Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: Marcel Duchamp

Een oog voor kunst (3)

  

Hoe ontwikkelen we een oog voor kunst? Eenvoudig: door naar kunst te kijken. Maar naar welke kunst? Sinds de hedendaagse kunst op het toneel verscheen, bestaan er namelijk twee verschillende kunsten – de oude en de nieuwe – die ieder een heel andere manier van kijken vragen. De klassieke kunst wil gevoelsmatig benaderd worden, want haar wezen is niet toegankelijk voor het verstand. Als we voor deze kunst een oog willen ontwikkelen, dan moeten we ons verstand uitschakelen. Voor de hedendaagse kunst geldt dan weer het omgekeerde: hier moeten we ons gevoel uitschakelen, want deze kunst laat zich alleen benaderen door het verstand. We moeten dus kiezen voor welke kunst we een oog willen ontwikkelen, tenzij we natuurlijk beide manieren van kijken met elkaar kunnen verzoenen. Maar is dat wel mogelijk? Kunnen we een oog ontwikkelen voor zowel de oude als de nieuwe kunst? Kunnen we kunst zowel gevoelsmatig als verstandelijk benaderen? 

Sommige kunst alleszins wel. Denken we maar aan De Man in de Stoel van Henri De Braekeleer, een schilderij waar de tijd als het ware is blijven stilstaan en tot ruimte is geworden, een ruimte vol geheimen, vol mysterie. Deze ‘gewijde’ ruimte kunnen we alleen met ons gevoel betreden, we moeten ons verstand het zwijgen opleggen, want het is ongepast hier kritische vragen te stellen. Alleen eerbied en bewondering zijn hier op hun plaats. In die zin kan De Man in de Stoel model staan voor de hele klassieke kunst, een kunst die trouwens is voortgekomen uit gewijde ruimten en nog altijd iets van het mysterie in zich draagt dat daar vereerd werd. Zo heeft men dit schilderij van De Braekeleer ook altijd beleefd: als een mysterie dat in eerbiedige stilte moest benaderd worden. Men heeft er dan ook nooit echt over nagedacht en dat is bijzonder jammer, want dit kunstwerk valt heel goed rationeel te benaderen, meer zelfs, het vraagt erom. De Man in de Stoel is een kunstwerk dat zowel met het hart als het hoofd bekeken wil worden.

Wie zich onttrekt aan de betovering die uitgaat van De Man in de Stoel en het schilderij nuchter en kritisch bekijkt, begint vreemde dingen op te merken, dingen die vragen doen rijzen. Gaat men deze vragen niet uit de weg dan wordt langzaam een onvermoede wereld zichtbaar, een ideële wereld die alleen toegankelijk is voor het verstand en verborgen blijft voor het gevoel. Deze onzichtbare gedachtenwereld staat echter niet los van de zichtbare gevoelswereld die iedere liefhebber van De Braekeleer kent. Integendeel, het gaat om één en dezelfde wereld, die van twee kanten benaderd kan worden en daardoor nog wint aan diepgang en mysterie. Schilderijen zoals De Man in de Stoel zijn weliswaar uitzonderingen, maar ze tonen aan dat het wel degelijk mogelijk is kunst op twee verschillende manieren te benaderen en wel zo dat ze eendrachtig samenwerken. Tenminste, dat geldt voor sommige klassieke kunstwerken. Of het ook geldt voor hedendaagse kunstwerken valt nog te bezien.

Eén ding is zeker: hedendaagse kunst roept niet dezelfde gevoelens op als klassieke kunst. Wekt deze laatste in ons gevoelens van eerbied, bewondering, ontroering, troost, weemoed, vreugde enzovoort – aangename gevoelens zeg maar – dan wekt de eerste vooral onaangename gevoelens, gevoelens van bevreemding, verwarring, onbegrip, afkeer en zelfs walging. Dat is ook de bedoeling, want anders dan de klassieke kunst wil de hedendaagse kunst de kijker niet doen dromen van een andere, betere wereld, ze wil hem juist wakker schudden voor de reële wereld. Dat gebeurt niet zelden door hem te choqueren en te desoriënteren, want de onaangename gevoelens die daardoor worden opgeroepen, moeten de kijker aan het denken zetten. Wat in de klassieke kunst een uitzondering is, is in de hedendaagse kunst de regel: ze spreekt niet alleen het gevoel aan maar ook – en vooral – het verstand. Ze lijkt dus bij uitstek geschikt te zijn om een oog voor kunst te ontwikkelen. 

Maar schijn bedriegt. We hebben iets essentieels over het hoofd gezien. Het is niet de hedendaagse kunst zelf die gevoelens en gedachten oproept. De pispot van Marcel Duchamp bijvoorbeeld – die model kan staan voor de hele hedendaagse kunst – zou helemaal niets in ons oproepen als we hem in een toilet of een afvalcontainer aantroffen in plaats van in een museum of een tentoonstellingsruimte. We zouden hem dan geen blik waardig keuren, laat staan dat hij ons tot nadenken zou stemmen. De enige reden waarom we dat nu wel doen, is omdat die banale, ordinaire pispot voorgesteld wordt als een kunstwerk. Dat is waar we op reageren, niet op de pispot zelf. Wat onaangename gevoelens in ons wekt en ons doet nadenken, is dus niet een kunstwerk maar een daad, een barbaarse daad: het schenden van een ‘gewijde’ ruimte die bestemd is voor kunst, dat wil zeggen voor contemplatie en verering. Daarom wekt de hedendaagse kunst afkeer in ons op: omdat ze blasfemisch is. 

Tenminste, dat was ze 100 jaar geleden. Toen riep de pispot van Marcel Duchamp de verontwaardiging op van iedere rechtgeaarde kunstliefhebber. Maar de tijden zijn veranderd: vandaag roept die pispot eerbied en bewondering op. De hedendaagse kunst, zou je kunnen zeggen, is klassiek geworden: in plaats van onaangename gevoelens roept ze nu aangename gevoelens op. Eén ding is echter niet veranderd: het zijn nog altijd niet de pispotten, kartonnen dozen of bananenschillen die deze gevoelens oproepen, maar het feit dat ze gepresenteerd worden als kunst. De verandering ligt in de aanvaarding van dit feit. Wat 100 jaar geleden nog beschouwd werd als een brutale, blasfemische daad wordt vandaag beschouwd als het omgekeerde: als een heldendaad die het begin van een nieuw tijdperk in de kunst inluidde. Er heeft zich de afgelopen eeuw dus een heuse paradigma-verschuiving voorgedaan: onze visie op kunst is compleet veranderd.

Voor de hedendaagse kunst op het toneel verscheen, was niemand zich bewust van enige visie op kunst. Men benaderde kunst louter gevoelsmatig, zonder gedachten. Een bewuste visie op kunst bestond alleen in de academische wetenschap, maar die had geen enkele invloed op de gewone kunstpraktijk. Kunstenaars noch kunstliefhebbers trokken er zich iets van aan, ze kenden die wetenschappelijke visie niet eens. Kunst en wetenschap waren gescheiden werelden. En juist daar vindt de grote verandering plaats: in de 20ste eeuw wordt de grens tussen kunst en wetenschap overschreden: de wetenschap dringt de wereld van de kunst binnen. Reeds tijdens het impressionisme duiken de eerste kunstcritici op en begint het denken over kunst deel uit te maken van de kunstpraktijk. Het is deze vermenging van kunst en wetenschap die de hele kunstwereld op zijn kop zet. En de omwenteling wordt bezegeld met de woorden van Marcel Duchamp: dit is kunst omdat ik het zeg!

Zo luidt het nieuwe paradigma: iets is kunst wanneer iemand zegt dat het kunst is. Deze wetenschappelijke visie wordt vandaag algemeen geaccepteerd. Dat is de revolutie zich de afgelopen eeuw in de kunst voltrokken heeft. Sinds mensenheugnis bestond de kunst uit tekeningen, schilderijen en beeldhouwwerken, maar toen stelde iemand een pispot tentoon met de woorden ‘dit is kunst omdat ik het zeg’ en … hij werd geloofd. Vijftig jaar later twijfelde al niemand meer aan die woorden en wie er vandaag nog durft aan twijfelen, wordt als een cultuurbarbaar beschouwd, als een bekrompen, achterlijk mens. Het grote raadsel van de hedendaagse kunst is niet haar blasfemische karakter – godslastering is van alle tijden – maar het feit dat ze zo snel werd aanvaard. Het is alsof iedereen zat te wachten op de held die de klassieke kunst dood zou verklaren en vervangen door een nieuwe kunst. Die nieuwe kunst veroverde in ieder geval de hele wereld en wordt vandaag overal bewonderd en vereerd.

Deze verering heeft onmiskenbaar religieuze dimensies. Berustte de klassieke kunst op de eigen ervaring – men bewonderde wat men zelf kon waarnemen en beoordelen – dan berust de nieuwe, hedendaagse kunst op blind geloof, op het geloof in mensen die verklaren: dit is kunst omdat ik het zeg! Kunnen die mensen bewijzen wat ze zeggen? Helemaal niet. Kunst laat zich niet bewijzen. Maar waarop berust hun gezag dan? Waarom worden hun beweringen blindelings geloofd? Eenvoudig: omdat iedereen dat doet. De afgelopen eeuw heeft de hedendaagse kunst zich ontwikkeld tot een wereldwijde geloofsgemeenschap, een kunstkerk waar iedere kunstenaar en kunstliefhebber deel van uitmaakt. Waarom willen moderne, ontwikkelde mensen deel uitmaken van een kerk die zo’n extreem autoritair geloof belijdt? Om dezelfde reden waarom mensen vroeger deel uitmaakten van de katholieke kerk: omdat het grote problemen oplevert als je dat niet doet. 

Wanneer Marcel Duchamp een pispot tentoonstelt met de woorden dit is kunst omdat ik het zeg, dan doet hij hetzelfde als de priester die een stuk brood zegent en het aan de gelovigen toont met de woorden ‘dit is het lichaam van Christus’. En net zoals dat vroeger in de mis gebeurde, buigen de hedendaagse gelovigen eerbiedig het hoofd voor dit getranssubstantieerde stukje materie, dat opeens geen ordinaire pispot meer is, maar ‘het lichaam van de nieuwe god van de kunst’. Deze nieuwe kunstgod is een stuk machtiger dan de oude want om het even wat kan veranderd worden in zijn lichaam, ja de hele wereld kan getranssubstantieerd worden tot hedendaagse kunst. Iedereen kan ook priester worden: Jeder Mensch ein Kunstler. De nieuwe kunstkerk is veel democratischer en internationaler dan de katholieke kerk ooit was: ze is toegankelijk voor iedereen en overstijgt alle grenzen, alle rassen, alle volkeren, alle culturen. Op deze internationale kerk was het dat de mensheid zat te wachten, voor deze wereldreligie was ze klaar. 

