Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: Mia Doornaert

Vloms

‘Beangstigend, ten slotte, is het kneuterige provincialisme van de sociolinguïsten en hun ‘Vlaams’.
Mogen we nog buiten Vláánderen kijken?
We wonen nog steeds in België.
Steeds meer Franstaligen leren Nederlands. Mogen zij niet verwachten dat ze in Vlaanderen dan ook in het Nederlands bejegend worden, en niet in het Vloms van Thuis? Hoe kunnen we van Franstalige landgenoten respect voor het Nederlands vragen als we dat zelf niet opbrengen?
Stel dat je je kinderen thuis laat eten als varkentjes, en ze nette tafelmanieren alleen doet bovenhalen als ze ‘bij mensen’ eten. Dan zullen ze zich de rest van hun leven onzeker en gefnuikt voelen als ze in gezelschap netjes moeten eten. Leer ze dat altijd te doen en het wordt een tweede natuur, en dus spontaan gedrag.’

Aldus Mia Doornaert in De Standaard van 10 november.
Het is bekend dat la Doornaert emotioneel wordt als het gebruik van Vlaamse dialecten ter sprake komt.
Dat is haar goed recht, maar ik moet er altijd om lachen.
Overdreven reacties zoals de hare verraden altijd verwantschap, in dit geval met kneuterige, provincialistische ‘varkens’ die Vloms spreken.
And guess what, we zijn inderdaad familie.
Maar daarmee houdt het ook op.

Toen ik ooit op een familiefeestje de moeder van Mia Doornaert argeloos in het Westvlaams begroette, kreeg ik meteen de wind van voren.
Hoe was het in godsnaam mogelijk dat een licentiaat Germaanse zo’n boerentaaltje sprak!
Het klonk alsof ik de familie te schande had gemaakt.
Het was m’n eerste kennismaking met de ‘betere’ tak van de Doornaert-familie.
Lichtjes verbouwereerd ging ik bij de vertrouwde ‘boerse’ tak zitten, waar ik op gegniffel en schouderklopjes onthaald werd.
Jaja, ze kenden Mia’s moeder wel.

Het klopt niet helemaal dat ik nooit eerder een ‘betere’ Doornaert de hand had gedrukt.
Het feestvarken (sic) van de avond, de heer Marcel Doornaert, jezuïet bij de gratie Gods, kwam af en toe bij ons op bezoek.
Hij liet zich dan voorrijden door een chauffeur, en voor hij deze liet uitstappen, kwam hij informeren of mijn moeder wel genoeg in huis had om de heren te ontvangen, en of ze ook een proper laken op tafel wilde leggen.
Duidelijk een betere Doornaert dus.

Hij vierde zijn 80ste verjaardag in het hoofdkwartier van de jezuïeten in Aalst.
En dat was ook het ‘betere’ werk.
Overal lagen perzische tapijten en stonden kostbare antieke meubelen.
Nee, ze kwamen niets te kort de broeders s.j.
Hun hele gebouw ademde rijkdom.
Zijzelf ademden iets heel anders uit, iets dat in de buurt van kwaadaardigheid kwam.
Nog nooit had ik zoveel gemelijke koppen bij elkaar gezien.
Van feestvreugde of collegialiteit was in de verste verte niks te merken.
Toen de overste – is dat bij de jezuïeten geen generaal? – tijdens de feestrede met een ernstig gezicht vertelde dat pater Doornaert tijdens zijn leven heel veel geleden had en daarom ongetwijfeld nu reeds als een heilige kon beschouwd worden, zag ik overal wenkbrauwen omhooggaan.
Marcel Doornaert veel geleden?
Dat was het eerste dat ze daarvan hoorden.
Ongetwijfeld had hij zwaar geleden onder de smerige tafellakens en het tekort aan sterke drank tijdens de bezoeken aan zijn familie.
Maar verder?
Ik begon te vermoeden dat de (overigens nog relatief jonge) jezuïeten-overste op bedekte wijze de spot dreef met zijn veel oudere collega.
Of waren die jezuïeten werkelijk zo zelfingenomen dat ze ervan overtuigd waren een levende heilige in hun midden te hebben?
Ik kon het moeilijk geloven.

Wat heeft deze kleine familiekroniek nu te maken met wat Mia Doornaert schrijft in De Standaard?
Veel, denk ik.
Op het bewuste familiefeest waren er namelijk drie ‘standen’ bijeen.
De geestelijke stand der jezuïeten, even intelligent als kwaadaardig en rijk.
De hogere stand van de betere Doornaerts met hun keurige ABN.
De lagere stand van de provincialistische Doornaerts met hun kneuterige Westvlaams.
De moeder van Mia Doornaert was tijdens het feest niet weg te slaan van haar zopas heilig verklaarde schoonbroer.
Ze vormden een merkwaardig seculier-religieus duo dat door niemand ernstig werd genomen, niet door de hogere stand, niet door de lagere.
En geen van beiden had dat door.

Wel, ik denk dat Mia Doornaert het ook niet doorheeft.
Ze is al een tijdje barones en mag zich dus verheugen in de waardering van de hogere, en dus Franstalige, standen in België.
Ze staat dan ook altijd klaar om de Belgische belangen te verdedigen.
Een knecht kent zijn meester nietwaar?
Maar zou Mia door die hogere kringen echt ernstig worden genomen?
Of wordt ze gewoon beschouwd als een gewillig werktuig in hun verdeel-en-heers-politiek?
Want als de Franstalige elite haar macht in België wil behouden, moet ze verdeeldheid zaaien onder de Vlamingen.
Of de verdeeldheid die er al is, cultiveren en aanwakkeren.
En die verdeeldheid heeft veel, heel veel te maken met taal.

