdragend, onverdrazgzaam, discriminerend, enzovoort bent. Vanaf een bepaald moment wordt de schuld die je aan anderen geeft zo zwaar dat je ze zelf niet meer kunt dragen. En dus ben je verplicht de anderen te blijven beschuldigen, om niet onder dat kruis te bezwijken, om verder te kunnen leven, uit zelfbehoud. Bewust worden van jezelf – in de spiegel kijken en jezelf herkennen – wordt onmogelijk. Je hebt geen andere keuze meer dan dat zelfbewustzijn steeds meer te verdoven en te vervangen door de gecombineerde onbewustheid van Lucifer en Ahriman. Je vervalt met andere woorden steeds meer tot instinctief demonisch gedrag. 

Een merkwaardige eigenschap van deze ‘demonische’ onbewustheid is dat ze er zo … onschuldig uitziet. Mensen als Yves Desmet, die waarschijnlijk het punt voorbij zijn waarop ze zich nog bewust konden worden van de zwei Seelen in hun Brust, zien (in de spiegel) de waarheid steeds duidelijker en dat geeft hen een soort innerlijke rust, waardoor alle Luciferisch fanatisme of Ahrimanische agressiviteit van hen afvallen en ze een christelijk-onschuldige aura krijgen die hen buitengewoon overtuigend maakt. Maar in die aura verbergt zich de ‘omgekeerde Christus’, de Antichrist, die precies hetzelfde doet als Christus maar dan in omgekeerde zin. Het is heel, heel moeilijk om die ‘omkering’ te doorzien, want het is een omkering in meer dan één betekenis. Eigenlijk is het een binnenstebuiten-kering, een ‘omstulping’ zoals Rudolf Steiner het noemt, en dat is voor het rationele denken een buitengewoon verwarrend proces. Daarom werkt iemand als Yves Desmet ook zo verwarrend: je voelt dat hij de waarheid spreekt, want niet alleen is het volkomen juist wat hij zegt, hij zegt het ook nog eens op de rustige manier van iemand die de waarheid voor zichzelf kan laten spreken. Je verstand zegt echter dat hij die waarheid alleen buiten zichzelf ziet, dat hij zichzelf ervan uitsluit. En dan sta je voor dat nauwelijks te bevatten fenomeen van iemand die de waarheid verkondigt zonder ‘in de waarheid’ te zijn, iemand die … de waarheid liegt. 

Eén, maar zonder onderscheid

  

De Ierse zanger Bob Geldof vindt dat generatie Y faalt. Dat zei hij woensdag op een bijeenkomst naar aanleiding van de aanslagen in Parijs van afgelopen vrijdag. De jonge leiders van de non-profit organisatie One Young World kregen te horen dat hun generatie niet goed bezig is. Integendeel. ‘Deze generatie, jullie generatie, heeft bloed aan haar handen’, zei Bob Geldof in een speech gericht aan de millennials. Hij had het over de generatie Y, de generatie van de periode 1982 – 2001. ‘Jullie leeftijdsgenoten zijn de moordenaars van Syrië. Mensen van jullie leeftijd vermoorden mensen in Beirut, in Sharm el Sheikh, maar vooral in onze gedachten. De mensen in Parijs die naar een popconcert wilden gaan, die een voetbalwedstrijd volgden, die wat aten met geliefden, die werden gedood door jullie generatie’, klonk het. Hij voegde eraan toe dat er maar één oplossing is: de generatie moet ‘tolerantie, liefde, begrip en empathie’ tonen, ‘we moeten stoppen met elkaar te kwetsen’. 

