Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: Maagd

Zo stil

  

28 augustus, Goethes verjaardag. Het is het volop zomer. Ik snoei de frambozenstruiken in de tuin. Af en toe houd ik op en luister. Maïsbladeren ritselen. Insecten zoemen. In de verte klinkt het truweel van een metselaar. Verder is alles stil. Niets beweegt. Waar is iedereen? Het is alsof mens en dier de adem inhouden om de betovering niet te verbreken. Geen kind dat roept, geen koe die loeit, geen hond die blaft. Niets. Alleen die wonderlijke stilte van Maagd. Het is bekend dat Goethe – notoir vrouwengek en breker van talloze harten – tot zijn 40ste maagd is gebleven, letterlijk dan. In zijn tijd, bijna 300 jaar geleden, zal dat wel iets minder moeilijk zijn geweest dan vandaag, maar toch. Waarom doet iemand dat, en dan nog zo’n levensgenieter als Goethe? Het is geen kwestie die me bezighoudt, maar nu ik, zoals ieder jaar, weer betoverd word door de diepe stilte en vrede van de laat-zomerse Maagd, vraag ik me onwillekeurig af of het één niks met het ander te maken heeft. Bezitten mensen van het formaat van Goethe niet bij uitstek de kwaliteiten van hun sterreteken?

Er gebeurt niet veel meer in de tuin. Wat moest groeien is gegroeid. De appelen, de peren en de pruimen zijn nu aan het rijpen. Ook de laatste tomaten lopen rood aan. Ze hebben de laatste weken weinig zon en veel water gekregen. Daardoor zijn ze te snel te dik geworden en smaken ze nergens naar. Maagd is het seizoen van het rijpen, van het langzaam zacht en zoet worden. Zou het dat zijn wat Goethe de eerste helft van zijn leven gedaan heeft: langzaam rijpen, zacht en zoet worden? Want de vruchten die hij voortbracht zijn nog altijd vol smaak. Ze blijven hun mysterie behouden, zoals deze maand van de Maagd. Het is warm, maar de zon heeft haar scherpte verloren. Ze bijt niet meer. Dat maakt deze overgang naar de herfst, deze aanloop naar Michaël zo aangenaam. Het is een soort stilhouden, een vrede sluiten tussen buiten en binnen. Ja, de natuur krijgt nu een innerlijk karakter, ze wordt langzaam zacht en zoet. Tot ze dan, rijp geworden als de appelen en de peren, met een bons op de grond valt. Dan begint er weer een ander seizoen. 

Ik wou dat ik was wat ik was toen ik wou dat ik was wat ik nu ben

  

  

De afgelopen weken heb ik hard gewerkt, dus toen de zon vandaag zo verleidelijk scheen, dacht ik: laat ik nog maar eens naar de antroposofische bib fietsen! Ik moest toch nog twee boeken terugbrengen, een dik en een dun, dus dat waren twee vliegen in één klap. Na een kwartier vergeefs gezocht te hebben naar het dunne boek, haalde ik m’n schouders op: dan maar alleen het dikke! Mieke zou me wel streng berispend toespreken, maar dat ben ik inmiddels gewoon. Ik hou wel van mensen die nooit veranderen, dat geeft zekerheid in ’t leven. En dus fietste ik opgewekt door Gods heerlijke natuur, dat wil zeggen: ik ging te voet – om beter te kunnen genieten. 

Bij de vijver bleef ik even staan kijken naar één van de mooiste dingen op aarde: de zon die op het water glinstert. Als duizenden sterren dansten de glinsteringen, de vijver was als een omgekeerde nachthemel die tot leven is gekomen. En ik dacht: die dansende sterren verschijnen alleen doordat het water in beroering is, doordat het golft. Het was een beeld dat me vertelde dat de geest alleen zichtbaar wordt in een bewogen hart. Niet heftig bewogen zoals in de kranten, niet vlak als een spiegel zoals bij de boekhouders, nee, rustig kabbelend en lieflijk als de maand september. 

Wat verder luisterde ik verrukt naar het ruisen van een rij hoge populieren. Zo stel ik mij de geestelijke wereld voor: als een eindeloos geruststellend ruisen van ontelbare zielen, allemaal bladeren aan één grote boom. Ik passeerde de ‘reeënwei’. Ze was leeg, maar vanuit de stal aan de overkant kwamen ze in een lange rij aangetrippeld, de reeën, uchend en kuchend. Want zo sierlijk als deze dieren zijn, zo amechtig is het geluid dat ze maken, alsof ze allemaal verkouden zijn. Kwispelstaartend bleven ze voor het hek staan, niet in het minst ontgoocheld omdat ik niks voor hen bijhad. Dat heb ik trouwens nooit. Misschien wilden ze alleen maar even goeiedag zeggen.

Het wandelen moe, sprong – dat wil zeggen kroop – ik op m’n fiets en vervolgde m’n weg met de zon op mijn huid. Hoe zalig ontspannen is de natuur in september! En hoe verbeten spant de mens zich in om daartegenin te gaan. Ik reed langs een uitgestrekt terrein vol puin waar reusachtige metalen insecten aan het schrapen, scheppen, boren en verpulveren waren. Ook dat hoort bij het maagdelijke september: het nijvere bezig zijn, het kleiner maken van wat groot is. Alleen had het hier wel zeer ahrimanische vormen aangenomen. Wat is Ahriman toch lelijk! Zo ongelooflijk intelligent en sterk als hij is, zo ongelooflijk lelijk en lawaaierig is hij! Moet het geen ongelooflijk grote kwelling zijn voor zo’n grote geest om zo lelijk te zijn en alleen maar te kunnen grommen, loeien, dreunen, ratelen en denderen? Wat een verschil met Lucifer, want dié is van een opwindende kat-achtige schoonheid! Waarschijnlijk is het daarom dat Ahriman, heel anders dan Lucifer, zichzelf verbergt. Hij is de geest die zegt dat hij niet bestaat. 