Dat we vandaag in Vlaanderen überhaupt nog Nederlands spreken, is te danken aan de kneuterige, provincialistische Vlamingen die, wegens gebrek aan onderwijs, geen Frans spraken zoals de betere kringen maar een plaatselijk Vlaams dialect.
Aangezien deze lagere standen in de 19de eeuw tot een erbarmelijk niveau waren afgezakt – zou het werkelijk toeval zijn dat barones Doornaert een vergelijking maakt met ‘varkentjes’? – klonk hun Vlaamse dialectversie van het Nederlands ongetwijfeld verre van beschaafd
Ik kom op mijn wandelingen soms wel eens oude autochtonen tegen, en als ik met hen in gesprek raak, moet ik raden naar wat ze willen zeggen, want hun dialect klinkt als het uitstoten van een reeks onsamenhangende oerklanken.
Ik kan me op zo’n moment levendig de minachting en afkeer van de betere kringen inbeelden voor dit soort ‘primitieven’. Ze moeten deze Vlaamse boertjes op dezelfde manier bekeken hebben als de kolonialen destijds de ‘negertjes’ bekeken.
Toen Vlaanderen uit zijn assen verrees en de betere kringen Nederlands gingen spreken, verdween die minachting niet.
Ze zocht andere wegen, en één ervan was een diepe afkeer voor het dialect.
Iedere ontwikkelde Vlaming diende zich daar krachtig van te distantiëren door een over-beschaafd Nederlands te spreken, het soort bekakte Nederlands waarvan bijvoorbeeld Julien Schoenaerts zich bediende.

Vlaamse kinderen, aldus Mia Doornaert, zullen zich hun leven lang onzeker en gefnuikt voelen als ze in beschaafd gezelschap Nederlands moeten spreken, want ze hebben het thuis niet moeten doen en daardoor is het geen tweede natuur kunnen worden.
Dat was inderdaad de filosofie van de ontwikkelde Vlamingen (die geen Frans meer spraken): we moeten onze kinderen verplichten om beschaafd Nederlands te spreken, want op die manier zullen ze het spontaan doen als ze groot zijn.
Diezelfde mentaliteit kwam ik ook tegen in Leuven toen ik daar (zonder enige overtuiging trouwens) Germaanse ging studeren.
De eerste dag al drukte een prof ons op het hart dat we overal en altijd ABN moesten spreken.
Ik dacht bij mezelf: wat denkt die vent wel?
Ik peinsde er niet over om me het castratentaaltje aan te meten dat ik zoveel mensen hoorde spreken en dat doorging voor ‘beschaafd’.
Ik hield te veel van taal dan dat ik ze op zo’n manier de nek zou willen omdraaien.
Je kunt veel zeggen van dialect – bijvoorbeeld dat het niet beschaafd is – maar het leeft tenminste.
En als ik moet kiezen tussen levende en dode taal, dan weet ik het wel.

Mensen als Mia Doornaert denken dat je een dode taal tot leven kunt wekken als je kinderen van jongs af dwingt om ze te spreken.
Ze is er zelf het beste bewijs van dat zoiets niet werkt.
Het soort Nederlands dat ze spreekt, klinkt allesbehalve als een tweede natuur.
Wat daarentegen wel als een tweede natuur klinkt, is haar afkeer voor dialectsprekers, dezelfde afkeer waar ik mee te maken kreeg toen ik haar moeder in het Westvlaams begroette.
Het is geen afkeer voor het dialect zelf – hoe kun je nu afkeer voelen voor je moedertaal? – maar voor degenen die weigeren zich tegen het dialect te keren.
Wie een wig drijft in een taal, drijft ook een wig tussen mensen.

De fout die Mia Doornaert maakt – en veel taalpuristen met haar – is dat ze taal niet als een levend wezen beschouwt.
Het levende Nederlands in Vlaanderen is het dialect.
Je kunt dat spijtig, pijnlijk of beschamend vinden, maar het is niet anders.
Als je die werkelijkheid niet erkent en respecteert, zal ze zich verzetten tegen alle ‘beschavingspogingen’ hoe goedbedoeld die ook zijn.
Ik ben dan ook een groot voorstander van de zogenaamde ‘tussentaal‘, niet als een doel, maar als een overgangsfase.
Wij Vlamingen komen van ver en we hebben nog een hele weg te gaan.
Maar je maakt die weg niet korter door sneller te willen gaan.
Wel integendeel.

An noch ik hebben ooit één woord ABN met onze kinderen gesproken, en toch spreken ze geen van drieën dialect.
Talen die leven evolueren vanzelf.
Maar dat heeft tijd nodig.
Je kunt iets dat leeft niet forceren zonder het te beschadigen.
Daarom ben ik blij met het soort tussentaal dat jonge mensen vandaag spreken en dat zelfs gecultiveerd wordt op tv.
Er spreekt een nieuw soort zelfbewustzijn uit, een zelfbewustzijn waar Vlamingen zo’n nood aan hebben.
Mensen als Mia Doornaert hebben wellicht hun verdiensten, maar door hun krampachtig purisme doen ze die verdiensten weer teniet.

Ja, Mia Doornaert is een voorbeeld van de onzekere en gefnuikte Vlaming die zich verplicht ziet of voelt om in beschaafd gezelschap beschaafder dan beschaafd te spreken en juist daardoor zijn onbeschaafdheid verraadt.
Want beschaafde mensen houden van hun taal, ze willen haar geen geweld aandoen en geven haar de kans om op haar eigen tempo te groeien en niet op het tempo van mensen die zich schamen voor hun afkomst en hun kneuterige, provincialistische familie.
In een interview zei Mia Doornaert ooit dat ze eigenlijk een frivool meisje is.
Wie de barones ooit gezien en gehoord heeft, weet wel beter.
Ze is helemaal geen frivool meisje, ze zou het alleen heel graag willen zijn.
Op dezelfde manier zou ze ook wel willen dat het ABN een tweede natuur voor haar was.
Maar dat is niet zo.
En dat neemt ze anderen kwalijk.
Ze noemt hen zelfs kneuterig en provincialistisch.