Toen ik dat bericht in de krant las, dacht ik: aha, daar hebben we Bob weer! Geef die man toch eindelijk eens een kam! U begrijpt het al, ik heb het niet zo begrepen op kunstenaars-activisten. Toch keek ik naar het begeleidende Youtube-filmpje. Het leek verdorie wel een vergadering van de Verenigde Naties! Grote stijl dus. Grote zaal. Groot video-scherm. Veel geld, veel kostuums, veel vlaggen. En op het podium: Bob de Ragebol, een artiest, je kon er niet naast kijken. Naar hem zaten al die ‘jonge leiders’, bedrijfsleiders neem ik aan, heel ernstig te luisteren. Ook Bob was ernstig, heel ernstig. ‘Your generation is stained with blood‘, zei hij met onheilspellende stem, ‘you are the killers‘. Ik kon mezelf niet beletten te denken: die speech zou ik hem graag eens zien geven voor een zaal vol moslimleiders. Ze zouden vlug korte metten maken met die blaaskaak. Maar westerse leiders zijn natuurlijk niet zoals moslimleiders. Ze zaten vol belangstelling te luisteren naar Geldof, want … het was een goeie show. Bob is dan ook een podiumbeest, een performer, een acteur. En zo werd hij ook bekeken: als een artiest. Wat hij zei was natuurlijk niet echt, het was fictie. Niemand in de zaal geloofde echt dat hij bloed aan zijn handen had of dat hij een moordenaar was. Het idee alleen al! Nee, de moordenaars, degenen met bloed aan hun handen, dat waren de anderen. En de jonge leiders van One Young World wilden daar juist iets aan doen, ze waren juist NIET zoals die anderen. Daarom wisten ze ook dat ze Bob Geldofs woorden omgekeerd moesten begrijpen: ‘Jullie hebben GEEN bloed aan jullie handen, jullie zijn GEEN moordenaars, jullie zijn DE GOEIEN!’ Daarom gaven ze hem ongetwijfeld ook een welgemeend applaus: omdat ze het roerend met hem eens waren. 

En dit soort feelgood-shows wordt vandaag overal opgevoerd. Overal staan mensen op, welbespraakte mensen, mensen met zin voor dramatiek, artiesten dus, die met een heel ernstig gezicht zeggen: jullie zijn de goeien, de anderen zijn de slechten! Ze zeggen het natuurlijk niet met die woorden, godnee, ze roepen: wij zijn de schuldigen, wij zijn de moordenaars, wij hebben dit uitgelokt! Maar iedereen weet dat het show is en dat met ‘wij’ zij bedoeld wordt en met ‘zij’ wij. En zo fungeren kunstenaars als schaamlapjes, als vijgebladeren. Ze laten ons eens lekker griezelen, en daarna blijft alles bij het oude. Het doet me denken aan de boetepredikers die ik als kind wel eens bezig hoorde in de kerk. Vanop de preekstoel stonden ze te roepen en te galmen over de zonden der wereld, over Gods toorn, over de strijd met het kwaad. Ik bekeek toen reeds de wereld als een kunstwerk, want ik dacht: wat is dit voor spektakel? Waarom staat die kerel zich daar zo dik te maken? Want niemand in die kerk geloofde wat hij zei, niemand was onder de indruk van zijn woorden. Dat kon je goed genoeg voelen aan de atmosfeer: die was helemaal niet beklemmend of ontzet. Nee, iedereen zat braaf te luisteren, want het hoorde erbij. En straks was de vertoning voorbij en kon iedereen weer naar huis, lekker eten en lekker drinken. 

Ik ben allang dat kind niet meer dat 50 jaar geleden met verbaasde ogen zat te kijken naar die hel en verdoemenis predikende paters, maar nog altijd luister ik naar de ‘muziek’ en niet naar de woorden. Woorden kunnen liegen, muziek niet. Beelden ook niet. Als ik kijk naar die show van Bob Geldof, als ik luister naar de begrafenismuziek van zijn woorden, dan weet ik: dit is weer zo’n boeteprediker! Hij ziet er weliswaar anders uit, moderner, cooler, maar dat is schijn. Als je naar het hele prentje kijkt (en luistert) dan weet je: die vergadering van One Young World, da’s gewoon weer een misviering. En nog altijd dienen die misvieringen niet om tot inkeer te komen of je bewust te worden van je zonden, maar precies omgekeerd: om je beter te voelen, om te beseffen dat je bij ‘de goeien’ hoort. En nog altijd is de ‘liturgie’ hetzelfde: eerst laat je Ahriman aan het woord, de boeteprediker die slaat en geselt, die roept dat mensen slecht zijn en bloed aan hun handen hebben, en daarna laat je Lucifer aan het woord die zalft en troost en zachtjes fluistert: het enige wat we moeten doen is elkaar liefhebben, zacht zijn voor elkaar, ophouden met elkaar te kwetsen. The bad cop and the good cop dus. Werkt altijd. Eerst jaag je mensen de stuipen op het lijf (met terreur, met klimaatverandering, met dreigende armoede, met extreem-rechts, met racisme, enzovoort) en vervolgens geef je ze de oplossing: lief zijn voor elkaar, solidariteit, empathie. Zelfs Stephen Hawking deed onlangs zijn duit in het zakje. 

