Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: Mechelen

65 (3)

  

Geloof kan bergen verzetten, zo heet het. Ik heb dat bergenverzettende geloof momenteel hard nodig, want ik sta voor een enorme berg: het vinden van een nieuw huis, een huis vergelijkbaar met het huidige, want ik wil en kan niet terug naar de stress, het lawaai en de lelijkheid van mijn oude leven. Na drie jaar Scheldewindeke – jaren van rust, stilte en schoonheid – zou ik dat innerlijk niet meer overleven. Ik heb een geloof nodig dat bergen kan verzetten omdat de kans dat we zo’n huis vinden langs de gebruikelijke weg zo goed als onbestaande is. Net als drie jaar geleden toen we Destelbergen moesten verlaten, is er opnieuw een mirakel nodig. Ons nieuwe huis zal met andere woorden uit de hemel moeten vallen, net als dat in Scheldewindeke. Sinds ik hier woon weet ik dat dergelijke mirakels gebeuren. En eigenlijk weet ik dat al langer, want er zijn wel meer onwaarschijnlijke dingen gebeurd in mijn leven. Maar de vraag is: kun je zo’n mirakel bewerkstelligen door erin te geloven?

We hebben jaren gezocht voor we het huis in Scheldewindeke vonden. Achteraf gezien had dat zoeken geen enkele zin, want hoe vaak we ons ook kandidaat stelden voor een huis, we werden telkens afgewezen wegens werkloos, wegens een te laag inkomen. Uiteraard werd die reden nooit vermeld, we kwamen er pas op het laatst achter. Dat vruchteloze zoeken had dus nog jaren kunnen doorgaan als we niet op het beslissende moment – toen de huisbaas met de rechtbank dreigde – een seintje van kennissen hadden gekregen dat er in Scheldewindeke een huis te huur stond. Er was geen immo-kantoor bij betrokken en de zaak was in een, twee, drie beklonken. We hadden ons die jarenlange vernederende zoektocht dus kunnen besparen. Vandaag herhaalt die geschiedenis zich. Hoe meer huizen we gaan bekijken, hoe duidelijker het wordt dat het opnieuw geen zin heeft om te zoeken: een huis zoals het huidige zullen we niet vinden, tenzij er opnieuw een mirakel gebeurt.

We kunnen twee dingen doen. Ofwel wachten we vol vertrouwen op een nieuw mirakel, ofwel nemen we het eerste het beste huis dat we kunnen krijgen. Dat zal dan wel een huis zijn zoals in Destelbergen, een huis dat niemand anders wil. We zullen dan met andere woorden terugkeren naar ons oude leven, een leven temidden van lawaai en lelijkheid. Na drie jaar in het ‘beloofde land’ gewoond te hebben, omringd door rust, stilte en schoonheid, zou dat een enorme schok betekenen, niet alleen fysiek en mentaal, maar ook geestelijk. Het zou weinig heel laten van het geloof dat ik in de loop der jaren moeizaam heb opgebouwd, het karmische geloof dat de wereld – en dus ook mijn leven – een kunstwerk is. Het zou me met lege handen de woestijn weer in sturen, want dat geloof is het enige wat ik heb overgehouden aan een leven dat ik meer dan 30 jaar geleden aan de kunst heb gewijd, een leven dat me geen roem, geen eer, geen geld, en zeker geen huis heeft opgeleverd. 

Ik kan dat karmageloof niet zomaar opgeven in ruil voor een dak boven mijn hoofd. Als ik zou accepteren wat we normaal gezien kunnen krijgen, dan zou ik me neerleggen bij de nuchtere, concrete realiteit. Ik zou afstand doen van mijn dromen, mijn verlangens, mijn geloof. Ik zou denken: al die geestelijke aspiraties zijn mooi zolang je een huis hebt, maar als dat huis verdwijnt, kun je er niks mee aanvangen. Of nog: als puntje bij paaltje komt, dan speelt die zogenaamde geestelijke dimensie van het bestaan geen rol meer, dan gaat het enkel nog om de harde, materiële feiten. Die keuze voor de concrete, tastbare realiteit zou een salon-antroposoof van mij maken, iemand die de mond vol heeft van de geestelijke wereld zolang hij in een comfortabel huis woont, maar die op slag weer materialist wordt als hij dat huis kwijtraakt. Het zou van mijn leven een schijnvertoning maken en van de antroposofie wat mooi behang. Ik kan dus niet anders dan blijven geloven in een mirakel. 

Het doet me denken aan de begintijd van Vijgen na Pasen. We waren toen al op zoek naar een nieuw huis omdat het steeds duidelijker werd dat we niet in Destelbergen konden blijven wonen. Op een dag hadden we er eentje gevonden in Moortsele, niet ver van waar we nu wonen. Het was een buitenkans want was er geen immo-kantoor in het spel: als we ja zeiden, was het huis voor ons. De omgeving was precies wat we zochten: rust, stilte en groen alom. Het huis zelf was een ander verhaal: een badkamer kan ik me niet herinneren, de keuken was een ramp, de slaapkamer was alleen te bereiken via een steile ladder, en van de tuin zag je binnen helemaal niks. We moesten dus twee dingen tegen elkaar afwegen: de zeer aantrekkelijke omgeving en het zeer onaantrekkelijke interieur. Het was een dubbeltje op zijn kant, want we wisten dat we niet gauw meer zo’n kans zouden krijgen. Maar na lang nadenken kwamen we tot dezelfde conclusie: we nemen het niet. De reden: we vonden dat we meer verdienden dan dit. 

Het was dezelfde keuze waarvoor we ook vandaag weer staan. Financieel gezien kunnen we ons alleen dit soort huizen permitteren. Ofwel is de omgeving mooi maar ontbreekt de meest elementaire luxe, ofwel is het omgekeerd. Beide samen behoort niet tot onze mogelijkheden. Maar we weigerden ons neer te leggen bij de feiten en afstand te doen van ons geloof in de geest, ons geloof in de menselijke waardigheid. Wat we in feite weigerden te accepteren is dat materie en geest niet kunnen samengaan, dat je verplicht bent te kiezen tussen beide: ofwel wijd je je leven aan de geest en moet je afstand doen van rijkdom, luxe en zelfs elementair comfort, ofwel wijd je je leven aan de materie en blijven geest, kunst en antroposofie louter decoratie en versiering. Wij hadden allebei ons leven gewijd aan de ‘geest’ en dat had ons inderdaad veroordeeld tot materiële armoede. Door het huis in Moortsele af te wijzen, kwamen we in verzet tegen dat dualisme van geest en materie. 

Het bleek de juiste keuze te zijn, want uiteindelijk vonden we – als bij wonder – het huis in Scheldewindeke. Hier hadden we het allebei samen: een aantrekkelijke omgeving en een aantrekkelijk interieur. Deze overwinning op het dualisme kwam symbolisch tot uitdrukking in de drie schouwen op het huis: een schouw met één pijp, een schouw met twee pijpen en een schouw (de hoogste) met drie pijpen. Het was alsof er een derde element was verschenen dat beide andere verbond en oversteeg. In dit huis-met-de-drie-schouwen voerde ik ook drie karmaonderzoeken: het eerste naar het karma van de antroposofische beweging, het tweede naar mijn eigen karma, en het derde naar het karma van Adriaen Brouwer, wiens levenslot dat van de Lage Landen weerspiegelde en wiens werk als geen ander geest en materie verenigde. De eerste twee onderzoeken waren een herhaling van eerdere onderzoeken, maar Adriaen Brouwer was nieuw, hij kwam – net als het huis – uit de hemel vallen. 

Hoe nieuw en onverwacht ook, deze derde factor was eveneens een herhaling van het verleden. De drie karmaonderzoeken in Scheldewindeke weerspiegelden de drie karmaonderzoeken in Destelbergen. Het eerste begon toen ik nadacht over mijn mislukking in Brugge, over mijn eigen persoonlijke levenslot. Daarna dacht ik – ter voorbereiding van de zomeruniversiteit in Frandeux – een jaar lang na over oude en jonge zielen, over het bovenpersoonlijke karma van de antroposofische beweging. En ten slotte dacht ik – ter voorbereiding van de Lichtbakenconferentie in Antwerpen – ook na over de karikatuur, een thema dat persoonlijk en bovenpersoonlijk tegelijk was. Zowel de kunstzinnigheid van dit derde thema als het internationale karakter van de conferentie werden later weerspiegeld door de Adriaen-Brouwertentoonstelling in Oudenaarde. Net zoals de karikatuur mij ‘van hogerhand’ als thema was aangewezen, zo was ook Adriaen Brouwer, wiens tentoonstelling een soort godsgeschenk was, een vingerwijzing ‘uit den hoge’. 

Ik kan het spoor van deze ‘hemelse’ derde factor nog verder terug volgen. Ik begon destijds met (persoonlijk) karmaonderzoek nog voor ik het woord kende. Later leerde ik ook het (bovenpersoonlijke) karmaonderzoek van Rudolf Steiner kennen, en ten slotte verscheen als een geschenk uit de hemel Basic Instinct, een kunstwerk dat het persoonlijke en het bovenpersoonlijke op weergaloze wijze verbond. In de loop van mijn leven duiken dus drie keer dezelfde drie vormen van karmaonderzoek op: het persoonlijke, het bovenpersoonlijke en het kunstzinnige dat beide omvat. Ze komen overeen met de drie plaatsen waar ik (samen met mijn vrouw) gewoond heb: Melle, Destelbergen en Scheldewindeke. Telkens was het derde kunstzinnige element het meest wonderlijke, het meest onverwachte, het meest michaëlische. Want wat ik in Brugge begon te vermoeden, werd in Antwerpen bevestigd: Michaël was de inspirerende kracht achter dit karmaonderzoek, en dan vooral achter de kunstzinnige verbinding van het persoonlijke met het bovenpersoonlijke. 

Ik ontdekte dat hij er altijd al geweest was en dat hij al heel vroeg een beslissende rol in mijn leven had gespeeld door mij een tekenleraar te geven die in alle opzichten michaëlisch te werk ging. Het eerste wat hij deed, toen ik als jongetje van 11 de (koninklijke) academie van Mechelen betrad, was … me de toegang tot de klas versperren en me terugsturen om materiaal te kopen. Daarna toonde hij me heel bondig hoe ik tewerk moest gaan en liet me verder met rust. Pas jaren later begon ik me bewust te worden van zijn aanwezigheid, want al die tijd had hij me volkomen vrij gelaten en was hij alleen verschenen op momenten dat ik helemaal in de knoei zat. Dan toonde hij mij opnieuw de weg, kordaat en zonder veel woorden. Pas lang nadat ik zijn klas had verlaten, begon ik te begrijpen wat een uitzonderlijk leraar hij was geweest. Zo is het me ook met Michaël vergaan. Hij toonde mij al heel vroeg welke weg ik moest gaan en verdween dan, om pas een halve eeuw later naar voor te treden en zich kenbaar te maken. 

