Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: Lucifer

I can’t breathe (6)

  

BlackLivesMatter is de jongste weken uitgegroeid tot de antiracistische slogan bij uitstek. De drie woorden betekenen letterlijk: zwarte levens doen ertoe, ze tellen mee, ze zijn belangrijk. Dat spreekt natuurlijk vanzelf. Niemand twijfelt er anno 2020 nog aan dat black lives matter. Het gaat dus op het eerste gezicht om een onschuldige slogan. Er wordt echt niet veel gevraagd, gewoon een beetje respect voor de zwarte medemens, meer niet. Maar als je begint na te denken over deze slogan, dan blijkt onder het wollige uiterlijk van BlackLivesMatter een wolf schuil te gaan. Juist de vanzelfsprekendheid van de drie woorden geeft ze een heel andere betekenis. Ze suggereert dat er nog altijd mensen zijn die vinden dat een zwart leven er niet toe doet. Gelet op de heftigheid en verontwaardiging waarmee de slogan geskandeerd wordt, zijn deze racisten zelfs zo talrijk dat ze een bedreiging vormen voor de zwarte mens. En dat maakt van BlackLivesMatter een zware beschuldiging.

Iedereen weet aan wie die beschuldiging gericht is: niet aan de Aziaten, niet aan de Indianen, zelfs niet aan de Arabieren, de spreekwoordelijke handelaars in zwarte slaven. Nee, het zijn de blanken die ervan beschuldigd worden racisten te zijn die geen waarde hechten aan een zwart leven. Dat was ook de betekenis die gegeven werd aan de dood van George Floyd: hij was het zoveelste zwarte slachtoffer van blank racisme. Het beeld van een zwarte man die in koelen bloede gewurgd wordt door een blanke man is in feite de inhoud van de BlackLivesMatter-slogan: de zwarte bevolking wordt zodanig gediscrimineerd en onderdrukt dat ze langzaam stikt. Of het nu onderwijs is, economie, justitie, gezondheidszorg of wat dan ook, nergens telt de zwarte mens mee, nergens doet zijn leven ertoe. Het wordt niet met zoveel woorden gezegd, maar het klinkt uit de woede en de wanhoop waarmee BlackLivesMatter wordt geschreeuwd: de blanken proberen de zwarten uit te roeien.

De BlackLivesMatter-beweging rechtvaardigt de gewelddadigheid van haar protesten door ze voor te stellen als een vorm van zelfverdediging: de zwarte bevolking vecht voor haar leven en dan kun je geen redelijkheid verwachten. BlackLivesMatter zou dan ook vertaald kunnen worden als: Stop de Uitroeiing van de Zwarten. De blanken worden er met andere woorden van beschuldigd nazi’s te zijn die een tweede holocaust voorbereiden. Dat is de werkelijke betekenis van BlackLivesMatter, de betekenis die zich verbergt onder de schaapsvacht van Show me some Respect. Door de slogan in zijn concrete context te zien – en niet als een in de lucht zwevende abstractie – verandert de vanzelfsprekende mededeling in de zwaarst mogelijke beschuldiging: de blanken proberen het zwarte ras uit te roeien. Het is precies dezelfde beschuldiging die we ook horen uit de mond van moslims: blanken maken moslims het leven onmogelijk. Daarom zijn moslims verplicht een nietsontziende overlevingsstrijd te voeren: de jihad. 

BlackLivesMatter is niet alleen de zwaarst mogelijke beschuldiging, het is tevens de grootst mogelijke leugen. Verre van de zwarten te willen uitroeien, zijn het in Amerika juist de blanken die vaak het slachtoffer zijn van zwart geweld. Hetzelfde geldt voor de relatie tussen blanken en moslims. Hoeveel blanke aanslagen worden er op moslims gepleegd? Hun aantal verzinkt in het niets vergeleken bij het aantal moslimaanslagen op blanken. Bovendien gaat het meestal om represailles voor het niet aflatende moslimgeweld. Men kan zich zelfs de vraag stellen of het politiegeweld in Amerika geen vorm van zelfverdediging is, want politieagenten zijn er vaak het mikpunt van (vooral zwart) geweld. In Europa zien we hetzelfde: dagelijks belanden politieagenten in het ziekenhuis omdat ze worden aangevallen door moslims. Geen wonder dat de houding van de politie verhardt en dat er brutaliteit optreedt. Met racisme heeft dat niets te maken, met de agressie van de zogenaamde slachtoffers des te meer. 

BlackLivesMatter keert de zaken dus gewoon om: daders worden voorgesteld als slachtoffers, slachtoffers als daders. Deze schijnbaar antiracistische slogan is in werkelijkheid de meest racistische slogan die men kan bedenken: een welbepaald ras – het blanke – wordt ervan beschuldigd een ander ras – de people of color – te willen uitroeien, niet om hen te beroven van hun materiële of geestelijke rijkdom, maar uit puur en onversneden racisme, uit blinde rassenhaat. Die rassenhaat, zo wordt steeds weer betoogd, is zo diep geworteld in het blanke ras dat de blanken er zich niet bewust van zijn. Racisme is voor hen zo vanzelfsprekend als ademen. Het kenmerkt al hun gewoonten, al hun gebruiken, al hun instellingen. De blanke beschaving – daar kan volgens antiracisten niet genoeg op gewezen worden – is in wezen racistisch. Racisme is haar fundament, het is wat deze beschaving zo machtig heeft gemaakt: het onderdrukken en uitroeien van andere rassen.

BlackLivesMatter is een zo groteske leugen dat niemand kan geloven dat mensen zoiets zouden beweren als het niet waar was. En dus begint men te zoeken naar voorbeelden van dit blanke racisme. Uiteraard vindt men die, want racisme is van alle tijden en alle volkeren, en ofschoon het uitgerekend in het blanke ras duidelijk op de terugweg is, blijven er overal nog resten over. Gaat men het begrip racisme dan ook nog eens uitbreiden tot ver voorbij de oorspronkelijke betekenis en verkettert men de meest onschuldige zaken, dan wordt de indruk gewekt dat de leugen inderdaad waar is. Zo hebben de nazi’s het ook met de joden gedaan: kleine verschillen en karaktertrekken werden zodanig uitvergroot dat de Duitsers uiteindelijk gingen geloven dat het waar was wat Hitler zei: de joden probeerden het Duitse volk te vernietigen. En dat gaf de Duitsers natuurlijk het recht om zich met alle mogelijke middelen te verdedigen tegen die kwaadaardige joden. 

Hitler wist het al: hoe groter de leugen, des te gemakkelijker wordt hij geloofd. Want niemand kan geloven dat mensen zo kwaadaardig kunnen zijn dat ze dergelijke leugens verspreiden. Juist dat ongeloof stelde hem in staat bijna een heel volk uit te roeien. Om dezelfde reden geloven mensen vandaag de groteske leugen van BlackLivesMatter: omdat ze niet kunnen geloven dat mensen zo kwaadaardig kunnen zijn. Ze verspreiden die leugen verder, omdat ze het als hun morele plicht zien (wat zij als) de waarheid (beschouwen) te verdedigen. Het is dus hun eigen goede inborst die hen ertoe brengt de kwaadaardigste beschuldigingen te uiten. Dat is het perverse effect van de BlackLivesMatter-leugen: hij keert niet alleen de waarheid in zijn tegendeel, hij verandert ook goedheid in kwaadaardigheid. Mensen worden leugenaars omdat ze de waarheid liefhebben, ze worden kwaadaardig omdat ze goed zijn. Dat is de tragedie van de antiracisten: bezield met de beste bedoelingen en de hoogste morele normen, plaveien ze de weg naar de hel.

Een leugen als BlackLivesMatter kan zich als een lopend vuurtje verspreiden, niet omdat mensen kwaadaardig zijn, maar juist omdat ze goedaardig zijn. Vooral de blanke mens is vandaag zo idealistisch, zo bevlogen, zo spiritueel dat hij alles wat negatief en laag bij de gronds is verafschuwt. Zelfs gewone kritische opmerkingen betitelt hij als hate speech en hij maakt ze strafbaar. Alles wat maar enigszins kwetsend of onaangenaam zou kunnen zijn, wil hij verbieden. Hij wil met andere woorden het kwaad uitroeien. Wat hij echter niet weet is dat het kwaad twee tegengestelde kanten heeft. Hij beseft niet dat al zijn (luciferische) positiviteit van hem geen goed mens maakt, wel integendeel, ze roept juist het (ahrimaans) negatieve op. Want beide horen samen, beide maken deel uit van het kwaad. Hoe positiever een mens wordt, des te sterker wordt ook het negatieve in hem, en omgekeerd. Wanneer beide polen ten slotte een bepaalde graad van intensiteit bereiken, ontstaat er een Steigerung.

Dat is wat we vandaag meemaken: de Steigerung van het kwaad. Lucifer en Ahriman hebben elkaars werkzaamheid zodanig geïntensiveerd dat uit de spanning tussen beide een nieuw soort kwaad geboren is, een kwaad dat zowel extreem positief als extreem negatief is. Beide tegenpolen vallen samen en dat maakt het nieuwe kwaad zo verwarrend dat we er geen verhaal tegen hebben. Degenen die het bestrijden – in de vorm van racisme, terrorisme, fascisme, Global Warming, coronavirus of wat dan ook – zijn buitengewoon positieve mensen, die zichzelf vervuld weten van liefde. Ze willen een betere wereld en een betere mensheid maken. Maar tegelijk zijn het buitengewoon negatieve mensen die vervuld zijn van haat, die anderen onophoudelijk beschuldigen, die drastische maatregelen eisen en het uitstekend vinden dat de overheid de onwillige mensheid opsluit ‘in haar kot’. Wat deze wereldverbeteraars zo gevaarlijk maakt is dat hun negativiteit niet te onderscheiden is van hun positiviteit. 

Het nieuwe kwaad kan niet bestreden worden zoals het oude: door evenwicht te scheppen tussen de tegenpolen, door het gulden midden te zoeken tussen Lucifer en Ahriman. Want dat midden is verdwenen, de tegenpolen zijn samengevallen. Wie het kwaad bestrijdt zonder onderscheid te maken tussen zijn twee gezichten, wordt er als het ware door opgeslokt en verandert zonder het te beseffen in een bestrijder van het goede. Wie bijvoorbeeld ten strijde trekt tegen het rechtse (ahrimaanse) gevaar kiest automatisch partij voor (luciferisch) links, want een centrum is er niet meer. Omdat links samenvalt met rechts kiest hij partij voor beide kwaden en keert zich tegen het goede. Zolang niet wordt ingezien dat links en rechts kanten van dezelfde medaille zijn, betekent het kwaad bestrijden niets anders dan het goede bestrijden. Al die activisten die als paddestoelen uit de grond schieten, al die fanatieke wereldverbeteraars die schreeuwend door de straten trekken: ze zijn de stoottroepen van het nieuwe, geallieerde kwaad. 

Wie vandaag de draak wil bevechten, wie een echte Michaëliet wil zijn, moet in de allereerste plaats het kwaad leren onderscheiden. Hij moet onderscheid leren maken tussen de wolf en de schaapsvacht, tussen Ahriman en de luciferische idealen waarin hij zich hult. Het kwaad heeft een nieuw gezicht gekregen, een heel verleidelijk, onschuldig gezicht. Want Lucifer is niet langer de wilde fanaticus, die godsdienstoorlogen ontketent omdat God aan zijn kant staat. Nee, hij legt nu op een rustige, schijnbaar redelijke, ja zelfs wetenschappelijke manier uit waarom hij het gelijk aan zijn kant heeft. Hij heeft zich met andere woorden een ‘ahrimaanse stijl’ aangemeten. De tegenmachten spreken vandaag als door één mond: Lucifer levert de – christelijke – inhoud en Ahriman de – antichristelijke – vorm. Wie deze twee niet van elkaar onderscheidt, kan onmogelijk weerstand bieden aan de newspeak van het Nieuwe Kwaad. Daar ligt dan ook de echte michaëlische strijd: in het ontwikkelen van een nieuw onderscheidingsvermogen, een nieuw zintuig voor het kwaad. 

Dat zintuig is tegelijk ook een zintuig voor het goede, want door Lucifer en Ahriman uit elkaar te halen, maken we ook Christus weer zichtbaar. Met ons gewone morele zintuig kunnen we Hem niet meer waarnemen: Hij is als het ware opgeslokt door de wolf. Om het christelijke midden weer te kunnen waarnemen, moeten we het kwaad transparant maken, we moeten erdoorheen leren kijken. Dat is de Parsifalweg die naar Christus leidt: dwars doorheen de draak. We ontwikkelen pas een (nieuw) zintuig voor Christus als we onze ogen openen voor het (nieuwe) kwaad. Het een gaat niet zonder het ander. We moeten ‘het zwaard omgorden’ zoals de bijbel zegt, en dat is niet het oude, materiële zwaard, maar het geestelijke Michaëlszwaard van ons scherp onderscheidende denken. Blijven we het oude, gedachtenloze zwaard gebruiken, zoals de hedendaagse activisten dat doen, dan keert het zich tegen ons, dan wordt het tot een werktuig van de tegenmachten en zullen we erdoor vergaan.

Dit Michaëlszwaard moeten we zelf smeden, met behulp van ons denken, ons voelen en – vooral – ons willen. Want er is moed nodig om tegen de ‘wilde horden’ in te gaan. Iedereen juicht hen toe: de media, de overheid, het bedrijfsleven, de sportwereld, het onderwijs, ouders, grootouders, kinderen. Allemaal roepen ze enthousiast BlackLivesMatter en andere vergelijkbare slogans. Wie weigert mee te doen, betaalt een zware prijs. Wat zal er bijvoorbeeld gebeuren met de zeldzame sportlui die weigeren te knielen en de vuist in de lucht te steken voor aanvang van een wedstrijd? Hoe zullen zij door hun ploegmaats bekeken en behandeld worden? Welke maatregelen zal het bestuur van hun club tegen hen nemen, bang als het is dat sponsors zullen afhaken? Hun carrière kan in een oogwenk voorbij zijn, enkel en alleen omdat ze de moed hadden niet in te stemmen met de oproep tot geweld die BlackLivesMatter in wezen is. En dat geldt niet alleen voor sportlui, het geldt voor iedereen.