Maar ik kwam in de bewoonde wereld en moest uit m’n doppen kijken. Heelhuids bereikte ik de Lousbergskaai. Aan de overkant lag een sierlijke Hollandse boot aangemeerd, zo een met een grote mast in het midden en een surfplank tegen de zijkant. ÛS WILLE las ik op de boeg. Waarschijnlijk Fries. Het was Zeeuws zou ik later googelen. Waarschijnlijk betekende het zoiets als ‘Onze droom’, ‘Dit is wat we (altijd) gewild hebben’. In Brugge zie ik dergelijke oude boten wel eens liggen, maar in Gent? Zouden ze de afslag gemist hebben?

Ik stapte binnen en zag Walter Van Hove achter de tafel zitten. 

Dag Mieke, zei ik monter, je bent veranderd, ik had je bijna niet herkend!   

Walter moest hartelijk lachen. 

Ik legde mijn boek voor hem neer en meteen begon hij in Miekes Meesterlijke Kaartsysteem te zoeken. En raakte al vlug het spoor bijster.

Gaat het Walter, vroeg ik bezorgd, je weet toch dat ik een week te laat ben?

Jaja, antwoordde hij, dat had ik al gezien, dat gaat je een fortuin kosten! 

Daar moest ik hartelijk om lachen. 

Ik heb er nog eentje thuis, zei ik, maar dat kan ik niet vinden.

Je moest er maar één terugbrengen, antwoordde hij. 

Arme Walter, dacht ik, hij wordt oud, hij begrijpt niet meer wat er op Miekes kaartjes staat!

Maar daar wilde ik hem niet mee confronteren, Mieke zou het volgende week wel ontdekken.

Even later zag ik het boek zitten waar ik thuis een kwartier had naar gezocht.

Ach here, dacht ik, ik word oud!

Ik keek een beetje rond en nam drie boeken mee: twee nieuwe van en over Sergej Prokofieff en een oud van Rudolf Steiner over de Apocalyps. Ik had hard gewerkt de laatste tijd, dus ik had recht op een beetje ontspanning, vond ik. 

Walter rekende de twee bibliotheekboeken af, maar trok grote ogen toen hij het prijskaartje van het tweedehandsboek zag: 10 euro. Ja Walter, zei ik, nu ik toch al een fortuin kwijt ben, kan ik evengoed helemáál failliet gaan! 

Daar moest Walter hartelijk om lachen. 

Toen ik m’n boeken wilde meenemen, viel m’n oog op de stralend paarse zitting van de stoel naast de tafel. Hemeltje, zei ik, het is de eerste keer dat het me opvalt hoe bisschoppelijk paars die stoelen er wel uitzien! 

Je weet toch, zei Walter, dat paars ook een antroposofische kleur is?

Jaja, dat weet ik, antwoordde ik, maar het verschil is niet altijd even duidelijk.

Daar moesten we allebei hartelijk om lachen. 

Zo hoort antroposofie te zijn, dacht ik: zonnig en vrolijk, ontspannen en bewogen, als de zon die glinstert op het water, als de populieren die ruisen in de wind, als reetjes die kwispelen en uche, uche doen, als Hollandse boten die aanmeren in Gent, als een dag in september, als vandaag …

Michaël en de weegschaal

Gisteren had ik het over Michaël als de geharnaste ridder die de draak bevecht.
Vandaag wil ik enige gedachten wijden aan Michaël als de engel met de weegschaal.
Op schilderijen en andere beelden zien we hoe Michaël mensen(zielen) weegt.
De enen zakken naar beneden en vervallen aan de draak.
De anderen stijgen omhoog en worden gered.
Michaël is dus iemand die het kaf van het koren scheidt.
Hij is met andere woorden een scherp onderscheidende geest.
De vraag is echter wát hij precies onderscheidt.
In de traditioneel kerkelijke interpretatie zijn dat de goede en slechte werken van de mens.
Als een mens meer goede dan kwade dingen heeft gedaan, gaat hij naar de hemel.
Is het andersom, dan gaat hij naar de hel.
Maar ik herinner mij niet ooit iets gelezen te hebben over Michaël die bij de poort van de dood staat en de passanten sorteert.
De majestueuze aartsengel komt me niet voor als een boekhouder, ook geen hemelse.
Zijn apocalyptische karakter stemt meer overeen met de scheiding der geesten die momenteel aan de gang is en die volgens Steiner rasvormend zal werken.
Maar dat lijkt me dan weer het andere uiterste te zijn.
Nee, ik denk dat we Michaëls weegschaal-karakter elders moeten zoeken.

20131001-113907.jpg

Ik keer daarvoor terug naar het ridder-karakter en meer bepaald naar de idee dat Michaël in de huid van de draak kruipt.
Michaël is dus een undercover-agent avant la lettre.
Hij infiltreert in de misdaadorganisatie van de draak met de bedoeling haar structuren bloot te leggen en door te dringen tot de top.
De vermomming (het harnas) van de agent moet waterdicht zijn, anders is het met hem afgelopen.
Hij moet ieder contact met het politiebureau vermijden en staat helemaal op eigen benen.
Dat lijkt me een essentieel kenmerk van een Michaëlstrijder: hij is op zichzelf aangewezen.
Hij kan niet rekenen op hulp van zijn reguliere collega’s want dat zou zijn hele opdracht in gevaar brengen.
Daartegenover staat dat hij niet langer gebonden is aan vaste regels en voorschriften.
Hij kan vrij zijn gang gaan.
Die vrijheid dwingt hem echter om kreatief te zijn.
Hij moet een nieuw zintuig ontwikkelen dat hem toelaat om in iedere (onverwachte) situatie die zich aandient ‘het juiste’ te doen.
Het harnas van regels en voorschriften dat hij afgelegd heeft, moet getransformeerd worden tot een soepele huid die hem alle bewegingsvrijheid biedt.