Ziedaar het Vlaamse probleem in een notedop.

De Rode Barones

20140401-085649.jpg

In De Standaard schrijft Mia Doornaert een stuk over Robert Ménard, de toekomstige burgemeester van Béziers.
Ze heeft deze vroegere collega-journalist zien evolueren van een passionele linkse rakker tot een verbitterde aanhanger van extreem-rechts.

Wat heeft hem van het ene uiterste in het andere doen vallen?

Verontwaardiging over de klassieke partijen, en dan zeker de linkse, die de kleine luiden misprijzen. Die de kiezers van het FN als crétins bejegenen in de plaats van naar hun frustaties te luisteren.
Die klachten over onveiligheid en slecht geïntegreerde immigratie als xenofobie afwimpelen.

‘Een FN-kiezer is een communist die driemaal overvallen is’, luidt één van Ménards typische lapidaire uitspraken.

Als jonge man militeerde ‘Bob’ bij de trotskistische LCR (Ligue Communiste Révoutionaire).
Toen hij, naar eigen woorden, ‘volwassen werd’, droeg hij zijn steun over op de socialistische leider en latere president François Mitterrand.
Dat hij later voor Nicolas Sarkozy stemde, was nog altijd een democratische keuze.
Maar de jongste jaren schoof hij steeds verder over de schreef die rechts van uiterst-rechts scheidt. Hij keurde de doodstraf goed ‘voor sommige gevallen’.
Hij overschreed de rode lijn van de homofobie toen hij zei dat hij niet graag zou zien dat zijn kinderen homoseksueel waren.
Hij is geen lid van het FN en ‘zal het nooit worden’, maar deelt wel ‘80 procent van de standpunten’ van de partij van Marine Le Pen, onder andere over immigratie.
Aan een anti-islamdiscours neemt hij dan weer niet deel.
‘Waarom zouden wij de moskeeën verwijten dat ze floreren als we zelf onze kerken verlaten?’

Het afgelopen anderhalf jaar is hij in Béziers van deur tot deur gegaan om naar de mensen te luisteren en ze te overtuigen dat hij beter zal doen.
Béziers (de stad waar tijdens de kruistocht tegen de katharen een slachting werd aangericht onder het motto ‘dood hen allen, God zal de zijnen wel herkennen!’) is er inderdaad erg aan toe.
Het stadscentrum is een woestijn geworden.
Heel veel winkels staan leeg, achter hun metalen luiken.
De onveiligheid houdt de mensen weg.
Bijna een derde van de bevolking leeft onder de armoedegrens en de werkloosheid ligt ver boven het nationale gemiddelde.

Ménard heeft gelijk, schrijft Mia Doornaert, dat links zich vragen moet stellen als mensen die het moeilijk hebben geen heil meer zien in de socialistische partij.
Maar, voegt ze er streng aan toe, verontwaardiging is nog altijd geen reden om van het jeugdig uiterst-links engagement naar uiterst-rechts door te slaan.
Verdediging van de armsten in de samenleving mag niet strijdig zijn met de democratische waarden.
Ménards gewezen medestrijders voor persvrijheid en mensenrechten kunnen zijn keuze alleen maar betreuren.

20140401-104549.jpg

Zozo, barones bonchicbongenre Doornaert ziet zichzelf als een ‘strijder’ voor persvrijheid en mensenrechten.
In naam van deze strijd keurt zij Ménards overstap van uiterst-links naar uiterst-rechts af.
Want, de verdediging van de armen mag niet strijdig zijn met de democratische waarden.
Dat is voor haar ontoelaatbaar.
Je mag de armen verdedigen zoveel je wil, als je de democratische waarden maar ongemoeid laat.

En wat mogen die ‘democratische waarden’ dan wel zijn?
Welke democratische waarden doet Robert Ménard volgens Mia Doornaert geweld aan?

Hij keurt in sommige gevallen de doodstraf goed.
Hij zou liever geen homofiele kinderen hebben.
Hij wil de immigratie aan banden leggen.

Zijn dát democratische waarden?
Als dat zo is, dan zouden ze wel eens een lijst mogen opstellen van die waarden, zodat iedereen weet waaraan hij zich te houden heeft.
Ik krijg echter de indruk dat DE grote en onvergeeflijke fout van Ménard is dat hij de grens tussen links en rechts overschreden heeft.
Mia Doornaert spreekt weliswaar over de ‘schreef’ tussen rechts en extreem-rechts, maar waar die precies ligt, is niet duidelijk.
Ter linkerzijde blijkt zo’n schreef namelijk niet te bestaan.
De PvdA (het vroegere Amada) is extreem-links, maar geen kat die daarover struikelt, ook Mia niet.

Nee, links is links en per definitie democratisch.
En rechts is rechts en per definitie niet-democratisch.

Niemand zal de N-VA van Bart De Wever extreem-rechts noemen, en toch wordt hij door de geallieerde intelligentsia onafgebroken bestookt als was hij de nieuwe Hitler.
Het onderscheid tussen rechts en extreem-rechts is niet meer dan een rookgordijn, dat moet verhullen dat de nobele ‘linkse strijders’ dezer wereld zichzelf identificeren met democratie, mensenrechten, vrijheid van meningsuiting en alles wat goed is in deze wereld.