De draak bevechten is een gevaarlijke onderneming. Ze maakt alleen kans op slagen als we een nieuw bewustzijn ontwikkelen, een bewustzijn dat zich niet laat meeslepen door holle slogans en massa-bewegingen, maar dat er denkend doorheen kijkt en de wolf leert zien die zich in al die wolligheid verbergt. BlackLivesMatter is een voorbeeld van een onschuldig lijkende slogan die door eenvoudig, logisch te denken stap voor stap ontmaskerd kan worden. Dat vergt tijd en uithoudingsvermogen want er moet lang gehamerd worden om een michaëlszwaard te smeden dat scherp genoeg is om Lucifer en Ahriman te scheiden. Iedereen die wel eens een zeis heeft ‘gehamerd’ weet dat het geen kwestie van kracht is. Het is een kunst – net als het gebruik van de zeis – en kunst vereist de inzet van alle menselijke vermogens. Het michaëlszwaard wordt gesmeed door ons Ik, dat zich met dat zwaard verdedigt tegen het geallieerde kwaad dat het menselijke Ik probeert voor te stellen als de bron van alle kwaad. 

Een oog voor kunst (4)

  

De vraag hoe je een oog ontwikkelt voor kunst is in wezen dezelfde als de vraag hoe je een oog ontwikkelt voor de geest. Want een oog-voor-kunst is geen fysiek oog dat ziet wat er bijvoorbeeld op een schilderij staat, het is een innerlijk oog dat ziet wat dat schilderij tot een kunstwerk maakt. Het is een zintuig voor de geestelijke dimensie van kunst, voor datgene wat door fysieke ogen niet kan waargenomen en door het verstand niet bewezen of begrepen kan worden. Het is met andere woorden een geestelijk oog, maar dan wel een geestelijk oog dat niet kan bestaan zonder fysieke ogen. Wie blind is voor de materiële dimensie van kunst – wie geen schilderij kan zien of geen muziek kan horen – kan ook de geestelijke dimensie ervan niet waarnemen. In de kunst geldt: geen geest zonder materie. Het fysieke, zintuiglijke waarnemen is hier voorwaarde voor het geestelijke, bovenzintuiglijke waarnemen. Een oog voor kunst is dus geen oog voor de zuivere geest, het is een oog voor de geest in de materie. 

De wereld van de zuivere geest werd definitief voor ons afgesloten door de komst van Christus, de geest die afdaalde in de materie en verklaarde: niemand komt tot de Vader dan door mij. Hij deed de vijgeboom – symbool van de oude helderziendheid – verdorren en werd zelf de poort waardoor we voortaan de geestelijke wereld binnengaan. Als we dat tenminste willen, want we moeten ervoor kiezen, we kunnen alleen uit vrije wil de ogen openen voor Christus. Het waarnemen van de geest-in-de-materie is ons niet gegeven zoals de oude helderziendheid dat was. Het moet ontwikkeld worden vanuit de zintuiglijke waarneming van de materie. Die ontwikkeling is vrij, maar niet vrijblijvend, want sinds het einde van het Kali Yuga wordt onze oude helderziendheid weer wakker, en ze leidt ons weg van Christus, recht in de armen van de tegenmachten. We moeten dus kiezen tussen twee vormen van helderziendheid: de christelijke (die ons omhoog leidt) en de antichristelijke (die ons omlaag leidt, de onderwereld in). 

We gaan vandaag over de drempel en we zouden geen vrije mensen zijn als we dat niet op twee manieren konden doen: via Christus of via de tegenmachten. Voor de christelijke manier moeten we bewust en vrijwillig kiezen, voor de antichristelijke manier hoeven we helemaal niet te kiezen, dat gaat vanzelf. Om Christus waar te nemen moeten we ons inspannen, om in de greep van de tegenmachten te raken, volstaat het dat we ons laten meedrijven met de stroom. Wat er in dat laatste geval gebeurt, zien we vandaag overal: we verliezen ons verstand, we worden langzaam maar zeker met waanzin geslagen. Het is echter geen fysieke waanzin die ons treft (als gevolg van het slecht functioneren van onze hersenen), maar geestelijke waanzin (als gevolg van het niet wakker en actief worden van onze geest). En wat deze ziekte zo gevaarlijk maakt, is dat we er ons niet bewust van zijn. Integendeel, we zien ze als een teken van geestelijke gezondheid, als een vorm van hoger bewustzijn.

De oorzaak van deze waanzin ligt in de desintegratie van onze ziel bij het overschrijden van de drempel naar de geestelijke wereld. Denken, voelen en willen komen los van elkaar en gaan ieder hun eigen gang. Ze onttrekken zich aan de controle van ons Ik en plaatsen ons voor de keuze: ofwel proberen we onze losgeslagen zielevermogens weer in het gareel te krijgen, ofwel laten we ze in handen van de tegenmachten vallen. Deze laatsten blazen onze gedachten, gevoelens en wilsimpulsen op tot karikaturen en creëren in onze ziel een chaos waarin ons Ik zich niet langer kan handhaven. We worden als het ware uit ons eigen huis gedreven en de tegenmachten nemen het in bezit. We raken met andere woorden ‘bezeten’, maar dat beseffen we niet want ons Ik is buitenspel geplaatst. We kunnen geen onderscheid meer maken tussen goed en kwaad, en identificeren ons steeds meer met de nieuwe, antichristelijke geest die onze ziel bezet houdt en die ons in de waan brengt dat we superieure wezens zijn. 

Deze superioriteitswaan verspreidt zich momenteel als een epidemie over de hele wereld, want we gaan allemaal over de drempel en komen daarbij allemaal voor de keuze te staan: blijven we baas in eigen ziel of ‘verkopen’ we onze ziel aan de duivel? Dat dringt echter niet tot ons door en we kiezen, al naargelang van onze natuur, voor de spirituele Lucifer of voor de materiële Ahriman, die ons meesleuren in hun onderlinge strijd en ons in de waan brengen dat het de (goede en noodzakelijke) strijd tegen de draak is. We denken dus te kiezen tussen goed en kwaad, maar in werkelijkheid kiezen we tussen twee kwaden – de links-idealistische Lucifer en de rechts-materialistische Ahriman – waardoor we in de greep raken van de vernietigende wil die beide bezielt. Door ons over te geven aan de machts- en superioriteitsroes die ze in onze ziel wekken, beginnen we in naam van het goede een nietsontziende strijd tegen het goede, tegen ons eigen Ik, tegen alles wat christelijk is.

Deze zelfvernietigende strijd is de keerzijde van de scheppende strijd die we moeten voeren om oog te krijgen voor Christus, en dat is de strijd om juist niet te kiezen tussen Lucifer en Ahriman maar beide tegenmachten in evenwicht te houden. Want we hebben ze allebei nodig om een zintuig voor Christus te ontwikkelen: Ahriman opent onze ogen voor de materie en legt aldus de grondslag voor het waarnemen van de geest-in-de-materie, terwijl Lucifer het verlangen wekt naar de geest. We mogen ze uiteraard niet hun eigen gang laten gaan, want dan raken ze slaags en veroorzaken in onze ziel een chaos van haat en geweld die ons blind maakt voor het christelijke midden. Alleen een Steigerung van beide tegengestelde krachten kan ons de ogen openen voor Christus en beletten dat we zonder het te weten voor de Antichrist kiezen. Daarom moeten Lucifer en Ahriman uit elkaar worden gehouden, ze mogen zich onder geen beding met elkaar vermengen, want dan sleuren ze ons mee in hun waanzin.

Dat is de keuze waarvoor we staan: ofwel ontwikkelen we een oog voor Christus, ofwel worden we blind voor Christus. Dat laatste is het ergste wat ons kan overkomen, want als we de wederkomst van Christus ‘verslapen’, aldus Rudolf Steiner, zal het grootst mogelijke onheil over de mensheid komen. We moeten dus kost wat kost een ‘etherisch oog’ ontwikkelen, een oog voor de etherische wereld waarin Christus verschijnt. Een belangrijker en dringender opgave bestaat momenteel niet. En hier betreedt de kunst het toneel, want zij maakt de etherische dimensie van de werkelijkheid zichtbaar. Zij legt de etherische levens- en vormkrachten vast in de materie en stelt ons daardoor in staat er een zintuig voor te ontwikkelen. Dat gebeurt op exemplarische wijze in de filmkunst, die met zijn bewegende beelden en in elkaar vloeiende kunstvormen een uitgesproken etherisch karakter heeft. Maar we leren hier ook de keerzijde van de medaille kennen: de etherische wereld wiegt ons in slaap.

Door de verbinding met de materie ‘sterft’ de geest: hij wordt door de kunstenaar bij wijze van spreken gedood en in zijn graf gelegd. Maar daaruit kan hij door de kijker weer worden opgewekt. Dit Stirb und Werde van de geest is in wezen een Offenbares Geheimnis, een openbare mysteriehandeling. In de kunst gebeurt dus in het klein wat vandaag in het groot gebeurt: de mens gaat over de drempel, hij wordt ingewijd. Vroeger was die inwijding streng voorbehouden aan uitverkorenen, maar vandaag gaat iedereen over de drempel: we betreden allemaal de grafwereld van de inwijding en de kunst, en vallen daar ‘in slaap’. We doen dat echter als vrije mensen, wat betekent dat het van onszelf afhangt of we wakker worden in die inwijdingsslaap en de ogen openen voor de geest-in-de-materie die zich daar manifesteert. Doen we dat niet en blijven we slapen, dan kunnen we Christus niet onderscheiden van de tegenmachten die ons de onderwereld binnenloodsen. 

Sinds het aflopen van het Kali Yuga dringt de geestelijke wereld opnieuw onze materiële wereld binnen en maakt er een inwijdingsplek van, een ‘grafwereld’ waar een zelfde ‘etherische’ sfeer heerst als in de kunst. Daar zijn we ons echter niet van bewust. We beseffen niet dat de moderne wereld een mysterieplaats is geworden waar we ons instinctief op dezelfde manier gedragen als in de kunst: ons overgevend aan de schone schijn, onderduikend in beelden en gevoelens die ons kritische verstand uitschakelen. We zijn ‘geestdronken’ maar voelen ons nuchterder en wakkerder dan ooit. Met nauw verholen misprijzen kijken we neer op onze ‘domme’ voorouders die nog in sprookjes geloofden, overtuigd als we ervan zijn de wereld – eindelijk – te zien zoals hij is. Geen moment komt het in ons op dat wij de slaapwandelaars zijn, de dromers die alles geloven wat hen voorgehouden wordt en geen onderscheid meer maken tussen goed en kwaad. We beseffen niet dat we in het duister tasten en op grote schaal misleid worden. 

Dit dromende inwijdingsbewustzijn maakt ons tot puppets on a string die in de waan verkeren vrij te zijn maar in werkelijkheid precies doen wat de antichristelijke puppetmaster van hen verlangt. Het probleem is dat we niet zomaar wakker kunnen worden uit deze ‘inwijdingsslaap’, want dan gebeurt hetzelfde als wanneer we in de bioscoop tijdens een film om ons heen kijken: we zien ons omringd door louter zombies die roerloos in het donker voor zich uit zitten te staren. Proberen we hen wakker te maken dan verzetten ze zich hevig, want ze willen niet uit de droom worden gehaald. En dus zit er niets anders op dan zelf ook weer onder te duiken in de film, anders kunnen we net zo goed de zaal verlaten. Dat laatste is in de reële wereld echter geen optie. Daar zitten we gevangen in het donker en breekt er een gevecht in regel uit tussen de ‘dromers’ en de ‘wakkeren’. In feite slapen ze allebei: de eersten slapen een luciferische slaap, de laatsten een ahrimaanse slaap. 

Ontwaken uit deze inwijdingsslaap is niet mogelijk. Keren we terug naar ons wakkere, materialistische bewustzijn, dan vallen we in slaap voor de geest en bestrijden instinctief alles wat spiritueel of idealistisch is. Geven we ons over aan ons dromende spirituele bewustzijn, dan vallen we in slaap voor de materie en verliezen het contact met de realiteit. Wat we ook doen, we ontsnappen niet aan de slaap en aan de onvermijdelijke botsing met andere slapers. Aangezien beide manieren van slapen elkaar versterken, sluiten ze ons op in een onderwereld vol haat en geweld, waaruit we niet eens willen ontsnappen. Want de strijd die hier woedt – het gevecht tussen de dromers en de wakkeren, tussen de idealisten en de realisten, tussen luciferisch links en ahrimaans rechts – beschouwen we als een heilige strijd, een strijd tegen de draak die gewonnen moet worden als we de wereld willen redden. Niets is belangrijker in onze ogen, niets kan ons van deze strijd afhouden.  

De enige manier om deze zelfvernietigende strijd te stoppen, is door onze ogenen te openen in de slaap en te zien dat het niet onze strijd is, maar de strijd van onze dubbelganger, die ons als een bal heen en weer kaatst tussen Lucifer en Ahriman. Vroeger werd de inwijdeling voorbereid op de ontmoeting met de dubbelganger, hij leerde diens twee gezichten kennen en wist dat hij zich niet mocht laten meezuigen in de draaikolk die ze veroorzaakten. Zoals Odysseus, moest hij tussen Scylla en Charybdis door laveren, hij moest als het ware dwars door de dubbelganger heen om Christus te bereiken, de poort tot de geestelijke wereld. Dat is vandaag nog altijd zo, maar dan met dat verschil dat de moderne mens onvoorbereid – en dus onbewust – geconfronteerd wordt met de twee wachters aan de drempel, met de dubbelganger en met Christus. In zijn slapende bewustzijn vloeien ze samen tot één wezen waaraan hij zich, gedreven door zijn intense verlangen naar de geest, blindelings overgeeft. 