En zo wordt de moderne mens van het kastje naar de muur gestuurd, van Pontius naar Pilatus, van Ahriman naar Lucifer, en … er verandert niets. Behalve dan dat dit heen en weer pendelen steeds sneller gaat tot het uiteindelijk niet meer zichtbaar is, tot Lucifer en Ahriman samenvallen. Dat is wat ik in dat Youtube-filmpje met de speech van Bob Geldof zag gebeuren. Ik zag een grote zaal vol rijke mensen, jonge zelfbewuste bedrijfsleiders, allemaal Ahriman-volgelingen dus. En ze luisterden vol belangstelling naar Lucifer in persoon: de artistieke ragebol Bob. Het is misschien wat karikaturaal voorgesteld, maar daar kwam het toch op neer. En alsof het vanzelf sprak waren die twee grote vijanden het roerend met elkaar eens. Lucifer riep tegen Ahriman: je hebt bloed aan je handen, je bent een moordenaar! En Ahriman knikte en applaudisseerde, hij vond het een geweldige vertoning. Dezelfde coniunctio oppositorum zag je bij Bob Geldof zelf: enerzijds de ahrimanische boeteprediker die de zaal verrot schold, anderzijds de luciferische wijze man die liefde en erbarmen predikte. Allemaal in één persoon en allemaal zonder dat iemand daar graten in zag.

Maar als ik zo’n ongekamde ex-punker een show zie geven voor een zaal uiterst keurig gekostumeerde rijke dames en heren, dan denk ik onwillekeurig: hier klopt iets niet! En als ik dan die gestroomlijnde punker hoor zeggen: ‘jullie generatie heeft bloed aan haar handen, jullie generatie zijn killers’, dan denk ik: waar haal jij in godsnaam het recht om dat te zeggen? Wie denk jij verdorie wel dat je bent? Dat zijn vragen die bij iedereen opkomen die zijn hart laat spreken, die zich niet laat intimideren door Ahriman noch stroop aan zijn baard laat smeren door Lucifer. Dat zijn vragen die iedereen zich stelt wanneer hij de zaak kunstzinnig benadert. Maar wie durft dat tegenwoordig nog? Wie durft zijn hart nog laten spreken? Zelfs tegenover kunst durven we dat niet meer, wat zouden we het dan tegenover de werkelijkheid doen! Nochtans is het met die kunstzinnige benadering dat het onderscheiden begint. Denken lukt vandaag alleen nog als we naar ons hart (durven) luisteren. Dan beginnen we Lucifer en Ahriman te onderscheiden, dan beginnen we te zien hoe ze samen hun spelletje spelen en van de mens een boksbal maken die ze nu eens de ene en dan weer de andere kant op slaan. De terreur begint wanneer ons hoofd ons hart het zwijgen oplegt, en de strijd tegen de terreur begint wanneer we weer naar ons hart beginnen luisteren en daarbij ons verstand gebruiken. Want we hebben al zolang niet meer naar ons hart geluisterd dat we zijn kunstzinnige taal niet meer verstaan. 

 

Baltimore

In de Amerikaanse havenstad Baltimore zijn hevige rellen uitgebroken nadat een zwarte jongeman stierf na zijn arrestatie door de politie. Het is reeds het zoveelste incident op rij, en telkens gaat het om een zwarte die de dood vindt door blanke handen. We denken daarbij natuurlijk automatisch aan racisme en discriminatie, en we zijn verontwaardigd over het feit dat de blanken de zwarten nog altijd als tweederangsburgers of erger beschouwen. Zoals gewoonlijk geldt die verontwaardiging nooit onszelf, hoewel we toch ook tot dat blijkbaar onverbeterlijk racistische blanke ras behoren. Nee, die afschuwelijke racisten zijn altijd ‘de anderen’: een soort mensen waar wij niks mee te maken hebben, waar we een diepe afkeer voor voelen en waar we ons mijlenver boven verheven voelen. Geen moment komt het in ons op dat we die ‘racisten’ in feite precies zo behandelen als zij kleurlingen behandelen. 