Rudolf Steiner verwachtte van zijn leerlingen niet dat ze keurig alle antroposofische regels en voorschriften zouden volgen.
Hij verwachtte van hen morele kreativiteit.
Hij wilde dat ze vrije initiatieven namen, want pas dan kon hij met volle inzet van zijn krachten meewerken.
Zo stel ik mij ook Michaël voor: als iemand die toont waar het om gaat, maar die niks voorschrijft, zijn volgelingen volledig vrij laat en zich zelfs afhankelijk van hen maakt.
Michaël is vóór alles een vrijheidsstrijder.
Daarom doodt hij de draak ook niet.
Hij wil de mens bevrijden van de draak door … de draak zelf te bevrijden.
Daarom kruipt hij in zijn huid: om hem van binnenuit te transformeren.
In feite doet Michaël hetzelfde als de draak, want de draak kruipt in de huid van de mens om hem om te vormen tot een kleine draak.
Ook de draak gaat undercover.
Hij infiltreert in de menselijke structuren in de hoop dat hij kan doordringen tot de top.
Want hij wil de plaats van het menselijke Ik innemen.
Michaël beoogt hetzelfde met de draak: hij kruipt in zijn huid om uiteindelijk zelf het stuur over te nemen en de drakenkrachten tot de zijne te maken.
Daarom wordt Michaël soms voorgesteld in een gouden harnas: hij heeft de donkere pantserschubben van de draak met zijn eigen gouden wezen doordrongen.
Een variant daarop is de gulden draak, zoals ze bijvoorbeeld prijkt op het Gentse belfort.

20131001-114208.jpg

Gent is een echte Schorpioenenstad: duister, vochtig, grijs, zelfbewust en taai.
Gentenaars zullen dat grauwe natuurlijk ontkennen, maar als je zoals ik vanuit de ‘kaazerlaake’ Leeuwenstad Antwerpen komt, dan treft het Schorpioenenkarakter van Gent je als een natte dweil in je gezicht.
Niet voor niets is de draak hét symbool van deze stad (samen met de strop natuurlijk).
De Schorpioen ís de draak.
Het is het meest duistere en onaangename teken van de hele dierenriem.
Het is dan ook dit teken dat Michaël bestrijdt.
Hij wil dat de mens tijdens de Weegschaalmaand oktober – de gouden maand – de krachten opdoet waarmee hij de Schorpioenenmaand november – de dodenmaand – kan overleven.
Maar Michaël wil méér dan alleen maar strijden en overleven.
Hij wil de draak transformeren.
Hij wil van de Schorpioen een Adelaar maken.
Dát is de betekenis van de gouden draak die hoog boven Gent – als een adelaar – op het belfort prijkt.
Het is trouwens opvallend dat er beneden in Gent nagenoeg geen afbeeldingen van de gouden draak te vinden zijn.
De tegenstelling tussen de lage Schorpioen (de zwarte draak) en de hoge Adelaar (de gulden draak) blijft onverminderd bestaan.

Michaël kruipt in de huid van de draak om hem te ‘vergulden’.
Hier houdt de gelijkenis met de undercover-agent natuurlijk op.
Maar het gevaar dat deze agent bedreigt, is hetzelfde dat ook de volgeling van Michaël bedreigt: dat hij geen onderscheid meer kan maken tussen goed en kwaad.
In tv-series is het een steeds terugkerend thema: de undercover-agent van wie men niet meer weet aan welke kant hij staat.
Hij is zo diep doorgedrongen in de misdaadorganisatie dat hij ermee vergroeid lijkt.
Is hij nog wel een verdediger van recht en orde, of hij al een misdadiger-in-wording?
Hij moet immers niet alleen in de huid van de draak kruipen,
hij moet ook zijn politie-harnas transformeren tot een tweede huid.
En die twee nieuwe ‘huiden’ kunnen samengroeien tot één huid.

Die samengegroeide, dubbele huid kunnen we vandaag overal waarnemen.
Mensen geven zich uit als vurige drakenridders: ze willen het kwaad te vuur en te zwaard bestrijden. Ze keren zich heftig tegen racisme, onverdraagzaamheid, discriminatie, haatdragendheid, verzuring, angst, enzovoort.
Maar ze tonen zich (minstens) even racistisch, onverdraagzaam, discriminerend, haatdragend, verzuurd en angstig als degenen die ze bestrijden.
Ze lijken tégen de draak te vechten, maar in feite vechten ze mét de draak.
Toch bedoelen ze het goed, maar hun ridderhuid en hun drakenhuid zijn met elkaar vergroeid.
Ze kunnen geen onderscheid meer maken tussen beide.
Het morele zintuig dat ze moesten ontwikkelen, ter vervanging van de oude morele regels en voorschriften, is niet opengegaan.
En daar staan ze dan: niet meer bij machte om de oude geboden te volgen, niet in staat om op een nieuwe manier het verschil te zien tussen goed en kwaad.

20131001-115022.jpg

Dat is volgens mij de betekenis van Michaëls weegschaal.
Zij vervangt de oude, vaststaande morele regels en voorschriften.
Die zijn namelijk niet meer bij machte om het ‘nieuwe’ kwaad – de draak die in de huid van de mens is gekropen – aan banden te leggen.
Ze dienen vervangen te worden door een nieuw zintuig, een moreel zintuig, dat in ieder concreet geval goed en kwaad zorgvuldig afweegt.
De weegschaal van Michaël is niets anders dan het menselijk hart dat tot een zintuig wordt, een innerlijk oog dat het verschil ziet tussen goed en kwaad.
Zonder dit ‘gouden oog’ kan de menselijke ziel niet zuiver blijven wanneer zij in de huid van de draak kruipt.
De Maagd moet in oktober de Weegschaal-eigenschappen ontwikkelen waarmee zij in november onderscheid kan maken tussen de Schorpioen en de Adelaar.
Ja, het is dankzij dit onderscheidingsvermogen dat zij de duistere, giftige en haatdragende Schorpioen kan transformeren tot een gouden draak.
Zonder deze innerlijke weegschaal, met alleen haar kritische Maagd-verstand, ziet ze geen verschil tussen beide, en in haar liefde voor de een valt zij ten prooi aan de ander.
Ze denkt bevrucht te worden door de geest, maar wordt verkracht door de draak.
En uit die onbewuste en onvrijwillige bevruchting zal in december dan het duivelsjong geboren worden dat voor de blinde moeder niet te onderscheiden valt van het Christuskind en dat ze met inzet van al haar liefde zal opvoeden en beschermen tegen alles wat het bedreigt.
Op die manier wordt de mens die de draak bestrijdt tot een draak die de mens bestrijdt.
En dat is misschien wel het meest actuele thema van onze tijd.