Werkelijk? Wie kan geloven dat de mens van de 20ste eeuw zat te wachten op een religie die van hem een blind geloof vergt in wat niet kan waargenomen, aangevoeld of begrepen worden! De hedendaagse kunst is geen heruitgave van de katholieke kerk, ze is een regressie naar veel oudere tijden, toen de mens nog niet in staat was tot zelfstandig denken en voelen. En op die prehistorische religie zat de moderne mens te wachten? Voor dat blinde geloof was hij bereid zijn hoogontwikkelde bewustzijn op te geven? Nee, dat is ondenkbaar. En toch. Zowat ieder kunstminnend mens belijdt vandaag het nieuwe geloof. Althans in het openbaar. Niemand waagt het en plein public ook maar één kritisch woord te zeggen over de hedendaagse kunst. Wat de kunstliefhebber werkelijk denkt en voelt over de nieuwe god die hij slaafs eer betuigt, daar hebben we het raden naar. De vraag is of hij dat zelf nog weet, want zelfstandig denken en voelen levert in de hedendaagse kunstwereld alleen maar problemen op.

Hoe is de moderne mens ten prooi kunnen vallen aan dit volstrekt anachronistische geloof? Wat heeft die beschamende regressie veroorzaakt? Dat ligt eigenlijk voor de hand: het is het verlangen naar de geest, het verlangen dat sinds het einde van het Kali Yuga weer wakker is geworden en alsmaar sterker wordt. Van dat verlangen is de mens zich, materialistisch als hij is, echter niet bewust. Hij weet niet dat er in zijn ziel een onstuitbaar verlangen leeft naar een hogere, geestelijke wereld, een verlangen om zich over te geven aan iets of iemand die groter is dan hijzelf. Zonder dat hij het beseft, vermengt dat geestelijke verlangen zich met dat andere onstuitbare verlangen in zijn ziel, het verlangen naar de materie. Het resultaat van die onbewuste vermenging van luciferisch en ahrimaans verlangen, is de nieuwe religie van de hedendaagse kunst, een religie die niets menselijks meer heeft omdat ze berust op het opgeven van het eigen oordeelsvermogen, op de overgave van denken, voelen en willen aan de tegenmachten. 

Wie een reis maakt doorheen de wereld van de hedendaagse kunst waant zich in een krankzinnigengesticht. Hij ziet mensen die met hun uitwerpselen spelen en zich kunstenaar wanen. Hij ziet deskundigen die instemmend knikken alsof ze denken: wie niet wordt als de kinderkens zal het Rijk Gods niet binnengaan. Hij ziet bezoekers die met een mengeling van huiver en fascinatie kijken naar deze aberraties en stiekem denken: gelukkig zijn wij zo niet! Hij ziet rijkelui die waanzinnige bedragen betalen voor het afval dat deze krankzinnigen produceren en hij ziet hoe de overheid het ene paleis na het andere optrekt om dit afval te etaleren. Hij denkt: dit kan niet waar zijn! Het is niet mogelijk dat al die mensen krankzinnig zijn geworden, dat de hele kunstwereld krankzinnig is geworden! En hij begint te twijfelen aan zichzelf: misschien zijn het niet de anderen die krankzinnig zijn, misschien ben ik zelf krankzinnig aan het worden! En om verlost te zijn van die kwellende twijfel treedt hij ten slotte toe tot de nieuwe kerk.

Door deze overgave komt er een eind aan zijn innerlijke strijd. De bekeerde kunstliefhebber hoeft nu niet meer te kiezen tussen de oude en de nieuwe kunst, hij hoeft zich niet voortdurend af te vragen: is dit nu kunst of niet? Hij kan nu onbekommerd alles omarmen. En hij wordt ook zelf omarmd: hij koestert zich in het besef opgenomen te zijn in de nieuwe moederkerk. Hij is nu eindelijk een mens van deze tijd geworden: ruimdenkend, inclusief, geen onderscheid makend tussen goed en slecht. Dat laatste laat hij over aan de bekrompen hokjesdenkers die overal grenzen willen trekken, die overal onderscheidingen willen maken. Wat een opluchting om bevrijd te zijn van dat oude, polariserende denken! Wat een vreugde om over die drempel te zijn geraakt en deel uit te maken van de heerlijke nieuwe wereld! En het is zo gemakkelijk! De nieuwe god vraagt helemaal niet veel van zijn volgelingen: alleen dat ze hun oordeelsvermogen opgeven, dat ze ophouden onderscheid te maken, dat ze niet meer kiezen. 

Het levende denken (1)

  

Een lezer vraagt me: hoe zie ik dat, levend denken cultiveren? Hij had me net zo goed kunnen vragen: hoe word je antroposoof? Want de core business van de antroposofie is het denken weer tot leven brengen. Die formulering kan op twee manieren begrepen worden: het denken levend maken en het denken nader tot het leven te brengen. Ze betekenen allebei hetzelfde. Dood denken is denken dat zich (te) ver van het leven verwijderd heeft. Levend denken cultiveren betekent dus de kloof tussen het dode denken en de levende werkelijkheid verkleinen. Dat is geen geringe opgave, want die kloof is ontzettend groot geworden. In de kranten kunnen we iedere dag lezen hoe er gedachten ontwikkeld worden die niets meer met de werkelijkheid te maken hebben, ja die de werkelijkheid gewoon omkeren. Dat is dan ook de volgende fase in het sterfproces van het denken: het denken wordt kwaadaardig, het vergrijpt zich aan de werkelijkheid. Het gaat niet alleen dood, het wordt ook dodelijk.

Een stervend denken is een denken dat zich losmaakt van de levende werkelijkheid en overgeleverd wordt aan de zwaarte van de materie en de wetten die daar heersen. Dat betekent dat het denken mechanisch wordt, het verliest zijn beweeglijkheid en wordt stram. Ten slotte valt het helemaal stil en gaat tot ontbinding over. Het is soms pijnlijk om te lezen of te horen hoe onsamenhangend het moderne denken geworden is, hoe het niet meer bij machte is een logische gedachtengang te volgen. Het rijgt gedachten aan elkaar zonder enig verband, gedachten die elkaar tegenspreken. Mensen zeggen in de ene zin dat iets wit is en in de volgende zin dat het zwart is, alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Ze lijken niet meer te weten wat ze denken, het is alsof ze niet meer zelf denken. En dat is ook het geval. Een denken dat sterft, maakt zich niet alleen los van de werkelijkheid maar ook van de denker, wiens plaats wordt ingenomen door krachten die het lijk systematisch afbreken. 

Een denken dat tot ontbinding overgaat, begint te stinken. De kranten – waar men dat dode denken aan het werk ziet – hebben het voortdurend over de riolen van het internet, over de bruine onderstroom van de samenleving, over de bagger in de sociale media. In feite hebben ze het over zichzelf, over hun eigen stinkende denken dat ze overal op projecteren. Het resultaat is haatzaaierij, oorlogspropaganda. Ontbindend denken werkt polariserend, zaait wantrouwen, zet mensen tegen elkaar op, verdeelt de wereld in links en rechts die elkaar naar het leven staan. En de mens realiseert zich dat niet, want zijn denken is in handen van de tegenmachten gevallen. Zij zijn het die de stank verspreiden en van het denken één grote, uniforme brij maken. Stront is overal hetzelfde, er is niks persoonlijks of menselijks meer aan. Het dode, tot ontbinding overgegane denken bestaat enkel nog uit de afvalstoffen van het levende denken, uit lege, abstracte gedachten die ieder verband verloren hebben, zowel met de werkelijkheid als met elkaar. 

Hedendaagse kunst giet dit dode, ontbindende denken in beelden. Daarom bestaat het – letterlijk en figuurlijk – uit rommel, afval, uitwerpselen. Het allereerste hedendaagse kunstwerk was een pispot, Marcel Duchamp vatte er op visionaire wijze de hele 20ste eeuwse kunst mee samen. In die kunst schuilt een diepe tragiek, want ze is waar: ze toont ons de realiteit van het ontbindende denken. Maar zo zien we het natuurlijk niet, want ons denken (dat ons denken niet meer is) keert de werkelijkheid om. We menen beelden van levend denken te zien en staan daar vol bewondering voor, maar ons zien is omgekeerde blindheid, onze bewondering omgekeerde angst. Wie deze beelden van het dode denken benadert met een levend denken – en dus ziet wat er werkelijk te zien is – deinst verschrikt achteruit voor de (geestelijke) stank die de tegenmachten verspreiden, maar ook voor hun dodelijke agressie. Want als hij durft te zeggen wat hij ziet, wordt hij aan alle kanten onder vuur genomen.  

Na de beelden komen de woorden. De stank en de agressie van het in staat van ontbinding verkerende denken manifesteert zich in toenemende mate ook buiten de kunstwereld. In de politieke correctheid zien we duidelijk hoe het denken zich tegen zichzelf keert: met onsamenhangende, tegenstrijdige, maar geraffineerde en intimiderende redeneringen wordt het denken verboden. Aan de Amerikaanse universiteiten wordt dat pijnlijk zichtbaar. De wetenschap wordt er stap voor stap het zwijgen opgelegd. Onderzoekers wier bevindingen niet stroken met de politiek correcte dogma’s worden ontslagen of krijgen geen geld meer. Professoren wordt het lesgeven onmogelijk gemaakt door schreeuwende studenten, die hen soms zelfs van de campus wegjagen. Tot nog toe zijn er geen doden gevallen, maar de protesterende studenten schuwen het geweld niet. Regelmatig moet de politie massaal uitrukken als het denken weer eens door wilde horden wordt aangevallen.  

