Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: man en vrouw

Schaamlippen (1)

  

Onlangs lanceerde Goedele Liekens een oproep om een nieuw woord te bedenken voor schaamlippen. Schaamlippen zijn immers niks om je voor te schamen, vindt ze. Het lijdt weinig twijfel dat het hier gaat om een mediastunt. Bekende Vlamingen hebben er, zoals bekend, een dagtaak aan om bekend te blijven. Met haar schaamlippen is Goedele Liekens daar weer eens goed in geslaagd. Dat neemt echter niet weg dat haar stunt kadert in een veel ruimere beweging, die niet alleen nieuwe woorden maar een geheel nieuwe wereld lijkt te willen bedenken. Het is niet gemakkelijk om voor die beweging een passende naam te bedenken (sic) want nu eens doet ze zich voor als feminisme en dan weer als regenboog-activisme. De ene keer strijdt ze voor sociale gelijkheid, de andere keer tegen racisme en discriminatie. Toch ben ik ervan overtuigd dat het om één en dezelfde beweging gaat, een bijzonder beweeglijke beweging, wat doet vermoeden dat er geestelijke invloeden in het spel zijn.

Welke invloeden zouden dat kunnen zijn? Welke geest is werkzaam in deze beweging? Laat ik eens proberen daarachter te komen aan de hand van Goedele Liekens’ schaamlippen. Om te beginnen geloof ik geen moment dat ze er wakker van ligt dat haar schaamlippen schaamlippen worden genoemd. Haar oproep heeft helemaal niet tot doel het lijden der vrouwen te verzachten, dat is nogal wiedes. Maar welk doel heeft hij dan wel, afgezien van het halen van het nieuws? Goedele Liekens wil een woord veranderd zien dat volgens haar dateert uit patriarchale tijden toen vrouwen nog als minderwaardig werden beschouwd. Vandaar dat er geen mannelijke tegenhanger bestaat voor ‘schaamlippen’. Mannelijke genitalia worden inderdaad nooit bedacht met het voorvoegsel ‘schaam’, alsof de man zich niet hoeft te schamen en de vrouw wel. Door deze taalongelijkheid ongedaan te maken, lijkt Goedele Liekens te verwachten dat ook de reële ongelijkheid tussen man en vrouw zal verdwijnen of althans verminderen. 

Of ze daarin gelijk heeft, weet ik niet, maar ik betwijfel wel dat het woord ‘schaamlippen’ een uitdrukking is van male supremacy. Die voorstelling van zaken steunt op een welbepaalde visie op taal, een nominalistische visie. Daarin worden woorden gezien als namen die men aan de dingen geeft. Die naamgeving berust op een afspraak, een consensus – een beetje zoals ouders overeenkomen hun kind een bepaalde naam te geven. In zo’n consensus spelen natuurlijk allerlei machtsverhoudingen een rol, zowel binnen het gezin als in de maatschappij, en aangezien de macht vroeger vooral (of zelfs uitsluitend) in handen van mannen was, ligt het voor de hand dat zij het woord ‘schaamlippen’ bedacht hebben en dat hun dominantie over de vrouw erin tot uitdrukking komt. In de nominalistische opvatting is er geen rechtstreeks verband tussen het woord en het ding. Dat schaamlippen schaamlippen heten heeft niets te maken met het lichaamsdeel, maar alles met de naamgevers, de mannen dus.

Er bestaat echter nog een andere visie op taal: de realistische. In de Middeleeuwen was ze nog sterk genoeg om te kunnen wedijveren met haar nominalistische tegenpool, maar vandaag is ze helemaal uitgeteld. Dat kan geen verbazing wekken, want ze gaat ervan uit dat een woord het wezen van een ding tot uitdrukking brengt (en daardoor deel heeft aan de realiteit van het ding). Dat wordt wel eens spottend essentialisme genoemd, alsof de dingen een ‘essentie’ zouden hebben op grond waarvan men de dingen dan een passende naam kan geven. Die ‘essentie’ kan alleen geestelijk worden gedacht en dat is uiteraard de reden voor de spot: onze materialistische tijd gelooft niet langer in de realiteit van de geest. Hij gelooft niet dat de dingen een geestelijke dimensie hebben die kan waargenomen worden, evenmin als hij gelooft dat moeders geestelijk contact kunnen hebben met hun ongeboren kind en het op die manier de juiste naam geven. Het realisme is een vrouwelijk-spirituele visie, het nominalisme een mannelijk-materialistische.  

Hier treedt al een tegenstrijdigheid aan het licht die typisch is voor de beweging waarvan Goedele Liekens deel uitmaakt. Haar voorstel om de schaamlippen te herdopen heeft een onmiskenbaar feministische motivering. Toch kiest ze voor een uiterst ‘mannelijke’ visie op taal. Ze gaat er vanuit dat het woord schaamlippen ontstaan is als gevolg van een consensus waarbij macht werd uitgeoefend. Door een nieuwe consensus te willen creëren, verandert ze niets wezenlijks, naamgeving of woordkeuze blijven gebaseerd op macht. Goedele Liekens wil de ongelijkheid tussen man en vrouw niet ongedaan maken, ze wil die ongelijkheid gewoon omkeren. In plaats van male supremacy wil ze nu female supremacy invoeren. De supremacy zelf – het machtsprincipe en de daaruit voortvloeiende ongelijkheid – laat ze ongemoeid. Meer nog, ze breidt het uit, want na de mannen willen nu ook de vrouwen macht uitoefenen. Op die manier maakt ze van de man-vrouwrelatie één grote machtsstrijd, een guerre des sexes

Domineren, macht uitoefenen, onderdrukken en discrimineren worden door het feminisme als mannelijke eigenschappen beschouwd. Vrouwen daarentegen heten inclusief, verbindend, bemiddelend en gelijkmakend te zijn. Dat maakt van het feminisme waar Goedele Liekens deel van uitmaakt een anti-vrouwelijke beweging, want ze wil mannen en vrouwen niet verbinden, ze wil hun tegenstelling juist op de spits drijven. Dat blijkt ook uit haar schaamlippen-oproep: die komt vrouwen op geen enkele manier ten goede, maar hij sart wel mannen. Alsof die mannen nog niet genoeg beschuldigingen naar het hoofd geslingerd krijgen, wordt hen nu ook nog eens verweten het discriminerende woord ‘schaamlippen’ bedacht te hebben. Van een onschuldig woordje maakt Goedele Liekens een middel om macht uit te oefenen over mannen en daardoor ook hun machtsstreven weer aan te wakkeren. Verre van daarmee iets te verbeteren, maakt ze de zaken alleen maar erger. 

Maar stel nu eens dat ze zich vergist en dat het woord ‘schaamlippen’ helemaal niet het product is van een door machtsgeile mannen gedomineerde consensus. Stel nu eens dat haar nominalisme een misvatting is en dat taal toch op een ‘realistische’ manier ontstaan is, dat wil zeggen door waarneming van het wezen der dingen, van de geestelijke dimensie van de werkelijkheid dus. Dan is haar schaamlippenvoorstel een aanslag op het vrouwelijk-verbindende aspect van de taal, een poging om deze cruciale brug tussen mens en geest op te blazen, een uiting van het agressieve materialisme dat probeert alle verbindingen met de geest door te snijden. Het maakt met andere woorden niks uit of we ‘schaamlippen’ op nominalistische dan wel realistische manier benaderen. Of het woord nu het resultaat is van male supremacy dan wel van vrouwelijke helderziendheid, in beide gevallen is de oproep van Goedele Liekens gericht tegen de vrouwen en de vrouwelijkheid. 

Achter haar voorstel om de vrouwelijke schaamlippen te herdopen, gaat een mannelijke geest schuil, een agressieve, machtswellustige, materialistische geest. En wat hem zo gevaarlijk maakt is dat hij zich voordoet als zijn tegendeel. Hij verbergt zich achter een onschuldig vrouwelijk masker dat streeft naar eenheid, gelijkheid en vrede. Wie zou de sympathieke Goedele Liekens met haar ludieke schaamlippenvoorstel van kwaad opzet durven verdenken! Is het niet juist hoog tijd dat er iets gedaan wordt aan de male supremacy die onze planeet nu al zolang teistert met zijn gewelddadige machtsstreven! De geest die Goedele Liekens inspireert heeft twee gezichten: een agressief mannelijk gezicht en een vredelievend vrouwelijk gezicht. Hij lijkt een eind te willen maken aan de machtsverhoudingen tussen man en vrouw, maar in werkelijkheid wil hij tussen beide een oorlog ontketenen. Hij is een wolf in een schaapsvacht, een warlord die de vrede in zijn wapen voert. 

We zien die geest momenteel aan het werk in de zaak Harvey Weinstein, de Hollywoodproducer die beschuldigd wordt van ‘grensoverschrijdend’ gedrag. De eerste aanklacht heeft een sneeuwbal aan het rollen gebracht die steeds groter wordt. Overal beginnen vrouwen mannen ervan te beschuldigen hen aangerand te hebben. Het Grote Zwijgen wordt doorbroken en daar kan men niet rouwig om zijn, want mannen als Harvey Weinstein misbruiken hun macht om vrouwen te vernederen. Maar die vernederde vrouwen beginnen nu de rollen om te draaien: ze maken misbruik van hun nieuw verworven macht om op hun beurt hun belagers te vernederen. En ze gaan daarin heel wat verder. De actrices die Weinstein aanrandde, liepen kwetsuren op, daar kan geen twijfel over bestaan. Maar ze werden er ook beter van: ze kregen filmrollen aangeboden. Wat Harvey Weinstein momenteel meemaakt is veel meer dan een kwetsuur of een vernedering. Het is een regelrechte vernietiging. 

Als de hele zaak voorbij is, zal er van Harvey Weinstein niks meer overblijven. Hij zal er veel erger aan toe zijn dan zijn slachtoffers, die – laten we wel zijn – niet zo onschuldig en weerloos waren als ze nu laten uitschijnen. De reputatie van Weinstein was in Hollywood welbekend. Actrices die zich door hem lieten meetronen naar zijn hotelkamer wisten heel goed wat er kon gebeuren. Dat praat zijn gedrag natuurlijk niet goed, maar het relativeert wel de ‘vermoorde onschuld’ van de aanklaagsters. Achter dat masker verbergt zich een geest die veel erger is dan wat Harvey Weinstein bezielde toen hij zich vergreep aan al die vrouwen. Daarvan getuigt het lot van Kevin Spacey, de Hollywoodacteur die eveneens beschuldigd wordt van grensoverschrijdend gedrag. Dit keer zijn de slachtoffers jonge mannen. Van verkrachting is zo te zien geen sprake en van weerloze slachtoffers evenmin. Maar toch wordt Kevin Spacey nog een stuk zwaarder gestraft dan Harvey Weinstein.

