Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: Ludo Abicht

Onmenselijk Links

  

  

In een satirisch stuk maakte Ludo Abicht onlangs een karikatuur van de opvatting die opdook na het Brexit-referendum: beperk het stemrecht in leeftijd, geef de stemmen van oude mensen aan jonge mensen, tenslotte zijn zij het die de gevolgen moeten dragen! Door flink te overdrijven legde Abicht het wezen van deze opvatting bloot: het is je reinste egoïsme – alles voor mij en niks voor een ander. Ook Mark Grammens wees al op het fascistische karakter van dit jeunisme. Verwarrend genoeg dook deze opvatting niet op aan de rechter- maar aan de linkerzijde van het politieke spectrum, dat wil zeggen aan de zijde die prat gaat op haar sociaalvoelendheid, haar empathie, haar solidariteit. Het waren inderdaad de Remainers die al die verzuurde oude mensen hun stem wilden afnemen, degenen die bij Europa wilden blijven, die verbonden en solidair wilden zijn, die de vluchtelingen en de islam in de armen sloten. Uitgerekend deze linkse mensen stonden een maatregel voor die je alleen maar van Rechts zou verwachten.

Hoe valt dat samen te rijmen: egoïsme én solidariteit? Je kunt toch niet Links én Rechts tegelijk zijn, communistisch én fascistisch? Of toch wel? Hoe zit eigenlijk met Rechts, dat door Links afgeschilderd wordt als het Grote Kwaad? Rechts is egoïstisch, daar kan geen twijfel over bestaan. Eén procent van de bevolking bezit vijftig procent van alle rijkdom. Zo’n gigantische rijkdom stapel je niet op als je sociaal voelend bent, empathisch, solidair. Maar is rechts dan alleen maar egoïstisch, ongevoelig en asociaal? Kun je rijk worden zonder samen te werken? Zijn bedrijfsleiders niet juist mensen die over een buitengewoon vermogen beschikken om samen te werken en anderen te laten samenwerken? En komt hun kreativiteit en ondernemingszin niet ten goede aan heel veel mensen? Is het niet juist aan hun individuele inzet te danken dat de algemene welvaart toegenomen is? In het communisme, dat het ‘rechtse’ individualisme de kop indrukt, gebeurt juist het tegenovergestelde.

De tegenstelling tussen Links en Rechts is dus vals, in die zin dat Links zowel links als rechts is en hetzelfde ook gezegd kan worden van Rechts. De geweldige polarisatie die nu al meer dan honderd jaar het politieke leven beheerst, is een schijntegenstelling, en ze is dat des te meer naarmate ze voorgesteld wordt als de tegenstelling tussen goed en kwaad. Want Links beschouwt zichzelf als de vertegenwoordiger van alles wat goed, waar en schoon is, terwijl Rechts wordt afgeschilderd als de incarnatie van het kwaad. Doet Rechts dan niet hetzelfde? Ziet Rechts Links ook niet als het kwaad dat moet uitgeroeid worden? Dat valt moeilijk te zeggen, want de stem van Rechts is nauwelijks te horen. Eigenlijk kennen we Rechts alleen via Links, want de media zijn volledig links, rechtse journalisten bestaan eenvoudig niet. Hetzelfde geldt voor de wereld van kunst en cultuur: hij is volledig links. Idem voor de academische wereld. En dan de enorme rol die de Staat speelt in onze tijd: we leven in een eenzijdig linkse wereld.

Wil dat dan zeggen dat Rechts niet bestaat, en dat het een uitvinding is van Links, een imaginaire vijand die moet dienen om steeds meer macht te verwerven? Er wordt inderdaad voortdurend gewaarschuwd voor het Rechtse Gevaar, voor het fascistische monster dat weer zijn kop opsteekt. Alleen is daar in de realiteit niks van te merken. Zeker, er zijn overal rechtse partijen die aan kracht winnen, maar verkondigen zij werkelijk een extreemrechts, fascistisch gedachtengoed zoals Links beweert, of zijn ze gewoon een vorm van verzet tegen de verstikkende, totalitaire macht die de linkse staat uitoefent? Is het niet zo dat in die rechtse partijen vooral uitdrukking wordt gegeven aan het vrijheidsstreven van de mens? Links wil de vrijheid van de mens opofferen aan de gemeenschap en doet er alles aan om de vrijheid van meningsuiting – de grondsteen van de vrije samenleving – aan banden te leggen. Hoe kan het anders dan dat daar reactie op komt? Wat vandaag Rechts wordt genoemd, is in de eerste plaats een bevrijdingsbeweging. 