Daarop wijst de weegschaal van Michaël.
Bij de overgang van Maagd naar Schorpioen, dat wil zeggen bij het kruipen in de huid van de draak, moet de mens steeds beide voor ogen houden: de zuivere menselijke ziel en de zwarte draak.
Stap voor stap moet hij het kille, duistere seizoen betreden en daarbij zorgvuldig Maagd en Schorpioen in evenwicht houden.
Hij mag geen zuivere Maagd blijven, want dan wordt hij onvruchtbaar.
Maar hij mag zich evenmin in de hartstochtelijke armen van de Schorpioen werpen, want dan riskeert hij bevrucht te worden door de draak.
Daartussen loopt de gulden middenweg van Michaël, die even moedig is als voorzichtig.

Dat is de kunst van Michaël: het harnas van de draak omgorden en toch maagd blijven.
Alleen zo kan het wonder van de ‘maagdelijke geboorte’ ontstaan.
Alleen zo kan het Christuskind in de mens geboren worden.

Denkend aan Damascus

Vanavond, zo tegen zevenen, stapte ik naar buiten om eens naar de lucht te kijken.
De wolken waren namelijk nogal spectaculair vandaag.
Maar toen ik naar links keek, deinsde ik verschrikt achteruit.
Een verblindende zon weerkaatste in het natte wegdek van de steenweg.
Het resultaat was een explosie van licht waarin ternauwernood nog vormen waren te zien.
Zoiets moest Paulus in Damascus hebben meegemaakt.
Had ik op een paard gezeten, dan lag ik nu ongetwijfeld op de grond, niet wetend wat me overkomen was.
Toch was het gewoon de septemberzon die onderging boven een natte steenweg.

Toen ik de andere kant opkeek zag ik iets heel anders: een veelkleurig grijze lucht die als vloeibaar was geworden.
De witte wolken die recht voor mij nog scherp afgetekend aan de blauwe hemel stonden, waren hier even vloeibaar geworden als het grijs.
En juist door die vloeibaarheid leken ze levend te zullen worden.
Het was als een enorme aquarel, met dat verschil dat de overgangen zo onwaarschijnlijk zacht waren dat geen enkele aquarel het had kunnen weergeven.
Dat gold ook voor het spektakel aan mijn linkerkant.
Geen aquarelpapier was wit en stralend genoeg om dat verblindende licht op te roepen.

Alleen wat ik voor mij zag, die blauwe lucht met die scherp afgetekende witte wolken: daar kon je een aquarel van maken.
Ik had het vanmiddag trouwens geprobeerd.
De blauwe hemel met de witte wolken.
En daaronder de felle weerkaatsing in het water van de vijver.
Geen sinecure,
want door de overtrekkende wolken
schitterde het landschap het ene moment in alle kleuren,
en was het volgende moment alle licht en kleur verdwenen.
Het ene moment zat ik in hemdsmouwen,
het volgende moest ik trui en jas weer aantrekken.

Alsof iemand de zon voortdurend aan en uit deed.

De hele atmosfeer maakte op mij de indruk van een scheiding, een afscheid.
De zon verliet de aarde.
Tijdens de zomer was ze als een vurige minnaar diep in haar doorgedrongen,
haar opwarmend in alle vezels van haar lichaam.
Nu trok ze zich ritmisch uit de aarde terug,
haar telkens weer kussend,
Ze maakte ruimte voor de mens,
de mens die in juli en augustus gekreund en gehijgd onder de hitte,
maar nu weer op adem kwam.

In de zon was het verrassend warm,
als om eraan te herinneren dat het nog altijd zomer was.
Maar telkens er een wolk voor de zon schoof,
werd het landschap in kilte en duisternis gedompeld,
als om eraan te herinneren dat de herfst voor de deur stond.
Zomer en herfst waren als het ware tegelijk aanwezig,
en het hing van de wolken af welk seizoen je te zien kreeg.

Werd Paulus bij Damascus niet verblind door het licht van de Christuszon?
En had die zon op Hemelvaart niet de aarde verlaten,
haar met Pinksteren nog ‘kussend met vurige tongen’?
Christus was diep in de aarde doorgedrongen,
haar doorwarmend met zijn licht en zijn liefde.
Maar na het hoogtepunt op Golgotha,
verliet hij de aarde weer,
als de zon in september,
ruimte scheppend voor de mens.

Christus en de aarde gingen uiteen.
Licht en duisternis scheidden.
Ze kwamen tegenover elkaar te staan zoals Christus en Paulus (toen hij nog Saulus heette).
En nu pas zag Paulus het verblindende licht van de Christuszon,
De apostelen hadden Christus beleefd, toen hij in de aarde – en dus ook in hen – doordrong.
Maar juist door die innige verbinding, zagen ze hem niet zo scherp en duidelijk als Paulus hem zag in Damascus, toen hij zich weer uit de aarde losmaakte en ruimte schiep voor de mens en zijn nuchtere verstand.