Waar we vandaag getuige van zijn, is niets minder dan de terechtstelling van het denken. Die wordt uitgevoerd door het denken zelf, of beter gezegd, door de tegenmachten die het in hun greep hebben gekregen en het tegen zichzelf richten. Het hele wetenschappelijke apparaat wordt langzaam losgemaakt van de waarheid en verbonden met de leugen. Dat heeft verregaande gevolgen. Eén voorbeeld: op gezag van deze wetenschap wordt steeds meer aangedrongen op verplicht vaccineren. In Amerika is iedere 18-jarige reeds 75 keer ingeënt. De vaccins – die allesbehalve onschuldig zijn – worden steeds meer gecombineerd tot een cocktail die de mens van bij zijn geboorte moet beschermen tegen alle mogelijke ziekten. In werkelijkheid gebeurt het omgekeerde: hij wordt weerloos tegen deze ziekten omdat zijn immuunlichaam systematisch verzwakt. Wat we hier zien opdoemen is het medicijn dat Rudolf Steiner voorspeld heeft en dat de mens helemaal zou afsluiten voor de geest. 

Via de hedendaagse kunst dringt het dode denken door in de gevoelswereld en legt dat lam. Via de hedendaagse wetenschap dringt het door tot in de wil van de mens: het wordt hem fysiek onmogelijk gemaakt om nog zelf te denken. Het is een ontredderende ervaring om te discussiëren met mensen en vast te stellen dat ze vol goede wil zijn maar niet meer kunnen denken. Het is alsof ze door een denkberoerte getroffen zijn: ze maken innerlijk allerlei denkbewegingen maar hun lichaam luistert niet meer, het is ontoegankelijk geworden voor hun geest en diens goede wil. Zelf zijn ze zich daar niet van bewust, want ze nemen hun denken niet meer waar. Dat is namelijk wat de hersenen doen: ze maken het denken zichtbaar, ze zijn een spiegel waarin het denken zichzelf kan waarnemen en bewust worden van zichzelf. Maar die spiegel wordt kapot geslagen door het bombardement van chemicaliën waaraan de hedendaagse mens blootstaat.

En dat alles gebeurt op gezag van de wetenschap. Geen wonder dat uitgerekend studenten en jonge intellectuelen zich keren tegen het oude, nog waarheidsgetrouwe wetenschappelijke denken: hun denkapparaat is ontregeld, hun geest is niet meer in staat erin door te dringen en het te gebruiken, ze zijn hulpeloos overgeleverd aan de tegenmachten. Het is huiveringwekkend om de bezetenheid, maar ook de angst, te lezen in de ogen van deze jongeren, het kruim van de intelligentsia, de toekomstige leiders van de mensheid. Rudolf Steiner voorspelde dat het intellect kwaadaardig zou worden en dat is wat we vandaag overal zien gebeuren. Het dodelijke, rottende denken verspreidt zich als een infectie, een virus dat kinderen van jongs af wordt ingespoten, zowel geestelijk als lichamelijk. Niemand ontsnapt eraan, en wie zich verzet – omdat hij ziet wat het met kinderen doet – wordt verketterd, als een misdadiger te kijk gesteld, uit zijn ouderrechten gezet.  

Het cultiveren van het levende denken is een poging om de ziel van de mens te redden, en dat vergt een strijd op leven en dood tegen een verpletterende overmacht die zich op alle gebieden manifesteert, geestelijk, fysiek en sociaal. Op fysiek gebied wordt het immuniteitssysteem aangevallen, op sociaal gebied het vertrouwen, op geestelijk gebied de moraliteit. Deze overmacht keert alles in zijn tegendeel: het immuniteitssysteem begint zichzelf aan te vallen, het vertrouwen wordt wantrouwen, de moraliteit wordt immoraliteit. De ontketende tegenmachten vinden hun aangrijpingspunt in het dode denken van de mens: dat is hun bruggenhoofd, van daaruit lanceren ze hun geallieerde aanval op de ziel van de mens. Zolang die mens zijn denken niet herovert, zolang dat denken dood en dodelijk blijft, zullen al zijn pogingen om zich te verzetten tegen de ontmenselijking schipbreuk lijden. Want in alles wat de mens doet, is zijn denken werkzaam. Hij is een animal rationale

Schakelt men het denken van de mens uit, dan schakelt men ook zijn menselijkheid uit, dan wordt hij een dier. Geen dier echter dat geleid wordt door een geniaal instinct, maar een dier dat geleid wordt door wilde, chaotische en egoïstische driften. Deze dierlijke mens staat veel lager dan het dier, hij is een monster zoals we het in de dierenwereld nergens tegenkomen. De voorbije wereldoorlogen hebben dat ten overvloede geïllustreerd. De beestachtigheid van het mensdier kent geen grenzen. De redding van de ziel – de redding van de menselijkheid van de mens – begint bij het denken. Dat dode denken moet weer omgekeerd worden, het moet in zijn oorspronkelijke – levende en levenwekkende – staat worden hersteld. Het verleden – vanaf de schepping tot vandaag – was één langgerekt sterven van het levende denken. Het culmineerde in de vrije mens die nu de keuze heeft dat sterven voort te zetten of om te keren. Die keuze is de zin en het doel van het hele mensheidsverleden.

We beleven momenteel het Keerpunt der Tijden: de hele wereld wordt ‘omgekeerd’. Maar het dode denken beweegt niet mee, het blijft star in dezelfde richting verder gaan, het gaat steeds meer tot ontbinding over. Om de keuze te maken waarvoor we staan, hebben we maar een bepaalde tijdsspanne, de tijd van het dode denken zeg maar. Het is immers dat dode denken dat een vrije keuze mogelijk maakt. Begint het tot ontbinding over te gaan, dan verliezen we die vrijheid weer, dan raken we in de greep van de tegenmachten. Het komt er dus op aan dat dode denken te gebruiken voor het uiteen begint te vallen en onbruikbaar wordt. We moeten het gebruiken om na te denken over het denken, over de vrijheid die het ons biedt, maar ook over de grote gevaren die het inhoudt. Juist doordat het denken zich steeds meer van ons losmaakt en sterft, zijn we in staat het waar te nemen en erover na te denken. En dat is een voorwaarde om doordrongen te worden van de noodzaak om er ons weer mee te verbinden en het tot leven te wekken. 

Rudolf Steiner bekloeg er zich over dat de moderne mens zo ongelooflijk goed kan denken maar het niet doet. Hij maakt geen gebruik van het schitterende vermogen dat hij van het verleden gekregen heeft. Hij laat het zich ontfutselen door de tegenmachten, als een rijkeluiskind dat het familiefortuin erdoor jaagt. We leven in een tijd van grote beslissingen, aldus Rudolf Steiner, en die kunnen allemaal teruggebracht worden tot de beslissing om te denken, om het dode denken – dat kostbare instrument – ter hand te nemen en weer tot leven te wekken, om het uit handen van de tegenmachten te houden of te trekken. En daarmee ben ik weer terug bij het begin van deze uiteenzetting, want die beslissing werd genomen in het voorgeboortelijk leven, met name in de Michaëlschool en -cultus waarover Rudolf Steiner aan het eind van zijn leven sprak. Daar werd de antroposofie verwekt, daar ontstond de wil om het denken weer tot leven te wekken.

Waar Rudolf Steiner zich dus eigenlijk over bekloeg was dat zo weinig mensen zich bewust werden van die wil, want er hadden veel meer mensen aan deze Michaëlbijeenkomst in de hemel deelgenomen, dan er op aarde tot de antroposofie kwamen. Hier duikt het thema op waar Rudolf Steiner steeds weer op hamerde: we moeten wakker worden. We moeten ons dode (maar bewuste) denken verbinden met onze levende (maar onbewuste) wil. Die twee moeten in elkaar doordringen: de wil moet het denken weer tot leven brengen, het denken moet licht ontsteken in de duistere gebieden van de wil. Dat is wakker worden. Levend denken is denken waarin onze wil werkzaam is. Maar die wil kan pas werkzaam worden als we hem kennen. Veel jonge mensen ontbreekt het aan wilskracht, ze zijn onverschillig, lusteloos, ten prooi aan hun driften. Maar dat komt niet doordat ze niks willen, het komt doordat ze niet weten wat ze willen. Hun denken en hun willen zijn ontkoppeld, ze kunnen elkaar niet meer bereiken.

Wakker worden is daarom nauw verbonden met karmabewustzijn. Als we erachter willen komen wat we willen in dit leven, wat onze levensopgave is, dan moeten we niet in onszelf kijken, want daar treffen we vooral wensen aan. We moeten naar buiten kijken, naar de concrete werkelijkheid van ons leven, want dat is een beeld van onze wil. Voor jonge mensen ligt dat moeilijk omdat ze nog niet veel beeldmateriaal hebben. Daarom moeten ze geholpen worden door oudere mensen die op een heel leven kunnen terugkijken en zich een veel duidelijker beeld kunnen vormen van hun wil. In dit karmaonderzoek overbrugt de mens de kloof tussen denken en willen. Het is dan ook in de eerste plaats een aangelegenheid van het hart. Levend denken is hartelijk denken, het is denken met het hart. Het is ook sociaal denken, denken in gesprek met anderen. Daarom stond in het centrum van Rudolf Steiners karmavoordrachten het gesprek tussen de oude (denkende) zielen en de jonge (willende) zielen. Dat is het hart van de antroposofie. 

De vervalsing van de mens (2)

  

In museum Boijmans van Beuningen in Rotterdam (waar ik ooit een adembenemende Pieter Breughel zag) loopt momenteel een tentoonstelling die bestaat uit drie reusachtige drollen. Bezoekers krijgen de gelegenheid een handgemaakt naaktpak aan te trekken waarmee ze de kunstwerken kunnen bezichtigen en betasten. Of de drollen ook handgemaakt (dan wel darmgemaakt) zijn, weet het krantenbericht niet te vertellen. Wel komen we te weten dat de tentoonstelling door critici bejubeld wordt als taboedoorbrekend. 101 jaar nadat Marcel Duchamp een pispot als kunstwerk tentoonstelde, kan dat tellen als statement. Het vertelt ons dat de kunst al meer dan een eeuw in een kringetje ronddraait en dat deze stagnatie gezien wordt als grensverleggend. Hoe dieper de kunst wegzinkt in een sfeer van pis, kak en stront, des te beter. Dat lijkt het nieuwe ideaal te zijn in de wereld van kunst en cultuur: de grens steeds verder naar onder verleggen.