Het kost nochtans niet veel denkwerk om in te zien dat het racisme van die ‘anderen’ en ons eigen antiracisme van hetzelfde allooi zijn: het zijn allebei instinctieve reacties die getuigen van een volgens moderne normen beschamend gebrek aan bewustzijn. Wat onze verontwaardiging wekt is het primitieve, animale karakter van racisme, maar die verontwaardiging is zelf een onbewuste reflex waar we niet bij nadenken. We vragen ons bijvoorbeeld niet af waarom de politie in Amerika zo hardhandig optreedt tegen zwarten. Is dat werkelijk omdat ze blank zijn en omdat blanken nu eenmaal racistisch zijn? Of zijn ze gewelddadig omdat ze voortdurend geconfronteerd worden met zwart geweld? Ook bij ons klagen kleurlingen erover dat ze voortdurend lastig gevallen worden door de politie. Maar wat was er het eerst: de agressie van de politie of de agressie van de kleurlingen? Dat is lang niet duidelijk.

Dat soort vragen stellen we ons veel te weinig, en met name degenen die ze zouden moeten stellen en die ze ook kunnen stellen – de intellectuelen – doen dat niet. Ze geven zich liever over aan hun verontwaardiging en schrijven stukken in de krant die tendentieus zijn, opruiend en onruststokend. Ze gedragen zich met andere woorden precies als de relschoppers in Baltimore. En ze doen dat omdat ze zich gerechtvaardigd voelen door de grote idealen waardoor ze bezield worden: gelijkheid, broederlijkheid, solidariteit, naastenliefde. Is dat trouwens ook niet het morele schild waarachter het zwarte geweld in Baltimore zich verbergt? Steken zij de stad niet in brand omdat ze naar gelijkheid en rechtvaardigheid streven? En realiseren ze zich niet evenmin hoe diep de kloof is tussen hun idealisme en hun animale reflexen? Ze zwelgen in hun idealen en ze zwelgen in hun primitieve driften, maar daartussenin willen ze niet gaan staan. 

Is dat niet het werkelijke probleem van zowel blank als zwart? Zien we vandaag niet overal geweld uitbreken dat gecamoufleerd wordt door grote idealen, humanistische of religieuze? En ligt de oorzaak niet vooral in dat idealisme? Want racisme is van alle tijden, het is eigen aan de lichamelijke, dierlijke aard van de mens. Het vurige idealisme dat de hedendaagse mens bezielt en dat hem overgevoelig maakt voor het minste kwaad is echter niet van alle tijden. Het is beslist geen toeval dat er in het beschaafde Europa, dat zijn dierlijke aard min of meer onder controle heeft gekregen, een explosie van beestachtig geweld plaatsvindt op het moment dat het Kali Yuga afloopt en het nieuwe Michaëltijdperk aanbreekt, en de mens dus weer in contact komt met de geestelijke wereld en de grote mensheidsidealen die daar leven. 

Aan het eind van de 19de eeuw is de Europese mens als het ware geestelijk uitgehongerd, en als de sluizen van de geest weer opengezet worden, zwelgt hij (zonder het te beseffen) in die ‘geestelijkheid’. Hij raakt in een idealistische roes die zijn bewustzijn verdooft en de tegenmachten (die eveneens geestelijk van aard zijn) de kans geven om zijn lagere, dierlijke driften te ontketenen. Sindsdien is er eigenlijk niks veranderd. De mensheid gaat in toenemende mate ‘over de drempel’, ze komt steeds meer in contact met de geestelijke wereld – dat valt eenvoudig niet tegen te houden – en die wereld blijft hem het hoofd op hol jagen. Na een uitbarsting van geweld is hij even uitgeput, maar daarna begint alles weer opnieuw: het idealisme laait weer hoog op, het bewustzijn raakt verdoofd en … de hel viert kermis.