Als ik terugdenk aan die allereerste ontmoeting met Michaël, in de persoon van mijn tekenleraar, dan zie ik een wachter op de drempel die mij terugstuurt. Ik was een kind en deed wat me gezegd werd, maar ik herinner mij de teleurstelling: ik had nog maar pas het heiligdom van de kunst betreden en ik werd al meteen teruggestuurd naar de wereld van de materie. Dit kleine voorval (dat ik me desondanks goed herinner) herhaalde zich 50 jaar later in Brugge waar ik op de markt ging staan in een laatste poging om de wereld van de schilderkunst te betreden. Op de drempel van die wereld ontmoette ik opnieuw een onverbiddelijke wachter. Net als toen gebeurde dat in het centrum van een historische stad op een plek met een geestelijk verleden. Net als toen stuurde Michaël me terug, dit keer niet om tekenmateriaal te kopen, maar om karmaonderzoek te doen. Ga ik te ver als ik ook daarin een herhaling zie en dat karmaonderzoek beschouw als het materiaal dat ik nodig heb om kunstzinnig aan de slag te gaan?

Ik kocht mijn tekenmateriaal destijds in een heel oud, middeleeuws aandoend winkeltje dat volgestouwd was met alles waar een kunstenaar maar van dromen kan. Het was mijn eerste kennismaking met een wereld die ik sindsdien altijd als een paradijs-op-aarde heb ervaren: de wereld van het teken- en schildermateriaal, de wereld van de onbeperkte mogelijkheden. Ik keek mijn ogen uit in dat winkeltje: wat een schatkamer! Toen ik in Brugge werd teruggestuurd, begon ik na te denken over mijn eigen leven en keek vol verbazing naar het ‘materiaal’ dat naar boven kwam. Die verbazing werd nog groter toen twee onverwachte vragen dat persoonlijke karmaonderzoek uitbreidden tot het bovenpersoonlijke en het kunstzinnig-verbindende karmaonderzoek. In Scheldewindeke herhaalde die drievoudige ontdekkingstocht zich en culmineerde ten slotte in de oude ridderzaal van het 16de eeuwse stadhuis van Oudenaarde waar ik het werk van Adriaen Brouwer zag (en waar bij de ingang een geopende schatkist stond).

Merkwaardig hoe de geschiedenis zich herhaalt, hoe het einde van een mensenleven het begin weerspiegelt. Toen Michaël me in Brugge de weg naar de kunst versperde, deed hij hetzelfde als toen ik 11 was en de tekenklas wilde binnenstappen: hij stuurde me terug om materiaal te kopen. In Mechelen was dat (drievoudig) tekenmateriaal: papier, houtskool en pluim. In Destelbergen en Scheldewindeke was het (drievoudig) karmamateriaal: persoonlijk, bovenpersoonlijk en kunstzinnig. Ik heb de afgelopen vijf jaar eigenlijk doorgebracht in een soort metamorfose van dat oude winkeltje op de hoek van het AB-straatje. Ik heb trouwens pas ontdekt dat het 16de eeuwse huis waar dat tekenwinkeltje gevestigd was In den Vijgenboom heet, en dat de letters AB – toevallig ook de initialen van Adriaen Brouwer – refereren naar een oude brouwerij die daar ooit gevestigd was. Of hoe de wonderen de wereld nog niet uit zijn, wonderen waarvan een mens zich in de verste verte niet bewust is. 

In de loop der jaren ben ik gaan inzien dat er in mijn leven verschillende wonderen zijn gebeurd, zaken die zo onwaarschijnlijk zijn dat ze niet aan het toeval toegeschreven kunnen worden. Op het moment zelf was ik me van die wonderen niet bewust, ik werd te veel in beslag genomen door de materiële werkelijkheid, met name dan door het mislukken van mijn plannen. Pas in Scheldewindeke begon ik het verband te zien tussen de wonderen en de mislukkingen, die in feite ontmoetingen met de wachter op de drempel waren. Ik werd me nu ook bewust van de rol die Michaël hierin speelde, de geest die me de weg naar het karmaonderzoek had gewezen. Deze bewustwording is op de een of andere manier een keerpunt, want voor het eerst kijk ik nu tegelijk achteruit en vooruit. Nadenken over de mislukkingen uit mijn verleden doet in mij het geloof en de hoop rijzen dat ook deze derde wegversperring in vijf jaar – na Brugge en Destelbergen moet ik nu ook Scheldewindeke verlaten – de voorwaarde is voor een nieuw wonder.    

De Tuin van Heden (5)

  

In Leuven woonde ik opnieuw aan de rand van de stad. Opnieuw moest ik iedere dag de Dijle oversteken, maar dit keer maakte ze deel uit van de stad. Ze was niet veel breder dan een beek en de brug erover maakte deel uit van de Brusselsestraat die van mijn kot tot helemaal in het centrum liep. Bovendien ging ze bergaf, zodat ik met een vaart de academische wereld binnenfietste en niet merkte dat ik een grens, rivier of brug passeerde. Het was een beeld van mijn leven: de zwaartekracht trok me letterlijk en figuurlijk naar beneden, de stad en de wetenschap in. Weliswaar zou het nog 15 jaar duren voor ik het absolute dieptepunt van mijn leven bereikte, maar de grens tussen buiten en binnen, tussen platteland en stad, tussen kunst en wetenschap was reeds vervaagd. Ze werd de stenen wereld van het materialisme binnengezogen en ik met haar. Mijn eerste week in Leuven bracht ik door tussen vier witte muren, als een gevangene in zijn cel.  

Ik voelde me afgesneden van mijn oude, speelse leven op de grens tussen stad en platteland, materie en geest. Vóór mijn puberteit maakte die grens nog deel uit van het platteland: het was een rivier die zich door het landschap kronkelde. Daarna kreeg ze een steedser karakter: de Leuvense vaart was een onnatuurlijk rechte lijn die dwars door het landschap sneedt. In Leuven was de grens reeds onderdeel van de stad geworden. Ik leefde nu helemaal tussen de stenen, letterlijk en figuurlijk. Het brood van de kunst was vervangen door de stenen van de wetenschap: dode, harde abstracties waarmee ik mijn maag niet kon vullen. Daarom bleef ik ’s zondags naar de academie gaan, in een laatste poging om het contact met de levende geest te behouden. Nog drie jaar hield ik dat vol, maar toen werd de tegenstelling te groot. Ik kon de tweespalt niet langer verdragen en knipte de navelstreng door. Ik stond nu met beide benen in de wetenschappelijke wereld. Ik was volwassen geworden.

In een poging om het contact met mijn moederwereld niet helemaal te verliezen ging ik ’s avonds model tekenen in de academie van Leuven. Maar toen ik er een karikatuur van de leraar maakte, vloog ik aan de deur. Voor het eerst begon ik te beseffen dat de academie van Mechelen niet de regel maar een uitzondering was. De geest die ik daar had leren kennen, was in Antwerpen aan de deur gezet en had in Mechelen nog een laatste toevlucht gevonden. In Leuven was er al geen plaats meer voor hem. Maar zonder dat ik hem herkende, verscheen hij in een andere gedaante: ik leerde de astrologie kennen. Ik had nog nooit gehoord over planeten, huizen en aspecten, maar vreemd genoeg kwam het me allemaal vertrouwd voor. Ik besloot de zaak nader te onderzoeken en leerde horoscopen trekken. Geen moment kwam het in me op dat het in feite karikaturale portretten waren. Ik stelde alleen vast dat ze gelijkend waren. 

Daar stond ik van te kijken. Hoe kon een (abstract) beeld van de sterrenhemel nu gelijkenis vertonen met een (levend) mens? En het was geen vage, ingebeelde gelijkenis, het was een gelijkenis die – net als in een goede karikatuur – de nagel op de kop sloeg. De wetenschap mocht dan wel smalend doen over de astrologie, maar hadden die betweterige wetenschappers ooit een horoscoop getrokken? Ik wist wat ik zag. Na enkele tientallen horoscopen getrokken te hebben, twijfelde ik niet meer aan het verband tussen boven en beneden. Aan de lelijke, zinloze en toevallige wereld waarin ik leefde, bleek een verborgen, esthetische orde ten grondslag te liggen. Die zekerheid zou het fundament gaan vormen van een nieuwe brug tussen geest en materie. Er begon weer licht te schijnen in de duisternis. Overdag zat ik me te vervelen in de les, maar ’s avonds zat ik de sterren te bestuderen. Ik ontdekte een nieuwe wereld, en had er ook nog eens succes mee bij de vrouwelijke studenten. 

Wie kunst heeft en wie wetenschap heeft, die heeft ook religie, zei Goethe ooit. In de astrologie kwamen die drie inderdaad samen. Het trekken van horoscopen was zowel een kunst als een wetenschap, en het sloeg tegelijk een brug naar de religieuze wereld die ik zeven jaar tevoren verlaten had. Het was nog maar de eerste steen van die brug, maar hij was solide en ik greep er vaak naar terug als ik overvallen werd door twijfel. De hechte drieëenheid die ik in de astrologie aantrof, verving de verbrokkelende eenheid van academie, school en kathedraal die ik in Mechelen had aangetroffen. Maar de twee straten die dwars door het culturele hart van het oude Mechelen sneden (en die kunst, wetenschap en religie uiteen deden vallen) maakten wel de vrijheid mogelijk die ik miste in de astrologie. Daardoor verloor ik gaandeweg mijn belangstelling voor de sterren, maar ze hadden wel de deur geopend naar een onbekende wereld die ik enthousiast verder exploreerde. 

Mijn stap van kunst naar wetenschap bleek tegelijk een stap naar de ‘occulte’ wetenschap te zijn, en die twee sporen zou ik gedurende mijn hele verblijf aan de universiteit blijven volgen. Net als voordien leefde ik in twee werelden, maar ik pendelde niet langer (uiterlijk) ussen stad en platteland, tussen school en spel, tussen wetenschap en kunst. Ik pendelde nu (innerlijk) tussen hemel en aarde, tussen geest en materie, tussen zichtbaar en onzichtbaar. Ik keek nu verder omhoog dan de torens van de Winketbrug of de toren van de Sint-Romboutskathedraal: ik keek naar de sterren. Ik keek ook verder naar beneden, want na de astrologie ging ik me bezighouden met de makrobiotiek. Na de sterren aan de hemel, de planten op de aarde. Na het geestelijk voedsel, het materiële voedsel. Had de astrologie mij inzicht gegeven in de verborgen patronen van het leven, dan deed de makrobiotiek mij een middel aan de hand om weer greep te krijgen op dat leven. Denken maakte plaats voor doen, beelden voor realiteit. Maar allebei verlosten ze me van de zwaarte van het bestaan.