Wat de mens die over de drempel gaat dus het meest nodig heeft, is onderscheidingsvermogen. Hij moet onderscheid leren maken tussen de dubbelganger en Christus, zodat hij een vrije keuze kan maken tussen beide. Want kiezen moet hij, een compromis is geen optie. Christus laat daar geen twijfel over bestaan: wie niet voor hem is, is tegen hem. Het gaat dan ook om een morele keuze, een keuze tussen goed en kwaad. En wat deze keuze zo moeilijk maakt, is dat de oude morele grenzen verdwenen zijn: goed en kwaad zijn niet langer zorgvuldig gescheiden, ze lopen door elkaar. Onze gewone moraliteit volstaat niet meer bij het overschrijden van de drempel. Daar doelt Rudolf Steiner op wanneer hij zegt dat iedere stap op de scholingsweg gepaard moet gaan met drie stappen op de morele weg. We moeten ons morele onderscheidingsvermogen versterken, we moeten het over de drempel leiden zodat we niet langer alleen maar voelen wat goed en kwaad is, maar het ook zien en doordringen tot hun wezen. 

Hoe kan de mens echter doordringen tot het wezen van goed en kwaad – dat wil zeggen tot de dubbelganger en tot Christus – als hij geen geestelijke wezens kan waarnemen, als hij niet eens gelooft in hun bestaan? Het antwoord luidt: met behulp van de kunst. Hier wordt het hele drempeloverschrijdingsproces weerspiegeld in beelden die we in alle rust kunnen bekijken en beoordelen. Anders dan in de werkelijkheid geven we ons in de kunst bewust en vrijwillig over aan de slaap. We weten dat het slechts schijn is wat we zien en precies deze wakkerheid-in-de-slaap stelt ons in staat de beelden te beoordelen op hun morele (lees: artistieke) kwaliteit. In de kunst nemen we ons morele oordeelsvermogen mee over de drempel: we leren onderscheid maken tussen goed en slecht in de etherische sfeer. En dat is precies wat we vandaag zo dringend nodig hebben. Als we niet in de grootst mogelijke ellende terecht willen komen, moeten we onze artistieke wakkerheid versterken en uitbreiden. Alleen op die manier kan kunst de wereld redden.  

Antroposofie Vandaag

  

Wie de actualiteit een beetje volgt, weet dat de vooruitzichten niet goed zijn. Om het met de woorden uit de populaire tv-serie Game of Thrones te zeggen: winter is coming. Om het antroposofisch uit te drukken: Ahriman is op komst. Niemand weet wat er te gebeuren staat, maar er hangt dreiging in de lucht en overal nemen angst en onrust hand over hand toe. Voor veel mensen is de zaak duidelijk: de jaren ’30 zijn weer terug. Honderd jaar na dato staan de nazi’s weer voor de deur en maakt Hitler opnieuw zijn opwachting. Alleen gebeurt dat dit keer niet enkel in Duitsland, maar in heel Europa en zelfs daarbuiten. Reden genoeg voor politici, journalisten, intellectuelen en kunstenaars om te waarschuwen voor de verrechtsing van de maatschappij en de heropleving van het fascisme. Maar het mag niet baten: de rechtse partijen worden alsmaar sterker. Steeds dringender klinkt dan ook de vraag: hoe kunnen we voorkomen dat de geschiedenis zich herhaalt? Hoe kunnen we een nieuwe katastrofe vermijden?

Die vraag is ook aan de orde in het winternummer van Antroposofie Vandaag, het ledenblad van de Antroposofische Vereniging in België. ‘Het is niet gemakkelijk’, aldus Werner Govaerts in het editoriaal, ‘om in deze woelige tijden van fake news, trumpisme, Brexit, IS, klimaatproblemen en andere bedreigingen het hoofd koel te houden en te trachten de grote tendensen, de grote ontwikkelingen te ontwaren.’ Toch citeert hij even verder een door Herbert Hahn opgetekende anekdote over Rudolf Steiner die aan duidelijkheid niets te wensen overlaat: ‘Maar hij zag donkere wolken aan de historische horizon opdoemen, waarvan mensen zoals wij niets konden vermoeden. Zo zei hij op een keer over de waldorfschool: ze zal elke ruk naar links uithouden, maar niet een stevige ruk naar rechts.’ Rudolf Steiner lijkt dus te waarschuwen voor rechts, maar de hoofdredacteur van Antroposofie Vandaag pleit voor enige terughouding. ‘Het zou de moeite waard zijn’, schrijft hij, ‘om te onderzoeken wat Rudolf Steiner precies in gedachten had toen hij dat zei’. 

Ook in een langer artikel over steinerpedagogie pendelt Werner Govaerts heen en weer tussen voorzichtige terughouding en duidelijke stellingname. Zo brengen ‘de rechts-nationalistische en zelfs pre-fascistische tendensen in Noord-België’ hem ertoe een vergelijking te maken tussen de situatie van de steinerscholen vandaag en de situatie van de eerste waldorfschool in Stuttgart. Daar heerste destijds grote verdeeldheid over de houding die de school moest aannemen tegenover het nieuwe nazi-regime. De enen drongen aan op samenwerking teneinde de school open te kunnen houden, de anderen wilden zich niet compromitteren. ‘Historisch gezien’, schrijft Werner Govaerts, ‘hadden de hardliners natuurlijk gelijk’, maar, voegt hij eraan toe, ‘achteraf is het makkelijk oordelen, als je er middenin zit is het moeilijk om een klare kijk te krijgen op de zaak.’ Wijze woorden zijn het, die hij echter meteen weer vergeet, want hij verbaast er zich over hoe weinig mensen zich vandaag uitspreken tegen de rechts-nationalisten. 

‘Dat is des te verwonderlijker’, schrijft hij, ‘omdat we in de jaren ’30 van de vorige eeuw gezien hebben tot welke verschrikkingen het rechts-nationalisme heeft geleid.’ Voor hem is het duidelijk: de N-VA is de Vlaamse NSDAP in wording en hij houdt deze partij dan ook verantwoordelijk voor ‘de verzieking en ontmenselijking van de maatschappij, het ondergraven van het sociale leven en het maatschappelijk vertrouwen, het opwekken en aanwakkeren van angst en eigenbelang’. Hoewel hij kort daarvoor nog schreef hoe moeilijk het is om een klare kijk te ontwikkelen op een situatie waar je middenin zit, twijfelt Werner Govaerts er geen moment aan dat hij met zijn visie aan de juiste kant van de geschiedenis staat. Hij is er zelfs zo zeker van dat hij onomwonden pleit voor politieke actie in de steinerscholen. Als de maatschappij hun voortbestaan bedreigt, schrijft hij, dan moeten ze die maatschappij veranderen. Dat is trouwens wat de leerlingen zelf willen, voegt hij eraan toe, ze willen iets doen

De hoofdredacteur van het ledenblad van de Antroposofische Vereniging die onomwonden aan politiek doet, die vroeger al vond dat steinerscholen kinderen van rechtse ouders moeten kunnen weigeren, en die nu oproept tot links activisme in de klas? Een mens vraagt zich onwillekeurig af wat Rudolf Steiner daarvan gevonden zou hebben. Hoorden steinerscholen volgens hem niet open te staan voor mensen van alle politieke en religieuze gezindten? Of verliest die regel zijn geldigheid in crisissituaties? In dat geval zouden steinerscholen wel eens tamelijk exclusief kunnen worden, want de helft van de Vlaamse bevolking stemt rechts. Met de kinderen van die andere helft wil Werner Govaerts dan de op rechts aansturende maatschappij van koers doen veranderen zodat ze de steinerpedagogie niet langer stokken in de wielen steekt. En dat moet allemaal nu gebeuren, want de jaren ’30 naderen snel, er is niet veel tijd meer om de wereld te veranderen en de steinerscholen te redden.

Hier is duidelijk iemand aan het woord die de kille adem van Ahriman in zijn nek voelt. Werner Govaerts doet weliswaar zijn best om rustig te blijven en wijze, terughoudende woorden te spreken, maar lang kan hij dat niet volhouden. Algauw slaat hij spijkers met koppen: als we geen actie ondernemen, dreigt er opnieuw een katastrofe zoals 100 jaar geleden! Het is een klassiek dilemma dat hier zichtbaar wordt: moeten we ons aanpassen aan de werkelijkheid en proberen er het beste van te maken of moeten we voet bij stuk houden en proberen die werkelijkheid te veranderen? Actie tegenover resignatie, idealisme tegenover realisme, doen tegenover denken. Werner Govaerts kiest zonder omhaal voor actie, voor links activisme tegen het rechtse gevaar. Zijn standpunt heeft alvast het voordeel van de duidelijkheid: gedaan met wikken en wegen, er moet aangepakt worden! Dat is ook wat de jongeren vragen en Werner Govaerts schaart zich ondubbelzinnig aan hun kant.

Het moet gezegd, het is een verfrissend geluid in een antroposofisch blad dat niet meteen uitmunt door eigentijdsheid. Het is wel niet zo erg als destijds in Das Goetheanum, waaruit onmogelijk op te maken viel dat er een wereldoorlog aan de gang was, maar de naam Antroposofie Vandaag dient toch met een korreltje zout te worden genomen. Werner Govaerts doet al een hele tijd zijn best om het blad bij de tijd te brengen, maar de eerbiedwaardige oude-zielensfeer blijft zijn stempel drukken. De spanning tussen de twee zielensferen – de oude en de jonge – is overigens een probleem dat zich niet beperkt tot Antroposofie Vandaag, het is het antroposofische probleem bij uitstek: moeten antroposofen zich terugtrekken en mediteren of moeten ze de wereld in trekken en actief worden? Moeten ze denken of moeten ze doen? Wanneer we de zaken zo stellen, wordt het antwoord vanzelf duidelijk: de antroposofie wil zowel denken als doen. Het is zelfs haar doel om die twee te verbinden, om denkend te doen en doend te denken.

Was dat niet wat Rudolf Steiner beoogde met de Weihnachtstagung? Hij wilde een vereniging die zowel esoterisch-naar-binnen-gericht als exoterisch-naar-buiten-gericht was. Tevoren stonden die twee aspecten los van elkaar en dat gaf enorme spanningen omdat ze elkaar steeds weer voor de voeten liepen. Het bracht Rudolf Steiner zelfs tot wanhoop maar uiteindelijk resulteerde het in wat we een Steigerung van doen en denken zouden kunnen noemen: er ontstond een geheel nieuwe vereniging waarin beide polen samenvielen. Tijdens de daarop volgende karmavoordrachten onthulde Rudolf Steiner de menselijke grondslag van die vereniging: de samenwerking tussen oude en jonge zielen, de denkende samenwerking tussen beide zielengroepen. Kort na die onthulling stierf hij echter, hij kreeg niet meer de kans die prille samenwerking te begeleiden. Nagenoeg meteen braken de vijandelijkheden weer uit. De zielen die hadden moeten samenwerken vervielen in hun oude gewoonten.

Honderd jaar later zijn die antroposofische zielen ouder en wijzer geworden, ze maken geen ruzie meer, ze hebben hun lesje geleerd. Maar kunnen we zeggen dat ze samenwerken, en vooral: dat het een denkende samenwerking is? Werken oude en jonge zielen samen in het besef van hun verschillende aard en met inzicht in hoe die twee geaardheden – de denkende en de doende – met elkaar verzoend moeten worden? De vraag stellen is ze beantwoorden: er is geen sprake van nadenken over oude en jonge zielen, en dus is er ook geen sprake van denkende samenwerking tussen beide. Dat is ook wat zo treffend tot uitdrukking komt in het winternummer van Antroposofie Vandaag, met name dan in de bijdragen van hoofdredacteur Werner Govaerts. Hier zijn twee zielen aan het woord: een oude ziel die pleit voor terughouding en een jonge ziel die oproept tot actie. Maar ze luisteren niet naar elkaar, de vraag is zelfs of ze van elkaars bestaan afweten, want de jonge ziel doet precies het tegenovergestelde van wat de oude ziel adviseert.

Wat we hier zien gebeuren, is in zekere zin een herhaling van wat honderd jaar geleden gebeurde. Na de eerste wereldoorlog stroomden honderden jonge zielen een antroposofische wereld binnen die hoofdzakelijk bestond uit oude zielen die zich in alle rust bezighielden met studie en meditatie. De jonge zielen geloofden echter niet meer in de oude wereld, ze wilden een nieuwe wereld waar de gruwelijkheden die ze hadden gezien niet meer mogelijk waren. Het resultaat was … een voortzetting van de oorlog, zij het dan op kleinere schaal: de spanningen tussen beide zielengroepen escaleerden en ontlaadden zich ten slotte in de brand van het Goetheanum waarvan de oorzaak volgens Rudolf Steiner niet buiten maar binnen de antroposofische vereniging moest worden gezocht. Het betekende het einde van de oude vereniging en de oprichting van een nieuwe vereniging. Maar het mocht niet baten: opnieuw raakten beide zielengroepen slaags alsof er niets veranderd was.

Honderd jaar later is er nog altijd geen eind gekomen aan deze ‘kleine oorlog’, de geschiedenis blijft zich herhalen. De twee zielentypes zijn duidelijk te herkennen in de bijdragen van Werner Govaerts: de wijze oude ziel en de onstuimige jonge ziel. Hun verhouding is nagenoeg dezelfde als tijdens de eerste ontmoeting van beide zielengroepen in de schoot van de antroposofische vereniging: de jonge ziel wil actie zien en de oude ziel maant tot terughouding. We herkennen deze zieledualiteit ook op het wereldtoneel. In de klimaatkwestie bijvoorbeeld staan jonge mensen die dringend om actie roepen tegenover een oude wereld die nauwelijks in beweging te krijgen is. De politieke wereld toont hetzelfde beeld: het jonge progressieve links staat lijnrecht tegenover het oude conservatieve rechts. En in al deze gevallen is er geen sprake van samenwerking, integendeel: er is geen gesprek meer mogelijk. Er heerst louter haat en vijandigheid beide zielengroepen. 

Zwei Seelen wonen ach in meiner Brust, schreef Goethe, de ene wil ten hemel opstijgen, de andere klampt zich vast aan de aarde. Hij had het over het luciferische en het ahrimaanse streven in de mens. De afgelopen honderd jaar hebben we een duidelijke slingerbeweging tussen die twee krachten kunnen waarnemen, alsof de mensheid haar evenwicht verloren heeft. Het begon met een links-luciferische reactie op het ahrimaanse materialisme. Daarop volgde de beruchte rechtse reactie in de jaren ’30. In de jaren ’60 sloeg de slinger weer uit naar links om vandaag opnieuw naar rechts te gaan. Niemand weet hoe dit zal eindigen, maar één ding is zeker: de mensheid zal haar evenwicht niet hervinden zolang ze blind blijft voor deze slingerbeweging. Zolang ze zich blijft identificeren met één van beide polen en de andere pool als de grote vijand beschouwt die te vuur en te zwaard dient bestreden te worden, zal er niets veranderen. Integendeel, de slinger zal steeds verder uitslaan.