Want niet alleen zijn leven wordt nu vernietigd, ook zijn werk wordt op de brandstapel gegooid. Meteen na de eerste beschuldigingen werden de opnames van House of Cards stopgezet, de bijzonder succesrijke tv-serie waarin Kevin Spacey de hoofdrol vertolkte. Uit een andere pas afgewerkte film werden alle scènes verwijderd waarin hij meespeelde. Sony verbrak alle banden met de acteur. In de krant verscheen een artikel met de vraag of we ooit nog films met Kevin Spacey zullen kunnen bekijken zonder te denken: kijk, dat is die pervert! De man wordt dus gebroodroofd (wat in zijn geval nog het minste is), hij is ook het slachtoffer van een karaktermoord (wat al een stuk erger is), maar daarbovenop – en dat is nog het ergst van al – is hij ook het slachtoffer van een geestelijke moord: zijn kunst wordt in diskrediet gebracht. Dat is het omgekeerde van wat de slachtoffers van Harvey Weinstein overkwam: hun vernedering kwam hun kunst ten goede, ze kregen filmrollen aangeboden.

De wolfsgeest die zich verbergt achter een onschuldig ‘vrouwelijk’ masker treft de mens veel dieper dan zijn mannelijke ‘collega’ die geen geheim maakt van zijn machtswellust. Kunstenaars zijn als moeders: ze zijn bereid alles op te offeren voor hun kinderen, dat wil zeggen voor hun kunst. Men kan ze niet dieper kwetsen dan door die kunst te vernietigen. De betekenis van kunst overstijgt dan ook het louter persoonlijke. We hoeven er maar aan te denken wat voor gevolgen het zou hebben als men ontdekte dat Van Gogh zich vergreep aan kinderen of dat Bach een vrouwenverkrachter was. Dat zou de vreugde van miljoenen mensen bederven en een enorme klap zijn voor de menselijke beschaving. Strikt genomen doen de duistere kanten van kunstenaars niets af aan de waarde van hun kunst, maar zo werkt het niet. Men kan de receptie van een oeuvre vernietigen door de reputatie van zijn schepper te vernietigen. En daar is vandaag niet veel voor nodig: een paar beschuldigingen volstaan, ze hoeven niet eens waar te zijn. 

De geest-met-de-twee-gezichten – de wolf vermomd als Roodkapje – heeft het niet alleen voorzien op mannen en vrouwen, hij heeft het voorzien op de hele mens: op lichaam, ziel en geest. Zijn beschuldigingen lijken aanvankelijk terecht te zijn en uit te gaan van het Ik, het morele wezen van de mens. Maar algauw beginnen ze zich te vermenigvuldigen en wordt achter het Ik een heel ander wezen zichtbaar dat zich niets aantrekt van moraal of menselijkheid. Al die actrices die momenteel Harvey Weinstein beschuldigen – de teller staat al op 100 – lijken gedreven te worden door heilige verontwaardiging. Dat was wellicht ook wat de bal aan het rollen bracht: het ging niet alleen om henzelf, het ging om alle vrouwen die het slachtoffer worden van male supremacy. De zaak heeft intussen enorme proporties aangenomen en het regent overal ter wereld beschuldigingen in wat we een opstoot van mondiale vrouwensolidariteit zouden kunnen noemen. Maar deze girlpower is slechts een masker, erachter verbergt zich iets heel anders. 

Dat kunnen we al opmaken uit het feit dat geen van die verontwaardigde actrices het waagt om één kwaad woord te zeggen over moslimmannen. Nochtans maken die het véél bonter dan Harvey Weinstein, die een koorknaap is vergeleken bij zijn islamitische soortgenoten. Als het werkelijk morele verontwaardiging en solidariteit was die al die vrouwelijke aanklagers dreef, dan zou er nu een oorverdovend protest weerklinken tegen de manier waarop moslima’s door moslims worden behandeld. Daar is echter niets van te merken, wel integendeel. Als de vrouwenbeweging protesteert dan is het tegen islamofobie en voor de hoofddoek. Al die heilige verontwaardiging en vrouwelijke solidariteit zijn dus schijn. Achter dat morele masker gaat een geest schuil die geweld tegen vrouwen toejuicht en zijn pijlen alleen richt tegen de bange, blanke man, de man die niet durft te reageren tegen de beschuldigingen die tegen hem worden geuit, die beschaamd het hoofd buigt en nederig mea culpa slaat. 

Advertenties

Over de drempel (2)

In onze tijd gaat de mensheid over de drempel.
Vorige keer heb ik die drempeloverschrijding vergeleken met een geboorte: de mens komt terecht in een wereld die helemaal anders is maar toch ook weer vertrouwd.
Totaliter aliter, zei men vroeger, helemaal anders, maar de uitdrukking is wel samengesteld uit aliter (anders) en taliter (hetzelfde).
De wereld waarin we vandaag leven is inderdaad helemaal anders dan de wereld vóór 1900, maar tegelijk is het nog altijd dezelfde wereld.
Alles wat nu zichtbaar wordt, was toen reeds aanwezig.
Het ‘kind’ dat nu geboren wordt en de wereld op zijn grondvesten doet daveren, was toen reeds volgroeid en klaar om over de drempel te gaan.

Dat doet natuurlijk de vraag rijzen: waar komt dit kind vandaan, hoe is het in de baarmoeder van ons bewustzijn terechtgekomen?
Anders gezegd: wanneer vond de bevruchting plaats?
Volgens Rudolf Steiner leven we momenteel op het Keerpunt der Tijden, en dat kan wel kloppen met het beeld van zowel de drempeloverschrijding als de geboorte: het zijn allebei momenten die een keerpunt vormen, een punt waarop alles anders wordt.
Maar Steiner gebruikt die uitdrukking ook voor de komst van Christus, en die vond 2000 jaar geleden plaats.
Hoe valt dat samen te rijmen?
Hoe kunnen twee tijdstippen die zover uit elkaar liggen allebei aangeduid worden als het ‘keerpunt der tijden’?

Dat raadsel wordt opgelost als we het Keerpunt der Tijden zien als een zwangerschap die zich uitstrekt tussen bevruchting en geboorte, dat wil zeggen tussen de fysieke komst van Christus en zijn etherische wederkomst.
Wat betekent immers 2000 jaar in het geheel van de mensheidsgeschiedenis? Het is niet meer dan een ‘punt’, zij het dan wel een heel complex en dramatisch punt.
Een en ander maakt ook begrijpelijk waarom Rudolf Steiner de Weihnachtstagung een Welten-Zeitenwende-Anfang noemde.
De mensheidsontwikkeling keert zich om en begint in zekere zin opnieuw.
Op fysiek vlak gaat de ontwikkeling natuurlijk gewoon verder.
Het Keerpunt der Tijden kan niet betekenen dat we nu weer alles beginnen af te breken wat we in het verleden hebben opgebouwd en terugkeren naar een leven als holbewoner.
De ontwikkeling van ons (aardse) bewustzijn gaat in één richting, ze is onomkeerbaar.
Nee, het is op geestelijk vlak dat we rechtsomkeer maken, zoals we dat ook na de dood doen, wanneer we ons (voorbije) leven opnieuw beleven, maar dan in omgekeerde richting.
In onze tijd begint de terugkeer naar het verleden, naar onze geestelijke bron: we worden weer ‘als de kinderkens’. Maar dat doen we alleen op geestelijk gebied, want op materieel gebied doen we net het omgekeerde: we worden steeds ouder en volwassener.

Om dezelfde reden kan Rudolf Steiner ook zeggen dat we pas aan het begin – en dus niet aan het eind – van het christendom staan.
Tweeduizend jaar geleden werd de wereld bevrucht met het christendom en na een lange zwangerschap wordt dat christendom vandaag geboren.
Maar dat gebeurt deze keer niet in uiterlijke zin, in de vorm van een nieuwe godsdienst.
Nee, het is in het innerlijk van ieder mens (ongeacht zijn godsdienst) dat het christendom vandaag geboren wordt.
Die geboorte is uiterst moeilijk en pijnlijk – dat kunnen we aflezen aan alles wat sinds 1900 in de wereld gebeurt – maar de bevruchting was dat niet minder.
Die vond namelijk plaats toen Christus aan het kruis stierf en zijn Ik – gedragen door zijn bloed – doordrong in de aarde.
Op dat moment werd niet alleen de nieuwe aarde maar ook de nieuwe mens verwekt, de nieuwe mens die vandaag geboren wordt.

Deze ‘nieuwe mens’ is geen fysiek wezen, maar het is evenmin een louter geestelijk wezen.
Het is een etherisch wezen dat gedurende 2000 jaar in de sfeer tussen lichaam en geest is gegroeid, ver buiten het bereik van ons bewustzijn.
Vandaag is dat (etherische) kind volgroeid en staat het voor de drempel van de bewuste (astrale) wereld.
Zoals ieder ongeboren kind kan het zelf niks doen en is het helemaal afhankelijk van zijn moeder, dat wil zeggen van de moderne mens zoals we hem vandaag kennen.
Maar anders dan bij een fysieke geboorte, leeft die mens in totale ontkenning van het kind dat in hem geboren wil worden.
Hij voelt wel dat er van alles te gebeuren staat en dat hij de speelbal is van krachten die hem ver te boven gaan, maar materialistisch als hij is, zoekt hij de oorzaak van de ‘weeën’ overal behalve in het bovenzinnelijk kind dat hij in zich draagt.

Maar of hij nu gelooft in dat kind of niet, de geboorte valt niet tegen te houden.
Toen Christus de mensheid bevruchtte, begon in haar een kind te groeien en evenmin als een moeder had ze daar enige controle over.
Ze besefte niet eens dat ze zwanger was.
Ze onderging het christendom als een uiterlijke noodwendigheid.
En vandaag, nu de bevalling is aangebroken, bereikt dat ‘ondergaan’ een hoogtepunt dat tegelijk een keerpunt is.
De mensheid wordt overweldigd door geboorteweeën.
Het (onzichtbare) kind reduceert zijn moeder tot een lijdend voorwerp.
Maar tegelijk wordt ze nu ook een handelend voorwerp.
Als het water van een zwangere vrouw breekt, gaat ze niet gewoon liggen wachten tot het allemaal voorbij is.
Nee, ze schiet nu juist in actie.
En precies aan die actie kunnen we aflezen wat we kunnen doen in het geval van een ‘etherische’ geboorte.