Na een paar maanden rijst, groenten en gomasio was ik 20 kilo lichter geworden. Ik had de indruk te zweven als ik over straat liep. Maar belangrijker was dat ik me een ander mens voelde. Mijn eeuwige verkoudheden waren verdwenen en mijn donkere depressies behoorden tot het verleden. Ik sliep niet langer een gat in de dag, maar zat ’s morgens vroeg al te genieten van de zonsopgang en een bordje havermout. Ik had de sleutel tot het geluk gevonden! Later zou ik bij Rudolf Steiner lezen dat mann sich der Himmel nicht hinein kann fressen, maar nu geloofde ik werkelijk de graal te hebben gevonden. Ik voelde me als Leonardo di Caprio op de boeg van de Titanic: king of the world. Iedereen zag de ijsberg afkomen, maar ik dacht er niet over om gas te minderen: ik was op weg naar een betere wereld. De botsing kwam nadat ik Leuven al had verlaten. Nu ging alles nog goed, ik kon niet genoeg krijgen van de brave new world die voor me openging. De keuken werd mijn nieuwe biotoop.

Af en toe ging ik nog eens naar de les om wat mensen te zien, en zo ontmoette ik mijn toekomstige vrouw. Met een mengeling van fascinatie en ontzetting keek ze naar de manier waarop ik ‘studeerde’. Ze had in Leuven de steinerpedagogie leren kennen – eveneens een alternatieve vorm van onderwijs – en daar was ze meteen voor gewonnen geweest. Zelf zou ik pas zeven jaar later toegang vinden tot de antroposofie. Blijkbaar moest ik eerst nog dieper afdalen in de hel. Dankzij de makrobiotiek ging het me fysiek stukken beter en de astrologie had me bevrijd van het zwarte nihilisme van mijn puberteit, maar daartussen gaapte nog steeds de leegte die de kunst had achtergelaten. En daar tuimelde ik nu in. Dat gebeurde in Antwerpen, de stad waar ik verliefd op was geworden, omdat ik er (onbewust) dezelfde geest in herkende die ik aan de academie van Mechelen had ontmoet. Bij die geest wilde ik zijn en daarom was ik na mijn studies naar de koekestad verhuisd. 

Voor het eerst woonde ik in een grote stad. Een brede stroom scheidde mij nu van het platteland, dat nog slechts een herinnering was. Een brug viel in de verste verte niet te bekennen. Vaak zat ik op een bank aan de Schelde uit te kijken over het water naar linkeroever, waar nog niet zolang geleden de uitgestrekte polders begonnen waar mijn tekenleraar met zoveel weemoed over vertelde. Nu waren ze opgeslokt door stad en haven en keek ik tegen een muur van appartementsblokken aan. Was het dat vruchteloze verlangen naar het platteland dat me verslaafd maakte aan eten? Of was het alleen maar het fanatisme van mijn geest die macht wilde uitoefenen over mijn lichaam? Pas veel later zou de antroposofie me helpen begrijpen dat ik in de tang werd genomen door Lucifer en Ahriman. Ik kon aan hun wurggreep slechts ontsnappen met de hulp van Baghwan Shree Rajneesh, een Indische guru die toen furore maakte. In zijn boeken trof ik de Oosterse wijsheid aan die mijn ziel weer (een beetje) in evenwicht bracht.

De astrologie, de makrobiotiek en Baghwan: ‘drie wijzen uit het Oosten’ leidden me naar de stal waar het kind geboren zou worden. Die stal stond in Melle, een godvergeten dorp waar An en ik waren gaan wonen toen ze werk had gevonden in de steinerschool van Gent. Opnieuw leefde ik op de grens tussen stad en platteland, want Gent reikte tot Melle. Dezelfde Schelde aan wier oever ik in Antwerpen zo vaak had gezeten, scheidde me opnieuw van het platteland. Dit keer lag er wel een brug over, maar ik had de gelegenheid niet om ze over te steken want ik werkte overdag in Brussel. Had ik me in Antwerpen al benauwd gevoeld , de stenen woestijn van de hoofdstad verstikte me helemaal. Hier was zelfs geen Schelde die me wat ademruimte gaf en me deed dromen van het platteland. Ik zat er opgesloten tussen grauwe muren als in een stenen graf. Langzaam naderde ik mijn dieptepunt en instinctief greep ik terug naar de kunst: ik begon te schilderen. Tussen de middag ging ik aquarelletjes maken in het Brusselse Warandepark. 

Was het daar te koud of te regenachtig voor dan zwierf ik rond in het Museum voor Schone Kunsten. Daar ontdekte ik de olieverfschetsen van Rubens. Ze overdonderden me helemaal: in mijn ogen was dit het summum van schilderkunst. De schilderijtjes waren klein, maar de geest die eruit sprak was reusachtig groot. Als schilder was Rubens bovenmenselijk: een oerkracht, zoals de wind of het water. Voor het eerst zag ik zijn werkelijke grootte. In hetzelfde museum zag ik voor het eerst ook de werkelijke grootte van De Braekeleer, een totaal andere geest. Ik kende beide schilders natuurlijk van vroeger, maar pas nu drong ik tot hun wezen door. Werd ik door Rubens overdonderd, verpletterd bijna, dan werd ik door De Braekeleer ontroerd, dieper dan ik voor mogelijk had gehouden. Toen ik zijn Zicht op het Vlaams Hoofd zag, werd ik niet alleen verplaatst naar Antwerpen-linkeroever toen het nog platteland was, ik werd ook verplaatst in de tere en schuchtere ziel van de schilder.

Zo extravert als Rubens was, zo introvert was De Braekeleer. In de schilderijen van de eerste zag ik de scheppende krachten van de natuur aan het werk. Wat hij ook schilderde, het was een werveling van kleur, vorm en beweging. Antroposofen zouden zeggen dat Rubens de etherische wereld zichtbaar maakte. Ruimte voor innerlijkheid was hier nauwelijks. Dit werk was indrukwekkend om naar te kijken, maar je kon er niet in ‘wonen’, zoals je dat ook niet kunt in de wilde natuur. Heel anders was dat bij De Braekeleer. Alles was innerlijk bij hem. Zelfs wanneer hij een landschap schilderde, was het een interieur, zoals de meeste van zijn schilderijen, een ziele-interieur. De grens tussen binnen en buiten – die bij Rubens nog zo sterk voelbaar was – verdween bij De Braekeleer helemaal. Alles was bij hem zowel buiten als binnen. De stad waar hij zo van hield, werd in zijn werk één grote zieleruimte die je als kijker moeiteloos kon betreden en waar je zo lang kon verblijven als je maar wilde.

Groter tegenstelling dan tussen deze twee schilders was nauwelijks mogelijk, en toch ademden ze allebei de kunstzinnige Antwerpse geest die me zo lief was. Deze geest hielp me mijn Brusselse jaren te overleven. Het was een enorme opluchting toen ze voorbij waren en ik herinner me nog de uitbundig bloeiende natuur toen ik voor de laatste keer van Brussel naar Gent reed. We trokken een fles wijn open om mijn bevrijding te vieren, maar de vreugde was van korte duur. Ik kwam in een nieuwe gevangenis terecht: elke dag moest ik aanschuiven aan het stempellokaal en dat miste zijn werking niet. In mijn ziel groeide dezelfde dofheid die ik op de gezichten van de andere werklozen zag. Twaalf jaar geleden had ik gekozen voor de wetenschap en mijn hart het zwijgen opgelegd. Daar betaalde ik nu de prijs voor. Ik was in een doodlopende straat terechtgekomen en zag geen uitweg meer. Drie zware jaren stonden me te wachten. Ik had het dieptepunt van mijn leven bereikt. 

De Tuin van Heden (4)

  

Voor het eerst in mijn leven woon ik op het platteland, tussen de velden en weiden. Tevoren woonde ik altijd op de grens tussen stad en platteland. In Mechelen bijvoorbeeld, waar ik het grootste deel van mijn jeugd heb doorgebracht, woonde ik tijdens mijn tweede zevenjaarsperiode net buiten de stad. Vijf minuten stappen in de ene richting en ik stond op de Grote Markt. Honderd meter de andere richting uit begon er een – in mijn kinderogen eindeloze – wereld van velden, bossen en rivieren. Het platteland kwam er nog tot vlak bij de stad. Om deze laatste te bereiken moest ik de Dijle oversteken via de Winketbrug. Met haar vier torens zag ze eruit als de metalen versie van een middeleeuwse stadspoort. Ik passeerde ze dagelijks op weg naar school, of op weg naar het spel. Tussen die twee polen pendelde ik als kind heen en weer. In de stad zat ik op school in de klas. Buiten de stad speelde ik in ‘den bemd’ of op straat, of ik zat thuis te tekenen of te lezen. 

School en spel lagen nog dicht bij elkaar, letterlijk en figuurlijk. Ik leerde spelenderwijs, het kostte me geen enkele moeite. Spelen, binnen of buiten, had dan weer regels die geleerd moesten te worden. In de Winketbrug – enerzijds een fraai staaltje techniek, anderzijds een kunstwerk in ijzer – werden beide polen symbolisch verenigd. Ook hemel en aarde kwamen hier samen. Als een schip met bouwmaterialen passeerde, stond ik vol ontzag te kijken hoe de brug omhoog werd getakeld aan de vier wielen in haar torens. Als een roekeloze motorrijder met een sierlijke boog in het water verdween, volgde ik ademloos de reddingspogingen van de brandweer. Het met slijk overdekte lijk dat ze ten slotte bovenhaalden, was de eerste dode die ik zag. Het was ook mijn eerste confrontatie met het gevaar dat verbonden is met het overschrijden van de grens tussen twee werelden. Maar geen van die onderbrekingen kon mij uit de droom halen. Het leven was nog een spel.

Toen mijn derde zevenjaarsperiode aanbrak, verhuisden we naar de andere kant van de stad. Opnieuw woonden we op de grens met het platteland, opnieuw moest ik een brug oversteken om de stad te bereiken. Maar dit keer duurde het wel een half uur voor ik in het centrum stond en ook de velden en weiden lagen heel wat verder weg. Het was niet langer de kronkelende, slijkerige Dijle die ik moest oversteken, maar de propere, kaarsrechte Leuvense vaart. Er lag ook geen monumentale Winketbrug meer over, maar een belachelijk kleine Colomabrug, die nog met de hand moest open- en dichtgedraaid worden en zo smal was dat ze slechts verkeer in één richting toeliet. Dat bemoeilijkte het oversteken van de grens tussen stad en platteland in aanzienlijke mate en ik moest soms lang staan wachten tot de auto’s uit de andere richting de gammele Colomabrug waren overgestoken. Het verkeer tussen beide werelden verliep nu met horten en stoten. Het leven had zijn speelse, dromerige karakter verloren. 