Het onvermogen om deze fundamentele dualiteit onder ogen te zien, is de grote blinde vlek in het moderne bewustzijn. Ze vindt haar wortels in de 9de eeuw toen op het concilie van Constantinopel ‘de geest werd afgeschaft’, zoals Rudolf Steiner het uitdrukte. Het drieledige mensbeeld – geest, ziel en lichaam – werd vervangen door een tweeledig mensbeeld waarin geen duidelijk onderscheid meer werd gemaakt tussen ziel en geest. Als gevolg daarvan ging men Christus en Lucifer steeds meer elkaar verwarren. Lucifer werd onbewust geassocieerd met het goede en Ahriman met het kwade. Deze verwarring of vermenging culmineert in de 20ste eeuw: de mens meent de grote strijd met het kwaad uit te vechten maar wordt in werkelijkheid heen en weer geslingerd door de tegenmachten. Deze slingerbeweging veroorzaakt niet alleen ongezien menselijk lijden, ze veroorzaakt ook een bewustzijnsverdoving die de mens dreigt te beroven van zijn menselijkheid, van datgene wat hem onderscheidt van het dier.

Juist doordat de moderne, weldenkende, idealistische mens geen onderscheid meer maakt tussen Lucifer en Ahriman, wordt hij een speelbal van deze zwei Seelen in seiner Brust. Hij voelt Ahriman naderen en werpt zich in de strijd met de draak, niet beseffend dat het Lucifer is die hem daartoe aanzet. Steeds meer mensen, tot kinderen toe, trekken vandaag ten oorlog tegen Ahriman in de overtuiging dat ze daardoor zichzelf redden, dat ze de planeet redden, dat ze deelnemen aan de levensbelangrijke strijd van het goede tegen het kwade. In werkelijkheid doen ze echter precies het omgekeerde: heen en weer geslingerd door de tegenmachten voeren ze een blinde strijd tegen het goede, tegen het menselijke, tegen het christelijke. Slechts één ding kan deze zelfvernietigende strijd-van-allen-tegen-allen een halt toe roepen en dat is zelfkennis, kennis van de zwei Seelen die in eenieders borst wonen en weerspiegeld worden in de links-rechtstegenstelling die de wereld verscheurt en zal blijven verscheuren tot ze begrepen wordt. 

De brand van de Notre Dame

  

Op maandagavond, de tweede dag van de Goede Week, brak brand uit in de Parijse Notre Dame. Algauw stond de kathedraal in lichterlaaie en verhief zich een grote rookwolk boven la ville lumière. Ik zal wel niet de enige zijn geweest die meteen dacht aan een aanslag. Het is een publiek geheim dat in Frankrijk geen enkele kerk nog veilig is. Gemiddeld worden er twee per dag gevandaliseerd, in brand gestoken of onteerd. Iedereen weet wie daar verantwoordelijk voor is, maar er wordt zedig over gezwegen. Ook nu weer ontkenden de autoriteiten onmiddellijk dat er kwaad opzet in het spel was, al moest het onderzoek nog beginnen. Er waren restauratiewerkzaamheden aan de gang in de kathedraal en daar moest de oorzaak van de brand gezocht worden. Wat er ook van zij – aanslag of restauratie – de brandende Notre Dame in het centrum van Parijs was een omineus beeld dat onwillekeurig deed denken aan de brandende twin towers in het centrum van New York, bijna 20 jaar geleden. 

Bij antroposofen riep het nog een andere herinnering op: de brand van het Goetheanum, bijna 100 jaar geleden. Net als de Notre Dame was de antroposofische tempel niet opgetrokken door een gespecialiseerde bouwfirma maar door vrijwilligers. Talloze mensen hadden hart en ziel in dit gebouw gelegd en de brand was dan ook een enorme klap. De toenmalige antroposofische vereniging overleefde hem niet. Nochtans had ze, terwijl de vernietigende krachten van de eerste wereldoorlog Europa teisterden, een unieke scheppende prestatie geleverd. Helaas ontbrak er iets aan: bewustzijn. Rudolf Steiner wees daarop toen hij zei dat de brand weliswaar van buitenaf was aangestoken, maar dat de werkelijke oorzaak bij de antroposofen zelf lag. Ze waren te veel met zichzelf bezig geweest en daardoor hadden ze het gebouw geestelijk onbeschermd gelaten. De vlammen die het Goetheanum verteerden, waren een uiterlijk beeld van het luciferische vuur dat binnen de vereniging woedde.

Wrijvingen, afgunst, ijdelheid, fanatisme en andere egoïstische driften hadden tot gevolg dat het Goetheanum een geestelijke omhulling ontbeerde. Persoonlijke aangelegenheden eisten zoveel aandacht op dat er onvoldoende overbleef voor de tempel. Het was deze geestelijke verwaarlozing die het Goetheanum fataal werd. Iets dergelijks kan men ook zeggen van de Notre Dame in Parijs, en bij uitbreiding van alle Franse kerken en zelfs van het hele Europese culturele erfgoed. In plaats van zorg te dragen voor het kostbare geschenk dat het aan de mensheid heeft geschonken, laat Europa zich – als het ware in navolging van de antroposofische vereniging – meesleuren in onderlinge ruzies en wederzijdse beschuldigingen. Het gedraagt zich als een kunstenaar die een meesterwerk heeft geschapen maar zich dat niet realiseert. In plaats van trots te zijn op wat hij tot stand heeft gebracht, schaamt de Europese mens zich diep en probeert wanhopig goed te maken wat hij denkt verkeerd te hebben gedaan. 

Het was verrassend om te zien hoeveel jonge Fransen diep getroffen waren door de brand van de Notre Dame – alsof de schok in hen een hoger zintuig had wakker gemaakt en ze iets gewaar werden van de geestelijke dimensie van het drama. Minder verrassend waren de cynische reacties op deze bewogenheid. Als mensen na een moslimaanslag kaarsjes branden, bloemen leggen en liedjes zingen, noemen de media dat ‘sereen’. Doen ze hetzelfde als een kathedraal brandt, dan noemen ze het ‘sentimenteel’. Ze steken er de draak mee, vragen zich af of het geld voor de restauratie niet veel beter aan een goed doel kan worden geschonken, of publiceren lijstjes met alle – in hun ogen – belachelijke reacties op de brand. Op Facebook verkondigde een linkse activist zelfs triomfantelijk dat hij al sinds 1789 voorstander is van het platbranden van kerken. Nee, het is al lang geen geheim meer welke diepe haat moderne intellectuelen koesteren voor alles wat christelijk is. 

Deze haatdragende intellectuelen zijn per definitie materialistisch. Zonder het met zoveel woorden te durven zeggen, zijn ze ervan overtuigd dat een mens leeft van brood alleen. De gedachte dat een kunstwerk als de Notre Dame geestelijk voedsel is voor miljoenen, en dat geestelijk voedsel voor de mens even noodzakelijk is als fysiek voedsel, vinden ze bespottelijk. Daarom willen ze die ‘oude troep’ liefst van al vervangen door hedendaagse kunst, waar het dode intellect de plaats van de levende geest heeft ingenomen. De Franse president Macron zag zijn kans schoon. De Notre Dame, verklaarde hij, zou binnen vijf jaar worden heropgebouwd, mooier dan ooit. De boodschap was duidelijk: niet alleen zouden de moderne Fransen de klus veel vlugger klaren dan de middeleeuwers, ze zouden het ook veel beter doen. Prompt werd een architectuurwedstrijd uitgeschreven en de eerste kandidaat was Wim Delvoye die zijn genie ten dienste stelde van de wederopbouw. Of hoe een ongeluk nooit alleen komt. 

Na de luciferische ramp, de ahrimaanse ramp. Het volstaat niet dat de kathedraal zwaar beschadigd werd, ze moet ook nog eens belachelijk worden gemaakt. Dat is de nieuwe trend. Historische gebouwen worden niet zomaar gerestaureerd, ze krijgen een hedendaagse make-over. Brak men ze vroeger af om er nieuwe voor in de plaats te zetten, dan combineert men nu beide: het oude gebouw verdwijnt niet, maar wordt innig verstrengeld met een hedendaagse constructie. De intellectuele klasse wordt daar lyrisch van: ze noemt het een prachtige symbiose van heden en verleden, een toonbeeld van vreedzame coëxistentie. In werkelijkheid is het natuurlijk het tegenovergestelde, want het Europese verleden is door en door christelijk, terwijl het Europese heden – althans dat van de machthebbers en intelligentsia – door en door antichristelijk is. De verbinding van beide tegenpolen leidt onherroepelijk tot een – letterlijke en figuurlijke – kleinering van het verleden. 

Alles van waarde is weerloos. Als Europa de michaëlische krachten niet vindt om haar christelijke beschaving te beschermen, dan zal deze ‘tempel’ in vlammen opgaan of – erger nog – geïncorporeerd worden in een ahrimaanse constructie. Luciferische en ahrimaanse krachten zullen samenwerken om de christelijke beschaving te verminken en te vernederen, en van Europa één groot cultureel Golgotha te maken. Alleen michaëlische bewustzijnskrachten kunnen dat voorkomen, en dat zijn oordeelskrachten, onderscheidingskrachten. Ze zitten reeds vervat in het bijbelse scheppingsverhaal. ‘Op de zesde dag keek God naar zijn schepping en Hij zag dat het goed was‘. Met deze bedrieglijk eenvoudige woorden wordt iets heel essentieels aangeduid: een schepping moet beoordeeld worden, zonder oordeel is ze niet af. Europa heeft de afgelopen 2000 jaar een christelijke beschaving geschapen, maar die beschaving is niet af zolang we niet ‘zien dat het goed is’. 

Wat we nodig hebben, zei Rudolf Steiner, is niet Christus maar bewustzijn van Christus. De scheppende heilsdaad is gesteld, Christus heeft zich verbonden met de aarde en daaruit is een christelijke beschaving ontstaan. Maar verre van te zien dat het goed is, kijken we met groeiende afschuw naar ons christelijke verleden. In die afschuw werkt Ahriman en het is op hem dat het michaëlische inzicht moet worden veroverd dat de Europese beschaving een goede schepping is. Uiterlijk gezien wordt dit kunstwerk vandaag het meest bedreigd door de islam. Die probeert het christendom al eeuwenlang te vernietigen en dat lijkt nu eindelijk te zullen lukken, maar alleen doordat de luciferische draak van binnenuit ahrimaanse hulp krijgt. Het is inderdaad opvallend hoe de Europese machthebbers en intellectuelen de islam de hand boven het hoofd houden. Rudolf Steiner voorspelde dan ook dat het intellect kwaadaardig zou worden. Het gevaar komt dus van twee kanten: van buitenaf en (vooral) van binnenuit. 

Een stuitend voorbeeld van dat laatste is de paus van Rome, die de wereld rondreist om overal moslims – letterlijk en figuurlijk – de voeten te kussen. Als geen ander illustreert deze jezuïet in welke mate Europa ontbeert wat in wezen zelfkennis is: bewustzijn van het eigen christelijke wezen. Dat gebrek aan michaëlisch zelfbewustzijn zet de poorten open voor de tegenmachten, die zich als bloedzuigers vastzetten op het christelijke erfgoed en er iets weerzinwekkends van maken. Christus wordt als het ware voor de tweede keer aan het kruis geslagen, geen fysiek kruis dit keer, maar een etherisch kruis, een bewustzijnskruis. Het vraagt moed en inzicht om deze nieuwe kruisiging onder ogen te zien en niet mee te juichen met de farizeëers van onze tijd. Destijds werden deze michaëlische kwaliteiten belichaamd door Maria en Johannes, die aan de voet van het kruis stonden als een beeld van de vrouwelijke en mannelijke eigenschappen die moeten samenwerken om op de zesde dag te kunnen zien dat het – ondanks alles – goed is.

Deze Goede Vrijdag beleeft iedere kunstenaar wanneer een kunstwerk zijn voltooiing nadert. De mannelijke oordeelskrachten beginnen de vrouwelijke scheppingskrachten dan te verlammen en de kunstenaar wordt langzaam maar zeker toeschouwer bij zijn eigen werk. Wanneer hij die grens overschrijdt, moet hij het werk neerleggen. Het scheppen is dan afgelopen en het oordelen begint. Die overgang is als een geboorte en een sterven tegelijk: de kunstenaar moet zijn werk loslaten, want als hij er verder blijft aan werken dan begint hij het – zonder het te beseffen – weer te vernietigen. Hij verkeert dan in de overtuiging dat hij zijn fouten herstelt en zijn werk steeds beter maakt, maar in werkelijkheid doet hij het omgekeerde: hij maakt het steeds slechter. Het dringt niet tot hem door dat bij het overschrijden van de grenzen van het kunstwerk de scheppende levenskrachten veranderen in vernietigende doodskrachten.

Ik heb dat ooit eens op exemplarische wijze ondervonden tijdens mijn academietijd. Ik had een geslaagde modeltekening gemaakt, maar vond dat met name het hoofd beter kon. Waren portretten niet mijn specialiteit? Welaan dan. Dus veegde ik het hoofd uit en begon opnieuw. Het resultaat was echter niet beter maar slechter dan de eerste keer. Die fout moest uiteraard hersteld worden, maar dat lukte ook dit keer niet. Steeds wanhopiger probeerde ik mijn tekening te redden, maar het het ging van kwaad naar erger. Het uiteindelijke resultaat was een menselijke figuur met de kop van een monster (want ik had het papier kapot getekend). Intussen sloeg de leraar mijn ‘verbeterende slopingswerk’ stilzwijgend gade en maakte van iedere fase een karikatuur. Dat leverde een metamorfose-in-acht-stappen op van mens tot monster, waar de hele klas zich vrolijk over maakte. Ik ben nooit meer vergeten hoe belangrijk het is om te weten wanneer je moet stoppen. 