September is de maand van de Maagd,
De maand van het nuchtere verstand.
De mens is nu bevrucht door de zon, die zich terugtrekt.
September is de maand van het uiteengaan, het scheiden en onderscheiden.
Het is de maand van de ontnuchterde mens,
Die niet meer in de roes van de zomer leeft.
Het licht van de ratio schijnt fel en zuiver.
En in het duister groeit het kind…

20130917-002120.jpg

Simon & Garfunkel

Toen we dinsdag van Mechelen terugkeerden en van op de autostrade de zon in roze en rood zagen ondergaan, klonk in de auto de muziek van Simon & Garfunkel.
Geen idee waarom ik precies die cd had meegenomen (ik luister nooit naar de radio) maar de muziek paste perfect bij die betoverende zomeravond.
Daarom heb ik gisteren nog eens gekeken naar de dvd van hun optreden in Central Park in 1981.

20130829-120946.jpg

Opnieuw trof het me dat deze onsterfelijke muziek zo goed past bij deze tijd van het jaar.
Het legendarische concert in Central Park – meer dan 500.000 mensen woonden het bij – vond trouwens plaats op 19 september.
Het baadde helemaal in de Maagd-sfeer.

Om te beginnen de plaats.
Central Park is een immens park in het hartje van Manhattan.
Een oase van groen te midden van een stenen woestijn.
Een stuk ‘maagdelijke’ natuur op wat zowat de dichtst bebouwde plek ter wereld moet zijn.
Het park is nochtans aangelegd.
Het is mensenwerk.
Het is dus geenszins woeste natuur.
Wel integendeel.

Central Park is een zinnebeeld van wat de natuur vandaag geworden is:
een plek die zorgvuldig behoed moet worden tegen het geweld van de overal oprukkende ‘cultuur’.
Want Central Park mag er tegenwoordig dan wel keurig en veilig bijliggen, het was ooit anders.

20130829-123228.jpg

Ik kan me levendig voorstellen hoe belangrijk dit park moet zijn voor de New Yorkers, die opgesloten zitten tussen beton en staal en eindeloze drukte.
Central Park moet voor hen als een baarmoeder zijn waar ze nieuwe levenskarachten kunnen opdoen, waar ze zich kunnen onttrekken aan het geweld van de wereld waarin ze leven.
En er ís veel geweld in Amerika.

Toen ik gisteren zat te kijken naar dat hartverwarmende concert – een half miljoen jonge mensen die in een park, op een stille septemberavond, luisteren naar twee andere jonge mensen die samen zingen – moest ik onwillekeurig denken aan die andere zo jong en onschuldig uitziende Amerikaan, president Obama, houder van de Nobelprijs voor de Vrede, die op het punt staat zich in een zoveelste uitzichtloze oorlog te storten.

De twee gezichten van Amerika: scheppend en vernietigend.
De twee gezichten van de moderne wereld.

Het concert in Central Park staat bekend als een van de grootste uit de muziekgeschiedenis.
Dat wil wat zeggen, in een tijd die aan de lopende band muziekfestivals organiseert.
En niet alleen worden die festivals steeds massaler, ze worden ook steeds luider.
Jonge mensen moeten oordopjes meenemen om niet doof terug naar huis te keren.
Op de een of andere manier gaat er een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit van al dat auditieve geweld.
Ik heb sowieso een ontzettende hekel aan electronisch lawaai, maar als ik soms een glimp opvang van de ‘muziek’ die op de hedendaagse festivals gespeeld wordt, kan ik me niet van de indruk ontdoen dat het in de eerste plaats gaat om: zoveel mogelijk lawaai maken.
Alsof de moderne mens zijn meest barbaarse instincten wil ontketenen.
Alsof hij alleen op die manier nog iets kan beleven.

Wat een enorm verschil met twee ‘maagdelijk’ uitziende schooljongens (in werkelijkheid waren ze 40 jaar oud) die samen tere, poëtisch liedjes zingen!
En daarmee 500.000 jonge mensen op de been krijgen!
Dat kan ik me vandaag niet meer voorstellen.

Als ik luister naar de muziek waarmee ik ben opgegroeid, de muziek uit de jaren ’60, dan hoor ik daarin een naïeviteit en een ‘maagdelijkheid’ die vandaag verdwenen is.
Het was de tijd van de flower power, van love & peace, van de hippies, van de lange haren.

20130829-130139.jpg

Ik heb daar zelf nooit echt aan meegedaan – afgezien van het lange haar natuurlijk – maar ik denk er toch met vertedering aan terug: hoe onschuldig was het allemaal niet!
Het had iets van een nieuw begin, een nieuw leven.
Bloemen in plaats van stenen en beton.
Make Love not War.
Het was een tijd van verliefdheid op een ideaal, op een onzichtbare nieuwe mens die geboren zou worden.
Van dat verliefde idealisme blijft vandaag niets meer over.
De realiteit heeft de dromen ingehaald.
Jonge mensen spreken vandaag niet meer over liefde en vrede en be sure to wear some flowers in your hair.
Ze spreken over winners en losers.
Ze spreken over de keiharde struggle for life.
En ze kijken meewarig, om niet te zeggen vol afkeer, naar hun ouders, naar de generatie van mei ’68 die toen zo kinderachtig deed en vandaag zo cynisch is geworden.

Ik kan ze geen ongelijk geven.
Het maagdelijke idealisme van toen en het cynische geweld van nu zijn twee kanten van dezelfde medaille.
En die twee kanten bestonden toen al.
De studenten van mei ’68 riepen: de verbeelding aan de macht!
Maar tezelfdertijd klommen ze op de barricaden en voerden oorlog in de straten.
Die kern van geweld heeft zich ontwikkeld en haar love & peace uiterlijk afgeworpen.
Alhoewel.
Is Barack Obama geen Nobelprijswinnaar?
Ziet hij er niet jongensachtig onschuldig uit?
En roept ook de jongensachtige, en ooit zo idealistische, Guy Verhofstadt vandaag niet op tot oorlog?

Waar komt al die bloeddorstigheid toch vandaan?
Waarom hebben die geweldenaars vaak zo’n onschuldig, jongensachtig gezicht?