Die uiterlijke verandering weerspiegelde mijn zieleleven. Ik werd langzaam wakker. De puberteit – of ‘aarderijpheid’ zoals Rudolf Steiner het noemt – begon. Zoals stad en platteland zich van elkaar verwijderden, zo verwijderden zich ook binnen- en buitenwereld van elkaar. Ik speelde niet langer op straat of in ‘den bemd’, maar had voor het eerst een eigen kamer waar ik me kon terugtrekken. Mijn gedachten en gevoelens gingen niet langer dromerig en organisch heen en weer, ze werden nu gescheiden door een strakke, rechte lijn en het verkeer tussen beide verliep moeizaam. Nu eens kregen verhitte emoties de voorrang, dan weer was het de beurt aan de kille ratio. Het evenwicht was zoek en de balans kantelde in de richting van de stad. Zoals het platteland verdween uit mijn leven, zo verdween ook de godsdienst. Van beide had ik slechts een laatste uitloper meegemaakt, en toen ik van mijn geloof afviel, gebeurde dat zoals een appel van de boom valt. Ik was rijp voor de aarde, rijp voor de stad.

Ik herinner me nog altijd het moment waarop het gebeurde. Ik zat in de zondagsmis te dromen, toen ik plots opkeek en dacht: wat doe ik hier? Ik realiseerde me opeens dat ik hier niet langer thuishoorde en in één klap viel het hele godsdienstige leven van me af, alsof het er nooit geweest was. Zelfs de straatnamen weerspiegelden die plotse overgang. Van de Bethaniënstraat (vanwaar we de Sint-Romboutstoren konden zien) waren we verhuisd naar de Voetbalstraat. De bijbel had plaats gemaakt voor de sport, de seculiere religie van onze tijd. Ik zat niet langer in de mis te dromen, maar supporterde in de Winkethal voor het legendarische Racing Mechelen. De appollinische terughouding van de godsdienst had plaats gemaakt voor de dionysische extase van de sport. Zo’n basketwedstrijd was een echte heksenketel, en als het afgelopen was, liep ik als op wolken, ik voelde me herboren, mijn ziel was gezuiverd. Zo’n katharsis had ik in de kerk nooit meegemaakt.

Hoe groot de stap van godsdienst naar sport was, ondervond ik aan den lijve. Tijdens een volleybalwedstrijd op school kwam ik ongelukkig op een bal terecht en mijn linkerknie ging aan flarden. Na drie operaties door de oude dokter Thoen (what’s in a name) hoorde ik zijn assistenten zeggen dat hij een mirakel had verricht. Het ongeval was een beeld van wat mijn ziel was overkomen: ze was uit de hemel op aarde gevallen en onderuit gegaan. In het ziekenhuis maakte ik kennis met lijden en dood. Mijn eigen revalidatie was lang en pijnlijk. Zij was een beeld van wat me te wachten stond. Ik was schijnbaar moeiteloos van mijn geloof afgevallen, maar diep in mijn ziel had zich precies hetzelfde afgespeeld als in de turnzaal. Mijn spelende leven was bruusk afgebroken, ik kwam met een smak terecht in een duistere wereld zonder zin of betekenis, een wereld vol pijn en kwellingen, een wereld die geregeerd werd door het blinde toeval. Mijn voyage au bout de l’enfer was begonnen. 

Wat ik in de mis had beleefd, beleefde ik nu op school. De wetenschap was – samen met de sport – de nieuwe religie en opnieuw had ik geen idee waarover het ging. Ik begreep niet wat de man vooraan stond te vertellen, het ging mijn ene oor in en het andere weer uit. Wat vroeger een spel was geweest, kostte me nu de grootste moeite. Mijn schoolresultaten, die altijd uitstekend waren geweest, gingen in vrije val. Alles leek te vallen toen mijn puberteit begon, mijn hele leven brak in stukken. Maar net als mijn knie werd mijn schoolcarrière – middels verschillende ‘operaties’ – op miraculeuze wijze gered. Die knie speelde daar trouwens een beslissende rol in. Na het ongeval had de turnleraar mij aan mijn lot overgelaten. Uiteindelijk was het de tekenleraar die me naar huis bracht en me daar voor de deur achterliet, want er was niemand thuis. Toen de ernst van de situatie tot de schoolleiding doordrong, voelde ze zich waarschijnlijk schuldig en besloot me terug te betalen. Dat jaar kreeg ik de examenvragen op voorhand. 

Na bijna een jaar afwezigheid was ik blij eindelijk weer naar de academie te kunnen gaan, het enige lichtpunt in mijn leven. Toen de leraar me weer zag verschijnen, barstte hij in woede uit. Waar had ik in godsnaam gezeten? Waarom had ik hem niets laten weten? Mijn hart sprong op: ik betekende iets voor die man, ik was belangrijk voor hem! Zijn woedeaanval was het grootste compliment dat ik ooit had gekregen. Vanaf dat moment werd hij mijn leraar, degene die me met vaste hand doorheen de steeds dieper wordende duisternis van mijn leven zou leiden. Terwijl ik op school leugen en bedrog leerde kennen, was hij een toonbeeld van integriteit en waarheidsliefde. Hij leerde mij de kunst kennen en zij werd mijn nieuwe religie, de bron van alles wat goed, waar en mooi was in mijn leven. Ondanks haar strikte regels liet ze me volkomen vrij, want de regels werden me niet van buitenaf opgelegd, ze spraken uit de zaak zelf, de zaak die ik boven alles liefhad. De kunst werd mijn nieuwe Winketbrug, ze verbond buiten en binnen, hemel en aarde. 

De academie was gehuisvest in een nieuw gebouw dat eruitzag als een ziekenhuis. Het was dan ook bedoeld om in tijden van oorlog dienst te kunnen doen als hospitaal. Dit ‘academische’ ziekenhuis bevond zich op de plek waar vroeger een minderbroedersklooster had gestaan. Aan de ene kant werd het geflankeerd door de Sint-Romboutskathedraal, aan de andere kant door het Scheppersinstituut waar ik school liep. Religie, kunst en wetenschap lagen er vlak naast elkaar, alsof ze samenhoorden, maar ze werden wel gescheiden door twee straten. Ofschoon godsdienst me volkomen onverschillig liet, passeerde ik de kathedraal nooit zonder even stil te staan en vol ontzag omhoog te kijken naar de indrukwekkende Sint-Romboutstoren. ’s Zondags strooide hij zijn beiaardklanken uit over de academie, als om haar te zegenen. In mijn beleving was er dan ook geen tegenstelling tussen beide. De kathedraal was een kunstwerk, tekenen was een eredienst, en aan beide beleefde ik grote vreugde. 

Heel anders was het aan de andere kant. Daar keek ik in een duistere diepte vol kwellingen. Ondanks haar naam was er op mijn school geen ruimte voor kunst, alles stond er in het teken van wiskunde en wetenschap. Dezelfde dubbelzinnigheid vertoonde de Melaan, de straat die het school en academie van elkaar scheidde. Vroeger, in de tijd toen Mechelen er nog uitzag als een Brugge-in-het-groot, liep hier een van de vele reien die de stad doorkruisten. De Melaan was dus in feite een brede brug, maar desondanks werd het (onzichtbare) water tussen kunst en wetenschap steeds dieper. Een voorval illustreerde dat. Toen we op een dag na de examens de tijd zaten te doden in de klas, zag ik door het raam hoe de leerlingen van de academie aan de overkant toestroomden voor de proclamatie. Vol verlangen vroeg ik de toezichthoudende leraar of ik de straat mocht oversteken om mijn getuigschrift (en de felicitaties van de jury) in ontvangst te nemen. Maar daar kon geen sprake van zijn. 

Toen mijn leraar aan de academie vernam dat ik naar de universiteit zou gaan, schoot hij in de lach. Hij vond het een kostelijke grap, maar zei er verder niets over. Vlak voor ik zou vertrekken, sprak hij echter voor het eerst over zijn eigen leraar, die toen net gestorven was en wiens werk in het museum van Antwerpen tentoongesteld werd. ‘Als je eens iemand wil zien die het tekenen tot de uiterste consequenties heeft doorgedreven …’ Meer zei hij niet. Ik had de naam Jos Hendrickx nog nooit gehoord en dacht er verder niet over na. Ik had wel andere dingen aan mijn hoofd. Op school zat ik in een rollercoaster die me deed duizelen. Sinds mijn ongeval had men mij op alle mogelijke manieren door de examens gesleurd. Ik had het spel meegespeeld, maar uiteindelijk werd het me teveel. Tijdens de laatste examenperiode deed ik mijn mond nauwelijks open, de meeste vragen beantwoordde ik met een schouderophalen. De Broeders van Liefde kenden echter geen genade, ze dwongen me de rit tot het bittere eind uit te zitten.

Ten slotte brak de dag des oordeels aan. Op de achterste rij van een overvolle schoolkapel zat ik samen met mijn ouders te wachten op mijn doodvonnis. Ik had het eens nagerekend: meer dan 20 percent van de punten kon ik onmogelijk behaald hebben. En ik had besloten naar de universiteit te gaan! Wat een farce! Toen hoorde ik in de verte de directeur opeens trots verklaren dat dit jaar iedereen geslaagd was- een unicum in de schoolgeschiedenis! Ik dacht: waar hééft die man het over? Pas toen iedereen iedereen begon te feliciteren drong het tot me door: ik was geslaagd! Ik begreep er helemaal niks meer van. Drie jaar later zou me dat in Leuven nog eens overkomen. Toen kreeg ik een lachbui waar geen eind aan kwam, maar nu was ik als verdoofd. De zinloosheid en absurditeit van mijn bestaan waren ten top gestegen. De tegenstelling tussen school en academie, tussen wetenschap en kunst, tussen plicht en spel was nooit groter geweest. 

Met een zucht van opluchting trok ik de schoolpoort achter me dicht, maar tegelijk overviel me het besef dat ik er nu alleen voor stond. Voortaan zou ik het moeten doen zonder de – ondanks alles – vertrouwde omhulling van de school. De universiteit was dan ook gewoon een nieuwe omhulling waar ik naartoe vluchtte. Maar op de valreep ging ik eerst kijken naar de retrospectieve van Jos Hendrickx in Antwerpen. Het werd een verpletterende ervaring. Als een Sint-Romboutstoren rees deze machtige scheppende geest voor me op. Zijn monumentale tekeningen waren als kathedralen vol heilige stilte. Toen ik weer buitenkwam, zag de wereld er anders uit. Ik bekeek hem nu met de ogen van deze geniale tekenaar. De volgende dag had ik hoge koorts. Nierontsteking, constateerde de dokter en hij schreef me platte rust en een streng dieet voor. Zo bracht ik mijn eerste week in Leuven door: liggend op bed, starend naar vier witte muren, levend op beschuit en appelsap. Ik was 18 en bevond me in het hol van de leeuw.