Ieder (menselijk) scheppingsproces begint met het ontbranden van een innerlijk vuur: de geest wordt vaardig maar hij doet dat in luciferische gedaante. Die uitslaande brand moet met behulp van het verstand bedwongen worden. Dat leidt tot een gevecht in regel tussen levenskrachten en doodskrachten, tussen scheppingsroes en realiteitszin. Aan het eind dooft het luciferische vuur uit en overwint Ahriman. Dat is het moment waarop de kunstenaar het scheppende werk moet neerleggen, ook al is hij er niet tevreden over. Het accepteren van de grenzen van een werk is een oefening in gelatenheid, een erkennen van de onmacht om het oorspronkelijke visioen in een concreet beeld te vatten. Met name in onze tijd is dat een heel, heel moeilijke oefening, want enerzijds worden die ‘geestelijke visioenen’ (de helderziende waarnemingen die ten grondslag liggen aan ieder kunstwerk) steeds grootser, en anderzijds wordt de (door het materialisme veroorzaakte) honger naar de scheppingsroes steeds kwellender. 

Het resultaat is een mens die van geen ophouden weet, die de wereld alsmaar beter wil maken en juist daardoor in de greep van Ahriman raakt. Zijn scheppingsroes is veranderd in een vernietigingsroes, en hij merkt het niet: hij breekt de oude wereld af in de overtuiging dat hij een Heerlijke Nieuwe Wereld opbouwt. Die waan klinkt door in de woorden van president Macron die de verwoeste Notre Dame nóg mooier wil maken. We beluisteren hier – niet toevallig uit de mond van een Fransman – de krankzinnige hoogmoed van onze tijd die denkt dat ze de middeleeuwse kathedralen kan en moet verbeteren. Zoveel hoogmoed leidt onvermijdelijk tot een val. De moderne mens kan niet accepteren dat het scheppen voorbij is, dat de Europese beschaving een grens bereikt heeft, en dat het oordelen nu moet beginnen. Het is trouwens begonnen, maar het is een onbewust vernietigend oordelen, een ahrimaans oordelen, geen bewust scheppend oordelen, geen michaëlisch oordelen. 

De mensheid gaat vandaag over de drempel, maar ze weet het niet. Ze heeft nog niet het zintuig ontwikkeld om die grens waar te nemen en te weten wanneer ze moet stoppen. Ze beleeft dat ‘stoppen’ als een sterven, als het pijnlijke uitdoven van het scheppingsvuur, en klampt zich wanhopig vast aan de oude levensroes. De menselijke beschaving is oud geworden, ze heeft haar grenzen bereikt en is stervende. Of dat sterven de wetten van het lichaam zal volgen (en leiden tot een algehele ontbinding en vernietiging) dan wel die van de geest (en leiden tot een wederopstanding), hangt af van onze moed om stil te houden en dat sterven onder ogen te zien. Brengen we die – michaëlische – moed niet op om aan de voet van het kruis te staan en klampen we ons in plaats daarvan vast aan de illusie dat de beschaving wel zal blijven bestaan, dan worden we tot de vernietigers van die beschaving, dan doen we in vlammen opgaan waar we zozeer aan gehecht zijn. 

Christchurch

  

De klimaatjongeren hadden pech. Uitgerekend op de dag dat ze wereldwijd actie voerden, werd in Nieuw-Zeeland een terroristische aanslag gepleegd. Tot overmaat van ramp was het geen aanslag van moslims maar op moslims, en dus trokken de media alle registers open. Dit keer keer geen lone wolf die in z’n eentje handelde, maar een lid van een wereldwijd extreem-rechts netwerk. Dit keer ook geen anonieme, verwarde man die om onbekende redenen aan het moorden sloeg, maar een blanke die met naam, toenaam en bedoeling werd genoemd. Evenmin werden we erop gewezen dat we meer kans maken om het leven te komen in het verkeer dan bij een terroristische aanval. Nee, wat in Christchurch gebeurde, kon net zo goed hier gebeuren, want ook in ons land is de moslimhaat aan een opmars bezig. Dat die moslimhaat niks met racisme te maken heeft maar alles met moslimterreur – de aanslag in Christchurch was een vergeldingsactie – daarover werd met geen woord gerept. 

Toen de (zwarte) acteur Morgan Freeman ooit gevraagd werd wat er gedaan kon worden aan racisme antwoordde hij: Stop talking about it! Het voortdurend hameren op de spijker van het racisme was volgens hem een veel groter probleem dan het racisme zelf. Hij had hetzelfde kunnen zeggen over de dreiging van extreem-rechts of de haat tegen moslims: het gevaar komt niet van neo-nazi’s of islamofoben, het gevaar komt van degenen die onophoudelijk spreken over extreem-rechts en moslimhaat: de linkse politici, de politiek-correcte media. Noch van racisme, noch van extreem-rechts (en al helemaal niet van moslimhaat) ging er nog enig reëel gevaar uit, tot deze lieden er begonnen over te spreken. Na twee wereldoorlogen had Europa zijn lesje wel geleerd, het zou niet opnieuw in die racistische en fascistische val trappen. Maar toen begon men dit uitdovende vuur weer op te poken en luidkeels te waarschuwen voor een heropleving van racisme, fascisme, nazisme, enzovoort.   

Algauw kreeg dit gestook een kwaadaardig karakter, voor zover het dat niet reeds van meet af aan had. De bevolking werd in toenemende mate gedemoniseerd en dat des te meer naarmate er geen reden toe was. Zo werden tijdens de oorlog in ons land meer joden uit handen van de nazi’s gered dan waar ook, maar nog geen vijftig jaar later werd het gebrandmerkt als het meest racistische land van Europa. Uitgerekend de Vlamingen – die brave, makke schapen die zich in eigen land laten reduceren tot tweederangsburgers – werden voorgesteld als een duivels volk waarvoor geen moslim, zwarte, homo of jood veilig was. Steeds driester werd dit omkeringsprincipe toegepast: van een mug werd een olifant gemaakt, van een olifant een mug. Met eindeloos veel – en vaak nieuwe – woorden zette men de zaken op hun kop. ‘Er waart een monster door Europa’, verkondigde Karel De Gucht aan iedereen die het horen wilde, en dat monster was niet de terroristische islam, het was de eigen racistische bevolking.

Inmiddels heeft dit demoniserende discours verbijsterende afmetingen aangenomen. Op de dag dat moslims drie jaar geleden in Brussel twee bloederige aanslagen pleegden, herdachten de media niet de slachtoffers – die overigens geen enkele steun of vergoeding kregen – maar riepen ze op om … de moslims te beschermen. Alle aandacht ging uit naar het extreem-rechtse gevaar terwijl de oorzaak ervan – de moslimterreur – onder het tapijt werd geveegd. Zo grotesk is deze omkering dat het – letterlijk – niet te geloven is. Veel mensen kunnen eenvoudig niet geloven dat andere mensen zo kwaadwillig kunnen zijn, dat ze dag in dag uit dezelfde leugen blijven herhalen, tegen beter weten in. Al die politici, journalisten, professoren en andere intellectuelen waar ze vol ontzag naar opkijken, kunnen toch geen doortrapte leugenaars zijn! En liever dan hun vertrouwen in deze autoriteiten te verliezen, beginnen ze de leugen te geloven. Ja, Vlamingen, Europeanen en blanken zijn racisten. Als al die verstandige mensen het zegt, zal het wel waar zijn zeker?

De omkeringsleugen vertoont ook alsmaar nieuwe scheuten: racisme, fascisme, islamofobie, sexisme, genderfobie, white privilege, kolonialisering, cultural appropriation, klimaatnegationisme, antigypsisme enzovoort. Het zijn de steeds talrijker wordende koppen van een monsterachtige draak. Maar ondanks de wildgroei van alarmerende begrippen, is er van het monster zelf nauwelijks iets te zien. Waar zijn de racisten die gekleurde mensen aanvallen, bedreigen en vermoorden? Waar zijn de neo-nazi’s die de straten onveilig maken? Waar zijn de islamofoben die moslims terroriseren? Waar zijn de fascisten (behalve bij links)? Waar zijn de genderfoben die Bo Van Spilbeeck het leven zo zuur maken dat hij zich niet meer durft te vertonen? Waar zijn de klimaatnegationisten die de media teisteren met hun fake news? Ze bestaan alleen in de verbeelding van de intelligentsia. Slechts een enkele keer wordt die verbeelding werkelijkheid, zoals in Nieuw-Zeeland. 

De Verschrikkelijke Draak waarvoor onophoudelijk wordt gewaarschuwd, bestaat alleen uit beelden, voorstellingen, woorden, tabellen en grafieken afkomstig uit het verbeeldingsrijke brein van would be drakenridders. In de realiteit is er echter geen draak te zien, en daarom wordt het monster steeds meer in de ziel van de (blanke) mens gesitueerd. Er wordt gesproken over structureel racisme, institutioneel racisme, genetisch racisme, kortom racisme waarvan de racist zich niet bewust is. Om dat kracht bij te zetten is het begrip ‘micro-agressie’ in het leven geroepen: microscopisch kleine vormen van racisme die met het blote oog niet waar te nemen zijn, maar die samen één groot en dreigend geheel vormen. Zeggen dat gekleurde mensen er goed uitzien of dat ze vlot Nederlands spreken: het zijn vormen van micro-agressie. Vragen waar iemand vandaan komt: het is een uiting van micro-racisme dat even reëel wordt geacht als de wereld van de kwaadaardige virussen en vleesetende bacterieën. 

Dit verplaatsen van het kwaad van de zichtbare naar de onzichtbare werkelijkheid heeft natuurlijk tot gevolg dat om het even wie van racisme beschuldigd kan worden, ook al is hij zich van geen kwaad bewust, ja vooral dan. Want het feit dat hij zich van geen kwaad bewust is, bewijst dat het micro-racisme ongestoord aan het woekeren is in zijn ziel en op een dag verwoestend tevoorschijn zal komen. Deze theorie van de Onzichtbare Draak is echter een mes dat aan twee kanten snijdt, want ook de uitvinders van deze theorie zijn zich van geen kwaad bewust. Hoe kunnen zij dan onderscheiden worden van de racisten? Hoe kunnen zij voorkomen dat hun theorie tegen henzelf gekeerd wordt en dat zij op hun beurt van micro-racisme beschuldigd worden? Eenvoudig: door anderen onophoudelijk te beschuldigen van racisme. Het uitgangspunt is immers dat iedere blanke een racist is, en van die erfzonde kan hij zich alleen zuiveren door het racisme in zijn medemensen aan te klagen.

Om niet als racist door het leven te gaan, volstaat het niet om geen racistische daden te stellen, het volstaat ook niet om geen racistische uitspraken te doen, en het volstaat zeker niet om te verklaren dat men geen racist is. Die passieve houding wordt beschouwd als een vorm van medeplichtigheid. Iedereen is schuldig tot hij het tegendeel bewijst en dat laatste gebeurt door racisme actief te bestrijden, door er voortdurend over te spreken, door zelfs de kleinste uitingen aan de kaak te stellen en uit te rukken als onkruid dat de kans niet mag krijgen om te groeien. Aangezien vele vormen van racisme microscopisch klein zijn, moet al wie niet verdacht wil worden, tewerk gaan als de kippen: hij moet alles omwoelen op zoek naar de kleinste zaadjes en kiemen. Onvermoeibaar moet hij overal, op ieder gebied, speuren naar mogelijk racisme: in Zwarte Piet, in carnaval, in de kerststal, in kinderboeken, in reclamefoto’s, in kledij, ja zelfs in potloden. Want het kwaad verbergt zich overal. 

Het beeld dat zich op die manier vormt in het brein van de antiracist, is dat van een (Vlaamse, Europese, blanke) samenleving die volkomen in de greep van de draak zit, waar het kwaad tot in de kleinste geledingen is doorgedrongen en daar als een onzichtbare kanker zijn vernietigingswerk verricht. Dit beeld is zo krachtig omdat het – paradoxaal genoeg – waar is. Wat de leidende klasse overal om zich heen ziet, is een onbewuste waarneming van Ahriman, de kwaadaardige geest die zich als een kanker uitzaait in de hele mensheid en tevoorschijn komt als een levensbedreigende ziekte. Maar juist omdat het een ‘astrale’ waarneming is, verschijnt alles omgekeerd. Het kwaad dat (vooral) de intellectuele klasse overal op zich af ziet komen – als extreem-rechts ongedierte dat uit de riolen van de samenleving komt gekropen en de menselijke beschaving onder de voet dreigt te lopen – is in werkelijkheid hun eigen kwaad, het is Ahriman die zich in hun eigen ziel verbergt, en dan vooral in hun intellect. 

Rudolf Steiner waarschuwde ervoor dat het intellect in toenemende mate kwaadaardig zou worden. Hij voorspelde ook dat Ahriman zou schrijven. En dat zien we vandaag gebeuren. We worden overspoeld met perfide teksten waarin intellectuelen steeds weer dezelfde boodschap herhalen: het kwaad komt tevoorschijn uit alle hoeken en kieren van de samenleving en we moeten dat onkruid bestrijden anders zal het alles overwoekeren. Wat Ahrimans geschrijf zo overtuigend maakt, is dat het waar is. Ahriman liegt niet. Hij spreekt de waarheid over zichzelf, maar projecteert die op anderen, bij voorkeur op zijn grote vijanden, de christenen. Wat we nu al tientallen jaren dagelijks in de media lezen, in alle mogelijke variaties, is een zelfportret van Ahriman. Maar zo wordt het natuurlijk niet begrepen, het wordt voorgesteld als het portret van de christelijke mens zoals we die vandaag vinden in de blanke, Europees-Westerse bevolking die nog niet aan drempelwanen lijdt. 

Ahriman schrijft. Dat betekent dat hij tegenover de werkelijkheid gaat staan en er zich een beeld van vormt dat hij vervolgens in woorden giet. Dat beeld is in zijn geval een voorstelling van de wereld als een louter materieel, dood ding waar we niks mee te maken hebben, waar we geen enkele gevoelsmatige binding mee hebben, tenzij een van minachting en afkeer. Die dode, materiële wereld fungeert als een scherm waarop Ahriman zichzelf projecteert als zijnde de Ultieme Waarheid. Hij is degene die van de moderne werkelijkheid één grote bioscoop heeft gemaakt waar we volkomen passief zitten te kijken en alles geloven wat we zien. We denken wakker en alert te zijn, maar dat is uiteraard niet het geval, anders zouden we beseffen in een donkere ruimte naar een muur te zitten kijken, zoals in de grot van Plato. In werkelijkheid slapen we, we dromen en nemen de geprojecteerde beelden van Ahriman voor waar aan. We moeten wel, want wakker worden in dat duistere hol zou ondraaglijk zijn. 