De fysieke wereld is immers niets anders dan een gecomprimeerde geestelijke wereld.
Als we bijvoorbeeld onze aarde zouden kunnen samenballen tot één punt, dan zou dat punt zich tot de aarde verhouden zoals de materie tot de geest.
Alles wat we kennen, zou erin zitten, maar we zouden het niet herkennen.
We zouden een microscoop nodig hebben om in dat ene punt heel onze uitgebreide en complexe aarde terug te vinden.
Op dezelfde manier zijn onze zintuigen er niet op berekend om in de materiële wereld de (oneindig samengedrukte) geestelijke wereld te herkennen.
Maar we bezitten wel het vermogen om onze zintuiglijke wereld in gedachten weer uit te laten groeien tot de geestelijke wereld die eraan te grondslag ligt. We kunnen hem bij wijze van spreken in het water leggen en kijken hoe hij zich langzaam weer ontplooit tot datgene wat hij was vóór hij uitdroogde, verschrompelde en verhardde tot een ‘punt’.
Dat ‘gedachtenwater’ is onze verbeelding, die een soort baarmoeder is waarin we een (materieel) zaadje kunnen planten en kijken hoe het zich ontwikkelt tot datgene wat het in (geestelijke) oorsprong was.
We kunnen dat ook doen met het fysieke geboorteproces en er op die manier achterkomen hoe een etherisch geboorteproces eruitziet en wat onze rol daarin is.

Wat gebeurt er dus wanneer het water van een zwangere vrouw breekt?
Het machteloze afwachten is voorbij en er breekt een periode van hectische activiteit aan: kleren worden verzameld, de echtgenoot wordt gebeld, de vrouw wordt naar het ziekenhuis gevoerd, de gynaecoloog wordt verwittigd, alles wordt in gereedheid gebracht.
Zo gaat dat tegenwoordig.
Vroeger ging het enigszins anders.
Vrouwen werkten op het veld. Als hun water brak, gingen ze even naar huis, bevielen van hun kind, wikkelden het in doeken en namen het weer mee naar het veld, want het werk moest doorgaan.
Een geboorte was niks bijzonders, het was een natuurlijk gebeuren.
Vrouwen waren bijna voortdurend zwanger. De meeste kinderen overleefden immers hun eerste levensjaar niet. Alleen de sterksten bleven in leven.
Het is misschien een karikaturale voorstelling van het verleden, maar ze maakt wel duidelijk dat een geboorte vandaag totaliter aliter is.
Het is precies hetzelfde natuurlijke proces, maar het is ingebed in een geheel andere cultuur.

De kern van die ‘cultivering’ is de veranderde relatie tussen man en vrouw.
Vroeger was een geboorte en alles wat ermee te maken had een exclusief vrouwelijke aangelegenheid.
Men wist niet eens dat de man er iets mee te maken had, het hele bevruchtingsproces was nog niet bekend.
Ook toen dat wel bekend raakte, bleef men de man zorgvuldig buiten de hele zaak houden.
Vaders waren niet welkom bij de bevalling van hun kinderen, de deur van de verloskamer bleef gesloten.
Maar via de wetenschap drong de man langzaam maar zeker die exclusief vrouwelijke wereld binnen.
De vroedvrouw moest plaats ruimen voor de dokter.
De slaapkamer werd vervangen door de ziekenhuiskamer.
En ten slotte stapte ook de vader over de drempel.
Voor het eerst in de geschiedenis waren man en vrouw niet alleen verenigd bij de bevruchting maar ook bij de bevalling.
De cirkel was rond, het hele scheppingsproces – van conceptie tot geboorte – was doordrongen van helder, rationeel bewustzijn.
Vrouwelijk scheppen en mannelijk oordelen verenigden zich.

De mensheid gaat vandaag over de drempel.
Die grootse geestelijke gebeurtenis wordt in onze materiële wereld weerspiegeld in tal van ogenschijnlijk kleine dingen, zoals bijvoorbeeld de vader die ‘over de drempel’ van de verloskamer gaat.
Voor die vader is het een kleine stap, maar voor de mensheid is het een heel grote stap.
Want de mens betreedt voor het eerst volkomen bewust de wereld van de scheppende krachten, die in wezen geestelijke krachten zijn.
Anders gezegd: hij betreedt de etherische wereld, de wereld van de levens- en vormkrachten.
Hij overschrijdt dus de grens tussen de (bewuste) astrale wereld en de (onbewuste) etherische wereld.
Maar dat doet hij alleen als ‘man’, dat wil zeggen met zijn wakkere, rationele bewustzijn.
Als ‘vrouw’, dat wil zeggen met zijn slapende, scheppende onderbewustzijn, overschrijdt hij die grens in omgekeerde richting: het etherische kind betreedt de astrale wereld.

Het etherische geboorteproces is dus aanzienlijk complexer dan het fysieke geboorteproces: het omvat een mannelijke én een vrouwelijke grensoverschrijding.
Wat op fysiek gebied een exclusief vrouwelijke aangelegenheid is – de moeder heeft strikt genomen de vader niet nodig om haar kind op de wereld te zetten – is op geestelijk-etherisch gebied een aangelegenheid van man én vrouw.
Enerzijds is er een ‘etherisch kind’ dat geboren wil worden en dus de baarmoederlijke wereld van het onderbewustzijn wil verlaten om gekend te worden door het heldere rationele bewustzijn.
Anderzijds is er dat rationele bewustzijn dat deze donkere, onderbewuste wereld wil binnendringen.
Beide werelden – de mannelijk-rationele en de vrouwelijk-scheppende – bewegen zich onweerstaanbaar naar elkaar toe, beide hebben elkaar nodig: het kind wil gezien worden en het rationele denken wil het kind zien.

Aan alles valt af te lezen dat het geboorteproces sinds 1900 is ingezet.
Enorme weeën hebben de wereld overvallen.
Maar toch heeft die wereld nog altijd geen idee van wat er nu werkelijk aan de hand is.
Hij blijft blind voor ‘het kind’.
Ook dat zien we weerspiegeld in het fysieke geboorteproces.
Het rationele bewustzijn is de vrouwelijke wereld van de scheppingskrachten binnengedrongen, wat uiteindelijk culmineerde in de aanwezigheid van de vader bij de bevalling.
Maar kunnen we werkelijk zeggen dat het mannelijke denken deze scheppende wereld begrijpt?
Brengen man en vrouw werkelijk samen hun kind op de wereld?
Of is die samenwerking en dat begrijpen slechts schijn?
Heeft een barende vrouw vandaag werkelijk het gevoel dat ze haar kind niet langer alleen op de wereld moet zetten? Voelt ze zich werkelijk begrepen door haar man en kan ze haar ervaringen echt met hem delen?
De vraag stellen is ze beantwoorden.
De aanwezigheid van de man in de verloskamer is in hoge mate symbolisch.
Het is een uiterlijk gebaar, wat ook tot uiting komt in het feit dat de vader eigenlijk geen keuze heeft.
Hij moet erbij zijn. Wat vroeger verboden was, is vandaag een plicht geworden.

We zien dat ook buiten de verloskamer.
We leven in een tijd dat man en vrouw – voor het eerst in de geschiedenis – als gelijken tegenover elkaar staan. Op alle gebieden werken ze samen: vrouwen verrichten ‘mannelijk’ werk en mannen zorgen voor de kinderen en het huishouden. Vrouwen hebben rationeel leren denken, mannen hebben hun empathische vermogens ontwikkeld. Vrouwen zijn harder geworden, mannen zachter. Enzovoort.
Maar als we de zaken wat nauwkeuriger bekijken, zien we dat die gelijkheid in hoge mate schijn is. Vrouwen zijn inderdaad doorgedrongen in de mannelijke beroepswereld, maar is die wereld daardoor vrouwelijker geworden?
Mannen verrichten nu huishoudelijke en opvoedkundige taken, maar doen ze dat uit vrije wil en uit liefde voor het werk, of doen ze dat omdat het nu eenmaal zo hoort?
De waarheid is dat beiden zich aanpassen, maar er niet met hun hele wezen bij zijn.
Uiterlijk gedragen vrouwen zich als mannen en mannen zich als vrouwen, maar innerlijk zijn ze allebei hetzelfde gebleven, wat ondermeer tot uiting komt in het feit dat het nog altijd de vrouwen zijn die kinderen moeten baren en mannen die vrouwen moeten bevruchten.
We zien ook dat de vrouw een veel groter vermogen heeft om zich aan te passen dan de man.
Bijna iedere vrouw gaat vandaag werken, maar de ‘huismannen’ blijven vooralsnog een kleine minderheid. Meisjes gaan naar school, net als jongens, en krijgen dus dezelfde rationeel-wetenschappelijke opvoeding. Maar hoeveel jongens krijgen een emotionele, kunstzinnige opvoeding?

Een en ander is begrijpelijk als we bedenken dat ieder mens uit een vrouw wordt geboren.
Het ‘vrouwelijke’ ligt aan de oorsprong van het mannelijke.
Het heeft het mannelijke in zich gedragen zoals een moeder haar kind en heeft er dan ook een veel nauwere relatie mee dan omgekeerd.
Vrouwen kunnen zich het mannelijke veel gemakkelijker eigen maken dan mannen zich het vrouwelijke kunnen eigen maken.
Meer zelfs, mannen zullen nooit kinderen kunnen baren zoals vrouwen.
Uit het mannelijke zal nooit iets vrouwelijks kunnen ontstaan.
Tenzij op geestelijk vlak.

(wordt vervolgd)

Over de drempel

Het zijn grijze, grauwe dagen.
Kerstmis nadert, maar de verwachting is verder weg dan ooit.
Mijn advent begon eigenlijk half september, toen ik in Brugge weer mensen begon te tekenen en vervuld raakte van nieuwe hoop en leven.
Maar toen kwam de draak en aborteerde het hele zaakje.
Ik begreep er niks van.
Ik had hier jaren naartoe geleefd, alles leek naar dit punt toe te werken.
Maar wat een geboorte leek te zullen worden, veranderde opeens in een miskraam.