20140401-105053.jpg

Robert Ménard mag opkomen voor de armsten van de samenleving.
Hij mag de strijd aanbinden met armoede, verloedering en geweld.
Hij mag proberen van Béziers weer een leefbare stad te maken.
Hij mag gedreven worden door heilige verontwaardiging.
Het is allemaal van geen tel.
Want Ménard is rechts geworden.
Hij heeft de Linkse Broederschap verrraden, die in de grote steden resideert en met juwelen, adellijke titels en aanzien overladen, zijn opwachting maakt in Rotary clubs en andere ‘strijdende’ democratische instellingen.
Hij heeft het gewaagd haar geestelijke eigendom te ontvreemden.
Want de linkse barons en baronessen zijn niet alleen in het bezit van de macht en het geld, ze hebben zichzelf ook tot eigenaar uitgeroepen van … ideeën, begrippen en idealen.

Wie dacht dat een democratie mensen van alle overtuigingen omhelsde, van links tot rechts en alles daartussen, vergist zich.
Nee, de ‘democratie’ zoals Mia en co die voorstaan, hakt de samenleving in twee en stuurt de ‘foute’ of rechtse helft de woestijn in.
De democratie, roept de ‘correcte’ of linkse helft, is van ONS en van niemand anders!

Het is materialisme in de praktijk: ideeën en begrippen worden tot eigendom uitgeroepen.

Alles wat van waarde is, wordt opgeëist door degenen die zichzelf Links noemen.
Wie niet naar hun pijpen wil dansen, verbeurt al zijn rechten en wordt gebrandmerkt als Rechts.
Hij zal door de nobele ‘strijders’ vervolgd worden tot hij zichzelf bekeert of ten onder gaat.

20140401-110316.jpg

Zonder de kunst zijn we verdoemd

In de krant van verleden week lees ik twee artikels waarin de auteurs hun bezorgdheid uitspreken over the state of the art, de toestand in de kunst.
Het ene artikel is van de hand van José Da Silva, correspondent in Portugal.
Daar is namelijk een controverse aan de gang over het feit dat de regering een collectie schilderijen en tekeningen van Juan Miró wil verkopen teneinde de begroting rond te krijgen.
Dat vindt José erg (terecht natuurlijk), maar wat hij nog erger lijkt te vinden, is dat de Portugese man in de straat het niet erg vindt.
Verdomme, zegt die man-met-de-pet, zijn er geen belangrijker zaken om je druk over te maken?
In een tv-quiz blijkt een deelnemer niet eens te weten wie Juan Miró is.
Een minister? Een tangodanser? Een stierenvechter?
Dat brengt José Da Silva ertoe een andere José te citeren: José Saramago.

‘Een volk dat niet geeft om kunst, is een gedoemd volk.’

Aldus de Portugese Nobelprijswinnaar voor literatuur.

20140303-164643.jpg

Ik ben het daar natuurlijk mee eens.
In onze moderne wereld heeft de kunst de plaats van de religie ingenomen.
Het is vandaag via de kunst dat de mens het contact met de geest onderhoudt.
Dat is een veelbetekenend feit, want in de kunst gaat het niet langer om een geest of God die vanuit de hemel op de aarde neerkijkt, maar om een geest die zich met de materie verenigd heeft, een God die vanuit de aarde en de mens zelf werkt.
Het gaat in de kunst met andere woorden om de christelijke geest, de God die mens is geworden en zich ‘tot aan het einde der tijden’ verbonden heeft met de aarde.
De afgelopen 2000 jaar vormden de overgang van het oude Godsbeeld naar het nieuwe Godsbeeld, van de ‘God in den hoge’ naar de ‘God in de mens’.
Wat we uit die tijd kennen als christendom is dus eigenlijk nog geen echt christendom: de kerk met zijn onfeilbare paus aan het hoofd is nog altijd een uitdrukking van het oude Godsbeeld.
Pas in onze tijd, nu de kerk haar (spirituele) macht verloren heeft en haar rol overgenomen is door de kunst, begint het echte christendom.
Godsdienst is nu tegelijk mensendienst geworden.
Over de hemel spreken is tegelijk over de aarde spreken.

De democratie is een uitdrukking van deze nieuwe relatie tot de geest: nog altijd wordt de mensheid ‘bestuurd’ door God, maar God resideert nu in de mens zelf, in iedere individuele mens.
Daarom is de stem van het volk vandaag ook de stem van Christus.
Daarom wordt het volk vandaag ook zo verketterd door de machthebbers.
Daarom wordt de democratie vandaag met de grote middelen bestreden.

En dat brengt me bij de reden waarom ik het helemaal niet eens ben met José de Silva.
Dat wil zeggen: ik ben het eens met wát hij zegt, maar niet met hoé hij het zegt.
Zijn schaamte, ergernis en verontwaardiging zijn volkomen misplaatst.
En wel omdat ze de reactie van de man in de straat gelden.
Ze zouden namelijk hemzelf moeten gelden, hemzelf en de hele intelligentsia waar hij deel van uitmaakt.
Want waarom is de gewone Portugese man al dat gezeur over Juan Miró beu?
Niet omdat het over een kunstenaar gaat.
Mensen zijn dat ‘gezeur’ beu omdat het afkomstig is van mensen die niet alleen hun minachting voor ‘het volk’ nauwelijks kunnen verbergen, maar die ook – en misschien zelfs vooral – geen bal geven om kunst.

20140303-164812.jpg

Hoezo?
Deze José de Silva toont zich toch juist heel bezorgd om de kunst?
Zeker, maar hij toont zich bezorgd over de kunst zoals de moderne machthebber zich ‘bezorgd’ toont over zijn onderdanen. Hij gedraagt paternalistisch, als een vader die weet wat goed wat goed is voor zijn kinderen.
Maar die ‘kinderen’ zijn geen kinderen meer.
En de ‘vader’ weet niet meer wat goed is.
Integendeel, hij is het spoor compleet bijster, en wel omdat hij zich nog vastklampt aan het oude Godsbeeld.
Maar het is niet meer de oude God die in dat beeld leeft.
De oude God heeft zich teruggetrokken, hij heeft de zaak overgelaten aan zijn Zoon.
Niemand komt vandaag nog tot de Vadergod dan door de Zoon.
Wie die Zoon omzeilt en zich – zoals vroeger – rechtstreeks tot de Vader richt, krijgt te maken met een heel andere geest, die het leeggeworden Vaderbeeld ‘gekraakt’ heeft en er zijn woning van heeft gemaakt.