20130829-132531.jpg

Ik denk dat al die vernietigingskrachten niets anders zijn dan gefnuikte scheppingskrachten.
De mens is een scheppende geest, en dat is hij vandaag meer dan ooit.
Maar die geest is ingesloten door een muur van harde materie waar hij niks kan mee aanvangen.
En dus moet hij die muur eerst afbreken.
Hij moet de materie eerst kneedbaar maken, zoals een beeldhouwer die wil boetseren.
Hij moet eerst chaos creëren, wil hij een nieuwe orde kunnen scheppen.

Dat is ook wat gebeurt als een maagd bevrucht wordt.
In haar bevruchte eicel ontstaat een totale chaos die nergens anders in de natuur voorkomt.
En die chaos kan een menselijke geest aangrijpen om zichzelf een lichaam maken waarmee hij scheppend kan optreden in de wereld van de materie.
Maar die chaos wordt gecreëerd in de veilig afgeschermde omgeving van de baarmoeder.
En pas als ze overwonnen is en tot een nieuwe orde – het kind – is gemaakt, wordt de grens overschreden.

Ik maak me sterk dat het geweld dat de wereld vandaag overspoelt, niets anders is dan een buitenbaarmoederlijke zwangerschap, een scheppingsproces dat buiten de baarmoeder plaatsvindt.

Onze wereld heeft nood aan ‘baarmoeders’, aan Maagdelijke krachten die veilige plekken creëren waar in alle rust en afzondering chaos kan gecreëerd worden en waar het nieuwe de kans krijgt om zich ongestoord te ontwikkelen.
Het resultaat van dergelijke ‘maagdelijke krachten’ zag ik tijdens dat concert in Central Park.
Ik zag twee ‘maagdelijke’ jongens die in een idyllische omgeving tere liedjes zongen en die geen geweld nodig hadden om een mensenzee geestdriftig te maken.
Hoe etherisch klonken hun liedjes bij momenten niet!
Met hoe weinig wisten ze dat enorme publiek in de ban te houden!
Het had bij momenten iets onwaarschijnlijks.
En dat was het in wezen ook.

Simon en Garfunkel zijn hun carrière in 1965 begonnen.
In 1970 gingen ze uit elkaar.
In die vijf jaar zijn al hun onsterfelijke liedjes ontstaan.
Daarna was het afgelopen.
Ze hebben elk hun carrière afzonderlijk voortgezet, maar ‘het’ was er niet meer.
Alleen toen ze nog bij elkaar waren, stroomde de inspiratie.
Paul Simon was het scheppende genie van de twee.
Art Garfunkel was vooral een stem.
En toch kon Simon zonder Garfunkel niet meer scheppen, niet op dat zeldzaam hoge niveau.
Die vijf jaren waren een periode geweest van intense bevruchting en zwangerschap, een onwaarschijnlijke uitbarsting van scheppingskracht.

Tijdens dat legendarische concert was er een klein maar veelzeggend voorval.
Het concert vond plaats in 1981, elf jaar dus na de split.
Op een gegeven moment zingt Paul Simon solo een liedje dat hij pas geschreven heeft en voor de eerste keer laat horen.
Het lijkt nergens op.
Het is een pijnlijke bevestiging van het feit dat de inspiratie verdwenen is.
Het zegt ook iets over de spanningen tussen de twee, want ik kan me niet goed voorstellen dat Garfunkel gelukkig was met deze ‘valse noot’ tijdens een overigens fantastisch concert.
Maar uitgerekend tijdens dit vervelende en misplaatste nummer springt er een man op het podium die met geweld moet verwijderd worden.
Je ziet Simon verschrikt achteruit deinzen.
Maar hij is een professional en blijft gewoon voortzingen.
In zijn ogen is echter een blik verschenen die iets verraadt van de leegte die hij in zichzelf voelt.
Want hij is een lege baarmoeder geworden die niet langer bevrucht wordt, niet met het zaad dat zoveel onsterfelijke muziek heeft voortgebracht.
Hij is een … oude vrijster geworden.
Dat is het tragische besef dat even zichtbaar wordt in al die harmonie.

Het geeft aan het concert iets aangrijpends, en het vertelt ook wat een uitzonderlijke genade het was dat deze twee joodse jongens elkaar gevonden hebben, ook al duurde hun artistieke huwelijk slechts vijf jaar.

Het is alsof Art Garfunkel dat tot uitdrukking brengt in het liedje dat hij, alleen begeleid door de gitaar van Simon, zingt:

April come she will
When streams are ripe and swelled with rain;
May, she will stay,
Resting in my arms again

June, she´ll change her tune,
In restless walks she´ll prowl the night;
July, she will fly
And give no warning to her flight.

August, die she must,
The autumn winds blow chilly and cold;
September I´ll remember.
A love once new has now grown old.

Met die laatste regel wordt het hele concert samengevat.
En hij drukt ook iets uit van het maagdelijke karakter van september.
In April is de liefde nog nieuw en vurig.
In Augustus sterft ze.
En in september is er alleen nog de herinnering,
zacht en teer.

Het is ontroerend om met dat beeld in gedachten te kijken naar de blikken die Simon en Garfunkel uitwisselen. Het zijn liefdevolle blikken, maar ze zijn gevuld met het besef dat ‘het’ voorbij is, dat de baarmoeder leeg is, dat het lange wachten begonnen is.

20130829-141129.jpg

Een avondwandeling

Gisteren mijn ouders gaan bezoeken in Mechelen-waar-is-de-tijd.
Het ouderlijk huis in de Voetbalstraat (waar lang geleden de terreinen van de Malinwa lagen) is verkocht en nu wonen ze in een assistentiewoning of een serviceflat of een rusthuis of een home of hoe die dingen ook genoemd worden.
De gezamenlijke leeftijd van bewoners is in ieder geval aan de duizelingwekkende kant.
Oud, ouder, oudst.
Mijn vader is net 87 geworden.
Mijn moeder is een jong ding van 81.

