Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: Michaël

65 (3)

  

Geloof kan bergen verzetten, zo heet het. Ik heb dat bergenverzettende geloof momenteel hard nodig, want ik sta voor een enorme berg: het vinden van een nieuw huis, een huis vergelijkbaar met het huidige, want ik wil en kan niet terug naar de stress, het lawaai en de lelijkheid van mijn oude leven. Na drie jaar Scheldewindeke – jaren van rust, stilte en schoonheid – zou ik dat innerlijk niet meer overleven. Ik heb een geloof nodig dat bergen kan verzetten omdat de kans dat we zo’n huis vinden langs de gebruikelijke weg zo goed als onbestaande is. Net als drie jaar geleden toen we Destelbergen moesten verlaten, is er opnieuw een mirakel nodig. Ons nieuwe huis zal met andere woorden uit de hemel moeten vallen, net als dat in Scheldewindeke. Sinds ik hier woon weet ik dat dergelijke mirakels gebeuren. En eigenlijk weet ik dat al langer, want er zijn wel meer onwaarschijnlijke dingen gebeurd in mijn leven. Maar de vraag is: kun je zo’n mirakel bewerkstelligen door erin te geloven?

We hebben jaren gezocht voor we het huis in Scheldewindeke vonden. Achteraf gezien had dat zoeken geen enkele zin, want hoe vaak we ons ook kandidaat stelden voor een huis, we werden telkens afgewezen wegens werkloos, wegens een te laag inkomen. Uiteraard werd die reden nooit vermeld, we kwamen er pas op het laatst achter. Dat vruchteloze zoeken had dus nog jaren kunnen doorgaan als we niet op het beslissende moment – toen de huisbaas met de rechtbank dreigde – een seintje van kennissen hadden gekregen dat er in Scheldewindeke een huis te huur stond. Er was geen immo-kantoor bij betrokken en de zaak was in een, twee, drie beklonken. We hadden ons die jarenlange vernederende zoektocht dus kunnen besparen. Vandaag herhaalt die geschiedenis zich. Hoe meer huizen we gaan bekijken, hoe duidelijker het wordt dat het opnieuw geen zin heeft om te zoeken: een huis zoals het huidige zullen we niet vinden, tenzij er opnieuw een mirakel gebeurt.

We kunnen twee dingen doen. Ofwel wachten we vol vertrouwen op een nieuw mirakel, ofwel nemen we het eerste het beste huis dat we kunnen krijgen. Dat zal dan wel een huis zijn zoals in Destelbergen, een huis dat niemand anders wil. We zullen dan met andere woorden terugkeren naar ons oude leven, een leven temidden van lawaai en lelijkheid. Na drie jaar in het ‘beloofde land’ gewoond te hebben, omringd door rust, stilte en schoonheid, zou dat een enorme schok betekenen, niet alleen fysiek en mentaal, maar ook geestelijk. Het zou weinig heel laten van het geloof dat ik in de loop der jaren moeizaam heb opgebouwd, het karmische geloof dat de wereld – en dus ook mijn leven – een kunstwerk is. Het zou me met lege handen de woestijn weer in sturen, want dat geloof is het enige wat ik heb overgehouden aan een leven dat ik meer dan 30 jaar geleden aan de kunst heb gewijd, een leven dat me geen roem, geen eer, geen geld, en zeker geen huis heeft opgeleverd. 

Ik kan dat karmageloof niet zomaar opgeven in ruil voor een dak boven mijn hoofd. Als ik zou accepteren wat we normaal gezien kunnen krijgen, dan zou ik me neerleggen bij de nuchtere, concrete realiteit. Ik zou afstand doen van mijn dromen, mijn verlangens, mijn geloof. Ik zou denken: al die geestelijke aspiraties zijn mooi zolang je een huis hebt, maar als dat huis verdwijnt, kun je er niks mee aanvangen. Of nog: als puntje bij paaltje komt, dan speelt die zogenaamde geestelijke dimensie van het bestaan geen rol meer, dan gaat het enkel nog om de harde, materiële feiten. Die keuze voor de concrete, tastbare realiteit zou een salon-antroposoof van mij maken, iemand die de mond vol heeft van de geestelijke wereld zolang hij in een comfortabel huis woont, maar die op slag weer materialist wordt als hij dat huis kwijtraakt. Het zou van mijn leven een schijnvertoning maken en van de antroposofie wat mooi behang. Ik kan dus niet anders dan blijven geloven in een mirakel. 

Het doet me denken aan de begintijd van Vijgen na Pasen. We waren toen al op zoek naar een nieuw huis omdat het steeds duidelijker werd dat we niet in Destelbergen konden blijven wonen. Op een dag hadden we er eentje gevonden in Moortsele, niet ver van waar we nu wonen. Het was een buitenkans want was er geen immo-kantoor in het spel: als we ja zeiden, was het huis voor ons. De omgeving was precies wat we zochten: rust, stilte en groen alom. Het huis zelf was een ander verhaal: een badkamer kan ik me niet herinneren, de keuken was een ramp, de slaapkamer was alleen te bereiken via een steile ladder, en van de tuin zag je binnen helemaal niks. We moesten dus twee dingen tegen elkaar afwegen: de zeer aantrekkelijke omgeving en het zeer onaantrekkelijke interieur. Het was een dubbeltje op zijn kant, want we wisten dat we niet gauw meer zo’n kans zouden krijgen. Maar na lang nadenken kwamen we tot dezelfde conclusie: we nemen het niet. De reden: we vonden dat we meer verdienden dan dit. 

Het was dezelfde keuze waarvoor we ook vandaag weer staan. Financieel gezien kunnen we ons alleen dit soort huizen permitteren. Ofwel is de omgeving mooi maar ontbreekt de meest elementaire luxe, ofwel is het omgekeerd. Beide samen behoort niet tot onze mogelijkheden. Maar we weigerden ons neer te leggen bij de feiten en afstand te doen van ons geloof in de geest, ons geloof in de menselijke waardigheid. Wat we in feite weigerden te accepteren is dat materie en geest niet kunnen samengaan, dat je verplicht bent te kiezen tussen beide: ofwel wijd je je leven aan de geest en moet je afstand doen van rijkdom, luxe en zelfs elementair comfort, ofwel wijd je je leven aan de materie en blijven geest, kunst en antroposofie louter decoratie en versiering. Wij hadden allebei ons leven gewijd aan de ‘geest’ en dat had ons inderdaad veroordeeld tot materiële armoede. Door het huis in Moortsele af te wijzen, kwamen we in verzet tegen dat dualisme van geest en materie. 

Het bleek de juiste keuze te zijn, want uiteindelijk vonden we – als bij wonder – het huis in Scheldewindeke. Hier hadden we het allebei samen: een aantrekkelijke omgeving en een aantrekkelijk interieur. Deze overwinning op het dualisme kwam symbolisch tot uitdrukking in de drie schouwen op het huis: een schouw met één pijp, een schouw met twee pijpen en een schouw (de hoogste) met drie pijpen. Het was alsof er een derde element was verschenen dat beide andere verbond en oversteeg. In dit huis-met-de-drie-schouwen voerde ik ook drie karmaonderzoeken: het eerste naar het karma van de antroposofische beweging, het tweede naar mijn eigen karma, en het derde naar het karma van Adriaen Brouwer, wiens levenslot dat van de Lage Landen weerspiegelde en wiens werk als geen ander geest en materie verenigde. De eerste twee onderzoeken waren een herhaling van eerdere onderzoeken, maar Adriaen Brouwer was nieuw, hij kwam – net als het huis – uit de hemel vallen. 

Hoe nieuw en onverwacht ook, deze derde factor was eveneens een herhaling van het verleden. De drie karmaonderzoeken in Scheldewindeke weerspiegelden de drie karmaonderzoeken in Destelbergen. Het eerste begon toen ik nadacht over mijn mislukking in Brugge, over mijn eigen persoonlijke levenslot. Daarna dacht ik – ter voorbereiding van de zomeruniversiteit in Frandeux – een jaar lang na over oude en jonge zielen, over het bovenpersoonlijke karma van de antroposofische beweging. En ten slotte dacht ik – ter voorbereiding van de Lichtbakenconferentie in Antwerpen – ook na over de karikatuur, een thema dat persoonlijk en bovenpersoonlijk tegelijk was. Zowel de kunstzinnigheid van dit derde thema als het internationale karakter van de conferentie werden later weerspiegeld door de Adriaen-Brouwertentoonstelling in Oudenaarde. Net zoals de karikatuur mij ‘van hogerhand’ als thema was aangewezen, zo was ook Adriaen Brouwer, wiens tentoonstelling een soort godsgeschenk was, een vingerwijzing ‘uit den hoge’. 

Ik kan het spoor van deze ‘hemelse’ derde factor nog verder terug volgen. Ik begon destijds met (persoonlijk) karmaonderzoek nog voor ik het woord kende. Later leerde ik ook het (bovenpersoonlijke) karmaonderzoek van Rudolf Steiner kennen, en ten slotte verscheen als een geschenk uit de hemel Basic Instinct, een kunstwerk dat het persoonlijke en het bovenpersoonlijke op weergaloze wijze verbond. In de loop van mijn leven duiken dus drie keer dezelfde drie vormen van karmaonderzoek op: het persoonlijke, het bovenpersoonlijke en het kunstzinnige dat beide omvat. Ze komen overeen met de drie plaatsen waar ik (samen met mijn vrouw) gewoond heb: Melle, Destelbergen en Scheldewindeke. Telkens was het derde kunstzinnige element het meest wonderlijke, het meest onverwachte, het meest michaëlische. Want wat ik in Brugge begon te vermoeden, werd in Antwerpen bevestigd: Michaël was de inspirerende kracht achter dit karmaonderzoek, en dan vooral achter de kunstzinnige verbinding van het persoonlijke met het bovenpersoonlijke. 

Ik ontdekte dat hij er altijd al geweest was en dat hij al heel vroeg een beslissende rol in mijn leven had gespeeld door mij een tekenleraar te geven die in alle opzichten michaëlisch te werk ging. Het eerste wat hij deed, toen ik als jongetje van 11 de (koninklijke) academie van Mechelen betrad, was … me de toegang tot de klas versperren en me terugsturen om materiaal te kopen. Daarna toonde hij me heel bondig hoe ik tewerk moest gaan en liet me verder met rust. Pas jaren later begon ik me bewust te worden van zijn aanwezigheid, want al die tijd had hij me volkomen vrij gelaten en was hij alleen verschenen op momenten dat ik helemaal in de knoei zat. Dan toonde hij mij opnieuw de weg, kordaat en zonder veel woorden. Pas lang nadat ik zijn klas had verlaten, begon ik te begrijpen wat een uitzonderlijk leraar hij was geweest. Zo is het me ook met Michaël vergaan. Hij toonde mij al heel vroeg welke weg ik moest gaan en verdween dan, om pas een halve eeuw later naar voor te treden en zich kenbaar te maken. 

Als ik terugdenk aan die allereerste ontmoeting met Michaël, in de persoon van mijn tekenleraar, dan zie ik een wachter op de drempel die mij terugstuurt. Ik was een kind en deed wat me gezegd werd, maar ik herinner mij de teleurstelling: ik had nog maar pas het heiligdom van de kunst betreden en ik werd al meteen teruggestuurd naar de wereld van de materie. Dit kleine voorval (dat ik me desondanks goed herinner) herhaalde zich 50 jaar later in Brugge waar ik op de markt ging staan in een laatste poging om de wereld van de schilderkunst te betreden. Op de drempel van die wereld ontmoette ik opnieuw een onverbiddelijke wachter. Net als toen gebeurde dat in het centrum van een historische stad op een plek met een geestelijk verleden. Net als toen stuurde Michaël me terug, dit keer niet om tekenmateriaal te kopen, maar om karmaonderzoek te doen. Ga ik te ver als ik ook daarin een herhaling zie en dat karmaonderzoek beschouw als het materiaal dat ik nodig heb om kunstzinnig aan de slag te gaan?

Ik kocht mijn tekenmateriaal destijds in een heel oud, middeleeuws aandoend winkeltje dat volgestouwd was met alles waar een kunstenaar maar van dromen kan. Het was mijn eerste kennismaking met een wereld die ik sindsdien altijd als een paradijs-op-aarde heb ervaren: de wereld van het teken- en schildermateriaal, de wereld van de onbeperkte mogelijkheden. Ik keek mijn ogen uit in dat winkeltje: wat een schatkamer! Toen ik in Brugge werd teruggestuurd, begon ik na te denken over mijn eigen leven en keek vol verbazing naar het ‘materiaal’ dat naar boven kwam. Die verbazing werd nog groter toen twee onverwachte vragen dat persoonlijke karmaonderzoek uitbreidden tot het bovenpersoonlijke en het kunstzinnig-verbindende karmaonderzoek. In Scheldewindeke herhaalde die drievoudige ontdekkingstocht zich en culmineerde ten slotte in de oude ridderzaal van het 16de eeuwse stadhuis van Oudenaarde waar ik het werk van Adriaen Brouwer zag (en waar bij de ingang een geopende schatkist stond).

Merkwaardig hoe de geschiedenis zich herhaalt, hoe het einde van een mensenleven het begin weerspiegelt. Toen Michaël me in Brugge de weg naar de kunst versperde, deed hij hetzelfde als toen ik 11 was en de tekenklas wilde binnenstappen: hij stuurde me terug om materiaal te kopen. In Mechelen was dat (drievoudig) tekenmateriaal: papier, houtskool en pluim. In Destelbergen en Scheldewindeke was het (drievoudig) karmamateriaal: persoonlijk, bovenpersoonlijk en kunstzinnig. Ik heb de afgelopen vijf jaar eigenlijk doorgebracht in een soort metamorfose van dat oude winkeltje op de hoek van het AB-straatje. Ik heb trouwens pas ontdekt dat het 16de eeuwse huis waar dat tekenwinkeltje gevestigd was In den Vijgenboom heet, en dat de letters AB – toevallig ook de initialen van Adriaen Brouwer – refereren naar een oude brouwerij die daar ooit gevestigd was. Of hoe de wonderen de wereld nog niet uit zijn, wonderen waarvan een mens zich in de verste verte niet bewust is. 

In de loop der jaren ben ik gaan inzien dat er in mijn leven verschillende wonderen zijn gebeurd, zaken die zo onwaarschijnlijk zijn dat ze niet aan het toeval toegeschreven kunnen worden. Op het moment zelf was ik me van die wonderen niet bewust, ik werd te veel in beslag genomen door de materiële werkelijkheid, met name dan door het mislukken van mijn plannen. Pas in Scheldewindeke begon ik het verband te zien tussen de wonderen en de mislukkingen, die in feite ontmoetingen met de wachter op de drempel waren. Ik werd me nu ook bewust van de rol die Michaël hierin speelde, de geest die me de weg naar het karmaonderzoek had gewezen. Deze bewustwording is op de een of andere manier een keerpunt, want voor het eerst kijk ik nu tegelijk achteruit en vooruit. Nadenken over de mislukkingen uit mijn verleden doet in mij het geloof en de hoop rijzen dat ook deze derde wegversperring in vijf jaar – na Brugge en Destelbergen moet ik nu ook Scheldewindeke verlaten – de voorwaarde is voor een nieuw wonder.    

Het levende denken (2)

  

 

Volgens Rudolf Steiner zal het denken weer tot leven komen in drie fasen: de imaginatie, de inspiratie en de intuïtie. ‘De trappen van het hoger bewustzijn’ noemt hij ze. Levend denken is met andere woorden het stapsgewijs opklimmen tot bewustzijn van de geest. In onze tijd staan we nog helemaal onderaan deze trap. Wie kan immers zeggen dat hij de geestelijke wereld in beelden voor zich ziet, dat hij de stemmen hoort van geestelijke wezens of dat hij in harmonie met hen leeft! Tot nog toe kennen we slechts één mens die erin geslaagd is een volkomen levend denken te ontwikkelen, en dat is Rudolf Steiner. Onnodig te zeggen dat niemand zelfs maar in zijn buurt komt. Van alle antroposofen die ik heb ontmoet waren er maar één of twee waarvan ik dacht: die mensen weten, zien en kunnen meer dan anderen. Zelf voel ik na 35 jaar antroposofie nog altijd vooral de onmacht om mij te ontworstelen aan de aardse zwaarte en de stairway to heaven te beklimmen.