Reeds in 1961 stelde Piero Manzoni zijn eigen uitwerpselen tentoon, en sindsdien keert dat stront-thema steeds weer terug. Wim Delvoye werd wereldberoemd met zijn kak-machines, een ander Vlaams kunstenaar boetseerde een manshoog zelfportret uit zijn eigen darmproductie, en tijdens performances kunnen we kunstenaars letterlijk kunst zien schijten. Stront is – zoal niet letterlijk dan toch figuurlijk – de bruine draad die door de hedendaagse kunst loopt. Art is shit. Kunst bestaat vandaag uit afvalproducten waarmee men wil choqueren, weerzin oproepen en verontwaardiging wekken. Tenminste, dat was aanvankelijk de bedoeling. Marcel Duchamp en Piero Manzoni wilden tegen de schenen van het establishment schoppen en de goegemeente wakker schudden. Maar hedendaagse kunstenaars wekken al lang geen woede of ontzetting meer. Ze oogsten alleen nog bewondering en succes. De meest prestigieuze musea ter wereld ontvangen hen met open armen. Zelfs het Goetheanum in Dornach doet dat. 

Volgens Rudolf Steiner is kunst het hoogste wat de mens op aarde kan bereiken. Het is met andere woorden het doel van de mensheidsontwikkeling, het ideaal van de antroposofie. Welnu, de hedendaagse kunst is erin geslaagd dat doel in zijn tegendeel te keren. Ze heeft het allerhoogste vervangen door het allerlaagste en dat nieuwe ideaal maakt furore. De afgelopen 100 jaar is de moderne cultuur langzaam weggezonken in een beerput en ze blijft zinken. Niemand had in de tijd van Rudolf Steiner kunnen geloven dat er ooit stront zou tentoongesteld worden in de Europese musea voor schone kunsten of dat er bananenschillen zouden gestrooid worden in het Goetheanum in Dornach. Vandaag is dat echter de normaalste zaak van de wereld, niemand protesteert er nog tegen, wel integendeel. Wie zich verzet tegen deze rechtsomkeer van de beschaving wordt weggehoond als een cultuurbarbaar, een achterlijk en bekrompen mens, een slechte antroposoof.   

Wat in de wereld van de kunst gebeurt, gebeurt ook daarbuiten. Het wordt met de dag duidelijker dat kunst een pars pro toto is, een deel dat het geheel weerspiegelt. De hedendaagse kunst wordt geboren in 1917, wanneer Marcel Duchamp zijn fameuze pispot tentoonstelt. In datzelfde annus horribilis verschijnen Amerika en Rusland op het wereldtoneel en begint de ‘verscheuring’ van Europa. Zowel in de kunst als in de werkelijkheid steekt een kwaadaardige geest de kop op die het Europese mensheidsideaal in zijn tegendeel keert. De gevolgen zijn vreselijk. Opeens verandert de beschaafde mens in een roofdier dat zijn soortgenoten verscheurt en enorme bloedbaden aanricht, allemaal in dienst van het nieuwe ideaal. De menselijkheid verdwijnt als sneeuw voor de zon en de kunst weerspiegelt dat. Van de menselijke figuur, die in de klassieke kunst centraal stond, is in de hedendaagse kunst geen spoor meer te bekennen, tenzij als voorwerp van spot, vernedering en verminking. 

Deze verdierlijkte mens groeit uit tot een wetenschapper die ervan overtuigd is een aap te zijn, een kunstenaar die trots poseert naast zijn uitwerpselen en een gelovige die geen verschil meer ziet tussen het zaaien van terreur en het dienen van God. Hij waant zich lid van een avant-garde die de mensheid uit de duisternis van het verleden naar het licht van de toekomst leidt. Gelukkig is niet iedereen zo idealistisch, vooruitstrevend en grensverleggend als deze elitetroepen. Het domme volk heeft geen boodschap aan een wetenschap die de mens tot dier degradeert, ze weigert gebreide naaktpakjes aan te trekken om drollen te betasten en ze verafschuwt terroristen die dodelijke haat verwarren met hemelse liefde. Maar de trage massa wordt onafgebroken bestookt in de media, het onderwijs, de politiek. Door middel van hoogdravende slogans en grove beschuldigingen wordt ze stap voor stap geïnfecteerd met het nieuwe ideaal. En die propaganda werpt vruchten af: steeds meer mensen maken rechtsomkeer, steeds meer mensen willen bij de elite horen. 

We kunnen nu reeds zien waar dat zal op uitdraaien. Kunst weerspiegelt immers ook de diepere lagen van de werkelijkheid, zij maakt zichtbaar wat reeds bestaat maar nog niet aan het licht is gekomen. In die zin heeft zij een voorspellend karakter en wat zij ons toont is een wereld waarin het nieuwe ideaal vanzelfsprekend is geworden en door niemand nog in vraag wordt gesteld. De weinigen die trouw proberen te blijven aan het oude, Europese ideaal bezwijken één voor één onder de immense druk. Of ze verdwijnen van het toneel en er wordt nooit meer van hen gehoord. Want zo gaat het in deze brave new world: ofwel doen we mee, ofwel liggen we eruit. Ofwel gaan alle deuren voor ons open en worden we opgenomen in een worldwide web dat al onze wensen in vervulling doet gaan, ofwel worden we uitgestoten, vernederd en gebroodroofd. De hedendaagse geest plaatst de mens voor een keuze, hij maakt hem an offer he can’t refuse. En dat aanbod wordt aanvaard. 

De geboorte van deze heerlijke nieuwe wereld is in volle gang. Het is een onderwereld waarin iedereen zijn ziel aan de duivel heeft verkocht en niemand nog weet wat een mens is. De enkelingen die dat wel nog weten, hebben de grootste moeite om te overleven in deze beerput. Het is een nachtmerrieachtig toekomstbeeld dat de hedendaagse kunst ons voorhoudt en we durven dan ook niet kijken in deze duistere spiegel. We registreren de drollen, de pispotten en de bananenschillen wel, maar we laten de betekenis ervan niet tot ons doordringen. We zien de materie, maar sluiten de ogen voor de geest die eruit spreekt. We verkopen onze ziel aan deze duivel omdat we hem niet willen zien. Ook al staat hij levensgroot voor ons en kunnen we niet meer naast hem kijken, we ontkennen zijn bestaan. En juist deze ontkenning, deze weigering om de geest in de materie waar te nemen, maakt ons tot slachtoffer van de Grote Vervalsing, de omwisseling van hoog en laag.

We lopen blindelings in de val. In goed vertrouwen geven we ons over aan een weerzinwekkende geest die zich vermomt als kunstenaar, die zich voordoet als de redder van de wereld, de belichaming van onze hoogste idealen, de vervulling onze diepste verlangens. En zo wordt in onze ziel een kind verwekt, een nieuwe mens die de oude zal vervangen en die als twee druppels water op zijn vader zal lijken: een wolf in een schaapsvacht, onschuldig en menselijk aan de buitenkant, kwaadaardig en onmenselijk aan de binnenkant. Dit duivelskind hebben we lief als een moeder: we zijn bereid er ons leven voor te geven. Dat is dan ook wat we doen: langzaam offeren we ons oude zelf op opdat het nieuwe zal leven, in de overtuiging dat we op die manier betere mensen zullen worden. Maar het tegendeel is waar. We verdierlijken, we veranderen stap voor stap in onmensen. En niemand kan ons van het tegendeel overtuigen want ons hart is vervuld van liefde, onvoorwaardelijke moederliefde.

Deze blinde moederliefde voor het koekoeksjong in onze ziel is het grootste gevaar dat ons bedreigt. Ze brengt er ons toe onszelf op te offeren en de oude mens in te ruilen voor een nieuwe. Maar anders dan de oude mens, die probeert zijn lagere zelf onder controle te krijgen en te veredelen, doet deze heerlijke nieuwe mens precies het omgekeerde: hij probeert zijn hogere Ik onder controle te brengen van zijn lagere zelf, hij zet het dier-in-zichzelf op de troon. Dat is wat de hedendaagse kunst ons al 100 jaar toont, maar we willen het niet zien, we zien het omgekeerde. Als Jan Fabre in zijn Mount Olympus acteurs met hun piemel laat zwaaien, pissen, zich in bloederige ingewanden wentelen en meer van dat fraais, dan reageren we niet met afschuw maar met enthousiasme. We worden zelfs euforisch, alsof we een blik werpen in de wereld der goden. En dat is ook zo. Alleen zijn het niet de oude olympische goden die we hier aan het werk zien, het is de onderwereld waarin we juichend afdalen. 

Wie denkt immuun te zijn voor deze omkering onderschat de god van de onderwereld, of beter: hij herkent hem niet. Want hij is een meester in het vermommen. Een treffend voorbeeld is Joseph Beuys, hedendaags kunstenaar én antroposoof. Wat hij maakt en doet, staat qua geest en uitzicht volkomen haaks op wat in de antroposofie gebruikelijk is, maar toch wordt hij voor tal van antroposofen beschouwd als een lichtend voorbeeld, een bron van inspiratie. Jeder Mensch ein Künstler, is zijn motto, een waarheid als een koe. Maar niemand vraagt zich af wat hij met die Künstler bedoelt. Is dat iemand die, zoals vroeger, zwijgend schoonheid schept, of is het iemand die, zoals Beuys, lelijke dingen maakt en ze vervolgens mooipraat? Wat is een kunstenaar? Wat is kunst?  Rudolf Steiner heeft die vragen uitvoerig beantwoord, maar niemand lijkt dat antwoord te kennen of ernstig te nemen, want Joseph Beuys keert het radicaal om zonder dat iemand het merkt.

De hele hedendaagse kunst berust op een omkering van Rudolf Steiners esthetica, een esthetica die gebaseerd is op het werk van Goethe. In het Duitse idealisme kwam de Europese cultuur tot bloei en werd ze een aardse afspiegeling van de bovenaardse Michaëlschool die op dat moment plaatsvond (en waaruit later de antroposofie zou voortkomen). Maar tezelfdertijd stichtte Ahriman een onderaardse school waar precies het omgekeerde werd onderwezen. Van daar uit sloop in datzelfde Duitse idealisme de kunstopvatting binnen die het hele Westerse denken over kunst zou gaan beheersen en vandaag consequent wordt toegepast in de hedendaagse kunst. De tragiek is dat deze kunst – de zichtbaar geworden anti-antroposofie – niet herkend wordt door antroposofen en zelfs doorgedrongen is tot in het hart van de antroposofische wereld. Dat is geen nieuw gegeven: reeds tijdens zijn leven waarschuwde Rudolf Steiner voor de anti-antroposofie die zich in de schoot van de antroposofische vereniging ontwikkelde, in zijn onmiddellijke nabijheid. 