Na een paar uur geluisterd te hebben naar verhalen over het-leven-zoals-het-is ging ik een luchtje scheppen.
Het was zes uur en de zon neigde reeds ter kimme zoals ze dat in de oude tijd deed.
Alles was rustig, afgezien van de kreten van de dementen.
Ik ontdekte vlakbij een wandelpad dat er zeer uitnodigend uitzag.
Ik kwam meteen in een andere wereld terecht.
Het eerste wat ik zag, was dit:

20130828-101446.jpg

Het waren wel geen Douglassparren, maar ze maakten toch een verdomd Ardeense indruk.
Die had ik echt niet zien komen.
Mechelen mag dan wel dichter bij de Ardennen liggen dan Destelbergen, ik bleef het een merkwaardig zicht vinden.
Toeval, ja dat zal het wel geweest zijn!

Ik wandelde verder, tussen sparren en tuinen.
Groententuinen, siertuinen, speeltuinen, gazontuinen, verwilderde tuinen.
Het leek wel een beeld van mijn leven, met aan de ene kant dat intense verlangen naar een plek op aarde, een huis-met-een-tuin, en aan de andere kant dat hemelbestormende streven van de spar.
Ik wandelde in een werkelijkheid die tegelijk een beeld was.
Maar dat realiseerde ik me op dat moment (nog) niet.
Doen we dat niet allemaal?
Wandelen we niet allemaal in beelden zonder dat we het ons realiseren?

We leven temidden van mysteries, schreef Goethe.
En we verslapen ze grotendeels.
Ook ik.
Maar soms ontwaken we even, zoals wanneer we ’s nachts wakker worden en denken: hé, ik was aan het dromen! Waarna we weer in slaap vallen en verder dromen.
Ook overdag slapen we. Maar op de omgekeerde manier.
We noemen het ‘wakker zijn’, maar in feite verslapen we een hele wereld.
Als we ons van die wereld bewust worden, noemen we dat ‘dromen’.

Ik bevond me tijdens die wandeling inderdaad in een dromerige toestand.
Het was dan ook een betoverende avond.
Overal hing een nauwelijks te definiëren rust.
Een man was in zijn tuin aan het harken, een uitermate keurige en verzorgde tuin.
In een andere tuin waren twee jonge honden aan het dollen, terwijl een klein meisje stond te kijken.
Nog wat verder klonk bestek: een gezin zat onder een boom te eten.
Vredig was het allemaal.
Het eenvoudige leven, ver weg van alle drukte.
Een droom. Maar tegelijk heel concreet en nuchter.
Want al die stille tuinen, met hun zonoverschenen gazons en lommerrijke bomen, getuigden van zorgzaamheid en vlijt.
Hier woonden nijvere mensen, die een droom gerealiseerd hadden: een huisje met een tuintje.
En ik benijdde hen.
Wat kan een mens zich nog meer wensen?
Een plek om te wonen, te werken, te spelen.

Ik dacht aan de krankzinnige autostrade waar we net vandaan kwamen.
Twee baanvakken vol vrachtwagens.
De hele dag door, zonder onderbreking.
Is dat allemaal echt nodig?
Kan het echt niet met wat minder?
Een stukje groen om in te wonen, een stukje groen om in te werken, een stukje groen om op te eten, een stukje groen om naar te kijken, een stukje groen om in te wandelen, een stukje groen om te schilderen.
Wat wil een mens nog meer?

Goethe antwoordde op die vraag: iets anders.
De mens wil iets anders.
Dat is la condition humaine, het menselijk gebrek.
We willen allemaal iets anders.
We willen allemaal een andere wereld.

Het tragische is dat die ‘andere wereld’ reeds bestaat.
We zien hem alleen niet.
Want we slapen, en noemen dat ‘wakker zijn’.
En wanneer we even ontwaken, noemen we dat ‘dromen’.
En dromen zijn bedrog.

Maar de droom die ik gisteren beleefde was heel concreet.
En ik was heel wakker.
Ik beeldde me die sparren niet in.
En die huizen-met-tuin staan er ook vandaag nog.
Maar er was ook iets wat er niét iedere dag is.
En dat was die onbeschrijflijk tere zomeravond.
Felix Timmermans zou gezegd hebben: er dreef wierook door de lucht …

Ik realiseerde me opeens dat de zon inmiddels in Maagd was gekomen.
En ja, die bijna heilige rust, het stille bezig zijn in huis en tuin, het vlijtige zorgen voor het leven, het realiseren van kleine dromen: het was allemaal typisch Maagd.
En Mechelen is een typische Maagd-stad.
Vroeger stond in het centrum van de stad, pal in het midden van de Grote Markt, het standbeeld van Margaretha van Oostenrijk, de landvoogdes van de Nederlanden (jaja, Mechelen was ooit de hoofdstad van Vlaanderen én Nederland), die het grootste deel van haar leven ‘als maagd’ heeft doorgebracht.
In de voortuin van de Koninklijke Academie stond vroeger ook het beeld ‘Huiselijke Zorgen’ van Rik Wouters. Eveneens een typisch Maagd-beeld.
Het is inmiddels ook verdwenen.
Maagden zijn immers niet cool.
Maagdelijkheid is niet modern.
Mechelen wil natuurlijk wél modern zijn en schaamt zich voor haar Maagdelijkheid.
Daarom moeten die typische Maagd-beelden uit het zicht verdwijnen.

Er is echter één beeld dat ze niet van zijn plaats krijgen: de Sint-Romboutstoren.