Denken tot leven wekken gaat ontzettend langzaam. Het is dan ook iets waar we de hele tweede helft van de mensheidsontwikkeling mee bezig zullen zijn. In het verleden zijn we langzaam ingeslapen voor de geest, in de toekomst zullen we er langzaam wakker voor worden. Pas als eenieders denken helemaal levend is geworden zal die ontwikkeling afgelopen zijn. We hebben dus nog de tijd, we staan pas aan het begin. Toch wees Rudolf Steiner voortdurend op de dringende noodzaak om wakker te worden, en vandaag is het de actualiteit die ons daar dagelijks aan herinnert. Hoe valt die dringendheid te rijmen met de zeeën van tijd die nog voor ons liggen? De sleutel tot dat raadsel geeft Rudolf Steiner ons in zijn karmavoordrachten, wanneer hij het heeft over het proces van inslapen en ontwaken. Hij wijst er en passant op dat dit proces tot het moeilijkste behoort dat geesteswetenschappelijk onderzocht kan worden. Het gaat dus om iets heel fundamenteels. 

Wanneer we ’s avonds in slaap vallen, verlaat ons Ik ons lichaam en vertrekt naar de geestelijke wereld. ’s Morgens keert het terug en dringt ons lichaam binnen via onze tenen en vingertoppen. Dat gaat heel geleidelijk. Een fatsoenlijk mens, aldus Rudolf Steiner, wordt uiterlijk om 7 uur wakker – en blijft ook wakker – maar een half uur later is zijn Ik nog niet verder gekomen dan zijn enkels. Zo beschrijft hij het letterlijk. Ons Ik heeft de hele dag nodig om ons fysieke lichaam weer in bezit te nemen. Wanneer het dat lichaam ’s avonds helemaal vult, begint het het alweer te verlaten (via het hoofd) en vallen we in slaap. Ons geestelijk wezen is dus voortdurend in beweging, niet alleen overdag maar ook ’s nachts. Dan doorlopen we al onze voorbije levens in omgekeerde volgorde en we worden pas wakker wanneer we bij het allereerste aangekomen zijn. Dat gebeurt zelfs, voegt Rudolf Steiner er monkelend aan toe, wanneer we tijdens een voordracht even indommelen. 

Maar als ons Ik ’s morgens nog maar in onze tenen zit, hoe kunnen we ons dan al klaarwakker voelen? Het antwoord op die vraag luidt: omdat er in de geestelijke wereld andere wetten heersen dan op aarde. In de fysieke wereld kan iets maar op één plek zijn, in de geestelijke wereld is een geest overal. Zodra ons Ik in onze tenen kruipt, is het werkzaam en voelbaar in ons hele lichaam. Dezelfde alomtegenwoordigheid doet zich ook voor na het inslapen, bij het beleven van onze voorbije levens. Die spelen zich niet af in de tijd, anders zouden we ze nooit allemaal kunnen doorlopen tijdens een hazenslaapje. Waarschijnlijk treden ze op als een soort tableaux vivant zoals we dat ook na onze dood te zien krijgen. En daarin kunnen we ons vrij bewegen, want er is geen ruimte of tijd in de geestelijke wereld. Omdat ons denken aan de aarde gebonden is, kunnen we ons dat moeilijk voorstellen, maar het verklaart wel waarom ons bewustzijn ’s morgens meteen overal is, ook al zit ons Ik pas in onze grote teen. 

Hetzelfde geldt voor ons hoger bewustzijn: hoe weinig we er ook van realiseren, de werking ervan laat zich voelen in onze hele lichaam. Om te beginnen is dat ons astrale lichaam, waar ons denk- en gevoelsleven zich afspeelt. Dat ondergaat onmiskenbare veranderingen, ook al worden ze pas geleidelijk merkbaar. Die veranderingen beïnvloeden op hun beurt ons etherische lichaam en ons fysieke lichaam, al valt daar weinig of niets van te merken. Vooral met het fysieke lichaam maken we deel uit van de aarde, die ons gemeenschappelijke lichaam is, het mensheidslichaam. Wat het levende denken aan ons eigen lichaam doet, doet het dus aan de hele wereld. Dat geldt uiteraard ook voor het dode denken. Zelfs zonder dat we het in daden omzetten, werkt het verstarrend, verhardend en ziekmakend op onze medemensen, op de samenleving, op de natuur, op het klimaat. Al houden we op de natuur geweld aan te doen, gezond kan ze pas weer worden als ook ons denken tot leven komt. 

En dat dient stapsgewijs te gebeuren. Eerst moet het imaginatieve denken ontwikkeld worden, daarna het inspiratieve denken en ten slotte het intuïtieve denken. Deze stappen komen overeen met denken, voelen en willen. Aangezien ze zich in onze (geestelijke) zieleruimte afspelen, zijn ze er altijd alledrie tegelijk. Zoals je niet kunt denken zonder ook te voelen en te willen (en omgekeerd), zo bestaat er ook geen imaginatief denken zonder inspiratief en intuïtief denken: ze horen samen, ze vormen één geheel. Maar de menselijke ziel is ook gebonden aan de aarde, ze is in tijd en ruimte geplaatst, en dat betekent dat denken, voelen en willen niet alleen duidelijk onderscheiden kunnen worden (ruimte) maar ook dat ze zich in een welbepaalde volgorde ontwikkelen (tijd). Keren we deze volgorde om en vermengen de drie gebieden zich, dan ontstaat er chaos. Hetzelfde geldt voor de imaginatie, de inspiratie en de intuïtie: we moeten ze duidelijk van elkaar onderscheiden en we moeten ze één voor één ontwikkelen.

Doen we dat niet, dan struikelen we over onze eigen voeten en komen geen stap verder. Dat is wat momenteel gebeurt. We maken steeds minder onderscheid tussen denken, voelen en willen. Wat we een gevoel noemen, is maar al te vaak een oordeel, en wat we een gedachte noemen is vaak niet meer dan een mening, dat wil zeggen een gevoel dat onder woorden is gebracht. Dat gevoel wordt dan weer in hoge mate bepaald door de idealen die we koesteren, door datgene wat we willen. Denken we maar aan het begrip ‘racisme’ dat steevast gepaard gaat met hevige emoties die zelden in de werkelijkheid wortelen maar des te meer in het ideaal van Alle Menschen werden Brüder. Denken, voelen en willen vormen in toenemende mate een kluwen dat chaos veroorzaakt. Niet het grote broederschapsideaal is daar verantwoordelijk voor, maar het feit dat we het ideaal niet onderscheiden van de voorstellingen die we ervan maken, noch van de gevoelens die het in ons opwekt. 

Denken, voelen en willen ontwikkelen zich ook in de tijd. Als kind ontplooien we eerst onze wil, daarna ons gevoel en ten slotte ons denken. Wordt die natuurlijke volgorde omgekeerd doordat we al in de kleuterklas leren denken nog voor onze wil en ons gevoel ontwikkeld zijn, dan ontstaan de ontwikkelingsstoornissen die vandaag zoveel problemen veroorzaken. Ook ons hoger bewustzijn dient in de juiste volgorde ontwikkeld te worden, en dat des te meer naarmate het de geest benadert, want die doet imaginatie, inspiratie en intuïtie ineenvloeien. Eigenlijk zijn niet wij het die de geest benaderen, het is de geest die ons benadert en die ons denken weer tot leven wekt. Rudolf Steiner voorspelde dat we op natuurlijke wijze weer helderziend zouden worden, dat wil zeggen zonder dat we er iets voor hoeven te doen. Op dezelfde manier zullen we ook helderhorend en helderwillend worden. Dat hangt niet van onszelf af, het is de wil van de geest. Maar het is wel de bedoeling dat we er onze wil van maken.

We leven op het Keerpunt der Tijden, de hele mensheidsontwikkeling keert zich om. Het geleidelijk inslapen voor de geest verandert nu in een geleidelijk ontwaken voor de geest. Dat is – net als het gewone inslapen en ontwaken – een kosmische beweging, een beweging van de wereldgeest. Wij kunnen daar als mens niks aan doen. Of we het nu willen of niet, we zullen ontwaken voor de geest en ons denken zal opnieuw tot leven komen. Maar of dat ontwaken ons tot heil zal strekken dan wel ons tot waanzin drijven, dat hangt wel van onszelf af. Tot aan het Keerpunt der Tijden werden we geleid door de geestelijke wereld. Die heeft zich nu teruggetrokken en we staan op eigen benen. Deze pasverworven vrijheid brengt echter grote gevaren met zich mee, want de tegenmachten zien hun kans schoon, niet om de ontwikkeling van ons hoger bewustzijn te verhinderen (want dat kan niemand), maar om ze in de war te sturen, om ze tegen zichzelf te keren en er een lager, dierlijk bewustzijn van te maken. 

Dat doen ze paradoxaal genoeg door de ontwikkeling van ons hoger bewustzijn te stimuleren en te versnellen. Lucifer maakt ons denken dromeriger en gevoelsmatiger, zodat het meer geest kan opnemen. Hij breekt de harde, starre vormen van ons dode denken af, maakt het weker, doet grenzen en onderscheidingen vervagen. Ahriman van zijn kant perst de tijd als het ware samen. Hij verleidt er ons toe de hele toekomstige ontwikkeling nu reeds te willen realiseren. Dat komt erop neer dat de geest – waarvoor Lucifer ruimte schept – gematerialiseerd wordt, opgesloten in de harde, starre vormen van het dode denken. Die bezwijken vervolgens onder dit ‘geestelijk geweld’, vallen in stukken uiteen en gaan tot ontbinding over. Als de mens zijn verstand niet wil verliezen, als hij niet overspoeld wil worden door dwingende imaginaties en stemmen die hem tot slaaf maken van de tegenmachten, als hij wil verhinderen dat ze zijn Ik uitdrijven en diens plaats innemen, dan moet hij op de rem gaan staan, dan moet hij zijn denken vertragen.

De gevolgen van dit versnelde, bezeten denken vallen in onze tijd duidelijk waar te nemen. Rudolf Steiner waarschuwde er reeds voor. De gevaren van helderhorendheid (inspiratie) zijn nog veel groter dan die van helderziendheid (imaginatie), en het behoort tot de akeligste dingen die hij gezegd heeft dat er steeds meer mensen zouden verschijnen die geen mensen meer zijn, die geen Ik bezitten maar louter instrument van de tegenmachten zijn. Wie de Social Justice Warriors aan het werk ziet, kan zich niet van de indruk ontdoen dat hij het had over dit soort agressieve, voor geen rede vatbare en door angst gedreven wezens. Hoe dan ook, het is huiveringwekkend om te zien hoe steeds meer mensen tekenen van bezetenheid vertonen, hoe ze niet helder meer kunnen denken, hoe hun gevoelsleven overspoeld wordt door dierlijke driften. Het is alsof ze innerlijk aan het desintegreren zijn. Het gaat dan ook steeds meer om wat Bernard Lievegoed ‘de redding van de ziel’ noemde.

Op de achtergrond van dit aardse drama staat een kosmisch drama. Toen Christus op aarde kwam, bleef Michaël achter op de zon om daar de kosmische intelligentie te beheren, de scheppende kracht van het Woord. Dit moeilijk te vatten begrip kan misschien nog het best omschreven worden als ‘de harmonie der sferen’. In ieder geval, toen Christus op aarde zijn leven had geofferd, bracht Michaël ook een offer in de hemel: hij deed afstand van de kosmische intelligentie en gaf ze in handen van de mensheid. Hij liet ze, zoals Rudolf Steiner het beschrijft, langzaam neerdruppelen op aarde, als een langzaam sterker wordende regenbui. De kosmische intelligentie schoot wortel in de hersenen van de mens, die voor het eerst in zijn bestaan zelf begon na te denken. Aanvankelijk waren slechts enkelingen daartoe in staat, maar geleidelijk werden het er meer en meer, en vandaag beschouwen we het als vanzelfsprekend dat iedereen voor zichzelf kan denken. 

Lang niet alle engelen gingen akkoord met het besluit van Michaël, er ontstond zelfs onenigheid in de hemel. Als we zien wat er vandaag op aarde gebeurt, kunnen we dat maar al te goed begrijpen. De kosmische intelligentie is bijna helemaal in handen van de tegenmachten gevallen en dat heeft hen een enorme macht gegeven die zelfs doorwerkt tot in de geestelijke wereld. Michaël, die net als Christus zijn lot verbonden heeft met dat van de mens, wacht nu tot deze hem de intelligentie weer ter hand stelt zodat hij de ontwikkeling ervan in goede banen kan leiden. Hij kan de mens maar helpen als deze hem tegemoet komt en zelf het initiatief neemt. Dat betekent dat het lot van de aarde – en tot op zekere hoogte ook van de geestelijke wereld – in onze handen ligt. Daarom hamerde Rudolf Steiner er steeds weer op dat we wakker moeten worden, want hoe weinig Michaël ook kan doordringen in ons denken, zijn werking wordt gevoeld in heel de wereld, ook de geestelijke.

Ons denken weer ter beschikking van Michaël stellen, betekent de ontwikkeling ervan vertragen, ze onttrekken aan de vergeestelijking van Lucifer en de versnelling van Ahriman. Een denken dat de kracht niet bezit om die (geestelijke) snelheid te volgen, struikelt voortdurend over zijn eigen voeten, komt geen stap vooruit en zakt ten slotte uitgeput in elkaar. Het slaagt er niet in zich een duidelijk beeld te vormen van de geest die zich in ons bewustzijn kenbaar wil maken en in plaats daarvan treden vage imaginaties op die veel dwingender zijn dan de heldere begrippen van ons dode denken. Pas wanneer we deze onbewuste ‘visioenen’ doordringen met abstracte gedachten nemen ze een duidelijke vorm aan en kunnen we een vrije relatie aangaan met de geest die er zich in uitdrukt. Tegelijk krijgen die gedachten een innerlijke samenhang die ze nu niet meer hebben. Het tot leven wekken van het denken impliceert dus een wederzijdse toenadering van mens en geest, van dood denken en levend denken.   

De Tuin van Heden (3)

  

 

Mijn nieuwe leven in Scheldewindeke staat in het teken van mijn tuin. Als de winter ten einde loopt en het weer het toelaat, ga ik naar buiten en begin in de grond te wroeten. Zoals de meeste mensen ben ik blij dat het lente wordt, dat het zonnetje schijnt, dat alles weer begint te groeien. Dat was vroeger wel anders. Ieder jaar bad ik weer: Heer, laat deze lente aan mij voorbijgaan, laat het alsjeblieft nog wat langer winter blijven! Het deed pijn om alles tot leven te zien komen maar zelf gevangen te zitten in een dode, verstarde wereld. Sinds ik een tuin heb, is daar verandering in gekomen. Ik sta nu niet langer aan de kant, ik ben geen machteloze toeschouwer meer. Ik neem deel aan de lente, ik ben medewerker geworden, medeschepper. Ik spit, ik rakel, ik wied, ik snoei, ik zaai, ik plant, ik giet en ik maai. Mijn karma heeft het zo geregeld dat ik op mijn oude dag de stap zet van winter naar lente, van toeschouwer naar deelnemer, van wetenschap naar kunst zeg maar. 

Die stap is niet nieuw, ik heb hem al eerder gezet. Toen ik als elfjarig jongetje aan de hand van mijn vader (notabene een verwoed tuinier) de trappen van de Mechelse academie besteeg, zette ik een stap van de gewone school, waar de wetenschap regeerde, naar een school waar alles in het teken van de kunst stond. Tijdens de week luisterde ik braaf naar de meester, ’s zondags ging ik zelf aan de slag. Op school liet ik mijn hoofd vullen met gedachten, aan de academie stak ik de handen uit de mouwen. Het waren twee totaal verschillende scholen, twee totaal verschillende werelden. Aanvankelijk was de kloof niet zo groot. Pas na de lagere school werd ze voelbaar. Het onderwijs werd alsmaar wetenschappelijker en mijn afschuw van cijfers, getallen en formules werd alsmaar groter. Het tekenen van lijnen, vormen en vlakken daarentegen vervulde me met steeds meer vreugde. In mijn herinnering was het dan ook altijd lente aan de academie. Ik kon er ongestoord groeien en bloeien. 