Kende Rudolf Steiner de pispot van Marcel Duchamp? Dat is weinig waarschijnlijk. Het was destijds niet meer dan een morbide grap in een obscure New Yorkse kunstgalerie. De geest die erachter schuilging, kende hij echter maar al te goed. Hij wist dat dit ‘onschuldige lam’ de hele menselijke beschaving aan de rand van het graf zou brengen. Toen hij zelf al met één been in het graf stond, waarschuwde hij nadrukkelijk voor dit gevaar, zonder evenwel de hedendaagse geest bij naam te noemen. Het mocht niet baten. Onmiddellijk na zijn dood liet de Grote Vijand zijn gezicht zien. Hij scheurde de antroposofische vereniging in twee en even later onderging Europa hetzelfde lot. Dat de antroposofen zo massaal voor de bijl gingen, geeft een idee van het enorme misleidingsvermogen van deze geest. Degenen die hem doorzagen stonden machteloos, ze werden zonder pardon uit de vereniging gezet en beschouwd als ketters die de brandstapel verdienden.

Het zou bijna 100 jaar duren voor ze weer in ere werden hersteld, maar dat betekent geenszins dat de grote tegenstander van de antroposofie nu ontmaskerd is. Integendeel, men blijft onverminderd blind voor de nieuwe heerser van de wereld. Als het van de Beuys-fans afhangt, dan wordt hij zelfs de inspirator van de moderne antroposofie. We mogen bidden dat het nooit zover komt dat hij de plaats van Michaël inneemt, maar ondenkbaar is het zeker niet. Want het gaat snel, de macht van de hedendaagse geest breidt zich zienderogen uit. Wie tegen hem durft in te gaan riskeert nu reeds zijn reputatie, zijn broodwinning, zijn vrijheid en zelfs zijn leven. Juist daarom moeten we ons dringend de vraag stellen: hoe slaagt de hedendaagse geest erin om de antroposofie te vervalsen zonder dat we het merken? Als we niet zelf het slachtoffer willen worden van deze duivelse omkeringskunstenaar dan moeten we proberen een antwoord vinden op die vraag. 

De dode kunst

  

In 1917 stelde Marcel Duchamp zijn beroemde pispot tentoon en legde daarmee een koekoeksei in het nest van de kunst. Het leek op een gewoon ei omdat het – net als een klassiek kunstwerk – geest en materie met elkaar verbond: de materie van de pispot en de geest van de achterliggende ideeën. Want je stelt geen pispot tentoon tussen tussen tekeningen, schilderijen en beeldhouwwerken als daar geen welbepaalde ideeën over kunst achter zitten. De ideeën die aan de pispot gekoppeld waren, bleken onwaarschijnlijk krachtig te zijn. Hoe valt anders te verklaren dat dit stuk afval het einde inluidde van een artistieke traditie die duizenden jaren oud was? Zo onooglijk als het materiële ‘kunstwerk’ was, zo overweldigend was de ideële kracht die erachter schuilging.

Ontleende de hedendaagse kunst haar verpletterende kracht werkelijk aan de intellectuele ideeën waarmee ze pispotten en ander afval aan de man bracht? Van die ideeën ging ongetwijfeld een intimiderende werking uit, maar ze konden er niet de oorzaak van zijn dat steeds meer kunstenaars ophielden met tekenen, schilderen en beeldhouwen, om hun leven te wijden aan het tentoonstellen van veredeld afval. Want kunstenaars werken niet met abstracte ideeën, ze hebben daar zelfs een gezonde afkeer van. Het waren dus niet de manifesten, programma’s en beginselverklaringen van Marcel Duchamp en co die zoveel kunstenaars ertoe verleidden het scheppen van kunst op te geven en over te stappen op wat niet anders genoemd kan worden dan het maken van propaganda. 

De kijkers van hun kant werden ertoe overhaald om kunst niet langer te zoeken in tekeningen, schilderijen of beeldhouwwerken, maar in kartonnen dozen, verroeste conserven en beschimmelde etenswaar. Het waren niet de eersten de besten die bezweken voor deze verleiding: kenners, liefhebbers, schrijvers, academici, kortom de intelligentsia. Terwijl de gewone bevolking de neus ophaalde voor de rommel die de hedendaagse kunst in haar ogen was, raakte de culturele elite zodanig in de ban van de nieuwe kunst dat ze als uit één mond haar lof zong en niemand het na verloop van tijd nog waagde om niet in te stemmen met deze lofzang. Zo’n massaal enthousiasme breng je niet teweeg met abstracte ideeën. Achter de dode ideeën en de banale voorwerpen van de hedendaagse kunst ging een levende geest schuil, een buitengewoon machtige geest. 

Deze geest dankte zijn verleidingskracht niet alleen aan zijn intellectuele raffinement en zijn brutale optreden, maar ook – en vooral – aan zijn onzichtbaarheid. Vandaag regeert hij de kunstwereld met ijzeren hand en iedereen gehoorzaamt hem blindelings, kunstenaars zowel als kijkers. Maar niemand zal dat toegeven. Integendeel, men vindt de idee van een tirannieke geest bespottelijk, want is de hedendaagse kunst niet juist een kunst die zich bevrijd heeft van het klassieke keurslijf? Is zij niet bij uitstek een kunst waar alles mogelijk is en waar dus louter vrijheid heerst? Men kaatst het verwijt van tirannie gewoon terug en legt ieder verzet tegen de hedendaagse kunst uit als angst voor de vrijheid. De (uiterst zeldzame) critici werpt men voor de voeten dat ze niet in staat zijn de oude regels los te laten en op eigen benen te gaan staan. 

De kunstwereld is zich totaal niet bewust van de tirannieke geest waaraan hij zich onderwerpt, evenmin als moslims zich bewust zijn van de islamitische geest waardoor zij heel hun leven laten bepalen. Die geest is voor beiden wat water is voor een vis: hun levenselement. Ze zijn er zo innig mee verbonden dat ze geen idee hebben van zijn bestaan. Pas wanneer ze er zich uit losmaken en er tegenover gaan staan, leren ze hem kennen. Maar tegelijk ondervinden ze hoe afhankelijk ze van hem zijn en dat besef doet hen naar adem happen. Ze voelen zich als een vis op het droge en willen maar één ding: opnieuw onderduiken in het element van deze geest. De kunstwereld weet niets af van een geestelijke tiran omdat hij heel die wereld vult, omdat het veel te pijnlijk is zich van hem los te maken.  

Verhalen van klassieke kunstenaars die ‘hedendaags’ beginnen werken, zijn legio. Het omgekeerde verhaal – hedendaagse kunstenaars die opnieuw ‘klassiek’ gaan werken – krijgt men nooit te horen. Niet alleen is het buitengewoon moeilijk om zich te onttrekken aan de invloed van de hedendaagse geest, maar men verzeilt ook in de totale anonimiteit en verliest zijn stem. Voor de hedendaagse kunstenaar gaan alle deuren open. De rijken en machtigen der aarde steunen hem, de intelligentsia staat te zijner beschikking, de media verkondigen zijn roem en iedereen bewondert hem. Maar zodra hij zich onttrekt aan de greep van de ‘hedendaagse geest’, gaan alle deuren als bij toverslag dicht. Hij wordt uitgespuwd en komt in de woestijn terecht. Niemand wil hem nog kennen en algauw is men zijn bestaan vergeten. 

Wie arm is en rijk wordt, past zich vlug aan. Maar wie rijk is en arm wordt, krijgt het heel erg moeilijk. Dat laatste is het lot van iedere kunstenaar of kunstliefhebber die de hedendaagse kunst de rug toekeert. Het leven zoals hij het kende, houdt op. Hij komt op straat te staan, wordt ‘dakloos’ en verliest al zijn vrienden. Het is een lot waar iedereen voor terugschrikt. Niemand wil eindigen als Jordy in de Blaarmeersen. Natuurlijk kan de ‘afvallige’ proberen te overleven, ver van de schijnwerpers en de vleespotten van de hedendaagse kunst, maar nooit zal hij de diepe kloof kunnen vergeten die gaapt tussen de glorieuze wereld die hij verlaten heeft en het moeizame bestaan dat hij nu leidt. Hij zal de kloof die de kunst in twee deelt voortaan als een open wonde in zijn hart dragen.  

Wie niet lijdt aan de kloof die de kunst in twee deelt, zal nooit de geest leren kennen die ze geslagen heeft. De ‘kwetsuur’ van de kunst wordt in alle toonaarden ontkend, zowel door hedendaagsen als klassieken, zowel door kunstenaars als door kunstliefhebbers. Allemaal doen ze alsof de kunst nog heel is. Allemaal sluiten ze de ogen voor de diepe kloof die hen scheidt, voor de wonde waaraan de kunst bezweken is. Want de klassieke kunst die vandaag nog bedreven wordt, is zielloos. Ze leeft niet meer. Maar ook de hedendaagse kunst leeft niet. Ondanks de schijn van het tegendeel is ze sinds de pispot van Duchamp, honderd jaar geleden, geen stap verder gekomen. Ze wordt dan ook niet bezield door de geest van de levende kunst, maar door een geest van dood en ontbinding.

De kunst is uiteengevallen in twee delen. Het ene deel lijkt op de oude, klassieke kunst maar de geest is eruit verdwenen. Het is een stoffelijk omhulsel dat op kunstmatige wijze in leven wordt gehouden door mensen die zich vastklampen aan wat nog slechts een herinnering is. Het andere deel is het ‘hedendaagse’. Het wordt bezield door een bijzonder krachtige geest die kunstenaars en kunstliefhebbers in een cirkel doet draaien, want ondanks de intense activiteit die hier heerst, verandert er niets. Groter tegenstelling dan tussen deze twee dode ‘kunsten’ is niet mogelijk en de hedendaagse kunst noemt zichzelf dan ook regelmatig een anti-kunst. Eén ding hebben beide echter gemeen: de ‘onzichtbaarheid’ van hun geest. Uit de klassieke kunst is hij verdwenen, in de hedendaagse kunst is hij onbekend.