Hoe deze antichristelijke geest eruit ziet, zien we in de Hedendaagse Kunst.
Deze ‘kunst’ doet alsof ze vanuit het vrije, individuele menselijke Ik schept (vanuit de Zoon dus) maar in wezen wordt ze geïnspireerd door de kwaadaardige geest die het oude Vaderbeeld tot het zijne heeft gemaakt.
Het is niet voor niets dat Hedendaagse Kunst overal ter wereld hetzelfde is.
Of het nu een Amerikaan is die Hedendaagse Kunst maakt, of een Rus of een Chinees of een Afrikaan, er is geen enkel verschil te merken.
Alle kenmerken die verbonden zijn met de plek op aarde waar ze wonen en werken, zijn uitgewist.
Alle individuele kenmerken zijn uitgewist.
Zelfs al het menselijke is uitgewist.
En ook de kijker mag onder geen beding als individu oordelen. Hij moet ieder persoonlijk gevoel, iedere persoonlijke reactie of impuls, iedere persoonlijke interpretatie onderdrukken en vervangen door de (door kunstpausen) voorgeschreven gedachten, gevoelens en reacties.
Hij moet met andere woorden de Zoongod uit zijn ziel bannen en vervangen door de pseudo-Vadergod.

20140303-165000.jpg

Het is deze ‘kunst’ die de José Da Silva’s dezer aarde onvermoeibaar promoten. En ze laten de man in de straat goed voelen hoe achterlijk hij wel is als hij deze kunst niet bewondert.
Deze man-in-de-straat is het intussen kotsbeu geworden om deze Hedendaagse Kunst door de strot geduwd te krijgen.
Hij begint ervan te kokhalzen.
Daarbij maakt hij steeds minder onderscheid: zijn weerzin breidt zich langzaam uit van de Hedendaagse Kunst tot alle kunst.
En dát is misschien wel het allerkwalijkste gevolg van de nu reeds 100 jaar durende pogingen van de ‘leidende klassen’ om ‘het volk’ de Hedendaagse Kunst door de strot te duwen:
het volk keert zich af van de kunst.

Niet de voortdurende confrontatie met Hedendaagse Kunst is het grote kwaad, maar de onbewuste, instinctieve reactie daarop: de mens ontwikkelt een viscerale afkeer tegenover kunst, niet alleen de Hedendaagse Kunst, maar álle kunst.
En daardoor ‘verdoemt’ het volk zichzelf.
Want het verloochent de scheppende Zoongod in zichzelf.

Op die manier gaat de anti-christelijke en anti-menselijke geest die (onder meer) de Hedendaagse Kunst bezielt te werk: hij doet in de mens een onbewuste, onbedwingbare afkeer ontstaan voor de kunst.
Maar de kunst is een spiegel van zijn eigen Ik, van de Zoongeest-in-hemzelf.
En niet alleen heeft hij – zeker in deze tijd, nu de spiegelrol van de religie is afgelopen – de spiegel van de kunst nodig om zich bewust te blijven van zijn eigen menselijkheid, maar als hij afschuw begint te voelen voor de kunst, dan voelt hij ook afschuw voor zichzelf, dan ontstaat er in hem een kracht die – als een koekoeksjong – zijn eigen Ik uit het nest van zijn ziel wil duwen.
Een volk dat een hekel krijgt aan de kunst, is een volk dat gedoemd is zichzelf te vernietigen.
En dat is precies wat de ‘Hedendaagse’ geest op het oog heeft: hij wil de moderne mens ertoe brengen de God-in-hemzelf eruit te gooien, zodat hijzelf zijn plaats kan innemen.

20140303-165306.jpg

Dat brengt me bij het tweede artikel.
Dat is van de hand van Mia Doornaert en het is een reactie op een gesprek waarin Wim Delvoye en Midas Dekkers het enkele dagen tevoren hadden over hun gemeenschappelijke fascinatie voor … stront.

Tussen haakjes:
Het is toch wel merkwaardig dat wat wij Vlamingen stront noemen, in Nederland poep heet, en dat wat wij poep noemen in Nederland kont heet.
Dat is een afzonderlijke beschouwing waard, maar ik wil me hier tot de kunst beperken, hoe passé het onderscheid tussen stront en kunst ook moge zijn.

Mia Doornaert schrijft:
‘Taboes zijn er in onze maatschappij te over, maar ze liggen niet bij bloot en seks. Ze liggen in de verstikkende greep van de artistieke en politieke correctheid op elke discussie. Durf kritiek te hebben op de waan van de dag, en onmiddellijk volgen preventieve verdachtmaking en banbliksems. Dat geldt voor politiek, en dat geldt voor kunst.’