Tweeëntwintig jaar later zette ik dezelfde stap opnieuw, dit keer alleen en uit vrije wil. Ik keerde het gewone, door wetenschap beheerste leven voorgoed de rug toe en begon aan een nieuw leven, een leven voor de kunst. Ik bevrijdde mezelf uit de gevangenis waarin ik zolang opgesloten had gezeten en keerde terug naar de wereld waar ik me altijd zo vrij had gevoeld. De winter was voorbij, het werd weer lente. Ik tekende alsof m’n leven ervan afhing. En dat was ook zo, mijn ziel was op sterven na dood geweest. Nog eens 30 jaar later, zou ik diezelfde stap voor de derde keer zetten. Ik verliet een geasfalteerde wereld vol drukte en lawaai, en verhuisde naar een groene wereld van rust en stilte. Het was dezelfde rust en stilte die ik had leren kennen aan de academie en die een uitdrukking was van intense, scheppende activiteit. Dit keer ging het echter niet om de scheppende activiteit van de kunst, maar om de scheppende activiteit van de natuur en de mens die haar bewerkt. 

Drie keer heb ik in mijn leven de stap gezet van wetenschap naar kunst, van winter naar lente, van gevangenschap naar vrijheid. De eerste keer was ik nog een kind en werd ik bij de hand genomen door mijn vader. De tweede keer was ik volwassen en besliste ik zelf. De derde keer was ik gepensioneerd en besliste het lot. Deze drie stappen hebben mijn leven bepaald, meer zelfs, ik kan me dat leven niet voorstellen zonder deze drie grensoverschrijdingen, deze drie verhuizingen naar een andere wereld. Van de laatste stap kan ik nog niet veel zeggen, ik heb hem pas gezet. Maar beide vorige hebben mijn leven gered, daar twijfel ik niet aan. Zonder de lente van de kunst zou ik bezweken zijn aan de winter van de wetenschap. Mijn ziel zou doodgevroren zijn. Kunst en wetenschap zijn voor mij als leven en dood. Ze zijn mijn Stirb und Werde, mijn kruisiging en opstanding. Aan de wetenschap sterf ik, in de kunst verrijs ik. Die metamorfose vormt het oerbeeld van mijn leven. 

Maar ook de omgekeerde beweging – van kunst naar wetenschap – maakt deel uit van die metamorfose. Ook die stap heb ik drie keer gezet in mijn leven en telkens gebeurde dat door een duidelijke ingreep van het lot. Normalerwijze had ik na de lagere school in het kunstonderwijs terecht moeten komen. Tekenen was het enige wat me interesseerde en mijn schoolresultaten gingen steil bergaf. Slechts door een onwaarschijnlijke samenloop van omstandigheden haalde ik mijn humanioradiploma en kwam daarna aan de universiteit terecht. Daar herhaalde de geschiedenis zich: het lot greep in. Ik herinner mij nog altijd de lachbui die me overviel toen ik in de tweede kandidatuur 53 procent van de punten haalde zonder één enkel herexamen. Hier waren hogere krachten in het spel, daar twijfelde ik niet aan. Ik besloot dan ook mijn tijd niet langer te verspelen door naar de les te gaan, het stond toch in de sterren geschreven dat ik mijn diploma zou halen. En zo gebeurde het ook. 

Door middel van een reeks ongelooflijke kunstgrepen dreef het lot mij naar de hel van de wetenschap. Maar in die diepe duisternis begon een licht te stralen: ik ontmoette aan de universiteit mijn vrouw en (daardoor ook) de antroposofie. Het was toen lang nog niet zeker of dat licht zou standhouden. Het zou bijvoorbeeld nog jaren duren voor ik toegang vond tot de antroposofie. Pas toen ik radicaal brak met mijn oude leven en onvoorwaardelijk koos voor de kunst, werd de ban van de duisternis verbroken. De lange winter was voorbij, maar dat betekende nog niet dat de kou overwonnen was. Het werd niks met mijn artistieke carrière. Hoe hard ik ook werkte, ik kwam geen meter vooruit. Toch twijfelde ik geen moment aan de stap die ik gezet had. Nooit zou ik nog terugkeren naar mijn oude leven, naar die doodse, door wetenschap beheerste wereld. Maar als ook de wereld van de kunst geen uitzicht bood, waar moest ik dan heen? Het werd opnieuw donker rondom mij. 

Maar ook nu begon er weer een licht te stralen in de duisternis. Het was hetzelfde licht als de eerste keer, maar in een geheel andere gedaante. Ik herkende het niet meteen. Pas later drong het tot me door dat ik de antroposofie had zien verschijnen in de vorm van een kunstwerk dat me trof tot in het diepst van mijn ziel. Die ervaring zou voor de tweede keer een wetenschapper van me maken, want ik wilde de beelden begrijpen die zo’n diepe herkenning in mij hadden teweeggebracht. Ik realiseerde me dat ik nog nooit echt had nagedacht in mijn leven. Pas nu ondervond ik wat wetenschappelijk denken was, en tot mijn grote verbazing vernietigde het de kunstzinnige beleving niet. Wel integendeel, het bevruchtte ze, het complementeerde ze, het bevestigde wat ik gevoelsmatig had waargenomen. Tijdens die zomer van mijn leven beleefde ik de – onmogelijk geachte – eenheid van denken en voelen, van wetenschap en kunst, de  coïncidentia oppositorum

De kunst laat dezelfde geest in de cultuur stromen die ook aan de basis ligt van de antroposofie. Het komt van twee kanten en zo moet men het leven ook zien.’ Dat was, in de woorden van Rudolf Steiner, waar ik getuige – maar ook deel – van was tijdens de zonnewende van mijn leven. Ik beleefde de ontmoeting van kunst en (geestes)wetenschap, en dat vervulde mijn hele wezen. Maar de vreugde bleef niet duren want ik kon ze met niemand delen. De antroposofen herkenden de antroposofie niet die hen in kunstzinnige tegemoet kwam. Wat hebben wij daarmee te maken? haalden ze hun schouders op. Hoe durfde ik zoiets beweren!  reageerden sommigen verontwaardigd. Hun onbegrip veranderde het hoogtepunt van mijn leven in een dieptepunt. Deze afwijzing van de antroposofie door antroposofen blijft de grootste ontgoocheling van mijn leven. Maar het was ook een confrontatie met mijn eigen onmacht: ik was niet in staat het hen uit te leggen. Ik kon de beelden van de kunst nog niet vertalen in woorden. Ik was een beginneling, een amateur-wetenschapper. 

De ontmoeting met de antroposofie-in-beelden maakte een wetenschapper van me, zij het niet in de klassieke betekenis van het woord. Had ik vroeger aan de universiteit, dik tegen mijn zin nagedacht over literatuur, dat wil zeggen over woorden, dan dacht ik nu met hart en ziel na over kunst, dat wil zeggen over beelden. Dit ‘wetenschappelijk onderzoek’ bracht de antroposofie tot leven en ik hield het zo’n 12 jaar vol. Toen was mijn bobijntje af. Ik raakte niet meer verder en besloot terug te keren naar de kunst. Na al dat denken had ik behoefte aan kleur en ik begon te schilderen. Voor de derde keer in mijn leven zette ik de stap van wetenschap naar kunst, en tegelijk de stap van zwart-wit naar kleur. Het werd een enorm gevecht met de materie, een gevecht dat ik vroeger al twee keer had verloren en dat me meer dan eens tot wanhoop dreef. Maar ik hield vol en de derde keer bleek de goede keer te zijn. Het voelde als een overwinning.

Maar het was slechts een begin. Als ik wilde doorgaan met schilderen moest er geld in het laatje komen, want verf en doek zijn duurder dan papier en potlood. Ik ging op de markt in Brugge staan, voorwaar geen geringe stap voor iemand die zijn hele leven far from the madding crowd was gebleven. Gelukkig zat ik aan het water, onder de bomen, in het centrum van een stad die één groot kunstwerk is en ik voelde er mij dan ook thuis, al bleef het handeldrijven me vreemd. Brugge werd een heel dubbele ervaring. De stap van binnen naar buiten, van de (geestelijke) wereld van kunst en wetenschap naar de (materiële) wereld van handel en mensen, vervulde me met vreugde. Voor mij was het een ongekend gevoel ‘op aarde’ te komen, met beide voeten op de grond staan en onder de mensen te zijn. Daarom sneed het me door de ziel toen mijn marktloopbaan op een mislukking uitdraaide en ik de plek waar ik zo hard voor gewerkt had weer moest verlaten. 

In een ultieme poging om de zaak te redden, besloot ik opnieuw karikaturen te gaan tekenen. Daar had ik altijd succes mee gehad en Brugge, met zijn duizenden toeristen, leek er de ideale plek voor. Ik verheugde me erop weer te kunnen doen wat ik altijd het liefst gedaan had. Het kwam me ook voor als een teken: schoenmaker, blijf bij je leest! Tot mijn ontsteltenis botste ik echter op een muur van onverschilligheid. Hij was zo ondoordringbaar dat ik hem eveneens als een teken beleefde: sla deze weg niet in! Maar waarom? In een wanhopige poging om te begrijpen wat er gebeurde, kwam ik tot de onverwachte conclusie dat het Michaël was die me de weg versperde. Ik begreep dat hij ook degene was geweest die me vroeger verhinderd had de weg van de kunst in te slaan. Ik wist dat die wegversperring me ervoor behoed ten onder te gaan met de kunst en opgeslokt te worden door de Charybdis van onze tijd. Liep ik dat gevaar dat gevaar dan opnieuw of was er iets anders aan de hand? 

Hoe pijnlijk de botsing met Michaëls no pasaran ook was, diep in mijn hart wist ik dat Brugge me in een doodlopend straatje terecht had doen komen. Maar waarom had het lot me daar dan naartoe gevoerd? Het beeld dat nu in me opkomt, is dat van het labyrint. Net als je middelpunt van deze doolhof lijkt te bereiken, moet je terugkeren naar de buitenkant, waarna die beweging zich in omgekeerde zin herhaalt tot je uiteindelijk het doel bereikt. In mijn geval gebeurde dat tijdens de zomer van ’92, nel mezzo del camin di nostra vita, toen kunst en (geestes)wetenschap één werden en ik als het ware opnieuw geboren werd. Daarna begon dezelfde beweging opnieuw, de pendelbeweging tussen middelpunt en omtrek van het labyrint. Brugge was een herhaling van wat ik in mijn jeugd in Mechelen had meegemaakt. Ook daar, in die oude, historische stad (die ooit, net als Brugge, door tal van reien werd doorkruist) had Michaël mij zwijgend de weg naar de kunst versperd.

Als gevolg daarvan was ik aan de universiteit terechtgekomen en ook die geschiedenis herhaalde zich na Brugge. Out of the blue kreeg ik de vraag om enkele voordrachten te geven aan de antroposofische zomeruniversiteit. Ik had nog nooit voor een publiek gesproken en de gedachte alleen al joeg me de stuipen op het lijf. Maar het onderwerp – oude en jonge zielen – lag me nauw aan het hart en ik vond dat ik deze kans niet mocht laten liggen. Het zielenthema was een spiegelbeeld van het kunstwerk dat ik als de antroposofie-in-beeld had herkend, en het deelde ook hetzelfde lot: het werd door de antroposofische wereld miskend en genegeerd. De enige keer dat ik er een voordracht over hoorde, werd ex cathedra verkondigd dat antroposofen zich niet met dit thema horen in te laten. Toen mij onverwachts de gelegenheid werd geboden iets over te zeggen over deze afwijzing van de antroposofie door antroposofen, aarzelde ik slechts kort. De stap-naar-buiten die ik in Brugge had gezet, zou een vervolg krijgen. 

Ik overleefde ook deze tweede stap-in-de-openbaarheid, en er volgde nog een derde. Ik werd uitgenodigd om een werkgroep te leiden op de Lichtbaken-conferentie in Antwerpen. Daar bespeurde ik de werking van Michaël nog duidelijker dan in Brugge. Maar hier maakte hij het omgekeerde gebaar: in plaats van me de weg te versperren, heette hij me welkom, op zijn eigen zwijgende maar hartverwarmende manier. Het begon me langzaam te dagen dat hij me nooit de weg versperd had. Integendeel, hij had me de weg gewezen door het labyrint van mijn leven en hij had ervoor gezorgd dat ik niet uit de bochten vloog. De derde bocht van kunst naar wetenschap, viel nagenoeg samen met mijn verhuizing naar Scheldewindeke, en dat was eveneens een stap-naar-buiten. Onmiddellijk na afloop van de conferentie in Antwerpen ging ik aan de slag in mijn nieuwe tuin en beleefde daar de mooiste lente van mijn leven. En terwijl ik die half verwilderde tuin fatsoeneerde, begon ik ook orde te scheppen in de warboel van mijn levensherinneringen: ik ging op karma-onderzoek.   

Antroposofie en karmabewustzijn (2)

  

Na zowat zijn hele leven besteed te hebben aan Julius Schröers levenstaak – de antroposofie – kon Rudolf Steiner na afloop van de Weihnachtstagung eindelijk aan zijn eigen opgave beginnen: karma en reïncarnatie. Daarvoor restten hem nog slechts 9 luttele maanden en dus moest hij zich beperken tot het meest essentiële. Dat bleek de relatie tussen oude en jonge zielen te zijn. Hij onthulde dit thema, dat als een rode draad door de karmavoordrachten loopt, tijdens de laatste zomer van zijn leven en hij deed dat heel voorzichtig. Hij sprak zelfs van een ‘intermezzo’, want hij had meer dan eens ondervonden hoe onoverkomelijk de weerstanden waren tegen karmabewustzijn. Maar dit keer zette hij door. Hij kon niet langer wachten tot zijn toehoorders er klaar voor waren. Het was nu of nooit. En bijna was het nooit geweest, want Rudolf Steiner had de Weihnachtstagung ternauwernood overleefd. De tegenmachten hadden er werkelijk alles aan gedaan om hem het spreken te beletten. 

Wat was er zo bedreigend aan dit karma-inzicht? Waarom wilden de tegenachten het met alle mogelijke middelen tegenhouden? Want ook na de dood van Rudolf Steiner gingen ze zo te keer dat het thema van de oude en de jonge zielen geen kans kreeg om door te dringen tot het antroposofische bewustzijn. En daar is tot op de huidige dag geen verandering in gekomen. De hardnekkigheid waarmee het zielenthema genegeerd wordt, doet onwillekeurig denken aan het geheim van de twee Jezuskinderen. Ook dat is tot op heden niet boven water gekomen, hoewel het duidelijk op te maken valt uit de twee verschillende geboorteverhalen en de twee verschillende stambomen in de bijbel, nochtans het meest bestudeerde boek ter wereld. Alleen in de antroposofische wereld kent men dit geheim, maar daar wordt het dan weer zorgvuldig gescheiden gehouden van het eigen karma. Het zijn dus geen geringe krachten die zich tegen het zielenthema keren en daar moeten ze een goede reden voor hebben. 

De belangrijkste gebeurtenis in de geschiedenis van de mensheid – de menswording van Christus – werd mogelijk gemaakt door de vereniging van de oude solomonische Jezusziel en de jonge nathanische Jezusziel. In onze tijd vindt de op één na belangrijkste gebeurtenis plaats – de wederkomst van Christus – en die mag volgens Rudolf Steiner onder geen beding verslapen worden. Dat zou het ergste zijn wat de mensheid kan overkomen. Om dat onheil af te wenden is de antroposofie in het leven geroepen en dat werd mogelijk gemaakt door – opnieuw – de vereniging van een oude en een jonge ziel. De antroposofie werd geconcipieerd door Julius Schröer en Rudolf Steiner, een oude en een jonge ziel. Aan de wieg van de beweging stonden Marie von Sivers en Rudolf Steiner, een oude en een jonge ziel. En tijdens de Weihnachtstagung werd de vereniging heropgericht dankzij de samenwerking van Ita Wegman en Rudolf Steiner, andermaal een oude en een jonge ziel.  