De kunst is gestorven. Ze is in twee gehakt door een huiveringwekkende geest die als uit het niets is opgedoken. De wonde die hij geslagen heeft, is zo vreselijk dat niemand er durft naar kijken. Sommigen keren de kunst gewoon de rug toe, anderen richten de blik op één van de overgebleven delen en negeren het andere. Ze doen alsof de kunst nog heel is. Ze sluiten de ogen voor de ‘hedendaagse’ geest, de geest van de anti-kunst die ongemerkt de plaats heeft ingenomen van de levende geest van de kunst. Ze voeden dit koekoeksjong in de overtuiging dat ze de kunst liefhebben, en merken niet hoe het één voor één hun eigen jongen uit het nest werpt en de kunst berooft van haar toekomst. Door blind te blijven voor de dood van de kunst maken ze haar wederopstanding onmogelijk.

De driegelede kunst (2)

  

Sinds de kunst ‘hedendaags’ werd, is ze niet langer driegeleed. Het middelste lid, dat beide andere met elkaar verbond, is verdwenen. In de ‘nieuwe’ kunst speelt het geen rol meer. Nemen we bijvoorbeeld het scheppingsproces dat in de ‘oude’ kunst de brug slaat tussen (geestelijke) inspiratie en (materieel) kunstwerk. Dat scheppingsproces is het resultaat van een scholing tijdens dewelke de kunstenaar bijzondere vermogens ontwikkelt. Zonder die vermogens kan hij nooit een kunstwerk tot stand brengen. In de hedendaagse kunst spelen ze echter geen rol meer. De kunstenaar heeft een idee of concept en laat dat in veel gevallen uitvoeren door gespecialiseerde firma’s. De uitvoering is een louter technische, onpersoonlijke zaak geworden. Van een scheppingsproces is geen sprake meer. 

Voor de kijker geldt hetzelfde. Klassieke kunst moet hij leren zien en waarderen. Hij moet er zijn ‘oog’ voor scholen zoals de kunstenaar zijn ‘hand’ moet scholen. Doet hij dat niet, dan blijft de kunst voor hem ‘onzichtbaar’ en beleeft hij er geen vreugde aan. Geheel anders ligt dat met de hedendaagse kunst. Hier moet er niks geoefend worden, hier moeten geen bijzondere waarnemingsvermogens ontwikkeld worden. Het volstaat dat de kijker doet wat hij ook op school doet: kennis vergaren. Hij moet zich informeren over het kunstwerk, hij moet erover lezen en studeren. Met het ontwikkelen van een ‘kunstzinnig oog’ heeft dit niets te maken. Een pispot blijft een pispot, hoe vaak je er ook naar kijkt. De schoonheid van een klassiek kunstwerk daarentegen is afhankelijk van ons vermogen om die schoonheid te zien.  

Het duidelijkst wordt dit wegvallen van de middelste pool wanneer we onze aandacht richten op de drieledigheid kunstenaar-kunstwerk-kijker. In de klassieke kunst staat het kunstwerk centraal, niet de kunstenaar of de kijker. De moderne personencultus in de kunst is van vrij recente datum. Kunstwerken waren vroeger anoniem. Men was niet geïnteresseerd in de maker. Ook de kijker was niet interessant. Alleen het kunstwerk telde. En zo is het in wezen nog altijd. In de klassieke kunst doet het er niet toe wie de kunstenaar is of wat hij dacht en voelde bij het maken van zijn werk, alleen het resultaat telt. Het doet er ook niet toe wie de kijker is of wat hij denkt en voelt bij het kijken naar kunst, zijn perceptie verandert niets aan de waarde van het kunstwerk. Het klassieke kunstwerk is een autonoom gegeven. 

Vergelijken we dat nu eens met het beroemdste en meest representatieve hedendaagse kunstwerk: de pispot van Marcel Duchamp. Dat is zeker geen op zichzelf staand gegeven. Als we hem aantroffen in een containerpark zou geen haar op ons hoofd eraan denken dat we met een kunstwerk te maken hadden. De handtekening die op de pispot staat, heeft alleen betekenis voor wie zijn kunstgeschiedenis kent. Zonder die kennis bestaat dit hedendaagse kunstwerk eenvoudig niet en valt het niet te onderscheiden van rommel en afval. Als we daarentegen een schilderij van Rafaël in het containerpark aantroffen, zouden we het meteen herkennen als kunst, niet omdat het ondertekend is met ‘Rafaël’, maar omdat we de heel bijzondere kwaliteit van dit voorwerp waarnemen.

Het kan niet ontkend worden: wat een hedendaags kunstwerk tot kunst maakt, is de handtekening en de handtekening alleen. Picasso maakte daar op cynische wijze gebruik van. Als hij op café een sigaret opstak, dan gebeurde het wel eens dat hij het luciferdoosje signeerde, het op de grond wierp en dan toekeek hoe erom gevochten werd. Want men wist dat Picasso’s handtekening geld waard was, of ze nu op een schilderij stond of op een luciferdoosje. En zo is het met alle hedendaagse kunst: het ‘kunstwerk’ zelf doet er niet toe, het gaat enkel en alleen om de handtekening. En de waarde van die handtekening berust op de reputatie van wie ze plaatst. Men kan hedendaagse kunst vergelijken met geld: op zich is ze niks waard, ze verwijst alleen naar iets dat wel waarde heeft. 

De waarde waarnaar de hedendaagse kunst verwijst is de reputatie die de kunstenaar in de kunstwereld verworven heeft. Die reputatie berust niet op zijn persoonlijke kunnen, zoals dat in de klassieke kunst tot uitdrukking komt in het kunstwerk. Waarop berust ze dan wel? Het is dezelfde vraag als: waarom geloven mensen iemand die verklaart: dit is kunst omdat ik het zeg? Want zelf zien ze het niet, ze nemen het gewoon aan. Ze ruilen hun eigen waarnemings- en oordeelsvermogen voor gehoorzaamheid aan een gebod dat geen enkele zichtbare grond heeft. Ze doen met andere woorden hetzelfde als gelovigen die zich onderwerpen aan het gezag van priesters omdat ze in naam van God spreken. Maar Marcel Duchamp en co spreken niet in naam van God, ze spreken in eigen naam. 

Een vreemd fenomeen wordt hier zichtbaar. Hedendaagse kunstenaars gedragen zich als hogepriesters die handelen in naam van een goddelijke instantie. Hedendaagse kunstliefhebbers gedragen zich als gelovigen die eerbiedig het hoofd buigen voor die onzichtbare instantie. Vandaar ook dat de goegemeente spottend spreekt over kunstpausen en een kunstkerk. Maar in de hele hedendaagse kunst is geen sprake van een God of een hogere instantie. Wel integendeel, er is geen plaats waar God afweziger is dan in de culturele en intellectuele kringen van onze tijd. De conclusie dringt zich dan ook op dat in de hedendaagse kunst een ‘god’ of een ‘geestelijke instantie’ werkzaam is die niemand ziet, waar niemand iets van afweet en waarvan het bestaan in alle toonaarden ontkend wordt. 

Als we nu terugkeren naar de radicale verandering die de kunst aan het begin van de 20ste eeuw heeft ondergaan, een verandering die bestond in het wegvallen van het middelste en centrale ‘lid’ in de driegeleding van de kunst, dan moeten we vaststellen dat dit midden in de hedendaagse kunst niet zomaar ontbreekt. Het is vervangen door een ander ‘midden’, een onzichtbare geest die niemand kent maar waar men zich niettemin met hart en ziel aan onderwerpt. Het is dezelfde blinde onderwerping die we ook aantreffen in de hedendaagse islam, met dat verschil dat moslims menen zich te onderwerpen aan de wil van God, terwijl Europese en Westerse culturo’s ervan overtuigd zijn zich nergens aan te onderwerpen en louter uit vrije wil te handelen. Maar we hebben al gezien hoe relatief dit verschil is. 

Antiracisme

Racisme!
Er bestaat geen betere stok voor wie vandaag een hond wil slaan.
Vanzelfsprekend krijgen Rudolf Steiner en zijn antroposofie er regelmatig van langs.
Vroeger ging ik met die stokslagers wel eens in de clinch.
Nu niet meer.
Ik weet nu dat het hen niet om racisme te doen is.
Het is hen om iets anders te doen.

Wat verstaan antiracisten onder racisme?
Is dat het daadwerkelijk discrimineren op basis van ras?
Als dat zo was dan zouden ze hun stokslagen niet op hun blanke rasgenoten richten.
Want de grote racisten zijn vandaag elders te zoeken.
Onder de moslims bijvoorbeeld, die de joden overal het leven zuur maken.
Of onder de Arabieren die hun Aziatische werknemers als slaven behandelen.
Krijgen deze racisten er ongenadig met de stok van langs?
Wel neen, men houdt hen juist de hand boven het hoofd.

Antiracisten verstaan onder racisme iets heel anders.
Bijvoorbeeld wat de Nederlandse antroposoof Christoph Wiechert enkele jaren geleden deed.
Tijdens een interview op de radio verklaarde hij dat zwarte voetballers duidelijk een ‘overschot aan levenskrachten’ hadden.
Meteen viel heel antiracistisch Nederland over hem heen en de arme man moest ijlings asiel zoeken in Dornach.
De Nederlandse Antroposofische Vereniging kwam in het oog van een (media)storm te staan en probeerde de gemoederen te bedaren door zich openlijk te distantiëren van de ‘racistische’ uitspraken van Rudolf Steiner.

20131127-132110.jpg

Onlangs werd er in de krant alarm geslagen over het groeiende antisemitisme in Europa.
Er werd gealludeerd op de jaren ’30 van de vorige eeuw, en dramatischer kun je het tegenwoordig moeilijk maken.
Maar ondanks de ernst van de situatie werd er met geen woord gerept over de racisten die verantwoordelijk zijn voor de verontrustende heropleving van het antisemitisme.
Integendeel, alleen al het vernoemen van die racisten wordt als … racisme beschouwd.