20130828-114024.jpg

Deze imposante toren moest de grootste ter wereld worden: 167 meter.
Men is blijven steken op 97 meter.
Want het geld was op.
Sindsdien (1520) staat de stompe toren daar, van heinde en verre zichtbaar, als een symbool van het geknakte Douglassparstreven van de oude hoofdstad der Nederlanden.
Mechelen was ooit een stad die naar het hoogste streefde.
Maar ze heeft haar al te grote droom niet kunnen waar maken.
Ze is halverwege blijven steken.
Zoals Margaretha van Oostenrijk met haar doodgeboren kind.
Mechelen is als één grote pièta.
Een stad vol kerktorens.
Een stad vol scholen.
Een stad met meer historische gebouwen dan Brugge.
Een stad die ooit weergaloos mooi moet zijn geweest, met al haar inmiddels dichtgegooide reien.
Maar die een oude vrijster is geworden omdat haar kind, haar grote droom, gestorven is.

De Sint- Romboutstoren-zonder-spits is een versteende vrouw-zonder-kind.
Nee, er is geen twijfel mogelijk: Mechelen is een Maagd-stad.
Toen ik er opgroeide, was het een slapende, vergeten stad.
Een stad vol stille dromen.
Toen Baudelaire – die een hekel had aan België – het Mechelse begijnhof bezocht, zei hij (of zou hij gezegd hebben): hier wil ik komen sterven!
Ja, Mechelen was toen één grote ‘assistentiewoning’.
Maar nu is Mechelen ontwaakt.
Het heeft de stap naar het moderne leven gezet.
Het droomt nu niet meer.
Het denkt dat het wakker is.

Maar soms, op zomeravonden als gisteren, kun je die betoverende Maagdelijke sfeer van het oude Mechelen nog waarnemen.
Ik voelde ze al toen ik over de brug van Temse reed, waar de Schelde zo majesteitelijk breed is.
Van dan af wordt alles stelselmatig kleiner, althans in uiterlijke zin.
Maar innerlijk voel je als het ware het naderen van ‘het kind’.
En dat wekt een stille ontroering.

Die stille ontroering voelde ik ook toen ik op dat smalle wandelpad liep.
Er was eigenlijk niks bijzonders te zien, het was allemaal heel gewoon en heel burgerlijk.
En toch droeg een belofte van hemelse dingen in zich.

Ja, zo stel ik mij de hemel voor, althans in het begin.
Als een groene wereld waar een diepe rust heerst, waar de zon zijn zachte gouden stralen over uitgiet en waar iedereen met heel gewone dingen bezig is, vol verwachting van de Grote Droom die langzaam nader komt en die in feite de Grote Werkelijkheid is, de werkelijkheid die we hier slechts in beelden waarnemen.
Als we tenminste wakker worden uit de droom dat we wakker zijn …

20130828-121959.jpg

Ik had de sparren inmiddels achter me gelaten en drong steeds dieper door in een steeds groenere wereld.
In de verte hoorde ik een koe loeien, ook weer een typisch Ardeens geluid.
Het leek wel of België werkelijk één werd.
Maar ik vond dat die Vlaamse koe toch wel behoorlijk luid loeide.
Het machtige geluid spande een onzichtbaar gewelf over de hele streek.
Toen realiseerde ik me dat het geen koe was die ik hoorde.
Het was een … leeuw!

Ik naderde namelijk de Leuvense vaart en aan de overkant van die vaart ligt Planckendael, de dierentuin.
En vandaar klonk dat indrukwekkende gebrul.
Het was alweer een beeld: de Vlaamse leeuw die af en toe wel eens brult, maar niemand nog schrik aanjaagt omdat hij opgesloten zit in een kooi ter vermaak van de toeristen.

Maar het was welletjes geweest met al die beelden.
Van te veel beelden wordt een mens dronken, en ik moest nog rijden.
Ik ging even op een bank aan het water zitten, het spiegelgladde water van de loodrechte Leuvense vaart.
Naast me zat iemand te vissen vanuit zijn auto.
Achter mijn rug reden de wielertoeristen in trosjes voorbij.
Hijgende joggers passeerden.
In de tuin van een riante villa zag ik midden op het gazon een enorme rode plastic hond staan.
Hedendaagse Kunst!
Tijd om terug te keren.
Ik wandelde het pad weer af.
De zon was achter de bomen verdwenen.
De betovering was verbroken.
Was dit dezelfde wereld waar ik nog maar net doorgewandeld was?
Mijn verstand zei ja.
Maar mijn hart herkende niets meer.

Afscheid genomen, handen gezwaaid en de autostrade weer op.

Maar hé, wat was dat daar?
Tussen de struiken op de middenberm door ving ik glimpen op van een zon die sprookjesachtig onderging tussen allemaal roze wolkjes, als een moeder te midden van haar kinderen, gloeiend van trots.
Maar nee, het was geen trots.
Dit was niet meer de blakende augustus-zon.
Dit was een veel mildere zon, een Maagd-zon.
Ze straalde. Letterlijk.
Je kon haar stralen zien.

Het was gelukkig niet zo druk meer op de autostrade.
Maar toch nog niet zo rustig dat ik had kunnen uitstappen om een foto te nemen.
Dat kon vroeger nog wel, toen de wereld nog niet zo diep in slaap lag en droomde dat hij wakker was.
Ik herinner me nog dat we 40 jaar geleden met vijf vrienden in een kleine Mazda over de autostrade reden. Richard zat aan het stuur.
Hij had niet alleen een leeuwenhart, hij was ook een onverbeterlijke speelvogel.
We keken naar buiten. Het was een grijze dag.
Iemand zei: regent dat nu of niet?
Onmiddellijk ging Richard op de rem staan, stapte uit en hield zijn handpalmen omhoog.
Nee, schudde hij het hoofd, ik voel niks.
Waarna hij weer instapte en verder reed.
Ja, dat kon toen nog.

Nu kon ik alleen maar vanuit de auto naar de zon kijken.
En luisteren naar Simon & Garfunkel.

Hello darkness, my old friend;
I’ve come to talk with you again.
Because a vision softly creeping
Left its seeds while I was sleeping,
And the vision that was planted in my brain
Still remains within the sound of silence.