Ik probeerde de zaak te begrijpen.
Wat kon ik anders doen?
Ik had geen flauw idee hoe het nu verder moest.
Er opende zich een groot zwart gat waarin ik probeerde licht te ontsteken.
Maar mijn lucifers zijn opgebrand en er is nog altijd geen vuur ontstaan.
Straks breekt het nieuwe jaar aan en moet begonnen worden met de voorbereiding van het komende marktseizoen.
Maar ik weet niet eens of er nog een tweede marktseizoen komt.
Het eerste eindigde in een totale mislukking.
Ik heb nochtans alles geprobeerd om het te doen slagen.
Ik heb het hele jaar geschilderd in functie van de markt.
En ik heb sinds Michaël niets anders meer gedaan dan nadenken over mijn mislukking.
Allemaal vergeefs.
Er is mij nog altijd geen licht opgegaan.
Het zwarte gat blijft zwart.

Ik heb nog wel het ‘droompje’ dat ik kreeg in antwoord op mijn vraag: wat nu?
Het eerste deel ervan begreep ik, maar het tweede blijft een raadsel.
Slaat het wellicht op de situatie waarin ik nu zit?
Ik bevind mij in die droom in een soort Escher-achtige constructie waarin ik mij vastklamp aan een soort kanteel. Maar ik voel mij naar beneden glijden en roep om hulp.
Beneden kijkt een keurig geklede man omhoog, glimlacht even en vervolgt zijn weg.
Op dat moment val ik naar beneden en kom op mijn twee voeten terecht alsof ik me maar een halve meter boven de grond bevond.
Tot zover mijn droom.

Nu de werkelijkheid.
Door onafgebroken na te denken over de ‘abortering’ van mijn verwachtingen ben ik gevangen geraakt in het labyrint van mijn eigen gedachten.
Hoe meer ik nadenk, hoe vaster ik kom te zitten.
Ik had gehoopt mij al denkend een beeld te kunnen vormen van mijn situatie dat duidelijk genoeg was om het in een praktische maatregel te vertalen.
Maar dat is tot nog toe niet gelukt en ik sta dicht bij het punt om het allemaal op te geven en … los te laten.
Is dat werkelijk wat ik moet doen?
Is dat wat mijn droom me wil vertellen?

Nog meer werkelijkheid: verleden week werd ik omvergereden door een auto, gelukkig zonder al te veel erg.
Alweer een beeld dus van bruusk afgestopt worden.
Maar hoeveel belang ik ook hecht aan beelden, ik vind het nog altijd een brug te ver om ze mijn leven te laten bepalen.
We kunnen toch niet terug naar de tijd van de Romeinen toen het leven geregeld werd door auguren die de wil van de goden aflazen aan de vlucht van de vogels?
Dat strookt niet met de vrijheid die wij mensen sindsdien ontwikkeld hebben.
Daar staat dan weer tegenover dat die vrijheid ons stuurloos heeft gemaakt.
We weten niet meer waar het heen moet met de wereld.
We hebben grote behoefte aan leiding, want zelf komen we er niet meer uit.
Dat ondervind ik nu zelf maar al te goed.
Ik heb mezelf helemaal vrijwillig in deze situatie gebracht.
Het is MIJN situatie, een situatie die ik GEWILD heb.
Maar nu zit ik vast.
Met alles wat ik ontwikkeld heb op het vlak van denken, voelen en willen – met de vermogens dus die ik de MIJNE mag noemen – kom ik er niet uit.
Ik weet zelfs niet of ik nog langer moet proberen.
Ik weet eigenlijk helemaal niks meer.

Als ik de zaak louter rationeel benader, dan kan ik maar beter stoppen met mijn marktkramerij.
Alles wijst erop dat het niks voor mij is, en ik ben de eerste om dat te beamen.
Zelfs de RVA vindt dat ik beter thuis kan blijven.
Het heeft geen zin om hard te werken en er nog geld aan toe te steken.
Tenslotte gaat een mens op de markt staan om geld te verdienen en niet om het kwijt te raken.
Zo’n louter rationele benadering draait echter uit op wanhoop over de zinloosheid van het leven en de onmacht van de mens.
Dat geldt trouwens niet alleen voor mijn geval.
Wie een optelsom maakt van alle problemen die de mens in zijn streven naar vrijheid gecreëerd heeft en daartegenover de vermogens plaatst die hij daarbij ontwikkeld heeft, kan niet anders dan tot de slotsom komen: dit loopt verkeerd af.
Hoe meer de mens zijn problemen probeert oplossen, des te groter maakt hij ze.
Zijn vermogens schieten gewoon tekort.

We hebben dus leiding nodig, want op eigen kracht redden we het niet meer.
Onze vrijheid heeft ons te diep in de problemen gebracht.
Maar diezelfde vrijheid belet ons ook om leiding te accepteren.
We willen ons leven niet laten bepalen door anderen, door dromen of door tekens allerhande.
We willen het zelf bepalen.
Maar dat lukt ons dus niet.
Ons ‘zelf’ is niet in staat om leiding te geven.
En toch is het IN dat ‘zelf’ dat we leiding moeten zoeken, want een leiding die niet uit onszelf komt, daar kunnen of willen we ons niet aan overgeven.

De vraag is natuurlijk of zo’n ‘innerlijke leiding’ wel bestaat.

Onze ziel is vandaag vervuld van liefde én haat, van hoop én angst, van rede én emotie, van goede wil én kwaadheid.
Ze is één en al tegenstrijdigheid.
Hoe kunnen we daar ooit leiding in vinden?
Dat is alleen mogelijk als we in onszelf iets vinden dat al deze tegenstellingen overstijgt.
Als die ‘innerlijke leider’ inderdaad bestaat, dan moet hij gezocht worden in het midden tussen de tegenpolen.
Maar dat midden is een groot, zwart gat.
Ons bewustzijn is volkomen gepolariseerd: het beweegt zich heen en weer tussen twee polen en kan zich in het midden niet handhaven.
Het dooft dan uit en we verliezen het bewustzijn.
De opgave is dus om bewustzijn te ontwikkelen IN dat midden, want het is de enige plaats waar we innerlijke leiding kunnen vinden, als die tenminste bestaat.

Volgens Rudolf Steiner gaat de mensheid vandaag over de drempel van de geestelijke wereld.
Er gebeurt met andere woorden in het groot wat we iedere avond in het klein meemaken wanneer we in slaap vallen: we betreden de geestelijke wereld maar we weten dat niet, omdat we bij het overschrijden van ‘de drempel’ ons bewustzijn verliezen.
Precies op het moment dat we als mensheid de grenzen van onze zelfstandigheid bereiken en overvallen worden door onmacht en vermoeidheid – we beleven een soort ‘wereldavond’ – gaan we over de drempel en betreden de geestelijke wereld.
Het is in deze wereld dat we leiding moeten zoeken want in de materiële wereld vinden we die niet meer.
Er is echter één groot probleem: we kunnen die wereld niet waarnemen.
Ons huidige bewustzijn, dat helemaal geworteld is in de materiële wereld, kan zich niet handhaven bij het overschrijden van de drempel.
De moderne mens weet dan ook, op enkele uitzonderingen na, helemaal niets af van een drempel of een geestelijke wereld.
Ten aanzien van die geestelijke wereld – die overal om ons heen is – slapen we dus.
We merken er niets van.
We zien wel dat er overal enorme veranderingen plaatsvinden, maar die schrijven we toe aan materiële factoren.
En juist dát brengt ons in de grootste problemen.

Om dat te illustreren, heb ik al vaker het beeld van de geboorte gebruikt, want een drempeloverschrijding is in feite een geestelijke geboorte, net zoals een geboorte een fysieke drempeloverschrijding is.
Wanneer een zwangere vrouw weeën krijgt, dan weet iedereen wat er moet gebeuren en wordt alles gedaan om de geboorte zo goed mogelijk te laten plaatsvinden.
Maar stel nu eens dat men geen flauw idee heeft wat er met die vrouw aan de hand is.
Men zal dan denken dat ze ernstig ziek is, dat ze in haar buik een gezwel heeft dat op alle mogelijke manieren moet bestreden worden.
Onwetendheid zorgt er dus voor dat de oprechte wil om de vrouw te helpen, uitgroeit tot de grootste bedreiging voor vrouw en kind.
Het probleem ligt met andere woorden niet bij de vrouw (als draagster van nieuw leven) maar bij de man (als drager van oud bewustzijn).
Het zijn niet de ingrijpende veranderingen die onze wereld ondergaat die het probleem vormen, het is de manier waarop ons materialistische bewustzijn erop reageert.
Onze – blinde – pogingen om de wereld te verbeteren, brengen die wereld juist in gevaar.
De enige echte verbetering kan alleen komen van het ‘kind’ dat geboren wil worden.

Dat kind gaat bij de geboorte ‘over de drempel’ en komt terecht in een geheel andere wereld waar het volkomen weerloos en hulpeloos is.
Het wordt er echter opgevangen door een moeder en een vader.
Voor die moeder is de geboorte eveneens een ‘drempeloverschrijding’: haar leven verandert voorgoed, van nu af aan is ze onlosmakelijk verbonden met en verantwoordelijk voor haar kind.
Dat geldt in mindere mate ook voor de vader: hij moet voortaan zijn vrouw delen met het kind.
Toch is zijn rol veel vrijer dan die van moeder en kind.
Hij kan zelf bepalen in welke mate hij verbonden blijft en verantwoordelijkheid opneemt.
Wat voor de moeder een natuurlijke kwestie is, is voor hem een morele kwestie.