Tegelijk zitten er mensen in de gevangenis omdat ze zaken gezegd hebben die gevoelig liggen voor joden.
Zoals bijvoorbeeld dat er in de concentratiekampen niet zoveel joden werden vermoord als beweerd.
Dat hebben deze mensen niet gezegd om de joden te kwetsen, maar omdat ze ervan overtuigd zijn dat het waar is.
Ze hebben dus geen joden uitgescholden, of gepest, of aangevallen, of gemarteld, of vermoord (zoals moslims dat nogal eens doen), nee, ze hebben alleen dingen gezegd en geschreven, dingen die soms gewoon waar zijn.
Toch werden ze als criminelen veroordeeld.

We hebben hier dus – alweer – te maken met een omkering.
Antiracisten leggen racisten geen duimbreed in de weg, maar sturen wel onschuldigen naar de gevangenis omdat ze … de waarheid spreken (of tenminste wat ze als waarheid beschouwen).

Wat Christoph Wiechert op de radio zei, was niet kwetsend of denigrerend, het was gewoon waar.
Iedereen kan bijvoorbeeld zien dat de finale van de 100 meter op de Olympische Spelen ieder jaar weer een zwart onderonsje is.
Slechts bij hoge uitzondering doet er eens een blanke mee, maar die maakt geen schijn van kans.
Zwarten kunnen nu eenmaal sneller lopen dan blanken.
Dat weet iedereen, en niemand struikelt erover, maar het mag niet uitgesproken worden.
Of de antiracisten zijn daar met hun stokken.

20131127-132318.jpg

Iets vergelijkbaars zien we bij het toekennen van de Nobelprijzen voor wetenschap.
Die gaan bijna altijd naar blanken, vaak joodse blanken.
Zwarten zijn hier al even afwezig als blanken op de finale van de 100 meter.
Niemand ziet daar graten in, want het is algemeen bekend: zwarten lopen sneller en blanken denken sneller.
Maar opnieuw: het mag niet luidop gezegd worden.

Antiracisten maken dus scherp onderscheid tussen woorden en daden.
Racistische daden vormen voor hen geen probleem (tenzij ze door blanken gepleegd worden).
Maar onschuldige woorden, die zeggen wat iedereen weet en ziet, wekken hun hevige verontwaardiging (behalve wanneer ze uit de mond van niet-blanken komen).

Het onderscheid is zo buitensporig en irrationeel dat je het een vorm van racisme zou kunnen noemen, want het heeft dezelfde instinctieve kracht die van geen redelijkheid wil weten.
Ja, redelijkheid werkt op antiracisten als een rode lap op een stier.
Er is niks logisch aan hun gedrag, het is zo tegenstrijdig als wat.
Bovendien is het agressief.
Antiracisten spelen ongegeneerd op de man en kijken niet op een karaktermoord meer of minder.
Toch beschouwen ze zichzelf als de redelijkheid en de menselijkheid zelve.
Het zijn allemaal kenmerken van racisme.
Racisten vinden zichzelf superieur.
Zij zijn de ware mensen.
Andere rassen zijn foute – of zelfs helemaal geen – mensen.

Het racisme van de antiracisten is natuurlijk geen gewoon racisme, dat spreekt.
Het is ‘omgekeerd’ racisme.

Om te beginnen is het tegen het eigen ras gericht.
Alleen blanken kunnen racistisch zijn.
Racismeklachten worden bij het Centrum voor Gelijke Kansen en Racismebestrijding alleen gehoord wanneer ze tegen blanken gericht zijn.
Zijn ze tegen niet-blanken gericht, dan worden ze door Jozef De Witte weggelachen.
Hahaha, racisme bij niet-blanken!
Wat een grap!
Iedereen weet toch dat alleen blanken racistisch zijn!
Behalve natuurlijk wanneer hun racisme tegen hun eigen ras gericht is.
Dan is het geen racisme.
Dan is het antiracisme.
Dan is het een uiting van superieur mens-zijn.

20131127-132623.jpg

Antiracisten beschouwen zichzelf inderdaad als een superieur … ras, een ras dat als taak heeft het inferieure ras – de racisten – beschaving bij te brengen. En daarvoor zijn alle middelen goed, want zolang dit moreel minderwaardige mensenras bestaat, kan er geen vrede heersen op aarde.

Wat dit omgekeerde, antiracistische racisme bewerkstelligt, is dat het blanke ras in twee wordt gedeeld. Het bestaat in toenemende mate uit een superieur antiracistisch deel en een inferieur racistisch deel.
De kloof tussen beide ‘rasdelen’ wordt stelselmatig groter, want na verloop van tijd worden de ‘inferieure’ mensen het beu om steeds weer beschuldigd en gekleineerd te worden door mensen die zich superieur wanen. Ze beginnen op hun beurt hun beschuldigers te beschuldigen, die uiteraard verontwaardigd zijn over zoveel laagheid en hun beschuldigingen nog meer kracht bijzetten.
En zo ontstaat een vicieuze cirkel van wederzijdse beschuldigingen.

Een ander gevolg is dat degenen die beschuldigd worden van racisme op de duur ook werkelijk racistisch worden. Ze krijgen een hekel aan vreemdelingen, die niet alleen worden voorgesteld als slachtoffers van hun racisme, maar die ook het antiracisme-discours overnemen.
Het antiracisme is dus ‘self fullfilling’.
Als je het maar lang genoeg volhoudt, krijg je gelijk.
Na verloop van tijd ontstaat er een kluwen van beschuldigingen waarin zelfs een kat haar eigen jongen niet meer terugvindt.

Om enige klaarheid te scheppen in die warboel moeten we terug naar het begin.

Wanneer is de immigratie begonnen?
Wanneer werd het Westen geconfronteerd met de instroom van vreemdelingen?
Ik weet het niet precies, maar het moet na de oorlog zijn geweest.
De mijnwerkers.
Wat ik daarvan gehoord heb, is dat deze (vaak) Italianen relatief goed werden opgevangen.
Vandaag is er zelfs eentje premier van dit land.
Niet slecht qua gastvrijheid en verdraagzaamheid zou je toch denken.
Later kwamen ‘les Nord Africains’.
Die stonden bij cafébazen al langer bekend als amokmakers.
Altijd miserie met die kerels.
Vandaar de bordjes ‘interdit aux Nord Africains’.
Maar er kwamen er steeds meer.
En toen moet het begonnen zijn.

In heb in mijn jeugd – de jaren ’60 en ’70 – nooit over racisme horen spreken.
Het was toen allemaal bourgeoisie en kapitalisme wat de klok sloeg.
De rijken en de machtigen waren de slechteriken en de arbeiders waren de goeien.
Heel wat idealistische studenten gingen in die tijd in de fabriek of in de mijn werken.
Amada, RAL, maoïsme, marxisme-leninisme: als intellectueel was je links of je was een fascist.
In de jaren ’80 sloeg de hele zaak echter om.
Vandaag is de intellectuele wereld nog altijd uitgesproken links.
Maar de vijand zijn niet langer de machthebbers.
De vijand is vandaag de arbeidersklasse, de gewone bevolking, jan-met-de-pet.
Daar leeft ‘het monster van het racisme dat door Europa waart’.

20131127-133515.jpg

Het kan dus verkeren.
Het ene moment beschouwden de intellectuelen de machthebbers nog als hun grootste vijand, het volgende moment waren ze hun bondgenoten in de strijd tegen de arbeiders, die voordien hun grote vrienden waren.
Dezelfde intellectuelen die 30, 40 jaar geleden nog ‘Alle Macht aan de Arbeiders’ riepen (of dachten) hebben zich vandaag ontpopt tot de spreekbuis van de machthebbers.

Wie het fenomeen ‘antiracisme’ wil begrijpen, moet er dus achter komen wat die drastische ommekeer veroorzaakt heeft.

Als we de antiracisten mogen geloven, is dat ‘het monster dat door Europa waart’, een van hun geliefde uitdrukkingen.
Het is alsof ze in hun enthousiasme voor ‘de arbeiders’ opeens de slang in het paradijs ontwaarden, vol afschuw rechtsomkeer maakten en zich halsoverkop in de armen wierpen van de machthebbers, roepend: heer, verlos ons van dit kwaad!
Op de een of andere manier moeten de intellectuelen collectief een visioen hebben gehad, een plotse openbaring van een verschrikkelijk kwaad dat zich vermomd had als een eenvoudige, onschuldige arbeider.
Een andere verklaring voor hun drastische koerswijziging zie ik niet, te meer daar ze zich van die koerswijziging totaal niet bewust lijken te zijn.
Ik heb alvast nog nooit de vraag horen stellen: hoe komt het toch dat dezelfde generatie intellectuelen die eerst de liefde verklaarde aan de gewone werkmens, diezelfde werkmens nu vol afschuw uitspuwt?
Nee, de hedendaagse intelligentsia doet alsof er niets gebeurd is.
Meer zelfs, ze beschouwt zichzelf als een rots in de branding van racisme, onverdraagzaamheid, haat, discriminatie, enzovoort.
De wereld zou ten onder gaan in een orkaan van pure kwaadaardigheid als daar niet de intellectuelen waren die, samen met de overheid – eendracht maakt macht – de fundamenten van de menselijkheid en de beschaving bewaakten en belichaamden!
Nee, met de intellectuelen is er niks aan de hand, zij staan pal, zoals altijd.
De gewone bevolking daarentegen…

Het doet me onwillekeurig denken aan een andere ‘omkering’, die volgens de intellectuele wereld evenmin heeft plaatsgevonden.
Het was de omkering in de kunst, die van klassiek plots hedendaags werd.
In 1917 verscheen plots – vanuit het niets – de pispot van Marcel Duchamp.
In een wereld de weliswaar in beroering was, maar die niettemin nog altijd tekende, schilderde en beeldhouwde, dook plots een kunstenaar op (die eigenlijk meer een intellectueel was en zich later ook vol minachting van de kunst zou afkeren) die een ordinaire pispot tentoonstelde en verklaarde: dit is kunst omdat ik het zeg!
Het duurde geen 50 jaar of deze ‘nieuwe kunst’ had de hele wereld veroverd.
Vandaag stellen kunstenaars als vanzelfsprekend pispotten en kakmachines tentoon, en geen enkele intellectueel ziet daar graten in.
In 50 jaar tijd is de hele oude, klassieke kunst van de aardbodem weggevaagd en vervangen door een ‘kunst’ die er in de verste verte niet op lijkt.
Maar iedereen doet alsof er niks gebeurd is…

20131127-133656.jpg

De kunstkenners van onze tijd gedragen zich op precies dezelfde manier als de antiracisten: ze keren zich vol afschuw en minachting af van het gewone volk, dat geen boodschap heeft aan pispotten en kakmachines. Uit alle macht (en met steun van de overheid en de machthebbers) proberen ze dat volk her op te voeden, onder meer door de oude liefde voor klassieke tekeningen, schilderijen en beeldhouwwerken zodanig te verketteren dat niemand nog van die liefde durft te getuigen uit schrik afgeschilderd te worden als een cultuurbarbaar, als een vijand van de menselijke beschaving.
Maar het baat allemaal niets.
Honderd jaar na Marcel Duchamp moet het gewone volk nog altijd niets hebben van de nieuwe officiële pispotkunst.
En daar kan maar één reden voor zijn: het volk is kwaadwillig.
Het keert zich af van de Nieuwe Waarheid en de Nieuwe Schoonheid.
Het wordt bezield door een … kwaadaardig monster.