Het is bijzonder moedig van Mia om dat te zeggen, want ze zal wel weten wat er gebeurt met mensen die kritiek durven te hebben op de Hedendaagse Kunst.
Ze lijkt dat inderdaad te beseffen, want meteen stapt ze over naar ‘het op vrouwenhaat lijkende seksisme van sommige operaregisseurs en operahuizen’.
Da’s een wel heel onverwachte move, want het is een hele stap van stront naar de opera.
Grotere tegenstelling kun je je haast niet indenken.
Maar het is wel handig van Mia, want nu kan ze vanachter het schild van (politiek correcte) kritiek op seksisme, kritiek blijven geven op de Hedendaagse Kunst, want die slaat in de operahuizen ook keihard toe.
Ze heeft het onder meer over een moderne enscenering van Dvoraks Rusalka, waarbij een waternimf (een geestelijk wezen dus) die verliefd wordt op een mens, ten tonele gevoerd wordt als een … hoer.
Dergelijke profanaties zijn schering en inslag in de moderne opera-uitvoeringen en het anti-christelijke karakter ligt er duimendik bovenop.
Zo heeft Mia Doornaert het ook over regisseur Frank Castorf die, na alweer een ‘hedendaagse’ versie van een Wagner-opera, tien minuten lang op het toneel stond te genieten van het boegeroep van het publiek.
Dat is de Hedendaagse geest ten voeten uit: hij geniet van de afschuw die hij opwekt, je kunt hem geen groter plezier doen dan te stikken in je verontwaardiging.
Naar verluidt deed Castorf er nog een schepje bovenop door het publiek te jennen en uit te dagen.

20140303-165522.jpg

Wat heeft dit nu allemaal te maken met Wim Delvoye en Midas Dekkers, vraagt Mia.

‘Wel, dat te veel van onze West-Europese kunstenaars vastzitten in iele en steriele stereotiepen, in een modieus conformisme, en/of in buitensporig narcisme. Dat is niet vrijblijvend en ook niet ongevaarlijk. Het zegt allicht ook iets over het gebrek aan elan en vuur en geloof in zichzelf van Europa als geheel.’

Dat is natuurlijk waar, maar het komt me toch voor als heel wat minder direct dan ‘de verstikkende greep van de artistieke en politieke correctheid’.
Nog minder direct is wat daarna volgt.
Mia citeert namelijk Kafka.

‘Het boek moet ons treffen als een vuistslag tegen de schedel, het moet de bijl zijn voor de bevroren zee in ons.’

En dat geldt net zo goed voor de kunst in het algemeen, voegt ze eraan toe. Kunst moet treffen, moet branden, moet ons radicale en desnoods pijnlijke revelaties over onszelf en de wereld bijbrengen.
Maar Mia, dat is … precies wat de Hedendaagse Kunst wil!
Die frasen over kunst die moet schokken, die hoor je voortdurend in de Hedendaagse Kunst.
Het gaat daar om niks anders!

En dan komt de kers op de taart.
Barones Mia besluit haar artikel met de zin: ‘Dat laatste, beste en zeer begaafde Wim Delvoye, is eerder infantiele regressie.’
Met dat ‘laatste’ bedoelt ze het poep-taboe waarover Wim Delvoye sprak.
Ze heeft het dus niet over het werk van Delvoye, nee, ze heeft het over het taboe dat hij wil doorbreken. Dát taboe noemt ze een infantiele regressie.
Met andere woorden, ze is het volkomen met Wim Delvoye en Midas Dekkers eens: het is infantiel om je neus op te trekken voor poep/stront.
En logischerwijze dus ook voor kunst gemaakt met/van stront.

20140303-165717.jpg

Nu zal iedereen zeggen: maar dat bedoelt ze helemaal niet!
Nee, dat is duidelijk.
Maar het neemt niet weg dat het er wel degelijk staat.
Ja maar, zal men zeggen, je mag iemand niet vastpinnen op zijn woorden en al helemaal niet op een ongelukkige manier van uitdrukken. Dat laatste kan iedereen gebeuren, zelfs tot de adelstand verheven journalisten.
Ook daar ben ik het helemaal mee eens.
En toch denk ik niet dat het hier om een accidentele, toevallige lapsus gaat.
Wat Mia Doornaert echt bedoelt, zegt ze in één zinnetje: ‘Ze liggen in de verstikkende greep van de artistieke en politieke correctheid op elke discussie.’
In de rest van haar artikel probeert ze deze waarheid weer af te zwakken en zelfs in zijn tegendeel te keren.
En die ‘lapsus’ past precies in die (zelf)omkering.

Het is iets wat je telkens weer ziet gebeuren in artikels en opiniestukken: de schrijver spreekt een waarheid uit waarvan hij heel goed weet dat ze hem niet in dank zal worden afgenomen.
Hij riskeert niet alleen dat zijn teksten niet meer gepubliceerd zullen worden, maar zelfs dat hij zijn job kwijtraakt.
Dat overkwam verleden week sportjournalist Hans Vandeweghe.
Hij had in een column een beetje de draak gestoken met een Vlaamse snowboarder op de Olympische Spelen.
Is die man op zijn kop gevallen tijdens het snowboarden, had hij geschreven, of is hij gaan snowboarden omdat hij op zijn kop is gevallen?

20140303-165836.jpg

Een onschuldig grapje, maar de man werd prompt ontslagen als directeur van een of andere sportbond.
Reden: er was ‘een vertrouwensbreuk ontstaan die verdere samenwerking onmogelijk maakte.’

Je zal het maar meemaken: je maakt een grapje in de krant en hop, je bent je job kwijt!
Natuurlijk ging het niet om dat ene grapje.
Het was de druppel die de emmer had doen overlopen.
Ik mag de columns van Hans Vandeweghe graag lezen. Hij schrijft heel raak en zegt dingen die anderen niet zeggen.
Zo had hij onlangs nog in een artikel beweerd dat de Nederlanders hun 25 medailles in Sotsji behaald hadden met ‘technologische doping’. Ze droegen namelijk maillots die gemaakt waren van een speciale stof die de luchtweerstand met 3% verminderde. Dat had de fabrikant zelf in de pers verkondigd. Je zult het wel zien, had hij voorspeld.
Op 100 meter maakt 3% niet veel uit, merkte Vandeweghe op, maar op 10 kilometer maakt het het verschil tussen een medaille en geen medaille.
Kijk, zo’n dingen schreef Hans Vandeweghe: inconvenient truths.
En met dat grapje over snowboarder Seppe Smits was de maat vol.
Het was één vervelende waarheid te veel.
Hans stond op de keien.