De Tuin van Heden (3)

  

 

Mijn nieuwe leven in Scheldewindeke staat in het teken van mijn tuin. Als de winter ten einde loopt en het weer het toelaat, ga ik naar buiten en begin in de grond te wroeten. Zoals de meeste mensen ben ik blij dat het lente wordt, dat het zonnetje schijnt, dat alles weer begint te groeien. Dat was vroeger wel anders. Ieder jaar bad ik weer: Heer, laat deze lente aan mij voorbijgaan, laat het alsjeblieft nog wat langer winter blijven! Het deed pijn om alles tot leven te zien komen maar zelf gevangen te zitten in een dode, verstarde wereld. Sinds ik een tuin heb, is daar verandering in gekomen. Ik sta nu niet langer aan de kant, ik ben geen machteloze toeschouwer meer. Ik neem deel aan de lente, ik ben medewerker geworden, medeschepper. Ik spit, ik rakel, ik wied, ik snoei, ik zaai, ik plant, ik giet en ik maai. Mijn karma heeft het zo geregeld dat ik op mijn oude dag de stap zet van winter naar lente, van toeschouwer naar deelnemer, van wetenschap naar kunst zeg maar. 

Die stap is niet nieuw, ik heb hem al eerder gezet. Toen ik als elfjarig jongetje aan de hand van mijn vader (notabene een verwoed tuinier) de trappen van de Mechelse academie besteeg, zette ik een stap van de gewone school, waar de wetenschap regeerde, naar een school waar alles in het teken van de kunst stond. Tijdens de week luisterde ik braaf naar de meester, ’s zondags ging ik zelf aan de slag. Op school liet ik mijn hoofd vullen met gedachten, aan de academie stak ik de handen uit de mouwen. Het waren twee totaal verschillende scholen, twee totaal verschillende werelden. Aanvankelijk was de kloof niet zo groot. Pas na de lagere school werd ze voelbaar. Het onderwijs werd alsmaar wetenschappelijker en mijn afschuw van cijfers, getallen en formules werd alsmaar groter. Het tekenen van lijnen, vormen en vlakken daarentegen vervulde me met steeds meer vreugde. In mijn herinnering was het dan ook altijd lente aan de academie. Ik kon er ongestoord groeien en bloeien. 

Tweeëntwintig jaar later zette ik dezelfde stap opnieuw, dit keer alleen en uit vrije wil. Ik keerde het gewone, door wetenschap beheerste leven voorgoed de rug toe en begon aan een nieuw leven, een leven voor de kunst. Ik bevrijdde mezelf uit de gevangenis waarin ik zolang opgesloten had gezeten en keerde terug naar de wereld waar ik me altijd zo vrij had gevoeld. De winter was voorbij, het werd weer lente. Ik tekende alsof m’n leven ervan afhing. En dat was ook zo, mijn ziel was op sterven na dood geweest. Nog eens 30 jaar later, zou ik diezelfde stap voor de derde keer zetten. Ik verliet een geasfalteerde wereld vol drukte en lawaai, en verhuisde naar een groene wereld van rust en stilte. Het was dezelfde rust en stilte die ik had leren kennen aan de academie en die een uitdrukking was van intense, scheppende activiteit. Dit keer ging het echter niet om de scheppende activiteit van de kunst, maar om de scheppende activiteit van de natuur en de mens die haar bewerkt. 

Drie keer heb ik in mijn leven de stap gezet van wetenschap naar kunst, van winter naar lente, van gevangenschap naar vrijheid. De eerste keer was ik nog een kind en werd ik bij de hand genomen door mijn vader. De tweede keer was ik volwassen en besliste ik zelf. De derde keer was ik gepensioneerd en besliste het lot. Deze drie stappen hebben mijn leven bepaald, meer zelfs, ik kan me dat leven niet voorstellen zonder deze drie grensoverschrijdingen, deze drie verhuizingen naar een andere wereld. Van de laatste stap kan ik nog niet veel zeggen, ik heb hem pas gezet. Maar beide vorige hebben mijn leven gered, daar twijfel ik niet aan. Zonder de lente van de kunst zou ik bezweken zijn aan de winter van de wetenschap. Mijn ziel zou doodgevroren zijn. Kunst en wetenschap zijn voor mij als leven en dood. Ze zijn mijn Stirb und Werde, mijn kruisiging en opstanding. Aan de wetenschap sterf ik, in de kunst verrijs ik. Die metamorfose vormt het oerbeeld van mijn leven. 

Maar ook de omgekeerde beweging – van kunst naar wetenschap – maakt deel uit van die metamorfose. Ook die stap heb ik drie keer gezet in mijn leven en telkens gebeurde dat door een duidelijke ingreep van het lot. Normalerwijze had ik na de lagere school in het kunstonderwijs terecht moeten komen. Tekenen was het enige wat me interesseerde en mijn schoolresultaten gingen steil bergaf. Slechts door een onwaarschijnlijke samenloop van omstandigheden haalde ik mijn humanioradiploma en kwam daarna aan de universiteit terecht. Daar herhaalde de geschiedenis zich: het lot greep in. Ik herinner mij nog altijd de lachbui die me overviel toen ik in de tweede kandidatuur 53 procent van de punten haalde zonder één enkel herexamen. Hier waren hogere krachten in het spel, daar twijfelde ik niet aan. Ik besloot dan ook mijn tijd niet langer te verspelen door naar de les te gaan, het stond toch in de sterren geschreven dat ik mijn diploma zou halen. En zo gebeurde het ook. 

Door middel van een reeks ongelooflijke kunstgrepen dreef het lot mij naar de hel van de wetenschap. Maar in die diepe duisternis begon een licht te stralen: ik ontmoette aan de universiteit mijn vrouw en (daardoor ook) de antroposofie. Het was toen lang nog niet zeker of dat licht zou standhouden. Het zou bijvoorbeeld nog jaren duren voor ik toegang vond tot de antroposofie. Pas toen ik radicaal brak met mijn oude leven en onvoorwaardelijk koos voor de kunst, werd de ban van de duisternis verbroken. De lange winter was voorbij, maar dat betekende nog niet dat de kou overwonnen was. Het werd niks met mijn artistieke carrière. Hoe hard ik ook werkte, ik kwam geen meter vooruit. Toch twijfelde ik geen moment aan de stap die ik gezet had. Nooit zou ik nog terugkeren naar mijn oude leven, naar die doodse, door wetenschap beheerste wereld. Maar als ook de wereld van de kunst geen uitzicht bood, waar moest ik dan heen? Het werd opnieuw donker rondom mij. 

Maar ook nu begon er weer een licht te stralen in de duisternis. Het was hetzelfde licht als de eerste keer, maar in een geheel andere gedaante. Ik herkende het niet meteen. Pas later drong het tot me door dat ik de antroposofie had zien verschijnen in de vorm van een kunstwerk dat me trof tot in het diepst van mijn ziel. Die ervaring zou voor de tweede keer een wetenschapper van me maken, want ik wilde de beelden begrijpen die zo’n diepe herkenning in mij hadden teweeggebracht. Ik realiseerde me dat ik nog nooit echt had nagedacht in mijn leven. Pas nu ondervond ik wat wetenschappelijk denken was, en tot mijn grote verbazing vernietigde het de kunstzinnige beleving niet. Wel integendeel, het bevruchtte ze, het complementeerde ze, het bevestigde wat ik gevoelsmatig had waargenomen. Tijdens die zomer van mijn leven beleefde ik de – onmogelijk geachte – eenheid van denken en voelen, van wetenschap en kunst, de  coïncidentia oppositorum

De kunst laat dezelfde geest in de cultuur stromen die ook aan de basis ligt van de antroposofie. Het komt van twee kanten en zo moet men het leven ook zien.’ Dat was, in de woorden van Rudolf Steiner, waar ik getuige – maar ook deel – van was tijdens de zonnewende van mijn leven. Ik beleefde de ontmoeting van kunst en (geestes)wetenschap, en dat vervulde mijn hele wezen. Maar de vreugde bleef niet duren want ik kon ze met niemand delen. De antroposofen herkenden de antroposofie niet die hen in kunstzinnige tegemoet kwam. Wat hebben wij daarmee te maken? haalden ze hun schouders op. Hoe durfde ik zoiets beweren!  reageerden sommigen verontwaardigd. Hun onbegrip veranderde het hoogtepunt van mijn leven in een dieptepunt. Deze afwijzing van de antroposofie door antroposofen blijft de grootste ontgoocheling van mijn leven. Maar het was ook een confrontatie met mijn eigen onmacht: ik was niet in staat het hen uit te leggen. Ik kon de beelden van de kunst nog niet vertalen in woorden. Ik was een beginneling, een amateur-wetenschapper. 

De ontmoeting met de antroposofie-in-beelden maakte een wetenschapper van me, zij het niet in de klassieke betekenis van het woord. Had ik vroeger aan de universiteit, dik tegen mijn zin nagedacht over literatuur, dat wil zeggen over woorden, dan dacht ik nu met hart en ziel na over kunst, dat wil zeggen over beelden. Dit ‘wetenschappelijk onderzoek’ bracht de antroposofie tot leven en ik hield het zo’n 12 jaar vol. Toen was mijn bobijntje af. Ik raakte niet meer verder en besloot terug te keren naar de kunst. Na al dat denken had ik behoefte aan kleur en ik begon te schilderen. Voor de derde keer in mijn leven zette ik de stap van wetenschap naar kunst, en tegelijk de stap van zwart-wit naar kleur. Het werd een enorm gevecht met de materie, een gevecht dat ik vroeger al twee keer had verloren en dat me meer dan eens tot wanhoop dreef. Maar ik hield vol en de derde keer bleek de goede keer te zijn. Het voelde als een overwinning.

Maar het was slechts een begin. Als ik wilde doorgaan met schilderen moest er geld in het laatje komen, want verf en doek zijn duurder dan papier en potlood. Ik ging op de markt in Brugge staan, voorwaar geen geringe stap voor iemand die zijn hele leven far from the madding crowd was gebleven. Gelukkig zat ik aan het water, onder de bomen, in het centrum van een stad die één groot kunstwerk is en ik voelde er mij dan ook thuis, al bleef het handeldrijven me vreemd. Brugge werd een heel dubbele ervaring. De stap van binnen naar buiten, van de (geestelijke) wereld van kunst en wetenschap naar de (materiële) wereld van handel en mensen, vervulde me met vreugde. Voor mij was het een ongekend gevoel ‘op aarde’ te komen, met beide voeten op de grond staan en onder de mensen te zijn. Daarom sneed het me door de ziel toen mijn marktloopbaan op een mislukking uitdraaide en ik de plek waar ik zo hard voor gewerkt had weer moest verlaten. 