Aan de intense afkeer bij zowel de intelligentsia (voor het racisme en het cultuurbarbarisme van het volk) als het volk (voor de arrogantie en wereldvreemdheid van de intelligentsia) kunnen we aflezen dat er inderdaad iets monsterlijks wordt waargenomen, iets wat overal hevige verontwaardiging wekt en dus blijkbaar de kern van ons mens-zijn raakt.
Het is (de waarneming van) dit ‘monster’ dat de even bruuske als onbewuste ommekeer van de intelligentsia heeft veroorzaakt, zowel in de politiek als de kunst.

Laten we dus even aandachtiger kijken naar dit monster.

Hebben de intellectuelen en antiracisten – twee inwisselbare begrippen – gelijk?
Huist er in de ziel van de gewone man inderdaad een monsterlijk wezen?
Als ik om me heen kijk naar de mensen uit mijn omgeving – en die zijn tamelijk ‘gewoon’ (dus geen echte intellectuelen, en ook geen echte arbeiders) – dan bespeur ik daar geen monsterlijkheden.
Wel integendeel, ik zie vooral mensen van goede wil die geen kwaad in de zin hebben.
Er zijn mensen bij die dagelijks met allochtonen werken en daar heel wat mee te stellen hebben, maar ook bij hen merk ik geen racisme, hoogstens ergernis.
Ik vraag hen soms: kennen jullie echte racisten?
En dan moeten ze ontkennend antwoorden.

Wat ik van deze ‘gewone mensen’ echter wel soms verneem, zijn verhalen over Marokkanen.
Zo vertelde mijn zuster, die les geeft in het Bijzonder Onderwijs, dat ze twee vechtende Marokkaanse meisjes uit elkaar had moeten halen.
Daarbij had ze er eentje bij de haren moeten trekken, anders lukte het niet.
De volgende dag werd ze bij de directeur geroepen waar haar het voltallige bestuur van de Mechelse moslim-executieve wachtte.
Ze werd ervan beschuldigde het meisje te hebben geschopt en geslagen.
De moslimmannen keken haar met moordzuchtige blikken aan en maakten haar duidelijk dat haar leven aan een zijden draadje hing.
Het werd haar zelfs met zoveel woorden gezegd: we zullen je vermoorden!
Gelukkig kwam er een Marokkaans meisje getuigen dat niet mijn zus het andere meisje geschopt en geslagen had, maar dat het net omgekeerd was geweest.
Dat bracht de moordlust tot bedaren en redde de job en wie weet het leven van mijn zuster.

20131127-134320.jpg

Een ander verhaal was dat van een arts die ’s nachts een noodoproep kreeg.
Toen hij met de auto buiten wilde rijden, bleek de uitgang versperd door een auto die vlak voor de garagepoort stond geparkeerd.
Daarop belde de arts de politie, die de auto liet wegtakelen.
Toen hij terugkeerde van zijn spoedgeval werd hij opgewacht door een groepje Marokkanen.
Ze kwamen rond hem staan en zeiden: voor deze ene keer zullen we het zo laten, maar waag het niet dat nog eens te doen!
Knoop het goed in je oren: overdag is Mechelen van jullie, maar ’s nachts is het van ons!
En dat was geen loos dreigement.
’s Nachts is Mechelen een uitgestorven stad waar alleen groepjes Marokkanen rondzwerven.
Mijn ouders hebben me meer dan eens verteld hoe je ’s avonds, als het donker wordt, alle cafés leeg ziet lopen, want niemand waagt zich na zonsondergang nog op straat.
Ze hebben me ook verteld hoe er vlak bij hen om de hoek een oude man in zijn eigen huis gemarteld en vermoord werd, terwijl zijn gehandicapte vrouw machteloos moest toekijken. De daders waren – uiteraard – Marokkanen of, om het in het antiracistische jargon te zeggen: jongeren.
Ja, in Mechelen beleven ze veel plezier aan hun jongeren …

En zo zijn er nog tientallen, honderden, duizenden verhalen te vertellen, het een nog stuitender dan het andere.
Ze spelen zich niet alleen in Mechelen af, of in Vlaanderen.
Ze spelen zich in heel Europa af.
En ze worden zorgvuldig verzwegen door de antiracistische intelligentsia.

Als ik bij dit verzwegen moslimgeweld ook nog eens het openbare moslimgeweld voeg, dan krijg ik iets wat veel meer op een monster lijkt dan het zogenaamde racisme van de bange blanke man.
En hoe monsterlijk is het niet om dit monster te negeren, om het goed te praten, om het de hand boven het hoofd te houden, en in plaats daarvan de schuld te geven aan de bange blanke man!

Het beeld dat hier (opnieuw) opduikt, is dat van de draak met de twee koppen.
De luciferische kop is het religieuze fanatisme van de islam.
De ahrimanische kop is het wetenschappelijke materialisme van het Westen.
Ze doen alsof ze elkaars doodsvijanden zijn, maar in werkelijkheid zijn het bondgenoten, bondgenoten in de strijd tegen de gewone mens, de islamitische zowel als de Westerse.
De zogenaamde oorlog tegen het terrorisme is in werkelijkheid de oorlog van een kleine maar machtige elite tegen het (eigen) volk.
Dat is ook het wezen van het antiracisme: een terroristische oorlog van een intellectuele elite tegen jan-met-de-pet, een oorlog die niet met fysieke maar met geestelijke middelen wordt uitgevochten.

20131127-134902.jpg

Beide oorlogen spiegelen elkaar.
Zo kent men in de moderne oorlogsvoering het begrip ‘onderhoudsbombardementen’.
Het zijn dagelijkse bombardementen die niet bedoeld zijn om bepaalde doelwitten te raken, maar om de bevolking murw te maken.
Hetzelfde soort bombardementen vindt elke dag in de media plaats, al meer dan 10 jaar lang.
Er gaat geen week, ja zelfs geen dag voorbij of er verschijnt een artikel in de krant waaruit moet blijken hoe racistisch de bange blanke man wel is.
Onafgebroken wordt erop gehamerd, want de geestelijke weerstand van de ‘blanke man’ moet gebroken worden.

Dat brengt mij bij de volgende vraag: waarom moet de gewone blanke man gebroken worden?
Waarom worden er monsterlijke middelen ingezet om deze reeds in hoge mate machteloze mens te breken?
Wat mag er in die mens dan wel leven dat het bij de machthebbers en de intellectuelen zoveel afschuw, woede en verontwaardiging veroorzaakt?

Dat is stof voor een volgend hoofdstuk.
Maar afrondend kan gezegd worden dat er in de jaren ’80 van de vorige eeuw een ‘monster’ opgedoken is dat in korte tijd de wereld veroverd heeft en nu overal terreur zaait.
Het is natuurlijk geen fysiek monster met klauwen en schubben en een vuurspuwende bek, dat is duidelijk.
Het is een geestelijk monster.
Een monsterachtige geest.
Hij onttrekt zich aan ons bewustzijn, enerzijds omdat we niet meer in geestelijke wezens geloven, en anderzijds omdat hij een buitengewoon geraffineerd en verwarrend spel speelt met zijn twee tegengestelde koppen.
Wie echter zorgvuldig waarneemt en nadenkt, kan de werking en het bestaan van dat monster niet (meer) ontkennen.

Het is geen pretje om de realiteit van dit monsterlijke wezen onder ogen te zien, en de meeste mensen verkiezen dan ook om het hoofd in het zand te steken.
Maar daardoor ontgaat hen ook iets anders.
Want waar heeft dit monster het op gemunt?
Dat kan niet de bange blanke man zijn, die nu reeds zijn mond niet meer durft opendoen en zich op zijn kop laat zitten dat het niet mooi meer is.
Het moet een welbepaalde geest zijn die in hem leeft, een geest die zijn terroristische tegenhanger in woede, verontwaardiging en vreselijke bombardementen doet losbarsten.

Dat is wat mij betreft een eerste grote conclusie die ik trek uit mijn analyse van het fenomeen ‘antiracisme’.
Antiracisten wijzen – trillend van woede en verontwaardiging – naar een onbekende, bescheiden en uiterst verdraagzame geest die blijkbaar is opgestaan in de ziel van de gewone mens, de blanke zowel als de moslim.
Het is de geest van de gewone mens.
Het is gewoon … de geest van de mens.

Maar daarover een volgende keer.

20131127-135214.jpg

THE SECOND COMING

Turning and turning in the widening gyre
The falcon cannot hear the falconer;
Things fall apart; the centre cannot hold;
Mere anarchy is loosed upon the world,
The blood-dimmed tide is loosed, and everywhere
The ceremony of innocence is drowned;
The best lack all conviction, while the worst
Are full of passionate intensity.

Surely some revelation is at hand;
Surely the Second Coming is at hand.
The Second Coming! Hardly are those words out
When a vast image out of Spiritus Mundi
Troubles my sight: somewhere in sands of the desert
A shape with lion body and the head of a man,
A gaze blank and pitiless as the sun,
Is moving its slow thighs, while all about it
Reel shadows of the indignant desert birds.
The darkness drops again; but now I know
That twenty centuries of stony sleep
Were vexed to nightmare by a rocking cradle,
And what rough beast, its hour come round at last,
Slouches towards Bethlehem to be born?

(W.B.Yeats)