Eén gebied heeft evenwel geen behoefte aan bevrijding: het economische gebied. Daar heerst reeds de allergrootste vrijheid. De grote bedrijven, de grote bankinstellingen, de rijken der aarde: ze doen gewoon hun zin en niemand kan hen tegenhouden. Ze spannen staat en politiek voor hun kar. Hoe de verhoudingen liggen zien we in de kunst. Wat vandaag als kunst beschouwd wordt – en derhalve onderwezen en gesubsidieerd door de staat en de intelligentsia – wordt bepaald door de kunsthandel. Het zijn zuiver materiële belangen die deze ‘geestelijke’ wereld sturen. Dat geldt eigenlijk voor alles: wat vandaag doorgaat voor geestelijk, cultureel of intellectueel is niets anders dan een schaamlapje voor het economische. In materialistische tijden als de onze kan dat ook niet anders: het geestelijke heeft geen grond meer in zichzelf, het is slechts een bijproduct van de materie. Dat zien we ook bij Links: uiterlijk gezien komt het op voor de samenleving, maar in de kern is het zo egoïstisch en machtsbelust als maar kan. 

De werkelijke tegenstelling – tussen economie en geestesleven – wordt dus aan het zicht onttrokken door een schijntegenstelling: die tussen politiek rechts en links. Als we die twee nuchter bekijken, stellen we vast dat ze nauwelijks van elkaar verschillen: wat bij de een aan de buitenkant zit, zit bij de ander aan de binnenkant, dat is alles. Ze verhouden zich tot elkaar als man en vrouw: de man is aan de buitenkant (fysiek lichaam) mannelijk maar aan de binnenkant (etherisch lichaam) vrouwelijk, terwijl de vrouw fysiek vrouwelijk is en etherisch mannelijk. Maar man en vrouw zijn allebei onderworpen aan de wetten van de materie (alsook aan die van de geest). Daarin verschillen ze niet van elkaar. Pas in hun ontmoeting, in hun wisselwerking, bevrijden ze zich langzaam uit die onderworpenheid. In dat gemeenschappelijke middengebied groeit hun Ik, hun persoonlijke, individuele Ik dat zowel belichaamt waarin ze verschillen (man en vrouw) als waarin ze gelijk zijn (het kind). 

Geestelijk (cultureel, intellectueel) Links zal zich nooit kunnen losmaken uit zijn afhankelijkheid van materieel (economisch) Rechts als het geen relatie aangaat met geestelijk Rechts. Als het op geestelijk gebied de baas blijft spelen over Rechts, zal het op economisch gebied het slaafje blijven van Rechts. De politieke strijd tussen Links en Rechts is slechts een middel om de mens steeds sterker te binden aan (en afhankelijk te maken van) de materie. Deze materiële gebondenheid zal de mens langzaam maar zeker verdierlijken, ze zal het individueel-geestelijke in hem stap voor stap uitdoven tot hij uiteindelijk geen mens meer kan genoemd worden. Dat is de droeve waarheid van Links: in naam van het Goede, het Ware en het Schone rolt het de loper uit voor de materialistische geest van het Kwaad, de Leugen en de Lelijkheid die het menselijke wil vernietigen. Door deze geest te identificeren met mensen – rechtse mensen, slechte mensen, racistische mensen – ontmenselijkt Links zichzelf. 

Weg met de anderen!