Iedereen die in een krant of tijdschrift schrijft, iedereen die in de media werkzaam is, weet wat hem boven het hoofd hangt als hij de ongeschreven code overtreedt.
Ik herinner me nog het geval Edwin Ysebaert.
Hij was een populaire radio-presentator, onder meer van het veel beluisterde Eenzame-Hartenbureau.
De man had niet alleen een prachtige radiostem, hij verrichte ook baanbrekend werk.
Maar toen verscheen er een groot interview met hem in Humo waarin hij – zelf homo zijnde – zei: ‘Ik ben ervan overtuigd dat iedere homo in zijn leven een moment heeft waarop hij (nog) kan kiezen.’
Het was maar één zinnetje in een lang interview, en het werd er niet eens uitgelicht tot een vette kop (Humo betékende nog iets in die dagen), maar toen ik het las, dacht ik: o jee, man, dát ga je bezuren!
Het werd nog veel erger dan ik verwacht had.
Men ontketende een echte heksenjacht op hem. Hij werd door het slijk gesleurd op een manier die nu ‘gewoon’ is geworden, maar die toen – ik spreek nu over bijna 40 jaar geleden – ongezien was. Ysebaert ging er helemaal onderdoor, verloor zijn job, raakte aan lagerwal en ondernam ten slotte een zelfmoordpoging.

20140303-170027.jpg

De banvloek waarover ik het onlangs had in verband met kunstpaus Jan Hoet, is een keiharde realiteit die iedere intellectueel kent.
De meesten schrijven dan ook precies wat van hen verwacht wordt.
Maar er zijn er ook die een bestaan als intellectuele prostitué vernederend vinden.
Zoals Hans Vandeweghe: hij zocht voortdurend de grens op tot waar hij kon gaan.
En men liet hem betijen.
Maar wat hij niet besefte, was dat men de rekening heel nauwkeurig bijhield.
En toen zijn krediet op was, sloeg men zonder aarzelen toe: de directeur van de Vlaamse wielerbond werd ontslagen omdat hij een grapje had gemaakt over een … snowboarder.

Ook Mia Doornaert is één van die journalisten die af en toe wel eens iets durven te schrijven dat niet politiek correct is.
Dat is moedig van haar, al moet wel gezegd worden dat ze veel krediet heeft opgebouwd.
Ze is niet alleen voorzitter van de Vlaamse journalistenbond, ze is ook barones. Ze is in de adelstand verheven voor haar verdiensten als journaliste.
Meer krediet kun je waarschijnlijk niet opbouwen.
Maar als het over Hedendaagse Kunst gaat, zie je dat ze hetzelfde doet als al die andere journalisten die, gekweld door hun geweten en hun zelfrespect, iets schrijven dat niet is zoals het hoort: ze verpakt het zodanig dat je eigenlijk niet meer kunt vertellen wat ze nu eigenlijk gezegd heeft.
Iemand als Rik Torfs is daar een meester in. Hij draait en keert en wentelt zo virtuoos in zijn columns en artikels dat je niet meer weet wát hij nu eigenlijk gezegd heeft of waar hij voor staat.

Is het toeval dat Mia Doornaert uitgerekend in een stuk over Hedendaagse Kunst op een bijna exemplarische wijze doet, wat vandaag iedereen doet, namelijk datgene wat je wil zeggen op zo’n manier zeggen dat je er net zo goed het tegenovergestelde kunt in lezen?
Ze doet het niet zo virtuoos als Rik Torfs, maar juist daardoor kun je bijna stap voor stap volgen hoe ze een aanklacht tegen de Hedendaagse Kunst omkeert tot een lofzang op die kunst.

20140303-170141.jpg

Het spreekt vanzelf dat ze dit niet gewild heeft.
Maar dat is nu net het akelige van de zaak: de schrik zit er bij de intellectuelen zo diep in dat ze het omgekeerde doen van wat ze willen, en dat ze het niet eens beseffen.
Ze keren de waarheid automatisch om tot een leugen, en dat ontsnapt niet alleen aan hun wil, het ontsnapt ook aan hun bewustzijn.

Er is hier dus een geest aan het werk – ik noem hem de Hedendaagse Geest – die zijn wil oplegt aan de mens zonder dat deze het weet.

Zou Mia Doornaert beseffen wat ze geschreven heeft?
Ik betwijfel het ten zeerste.
En zelfs als ze het beseft, kan ze het niet meer rechtzetten.
Want niet alleen maakt ze zich dan de risée van heel schrijvend Vlaanderen, ze vestigt dan ook de aandacht van heel schrijvend Vlaanderen op het feit dat ze de Hedendaagse Kunst frontaal aanvalt.
En dat is geestelijke en maatschappelijke zelfmoord.
Barones of niet, het zou afgelopen zijn met Mia Doornaert.

Maar ik denk dat ze zich van geen kwaad bewust is.
Het omkeren van de waarheid in zijn tegendeel is vandaag zo’n automatisme geworden dat niemand er nog bij stilstaat.
Het is bijna iets lichamelijks geworden, het werkt zoals organen werken: zonder dat je er iets van merkt.
En hoe gezonder je bent, dat wil zeggen: hoe meer talent je hebt, en hoe vlotter dat omkeringsproces verloopt, des te minder merk je ervan.
Bovendien schuilt er zoveel genot in die geestelijke automatismen dat niemand er zich bewust wíl van worden.
Iedereen wil heerlijk blijven slapen.

Maar dit ‘slapen’, dit automatische functioneren, situeert zich niet in het gewone bewustzijn, dat bestreken wordt door ons denken en voelen.
Het situeert zich in de wil, in het gebied waar we sowieso slapen. Daar sluipt een geest – de Hedendaagse Geest – onze ziel binnen en laat ons dingen doen die we (bewust) helemaal niet willen, maar die we ook niet waarnemen.
Het is een soort actief slapen, een slapen dat gewild wordt en dat onze gedachten en gevoelens ongemerkt tot werktuig maakt.