Dat zien we ook bij de grote drempeloverschrijding van de mensheid.
De moderne mens is ‘zwanger’: in zijn ziel heeft zich een ‘kind’ ontwikkeld, een zelfstandig ‘ik’.
Hij kan dat ‘ik’ niet zien, evenmin als een moeder haar ongeboren kind kan zien.
Maar zoals een moeder de aanwezigheid van haar kind kan afleiden uit haar gezwollen lichaam, kan de moderne mens de aanwezigheid van zijn ‘ik’ afleiden uit zijn gezwollen zelfbewustzijn, .
Dat wil zeggen: hij ZOU dat kunnen, als hij tegenover dat zelfbewustzijn ging staan.
Maar hier ligt het grote verschil tussen een fysieke en een geestelijke zwangerschap.
Een zwangere vrouw kan haar dikke buik niet ontkennen, en ze kan dat des te minder naarmate het tijdstip van de geboorte nadert.
De moderne mens daarentegen kan zijn gezwollen zelfbewustzijn wél ontkennen, en hij doet dat zelfs des te meer naarmate het wanstaltiger proporties aanneemt.
We hoeven maar te kijken naar de onwaarschijnlijke arrogantie waarmee de hedendaagse materialist reageert op iedereen die gelooft in een geestelijke of goddelijke wereld.
Hij voelt zich verregaand superieur en het is onmogelijk om hem met die grootheidswaan te confronteren want dan barst hij uit in hevige verontwaardiging.
Hij reageert met andere woorden als een hoogzwangere vrouw die niets vermoedend in een spiegel kijkt en daar een dikke waggelende eend ziet.
Een echte vrouw weet natuurlijk dat die gedaanteverandering slechts van voorbijgaande aard is, anders zou het een vernietigende klap voor haar ego zijn.
Dat is ook de reden waarom het de moderne mens nagenoeg onmogelijk is om tegenover zijn gezwollen materialistische bewustzijn te gaan staan: zijn zelfbewustzijn zou het niet overleven.
En dus vermijdt zijn ego angstvallig alle ‘spiegels’ en wordt het zelfs gewelddadig als het zich dreigt bewust te worden van zichzelf.
Toch is het juist in die ‘zelfvernietigende’ confrontatie van het ego met zichzelf dat het ‘ik’ geboren wordt.

Een zwangere vrouw gaat al met een ‘aangeslagen’ ego door het leven, maar wanneer de bevalling inzet, blijft er van dat ego geen spaan meer over.
Ze wordt dan gereduceerd tot een naakt en machteloos lichaam dat geteisterd wordt door de hevigste pijnen.
Een diepere vernedering is nauwelijks denkbaar, en er is waarschijnlijk geen vrouw ter wereld die ze uit vrije wil zou ondergaan, dat wil zeggen zonder te weten dat ze beloond zal worden met een kind dat haar diepste verlangens vervult.
Dat weten is trouwens reeds aanwezig bij de bevruchting (en waarschijnlijk zelfs vroeger) en het begeleidt haar tijdens de hele zwangerschap.
Van Rudolf Steiner weten we dat een kind zijn ouders kiest.
Het is dus reeds werkzaam in de ontmoeting tussen man en vrouw.
Maar het werkt vooral door de vrouw, want zij is het die uiteindelijk de man kiest.
Zij is het ook die de bevruchting toelaat.
Deze overgave aan de man als bevruchter leidt negen maanden later tot de overgave aan de man als verloskundige.
De zwangerschap strekt zich dus uit tussen twee ‘overgaven’ van de vrouw aan de man: de genotvolle overgave van de bevruchting en de pijnlijke overgave van de bevalling.
Het zijn allebei drempeloverschrijdingen, points of no return.

Heel dit ingewikkelde proces dat begint met de ontmoeting tussen man en vrouw en eindigt met de geboorte van het kind, speelt zich ook af bij een (geestelijke) drempeloverschrijding.
Het voltrekt zich nu echter IN de mens.
Iedereen is hier dus man én vrouw.
Hij is tegelijk degene die het kind baart en degene die het kind verlost, degene die bevrucht en degene die bevrucht wordt.
Als vrouw en baarmoeder is de moderne mens in hoge mate passief.
Iedereen gaat vandaag over de drempel, of hij dat nu wil of niet.
We worden als het ware overrompeld door de geest: hij brengt ons allemaal in barensnood.
Als vrouw – dat wil zeggen in ons wils- en gevoelsleven – zijn we dus niet langer vrij: de bevalling neemt het nu van ons over.
Hoe hard we ook roepen en klagen: rien ne va plus.

Als man – dat wil zeggen in ons denken, in ons wakkere bewustzijn – liggen de zaken heel anders.
Hier kunnen we zonder de minste moeite het bestaan van ‘het kind’ ontkennen.
Dat hebben we te danken aan het materialisme, dat ons ervan overtuigd heeft dat er geen geestelijke wereld bestaat.
We voelen we ons dus volkomen vrij om te doen we wat we willen.
In ons denkende bewustzijn gedragen we ons (allemaal) als een man die alleen voor zijn plezier met een vrouw naar bed gaat.
Die man weet niet eens dat een menselijke ziel zwanger kan worden en een kind baren, laat staan dat hij daar rekening mee houdt of er zich verantwoordelijk voor voelt.
Hij gelooft zelfs niet dat er zoiets als een ziel bestaat.
Volgens hem bestaat alleen … hijzelf.
De materialistische denker gelooft inderdaad dat alleen het materialistische denken bestaat.
En hij handelt daar ook naar, hij reduceert de mens tot zijn hersenen.
Dat die reductie gevolgen zou kunnen hebben voor zijn ziel, daar staat hij geen moment bij stil.

(wordt vervolgd)

De Steen der Liefde

Toen Rudolf Steiner tijdens de Weihnachtstagung van 1923 zijn leven offerde, was dat een daad van liefde, een daad van volkomen bewuste en dus vrije liefde.
Toch werden er op die kerstbijeenkomst alleen spreuken gezegd, statuten voorgelezen en voordrachten gehouden.
Misschien was er ook wat euritmie, dat is mogelijk.
Maar voor de rest werd er niks gedaan dat ook maar in de verste verte iets te maken had met wat wij onder vrije liefde plegen te verstaan.
Het ging op de Weihnachtstagung om een heel ander soort liefde.
De liefde van Rudolf Steiner was zuiver geestelijk van aard.

Wat moeten we ons bij een dergelijke liefde voorstellen?
Is zij het complete tegendeel van onze aardse, fysieke liefde?
Of is er toch een verband?

20131105-171047.jpg

In zijn Filosofie der Vrijheid betoogt Rudolf Steiner dat er maar één werkelijkheid bestaat.
Dat die werkelijkheid zich aan ons voordoet als een materiële wereld enerzijds en een geestelijke wereld anderzijds is volgens hem geheel en al toe te schrijven aan de structuur van ons bewustzijn.
We nemen als gescheiden waar wat in feite één is.
Dat moet dus ook voor de liefde gelden.

We kennen de liefde vooral in haar fysieke, zinnelijke gedaante.
We kennen ook andere, minder ‘vleselijke’ vormen van liefde, zoals de moederliefde, de liefde voor het vaderland, de liefde voor een ideaal, de liefde voor de kunst, enzovoort.
En blijkbaar bestaat er ook een liefde die daar nog bovenuit stijgt: de zuiver geestelijke liefde zoals die van Rudolf Steiner.

Als we al deze liefdes op een niet-dualistische manier willen bekijken, dan moeten we ervan uitgaan dat ze allemaal verschijningsvormen zijn van één en dezelfde liefde.
De kunst bestaat er natuurlijk in om die ene, wezenlijke liefde te herkennen in al haar aardse gedaanten, gaande van de sexuele liefde tot de liefde zoals die op de Weihnachtstagung in de praktijk werd gebracht.

Dat kunststuk wil ik hier eens wagen, in het besef dat het niet meer dan een poging kan zijn.
Een Filosofie van de Liefde is nog niet voor morgen.
Maar er moet een begin mee gemaakt worden, lijkt me.
De kloof tussen de Filosofie der Vrijheid en de Weihnachtstagung is al te diep.
Het is de kloof tussen denken en doen.
Het is ook de kloof tussen de antroposofie en de moderne wereld.
In die kloof wil ik een lucifer afstrijken, om eens een blik te werpen op dat duistere middengebied.
Want het is daar dat de lamp moet branden.

20131105-171410.jpg

Het oerbeeld van de aardse liefde is de liefde tussen man en vrouw.
Die liefde begint met een uitslaande brand: de verliefdheid.
Vroeger, toen huwelijken nog gearrangeerd werden, was dat niet het geval.
De liefde was nog niet vrij.
Nu is ze dat wel.
Mensen gaan vandaag een relatie aan omdat hun hart vlam vat.
De vonk die dat hart in brand steekt, is het zien van de ander.
Maar wat verliefden zien, is niet de ander zoals hij of zij werkelijk is.
Ze zien een beeld van de ander, een zeer subjectief beeld dat ze zelf maken en waarvoor ze in liefde ontbranden.

Verliefden zijn dus in feite kunstenaars: ze maken beelden die in staat zijn de brug te slaan tussen twee tegengestelde werelden: die van man en vrouw, maar ook die van twee individuele wezens die niet zelden elkaars tegenpool zijn.
Deze verbinding van twee tegenpolen veroorzaakt een intens geluk.
Het leven is opeens zoals het zou moeten zijn.
Alle stukken vallen op hun plaats.
Verliefden vormen niet alleen uiterlijk een hechte eenheid.
Ook innerlijk zijn ze ‘geheeld’.

Iedere verliefdheid is in feite driegeleed.
Er zijn de twee verliefden, en er is hun gemeenschappelijke ‘inspiratie’ die hen tot kunstenaars maakt die onweerstaanbare beelden maken van elkaar.
Via die beelden wordt ook de verliefde mens zelf geheeld: zijn dualistische toeschouwersbewustzijn wordt een scheppend drieledig bewustzijn.
Verliefden zetten dus de stap van twee naar drie.
Ze worden … driegeleders.

Er is echter één probleem.
Ze weten het niet.
Ze weten niet wat – of wie – hen overkomt.
En daarom blijft de verliefdheid niet duren.
Ze is van voorbijgaande aard.
Hoewel verliefden er heilig van overtuigd zijn dat hun liefde eeuwig zal duren, komt er vroeg of laat een eind aan.
Maximum drie jaar.
Zolang blijft het liefdesvuur, naar verluidt, branden.
En dan doven de vlammen.
De verliefden komen weer op aarde en hun ogen gaan weer open.

20131105-171259.jpg

Het is van deze brandende liefde dat men zegt dat ze blind is.
Ze heeft geen oog voor de realiteit, ze idealiseert de geliefde, ze ziet niet hoe hij of zij werkelijk is.
Buitenstaanders kijken dan ook met enige meewarigheid naar verliefden.
Ze hebben het zelf meegemaakt, ze weten hoe ‘hemels’ het is om verliefd te zijn.
Maar ze weten ook dat er eind aan komt en dat dat einde bijzonder hard kan zijn.
Ze zien dat de verliefden zich in een luchtbel bevinden die hen afsluit van ruimte en tijd, en ze weten ook dat die luchtbel doorprikt zal worden.
Daarom kijken ze met gemengde gevoelens naar verliefden.
Enerzijds zijn ze jaloers op het jonge koppel omdat ze heimwee hebben naar het geluk dat met verliefdheid samengaat.
Anderzijds zijn ze opgelucht dat ze het allemaal niet meer moeten doormaken.
Want met verliefdheid gaat ook lijden gepaard.
Een gebroken hart is een van de ergste dingen die je kunt meemaken.
Je komt dan van de hemel in de hel terecht.
En dus hebben de buitenstaanders vrede met de aardse middenweg die zij bewandelen, de weg tussen hemel en hel in.
Maar het verlangen blijft: het verlangen naar de hemel van de verliefdheid.
Want uiteindelijk is dat waar ieder mens naar verlangt: voor eeuwig verliefd te zijn, voor altijd ‘in love’.