In een ultieme poging om de zaak te redden, besloot ik opnieuw karikaturen te gaan tekenen. Daar had ik altijd succes mee gehad en Brugge, met zijn duizenden toeristen, leek er de ideale plek voor. Ik verheugde me erop weer te kunnen doen wat ik altijd het liefst gedaan had. Het kwam me ook voor als een teken: schoenmaker, blijf bij je leest! Tot mijn ontsteltenis botste ik echter op een muur van onverschilligheid. Hij was zo ondoordringbaar dat ik hem eveneens als een teken beleefde: sla deze weg niet in! Maar waarom? In een wanhopige poging om te begrijpen wat er gebeurde, kwam ik tot de onverwachte conclusie dat het Michaël was die me de weg versperde. Ik begreep dat hij ook degene was geweest die me vroeger verhinderd had de weg van de kunst in te slaan. Ik wist dat die wegversperring me ervoor behoed ten onder te gaan met de kunst en opgeslokt te worden door de Charybdis van onze tijd. Liep ik dat gevaar dat gevaar dan opnieuw of was er iets anders aan de hand? 

Hoe pijnlijk de botsing met Michaëls no pasaran ook was, diep in mijn hart wist ik dat Brugge me in een doodlopend straatje terecht had doen komen. Maar waarom had het lot me daar dan naartoe gevoerd? Het beeld dat nu in me opkomt, is dat van het labyrint. Net als je middelpunt van deze doolhof lijkt te bereiken, moet je terugkeren naar de buitenkant, waarna die beweging zich in omgekeerde zin herhaalt tot je uiteindelijk het doel bereikt. In mijn geval gebeurde dat tijdens de zomer van ’92, nel mezzo del camin di nostra vita, toen kunst en (geestes)wetenschap één werden en ik als het ware opnieuw geboren werd. Daarna begon dezelfde beweging opnieuw, de pendelbeweging tussen middelpunt en omtrek van het labyrint. Brugge was een herhaling van wat ik in mijn jeugd in Mechelen had meegemaakt. Ook daar, in die oude, historische stad (die ooit, net als Brugge, door tal van reien werd doorkruist) had Michaël mij zwijgend de weg naar de kunst versperd.

Als gevolg daarvan was ik aan de universiteit terechtgekomen en ook die geschiedenis herhaalde zich na Brugge. Out of the blue kreeg ik de vraag om enkele voordrachten te geven aan de antroposofische zomeruniversiteit. Ik had nog nooit voor een publiek gesproken en de gedachte alleen al joeg me de stuipen op het lijf. Maar het onderwerp – oude en jonge zielen – lag me nauw aan het hart en ik vond dat ik deze kans niet mocht laten liggen. Het zielenthema was een spiegelbeeld van het kunstwerk dat ik als de antroposofie-in-beeld had herkend, en het deelde ook hetzelfde lot: het werd door de antroposofische wereld miskend en genegeerd. De enige keer dat ik er een voordracht over hoorde, werd ex cathedra verkondigd dat antroposofen zich niet met dit thema horen in te laten. Toen mij onverwachts de gelegenheid werd geboden iets over te zeggen over deze afwijzing van de antroposofie door antroposofen, aarzelde ik slechts kort. De stap-naar-buiten die ik in Brugge had gezet, zou een vervolg krijgen. 

Ik overleefde ook deze tweede stap-in-de-openbaarheid, en er volgde nog een derde. Ik werd uitgenodigd om een werkgroep te leiden op de Lichtbaken-conferentie in Antwerpen. Daar bespeurde ik de werking van Michaël nog duidelijker dan in Brugge. Maar hier maakte hij het omgekeerde gebaar: in plaats van me de weg te versperren, heette hij me welkom, op zijn eigen zwijgende maar hartverwarmende manier. Het begon me langzaam te dagen dat hij me nooit de weg versperd had. Integendeel, hij had me de weg gewezen door het labyrint van mijn leven en hij had ervoor gezorgd dat ik niet uit de bochten vloog. De derde bocht van kunst naar wetenschap, viel nagenoeg samen met mijn verhuizing naar Scheldewindeke, en dat was eveneens een stap-naar-buiten. Onmiddellijk na afloop van de conferentie in Antwerpen ging ik aan de slag in mijn nieuwe tuin en beleefde daar de mooiste lente van mijn leven. En terwijl ik die half verwilderde tuin fatsoeneerde, begon ik ook orde te scheppen in de warboel van mijn levensherinneringen: ik ging op karma-onderzoek.   

De gouden doos

  
Ik heb op deze blog al vaak verteld over mijn jaren aan de Mechelse academie. Deze oude en ‘koninklijke’ academie oefende in het Mechelen van 50 jaar geleden een grote aantrekkingskracht uit op oud en jong. Die aantrekkingskracht ging uit van de geest die deze academie bezielde, een geest die was aangestoken door … asielzoekers. In de jaren ’60 van de vorige eeuw was de Antwerpse academie namelijk veroverd door de barbaren van het modernisme, en nogal wat kunstenaars en leerkrachten waren daarvoor op de vlucht gegaan. Ze hadden onderdak gevonden in het nabij gelegen Mechelen, een slaperige provinciestad met een roemrijk verleden, waar de plaatselijke academie net een nieuw gebouw had gekregen aan de voet van de St.Romboutstoren, op de plek waar ooit een minderbroedersklooster had gestaan waarvan alleen nog de kerk overbleef. Daar kreeg de ‘Antwerpse geest’ een nieuwe, eigentijdse vorm – niet alleen qua gebouw maar ook qua pedagogie – en beleefde ze een schitterende St.Michielszomer, een gouden nabloei.

Tien jaar lang, van m’n 11de tot m’n 21ste heb ik mij daar ’s zondags (en later ook ’s zaterdags) gekoesterd in de stralen van deze (geestelijke) gouden zon. Wat haar stralen in mij wakker maakten, gaf mij de kracht om mijn leven lang te vechten tegen de ‘moderne barbaren’. Veel mensen beschouwen dat ongetwijfeld als een zielige eenmanskruistocht tegen de ‘hedendaagse’ kunst, een uiting van mijn onvermogen om mee te gaan met mijn tijd. Maar ik blijf gewoon trouw aan de geest van mijn jeugd, een geest die In mijn ogen veel moderner is dan de zogenaamde modernen. Want deze laatsten erkennen hun onvermogen niet, ze verbergen het achter arrogantie en agressie. Ze kunnen niet accepteren dat de zomer voorbij is en de herfst aangebroken. Het scheppende werk is gedaan en waar het nu om gaat is het bewaren van de opbrengst, het voorbereiden van de winter. En dat is wat er aan de academie van Mechelen gebeurde: de quintessens van het verleden werd er bewaard, op actieve wijze bewaard zoals bijen dat doen die de nectar van de bloemen verzamelen en er honing van maken. 

Dat alles gebeurde op een zeer oude plek, in het historische centrum van Mechelen. Als hoofdstad der Nederlanden had Mechelen ooit zeer steile ambities, die belichaamd werden door de indrukwekkende St.Romboutstoren die de hoogste ter wereld moest worden, maar symbolischerwijze nooit een spits kreeg. Daarna zakte Mechelen weg in een diepe slaap, en dat was de stad die ik als knaap leerde kennen: een stad waar iedereen sliep. We woonden aan de rand ervan en iedere zondagochtend fietste ik in alle vroegte naar het centrum. Ik volgde de Dijle, stak ze over  via de oude Winketbrug met haar vier torens, reed door stille smalle straatjes en bereikte ten slotte de Melaan waar ik de Minderbroedersgang indook, een soort flessehals die uitmondde op een pleintje aan de voet van de St.Romboutstoren. Op die wekelijkse fietstocht kwam ik geen levende ziel tegen. Alles verkeerde in diepe rust. In de zomer was het heerlijk, in de winter spannend. Ik genoot ervan om in helemaal in mijn eentje die oude slapende ziel binnen te dringen en haar centrum te bereiken, de academie, waar het bruiste van kunstzinnig leven en waar jong en oud samen kwamen om hard te werken. 

Ik zwierf tijdens de lessen graag door de grote lege gangen van de academie. Het was er zo mogelijk nog stiller dan buiten. Ik kwam er ook nooit iemand tegen want iedereen was ijverig aan het werk. Ik had het hele gebouw voor mij alleen. De tekeningen en schilderijen hingen roerloos aan de muren, de gipsen beelden stonden er tussenin en getuigden van een ver verleden. Soms kroop ik op het dak en had daar een adembenemend uitzicht op de slapende stad met zijn talloze kerktorens. Ik kon me bijna nog in de Middeleeuwen wanen. Maar in het centrum van die middeleeuwse stilte bruiste het van leven. Je kon het niet horen – het geschraap van houtskool over papier of van penseel over doek drong niet door muren heen – maar je kon het wel voelen. Het was alomtegenwoordig in de academie, het straalde zelfs uit over de slapende stad en vermengde zich tegen de middag met de beiaardklanken die van de St.Romboutstoren naar beneden dwarrelden als herfstbladeren. Het was een innerlijk leven, een intense geestelijke activiteit die haar sporen naliet op papier en doek, maar ook in de ziel van de leerlingen. Dat was het mooiste van alles, het hart van de hele betoverende sfeer: iedereen werd weer onschuldig. Van groot tot klein, van bedrijfsleider tot werkloze: allemaal werden ze weer spelende kinderen, allemaal werden ze echt mens. 

Dat is wat ik aan de Mechelse academie gezien heb met mijn eigen ogen, wat ik er met mijn eigen handen bewerkstelligd heb, wat ik er diep in mijn hart heb opgenomen: de mens kan weer onschuldig worden, de mens kan weer kind worden en ‘het koninkrijk der hemelen’ binnen gaan. Het is hard werken en het luistert zeer nauw, maar het is mogelijk. En het is het mooiste wat je kunt meemaken: een stukje eeuwigheid beleven in een zeer, zeer tijdelijke wereld. Maar zoals alles had het ook zijn keerzijde. Aan de overkant van de Melaan lag namelijk mijn school, die ironisch genoeg het Scheppersinstituut heette. Pas later zou ik begrijpen welk omen in deze nomen verborgen zat. Hier heerste niet de gouden zon van de academie maar het kille maanlicht van de moderne wetenschap. Groter tegenstelling was niet denkbaar. De grens tussen beide was heel scherp en duidelijk. Ze mocht onder geen beding overschreden worden, de ‘wetenschappelijke’ regels waren onwrikbaar. Tenminste tijdens mijn jeugd. Toen ik veertien jaar later terugkeerde naar de academie bleek de grens wél overschreden te zijn: de kille geest van de wetenschap was de wereld van de kunst binnengedrongen. 