Het grote probleem zit dus niet in onze dierlijke aard met zijn instinctieve reflexen, het zit in ons bewustzijn dat overspoeld wordt door geest en daar dronken van wordt. We zijn allemaal in meer of mindere mate ‘stoned’ en we beseffen het niet. Integendeel, we voelen ons zeer bij de pinken. Onze voorouders, ja DIE lieten zich het hoofd op hol jagen door religieuze denkbeelden! Maar WIJ, wij zijn zo nuchter als maar kan, wij zien de werkelijkheid zoals ze is. Je hoeft echter maar eens in discussie te gaan met zo’n nuchtere materialist om te weten dat je een fanatieke gelovige voor je hebt die voor geen rede vatbaar is. Hij is volkomen ‘high’ van Ahriman, zoals anderen – vooral moslims tegenwoordig – een luciferische ‘trip’ maken. En allebei zijn ze hevig verontwaardigd over het ‘racisme’ van de ander. Dat is het spelletje dat Lucifer en Ahriman met de moderne mens spelen: ze zuigen hem in hun actie-reactiepatroon en ze zuigen hem steeds dieper naar beneden. 

De enige manier om aan die vicieuze cirkel te ontsnappen, is door er ons bewust van te worden. We moeten ons bewust worden van ons idealisme, want zoals het vandaag is – instinctief, reflexmatig – IS het ons idealisme (nog) niet. Het is het idealisme van de tegenmachten: het spirituele idealisme van Lucifer, het aardse idealisme van Ahriman. Tot pakweg 1900 bleven die twee vormen van idealisme tamelijk gescheiden, maar sinds de eeuwwisseling bundelen ze in toenemende mate hun krachten en proberen ze het bewustzijn van de mens eronder te krijgen. Ons oude bewustzijn is niet opgewassen tegen deze geallieerde tegenkrachten, en dus moeten we het versterken. Dat doen we door tegenover ons idealisme te gaan staan, want zoals Rudolf Steiner zegt: wie niet tegenover de idee kan gaan staan, wordt erdoor geknecht. En dat is precies wat vandaag gebeurt: we worden tot slaven van onze idealen, van onze geestelijke ideeën. Zonder dat we het beseffen, gooien ze ons heen en weer, tot we helemaal verdoofd zijn, tot we niet meer weten wat we doen.

Tegen die verdoving moeten we ons verzetten als we niet gereduceerd willen worden tot intelligente roofdieren, tot wolven in een schaapsvel die elkaar opvreten in de overtuiging dat ze door de hoogste idealen bezield worden. En tegen die verdierlijking verzetten we ons door er ons bewust van te worden, door te zien hoe instinctief en reflexmatig ons gedrag is geworden, ook – en vooral – wanneer we door de schitterendste idealen bezield worden. We moeten ons dus niet verzetten tegen het racisme en evenmin tegen het antiracisme, we moeten ons alleen bewust worden van de kettingreactie die ze veroorzaken, van de vicieuze cirkel waarin ze ons opsluiten. We moeten dus kijken naar het geweld van de politie in Baltimore én naar het geweld van de zwarten. We moeten kijken naar het racisme én we moeten kijken naar het antiracisme. We moeten tegenover die dualiteit gaan staan in plaats van erin gezogen te worden. Maar we mogen er ons ook niet van losmaken, want dan komen we in een andere dualiteit terecht. 

We moeten met andere woorden een driehoeksverhouding creëren, en dat doen we door bewust en vrijwillig heen en weer te bewegen tussen de tegenpolen, dat wil zeggen tussen Lucifer en Ahriman, tussen ons aardse (materialistische) idealisme en ons hemelse (spirituele of religieuze) idealisme. We zijn immers nog niet in staat om tegenover beide te gaan staan, tenzij misschien in gedachten. Maar dat louter intellectuele bewustzijn heeft geen kracht, het is niet bestand tegen de zuigkracht van Lucifer en Ahriman. Het moet die kracht ontwikkelen door zich bloot te stellen aan die zuigkracht, zonder er evenwel door verdoofd te worden. En dat is alleen mogelijk door beide krachten voortdurend af te wisselen zoals een … kunstenaar dat doet. Want een kunstenaar pendelt voortdurend tussen het ideaal dat hem voor ogen staat en de realiteit van de materie waarmee hij werkt. Als hij bijvoorbeeld een portret tekent, slaat hij honderden malen de ogen op en neer. Ontelbare keren verplaatst hij de aandacht van zijn model naar zijn blad papier, in één ononderbroken ritmische beweging. 