Het probleem met de liefde is niet de liefde zelf.
Het is de dualistische manier waarop we haar beleven.
Ofwel zien we alleen de binnenkant van de liefde, zoals verliefden dat doen.
Ofwel zien we alleen de buitenkant, zoals wanneer we naar verliefden kijken.
In het eerste geval zijn we in de hemel.
In het tweede geval staan we met onze beide voeten op aarde en zien de hemel als een voorbijgaande droom, een illusie: liefde is een droom, en dromen zijn bedrog.
We zien telkens maar één aspect van de liefde: haar binnen- of haar buitenkant.
De hele liefde krijgen we nooit te zien.
Daarvoor moeten we ons dualistische bewustzijn overwinnen. Want dat staat tussen ons en de liefde.

20131105-171535.jpg

Dat bewustzijn is drieledig: het is een denkend, voelend en willend bewustzijn.
Om de echte, levende liefde te kunnen zien, moeten we niet alleen ons dualistisch denken overwinnen. We moeten ook ons dualistische voelen en beleven overwinnen.
Pas dan kunnen we ons ook werkelijk verenigen met de liefde, zoals Rudolf Steiner dat op de Weihnachtstagung deed, dat wil zeggen zonder het bewustzijn te verliezen.

Het verliefde hart bestaat uit louter sympathie en aantrekkingskracht.
De verliefde wil maar één ding: zich verenigen met de geliefde, zich verliezen in de ander, alle scheiding opheffen, niet langer een afgesloten zelf te zijn.
Niets kan hem van de geliefde weghouden.
De verliefdheid maakt in hem een wilskracht los die zich door niets laat tegenhouden.
Het is de wil om één te worden, de wil tot overgave.
Deze wil kan slechts met geweld gebroken worden.
Zo vurig is hij.

Maar deze verbindende, verenigende wil draagt zijn tegendeel reeds in zich.
Want de scheiding der geslachten kan niet ongedaan worden gemaakt.
Hoe vurig de wil tot vereniging ook is, hij lijdt onvermijdelijk schipbreuk op de rotsen van de fysieke scheiding.
Hoe intens het verlangen ook is om één te worden met de geliefde, het gaat niet.
Het fysieke lichaam staat in de weg.
Het is de rots in de branding van de liefde.
Zonder dat lichaam zou de liefde ons zwakke ik verteren.
We zouden ophouden te bestaan als individueel, afzonderlijk mens.

Het verlangen dat in verliefden zo hevig brandt, is dus onvervulbaar.
Als het niet vroeg of laat vanzelf uitdoofde, zou het tot de dood leiden.
Soms gebeurt dat ook: er zijn geliefden die niet kunnen verdragen dat hun fysieke lichamelijkheid de totale eenwording in de weg staat en dan maar voor de dood kiezen.
Daar bestaan beroemde voorbeelden van.

20131105-172154.jpg

Het is dus de fysieke lichamelijkheid die het liefdesvuur beperkt in tijd en ruimte.
Als de verliefden louter geest waren, zouden ze zich tot één vuur verenigen, dat ook anderen zou aansteken en uiteindelijk leiden tot een wereldbrand.
De hele mensheid zou dan één groot liefdesvuur worden en zich verenigen met de oerbron van alle liefde: God zelf.
Er zouden dan geen mensen meer bestaan.
De hele schepping zou terugkeren tot haar maker.
En dat is nu juist niét de bedoeling.
God heeft de mens niet geschapen opdat hij zich weer zou ont-scheppen.
Vandaar de materie: om ons te beletten ons mens-zijn op te heffen en terug te keren in de schoot van onze Schepper.
We hebben een fysiek lichaam om, ondanks de liefde. mens te kunnen blijven.

Hier raken we aan iets dat niet zichtbaar is wanneer we de liefde van buitenaf bekijken.
Wanneer iemand verliefd wordt, ontbrandt hij in liefde voor het beeld dat hij zich van de geliefde schept, niet voor de reële individuele mens die de ander is.
Dat zien we als buitenstaander heel duidelijk.
De geliefde is helemaal geen beeldschone prinses die alle deugden in zich verenigt.
Zij is een heel gewoon meisje, waar niks bijzonders aan te zien is.
Hetzelfde geldt voor de verliefde.
Hij is helemaal geen prins-op-een-wit-paard.
Hij is gewoon een jongen op een fiets, of een kerel met een tweedehands auto.

Maar in ieder mens leeft een Ik, een stukje van God.
Het zit diep verborgen in de materie, want daarin is het door de ‘zonde’ – dat wil zeggen door de afzondering van God – terechtgekomen,
En precies dat ‘stukje God’ wordt door de verliefde waargenomen.
Liefde is inderdaad blind voor de materiële werkelijkheid, want ze wordt verblind door de geestelijke werkelijkheid die zich uitdrukt in de materiële werkelijkheid, voor de God-in-het-lichaam.

20131105-172314.jpg

Wie verliefd wordt neemt het goddelijke in de ander waar.
Het is een waarneming die de mens onverhoeds overvalt.
Daarom zegt men in het Engels: to fall in love.
Verliefdheid is niet iets waar men vrijwillig voor kiest.
Toch is het al een stap in de richting van de vrijheid, want geen enkele verliefde protesteert tegen de verliefdheid.
Hij heeft niet het gevoel dat ze hem wordt opgedrongen, zoals wanneer hij door ouders of familie gekoppeld zou worden aan een onbekende.
De verliefdheid – de ‘romantische’ liefde – is dan ook een vrij recent verschijnsel.
De sage van Tristan en Isolde markeert het opduiken ervan in onze cultuur.
Het is een buitengewoon dramatisch verhaal.
De verliefdheid is dan ook een kracht die alle grenzen, alle bestaande structuren en alle wetten doorbreekt.
Ze leidt tot een hevige strijd met alle aardse kluisters en bevrijdt de mens van alles wat hem gevangen houdt.
Maar ze is nog geen vrijheid.
Daarvoor zijn we ons te weinig bewust van deze kracht en de gevaren die ze met zich meebrengt.
Ofwel staan we buiten de liefde en beleven we er de ‘binnenkant’, de goddelijke, geestelijke dimensie niet van.
Ofwel bevinden we er ons middenin en kunnen we geen afstand nemen van de liefde.

De stap naar de echte vrije liefde gaat via de bewustwording ervan.
Alleen wanneer we de brandende, luciferische liefde begrijpen, dringen we door tot haar echte wezen, tot de vrije liefde, de liefde waarvoor we zelf kiezen in plaats van erdoor gekozen te worden.

De moderne liefde is vrij in zoverre het niet meer de maatschappij is die onze levenspartner uitkiest.
Maar ze is onvrij omdat we nog niet zelf voor de ander kiezen.
Beide verliefden wórden gekozen door iets wat ze niet kennen.
Ze zeggen weliswaar volmondig ja tegen dat ‘iets’, maar dat maakt het nog niet tot een eigen, vrije keuze.
Maar al te vaak blijkt na een tijdje dat we voor de verkeerde gekozen hebben.
Het was met andere woorden een blinde, willekeurige keuze.
In onze moderne tijd zijn heel veel relaties het gevolg van zo’n onvrije keuze.
Ze houden dan ook geen stand.
Ze volgen elkaar op in een schier eindeloze rij.

Dat is de keerzijde van de ‘vrije’ liefde: we kunnen niet kiezen.
We willen ook steeds minder kiezen.
We willen zoveel mogelijk liefdespartners hebben, achtereenvolgend of tegelijk.
En dat is natuurlijk niet bevorderlijk voor het gezinsleven en voor de maatschappelijke structuren in het algemeen.
De bevrijdende kracht van de liefde werkt vernietigend op de fysieke, materiële wereld met zijn vaste vormen en structuren.
Met name kinderen, die juist behoefte hebben aan vaste vormen, aan ritme en regelmaat, zijn het slachtoffer van deze ongecontroleerde en onbegrensde liefdeskrachten.
Er is zelfs veel voor te zeggen dat alle weerloze mensen, wier land in chaos gestort wordt door geweld, het slachtoffer zijn van de ongecontroleerde vrije liefde in onze moderne wereld.
Tenslotte was het uit ‘mensenliefde’ dat de Amerikaanse Nobelprijswinnaar voor de vrede Syrië wilde gaan bombarderen.
En het is ook uit mensenliefde dat we de lijdende mensen overal ter wereld gaan helpen, en in de meeste gevallen hun lijden alleen maar groter maken.
Want onze liefde is blind.
Ze weet niet wat ze doet.
En in combinatie met de onweerstaanbare kracht van de liefde is dit gebrek aan bewustzijn zonder meer vernietigend.

20131105-172701.jpg

Dat is de verborgen keerzijde van het vernietigende geweld dat de wereld nu al zolang teistert: het onbewuste verlangen naar de geest, de blinde liefde voor God.
Sinds het einde van het Kali Yuga omstreeks 1900 is dat verlangen opnieuw opgelaaid. De mensheid is collectief verliefd en wil alle grenzen doorbreken, tot zelfs de grenzen van de materie zelf.

Tegen al dat geweld, tegen al die blinde liefde is maar één kruid gewassen: de bewustwording van de liefde.
Het ontstaan van de vrije liefde – de ‘romantische’ verliefdheid – was een eerste stap in die bewustwording.
Maar nu moet de volgende stap gezet worden.
In plaats van de liefde óf van binnenuit óf van buitenaf te leren kennen, moeten we ze op een niet-dualistische manier leren kennen.
En die niet-dualistische manier is een driegelede manier.
Zolang we de ‘derde persoon’ in iedere liefdesrelatie niet herkennen, zullen we de echte vrije liefde niet leren kennen.

Er is maar één manier om de drieledige liefde te leren kennen, en dat is via het beeld dat ze van zichzelf maakt.
Zonder dat beeld zijn we gedoemd om buiten de liefde te blijven staan (en liefdeloos te worden) of erdoor verteerd te worden (en alles mee te sleuren in die vernietigende brand).
Het is ook met een beeld dat de vrije liefde begint: het beeld dat we (onbewust) van de geliefde maken.
Om onze liefde echt vrij te maken, moeten we ons bewust worden van dat beeld.
En die bewustwording houdt een keuze in.