Dat ‘donkere hol’ is in feite onze schedel. Dat is de plaats waar Ahriman ons opgesloten heeft: in ons intellect. Dat geldt natuurlijk in de eerste plaats voor de intellectuelen, voor degenen die alleen met hun hoofd werken. Zij beschouwen zich als de wakkersten onder de wakkeren, maar in feite slapen zij diep. Hun slaap is een vlucht voor de duisternis waarin ze zich bevinden, de duisternis van Ahriman. Zij vluchten in dromen, in Hollywoodfilms, in utopische voorstellingen van hoe de wereld er zou kunnen of moeten uitzien. Anders gezegd, Ahriman jaagt hen in handen van Lucifer. Vandaar al die vurige idealen die zoveel kille intellectuelen er vandaag op nahouden. Nu is er op zich niks tegen die schitterende idealen, en er is ook niks tegen dat intellectuele, emotieloze denken. Wel integendeel. Het zijn geweldige vermogens, die de mens in de loop der tijden ontwikkeld heeft dankzij Lucifer en Ahriman. De tragiek is echter dat hij ze niet gebruikt. Hij geeft ze in handen van de tegenmachten, in handen van de draak. 

Rudolf Steiner wijst erop dat de moderne mens ongelooflijk goed kan denken, maar dat hij het niet doet. Hij slaapt liever. Hij zit liever te dromen in de bioscoop dan dat hij wakker wordt en de werkelijkheid onder ogen ziet. Nochtans is hij meer dan ooit in staat om door te dringen tot de kern van die werkelijkheid. Juist doordat hij tegenover die werkelijkheid kan gaan staan en er objectief en afstandelijk kan naar kijken, bezit hij (voor het eerst) de mogelijkheid zich bewust te worden van zijn Ik, dat, zoals Rudolf Steiner aangeeft, vanuit de omringende wereld op hem afkomt. Maar dan moet hij wel wakker worden en duidelijk onderscheid maken tussen de werkelijkheid en de ahrimaanse projecties die er zo nauw mee vervlochten zijn. Want als hij dat niet doet dan verwart hij zijn (christelijke) Ik met het (racistische, extreem-rechtse) ongedierte dat hij van alle kanten op zich af ziet komen. Dat is de Tragische Omkering die vandaag plaatsvindt: de moderne mens ziet Christus als de draak en de draak als zijn Verlosser. 

De slaapwandelende intellectuele klasse denkt de draak te bestrijden, maar in werkelijkheid bestrijdt ze Christus, het kosmische mensheids-Ik. Daarom gaat ze ook een vanzelfsprekende alliantie aan met de islam, de grootste antichristelijke instantie op aarde. Extreem-rechts beschouwt ze als de grote vijand, niet omdat het een reëel gevaar vormt, maar omdat het zich verzet tegen de islam, omdat het dreigt de ‘religie van de vrede’ te ontmaskeren. Dat wil echter niet zeggen dat extreem-rechts – een containerbegrip voor alles wat niet links of politiek-correct is – het christelijke vertegenwoordigt en de mens als een geestelijk Ik-wezen ziet. Rechts zit net zo goed in de greep van het materialisme als links, het is evenmin wakker. Het reageert blind en instinctief op Ahriman, met als gevolg dat het in de greep van Lucifer raakt. De blinde strijd tussen beide tegenmachten veroorzaakt een vicieuze cirkel die de mens langzaam maar zeker de dieperik in trekt. 

Dat kwam op een merkwaardige manier tot uitdrukking in de aanslag in Nieuw-Zeeland. Hij werd gepleegd in een stad die Christchurch heet en dus blijkbaar uitgesproken christelijk van oorsprong is. Het wekt om te beginnen al verbazing om moslims aan te treffen in Nieuw-Zeeland, een eiland midden in de Stille Oceaan. Wat zoeken ze daar? De verbazing wordt nog groter wanneer blijkt dat ze aan weerszijden van de kathedraal in het centrum van Christchurch een moskee gebouwd hebben. Waarom juist daar? Dit is niet het gedrag van een gediscrimineerde minderheid die bescherming zoekt tegen het geweld waaraan ze overal blootstaat. Dit is uitdagend, ahrimaans gedrag dat met het creëren van een Golgothabeeld een luciferische reactie wil uitlokken, een reactie die schijnbaar gericht is tegen de ahrimaanse islam, maar die in werkelijkheid – samen met die islam – gericht is tegen het midden tussen de twee tegenmachten, tegen Christus, tegen de vrije, individuele Ik-mens.  

Hemelvaart (2)

  

De aanzet tot mijn beschouwingen over Hemelvaart was een ‘natuurobservatie’: op Hemelvaartsdag nam ik de specifiek zomerse kwaliteit waar die niet beter te typeren valt dan met het woordje ‘eeuwigheid’. In de zomer bereikt de zon haar hoogste punt en lijkt daar stil te houden. Ook beneden houdt alle beweging op: een loden hitte drukt op de wereld, de bladeren hangen roerloos aan de bomen, de straten liggen er verlaten bij, en de mensen zouden liefst van al helemaal niks meer doen. Over de aarde verbreidt zich een sfeer van tijdloosheid. Er treedt een andere dimensie in, een dimensie waar niets verandert, waar alles eeuwige herhaling is. Hoewel ik een uitgesproken herfstmens ben, heb ik de sterkste herinneringen aan die zinderende zomerdagen waarop de eeuwigheid zo dichtbij komt dat ze alle gedachten uit je hoofd verjaagt, alle verlangens uit je hart, en dat je alleen nog kunt zijn

Ik was verrast die ‘eeuwigheidskwaliteit’ waar te nemen op Hemelvaartsdag, dat wil zeggen in volle lente. We hadden al heel wat mooie dagen achter de rug – warme dagen, stralende dagen, betoverende dagen – maar het waren lentedagen, géén zomerdagen. Er was geen sprake van tijdloosheid of roerloosheid, wel integendeel. De zon was nog volop aan het klimmen en de natuur klom mee. Met niet aflatende inspanning verhief ze zich boven het aardoppervlak, één en al doelgerichtheid. Wie jong is, gaat helemaal op in de lente, hij is in zijn element en merkt haar niet op. Maar wie ouder wordt, neemt afstand en gaat bewuster kijken naarde lente. Althans, zo vergaat het mij. Ieder jaar valt het me meer op hoe hard de natuur moet werken om te … bevallen. Want zo heb ik de lente onbewust altijd beleefd en zo beleef ik haar steeds bewuster: als een zware bevalling.

Een bevalling is een volkomen natuurlijk proces dat vanzelf verloopt. Tegelijk is het een ongewoon dramatisch gebeuren dat inspanning en pijn kost. Het is dus geenszins tegennatuurlijk dat het christendom uitgerekend in de lente het kruis opricht, want de kruisdood van Christus was een bevalling, zijn verrijzenis een geboorte. Pas op Golgotha komt Christus werkelijk ter wereld. De drie jaren van zijn leven waren een zwangerschap die begon bij de doop in de Jordaan, toen een stem uit de hemel zei: Heden heb ik u verwekt. Christus werd dus niet met kerstmis geboren, hij werd zelfs niet ‘geconcipieerd’. Hij was toen nog de kosmische zaadcel die moeder Aarde binnendrong. En dat is meer dan beeldspraak, want er bestaat een diepe wezensverwantschap tussen de kosmisch-geestelijke menswording van Christus en de natuurlijk-aardse geboorte. Het christendom is veel ‘natuurlijker’ dan men denkt. 

Als de lente verwant is met de geboorte, dan is de winter verwant met de zwangerschap: er heerst een intense maar onzichtbare activiteit in ‘de schoot der aarde’. De zomer komt dan weer overeen met het eerste samenzijn van moeder en kind. Als vader besef je op dat moment: hier sta ik buiten, dit gaat alleen om moeder en kind. Bij die tweeëenheid kun je alleen maar toeschouwer zijn, de ‘heilige drieëenheid’ van het gezin is dan nog louter schijn. Maar juist als toeschouwer kun je je een beeld vormen van de relatie van moeder en kind. En dat beeld herken je in de zomer: de hoge berg is beklommen, het grote werk volbracht. Hemel en aarde, kind en moeder rusten in elkaar. Hun wensen zijn vervuld, de tijd bestaat niet meer. Maar net als de zomer blijft die ‘eeuwige rust’ niet duren. De herfst komt, het gewone leven eist zijn rechten weer op. Moeder en kind komen van hun berg en dalen af naar de begane grond.

De dramatiek van de pijnlijke scheiding tegenover de vrede van het eeuwige samenzijn: zo verhouden lente en zomer zich tot elkaar. Ze gaan als vanzelfsprekend in elkaar over, maar tegelijk vormen ze een scherpe tegenstelling. Het verbaasde mij die tegenstelling op Hemelvaartsdag overbrugd te zien. Nochtans is dit onverwachte opduiken van de zomer in de lente waarschijnlijk niet zo uitzonderlijk. Ook in de winter zijn er af en toe verrassend zachte dagen dat het net lijkt of het volgende seizoen er al is, en in de lente zal het wel niet anders zijn. Maar doordat het uiterlijke contrast tussen lente en zomer (warm tegenover warmer) veel kleiner is dan tussen lente en winter (warm tegenover koud), vallen die dagen veel minder op. Dit jaar viel Hemelvaart echter wél op. Niet alleen was het die dag onmiskenbaar zomer, het blééf ook zomer. De hele week was het verstikkend warm. Je kon er niet naast kijken. 

Die uitzonderlijke weersomstandigheden zetten me aan het denken. Zou het kunnen, vroeg ik me af, dat in dat samenvallen van lente en zomer iets tot uitdrukking komt van het wezen van Hemelvaart? Tenslotte wordt Christus die dag één met de Vader, dat wil zeggen met de eeuwige geest, de dimensie waar het altijd ‘zomer’ is. Tegelijk verbindt hij zich ook met aarde, waar het op dat moment volop lente is. Betekent dat niet dat de zomerse eeuwigheid van de Vader – via Christus – doordringt in de tijdelijkheid van de lente? Op Hemelvaart overbrugt Christus de (door de zondeval geslagen) kloof tussen hemel en aarde, tussen de geestelijke Vader en Moeder Aarde. Uiterlijk is daar natuurlijk niks van te zien – de aarde blijft precies zoals ze was – maar innerlijk is er wel degelijk iets veranderd: het zaad van een nieuwe wereld is gezaaid, een wereld waar Vader, Zoon en Moeder één zijn. 

Het zou zwaar overdreven zijn te beweren dat ik op Hemelvaartsdag het wezen van Hemelvaart waarnam, dat wil zeggen: Christus die zich verenigt met de Vader en met Moeder natuur. Het was beslist geen helderziende waarneming, en al helemaal niet van dat formaat. Maar een gewone zintuiglijke waarneming was het evenmin. Het was iets daartussenin: een aanvoelen van de fijnere, etherische dimensies van de natuur. Zo’n gevoelswaarneming is natuurlijk altijd subjectief, ze kan op geen enkele manier gemeten of bewezen worden. Maar toch was ze in dit geval geen projectie van christelijke beelden of antroposofische gedachten. Daarvoor trof het zomerse karakter van die lentedag me veel te onverwachts. Bovendien was ik er me slechts vaag van bewust dat het die dag Hemelvaart was. Nee, ik bekeek de natuur even onbevangen en verwonderd als ik dat altijd doe.

Die onbevangenheid heb ik me eigen gemaakt door de natuur als een kunstwerk te zien, door haar met een kunstzinnige blik te bekijken. In de kunst gaat het er namelijk om je geest leeg te maken en een kunstwerk zonder enig vooroordeel of vooropgezet idee te benaderen. Weliswaar doet men in de hedendaagse kunst precies het omgekeerde, maar volgens Rudolf Steiner (en iedereen die nog enig artistiek gevoel bezit) is dat een aberratie. Wie kunst op de normale, kunstzinnige manier benadert, kan ervaren dat een subjectieve waarneming – alle kunstzinnige waarnemingen zijn subjectief – tegelijk objectief kan zijn. In de (moderne) wetenschap is dat niet mogelijk, in de kunst wel. De kunst bezit het vermogen om tegenstellingen op te heffen. En dat vermogen kun je je ook als kijker eigen maken, door je waarneming te zuiveren van alle egoïsme, van alle verlangen, van alle streven, door ze met andere woorden ‘zomers’ te maken. 

Zo’n subjectief-objectieve waarneming spreekt niet alleen het gevoel aan, ze spreekt ook de wil aan. Ze wekt in de kijker dezelfde scheppende wil die ook het kunstwerk heeft doen ontstaan. Dat ondervond ik op Hemelvaartsdag: mijn ‘zomerse’ waarneming liet me niet los. Ik wilde dit ‘zaadje’ doen ontkiemen door erover na te denken. Aanvankelijk ging dat vrij vlot: het eerste deel van mijn beschouwingen stond al vlug op ‘papier’. Maar het was vrij algemeen en abstract. Ik wilde een concreter beeld van Hemelvaart ontwikkelen, (enkel) uitgaand van mijn natuurwaarneming. Gewoonlijk gebeurt het omgekeerde: je probeert christelijke of antroposofische inzichten te herkennen in de werkelijkheid. Daar is op zich niks mis mee, maar het houdt wel het gevaar in dat je de werkelijkheid geweld aandoet, dat je haar onbewust onderwerpt aan je ideeën. Met name de kunst is op die manier een speeltuin geworden voor intellectuelen die hun ideeën weerspiegeld willen zien.