Dat had die maan-geest natuurlijk al veel vroeger gedaan. Het was de reden waarom al die Antwerpse leerkrachten naar Mechelen waren gevlucht, de stad van de Maneblussers tussen haakjes. Hier vond de zonne-geest van de kunst nog even soelaas voor het maan-geweld van de ‘barbaren der moderniteit’. Maar de zonsverduistering was overmijdelijk. Bij mijn terugkeer was ik er getuige van hoe de kilte van de dood de hele Mechelse academie in zijn greep kreeg. Symbolischerwijze werd aan de voet van Rik Wouters’ beeld ‘Huiselijke zorgen‘ inderdaad een (nachtelijke) moordpoging ondernomen. Het paste allemaal in het beeld van een academie die werd veroverd door ‘de overkant’, door de tegenovergestelde geest, de kille geest van leugen, bedrog, naijver, competitie, enzovoort. De vormen van de zonne-geest hielden nog wel een tijdje stand, maar de geest zelf was verdwenen. Hij was nog slechts een herinnering. Ik was getuige van de langzame ontbinding van zijn ‘lichaam’. 

Het begon, als ik me goed herinner, met de restauratie van beide kerken: de Minderbroederskerk die tegenover de academie lag en de St.Romboutskathedraal die er vlak naast lag. De hele zijmuur van de Minderbroederskerk was bedekt met klimop. Hij zat vol met vogels die wedijverden met de beiaard van de St.Romboutstoren. Het was een plezier om ernaar te kijken en te luisteren. De toren zelf werd ook gerestaureerd. Hij zag er donker en mysterieus uit, als een  kostbaar stuk antiek bedekt met het patina van eeuwen. Toen dat verwijderd was zag de toren er vlekkerig uit, hij had een flink stuk van zijn karakter ingeboet. Idem voor de binnenkant van de kathedraal, die was ter gelegenheid van het bezoek van de Poolse paus helemaal witgekalkt. Het was een ontzettende aanslag op zowel toren als kathedraal. Ik herinner me nog dat ik in de etsklas zat, de vensters stonden open, het was lente. De werklieden op de stellingen die de St.Romboutstoren bedekten waren luidkeels aan het zingen en ik begon mee te zingen, heel luid en heel vals. Het klonk als een gigantische vloek in de immer stille etsklas, maar het was het enige wat je kon doen: de zaken overdrijven, dan leken ze in werkelijkheid iets minder erg. Want het wás erg. Zien hoe de stoffelijke resten van een geliefde geest langzaam wegrotten is in de natuur misschien wel aangenaam maar niet in de cultuur.

Ik ben later nooit meer teruggekeerd naar de academie, maar een enkele keer passeerde ik er nog wel eens en zag dan tot mijn ontzetting dat het van kwaad tot erger ging. Eerst verdween het beeld van Rik Wouters dat altijd in het midden van de voortuin had gestaan. Ik zou later ergens lezen dat niemand wist waar het was en ik geloof niet dat het intussen al weer opgedoken is. Nadien werd de Minderbroederskerk gerestaureerd. De muur van klimop verdween en werd vervangen door iets met veel blinkend glas. Ook de tuin verdween: hij werd een parkeerplaats waar iedereen in en uit kon rijden want het witte hekken dat de academie vroeger afschermde van de buitenwereld was eveneens verdwenen. Later verrees er op die kale parkeerplaats een enorme modernistische constructie die god weet waarvoor diende. Van toen af begon ik de plek te mijden. Ik kon het niet langer aanzien. Het was alsof een kwaadaardige geest zijn woede aan het koelen was op een plek waar hij vroeger niet binnen mocht. 

Toch kreeg ik vandaag nog een schok toen ik in de krant (van mijn buurman, die een weekje op reis is) een foto zag staan van de jongste aanslag. Ik moest meteen denken aan de stadshal van Gent. Precies dezelfde geest spreekt uit de ‘gouden doos’ die ze op het plein voor de academie hebben neergepoot: een schreeuwerig ‘hedendaags’ gebouw midden in het historische centrum. Het vloekt als een ketter met zijn omgeving, het is als een obsceen uitgestoken middenvinger naar het beste wat de Europese beschaving heeft voortgebracht. Wellicht mag Mechelen nog blij zijn dat het geen gigantische pispot is geworden. Maar dozen zijn in. Je ziet ze vandaag overal verschijnen: de hedendaagse architectuur is een schoendozen-architectuur. De Mechelse ‘doos’ staat op de plaats van het vroegere Ernest-Wijnantsmuseum, dat ze blijkbaar gewoon hebben afgebroken Nu kan ik niet ontkennen dat het academiegebouw zelf heel sterk op een schoendoos lijkt. Maar enerzijds is het een heel bescheiden gebouw, en anderzijds is het heel functioneel. Het is namelijk zo gebouwd dat het in tijden van oorlog meteen kan veranderd worden in een ziekenhuis. Dat was de deal.

Ik heb die symboliek altijd weten te appreciëren: de rol van de kunst in onze moderne tijd is therapeutisch, genezend. Onze tijd is ziek en het enige echte geneesmiddel is de kunst. Want de kunst maakt de mens weer onschuldig, ze maakt het kind weer in hem wakker, ze brengt hem weer in contact met het ‘eeuwige’ in zijn ziel. Daar ligt ook de oorzaak van zijn ziekte, de ziekte van het materialisme. Als de mens ook de kunst nog verliest, zal hij niet anders kunnen dan de geest geven en tot ontbinding overgaan. Die ziekte is geen ongeluk, zij is het gevolg van een kwaadaardige aanval op de kinderlijke geest van de mens. Het is beslist geen toeval dat de steden van Europa overal in het hart getroffen worden door ‘hedendaagse architectuur’. Als je de Gentse stadshal hebt zien verschijnen, twijfel je niet meer: dit is opzet. Op 100 meter van de plek waar men 100 jaar geleden een aanslag pleegde op het Lam Gods, heeft men nu een onwaarschijnlijk drieste aanval uitgevoerd op het historische hart van Gent. 

Toch kan het nog altijd erger. Dat toont die blinkende schoendoos in de (verdwenen) tuin van de Mechelse academie, aan de voet van de St.Romboutstoren. Het is bijna hallucinant. Wie bedenkt zoiets! Maar juist door deze vraag niet emotioneel-retorisch maar nuchter-rationeel te stellen, komen er merkwaardige dingen aan het licht. De blikken doos herbergt namelijk ‘figurentheater De Maan’. Dat is de opvolger van het oude Mechelse stadspoppentheater dat in het oude historische gebouw ernaast gehuisvest was. Dit kindertheater dringt nu brutaal het gebied van de academie binnen. Een heel museum moet ervoor tegen de vlakte. Nu ging ik als kind van 11 jaar reeds naar de academie. Ik zat er in dezelfde klas als mensen van 77 jaar. Er werd geen onderscheid gemaakt in leeftijd: kunst was voor iedereen hetzelfde, ze richtte zich tot het kind-in-de-mens, ongeacht hoe oud die mens was. Ze wekte dat kind op tot actief spelen, tot scheppend spelen. In het stadspoppentheater – figurentheater klinkt natuurlijk veel volwassener – blijven kinderen louter toeschouwer. Daar is op zich niks tegen, maar als het toeschouwer-zijn de scheppende activiteit aan de kant dringt, dan is er wél iets tegen, dan schuilt daar een anti-kinderlijke en ook anti-menselijke geest achter.

Die geest komt ook tot uitdrukking in zijn ‘lichaam’, dat wil zeggen in zijn gebouw. Er is niks kinderlijks aan die extreem kale, abstracte schoendoos-vorm. Hij lijkt op een gouden kooi, een gevangenis. Er is ook niks kinderlijks aan de schreeuwerige agressiviteit ervan, tenzij in negatieve zin, in de zin van een kind dat in een oude, volwassen wereld wanhopig om aandacht schreeuwt en baldadig en gewelddadig wordt. De geest die hier aan het werk is gebruikt het verwaarloosde kind-in-de-mens om verwoestingen in de menselijke ziel aan te richten. En hij doet dat in naam van het kind. Dat kunnen we niet alleen aflezen aan zijn inhoud – een poppentheater – maar ook aan zijn uiterlijk: de gouden kleur. De kille maan-geest die al 40 jaar bezig is de Mechelse academie te slopen doet zich voor als een zonne-geest, hij doet zich voor als de oorspronkelijke geest van de academie, de stralende geest die ik nog gekend heb en die hij weggejaagd heeft, zoals hij hem overal weggejaagd heeft. En zo kan hij ongestoord al het oude, maar ook – en vooral – de kiem van het toekomstige vernietigen. Want dat is wat ik – en velen met mij – aan de academie van Mechelen beleefd heb: hoe het eeuwenoude geruisloos, in alle stilte, overging in het nieuwe, het waarlijk nieuwe. Daarvoor moet die academie nog altijd boeten, daarom wordt deze ooit ‘heilige’ plek systematisch verkracht en vernield, zoals zoveel heilige plekken tegenwoordig. En het gaat daarbij niet om het verleden, het gaat om kiem van de toekomst die dat verleden verbergt. Daar zijn de aanvallen van de (zichzelf met goud bekledende) antichristelijke maan-geest tegen gericht. 

  

Een avondwandeling

Gisteren mijn ouders gaan bezoeken in Mechelen-waar-is-de-tijd.
Het ouderlijk huis in de Voetbalstraat (waar lang geleden de terreinen van de Malinwa lagen) is verkocht en nu wonen ze in een assistentiewoning of een serviceflat of een rusthuis of een home of hoe die dingen ook genoemd worden.
De gezamenlijke leeftijd van bewoners is in ieder geval aan de duizelingwekkende kant.
Oud, ouder, oudst.
Mijn vader is net 87 geworden.
Mijn moeder is een jong ding van 81.

Na een paar uur geluisterd te hebben naar verhalen over het-leven-zoals-het-is ging ik een luchtje scheppen.
Het was zes uur en de zon neigde reeds ter kimme zoals ze dat in de oude tijd deed.
Alles was rustig, afgezien van de kreten van de dementen.
Ik ontdekte vlakbij een wandelpad dat er zeer uitnodigend uitzag.
Ik kwam meteen in een andere wereld terecht.
Het eerste wat ik zag, was dit:

20130828-101446.jpg

Het waren wel geen Douglassparren, maar ze maakten toch een verdomd Ardeense indruk.
Die had ik echt niet zien komen.
Mechelen mag dan wel dichter bij de Ardennen liggen dan Destelbergen, ik bleef het een merkwaardig zicht vinden.
Toeval, ja dat zal het wel geweest zijn!