  
Het werd hoog tijd dat iemand met het verstandige voorstel kwam om het stemrecht te beperken tot mensen onder de zestig jaar. Te veel verbitterde, chagrijnige, oerconservatieve oudjes die terugverlangen naar de ingebeelde goede oude tijd van hun jeugd vertekenen nu al veel te lang het electorale beeld. De recente catastrofe in Groot-Brittannië deed de maat overlopen. Dat wil zeggen dat we daarmee zo’n 30% van de overtollige kiezers uitgeschakeld hebben. Maar aan het andere eind van het demografische spectrum is het niet veel beter. We weten dat we in het beste geval eerst rond 21 jaar min of meer volwassen worden, wat dus al het stemrecht voor jongeren vanaf 18 jaar ernstig in vraag stelt. Maar omdat het de laatste decennia steeds meer de trend geworden is dat jongeren zowat tot hun dertigste thuisblijven en daardoor onmogelijk als verantwoordelijke volwassenen kunnen beschouwd worden, zouden we de minimumleeftijd voor de deelname aan de verkiezingen moeten optrekken tot 30.

Kiezers tussen 30 en 60 dus, grof geschat nog 40% van de huidige kiezersbevolking. Dat zou al voor een zekere stabiliteit in het politieke landschap kunnen zorgen, maar we zijn er nog niet helemaal. Welke door liefde of misplaatst egalitarisme verblinde man heeft ooit kunnen denken dat vrouwen met dezelfde kritische, evenwichtige en rationele objectiviteit over politiek en economische problemen zouden kunnen oordelen als wij die al duizenden jaren lang met succes onze bekwaamheid bewezen hadden? Het is correct dat vrouwen een aangeboren talent hebben voor details zoals de zorg voor kinderen en het huishouden, maar wat met de grote geopolitieke beslissingen zoals de locatie en kalender van de volgende voetbalkampioenschappen en de keuze van een nieuwe auto? Om maar te zwijgen over oorlog en vrede? Nee, wanneer we eerlijk willen zijn moeten we het kiezersbestand gewoon beperken tot mannen van 30 tot 60. Daarmee zitten we al aan 20% van het huidige “kiesvee”, zoals de uitdrukking het zo goed zegt. Tenslotte gaat het erom de voor het algemeen belang juiste keuzes te maken en die daarna krachtdadig door te drukken.

Maar om juist te kunnen kiezen moet men onderlegd zijn, en dat kan echt van niet veel burgers gezegd worden. Mensen (mannen) met een hoog diploma, zoals Plato al wist, zouden hier best niet door ongeschoolde arbeiders en kleine middenstanders voor de voeten gelopen worden. Door mensen die hooguit een “opinie” hebben, iets dat van dag tot dag onder invloed van de media kan veranderen: “gisteren Pétain, morgen de Gaulle” om even ons geheugen op te frissen, en de voorbeelden zijn legio. Nee, wanneer we deze criteria toepassen zitten we al aan minder dan 8%, zowat het percentage van vrije en verantwoordelijke mannelijke kiezers in het oude Athene. En kijk maar eens wat voor een schitterende beschaving die gerealiseerd hebben! Maar ook onder die kleine groep bevinden zich mensen die om onverklaarbare redenen niet zullen stemmen zoals wij, die ondanks hun hoge opleiding verblind zijn door goedkoop populisme of verdacht traditionalisme, mensen die beter hadden kunnen weten en daarin jammerlijk gefaald hebben. Ook zij verdienen natuurlijk het stemrecht niet.

En dan is er nog het criterium van het fortuin, want als goede sociaal-Darwinisten (nu we onder ons zijn mag ik af en toe een geleerde referentie instrooien, niet?) weten we dat wie rijk en machtig is dat dubbel en dik verdiend heeft: niet toevallig heerste aan het begin van de vorige eeuw een handvol blanke mannen over ongeveer 80% van de wereldbevolking en je ziet in wat voor een wereldwijde ellende we intussen door die welgemeende maar dwaze dekolonisering vervallen zijn.

Het wordt spannend: wanneer we, nu we toch bezig zijn alle anderen uit te schakelen die het niet volledig en enthousiast met mij eens zijn kom ik tot de sluitende logische conclusie dat alleen ik stemrecht verdien. En in dat geval is het nogal vanzelfsprekend dat de democratie eindelijk volledig overbodig geworden is.

(Ludo Abicht)

Bron: doorbraak.be