De egoïstische, narcistische wil van de intellectueel heeft de kunst – en de hele werkelijkheid – onderworpen en tot slaaf gemaakt van abstracte ideeën. De moderne mens denkt dat hij de dingen ziet zoals ze zijn, maar hij ziet ze alleen zoals hij wil dat ze zijn. Hij kijkt met een blik vol machtswellust en is zich daar niet van bewust. Nochtans wordt zijn machtsstreven al vlug zichtbaar wanneer hij geconfronteerd wordt met een andere visie: hij wordt dan onverdraagzaam en zelfs agressief. Deze onbewuste machtswellust is vandaag zo sterk dat niemand er vrij van blijft. Ook wie de wereld christelijk of antroposofisch bekijkt, wordt al vlug gemakzuchtig: hij meent zijn ideeën bevestigd te zien door de werkelijkheid en kijkt niet meer verder. Daardoor worden (of blijven) zijn opvattingen een geloof, een verzameling abstracte inzichten die wel genot verschaffen maar de mens in zichzelf opsluiten en blind maken voor de werkelijkheid. 

Daarom wilde ik de zaak omkeren: ik wilde niet uitgaan van ideeën die ik onbewust aan de werkelijkheid opdrong, maar van de onbevangen waarneming van de natuur. Dat was echter gemakkelijker gezegd dan gedaan, want voor de intellectualistische mens (die we allemaal in meer of mindere mate geworden zijn) is onbegonnen werk om zijn overvolle brein leeg te maken. Dat kan ook de bedoeling niet zijn, want aan dat brein heeft de mens zijn vrijheid en zelfstandigheid te danken. Als hij die opgeeft, komt hij van de regen in de drop terecht. De ahrimaanse machtswellust maakt dan plaats voor luciferische onderwerping, en die maakt hem eveneens blind voor de werkelijkheid. Nee, de weg van de mens is die van Odysseus: zorgvuldig laverend tussen de ‘verblindende’ uitersten, geduldig zoekend naar het gulden midden.

Het is tevens de weg van de kunst, die ritmisch pendelend langzaam ruimte schept tussen Lucifer en Ahriman. In die – moeizaam veroverde – vrije ruimte lichten af en toe flitsen op van de ware, ongedeelde werkelijkheid. Mijn Hemelvaartswaarneming was zo’n ‘flits’ die even de kloof tussen mezelf en de wereld overbrugde. Tegelijk opende zich echter een andere kloof: die tussen mijn waarneming en mijn denken. Want zo’n Hemelvaartswaarneming, hoe wonderlijk ook, werkt verwarrend: je kunt ze niet meteen een plaats geven in je leven. Volgens Rudolf Steiner worden dit soort ‘bovenzintuiglijke’ waarnemingen steeds talrijker. De moderne mens raakt dan ook steeds meer in de war en veroorzaakt chaos in de wereld. Het is dus van het grootste belang dat de mens ook deze ‘tweede kloof’ overbrugt en inzicht krijgt in zijn onbewuste ‘Hemelvaartswaarnemingen’. 

We beleven vandaag de Wederkomst van Christus en dat is een soort omgekeerde Hemelvaart. Zoals de leerlingen Christus zagen verdwijnen, zo zien wij Christus weer verschijnen: in de wolken, dat wil zeggen in de etherische sfeer van de aarde. Het resultaat is in beide gevallen echter hetzelfde: verwarring. Zoals de leerlingen na die 40 dagen met de Verrezene als uit een droom ontwaakten, zo wordt ons wakkere bewustzijn vandaag beneveld door onze onbewuste waarnemingen van Christus. Net als 2000 jaar geleden staan we voor de (Pinkster)opgave om beide vormen van bewustzijn – het wakkere en het dromerige – met elkaar te verbinden, want als we daar niet in slagen zal de verwarring alsmaar groter worden. De leerlingen van Christus hadden geen keuze: door wat ze de afgelopen drie jaar hadden meegemaakt, waren ze andere mensen geworden. Ze konden niet doen alsof er niets gebeurd was, ze moésten wel tot een nieuw begrip komen. 

Vandaag hebben we echter wel een keuze. De etherische wereld waarin Christus verschijnt, is een ritmische wereld waarin dezelfde processen steeds weer herhaald worden. Christus verschijnt als het ware in golven, zoals een kind tijdens een geboorte. We krijgen met andere woorden steeds nieuwe kansen om hem te leren kennen, maar tegelijk neemt ook de verwarring toe en dreigen we ons bewustzijn te verliezen. We hebben dus de vrijheid om de wedergekomen Christus te negeren en het noodzakelijke uit te stellen. Maar we betalen er een hoge prijs voor. Vroeg of laat zullen we de werkelijkheid onder ogen moeten zien, en dat is een werkelijkheid waarin de zomer alsmaar meer in de lente doordringt, waarin de geest zich steeds duidelijker manifesteert in de materie. Hoe langer we ermee wachten om ons bewustzijn daarop af te stemmen, hoe moeilijker het zal worden.  

Lichtbaken (17)

  

Ik vrees dat ik in de vorige afleveringen van mijn Lichtbaken-feuilleton het slachtoffer ben geworden van één van mijn ondeugden: de neiging om uit te weiden, om ieder weggetje in te slaan dat zich aandient. Daardoor ben ik de draad van mijn verhaal (een beetje) kwijtgeraakt. Ik ben in de valstrik van Ahriman getrapt: ik heb teveel toegegeven aan de zintuiglijkheid. Ik heb me verloren in details met als resultaat dat het leven uit mijn tekst verdween. Paradoxaal genoeg is die ‘doodsheid’ een gevolg van het onvermogen om te sterven. Want om de grote lijnen vast te houden, moet je ontelbare kleine lijnen negeren. Je moet telkens tegen jezelf zeggen: hier zou ik me graag in verdiepen, maar het kan niet want dan raak ik de weg kwijt. Je moet bij wijze van spreken van je hart een steen maken en dat voelt als doodgaan. Goethe zou zeggen: leven is derven, derven, derven. Je kunt daar natuurlijk ook weer in overdrijven en te streng zijn. Dan trap je in de tegenovergestelde valstrik: je geeft toe aan Lucifer, volgt keurig de hoofdweg en vermijdt alle dwaal- en zijwegen. Het resultaat is hetzelfde: doodsheid. Je kunt het vergelijken met naturalistische en abstracte kunst: ze zijn allebei dood, maar op een tegengestelde manier. In het eerste geval overweegt de ahrimaanse Stofftrieb, in het laatste de luciferische Formtrieb. Het levende of het kunstzinnige ligt echter in het midden: in de Spieltrieb die zich speels en dansend beweegt tussen beide uitersten. 

Deze Spieltrieb komt op exemplarische wijze tot uitdrukking in de karikatuur. Karikaturen tekenen is een spel: je amuseert er jezelf én anderen mee. Niemand neemt het echt ernstig, het is gewoon iets om te lachen. Maar humor en ernst sluiten elkaar niet uit, wel integendeel. Wie zei ook alweer dat je een mens zonder humor niet ernstig kunt nemen? En van Rudolf Steiner is de uitspraak dat men zonder humor de geestelijke wereld niet binnenkomt. De Spieltrieb is met andere woorden een zeer ernstige zaak. Het is dan ook geen toeval dat uitgerekend de speelse karikatuur ons confronteert met het feit dat de mens een geestelijk wezen is. Want hoe valt anders te verklaren dat iemands fysieke uiterlijk op groteske wijze vervormd wordt en hij toch herkenbaar blijft? Het feit dat hij zelfs nog herkenbaarder wordt, ‘bewijst’ dat de mens niet samenvalt met zijn fysieke lichaam. Zijn (geestelijk) Ik en zijn lichaam behoren tot twee zeer verschillende werelden. Ze vormen een extreme tegenstelling. Tegelijk luistert het zo ontzettend nauw om een gelijkend portret (en dus ook een karikatuur) te maken, dat er geen twijfel kan over bestaan dat Ik en lichaam een hechte eenheid vormen. Dat is een nog groter mysterie dan het feit dat de mens (ook) een geestelijk wezen is, want hoe kunnen twee zo tegengestelde werelden – de geestelijke en de materiële – zo naadloos samenvallen dat we maar één wereld zien? Met dat mysterie confronteert de karikatuur ons, zonder dat we het beseffen.

Ze doet dat door een wig te drijven tussen onze zintuiglijke en onze bovenzintuiglijke waarneming. In feite doet ieder kunstwerk dat, want het toont ons zowel de zintuiglijke als de bovenzintuiglijke dimensie van de werkelijkheid. Een (echt) kunstwerk is nooit een loutere kopie van de zichtbare werkelijkheid, ook al lijkt het dat soms te zijn. Het volstaat om het naast een modern hyperrealistisch werk te leggen en het verschil springt in het oog. Zo’n fotografische kopie is ‘dood’ en wekt bij de kijker een gevoel van afkeer op, tenminste wanneer hij nog enig gevoel voor kunst heeft. En dat is steeds minder het geval: de moderne kijker kan dat mysterieuze samengaan van zintuiglijk en bovenzintuiglijk – dat verantwoordelijk is voor het ‘leven’ van een kunstwerk – nauwelijks nog waarnemen. Ofwel laat hij zich om de tuin leiden door het zintuiglijke (of figuratieve) aspect, ofwel door het bovenzintuiglijke aspect (de abstracte ideeën die met het kunstwerk verbonden worden), maar voor het wezenlijk kunstzinnige, dat juist in die coïncidentia oppositorum ligt, is hij in hoge mate blind geworden. Dat bewijst het succes van de hedendaagse kunst, waar het samenvallen van de tegenpolen schittert door zijn afwezigheid, een afwezigheid die niet eens opgemerkt wordt. Een en ander is natuurlijk een gevolg van het materialisme. Aangezien (de moderne mens ervan overtuigd is dat) de geest niet bestaat, kan hij niet samenvallen met de materie en er bijgevolg ook niet van onderscheiden worden. 

Om deze materialistische muur – deze blindheid voor het onderscheid tussen geest en materie – te doorbreken, is er in toenemende mate geweld nodig. De karikatuur gebruikt dat geweld, of beter: ze overdrijft het. Want iedere kunstenaar gebruikt in wezen ‘geweld’ wanneer hij het zintuiglijke van het bovenzintuiglijke scheidt door de geest uit zijn onderwerp haalt en het dus te ‘doden’. Daarna brengt hij het weer tot leven door beide ‘delen’ samen te voegen alsof er niets gebeurd was. Er is echter wel degelijk iets gebeurd: de ‘geweldpleging’ heeft de geest in de materie (een beetje) zichtbaar(der) gemaakt. Zoals gezegd moet men daar oog voor hebben: men moet als kijker hetzelfde proces van Stirb und Werde kunnen of willen doorlopen. En daar wringt het schoentje: de moderne mens is niet meer bereid om te sterven. Zijn hele zijn is zo sterk verweven met het zintuiglijke leven dat hij er zich niet meer kan of wil van losmaken. Ahriman heeft hem stevig in zijn greep. Hij belet de mens nochtans niet om spiritueel te zijn, integendeel. Zolang er maar geen verband is tussen geest en materie, zolang het spirituele maar abstract en luciferisch blijft, zolang er niet hoeft ‘gestorven’ te worden tussen beide tegenpolen. Daarom is de hedendaagse kunst zo’n onweerstaanbare verleiding: ze stelt de moderne mens in staat om zich spiritueel en kunstzinnig te wanen zonder een greintje pijn, zonder dat hij zichzelf geweld moet aandoen, zonder dat hij zijn zintuiglijke verslaving moet overwinnen.  

De karikatuur daarentegen helpt de verslaafde mens. Ze maakt het ‘geweld’ duidelijk zichtbaar en brengt daardoor ook bij de kijker het ‘sterven’ op gang dat wezenlijk is voor iedere kunstbeleving of -beoefening. Het onderscheid tussen geest (het Ik) en materie (het fysieke uiterlijk) valt in een karikatuur namelijk niet te ontkennen, de kijker hoeft de geportretteerde niet eens te kennen. Maar vreemd genoeg wekt dit gewelddadige uit-elkaar-trekken van geest en materie bij de kijker geen afweerreactie op en sluit hij er zich innerlijk niet voor af teneinde de pijn van het sterven te ontlopen. Nee, hij … barst in lachen uit, hij beleeft plezier aan dit geweld. Op een speelse, onnadrukkelijke manier brengt de karikatuur hem in contact met het mysterie van het Ik, dat tegelijk ook het mysterie van de kunst is, want de activiteit van het menselijke Ik is scheiden en verbinden, Stirb und Werde. In de karikatuur gebeurt dat spelenderwijs: vóórdat de kijker beseft wat er gebeurt, heeft hij zijn vrees voor het sterven overwonnen en beleeft hij de vreugde van het verrijzen. Die vrees voor het sterven is tegelijk ook de vrees voor de geest, en de vreugde van het verrijzen is tegelijk de vreugde van de geest. De paradox is inderdaad dat de moderne mens vreselijk bang is voor datgene wat hem de grootste vreugde bereidt: de geest. Want tussen hem en de geest staat de dood, staat het sterven, staat Ahriman. 

Ik ben geen kunsthistoricus, maar ik maak me sterk dat de karikatuur samen met het materialisme is opgedoken in de kunst, als een soort geneesmiddel dat de ziekte vergezelt. Vandaag maken we iets vergelijkbaars mee met de stand up comedians die overal als paddestoelen uit de grond schieten. Hun humor wordt mogelijk gemaakt door de afstand die het materialisme schept, maar tegelijk is hij ook een remedie voor die afstandelijkheid: hij maakt de kwellingen ervan draaglijk. Humor doet ons een ogenblik lang de vreugde beleven van het overstijgen van de kloof tussen geest en materie. Hij verbindt beide tegenpolen op een hoger (want bewuster) niveau, en hij doet dat niet alleen in de karikatuur (of het vertellen van moppen), maar in de kunst tout court. Volgens Rudolf Steiner wordt het artistieke proces van doden en weer tot leven wekken voltrokken door middel van humor. De kunstenaar, schrijft hij, moet in staat zijn zoveel humor op te brengen dat hij weer tot leven brengt wat hij eerst gedood heeft. De (vele ‘lijken’ producerende) naturalistische kunst lijdt in zijn ogen dan ook aan gebrek aan humor. Steiner gebruikt de term ‘humor’ met andere woorden om de kracht aan te duiden waarmee de kunstenaar het dode weer tot leven wekt. En het gebrek aan humor noemt hij een ziekte. Dat is, me dunkt, niet niks. Het zou ons moeten doen nadenken over de rol die de humor speelt, want hij is de (kunstzinnige) remedie bij uitstek waarmee we de ziekte van het materialisme kunnen genezen. 