Het nieuwe – of beter gezegd versterkte – bewustzijn dat we moeten ontwikkelen om bestand te zijn tegen het idealisme dat de opdringende geestelijke wereld in ons veroorzaakt, is een kunstzinnig bewustzijn. Het is een bewustzijn zoals de kunstenaar dat tot uitdrukking brengt in zijn artistieke handelen, in de manier waarop hij ‘instinctief’ te werk gaat. Het is tegelijk ook een bewustwording van de (eveneens instinctieve) manier waarop we naar kunst kijken, want die is een spiegelbeeld van de manier waarop de kunstenaar tewerk gaat. Het bewustzijn dat we nodig hebben om opgewassen te zijn tegen de (nieuwe) werkelijkheid waarin we leven, is in de kunst reeds aanwezig als een Schone Slaapster. Het moet alleen nog wakker worden gemaakt, en dat is geen sinecure. Het vereist liefde en moed. Het vergt een totale ‘michaëlische’ inzet. 

Dat zijn natuurlijk allemaal abstracte woorden die wel heel bleek afsteken bij het brandende geweld in Baltimore. Maar tussen alle artikels verscheen in de krant ook een reactie van David Simon. Volgens hem kan er iets goeds komen uit de spanningen die momenteel heersen, maar dan moet het geweld eerst ophouden: If you can’t seek redress and demand reform without a brick in your hand, you risk losing this moment for all of us in Baltimore. Turn around. Go home. Please. David Simon is de geestelijke vader van ‘The Wire’, de beroemde televisiereeks die zich in Baltimore afspeelt. Deze onvolprezen tv-serie is een schitterend voorbeeld van het soort bewustzijn dat we in onze tijd nodig hebben. 

In de media is deze serie vaak beschreven als keihard, ruig en ongenadig realistisch, en dat is ze ook. Ze toont op nietsontziende wijze hoe het er in Baltimore aan toegaat, op alle niveaus, van de simpelste drugsdealer tot de burgemeester van de stad. Dit is nu eens werkelijk ‘maatschappijkritische’ kunst, veel meer dan alle ‘hedendaagse’ kunst samen. Ze hangt een ontluisterend beeld op van de samenleving in Baltimore. Maar ondanks dat harde realisme is The Wire in de eerste plaats een weergaloos kunstwerk, van een in onze tijd zelden geziene schoonheid en menselijkheid. Het is gemaakt door iemand die houdt van Baltimore en zijn inwoners, en juist het feit dat hij zijn ogen niet sluit voor het kwaad dat er in overvloedige mate aanwezig is, maakt zijn liefde zo sterk en intens. David Simon blijft niet aan de buitenkant staan maar kijkt achter de schermen en ziet daar egoïsme, corruptie en misdadigheid in alle geledingen van de maatschappij. Maar hoe dieper hij doordringt in al die duisternis, des te helderder gaat zijn innerlijke licht schijnen. Zijn liefde voor de mens lijkt alleen maar groter te worden naarmate hij diens duistere kanten leert zien. En dat is precies het soort bewustzijn dat we nodig hebben. 

Ik twijfel er niet aan dat de werkelijkheid in Baltimore nog veel rauwer is dan David Simon ze voorstelt. Maar hij is zo diep in die werkelijkheid doorgedrongen als zijn kunstzinnige vermogens dat toelieten. Toen hij The Wire schiep, wilde hij in de eerste plaats een kunstwerk afleveren. Al de rest was daaraan ondergeschikt en zo hoort het ook. Kunst mag op geen enkele manier ondergeschikt worden aan welk ideaal dan ook. In de kunst is er slechts één ideaal: de kunst zelf. Het is een driegeleed ideaal dat voortdurend de gulden middenweg zoekt tussen de tegenpolen, dat er afwisselend afstand van neemt en er zich mee verbindt, en daarom altijd in wording, in verwezenlijking is. Het feit dat een kunstwerk als The Wire – het grootste dat de 21ste eeuw tot dusver opgeleverd heeft – überhaupt ontstaan is, moet ons hoop geven en de weg wijzen. Het is een lichtend voorbeeld van hoe we het bewustzijn kunnen ontwikkelen dat we zo nodig hebben, een kunstzinnig bewustzijn, een bewustzijn dat alles wat het doet tot kunst probeert te verheffen en alles daaraan ondergeschikt maakt, zowel zijn laagste driften als zijn hoogste idealen.