20140303-170324.jpg

Toen Mia Doornaert haar stuk schreef, schreef deze ‘slaapverwekkende’ geest mee.
Hij leidde haar hand en zorgde ervoor dat ze de waarheid waarmee ze begon, stap voor stap in zijn tegendeel begon om te keren, met als kers op de taart een grammaticale lapsus, het laatste wat je van de zo taalgevoelige Mia zou mogen verwachten.
Waar die geest zich meester van maakte, was Mia’s kreativiteit, haar scheppend vermogen.
Want wat ze schreef, was geen wetenschap, het was in wezen een kunstzinnige tekst, zoals zoveel journalistieke teksten vandaag.

Er is een enorm verschil tussen de oude krant en de nieuwe krant.
De oude krant was droog en zakelijk, de nieuwe krant is … kunstzinnig.
En van dit kunstzinnige streven (dat zo typisch is voor de hedendaagse mens) maakt de Hedendaagse Geest zich meester.
Hij keert dit streven om.
Hij keert het scheppingsproces om.
En hij kan dat doen omdat het onbewust verloopt.

De tragiek is dat hij juist de meest getalenteerde, meest kunstzinnige, meest naar verbetering strevende mensen in zijn greep krijgt: zowat de hele intelligentsia dus.
Hij berooft daarmee niet alleen het volk van zijn beste elementen, hij doet een intense vijandschap ontstaan tussen ‘hoofd’ en ‘lichaam’ van dat volk.
Hij wekt een intense afkeer bij de intelligentsia voor het gewone volk.
En bij dat gewone volk wekt hij een intense afkeer voor de intelligentsia en alles waar ze voor staan, in de eerste plaats de kunst.

Deze groeiende wederzijdse afkeer tussen het volk en zijn intellectuele elite is een uiterlijk beeld van wat zich in de ziel van de hedendaagse mens afspeelt.
Maar het speelt zich niet af in de bewuste ziel, de ziel die we door middel van onze gedachten en gevoelens kunnen bereiken.
Het speelt zich af in onze onbewuste, slapende wil.
Daar is momenteel een geest actief die, zonder dat we daar enige waarneming van hebben, een kloof slaat in ons eigen wezen en die kloof vult met haat, woede en walging.
Het is een geest die zich meester maakt van ons eigen Ik, van onze scheppende geest, en hem tot zijn slaaf en werktuig maakt.
Hij bedient zich van al zijn vermogens, en vooral dan van het fundamentele vermogen om onderscheid te maken.
Want zo schept het menselijke Ik zichzelf: door zich te onderscheiden van het geheel.
En dat onderscheidingsvermogen is een goddelijke kracht.
Het is de kracht waarmee de Godszoon zich heeft losgemaakt van de Vader en mens is geworden.
En die kracht is geen andere dan de liefde, de pure, onzelfzuchtige liefde voor de mens.
Het is dezelfde kracht die zichzelf een spiegel schept in de kunst.
En het is door die spiegel dat de liefde zich in ons (weer) bewust wordt van zichzelf.

20140303-170518.jpg

Van dat kunstzinnige, spiegelscheppende vermogen maakt de Hedendaagse Geest zich, diep in onze ziel, meester.
Hij verhindert daardoor dat we onszelf (in ons diepste wezen) herkennen in de spiegel van de kunst.
En een Ik dat zichzelf niet herkent, kan niet ontwaken en actief worden.
Het is gedoemd om te slapen, om met een deel van zichzelf weerloos geketend te zijn aan de materiële wereld en met een ander deel in de geestelijke wereld te vertoeven.

Er is maar één manier om de Hedendaagse Geest te ontmaskeren, en dat is: met ons bewustzijn doordringen in de regionen van de wil, waar hij zich ophoudt.
Want alleen dan kunnen we dit monster onderscheiden van ons eigen Ik.
En er is maar één manier om deze wilsregionen – die geestelijke regionen zijn – te betreden zonder uiteengerukt te worden door de enorme krachten die daar heersen, en dat is: op een kunstzinnige manier.
Zonder de kunst zijn we als Dante in de hel zonder Vergilius.
Zonder de kunst zijn we … gedoemd.

20140303-170711.jpg

Daarom is de belangrijkste vraag vandaag: wat is kunst?
Want er is vandaag niet één kunst, er zijn twee kunsten.
En daartussen moeten we kiezen.

Als ik mij afvraag wat de grootste ‘prestatie’ van iemand als Jan Hoet was, dan komen er mij twee dingen voor de geest.
Eén: hij heeft de kunst uit haar ivoren toren gehaald, hij heeft haar weer bij het volk gebracht.
En twee: hij heeft iedereen laten geloven dat er maar één kunst is, de Hedendaagse Kunst.

Daarin herken ik de Hedendaagse Geest.
Hij verkondigt de waarheid, de belangrijkste waarheid van onze tijd, namelijk dat de kunst onze leidsman moet worden.
En vervolgens keert hij die waarheid ongemerkt in zijn tegendeel.

Iemand schreef onlangs dat de vader van artistiek Vlaanderen gestorven was.
En dat was Jan Hoet inderdaad: de Godfather van de kunst.
Hij heeft ontelbare kinderen verwekt, niet alleen in Vlaanderen, maar over de hele wereld.
Allemaal staan ze op de bres voor de kunst, de José De Silva’s en de Mia Doornaerts.
Hun getal is legioen.
Zij zijn de ware erfenis van Jan Hoet.
En we mogen er zeker van zijn dat ze goed verzorgd zal worden.
Want hij was geliefd, deze Godvader!

20140303-171014.jpg