Zonder deze samenwerking van een oude en een jonge ziel is de antroposofie eenvoudig niet denkbaar. Hun twee-eenheid is de alfa en de omega van de antroposofie, het oerbeeld, het kloppende hart. Zo kwam het ook tot uitdrukking in de twee (in elkaar schuivende) koepels van het eerste Goetheanum. De tegenmachten konden de antroposofie niet dieper treffen dan door dit oerbeeld te verwoesten, zowel uiterlijk (ze staken het Goetheanum in brand) als innerlijk (ze dreven een wig tussen oude en jonge zielen). Zo verhinderden ze de vereniging van twee complementaire vormen van bewustzijn: het (oude) ‘antroposofische’ bewustzijn en het (jonge) ‘karmabewustzijn’. Daardoor kon echter ook het Christusbewustzijn niet ontstaan. Zonder antroposofie geen karmabewustzijn, zonder karmabewustzijn geen Christusbewustzijn. Op die manier onttrokken de tegenmachten de wederkomst van Christus aan het moderne bewustzijn en riepen ze stap voor stap het grootste onheil over de mensheid af. 

De eerste – en in zekere zin belangrijkste – stap in deze onheilsgeschiedenis was het saboteren van Julius Schröers opdracht: het ontwikkelen van de antroposofie. Als gevolg daarvan zag Rudolf Steiner zich genoodzaakt Schröers levenstaak over te nemen, want zonder antroposofie kon hij ook geen inzicht in karma en reïncarnatie ontwikkelen. Hij moest zijn eigen levensopdracht uitstellen en toen hij er eindelijk kon aan beginnen, sloegen de tegenmachten opnieuw toe. Ze hadden het Goetheanum in de as gelegd en daarmee het lot van de antroposofische vereniging bezegeld. Maar Rudolf Steiner liet zich niet uit het veld slaan en richtte de vereniging opnieuw op. Dus troffen ze hem een tweede keer, onmiddellijk na de Weihnachtstagung. Ook die aanslag overleefde hij, en onmiddellijk na zijn dood sloegen ze een derde keer toe. Ze staken de antroposofische beweging in brand, daarna Duitsland en ten slotte heel Europa. 

Op die manier ontwikkelde een kleine vonk – het uitschakelen van Julius Schröer – zich tot een uitslaande wereldbrand. Uit de assen is de wereld opnieuw verrezen, maar zijn ruggegraat is gebroken. De antroposofische inzichten zijn na 100 jaar nog altijd niet doorgedrongen in de beschaving. Hetzelfde geldt voor het karmabewustzijn in de antroposofische wereld. En van de samenwerking tussen platonici en aristotelici – die de antroposofie tot bloei had moeten brengen en de beschaving van de ondergang redden – is niets te merken geweest. Rudolf Steiners deadline was dan ook nog maar pas verstreken of Sorat stak zijn monsterachtige kop op. En sindsdien gaat het in sneltreinvaart bergaf. Iedere dag duiken er nieuwe ontbindingsverschijnselen op die duidelijk maken dat de onze beschaving ten onder gaat. Ja, de tegenmachten hebben hun werk grondig gedaan. Ze wisten precies wat ze moesten doen om het Christusbewustzijn te verhinderen en het grootste onheil over de mensheid te brengen. 

Tegen deze tegenmachten had Michaël ‘in de hemel’ strijd geleverd. Aan het eind van de 19de eeuw had hij ze overwonnen en ‘op aarde’ geworpen. Daar ontketenden ze een ongeziene katastrofe die nog altijd voortduurt en de mensheid met verstomming slaat. De opgave van de antroposofische beweging bestaat erin deze verstomming te doorbreken en wakker te worden voor wat zich in deze apocalyps wil openbaren: de wederkomst van Christus. Sinds het aflopen van de 20ste eeuw – de deadline van Rudolf Steiner – heeft die opgave het karakter van een keuze gekregen: zien we de mislukking van de antroposofie onder ogen of doen we verder alsof er niks aan de hand is? De situatie doet onwillekeurig denken aan de Hof van Olijven waar Christus worstelde met de dood en aan zijn leerlingen vroeg om met hem te waken. Maar ze vielen in slaap. Ze waren niet in staat de ‘mislukking’ van hun Meester onder ogen te zien en sloten er hun bewustzijn voor af. 

De Weihnachtstagung van 1923 vormde het begin van het lijden en sterven van Rudolf Steiner. De vertaling van de oude mysteriën (Schröers opdracht) was voltooid en er bleven slechts 9 maanden over om de nieuwe mysteriën (zijn eigen levenstaak) te ontwikkelen. Dus concentreerde hij ze in een Grondsteen die hij ‘in de harten van de aanwezigen’ legde, in de hoop dat dit zaadje zich zou ontwikkelen tot een nieuwe tempel. Die ‘aanwezigen’ bedoelde hij niet enkel in letterlijke zin. Toen hij na afloop van de kerstbijeenkomst verklaarde het jammer te vinden dat een bepaalde leerling er niet bij was geweest, antwoordde men hem: o, maar hij was er wel degelijk, we hebben hem gezien! Rudolf Steiner bleef echter bij zijn eerste verklaring en legde uit dat men wel ergens fysiek kan zijn, maar daarom nog niet ‘aanwezig’ is. Het volstond niet om de Grondsteenspreuk (fysiek) te horen, ze moest in de eerste plaats (geestelijk) opgenomen worden ‘in het hart’. Men moest er wakker voor zijn, men moest er met heel zijn wezen ‘aanwezig’ voor zijn.

Die wakkerheid was er niet, of toch niet in voldoende mate om Rudolf Steiner het leven te redden. Hij slaagde er weliswaar nog in om het zaadje van de Weihnachtstagung tot ontkieming te brengen en het geheim van de oude en de jonge zielen te onthullen, maar toen kon hij niet meer verder. De rest moest hij aan zijn leerlingen overlaten. Hoe dat verliep, is bekend. De woede van de tegenmachten brak over hen uit en ze verloren hun bezinning. De antroposofische beweging werd lam geslagen, eerst door wat zich binnen haar grenzen afspeelde en daarna door wat ook daarbuiten gebeurde. Inmiddels heeft ze zich daarvan hersteld, althans uiterlijk, want innerlijk ligt er een cordon sanitaire van angst en schaamte rond het pas ontkiemde zaadje: schaamte over het falen van de beweging en angst dat het opnieuw zou kunnen gebeuren. Deze ‘doornhaag’ houdt het antroposofische bewustzijn sindsdien op veilige afstand van het zielenthema en belet de verdere ontwikkeling ervan.  

Toen Rudolf Steiner stierf, is de antroposofische beweging in slaap gevallen. Vandaag, bijna 100 jaar later, bestaat ze nog altijd en wordt er veel gedacht en hard gewerkt. Maar men is niet echt wakker, men is niet echt aanwezig. De tegenwoordigheid van geest ontbreekt. Dat kan men aflezen aan het kwijnende bestaan dat de antroposofie leidt, aan haar onvermogen om de brug te slaan naar de moderne wereld, naar de moderne jeugd. Men kan het ook opmaken uit de blinde vlek in het antroposofische bewustzijn. Na al die jaren – het is bijna een eeuw geleden – blijft men nog altijd doof voor de laatste, dringende oproep van Rudolf Steiner om na te denken over het zielenthema, om deze kiem van karmabewustzijn verder te ontwikkelen. Zolang men daar geen gevolg aan geeft en innerlijk ontwaakt, kan de antroposofie ook uiterlijk niet in beweging komen. Ze blijft de gevangene van de tegenmachten die als in slagorde rond haar opgesteld staan. Want zij willen niet dat deze schone slaapster wakker wordt. 

Lichtbaken (epiloog)

  

Als het niet zo ernstig klonk, zou ik zeggen: het is volbracht. Eindelijk is mijn verslag van de Lichtbaken-conferentie klaar. Dat het zolang geduurd heeft, is te wijten aan mijn nieuwe tuin die me de voorbije lente zowat iedere dag opeiste, maar ook – en vooral – aan het feit dat het om méér ging dan een verslaggeving van (mijn aandeel in) de conferentie. Ik was, zonder dat aanvankelijk te beseffen, bezig met het afronden van het werk van een heel leven. Die ‘afronding’ begon toen ik uitgenodigd werd op de Lichtbaken-conferentie en nam een heel jaar in beslag. In dat jaar – waarin ik ook verhuisde – kwam ik stap voor stap tot een synthese van zowat een halve eeuw nadenken. De cirkel is, hoewel verre van volmaakt, rond. En dat zou me nooit gelukt zijn zonder de steun van wat ik ‘de geest van de conferentie’ noem, een geest die ik als zeer reëel heb ervaren. Hij hielp me de zaak tot een goed einde te brengen en gaf me daardoor de erkenning waarop ik niet meer hoopte. 

Waarover heb ik m’n hele leven nagedacht? Over kunst uiteraard, over datgene wat het allerbelangrijkste voor me is. Daar ben ik niet uit eigen beweging mee begonnen. Ik heb het gedaan omdat de kunst aangevallen werd. Mijn denken was een poging om haar te verdedigen tegen datgene wat zich hedendaagse kunst noemde. Dat is wat me van meet af aan gedreven heeft. In de praktijk kon ik niks doen. Achter haar masker van vrijheid en verdraagzaamheid ontplooide de hedendaagse kunst zo’n verpletterende macht dat het zelfmoord was je daartegen te verzetten. Ik kwam aanvankelijk dan ook niet verder dan machteloze verontwaardiging. Daar werd ik alleen maar ziek van en dus zat er niets anders op dan te proberen de hele situatie te begrijpen. Op een andere manier kon ik de kunst niet helpen, op een andere manier kon ik ook mezelf niet helpen. Dat is de reden waarom ik ben beginnen nadenken over kunst: omdat ik me ertoe gedwongen voelde.     

Zonder de hedendaagse kunst zou mijn leven er heel anders hebben uitgezien. Ik zou mijn dagen gevuld hebben met tekenen en schilderen, niet met schrijven en nadenken. Ik zou nu een gerespecteerd lid zijn van de artistieke gemeenschap en niet een anonieme blogger zoals er duizenden zijn. Ik zou in lijnen en kleuren getuigd hebben van mijn grenzeloze bewondering voor het kunstwerk dat de wereld is, in plaats van verwikkeld te zijn in een vaak wanhopige en altijd eenzame strijd. Want medestanders heb ik nooit gevonden, tegenstanders des te meer. In de ogen van de meeste mensen ben ik een soort Don Quichote, een deels meelijwekkende deels ergerlijke figuur die tegen windmolens vecht. Ik werd dan ook voortdurend geconfronteerde met de vraag: ben ik nu gek of zijn het de anderen die hun verstand verloren hebben? Die vraag vergde het uiterste van mij, want hoe groot was de kans dat ik gelijk had en al die anderen ongelijk? 

Tijdens die (geestelijke) strijd heb ik vaak de moed verloren, maar nooit heb ik echt getwijfeld aan de zaak waarvoor ik vocht. Ik was verbijsterd dat ik die strijd überhaupt moest voeren, want wie kon nu geloven dat het uitkieperen van een vuilnisbak op hetzelfde (of zelfs een hoger) artistiek niveau stond als het maken van een meesterlijk schilderij! En toch geloofden ze het allemaal, al die kunstliefhebbers, al die kunstkenners, al die wetenschappers. Slechts bij hoge uitzondering klonk er een woord van kritiek, maar dat werd onmiddellijk overstemd door dat duizendkoppige koor van gelovigen. Ik had het gevoel in een soort onderwereld te zijn terecht gekomen, een Orwelliaanse nachtmerrie waar leugen waarheid was, lelijkheid schoonheid, en blind geloof wetenschap. Het was – en is nog altijd – om gek van te worden. Daarom deed het me zo’n deugd om erkenning te krijgen van de geest van de Lichtbaken-conferentie, want hij zou me nooit gesteund hebben als ik de verkeerde strijd had gestreden. 

Wie was nu die geest van de Lichtbaken-conferentie, de geest die meewerkte aan de herdenking van 1917, het jaar waarin de apocalyps losbarstte, het jaar ook waarin de hedendaagse kunst geboren werd? Wel, dat vertelde hij me zelf, niet met woorden – het is een zwijgzame geest – maar met beelden, en dan vooral met één beeld. Toen ik op zaterdagmiddag naar de vierde verdieping vertrok om te doen waarvoor ik gekomen was, besloot ik de lift te nemen, teneinde niet al buiten adem te zijn nog voor ik moest beginnen. Tot mijn verbazing trof ik daar een … liftboy aan. Ik was meteen gecharmeerd door het idee en vernam naderhand dat de kleine Tilman (genoemd naar de 15de-eeuwse Duitse beeldhouwer Riemenschneider) zelf het initiatief genomen had. Toen ik de lift binnenstapte en me omdraaide, zag ik hoe de knaap met een klein handgebaar een bekende en vooraanstaande antroposofe tegenhield. Ze keek verwonderd op, maar protesteerde niet. Er ging een vanzelfsprekend gezag uit van de jongen. 

Hij sprak geen woord, glimlachte niet en was absoluut niet toeschietelijk. Toch sprak er niet de minste arrogantie of machtswellust uit zijn gedrag. Kinderlijke ernst en volwassen terughouding gingen harmonisch samen. De jonge Tilman leek te opereren vanuit een andere dimensie, een dimensie waar louter rust en zekerheid heersten. Het was die geestelijke sfeer die me trof, maar ik stond er niet bij stil, want ik was gefocust op mijn eigen opdracht. Pas later, toen ik er begon over na te denken, drong het tot me door dat ik (een beeld van) Michaël had ontmoet, de geest die de zielen weegt en bepaalt wie ‘omhoog’ mag en wie nog beneden moet blijven. Ik begreep ook dat het dezelfde geest was geweest die ik in Brugge had leren kennen. Ook daar had ik in een ‘lift’ had willen stappen – ik wilde schilderen, ik wilde met kleuren werken en niet langer alleen maar in zwart-wit – maar dit keer hield hij me tegen. Ik botste als op een muur die me duidelijk maakte dat ik deze weg niet moest vervolgen. 

Het was niet de eerste keer dat Michaël me tegenhield, maar het was wel de eerste keer dat ik begreep wie achter dat onverbiddelijke no pasaran zat. Meer dan eens heb ik in mijn leven het gevoel gehad dat de weg van de kunst mij op onverklaarbare wijze versperd werd, alsof de duivel ermee gemoeid was. Pas (veel) later kwam het inzicht dat deze wegversperring mij voor erger had behoed. En ‘erger’ was: het soort (geestelijke) krankzinnigheid dat mensen overvalt wanneer ze zich blind overgeven aan de geest van de hedendaagse kunst. Of er zich blind tegen verzetten, want dat komt op hetzelfde neer. Er is  geen kruid gewassen tegen deze geest, behalve inzicht in de kunst. En dat inzicht veronderstelt een tweedeling – als kunstenaar moest ik mij losrukken van de kunst en er denkend tegenover gaan staan – maar ook een vereniging – als denker moest ik mij verbinden met het kunstzinnige element en ‘levend’ leren denken. Het was op die dubbele beweging van scheiden en verbinden – de Ik-beweging – dat Michaël toezicht hield.

Inzicht in de kunst is inzicht in Christus, de scheppende geest bij uitstek. Niemand had er mij kunnen toe bewegen om me los te maken van deze geest, behalve dan zijn tegenstander, de Antichrist, de geest van de hedendaagse anti-kunst. Hij richtte zo’n verwoestingen aan in de wereld van de – vooral de beeldende -kunst, dat ik het niet langer kon aanzien. Alles wat ik kon doen, was inzicht verwerven in de kunst, mij bewust worden van de geest die in mij werkte als ik tekende of schilderde. Dat was meteen ook het allermoeilijkste, want daarvoor moest ik in de huid van de draak kruipen. Alleen op die manier kon ik tegenover de Christusgeest gaan staan. Ik moest dus net hetzelfde doen als al die intellectuelen die met hun kille verstand de kunst vernietigden, maar dan zonder het contact met de kunst te verliezen. Dat kon niet in één keer, het moest stap voor stap gebeuren, in een pendelbeweging die mij afwisselend verwijderde van de kunst en er mij weer mee verbond. 