Maar dat is voor de volgende keer.

20131105-172815.jpg

Kijken en luisteren

Ik wil nog wat doorbomen over de relatie tussen kijken en luisteren, tussen beeld en klank, tussen oog en oor.
Het zijn twee zeer verschillende werelden die zich tot elkaar verhouden als … man en vrouw.
Van ogen zegt men dat ze kunnen steken, priemen, doorboren, vuur schieten, enzovoort.
Het oor daarentegen is een soort trechter die via een smalle opening geluiden tot diep in ons laat doordringen.
We kunnen ons van die geluiden nooit helemaal afsluiten.
Zelfs wanneer we onze oren dichtstoppen, kunnen we harde geluiden nog altijd voelen.
We luisteren in feite met ons hele lichaam, waarvan het oor slechts een pars pro toto is.
In de acupunctuur geldt de oorschelp als een lichaam in het klein.

Kijken doen we daarentegen alleen met onze ogen, en die zijn heel erg ‘onlichamelijk’.
Terwijl alle andere zintuigen ‘vlezig’ zijn, bestaan ogen uit een heel andere substantie.
Ze hebben een ‘glasachtig’ karakter en zijn in die zin meer verwant met de tanden, die eenzelfde witte kleur hebben en daardoor contrasteren met de rest van het gezicht.
Ook die tanden hebben een ‘mannelijk’ karakter.
Ze zijn hard, ze bijten, ze breken, ze vermorzelen.
Bij de mens zijn ze weliswaar geen wapens meer zoals bij de wilde dieren, maar ze zijn wel instrumenten die de mens kan gebruiken.
Of niet.

20130923-134958.jpg

Ook ogen zijn instrumenten die we kunnen gebruiken of niet.
We kunnen ze openen en we kunnen ze sluiten, net zoals we ook onze tanden kunnen ontbloten of bedekken.
Onze oren zijn veel minder instrumenteel.
Sommigen kunnen hun oren bewegen, maar dat geldt niet als een grote prestatie.
Mensen onderscheiden zich juist van de dieren doordat hun oren zo onbeweeglijk zijn.
Het menselijke oor is als het ware nog een deel van het lichaam.
We kunnen het niet afzonderlijk gebruiken.
We kunnen niet zeggen: nu ga ik even niet horen.
Evenmin als we kunnen zeggen: nu ga ik even mijn lichaam verlaten.
Via het oor en het horen is de mens verbonden met de fysieke wereld.
Hij kan er zich niet van losmaken.

Met onze ogen kunnen we dat juist wel.
We kunnen ze sluiten en dan is de hele wereld als bij toverslag verdwenen.
We wéten dan wel dat hij nog bestaat, maar we nemen hem niet meer waar.
En hier zien we (sic) al dat er een nauw verband is tussen zien en denken.
Het is juist dat verschil tussen de verschijnende en verdwijnende wereld dat ons aan het denken zet.
En dat verschil beleven we onafgebroken, want we knipperen voortdurend met onze ogen.
Dat doen we natuurlijk om onze ogen te bevochtigen (wat ook weer wijst op het droge, mannelijke karakter van het oog), maar het is tevens een beeld van hoe ons denken ontstaat.
Het oog schept afstand.
Het toont ons een werkelijkheid die in hoge mate ontoegankelijk voor ons is: een wereld van objecten waarvan we alleen de buitenkant zien en die we niet kunnen betreden.
De binnenkant der dingen is voor het oog terra incognita.
Het raakt nooit doorheen de zintuiglijke verschijning der dingen.
Met het oor is dat heel anders.
Als we iemands stem horen, vernemen we iets van zijn innerlijk, niet alleen door wát hij zegt, maar ook door de klank van zijn stem.
Het geluid dat levende wezens maken, verschaft ons een zekere toegang tot hun innerlijk.
Hun fysieke verschijning sluit die toegang af.

Hieruit kunnen we al afleiden dat de materialistische cultuur waarin we momenteel leven een uitgesproken oog-cultuur is.
Alles wat immers niet-materieel is, is onzichtbaar. En wat we niet kunnen zien, bestaat voor ons niet.
Het materialisme heeft dan ook iets paradoxaals, want in het centrum van de moderne wereld staat de sprekende en denkende mens, en zowel spreken als denken zijn onzichtbaar.
Stemgeluiden kunnen we niet zien, en gedachten nog veel minder.
Die contradictie lossen we op door geluid te interpreteren als trillingen of golven, dat wil zeggen als vormen die de lucht aanneemt, en gedachten als bewegingen van atomen en elementaire deeltjes.
Dat die elementaire stofdeeltjes onzichtbaar zijn, is geen bezwaar.
We máken ze zichtbaar.
Want we willen de hele werkelijkheid zichtbaar maken voor ons oog, zodat we er met ons denken in kunnen doordringen.

Dat verschaft ons de illusie dat we op deze manier álles kunnen leren kennen, dat de werkelijkheid voor ons dan geen geheimen meer heeft.
Er zijn geen grenzen aan onze ken-drang, aan onze wijs-begeerte.
We willen doordringen tot in de diepste geheimen, we willen inzicht krijgen in het meest verborgene, we willen mysteries ontsluieren, we willen het duister verdrijven en alles in het heldere licht plaatsen zodat we het kunnen zien en begrijpen.
Maar uit dit alles spreekt het mannelijke oog met zijn priemende blik.
En wat we vergeten is het vrouwelijke oor.
We vergeten dat die hele immense wereld die de wetenschap zichtbaar heeft gemaakt, ook een onzichtbare binnenkant heeft.
We vergeten dat al die beelden ook een ‘stem’ hebben.
En dat we die niet kunnen horen met ons denken.

De ‘binnenkant’ van de wereld kan alleen beluisterd worden door het hart.
Zoals het oog verbonden is met het denken van het hoofd,
zo is het oor verbonden met het voelen van het hart.
Het hoofd kijkt, en het hart luistert.
Het hoofd is een vesting met dikke muren hoog op een berg.
Daar woonde Wagner, wiens muziek vertelt van bergen en wolken en hoge luchten.
Het hart daarentegen leeft in de dalen, samen met alle mogelijke wezens, zichtbare en onzichtbare.
Van die kleurrijke en levendige wereld vertelt Tchaikovsky.
Niet toevallig was Wagner een denker, die grootse theorieën had over kunst en samenleving.
Van Tchaikovsky is niets van dien aard bekend. De man had het waarschijnlijk te druk met zijn liefdesperikelen.
Zo is dat nu eenmaal:
Het koele hoofd leeft ‘far from the madding crowd’.
Het snel ontvlambare hart is voortdurend verwikkeld in liefdeshistories.

20130923-135134.jpg

Eén ding is duidelijk: hoofd en hart, oog en oor, man en vrouw hebben elkaar nodig.
Hoezeer het oog en het hoofd zich ook distantiëren van alles, ze maken deel uit van het lichaam.
En hoezeer oor en hart zich ook vereenzelvigen met dat lichaam, zonder hoofd kan geen lichaam bestaan.
Dat laatste wordt wel eens vergeten door de ‘groene jongens’.
Ze vinden dat de natuur beter af zou zijn zonder de mens.
Maar ze vergeten dat de mens het ‘hoofd’ is van de natuur, het wezen dat tegenover die natuur gaat staan en er zich bewust van wordt, net zoals het hoofd afstand neemt van het lichaam en het op die manier leert kennen.
En de natuur wíl gekend worden, zij wil door het menselijke bewustzijn bevrucht worden, want zij wil moeder worden, zij wil kinderen baren.
Zonder de ‘inspiratie’ van de mens is zij gedoemd onvruchtbaar te blijven.
Zonder de mens zal zij niet weer opbloeien als weleer, maar langzaam verdorren en sterven.

Daarom verdraagt de natuur zoveel van de mens, zoals ook de vrouw zoveel verdraagt van de man.
Maar alles wijst erop dat er een grens is bereikt.
Als er iéts is dat onze tijd kenmerkt, dan is het wel dat er een grens is bereikt, op ieder gebied.
Zelfs de politieke situatie in ons land is daar een uitdrukking van.
Vlaanderen is een vrouw die in haar huwelijk met Franstalig België heel veel heeft verdragen. Maar nu is de maat van de vernederingen vol en begint het volgzame, vrouwelijke Vlaanderen te protesteren, iets wat heel erg tegen haar natuur ingaat. Maar het water staat haar aan de lippen.
Hetzelfde geldt voor de natuur in het algemeen: ze begint te reageren tegen het schaamteloos mannelijke gedrag van de mens.
En zo zijn er nog ontelbare voorbeelden te noemen die allemaal hetzelfde beeld tonen: de mens is aan een grens gekomen.
En het is de mannelijke mens die in zijn relatie met het vrouwelijke aan een grens is gekomen.

Want wat die ‘mannelijke mens’ vandaag doet, heeft niets meer met het kennen of bevruchten van ‘het vrouwelijke’ te maken.
Het is een … verkrachting geworden.
En daar begint de vrouwelijke wereld zich nu tegen te verzetten, in naam van het kind dat ze draagt.
Het is alsof de ogen van de vrouwelijke wereld zijn opengegaan, alsof zij opeens ziet wat er aan het gebeuren is. En ze protesteert daar heftig tegen.

Het probleem is echter dat we ons daar niet bewust van zijn.
De man – of beter: ‘het mannelijke’ – is zich niet bewust van zijn gewelddadigheid. Hij denkt de liefde te bedrijven en beseft niet dat hij aan het verkrachten is.
De vrouw – of ‘het vrouwelijke’ – van zijn kant beseft niet dat ze in haar verzet al even mannelijk en gewelddadig wordt, en dat zulks de man alleen nog meer opwindt.
Hij interpreteert haar signalen immers als: ze vindt het leuk!
Hij is immers een oogmens, en het oog ziet geen verschil tussen (de uitdrukking van) genot en pijn.

20130923-135836.jpg

De zogenaamde opwarming van de aarde is daar een mooi voorbeeld van.
Het is een feit dat er iets aan de hand is met het klimaat.
Het is verstoord, ontstemd.
Maar hoe interpreteert de ‘mannelijke’ mens dat, de wetenschapper in de eerste plaats?
Hij zegt dat de aarde ‘opwarmt’, zoals hij dat ook zou zeggen van een vrouw die hij ‘een goede beurt’ geeft.
En dat gebruikt hij dan weer om nog meer macht uit te oefenen, om nog steviger ‘van bil te gaan’. Want het Global Warming concept geeft hem nog méér macht.