Ik wandelde verder, tussen sparren en tuinen.
Groententuinen, siertuinen, speeltuinen, gazontuinen, verwilderde tuinen.
Het leek wel een beeld van mijn leven, met aan de ene kant dat intense verlangen naar een plek op aarde, een huis-met-een-tuin, en aan de andere kant dat hemelbestormende streven van de spar.
Ik wandelde in een werkelijkheid die tegelijk een beeld was.
Maar dat realiseerde ik me op dat moment (nog) niet.
Doen we dat niet allemaal?
Wandelen we niet allemaal in beelden zonder dat we het ons realiseren?

We leven temidden van mysteries, schreef Goethe.
En we verslapen ze grotendeels.
Ook ik.
Maar soms ontwaken we even, zoals wanneer we ’s nachts wakker worden en denken: hé, ik was aan het dromen! Waarna we weer in slaap vallen en verder dromen.
Ook overdag slapen we. Maar op de omgekeerde manier.
We noemen het ‘wakker zijn’, maar in feite verslapen we een hele wereld.
Als we ons van die wereld bewust worden, noemen we dat ‘dromen’.

Ik bevond me tijdens die wandeling inderdaad in een dromerige toestand.
Het was dan ook een betoverende avond.
Overal hing een nauwelijks te definiëren rust.
Een man was in zijn tuin aan het harken, een uitermate keurige en verzorgde tuin.
In een andere tuin waren twee jonge honden aan het dollen, terwijl een klein meisje stond te kijken.
Nog wat verder klonk bestek: een gezin zat onder een boom te eten.
Vredig was het allemaal.
Het eenvoudige leven, ver weg van alle drukte.
Een droom. Maar tegelijk heel concreet en nuchter.
Want al die stille tuinen, met hun zonoverschenen gazons en lommerrijke bomen, getuigden van zorgzaamheid en vlijt.
Hier woonden nijvere mensen, die een droom gerealiseerd hadden: een huisje met een tuintje.
En ik benijdde hen.
Wat kan een mens zich nog meer wensen?
Een plek om te wonen, te werken, te spelen.

Ik dacht aan de krankzinnige autostrade waar we net vandaan kwamen.
Twee baanvakken vol vrachtwagens.
De hele dag door, zonder onderbreking.
Is dat allemaal echt nodig?
Kan het echt niet met wat minder?
Een stukje groen om in te wonen, een stukje groen om in te werken, een stukje groen om op te eten, een stukje groen om naar te kijken, een stukje groen om in te wandelen, een stukje groen om te schilderen.
Wat wil een mens nog meer?

Goethe antwoordde op die vraag: iets anders.
De mens wil iets anders.
Dat is la condition humaine, het menselijk gebrek.
We willen allemaal iets anders.
We willen allemaal een andere wereld.

Het tragische is dat die ‘andere wereld’ reeds bestaat.
We zien hem alleen niet.
Want we slapen, en noemen dat ‘wakker zijn’.
En wanneer we even ontwaken, noemen we dat ‘dromen’.
En dromen zijn bedrog.

Maar de droom die ik gisteren beleefde was heel concreet.
En ik was heel wakker.
Ik beeldde me die sparren niet in.
En die huizen-met-tuin staan er ook vandaag nog.
Maar er was ook iets wat er niét iedere dag is.
En dat was die onbeschrijflijk tere zomeravond.
Felix Timmermans zou gezegd hebben: er dreef wierook door de lucht …

Ik realiseerde me opeens dat de zon inmiddels in Maagd was gekomen.
En ja, die bijna heilige rust, het stille bezig zijn in huis en tuin, het vlijtige zorgen voor het leven, het realiseren van kleine dromen: het was allemaal typisch Maagd.
En Mechelen is een typische Maagd-stad.
Vroeger stond in het centrum van de stad, pal in het midden van de Grote Markt, het standbeeld van Margaretha van Oostenrijk, de landvoogdes van de Nederlanden (jaja, Mechelen was ooit de hoofdstad van Vlaanderen én Nederland), die het grootste deel van haar leven ‘als maagd’ heeft doorgebracht.
In de voortuin van de Koninklijke Academie stond vroeger ook het beeld ‘Huiselijke Zorgen’ van Rik Wouters. Eveneens een typisch Maagd-beeld.
Het is inmiddels ook verdwenen.
Maagden zijn immers niet cool.
Maagdelijkheid is niet modern.
Mechelen wil natuurlijk wél modern zijn en schaamt zich voor haar Maagdelijkheid.
Daarom moeten die typische Maagd-beelden uit het zicht verdwijnen.

Er is echter één beeld dat ze niet van zijn plaats krijgen: de Sint-Romboutstoren.

20130828-114024.jpg

Deze imposante toren moest de grootste ter wereld worden: 167 meter.
Men is blijven steken op 97 meter.
Want het geld was op.
Sindsdien (1520) staat de stompe toren daar, van heinde en verre zichtbaar, als een symbool van het geknakte Douglassparstreven van de oude hoofdstad der Nederlanden.
Mechelen was ooit een stad die naar het hoogste streefde.
Maar ze heeft haar al te grote droom niet kunnen waar maken.
Ze is halverwege blijven steken.
Zoals Margaretha van Oostenrijk met haar doodgeboren kind.
Mechelen is als één grote pièta.
Een stad vol kerktorens.
Een stad vol scholen.
Een stad met meer historische gebouwen dan Brugge.
Een stad die ooit weergaloos mooi moet zijn geweest, met al haar inmiddels dichtgegooide reien.
Maar die een oude vrijster is geworden omdat haar kind, haar grote droom, gestorven is.

De Sint- Romboutstoren-zonder-spits is een versteende vrouw-zonder-kind.
Nee, er is geen twijfel mogelijk: Mechelen is een Maagd-stad.
Toen ik er opgroeide, was het een slapende, vergeten stad.
Een stad vol stille dromen.
Toen Baudelaire – die een hekel had aan België – het Mechelse begijnhof bezocht, zei hij (of zou hij gezegd hebben): hier wil ik komen sterven!
Ja, Mechelen was toen één grote ‘assistentiewoning’.
Maar nu is Mechelen ontwaakt.
Het heeft de stap naar het moderne leven gezet.
Het droomt nu niet meer.
Het denkt dat het wakker is.

Maar soms, op zomeravonden als gisteren, kun je die betoverende Maagdelijke sfeer van het oude Mechelen nog waarnemen.
Ik voelde ze al toen ik over de brug van Temse reed, waar de Schelde zo majesteitelijk breed is.
Van dan af wordt alles stelselmatig kleiner, althans in uiterlijke zin.
Maar innerlijk voel je als het ware het naderen van ‘het kind’.
En dat wekt een stille ontroering.

Die stille ontroering voelde ik ook toen ik op dat smalle wandelpad liep.
Er was eigenlijk niks bijzonders te zien, het was allemaal heel gewoon en heel burgerlijk.
En toch droeg een belofte van hemelse dingen in zich.

Ja, zo stel ik mij de hemel voor, althans in het begin.
Als een groene wereld waar een diepe rust heerst, waar de zon zijn zachte gouden stralen over uitgiet en waar iedereen met heel gewone dingen bezig is, vol verwachting van de Grote Droom die langzaam nader komt en die in feite de Grote Werkelijkheid is, de werkelijkheid die we hier slechts in beelden waarnemen.
Als we tenminste wakker worden uit de droom dat we wakker zijn …

20130828-121959.jpg

Ik had de sparren inmiddels achter me gelaten en drong steeds dieper door in een steeds groenere wereld.
In de verte hoorde ik een koe loeien, ook weer een typisch Ardeens geluid.
Het leek wel of België werkelijk één werd.
Maar ik vond dat die Vlaamse koe toch wel behoorlijk luid loeide.
Het machtige geluid spande een onzichtbaar gewelf over de hele streek.
Toen realiseerde ik me dat het geen koe was die ik hoorde.
Het was een … leeuw!

Ik naderde namelijk de Leuvense vaart en aan de overkant van die vaart ligt Planckendael, de dierentuin.
En vandaar klonk dat indrukwekkende gebrul.
Het was alweer een beeld: de Vlaamse leeuw die af en toe wel eens brult, maar niemand nog schrik aanjaagt omdat hij opgesloten zit in een kooi ter vermaak van de toeristen.

Maar het was welletjes geweest met al die beelden.
Van te veel beelden wordt een mens dronken, en ik moest nog rijden.
Ik ging even op een bank aan het water zitten, het spiegelgladde water van de loodrechte Leuvense vaart.
Naast me zat iemand te vissen vanuit zijn auto.
Achter mijn rug reden de wielertoeristen in trosjes voorbij.
Hijgende joggers passeerden.
In de tuin van een riante villa zag ik midden op het gazon een enorme rode plastic hond staan.
Hedendaagse Kunst!
Tijd om terug te keren.
Ik wandelde het pad weer af.
De zon was achter de bomen verdwenen.
De betovering was verbroken.
Was dit dezelfde wereld waar ik nog maar net doorgewandeld was?
Mijn verstand zei ja.
Maar mijn hart herkende niets meer.

Afscheid genomen, handen gezwaaid en de autostrade weer op.

Maar hé, wat was dat daar?
Tussen de struiken op de middenberm door ving ik glimpen op van een zon die sprookjesachtig onderging tussen allemaal roze wolkjes, als een moeder te midden van haar kinderen, gloeiend van trots.
Maar nee, het was geen trots.
Dit was niet meer de blakende augustus-zon.
Dit was een veel mildere zon, een Maagd-zon.
Ze straalde. Letterlijk.
Je kon haar stralen zien.

Het was gelukkig niet zo druk meer op de autostrade.
Maar toch nog niet zo rustig dat ik had kunnen uitstappen om een foto te nemen.
Dat kon vroeger nog wel, toen de wereld nog niet zo diep in slaap lag en droomde dat hij wakker was.
Ik herinner me nog dat we 40 jaar geleden met vijf vrienden in een kleine Mazda over de autostrade reden. Richard zat aan het stuur.
Hij had niet alleen een leeuwenhart, hij was ook een onverbeterlijke speelvogel.
We keken naar buiten. Het was een grijze dag.
Iemand zei: regent dat nu of niet?
Onmiddellijk ging Richard op de rem staan, stapte uit en hield zijn handpalmen omhoog.
Nee, schudde hij het hoofd, ik voel niks.
Waarna hij weer instapte en verder reed.
Ja, dat kon toen nog.

Nu kon ik alleen maar vanuit de auto naar de zon kijken.
En luisteren naar Simon & Garfunkel.

Hello darkness, my old friend;
I’ve come to talk with you again.
Because a vision softly creeping
Left its seeds while I was sleeping,
And the vision that was planted in my brain
Still remains within the sound of silence.