Ik begrijp Michaël dan ook als degene die het ritme van deze pendelbeweging bewaakt. Hij komt in actie als het (al te zeer) verstoord dreigt te worden, zowel in ruimte als in tijd. Hij roept de mens een halt toe wanneer deze te ver in deze of gene richting gaat, wanneer hij te vroeg of te laat van richting verandert. Michaël is de grote stuurman, de geest die corrigerend optreedt en de mens weer op het goede spoor zet als hij het bijster is. Maar dat doet hij alleen als iemand zelf dat spoor gekozen heeft, als hij uit vrije wil de weg van het Ik gaat, dat pendelt tussen scheiden en verbinden, en deze polariteit nooit tot een dualisme laat verstarren. Michaël laat de mens vrij, dat maakt hem tot zo’n on-vaderlijke en on-populaire geest. Hij stimuleert niet, hij moedigt niet aan en troost niet. Hij waakt. Hij is de onvermurwbare Wachter aan de Drempel die de confrontatie van de mens met het kwaad gadeslaat en diens drempeloverschrijding in goede banen leidt, steeds op voorwaarde dat de mens de drempel bewust overschrijdt en vrijwillig de confrontatie met het kwaad aangaat.

Ik herinner me nog dat ik op een dag tegen mijn tekenleraar zei: ik wil de hedendaagse kunst begrijpen! Hij schudde het hoofd en zei: dat zal je niet lukken, zij zal joú grijpen! Hij wist waarover hij sprak, hij had genoeg mensen ten gronde zien gaan aan die confrontatie en hij zou er zelf ook ten gronde aan gaan. Maar mijn liefde voor de kunst liet mij geen andere keuze. Ik besefte het niet, maar ik had mijn levensopdracht uitgesproken. En vandaag heb ik het gevoel dat ik hem vervuld heb. Het is me gelukt! De Lichtbaken-conferentie was de laatste zet die ik nodig had. Daarom riep Michaël me in Brugge een halt toe, daarom steunde hij me in Antwerpen van begin tot eind: ik moest mijn werk afmaken, ik wilde mijn werk afmaken. Dat begreep hij veel beter dan ikzelf en daar hielp hij me bij, vaak tot mijn grote – maar voorbijgaande – verdriet. Als ik daar nu op terugkijk, voel ik alleen maar dankbaarheid. Liefde is er voorlopig nog niet bij, daarvoor ken ik deze grote geest niet goed genoeg. Maar dat komt wel. Want er is nog veel te doen. 

Lichtbaken (4)

  

Ik was dus geen klein beetje verrast toen mij vanuit antroposofische hoek de vraag werd gesteld om over kunst te spreken. Begreep ik dat goed? Strikt genomen werd de vraag me niet gesteld door antroposofen, maar door de geest die hen – naar ik meende – inspireerde. Maar hoe kon ik weten dat die geest echt bestond? Hoe kon ik weten dat hij geen hersenschim was, een product van mijn verbeelding, een subjectieve interpretatie van feiten? Wat me overtuigde van zijn bestaan was de kunstzinnigheid van zijn werk. Ik zag complexe verbanden ontstaan die geen mensenwerk konden zijn. Ze konden evenmin aan het toeval worden toegeschreven. Er zijn grenzen aan wat het toeval kan verklaren. Overschrijd je die, dan wordt gezonde twijfel aan het bestaan van geesten een krampachtig geloof in het niet-bestaan ervan. En het is je gevoel dat je waarschuwt wanneer je zo’n grens overschrijdt. De kunst heeft me geleerd dat gevoel niet te negeren en naar m’n hart te luisteren. In dit geval vertelde dat hart – steeds duidelijker – dat er van toeval geen sprake kon zijn. De lijst van toevalligheden was veel te lang. Bovendien vormden ze samen één groot kunstwerk dat ik voor mijn verbaasde ogen zag ontstaan, een kunstwerk dat alleen kon toegeschreven worden aan een geest, een geniale scheppende geest.  

Het begon al met de vraag of ik op de Lichtbaken-conferentie een werkgroep wilde leiden. Hoe groot was de kans dat men daarvoor uitgerekend op mij een beroep zou doen? Ik wist nauwelijks iets af van driegeleding en na mijn aanval op de heilige Joseph (Beuys) meende ik het voorgoed verkorven te hebben in de antroposofische vereniging. Een paar jaar tevoren had men me weliswaar gevraagd om drie voordrachten te geven op de zomeruniversiteit, maar dat was een jongeren-initiatief dat diep verscholen in de Ardense bossen plaatsvond en waar men zich in het heetst van de zomer overgaf aan Wein, Weib und Gesang. Dit keer ging het echter om een initiatief van gepensioneerde antroposofen dat hartje winter plaatsvond in Antwerpen, het middelpunt van de aarde, zoals iedere Sinjoor weet. Hier werd geen plaatselijke Rochefort gedronken maar zuiver bronwater, (per snek?) aangevoerd uit het verre IJsland. De opvallende polariteit tussen deze twee conferenties had me reeds wakker kunnen maken, maar het was nog te vroeg dag. Ik was nog bezig mijn ogen uit te wrijven. 

Op deze eerste verrassing volgde meteen een tweede: in de folder van de conferentie werd ik aangekondigd als karikaturist en blogger. Er ging een kleine schok door me heen: het contrast met de andere sprekers was toch wel heel groot. Ik voelde me misplaatst in dat geleerde gezelschap. Maar dan drong tot me door hoe kernachtig de polariteit tot uitdrukking werd gebracht die mijn leven beheerste: tekenen en schrijven, een herderlijke en een koninklijke activiteit. Die eerste activiteit was altijd de belangrijkste geweest en ik vond het bijzonder pijnlijk dat ik ze los moest laten. Vooral de laatste klap in Brugge kwam hard aan. In een ultieme poging om het contact met het tekenen en schilderen niet te verliezen, greep ik opnieuw naar de karikatuur. Maar de (terug)weg werd me op niet mis te verstane wijze versperd. Ik was er het hart van in en begreep niet waarom ik zo bruusk gescheiden werd van wat mij lief was. Pas na het lezen van de conferentiefolder begon me iets te dagen. Er was een soort metamorfose aan de gang. Wat ik zolang met zoveel passie had gedaan – karikaturen tekenen – diende zich nu in een veel bewustere vorm aan. Ik had de karikatuur moeten loslaten om er tegenover te kunnen gaan staan. Maar tegelijk bleef ik ermee verbonden, want ik maakte nog altijd een karikatuur: een karikatuur van de karikatuur. 

Er was een verband tussen het no passaran in Brugge en de uitnodiging uit Antwerpen. Blijkbaar kon ene deur niet opengaan voor de andere gesloten was. Er moest eerst iets vernietigd worden, voor het weer kon worden opgebouwd. Stirb und Werde. En ik kende de geest die daarachter zat. Ik had hem reeds leren kennen toen ik als jongetje van net geen 11 aan de hand van mijn vader de trappen besteeg van de academie van Mechelen. Maar pas veel later zou ik me een beeld van hem vormen. Ik begreep toen hoeveel ik aan hem te danken had, wat een zegen zijn leiding was geweest. Eén van de meest opvallende eigenschappen van die leiding was dat ze zo … onopvallend was. Alsof er helemaal géén leiding werd gegeven, alsof je helemaal op jezelf aangewezen was. Een andere opvallende eigenschap was de mannelijkheid. Deze geest was allesbehalve sentimenteel. Hij hield totaal geen rekening met je ego en sloeg het zo nodig met één klap tegen de grond. Maar voor je Ik had hij een grenzeloos respect, dat raakte hij met geen vinger aan. Het gevolg was dat je je vrij voelde, volkomen vrij. Deze leider stond niet boven je, hij stond naast je. Hij wees je de weg, maar je moest hem wel zelf gaan.  

Ik heb het natuurlijk over Michaël, de grote zwijgzame geest wiens wezen louter dienstbaarheid is. Hij valt zo moeilijk te vatten omdat hij zo zelden op de voorgrond treedt. Als een soldaat staat hij op wacht, zonder te bewegen. Maar hij is bijzonder alert en als er gevaar dreigt, grijpt hij resoluut in, om daarna weer zijn wachthouding aan te nemen. Michaël is ‘van wacht’ en daarom merk je hem niet op. Hij maakt als het ware deel uit van het decor. Pas wanneer hij daaruit tevoorschijn komt, kort en krachtdadig, besef je dat hij er al die tijd stond. Je zag hem niet, maar hij zag jou wel. Als je dat begint te begrijpen, stijgt er een diepe dankbaarheid in je op en je voelt je ontroerd door zoveel onbaatzuchtige waakzaamheid. Maar je weet ook dat die gevoelens Michaël niet raken, hij is een geharnaste geest. Zijn blik is op de resultaten van je werk gericht, niet op hoe je ze tot stand brengt, want dat is jouw zaak. Daarom is hij ook de leidsman van de kunstenaars. Hun gevoelens doen er niet toe. Het enige wat telt is hun werk. 

Pas na de conferentie drong het echt tot me door wie mijn gedachten had geleid tijdens de voorbereiding op de conferentie. Want dát ze geleid werden, daaraan twijfelde ik niet. Wat me nooit gelukt was, lukte nu wel. Het beeld waaraan ik al m’n hele leven werkte, waarnaar ik al m’n hele leven zocht, en waarvan ik de hoop had opgegeven het ooit te zullen vinden, begon stap voor stap gestalte te krijgen, alsof het een eigen leven leidde. Ik hoefde alleen maar te volgen. Dat wil niet zeggen dat het allemaal vanzelf ging, wel integendeel. Als vanouds sloeg ik – als een echte Wandervogel – ieder (denk)weggetje in dat ik tegenkwam. Maar als het me te ver afleidde, keerde ik de volgende dag op mijn stappen terug en begon opnieuw. Op die trage, bedachtzame manier – processie-van-Echternachgewijs zeg maar – kwam ik verder dan ik zwervend ooit was geraakt. Toch had dat jarenlange, (schijnbaar) doelloze zwerven-in-gedachten het materiaal opgeleverd waaruit nu mijn beeld ontstond, mijn karikatuur van de karikatuur. Persoonlijker kon dat beeld niet zijn en ik ging dan ook helemaal op in mijn eigen wereld, maar tegelijk had ik het volste vertrouwen dat het dit was wat van mij werd verwacht. De conferentie zou dat bevestigen. 

Michaël en Brugge

  

Het is weer Michaël, en dat betekent dat het intussen al een jaar geleden is dat ik voor het laatst op de markt in Brugge stond. Ik wist toen allang dat het afgelopen was, maar ik wilde bij wijze van afscheid nog eens het hele ritueel doorlopen: ’s avonds de auto inladen, de volgende ochtend vroeg opstaan, over een (bijna) lege autostrade richting kust rijden, arriveren in een slapend Brugge, uitkramen op de stille Dijver, schilderijen uitpakken en schoonmaken, met een zucht gaan zitten, kijken naar de toeristen, broodje met soep halen, praatje slaan met de collega’s, in het zonnetje zitten soezen, genieten van de sfeer, enzovoort. Hoe vaak heb ik dat rijtje de afgelopen jaren niet doorlopen? Eerst met An, voor rekening van Henk, later alleen, voor eigen rekening. Het is een ritme dat je in het bloed gaat zitten en dat je niet zomaar vergeet.

Michaël brengt het weer allemaal naar boven. Hij herinnert me eraan dat ik de hele zaak nog lang niet verteerd heb. Voor het eerst in mijn leven ben ik niet blij dat de herfst aanbreekt. Ik heb geen zin om naar binnen te keren en tot rust te komen. Ik wil juist naar buiten gaan, ik wil iets doen. Daarom genoot ik ook zo van Brugge: ik deed iets, ik kwam onder de mensen, ik nam deel aan het leven, ik hoorde erbij. Dat is wat ik nu zo mis, wat ik maar niet kan vergeten. Ik heb me dan maar op het schrijven geworpen – nadenken om niet te hoeven nadenken – maar het gemis gaat niet weg. Op tafel ligt nog altijd mijn schildergerief, in de gang de kartons met schilderijen, aan de achterdeur het marktmateriaal. Iedere dag word ik ermee geconfronteerd, maar ik kan mezelf er niet toe brengen het weg te bergen. 

Het is alsof ik mezelf dan wegberg, alsof ik mezelf begraaf. Zo voelt het aan: alsof een deel van me gestorven is en ik er geen afscheid kan van nemen. Toen ik in Brugge op de markt ging staan, deed ik dat omdat ik wilde schilderen en daar geld voor nodig had. Als het niet lukt, hield ik me voor, dan is het afgelopen met schilderen. Maar ik geloofde het niet echt. Hoe kon er nu een eind komen aan wat voor mij altijd het allerbelangrijkste is geweest? Maar het gebeurde. Hoewel ik dankzij Brugge genoeg materiaal heb om het een tijdje uit te kunnen zingen, is alle zin om nog te tekenen of te schilderen me vergaan. En ik kan me momenteel niet voorstellen dat die zin zou terugkeren. Gebrek aan uiterlijke middelen heb ik altijd gehad, maar nu is ook de bezieling, de innerlijke gedrevenheid, de inspiratie verdwenen.   

Dat was trouwens altijd al een zwak punt van me: ik moest gestimuleerd worden, aangemoedigd, aangepord. Behalve voor één ding: het tekenen van karikaturen. Dat was een ware hartstocht, dat kon ik niet laten. Maar een echte carrière is daar niet uit voortgekomen, al kon ik me met de besten meten. De voornaamste reden was dat het me vreselijk tegenstond om naar foto’s te werken. Ik wilde echte mensen tekenen, levende wezens. Het rechtstreekse contact: dat was mijn drijfveer, daar haalde ik mijn inspiratie uit. Maar daar viel geen brood mee te verdienen, tenzij je er een dode routine van maakte, een techniek, een virtuose truc. En dat wilde ik niet. Ik wilde niet alleen levende mensen tekenen, ik wilde ook levende tekeningen maken. Dat levende had ik nodig, het was de zin van de hele zaak.

Leven: dat is wat ik altijd gezocht heb in de kunst. Kunst is voor mij synoniem met leven. Ik vond in de kunst het leven dat ik daarbuiten niet vond. De uren die ik destijds in de academie heb doorgebracht, waren de meest levende van mijn hele jeugd. Ik leefde niet echt als ik niet kon tekenen. Dat ondervond ik pas goed toen ik ermee ophield: ik ging van binnen langzaam dood. Ik heb het tekenen en schilderen nodig om te kunnen voelen dat ik leef, om niet enkel fysiek te bestaan. Daarom was ik niet gelukkig met de schilderijtjes die ik maakte voor de markt in Brugge. Ze leefden niet echt, want ik had ze (noodgedwongen) naar foto’s geschilderd. Maar ze leverden wel een andere vorm van leven op, die ik tot dusver niet gekend had. Op de markt gaan staan was een nieuwe, intense ervaring voor me. En die ervaring mis ik nu.

Ik mis dus twee vormen van leven: het gewone leven en het artistieke leven. Het eerste beleefde ik door op de markt in Brugge te gaan staan en deel uit te maken van de ‘werkende klasse’. Je moet waarschijnlijk 30 jaar werkloos zijn geweest om ten volle te beseffen wat het betekent om te kunnen werken, om geld te verdienen, om deel uit te maken van de samenleving. Want dat is het meest ingrijpende gevolg van werkloosheid: je hoort er niet meer bij. De wereld gaat zijn gang en jij blijft achter. Het is alsof er een onzichtbare glazen wand wordt opgetrokken, alsof de toegang tot de wereld je wordt ontzegd. Het is dan ook een overweldigende ervaring als die onzichtbare wand wordt opgetrokken en je weer ‘binnen’ mag. Je krijgt weer vaste grond onder de voeten, je begint te aarden, je wordt als het ware opnieuw geboren. 

Het is met dit ‘aarden’ zoals met alles: de betekenis ervan dringt maar tot je door als je ook de tegenovergestelde ervaring kent, de ervaring niet op aarde te kunnen komen en een machteloze toeschouwer te blijven die als in een baan rond de aarde zweeft, wandering companionless. Toch is deze tegengestelde ervaring niet zonder meer het ontbreken van de eerste. Ze is namelijk de voorwaarde om kunst te kunnen maken. Als kunstenaar moet je je nu eenmaal terugtrekken uit de wereld, je moet er tegenover gaan staan, anders kun je hem niet tekenen of schilderen. Tekenen en schilderen is hard werk, zelfs harder en intenser dan gewoon werk, maar het blijft – samen met het resultaat – toch altijd losstaan van het leven. Als kunstenaar hoor je er niet echt bij, je bent een buitenbeentje.