Maar luistert hij naar wat de protesterende natuur zegt?
Nee, luisteren is er niet bij. Immers: de natuur hééft geen stem, zij is niet bezield, zij is geen vrouw (laat staan een moeder) maar louter een lichaam.
Zo ziet het oog namelijk de natuur: als louter buitenkant zonder binnenkant.
En de tragiek is dat de natuur kan zeggen wat ze wil, niemand luistert, niemand verstaat haar taal.
Ook de vrouwen niet meer.
In hun protest tegen het mannelijke geweld zijn ze zelf mannelijk geworden.
Het is namelijk de enige taal die de mannelijke wereld verstaat.
En ze is er inderdaad door geïntimideerd.
Overal maken mannen plaats voor vrouwen, want ze hebben geen verhaal tegen de – mannelijke argumenten – van de vrouwen.
Ze voelen zich schuldig, ze voelen zich vies.
Maar tegelijkertijd voelen ze zich in het nauw gedreven, want achter of onder het vrouwelijke protest voelen ze wraakzucht.

Dat is trouwens, om nog eens over te stappen naar de politiek, het grote gevaar dat Vlaanderen momenteel bedreigt: dat het uit wraak gaat handelen.
Er is de afgelopen 200 jaar genoeg gebeurd om die wraak te rechtvaardigen.
Maar wraak is een uitzichtloze weg.
Ze zal Vlaanderen nog meer naar beneden halen dan het vernederende ‘mannelijke’ gedrag van Franstalig België.
Ze zal een eventueel onafhankelijk Vlaanderen niet bevrijden, integendeel.
De enige uitweg uit deze verkrachtingszaak, is inzicht.
De moderne mens – mannelijk of vrouwelijk – moet leren inzien wat er werkelijk aan het gebeuren is. En dat kan hij alleen als hij leert luisteren, luisteren naar de ‘binnenkant’ van de werkelijkheid.

20130923-140121.jpg

Maar – en dat is cruciaal – het mag niet het oude, eenzijdig vrouwelijke luisteren zijn.
Want dat is wat we momenteel overal zien gebeuren.
Onze extreem-mannelijke oog-cultuur wordt overspoeld door … geluid.
Niemand lijkt vandaag nog één moment zonder muziek te kunnen.
Het is geen zeldzaamheid meer om twee mensen met elkaar te zien spreken terwijl ze beide oortjes dragen en naar muziek luisteren.
Er zijn zelfs baby’s die niet meer kunnen slapen zonder muziek.
Stilte is het grote taboe geworden.

Het is goed om in gedachten te houden dat deze tsunami van geluid en klank een vrouwelijke reactie is op een extreem-mannelijke oogcultuur.
En het resultaat van die reactie is geenszins dat mensen nu beter gaan luisteren naar elkaar of naar de natuur.
Wel integendeel, ze worden nu pas écht doof.

Wat we vandaag op ieder gebied zien gebeuren is hoe een instinctief-vrouwelijke reactie op een extreem-mannelijke situatie de zaken nog veel erger maakt.
Want wat daardoor ontstaat is geen nieuw evenwicht, maar het tegendeel daarvan: een verkrachten dat nu echt een vernietigen wordt.
Al die zelfmoordterroristen zijn mannen die er niet genoeg meer aan hebben om in een vrouw te ‘ontploffen’, ze willen in een veel groter lichaam exploderen.
En hun terrorisme is een reactie op wat zij ervaren als ‘vrouwelijk terrorisme’: de wraakzucht van de vrouwelijke wereld die zij onbewust waarnemen.
Deze zelfmoordterroristen zijn mannen die nog niet helemaal oog geworden zijn, zoals de moderne mens. Ze hebben vaak zelfs heel weinig oog voor de objectieve, zichtbare werkelijkheid.
Maar juist daardoor kunnen zij nog enigszins luisteren naar de ‘binnenkant’ van de werkelijkheid, en daar nemen zij die vrouwelijke wraakzucht waar die hen de stuipen op het lijf jaagt.

20130923-140724.jpg

Maar ook hier in het moderne Westen beginnen mannen die wraakzucht te ‘horen’.
Want hun innerlijke ‘oor’ begint weer open te gaan, en zij vernemen opnieuw ‘de stem der dingen’.
En de ‘dingen’, dat wil zeggen de wereld die wij als een verzameling onbezielde dingen zien, zijn vertoornd. Ze zijn het moe om misbruikt en verkracht te worden door de mens.
En als die mens gewoon verder doet, zullen ze reageren en hun ‘wraak’ zal verschrikkelijk zijn.
De ruiters van de Apocalyps zullen dan door de wereld draven.
Er is maar één ding dat deze wezens-der-elementen kan stoppen, en dat is: erkenning.
Zij willen gezien worden, zij willen waargenomen worden, zij willen dat er naar hen geluisterd wordt.
En dat kan niet met uiterlijke ogen en oren.
En dat kan nog veel minder met de combinatie van beide, want als ze onbewust vermengd worden, maken ze elkaar blind en doof.
Het kan alleen met een bewuste vereniging van beide, met ogen die leren luisteren en oren die leren zien.
En de paradox is dat deze vereniging alleen mogelijk is door beide zorgvuldig van elkaar te scheiden.
We moeten leren luisteren zonder onze ogen te gebruiken,
en we moeten leren zien zonder onze oren te gebruiken.

Dat is wat ik in mijn twee ‘verslagen’ van het concert verleden week heb proberen duidelijk te maken.
Aan het begin van die zo belangrijke vereniging van oog en oor, van beeld en klank, van mannelijke en vrouwelijk, staat een scheiding, een drastisch onderscheid.
Beide werelden moeten eerst uit hun verstrengeling worden gehaald.
Met alle ‘mannelijke’ kracht die we in ons hebben, moeten we de levensbedreigende eenheid die ze vandaag vormen – een volkomen instinctieve, troebele en onzichtbare eenheid – verbreken.

En het beeld waarin dit alles samenkomt, is het beeld van de geboorte van een kind.
Want dat – vooralsnog onzichtbare – kind is waar alles om draait.
Dat innerlijke kind was het doel van de mannelijke ‘onderdrukking’ van het vrouwelijke gedurende de afgelopen 5000 jaar.
Daarom heeft de natuur – en hebben de vrouwen – de heerschappij van de steeds mannelijker wordende mens zolang verdragen: omwille van het kind.
Vandaag zijn ze dat echter vergeten, omdat ze overweldigd worden door de weeën van de geboorte.
Want in onze tijd wordt ‘het kind’ – de kunstenaar-in-de-mens – geboren.
Dat is de echte, fundamentele werkelijkheid van onze tijd.
Daarom slaat het zorgende, het omhullende en beschermende van de vrouw en het vrouwelijke vandaag om in extreme mannelijkheid: in de wil om het kind uit te drijven, om een scheiding te veroorzaken tussen zichzelf en het kind.
Maar achter al dat ‘mannelijke’ geweld (elke man die ooit de hand van zijn vrouw tijdens een bevalling heeft vastgehouden weet wat een ‘mannelijke’ handdruk is) schuilt de intense, allesoverheersende wil om het kind te … zien.

Ja, het onzichtbare kind waarvan de moderne mens zwanger is, is als een enorm oog dat in hem groeit en dat hij uit wil drijven, niet alleen om het te zien maar ook om erdoor gezien te wórden.
En dat ‘zien’ zal tegelijk een ‘horen’ zijn, een innerlijk gesprek, zoals dat plaatsvindt tussen moeder en kind.
Pas later zal het ook een bewust gesprek worden, een gesprek met woorden.
Maar eerst moet de geboorte plaatsvinden,
eerst moet dat drastische onderscheid worden gemaakt.
Want als dat niét gebeurt, als het kind niet geboren wordt, dan komen moeder én kind in levensgevaar, dan ontstaat er een heel ander ‘innerlijk gesprek’, een gesprek dat vervuld is van haat omdat beide elkaar als doodsvijanden beschouwen.
Het kind ervaart de moeder onbewust als een gevangenis waarin het langzaam stikt,
en de moeder ervaart het kind al even onbewust als een kwaadaardig gezwel.

Zo ziet het moderne, onbewuste gesprek tussen oog en oor (of tussen man en vrouw) er min of meer uit.
Want geen van beide is zich bewust van het ‘kind’ dat wil geboren worden, dat wil gezien worden, dat wil spreken.
Maar omdat de zwangerschap – het groeien van dat innerlijke oog – de moeder tot een ‘oor’ maakt, is de moderne mens zich vaagweg bewust van de aanwezigheid van dat kind.
Hij voelt het naderen van een wezen dat de wereld nieuw zal maken, en hij is (zonder het klaar te beseffen) vol blijde verwachting.
Maar juist omdat hij geen klare kijk heeft op wat er gaande is, juist omdat hij weigert te luisteren naar de binnenkant der dingen, maakt hij geen onderscheid tussen de kunstenaar-in-de-mens, het kind dat in liefde ontvangen wordt, en de vernietiger-in-de-mens, het kind dat gevangen zit in de baarmoeder en een intense haat ontwikkelt tegen de mens.
Het is juist dit – bijzonder tragische – gebrek aan onderscheid dat mensen ertoe brengt de verschrikkelijkste dingen te doen in naam van de kinderlijke onzelfzuchtige liefde.

En op die manier wordt de liefde in haar tegendeel gekeerd.
De liefdesdaad verandert geleidelijk in een verkrachting van het vrouwelijke, en die verandert op zijn beurt in de gezamenlijke verkrachting van het kind.

20130923-141025.jpg

Dat is het vreselijke gevolg van ons gebrek aan onderscheid op het beslissende moment van de geboorte.

Zo. Ik wil het hier voorlopig bij laten.
Ik presenteer u deze gedachten in de vorm waarin ik ze geschreven heb.
Als ik begin ze te fatsoeneren – lees: er een heldere, mannelijke vorm probeer aan te geven – loop ik het gevaar dat ze nooit ‘geboren’ worden.
U moet ze dus maar beschouwen als een pasgeboren kind:
het lijkt misschien nog nergens op en het ziet er vies uit,
maar het leeft en het zal groeien.

Enfin, dat hoop ik toch.

20130923-142247.jpg