Achter het lachen waarin de karikatuur ons doet uitbarsten, gaat dus een hele wereld schuil, een bevrijdende, levenwekkende wereld die we wel spontaan beleven, maar waar we ons niet bewust van zijn. We staan immers nooit stil bij dit ludieke randverschijnsel uit de wereld van de kunst. Zelf heb ik dat ook nooit gedaan, hoewel ik een half leven lang karikaturen getekend heb. Het plezier dat je daaraan beleeft (en ook anderen doet beleven) heeft aan zichzelf genoeg. De vreugde die je aan kunst beleeft hoeft niet verklaard te worden, tenzij … deze kunst dreigt te verdwijnen. Want de kloof die het materialisme slaat tussen geest en materie wordt steeds groter. Ze ontstaat nu ook tussen de mens en zijn kunst, en ze vraagt dringender dan ooit om overbrugd te worden, want de kunst is ons laatste echte contact met de wereld van de geest. Ik zou zelf nooit over de karikatuur zijn gaan nadenken als ik niet zo direct met die kloof was geconfronteerd, als ik niet aan den lijve had ondervonden hoe de (materiële en materialistische) omstandigheden mij het tekenen van karikaturen onmogelijk hebben gemaakt. Ik heb uitvoerig beschreven hoe daar enkele jaren geleden in Brugge brutaal een eind werd aan gemaakt en hoe ik dat ervaren heb als een pijnlijk sterven. Ik had werkelijk geen idee waarom datgene wat ik het liefst deed – mensen tekenen – uit mijn leven moest verdwijnen. Pas toen ik uitgenodigd werd op de Lichtbaken-conferentie in Antwerpen (en daar werd voorgesteld als karikaturist) begon me iets te dagen. 

Het feit dat ik niet langer karikaturen kan tekenen, is geen louter persoonlijke ervaring. De karikatuur is nagenoeg verdwenen uit onze cultuur. Vroeger verschenen in kranten en tijdschriften regelmatig karikaturen van politici en andere bekende figuren. Het mooiste voorbeeld zijn ongetwijfeld de karikaturen van David Levine, die zijn leven lang voor de New York Times heeft getekend. In De Standaard heeft nog een tijdje een epigoon van hem getekend (Julius), maar dat is alweer jaren geleden. Ik kan me niet herinneren sindsdien nog een echte karikatuur in krant of tijdschrift te hebben gezien. Het genre is als het ware opgeslokt door de kartoen. De meeste mensen denken dan ook niet aan portretten wanneer het over karikaturen gaat, maar aan striptekeningen. En daarin is het beeld niet meer dan een illustratie bij een grappig idee. Het slaat niet langer de brug naar de geest of de levende idee (zoals in een karikatuur), want het is ondergeschikt gemaakt aan een dode, abstracte idee. Het beeld is ‘geïslamiseerd’ zou je kunnen zeggen: zijn ‘vorm van de (levende) idee’ wordt verborgen onder de chadors, hijabs en boerka’s van de dode idee. Zo groot is de macht van Ahriman dat niet alleen de woorden maar ook de beelden ontdaan worden van hun geestelijke dimensie. De onderwerping van de karikatuur aan de kartoen is daar een sprekend voorbeeld van. Het is een alarmerend verschijnsel, want het weerspiegelt de dreigende ‘ontgeestelijking’ van de mens. 

Toen ik in Brugge onverwacht tegen een ‘muur’ aanbotste, betekende dat het einde van mijn artistieke activiteit. Nu heb ik altijd gedacht: als ik niet meer kan tekenen, ga ik dood. En zo beleefde ik het inderdaad. Een paar jaar later volgde dan – al even onverwacht – de vraag om op de Lichtbaken-conferentie te komen spreken. Ik heb dat geïnterpreteerd als een vraag om de karikatuur op een hoger vlak te tillen, om van potloodlijnen begrippen te maken en mij op die manier bewust worden van haar genezende krachten, van het Stirb und Werde dat ze op zo’n speelse en humoristische manier in beeld en praktijk brengt. Wat ik vroeger onbewust beleefde tijdens het tekenen van talloze karikaturen, beleef ik nu een stuk bewuster tijdens deze (nogal dramatische) fase in mijn leven. Ik onderga de metamorfose van een proces dat zich eerst alleen op artistiek gebied afspeelde, maar dat zich nu verruimt tot mijn hele leven. Nog altijd ben ik sterk doordrongen van het ‘sterven’ – Brugge heeft zich diep in mijn ziel gegrift – maar het feit dat ik nu in Scheldewindeke woon en daar tijdens een zeldzaam mooie lente al vele dagen in de tuin heb gewerkt, is als een uiterlijk beeld van de opstandingskrachten die aan het werk zijn. Misschien maak ik het nog mee dat ik mijn hele leven als een karikatuur leer zien en dat ik er hartelijk kan om lachen – maar dat zal nog niet voor morgen zijn. 

Hemel en hel

  

De laatste drie tot vier eeuwen kunnen als volgt gekarakteriseerd worden. Aan de ene kant is er het sterk gemechaniseerde praktische leven dat een rijk op zich vormt, aan de andere kant een veelheid aan levensvreemde geestelijke stromingen, levensbeschouwingen en filosofieën die gevoelens oproepen die ver boven de levenspraktijk zweven. De tegenstelling tussen beide is zo groot dat theorie en praktijk geen aanknopingspunten meer vinden om op elkaar in te werken. Er is geen brug meer tussen wat we prediken en wat we doen. Onze ideeën missen de kracht om in het leven in te grijpen. Welk verband is er nog tussen de mooie ideeën over hoe we ieder mens moeten liefhebben zonder onderscheid van ras, volk en zelfs huidskleur, en de principes van de banken die ons rente uitbetalen? Onze wereld valt uiteen in twee van elkaar gescheiden gebieden. 

Als mensen tegenwoordig over de geest spreken, dan hebben ze het meestal over iets abstracts, iets wereldvreemds dat geen greep heeft op het alledaagse leven. Dit dualisme moet bij de wortel worden aangepakt. Het is slechts een uiterlijk symptoom van iets dat in het moderne bewustzijn van de mens leeft: de tegenstelling tussen hemel en hel. Anderen zouden zeggen: geest en materie. Maar de eigenlijke tegenstelling is die tussen God en Duivel, tussen paradijs en hel. Het paradijs is iets dat verloren is gegaan en weer gezocht moet worden. De duivel is degene die dat verhindert. 

Deze tegenstelling dringt door tot in de uiterste vertakkingen van ons sociale leven. Wie dat niet begrijpt, kan zich geen voorstelling maken van de draagwijdte van dit dualisme. De mens moet leren inzien dat het beeld van zijn ware wezen alleen maar tot uitdrukking kan komen in een toestand van evenwicht. Aan de ene kant wil de mens boven zijn hoofd uitstijgen in een wereld van fantasie, dweepzucht en valse mystiek. Daartegenover staat een macht die de mens naar beneden wil trekken, in de materie, in het nuchtere, in het dorre. We kunnen de mens alleen maar begrijpen wanneer wij hem zien als een wezen dat streeft naar evenwicht tussen het luciferische en het ahrimanische. De moderne voorstelling heeft het luciferische echter verwisseld met het goddelijke.

We spreken alleen in waarheid over de geest wanneer we hem zien als schepper van de materie. Op de meest verwerpelijke manier spreken we over de geest wanneer we hem situeren in een droomwereld die niets te maken heeft met de materie. We moeten zo over de geest spreken dat hij de kracht heeft om onder te duiken in de materie. Geesteswetenschap moet dan ook gezien worden als een volwaardige natuurwetenschap. 

(Rudolf Steiner)

GA 194 – Dornach, 12 december 1919

Het echte probleem

  

Deze cartoon van Pierre Kroll toont goed aan in welk wespennest Europa terechtgekomen is. Nadat Frankrijk een reeks bloederige moslimaanslagen te verduren kreeg en ook op haar stranden geconfronteerd werd met moslim-agressie, heeft het (althans op een aantal plaatsen) een ‘boerkini-verbod’ ingesteld. Dat wekte alom verontwaardiging en protesten, de verkoop van de boerkini schoot de hoogte in, en de Raad van State verklaarde het verbod ongrondwettelijk. Frankrijk heeft zich dus in de eigen voet geschoten. Maar wat was het alternatief? Geen boerkini-verbod? Leven en laten leven? Iedereen kleedt zich zoals hij wil? Logisch gezien zou dat betekend hebben dat volledig gesluierde vrouwen op het strand konden liggen naast volledig naakte vrouwen. Maar wordt nudisme toegelaten op Franse stranden? En zouden moslims die naakte vrouwen geduld hebben? De vraag stellen is ze beantwoorden. Onlangs werd in Frankrijk een vrouw in monokini aangevallen door een bende ‘jongeren’die vonden dat ze zich onzedig gedroeg. En vroeg of laat zal ook de bikini er moeten aan geloven, zoals in Engeland. 

Een boerkini-verbod leidt tot een eindeloze reeks problemen, juridische, morele én praktische. Géén boerkini-verbod leidt eveneens tot een eindeloze reeks problemen. Beide opties zullen tot hetzelfde leiden: een kledij-politie op het strand. Als het geen officiële politie is (agenten die patrouilleren op het strand) dan zal het een officieuze zijn (moslims die patrouilleren op het strand). Het eerste lijkt te prefereren boven het laatste, want als de moslims het voor het zeggen krijgen, is het afgelopen met het strandleven zoals we het kennen. Maar zijn er al niet reglementen en verboden genoeg? Is de greep van de staat nog niet wurgend genoeg? Bovendien spelen staat en islam onder één hoedje. Ze willen allebei hetzelfde: de onderwerping van de bevolking. Zonder een echte democratie, waarin de bevolking en niet de staat regeert, raakt Europa nooit uit dit wespennest en is het niet alleen afgelopen met het strandleven zoals we het kennen, maar met het leven tout court zoals we het kennen. Een echte democratie is echter niet mogelijk zonder democratische geest of gezindheid. Bij de moslims moeten we die niet gaan zoeken, dat spreekt vanzelf, maar ook bij de Europese mens is ze ver zoek.

De cartoon van Pierre Kroll toont ons waar het probleem ligt: wat de politieagenten van de kook brengt, is een verwarrende omkering. De outfit van de vrouw lijkt op een boerkini, maar is er in feite het omgekeerde van. Hij is echter ook het omgekeerde van de bikini, want wat deze bedekt is onbedekt gelaten. Het is dus een soort compromis tussen het Westerse streven om zo naakt mogelijk te zijn en het islamstreven om zo gekleed mogelijk te zijn. Maar het is een compromis dat voor geen van beide partijen acceptabel is. De vraag rijst of er een compromis bestaat dat wél acceptabel is, want hoe gaat men anders een eind maken aan die eindeloze problemen? Is het haalbaar om Westerse vrouwen ertoe te bewegen geen bikini meer te dragen? Dat is weinig waarschijnlijk want in het Westen heerst een soort verslaafdheid aan naaktheid. Het naakte lichaam geldt er als een symbool voor vrijheid. In de moslimwereld heerst dan weer de omgekeerde verslaafdheid: aan bedekking die onderwerping symboliseert. Kunnen die twee met elkaar verzoend worden: vrijheid en onderwerping? Niet op het materiële vlak, zoveel is zeker. Dat toont de cartoon van Kroll op ludieke wijze aan. 

De enige manier waarop deze twee tegengestelde strevingen – naar vrijheid en naar onderwerping – kunnen verzoend worden, is op geestelijk vlak. De mens kan maar echt vrij worden als hij zich onderwerpt aan zijn ‘hoger Ik’, als hij zich laat leiden door de hogere, geestelijke instantie die hij in zichzelf draagt en die hij in wezen is. Daarmee wordt ook het echte probleem zichtbaar. Het Westen wijst dit ‘hoger Ik’radicaal af omdat het een geestelijk wezen is, en de islam wijst het even radicaal af omdat het individueel is en het geestelijke in de mens situeert. Dat laatste wordt door de vrome moslim als godslasterlijk ervaren, het eerste wordt door de Westerse materialist als klinkklare onzin beschouwd. Ze zijn allebei gechoqueerd door de idee van dit ‘hoger Ik’ van de mens. In de moslimwereld is het Lucifer die witheet van woede wordt als hij geconfronteerd wordt met dit Ik-wezen, in de Westerse wereld is het Ahriman die ijskoud wordt van haat. De enige uitweg uit het wespennest waarin we onszelf gestoken hebben, wordt dus gewezen door een geeselijk wezen dat aan beide kanten – de Westerse en de islamitische – louter woede en haat opwekt. That is the real problem. 

Een Belgische vlag

  

Een beeld zegt meer dan duizend woorden. Deze foto brengt de situatie in ons land perfect in beeld. Als Vlaming spreek ik natuurlijk met de nodige ironie over ‘ons’ land, want met name in Brussel-hoofdstad zijn Vlamingen quantité négligeable. Maar het beeld geldt natuurlijk niet alleen voor België, het geldt ook voor Europa en zelfs voor heel de wereld. Vooraan zien we de rode kaarsjes en gele bloemen van Lucifer, die zelf niet te bekennen is, want als ’t serieus wordt is zijn naam haas. Boven zien we het dreigende zwart van Ahriman, die al dat sentimentele en schijnheilige gedoe van zijn spitsbroeder niet langer kon aanzien en zijn stem verhief. Maar het opvallendste element op de foto is het cordon sanitaire tussen het rood en geel van Lucifer en het zwart van Ahriman. Het is een beeld van de scherpe grens die we trekken tussen beide spitsbroeders, een grens die tot nog toe onzichtbaar bleef. De donkere uniformen wijzen op het ahrimanische karakter van deze grens, de witte helmen op onschuld en zuiverheid. De combinatie van beide wijst op hij-die-zich-voordoet-als-Christus. En dat maakt van deze foto een échte Belgische vlag, een vlag die de lading dekt.