Zo intens als ik genoten heb van mijn korte marktkramersbestaan, zo intens heb ik ook altijd genoten van het artistieke toeschouwerschap. Er schuilt in dat isolement een leven dat in verbondenheid niet te vinden is. Wat je allemaal niet beleeft als je tekent of schildert! Niet alleen gaat de wereld er boeiender en zinvoller uitzien, maar je verandert ook zelf. Je wordt warm van binnen, je leeft op. Het is echter geen fysieke warmte en geen fysiek leven. Het is iets anders. Je wordt opgetild in een andere sfeer, in een tijdelijke hemel – tenminste als het werk lukt, want anders kom je in de hel terecht. Het valt een beetje te vergelijken met verliefdheid: ook dat is een staat van zijn die ons uit het gewone bestaan haalt. Ze tilt ons hoog op of doet ons diep vallen. Verliefden zijn, net als kunstenaars, toeschouwers. Ze staan buiten het gewone leven. 

Kunstenaars bevinden zich eigenlijk in een permanente staat van verliefdheid op de wereld. Daarom gedragen ze zich vreemd, daarom trekken ze zich niks aan van het gewone bestaan, daarom lopen ze met hun hoofd in de wolken. Himmelhoch jauchzend of zum Tode betrübt. Wie ooit passioneel verliefd is geweest, weet dat het hemel en hel tegelijk is. Verliefdheid is alles, behalve evenwicht. Kunstenaars zijn dan ook extremisten. Ze vormen een duidelijke tegenstelling met normale, evenwichtige mensen die geworteld zijn in de aardse werkelijkheid en er noch hoog boven uitsteken noch diep onder afdalen. Wonen de laatsten op aarde, dan wonen de eersten op de maan. Ze horen samen, maar toch zijn ze ver van elkaar verwijderd. Tussen het (verliefde) kunstenaarsbestaan en het (nuchtere) aardse bestaan gaapt een diepe kloof. 

Die kloof heeft altijd het middelpunt gevormd van mijn leven. Zolang ik me kan herinneren, moest ik ze oversteken, telkens weer. Van kindsbeen af leefde ik in twee werelden en de ene wereld vond ik maar niks. Ik trok er mij uit terug zoveel ik kon en zocht de andere wereld op, de wereld van de kunst. Als ik niet tekende, dan las ik. Maar de tegenoverliggende wereld, de concrete aardse wereld, eiste me steeds meer op. Tekenen werd een zondagse aangelegenheid, de week was gereserveerd voor de school. Tijdens die schoolweek ging ik stilletjes dood, op zondag kwam ik weer tot leven. Later zou dat ritme veranderen, maar het zou nooit verdwijnen. Ik bleef pendelen tussen die twee zo verschillende werelden: de nuchtere wereld van het dagelijkse bestaan en de verliefde wereld van de kunst. 

Dat is waarschijnlijk de reden waarom ik het in geen van beide werelden ver geschopt heb (en dat is dan nog vriendelijk uitgedrukt). Ik heb nooit echt toegang gevonden tot de kunstwereld maar ook niet tot de gewone wereld. Ik stond met één been in beide, tegelijk binnen en buiten. In de kunstwereld was ik toeschouwer bij de gewone wereld, in de gewone wereld was ik toeschouwer bij de kunstwereld. Als kind pendelde ik spelenderwijs tussen die twee werelden, maar naarmate ik opgroeide werd het steeds moeilijker de kloof over te steken. Ze werd ook steeds groter: als kunstenaar raakte ik steeds meer geïsoleerd, als lid van de gewone wereld raakte ik steeds meer gevangen. En langzaam groeide het bewustzijn van de kloof, langzaam werd ik me bewust van de gespleten wereld waarin ik leefde.  

Uiteindelijk nam ik nauwelijks nog deel aan het gewone leven, maar ook mijn verbinding met de kunst werd steeds zwakker. In een laatste poging om die band te herstellen, begon ik te schilderen met olieverf. Het werd een enorm gevecht met kleur en materie, want ik ben geen schilder, ik ben een tekenaar, een zwart-witmens. Het heeft dan ook niet veel gescheeld of ik had het opgegeven, maar mede door een reeks ‘toevalligheden’ die me het gevoel gaven geholpen te worden, hield ik vol. Brugge was zowel een noodzaak als een stimulans, en het vooruitzicht vervulde mij met vurige hoop. Niet alleen zou ik erin slagen weer aan te knopen bij de kunst, ik zou tegelijk ook aanknopen bij het gewone leven. En daarbovenop zou ik op mijn blog verslag doen van mijn ervaringen, de artistieke zowel als de niet-artistieke. 

Was dat niet wat ik m’n leven al had nagestreefd, aanvankelijk onbewust, daarna steeds bewuster: deze drieëenheid van kunst, leven en reflectie? Ik wist al heel vroeg: zonder kunst kan ik niet leven. Maar er was nog iets anders waar ik niet zonder kon: reflecteren, mijmeren, nadenken over het leven. Ik kon niet zomaar leven, gedachtenloos, helemaal onderduikend in het fysieke bestaan. Ik moest mij daar telkens uit terugtrekken om het – als een koe – te herkauwen en zorgvuldig te verteren. Ja, het aardse leven was zwaar verteerbaar, ik had veel tijd nodig om het te verwerken. Tekenen was een prima digestief, maar het was niet genoeg. Tenslotte was het handwerk en als zodanig dook het eveneens onder in het fysieke leven. Nee, ik had er behoefte aan me helemaal te kunnen terugtrekken. In mijn hoofd dus.

Ik ben altijd jaloers geweest op kunstenaars die van hun kunst konden leven (of het niet nodig hadden). Is er iets heerlijkers dan het kunstenaarsbestaan, dat vrije scheppen van je eigen wereld? Maar hoezeer ik er ook van droomde en naar verlangde, ik wist dat ik er nooit genoeg zou aan hebben. Het was een te onbewust bestaan dan dat het me had kunnen bevredigen. Ik had de wakkerheid van de wetenschap nodig, niet de academische wetenschap – daar had ik een enorme hekel aan – maar de vrije, ongebonden, zeg maar vrolijke wetenschap: het zeer persoonlijke, zelfs intieme nadenken over het leven. Ik had ze allebei nodig: de kunst en de wetenschap. En ofschoon ik een scherpe grens trok tussen beide, kon ik ze toch ook nooit van elkaar losmaken.  

Het feit dat ik er niet in slaagde van tekenen mijn beroep te maken, dwong mij om na te denken over de kloof tussen kunst en wereld. Waarom lukte het mij niet die kloof te overbruggen? Ik merkte dat de kunstenaars die het wél lukte, daar een hoge prijs voor betaalden. Hun verbinding met de wereld maakte hen onvrij en dat ging ten koste van hun kunst. Ze waren verplicht telkens weer dezelfde dingen te maken, dode dingen. Want voor iets anders wilden de kunstliefhebbers en kunsthandelaars niet betalen. Ze wilden geen relatie meer met levende kunst. Ze wilden ook geen relatie met kunstenaars die anders waren, die niet zoals zij helemaal opgingen in het aardse leven, maar er als vrije en ongebonden toeschouwers buiten bleven staan. Ze wezen met klem de kloof af tussen kunst en werkelijkheid. 

Het is nooit in me opgekomen om toegevingen te doen in mijn kunst, om mijn vrijheid te laten inperken door de verwachtingen van anderen. Door karikaturen te tekenen ging ik daar zelfs dwars tegenin. De vrijheid van de kunst was een levensbehoefte voor me. Een onvrije kunst had geen enkele zin. Maar juist door mijn ontoegeeflijkheid werd de afstand met de wereld steeds groter en dreigde ik alles kwijt te spelen, zowel de kunst als de wereld. In een uiterste krachtinspanning probeerde ik de kloof te overbruggen en in Brugge (sic) leek dat te lukken, tot mijn droom twee jaar geleden, met Michaël, uiteenspatte en de kloof zo wijd openging dat ik erin viel. Ik was de kunst kwijt en ik was de wereld kwijt, en ik wist dat ik de kloof nooit meer zou kunnen overbruggen, daarvoor was ik te oud geworden.

Het enige wat me nog restte, was mijn reflecterende bewustzijn. Ik dacht na in de kloof en over de kloof. Wat altijd de inhoud van mijn leven was geweest – het overbruggen van die kloof – werd nu de inhoud van mijn denken. Ik dacht na over de kloof die mijn leven in twee deelde en ik deed dat vanuit die kloof. Het was in alle opzichten een zeer persoonlijk denken, een denken dat alleen over mezelf leek te gaan. Maar tegelijk werd het meer en meer een denken over de wereld, want ik herkende in die wereld dezelfde kloof die door mijn eigen leven liep. Ik begon met andere woorden mezelf te herkennen in die wereld en de kloof die zover open was gegaan, begon weer kleiner te worden. Want wat ik zelf meemaakte, bleek in wezen hetzelfde te zijn wat de hele wereld meemaakte.

Wat ik zocht in het overbruggen van de kloof tussen kunst en werkelijkheid, lijk ik nu te vinden in die kloof zelf. Het besef dat de wereld een spiegel is waarin ik mezelf herken en dat ikzelf een spiegel ben waarin de wereld zichzelf herkent, opent een nieuwe wereld: een driegelede wereld waarin kunst, werkelijkheid en reflectie een eenheid vormen. Maar dat betekent niet dat de kloof tussen kunst en werkelijkheid verdwenen is, wel integendeel. Ze is er een essentieel onderdeel van: er kan geen (levende) driegeleding zijn zonder (dodelijke) tweegeleding. Dat is een verrassend inzicht, want het betekent dat ik de klap die Michaël me twee jaar geleden in Brugge verkocht, en die de wonde – de kloof tussen kunst en leven – weer openscheurde, zelf gewild heb, even intens als ik de genezing van die wonde wilde. En dat is iets waar ik nog eens diep moet over nadenken.  

Het nieuwe kerstmis

  

Voor ons moderne mensen is kerstmis enkel nog een esthetisch feest: we versieren onze huizen, onze straten, onze steden. De religieuze inhoud is helemaal verdwenen. Wie weet nog wat kerstmis oorspronkelijk betekende? De geboorte van het kindje Jezus? Maar wie kent dat verhaal nog? Het traditionele kerstverhaal is trouwens een vermenging van twee zeer verschillende geboorteverhalen, die op hun beurt weer een ander verhaal verbergen: dat van de intrede van Christus in de aardesfeer. Het is deze kosmische ‘geboorte’ die oorspronkelijk op 25 december gevierd werd. Ze werd gespiegeld in twee aardse geboorten – die van de twee Jezuskinderen – zodat we kunnen zeggen dat het volledige kerstverhaal in feite drieledig is. Het is het verhaal van de verbinding van hemel en aarde, waarbij de hemel vertegenwoordigd werd door Christus en de aarde door de twee Jezuskinderen. Het jongste kind (uit het Lucasevangelie) belichaamde de onbewust scheppende krachten van de mens, het oudste Jezuskind (uit het Mattheusevangelie) de bewust oordelende krachten. Ze stonden dus tegenover elkaar als een kunstenaar en een wetenschapper, en het is de kloof tussen beiden die Christus de mogelijkheid bood om op aarde te komen. De tegenstelling tussen beide Jezuskinderen was de aardse uitdrukking van de kloof die in de loop der tijden tussen hemel en aarde was ontstaan. De hemel wilde die kloof, ze probeerde niet om ze ongedaan te maken door de aarde weer op te nemen in haar ‘moederschoot’. Ze erkende haar ‘kind’ en deed net het tegenovergestelde: ze overbrugde zelf de afstand met de aarde, ze daalde af in de kloof die ontstaan was tussen de scheppende en de oordelende krachten van de mens. Als een liefhebbende moeder verbond ze zich met de aarde en tegelijk wekte ze ook de liefde tussen de ‘kunstenaar’ en de ‘wetenschapper’. De relatie tussen beide Jezuskinderen was uitdrukking van de relatie tussen hemel en aarde. Hun tegenstelling veranderde in (driegelede) eenheid, hun oorlog in vrede. Dat was het oorspronkelijke kerstmis, het oer-kerstmis.  

Wanneer we vandaag kerstmis vieren, baseren we ons op de geboorte van de Lucas-Jezus. In vroegere tijden werd kerstmis evenwel op 6 januari gevierd. Men herdacht dan niet alleen de drie koningen uit het geboorteverhaal van Mattheus, maar ook de doop in de Jordaan toen de Christusgeest zich verbond met de Lucas-Jezus die voordien reeds het Ik van de Mattheus-Jezus in zich had opgenomen, zodat er een driegelede eenheid ontstond. In dat oude kerstfeest kwam nog het kosmische besef van het grote geheel tot uitdrukking: men vierde zowel de Mattheus-Jezus (de ‘wetenschapper’), de Lucas-Jezus (de ‘kunstenaar’), als de Christusgeest die beide met elkaar verbond. In ons huidige kerstfeest – met de stal, de kerstboom, de os en de ezel – is iedere verwijzing naar het (drieledig) geestelijke verdwenen. Het is eenzijdig aards geworden. We zouden kunnen zeggen dat de geboorte van Christus pas in onze tijd echt voltooid is. Zoals hij destijds afdaalde in één mens – en daarbij heel zijn kosmische ‘kleed’ aflegde – zo is hij nu afgedaald in ieder mens. Hij leeft nu in alle moderne ‘herders’, in de armen van geest die geen weet meer hebben van hun geestelijke oorsprong en zichzelf zien als louter aardse wezens, net als de bomen, de ossen en de ezels. Daardoor is ieder mens vandaag een onbewuste Christusdrager geworden die onbewust verlangt naar ‘de Vader’, dat wil zeggen naar zijn eigen kosmische, geestelijke wezen. Dat kunnen we niet alleen afleiden uit de vernieuwde belangstelling voor religie en spiritualiteit, maar ook uit de christelijke idealen – naastenliefde, verdraagzaamheid, gelijkheid, vrede, vrijheid – die in de moderne mens tot een tweede natuur zijn geworden. Het is alsof de hele mensheid onbewust streeft naar een nieuw kerstmis, een nieuwe verbinding tussen hemel en aarde, maar dan in omgekeerde zin. Was het 2000 jaar geleden de hemel die op aarde kwam, dan is het nu de aarde die weer naar de hemel streeft. De voltooiing van het oude kerstmis is tegelijk het begin van een nieuw kerstmis. 

Er duiken steeds meer berichten op van landen waar het vieren van kerstmis verboden wordt. Met de islam is er inderdaad een krachtige antichristelijke impuls ontwaakt en het is geen wonder dat die zich ook tegen kerstmis richt want de idee dat God naar de aarde zou komen en geboren worden als mens is voor moslims wellicht de grootste blasfemie die er is. Daarvan getuigen ook hun aanvallen op het Sinterklaasfeest. Dat is immers een kinderlijke prelude op kerstmis: de hemel daalt naar de aarde af, maar de Vader blijft boven, op het dak. Alleen de Zoon kruipt door de schoorsteen tot helemaal beneden in de mensenwereld om daar geschenken te leggen in het meest aardse kledingstuk van de mens, de schoen, zinnebeeld van het fysieke lichaam. Daarbij maakt Christus zich natuurlijk vuil: alle zonden van de wereld blijven aan hem kleven en maken hem zwart. Het Sinterklaasfeest is een schitterende kinderversie van kerstmis en wat het tot een doorn maakt in de ogen van moslims is niet het zogenaamd racistische karakter ervan, maar de diepe christelijke betekenis. De islamitische aanvallen op kerstmis en Sinterklaas zijn evenwel niet de oorzaak van de teloorgang van deze oerchristelijke feesten. Ze zijn er het gevolg van. De geestelijke leegte van de christelijke beelden trekt demonen aan. De inhoudsloze vormen zijn als onbewoonde huizen die gekraakt worden. Het hele christendom heeft het lot van kerstmis ondergaan: het is tot louter anekdotiek, tot lege esthetiek geworden. Wat ooit de schepping was van een levende geest die de gebeurtenissen op aarde inspireerde, is nu verstard tot een oud schilderij dat ons niets meer zegt omdat het geen verband meer houdt met onze moderne tijd. Door de macht der gewoonte zijn we er nog altijd aan gehecht, maar de band is zo los geworden dat er nog maar weinig nodig is om hem te verbreken. Sinterklaas is al geen lang leven meer beschoren, en kerstmis zal ongetwijfeld dezelfde weg opgaan. Daar moeten we ons geen illusies over maken. Lijken trekken nu eenmaal roofdieren aan.

De enige manier om kerstmis te redden, is door zijn geestelijke betekenis weer tot leven te wekken. Het nieuwe kerstmis zal geboren worden uit de dood en bewustwording van het oude. Eigenlijk is ons huidige kerstfeest een Sinterklaasversie van het oorspronkelijke ‘kosmische’ kerstfeest dat nog deel uitmaakte van het grote drieledige geheel dat zich uitstrekte over de 12 heilige nachten. Ons ‘verkinderlijkte’ Lucas-kerstmis is als het ware uit dat levende kosmische verband gevallen en verdord tot een louter materieel en betekenisloos beeld. Als we het nieuw leven willen inblazen dan moeten we het opnieuw verbinden – religare – met het grote geheel en die ‘religieuze’ herverbinding begint paradoxaal genoeg met het ‘wetenschappelijk’ onderscheiden van beide kerstmissen: het Lucas-kerstmis en het Mattheus-kerstmis. Want de verdorring van het kerstfeest is een gevolg van het feit dat we de – nochtans duidelijke – verschillen tussen beide geboorteverhalen niet meer zien. In ons bewustzijn zijn ze samengesmolten tot één geheel dat enkel nog het gevoel aanspreekt, en dan nog de laagste, meest aardse regionen van dat gevoel: de gezelligheid, de fysieke voldoening, de esthetiek. Dat is ten koste gegaan van de dramatiek, het heldere bewustzijn, het gevaar en het geweld van het Mattheus-geboorteverhaal. Dat is er helemaal bij ingeschoten. Maar daardoor is ook het Lucas-verhaal geamputeerd, want de stal waarin het Jezuskind geboren werd, bevond zich in een grot waar de Herodes uit het Mattheusverhaal de zwarte magie had beoefend en opdracht had gegeven tot rituele kindermoorden. Pas wanneer we beide geboorteverhalen duidelijk van elkaar onderscheiden, zien we hoe nauw ze met elkaar verbonden zijn. De weg naar de verbinding, naar de religie loopt voortaan dus via de wetenschap. Het nieuwe kerstmis ontstaat uit het (onder)scheiden van het oude. Wat van nature een ‘dodelijk’ karakter heeft – het in twee delen, het bewust worden, de tegenstelling – wordt paradoxaal genoeg levenwekkend. 

Wanneer we een duidelijk onderscheid maken tussen het kinderlijke, gevoelsmatige Lucas-geboorteverhaal en het koninklijke, zelfbewuste Mattheusverhaal, ontstaat er inderdaad vanzelf een verbinding, niet alleen in de ruimte – tussen beide verhalen onderling – maar ook in de tijd – tussen toen en nu. Dit jaar werden er in Parijs – het hart van het (eertijds) christelijke Europa – twee terroristische aanslagen gepleegd door moslims. De eerste vond plaats op 7 januari, vlak voor Driekoningen (en dus verwijzend naar de Mattheus-Jezus), de tweede op 13 november, anderhalve maand voor ons traditionele kerstmis (en dus verwijzend naar de Lucas-Jezus). De slachtoffers waren in dit laatste geval onschuldige jonge mensen die zich amuseerden, in het eerste geval daarentegen waren het oudere mensen met een ongenadig scherp oordeel over de wereld. Herders en koningen dus. Toeval? Misschien. Maar als je er rekening mee houdt dat de moslimterroristen bezield worden door een antichristelijke geest die het gemunt heeft op de ‘aanbidders van het kruis’, dan mag je ervan uitgaan dat deze geest het christendom beter kent dan de ‘aanbidders’ zelf, die in de meeste gevallen niet eens weten dát ze het kruis aanbidden, laat staan waarom. Ook hier weer kun je de tegenstelling tussen de oude en de jonge Jezusziel herkennen. Want de Westerlingen zijn jonge zielen, onbewuste Christusdragers, terwijl de moslims oude zielen zijn, onbewuste Christuszoekers. De laatsten voelen zich instinctief aangetrokken tot de eersten, maar zetten er zich met hun bewustzijn scherp tegen af. De ‘jonge’ Westerlingen zijn het bewustzijn van Christus verloren, de ‘oude’ moslims hebben dat bewustzijn nog niet gevonden. Hun wederzijdse toenadering gaat uit van de aantrekkingskracht van het ‘jonge’ Westen, maar wat eraan ontbreekt is het ontwaken van het ‘oude’ bewustzijn dat er niet toe komt om de ‘draden’ te onderscheiden die in tijd en ruimte gesponnen worden. Terwijl het oude kerstmis teloorgaat, wordt het nieuwe kerstmis geboren, maar dat wordt – net als toen – niet opgemerkt. 

Het kerstmis dat we dit jaar gevierd hebben, was bij uitstek een ‘gemengd’ kerstfeest. Niet alleen hebben we het met gemengde gevoelens gevierd, maar het was ook een vermenging van beide geboorteverhalen. Enerzijds was het – met zijn uitbundige versieringen, zijn kerstmarkten, zijn muziek, zijn eet- en drankfestijnen – een karikatuur van het oude herdersverhaal: bewustzijn kwam er niet aan te pas, aardse genietingen des te meer, zonder enig besef van de kosmische dimensies van dit feest. Anderzijds werd kerstmis dit jaar gevierd met een verscherpt bewustzijn veroorzaakt door de terreurdreiging, de klimaatdreiging, de vluchtelingendreiging. Door de aanslagen in Parijs, die het leven kostten aan meer dan honderd onschuldige jonge mensen, heerste er overal een sfeer als ten tijde van de Herodiaanse kindermoord. Beide geboorteverhalen vielen als het ware samen en creërden een vreemde dubbelzinnige atmosfeer waarin de kerstvierders heen en weer geslingerd werden tussen zorgeloos plezier en angstige gekweldheid. De uiterlijke vermenging veroorzaakte een innerlijke verscheurdheid. In die zin was kerstmis dit jaar een pars pro toto van onze tijd. Op elk gebied vervaagt namelijk het onderscheid tussen de tegenpolen: man en vrouw, kunst en wetenschap, waarheid en leugen, Oost en West, christendom en islam, verstand en gevoel, hoge idealen en lage driften, schuld en onschuld. Alles loopt door elkaar, en dat veroorzaakt een diepe gespletenheid in de mens: zijn bewustzijn keert zich af van de realiteit en vlucht in een schijnwereld. Daardoor blijft het blind voor het nieuwe kerstmis dat ‘achter zijn rug’ geboren wordt, voor de talloze draden die vandaag opnieuw tussen hemel en aarde geweven worden. Die draden worden pas zichtbaar als het oude, oordelende bewustzijn zich ‘omkeert’ naar de werkelijkheid en daarin de kunstzinnige geest leert onderscheiden die erin aan het werk is, dezelfde geest die destijds de zo diepzinnige beelden van de twee bijbelse geboorteverhalen heeft geschapen. 

Rudolf Steiner zegt ergens dat we moeten proberen om de zichtbare werkelijkheid als een aangezicht te zien, een menselijk gelaat. De bedoeling is natuurlijk om de geest te herkennen die tot uitdrukking komt in dat gelaat, zoals we dat ook doen wanneer we een mens herkennen. Die herkenning is een helderziende waarneming van het Ik. Zij is niet het gevolg van een analyseren van het fysieke gelaat. En toch kunnen we zonder (de zintuiglijke waarneming van) dat gelaat geen geest herkennen, evenmin als we Christus kunnen herkennen zonder Michaël, zijn ‘aangezicht’. Als kind kunnen we dat nog wel. Een kind ziet het gezicht van zijn moeder niet, evenmin als een verliefde het gezicht van zijn geliefde ziet. Ze kijken er dwars doorheen. Een van liefde vervulde waarneming is per definitie een helderziende waarneming: ze maakt de materiële wereld transparant voor de geest die er zich in uitdrukt. Naarmate het kind opgroeit en de verliefdheid bekoelt, wordt het gelaat van de moeder of de geliefde ondoorzichtiger, materiëler: het verbergt de achterliggende geest. Op die manier verovert het kind, de geliefde, de mens zijn vrijheid tegenover de ander. Op die manier staat de moderne mens ook tegenover kerstmis: het feest is volkomen materieel en ondoorzichtig geworden, het verbergt de geest die er zich in uitdrukt. Maar we kunnen die evolutie omkeren. We kunnen kerstmis opnieuw leren zien als het aangezicht van Christus en hem er rechtstreeks in herkennen. Maar daarvoor moeten dat aangezicht weer ‘samenstellen’, we moeten het bewust reconstrueren zoals we doen wanneer we een portret tekenen. Daarvoor moeten we het concrete gezicht analyseren, en die analyse begint met een simpele tweedeling. Zo begint ieder portret, ook dat van kerstmis. Zo begon Christus destijds ook aan zijn zelfportret: door de aarde in twee te delen, door twee kinderen geboren te laten worden. De reconstructie van die tweedeling is het begin van het nieuwe kerstmis, het michaëlische kerstmis dat tot aangezicht van Christus wordt. 

De schoonheid van de Schorpioen

  

Toen het half oktober net zo grijs en nat was als de afgelopen dagen, dacht ik: o jee, en november moet nog komen! Ik twijfelde er niet aan: als Scorpio in het land kwam, zouden de zieken vallen als herfstbladeren. Maar zover was het nog niet. Hoewel het uiterlijk reeds Allerheiligen leek, was het innerlijk nog altijd Weegschaal. Dat wil zeggen: hoe grijs en grauw de herfst ook was, ze bleef nog altijd buiten, ze kroop nog niet onder je vel zoals ze dat in Scorpio doet. Weegschaal is een luchtteken en dat impliceert afstand. Daarom is oktober als een schilderij: je kunt er rustig tegenover gaan staan en het bekijken. Scorpio daarentegen is een waterteken, en dat impliceert verbinding. November is geen schilderij dat je op je gemak kunt bekijken, het is een schilderij waar je middenin zit, en dat is een heel andere ervaring. 

Het verschil hebben we dit jaar goed kunnen waarnemen omdat oktober en november als het ware van plaats hebben gewisseld. Oktober was onverwacht novemberachtig en toch moest je nog niet vechten tegen al die grijsheid en nattigheid zoals je dat in november wél moet doen. November was dan weer onverwacht oktoberachtig: de temperaturen waren zacht, de zon scheen en de kleuren waren adembenemend mooi. Kwam dat doordat Mars, Venus en Jupiter elkaars gezelschap opzochten aan de hemel? Best mogelijk: zo boven, zo beneden. De schoonheid van november was in ieder geval niet de Venus-schoonheid van oktober. Het was geen esthetische, aangename, schilderachtige schoonheid, maar een indringende, aangrijpende, mysterieuze schoonheid. Het was als het ware Venus en Mars in één.

Scorpio is dan ook een dubbelzinnig, paradoxaal teken. Ooit was het de majestueuze adelaar die hoog boven de wereld zweefde. Maar die is uit de hemel gevallen en een donkere schorpioen geworden die over de grond scharrelt. November is de maand waarin alles valt. De bladeren vallen: ze tuimelen als adelaars naar beneden en verdorren tot ritselende schorpioenen. De hemel valt: als de grijze wolken van november niet laag over de aarde scheren, hangen ze als een dichte mist roerloos boven de grond. En ook de mens moet vechten om niet te ‘vallen’. Hij moet zich innerlijk weren tegen de zwaartekracht die alles naar beneden trekt. 

De ‘vallende hemel’ was de grootste angst van de oude Germanen. Dit Schorpioenenvolk was het meest beducht voor … Scorpio. Om hem te weerstaan richtten ze hun Irminsulzuil op. Maar het ‘vallen’ is niet het enige waartegen de mens zich tijdens het seizoen van Scorpio moet weren. Hij moet zich ook teweer stellen tegen het ‘opstijgen’ van de onderwereld. In november valt alles naar beneden: het verdort, verstijft en sterft. Maar tegelijk stijgt uit de aarde het kille vocht omhoog dat alles drassig en zompig maakt. Nooit is de aarde natter dan in november: wat uit de hemel valt neemt ze in zich op en verteert het. Geen wonder dat Scorpio het teken van de sexualiteit is. De hard geworden mannelijke hemel en de vochtig geworden vrouwelijke aarde dringen in elkaar door. Scorpio is star en onbuigzaam als Mars, maar tegelijk gevoelig en teder als Venus. Hij is kil en onbewogen als Ahriman en hartstochtelijk en fanatiek als Lucifer. Hij is grauw als het slijk der aarde en kleurrijk als de bladeren aan de bomen. Hij is één en al tegenstelling.

November is de maand waarin de mens strijd moet leveren met de draak. En de draak valt van twee kanten tegelijk aan: van boven én beneden, van buiten én van binnen, van links én van rechts. Scorpio doet de grenzen verdwijnen. In oktober verloren ze al hun Maagdelijke scherpte, maar in november lossen ze helemaal op. Alles gaat nu tot ontbinding over. November is de dodenmaand, alles keert terug tot de aarde. Niets is bestand tegen de doodskrachten van Scorpio. Als zijn seizoen begint, staat de natuur nog te stralen in haar Venus-kleed van oktober. Maar als het ten einde is, staat ze er naakt bij en liggen haar kleuren te rotten in het slijk. Scorpio is ontluisterend als de dood en opwindend als een strip-tease.  

Het is zijn seizoen dat we nu beleven, in het groot en in het klein, in de natuur en in de cultuur. Het is zijn heerser – Pluto, de god van de onderwereld – die nu uit de aarde oprijst als het beest uit de apocalyps. De levende geest die ooit als een adelaar boven de aarde zweefde, ligt nu als een hoop dorre bladeren op de grond te vergaan. Het hele menselijke beschavingskleed wordt uitgetrokken en in de modder gegooid. Alleen de kale, naakte takken blijven over. We leven in het Scorpio-tijdperk van de geschiedenis, het tijdperk van de dood. Nu moeten we ons verzetten tegen de draak of ten onder gaan. Maar tegen zijn vernietigingskrachten zijn we niet opgewassen. Het enige wat we kunnen doen, is ze tegen hemzelf keren. Wanneer we een schorpioen vangen en hem naderen met een lichtbron, steekt hij zichzelf dood. Dat is het enige wat we tegenover de draak kunnen plaatsen: het licht van ons bewustzijn. Met de Schorpioen moeten we worstelen, niet om hem te vernietigen, want dan vernietigen we onszelf, maar om hem zijn wijsheid en inzicht te ontfutselen. 

Het gif van de Schorpioen is de ‘gevallen’ wijsheid van de Adelaar. Het is die wijsheid die we moeten bevrijden uit haar dorre en dodelijke materialistische vormen. Dat is de michaëlische strijd die we met de draak moeten vechten: de strijd om zijn goud. Niemand kan ons méér leren dan hij, want hij is in het bezit van de kosmische intelligentie die ooit beheerd werd door Michaël. Daarom mogen we de ogen niet sluiten voor de draak, we moeten van hem leren. Dat kunnen we het best in oktober, wanneer hij nog luciferische schijn is en we tegenover hem kunnen gaan staan zonder bang te zijn dat hij ons opvreet zoals hij dat (in zijn ahrimanische gedaante) in november doet. Het gouden licht van oktober is het oplichtende goud van de draak. Het is het goud van de schilderijen van de oude meesters, want alle kunst wordt veroverd op de draak. Oktober is de maand van Michaël en de michaëlische strijd is een kunstzinnige strijd, een strijd om de kosmische intelligentie die de draak bewaakt. Nooit is dat goud zichtbaarder en stralender dan in november, maar dan moet de zon wel schijnen, niet alleen de uiterlijk zon, maar ook de innerlijke zon van ons onderscheidingsvermogen, het kunstzinnige onderscheidingsvermogen dat we in Weegschaal hebben verworven. Zonder de oktober-leerschool van Michaël zien we in november alleen maar de grauwe, dodelijke Schorpioen. En we merken niets van het goud dat hij verbergt.

Juist omdat november zich dit jaar vertoonde in de Venus-gedaante van oktober toonde, konden we dat prachtige goud ongestoord gadeslaan, niet gehinderd door kilte en nattigheid, door mist en grijze wolken. Dreigen deed de draak alleen in de kranten, met (onder meer) zijn onheilsberichten over een opwarmende aarde. Maar hoe zou de aarde niet kunnen opwarmen in dit meest erotische aller seizoenen nu hemel en aarde zich met elkaar verenigen en het kind verwekt wordt dat in december geboren zal worden! Wie het hoofd koel hield, kon dit jaar iets opvangen van dit kind. Het verscheen in een onwaarschijnlijke schoonheid, de gouden schoonheid van Scorpio. En het bijzondere van die schoonheid is dat ze begrepen wil worden. Wie er een zintuig voor ontwikkelt, kan in de herfst een stem horen die zegt: begrijp mij, leer mij kennen! Nooit klinkt die stem indringender dan wanneer Scorpio begint. In oktober wil de herfst kunstzinnig gekend worden, ze wil getekend en geschilderd worden. In november wil ze wetenschappelijk gekend worden, ze wil verstandelijk begrepen worden. Maar haar gouden schoonheid en wijsheid toont ze alleen aan een bewustzijn dat verstand en gevoel, kunst en wetenschap op michaëlische wijze in zich verenigt: het bewustzijn van de Schorpioen die als een feniks uit zijn assen verrijst en als een Adelaar weer opstijgt.

1000

  

Negenhonderdnegenennegentig berichten heb ik tot nog toe op deze blog geplaatst. Dit is het duizendste. Een bezig baasje dus, want de meeste berichten waren niet kort. Sommigen zouden zelfs zeggen: lang. Om niet te zeggen: veel te lang. Ik ben de laatste om dat tegen te spreken. Ik moet dringend eens wieden. Als ‘biologisch schrijver’ laat ik alles opkomen wat op mijn gedachtenakker wil groeien, en pas als de scheuten groot genoeg zijn om herkend te worden, begin ik te wieden. Met chemische bestrijdingsmiddelen die een ‘correct’ denken garanderen laat ik mij niet in. Ik heb de waarheid niet in pacht, ik weet niet wat er in mijn hof ‘moet’ groeien. Dus laat ik de natuur zijn gang gaan vóór ik ingrijp. Wieden is echter lastig en mijn rug doet al zo’n pijn. Ik weet dus niet wanneer het er zal van komen, zelfs niet óf het er nog zal van komen. 

Als ik nu kijk naar wat er de afgelopen 28 maanden allemaal opgeschoten is in mijn blogtuin, dan stel ik vast dat ik geprobeerd heb de wereld als een kunstwerk te zien. Dat was van meet af aan het motto en dat is het nog altijd. Ik bekijk de wereld niet alleen alsof hij een kunstwerk is, ik bekijk hem ook op dezelfde manier waarop ik een kunstwerk bekijk. Met mijn hart dus. Waarmee anders? Waarmee bekijk je een kinderportret van Rubens? Waarmee luister je naar een aria van Bach? Waarmee lees je een gedicht van Rilke? Toch niet met je verstand! Dat is de beste manier om een kunstwerk om zeep te helpen. Het is trouwens ook de beste manier om de wereld om zeep te helpen. En dat vertik ik. Ik weiger zowel de kunst als de wereld om zeep te helpen door ze niet met mijn hart te benaderen. 

Dat wil natuurlijk niet zeggen dat ik mijn verstand niet gebruik. Maar ik laat het niet de baas spelen. Ik laat het mijn hart niet vertellen welke (nieuwe) gevoelens het moet voelen. Ik doe net het omgekeerde: mijn hart vertelt mijn verstand wat het moet denken. Met andere woorden: ik stel mijn verstand ten dienste van mijn hart. Je zou dat michaëlisch kunnen noemen, want Michaël, de behoeder van de intelligentie, is één en al dienstbaarheid aan Christus, die in het hart van de mens leeft. De gedachte dat hij Christus zou vertellen wat hij moet voelen, is een blasfemische drakengedachte waar ik mij met hand en tand tegen verzet. M’n hele leven al voer ik strijd tegen de draak die met fysiek en intellectueel geweld de mens wil dwingen zijn hart ‘om te keren’ en lief te hebben wat hij verafschuwt en te verafschuwen wat hij liefheeft. 

Ik herinner me niet meer wanneer ik die ‘omkeringsdraak’ voor het eerst tegenkwam. Ik herinner me wel nog een voorval uit mijn studententijd. We zaten samen op mijn kot en het gesprek kwam op kunst. Iemand wees op mijn bureaulamp en zei: voor mij is dit kunst! Ik antwoordde: dat is geen kunst, dat is een bureaulamp! Hij hield bij hoog en bij laag vol dat het wél kunst was. Je bent gek, zei ik, als dit kunst is dan ben ikzelf een kunstwerk! Het ‘gesprek’ eindigde ermee dat hij woedend de kamer uitliep en de deur achter zich dichtsloeg. Ik begreep er niks van. Waarom wilde die kerel mijn bureaulamp per se kunst noemen? En waarom werd hij zo kwaad als ik zei dat het gewoon een lamp was?  

Het was het eerste van een hele reeks incidenten die me leerden dat het onderwerp kunst bijzonder gevoelig lag. God mocht weten waarom, want er werd in die dagen nooit over kunst gesproken, zelfs niet op de academie. Als het dan per ongeluk toch eens gebeurde, raakten de gemoederen zo snel verhit dat er ruzie van kwam. Ik maakte daar dankbaar gebruik van om de verveling te verdrijven tijdens familiefeestjes en andere saaie gelegenheden. Ik stuurde het gesprek dan stiekem richting kunst door te vragen: iemand laatst nog een goeie film gezien? Het duurde dan nooit lang of het spel zat op de wagen. Ik hoefde alleen maar te zeggen: nee, dat is geen kunst! Meer was er niet nodig om de verontwaardiging te doen oplaaien.

Op die manier heb ik tal van mensen tegen me in het harnas gejaagd. Het verbaasde me telkens weer hoe zwaar ze tilden aan een onderwerp waarvoor ze anders nooit enige belangstelling toonden. Voor mij was het de meest vanzelfsprekende zaak van de wereld dat sommige dingen kunst zijn en andere niet, maar voor hen was het heiligschennis. Ik begreep er niks van. Hoe kun je nu van kunst spreken als er geen norm bestaat, als om het even wat kunst kan genoemd worden! Dat is wat ze doen in de Hedendaagse kunst, maar wie interesseert zich nu voor pispotten en kakmachines! Dat is iets voor in het zwart geklede culturo’s die zich beter voelen dan de rest. Ik ging om met normale mensen, en juist daarom trof het mij dat ze – als het erop aankwam – net zo hartstochtelijk de normloosheid in de kunst verdedigden als de avant-gardisten. 

Als ik daar nu aan terugdenk, valt de gedachte me in dat al die mensen … de wereld als een kunstwerk zagen. Wanneer ik beweerde dat een onderdeel van die wereld – een lamp of een paal of een pispot – géén kunstwerk was, reageerden ze als door een wesp gestoken. Ik kreeg met andere woorden telkens ruzie met mensen die … precies hetzelfde dachten als ikzelf. Daar sta ik nu toch wel van te kijken. Die gedachte had ik niet zien komen. Ze is wel de allerlaatste die ik verwacht had tijdens het schrijven mijn 1000ste blogbericht. Maar hoe onverwacht ook, ik voel dat ze waar is. Ze verklaart tal van zaken, met name al die botsingen. Zijn de zwaarste ruzies immers geen broedertwisten? Gaan ze niet altijd tussen mensen die het roerend met elkaar eens zijn, maar over één ding van mening verschillen?   

Ik herinner mij nog altijd het moment waarop ik mijn levensmotto vond. Ik had mezelf de vraag gesteld: wat wil ik? Bij ieder antwoord vroeg ik mezelf af: is er niet nog iets wat ik méér wil? Op die manier kwam ik uit bij: de wereld als een kunstwerk zien. Daar hield het vragen op, daar zat alles in, meer wilde ik niet. Zelfs het maken van kunst zat erin vervat, want kunst zien doet kunst maken. Ik was opgetogen met mijn motto. Het gaf richting aan m’n leven. Nog opgetogener was ik toen ik begreep dat ‘de wereld als een kunstwerk zien’ de meest kernachtige samenvatting van de antroposofie is. Het vraagt natuurlijk een beetje denkwerk om dat in te zien, maar het klopt, daar twijfel ik niet aan. 

En vandaag kom ik dan tot de conclusie dat het nog verder gaat: niet alleen antroposofen willen de wereld als een kunstwerk zien, iederéén wil dat. Ieder modern mens wil vandaag de wereld als een kunstwerk zien. Anders zou hij niet zo heetgebakerd reageren als iemand daartegen ingaat. Anders zou hij het niet pikken dat pispotten, kakmachines en getatoeëerde varkens in musea als kunst worden tentoongesteld. Maar dat doet hij wél. Hij is bereid de meest degoutante en weerzinwekkende zaken als kunst te accepteren. En wee degene die daartegen protesteert! Die wordt beschouwd als een cultuurbarbaar, een reactionair, een bedreiging voor de toekomst. Daar kan geen andere verklaring voor bestaan dan dat de moderne mens de wereld als een kunstwerk wil zien. Niet omdat het een leuke gedachte is, maar omdat hij er hartstochtelijk, zelfs fanatiek in gelooft. 

Eindelijk heb ik de verklaring gevonden voor wat in mijn ogen het meest verbijsterende en meest verontrustende fenomeen van onze tijd is: de Hedendaagse kunst. Er zijn nochtans veel verontrustende en verbijsterende zaken in onze wereld. Er is het moslimterrorisme, de klimaatverandering, de kloof tussen rijk en arm, de vluchtelingenkwestie, het speculeren met geld, de vernietigingswapens, de overbevolking, enzovoort. Maar het meest verontrustende en verbijsterende is dat mensen niet meer reageren op … verontrustende en verbijsterende verschijnselen. Zoals: de intelligentsia die overal ter wereld vol bewondering staat te kijken naar … pispotten, blikjes stront, bananenschillen en ander afval. De meest intelligente en gecultiveerde mensen gedragen zich alsof ze compleet stoned zijn en … niemand zegt daar iets van, niemand maakt zich daar zorgen over. Kijk, dát is pas verontrustend! 

Ik voel me vaak als de man uit het verhaal van de vergiftigde bron. Een man komt te weten dat de bron van het dorp vergiftigd zal worden en dat iedereen die ervan drinkt gek zal worden. De man verwittigt zijn dorpsgenoten, maar niemand gelooft hem. Ze drinken allemaal van de bron en worden gek. Behalve die ene man, die wist dat het water vergiftigd was. Maar hij beleeft niet veel plezier aan zijn geestelijke gezondheid. Hij wordt namelijk opgesloten, want iedereen in het dorp denkt dat hij … gek is geworden. Zo voel ik mij in de wereld van de kunst: omringd door gekken die denken dat ik gek ben geworden. Ze maken kakmachines, pissen op elkaar bij wijze van performance, gaan vleugelpiano’s te lijf met een drilboor, zagen koeien doormidden, kruipen over de grond met een konijn tussen de tanden, enzovoort enzovoort. Je kunt het zo gek niet bedenken of ze doen het. Maar als je zegt: ‘dit is geen kunst’, kijken ze je stomverbaasd aan en zeggen: ben je gek geworden of wat?

Onwaarschijnlijk, verbijsterend, hallucinant: andere woorden heb ik niet om aan te duiden wat er in de wereld van de kunst gaande is. Ik hoef maar een krant open te slaan, een tijdschrift in te kijken of Das Goetheanum te doorbladeren: telkens weer opnieuw staan er lange artikels in die één grote lofzang zijn op de meest beschamende dingen. En telkens weer opnieuw stel ik mij de vraag: zijn zij gek geworden of ben ik het? Het antwoord lijkt voor de hand te liggen, maar de ‘krankzinnigen’ zijn overal, hun getal is legioen. En er is niemand die het tegen hen opneemt. Nergens lees of hoor je ook maar één kritische opmerking over hun wereldwijde verering van afval en vuiligheid. Ook niet in antroposofische kringen. Heel, heel uitzonderlijk gebeurt het wel eens dat iemand opstaat en zegt: nu is het welletjes geweest met al die onzin! Maar hij wordt in alle stilte afgevoerd en niemand verneemt ooit nog iets van hem. Je zou voor minder aan jezelf gaan twijfelen …

Nu kan men zeggen: ach, het is maar kunst! Ze doen maar, al die artiesten en intellectuelen, wat hebben wij daarmee te maken? Maar dat is het nu net: als het erop aankomt, doet iedereen net als zij. Jeder Mensch ein Künstler. Zelf kom ik nooit in artistieke kringen. Ik verafschuw ze, iedereen heeft daar van de ‘vergiftigde bron’ gedronken, anders kom je er trouwens niet in. Ik ga alleen om met ‘normale’ mensen die zich van kunst niks aantrekken. Niet dat het voetbalsupporters of wielertoeristen zijn, dat ook weer niet. Maar ze maken zeker geen deel uit van het artistieke ‘wereldje’. Daarom voelde ik mij ook thuis op de markt in Brugge: allemaal gewone mensen, allemaal mensen die werkten om een centje bij te verdienen. De onzin vond aan de overkant van de straat plaats, in de drie kunstgalerijen. Maar ik weet dat die grens een illusie was. Als ik met die ‘gewone mensen’ over kunst had gesproken, zouden ze zich net zo zijn gaan gedragen als aan de overkant.  

Ik heb het al vaker gezegd: de grens tussen kunst en werkelijkheid is zeer smal geworden. De krankzinnige geest die in de kunstwereld heerst – en er heerst zoals nog nooit een geest heeft geheerst – heeft iederéén aangetast. Iedereen reageert als door een wesp gestoken als deze ‘hedendaagse’ geest wordt tegengesproken. Hij is tot een tweede natuur geworden, een instinct, een onbewuste reflex. Om hem uit zijn kot te lokken moet je natuurlijk wel weten waar hij zit, want hij verbergt zich en hij verbergt zich goed. In de kunstwereld laat hij onbeschaamd zijn gezicht zien, maar niemand durft daar nog te kijken. Ook daarbuiten is hij druk bezig een regime te installeren dat ieder verzet brutaal de mond snoert en tegenstanders het gevoel geeft dat ze krankzinnig zijn geworden. Want deze geest werkt niet alleen op het verstand, hij werkt ook op het gevoel en de wil. Hij werkt op de hele mens, want het is op diens Ik dat hij het gemunt heeft. Deze even brutale als geraffineerde geest is niet Lucifer of Ahriman, het is Sorat, het is de Antichrist, de geest die de mens helemaal wil ‘omkeren’ en zijn hart veroveren, de geest die de plaats van Christus wil innemen. 

Dat is natuurlijk geen goed nieuws, want deze omkeringsgeest is reeds heel diep in de ziel van de moderne mens doorgedrongen. Hij vreet zich ongestoord een weg naar diens kern. Maar het is als in Jurassic Parc, de film over de monsters die de moderne mens ‘gebaard’ heeft. Het beklemmendste deel van de film is het eerste deel, het deel waarin de monsters niet te zien zijn. In het tweede deel breekt de hel los, maar dan zién we de tegenstanders tenminste en dat is ondanks alles een opluchting. Ook voor mezelf is het een opluchting om eindelijk te begrijpen welke geest me al m’n hele leven terroriseert, om eindelijk de missing link te vinden die me in staat stelt een beeld te vormen van de situatie waarin ik me bevind. Ik begrijp nu ook dat ik deze strijd nooit had kunnen voeren zonder de – niet altijd even zachtzinnige – leiding van Michaël. Zonder hem zou ik geen schijn van kans maken tegen dit omkeringsmonster. En hij is dan weer goed nieuws.