Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: mysteriedrama

De Tuin van Heden (8)

  

Wat begon als een beschouwing over mijn nieuwe tuin is uitgemond in een beschouwing over de anti-antroposofie. Dat was natuurlijk niet de bedoeling. Het plan was om te schrijven over het gras, de bomen, de bloemen, de frambozen. Ik wilde vertellen over mijn eerste ervaringen als tuinier, en daar ben ik ook mee begonnen. Maar het relaas over mijn tuin veranderde in een relaas over mijn leven, en dat veranderde op zijn beurt in een relaas over de antroposofie, très étonnés de se trouver ensemble. Of toch niet? De tuin in Scheldewindeke was me duidelijk toebedeeld door het lot. Hij verwees als vanzelf naar mijn levensloop en toen ik hem daarin probeerde te plaatsen, werd een patroon zichtbaar van zaken die zich, telkens in een andere vorm, herhaalden. Ik ontdekte het metamorfose-principe in mijn leven: er was een oerbeeld aan het werk dat voortdurend veranderde van gedaante. Ik herkende het pas toen ik uitkwam bij de anti-antroposofie: het was de slang in het paradijs. 

Voor iemand die uit Destelbergen komt – zijn steenweg, zijn autostrade, zijn lawaai – is een tuin in Scheldewindeke een paradijs, een geschenk uit de hemel. Aan het eind van mijn leven keer ik dus terug naar het begin, want is de kindertijd geen paradijs vergeleken bij het volwassen leven met al zijn drukte en lawaai? Is de wereld voor een kind niet één grote speeltuin? Maar in die tuin sluipt een slang binnen en verdrijft het kind uit zijn paradijs. De poorten van dat kinderparadijs vielen achter me dicht toen mijn verstand me influisterde dat religie onzin was. Gelukkig had ik intussen een nieuw paradijs ontdekt: de kunst. Daar kon ik opnieuw naar hartelust spelen, tot de slang opdook en mij ook uit deze speeltuin verdreef. Daarna herhaalde de geschiedenis zich nog een derde keer: ik ontdekte de antroposofie, een tuin van ideeën. Ook hier verscheen de slang weer, en opnieuw nam het paradijs een andere gedaante aan. Dit keer was het die van een echte tuin. De cirkel was rond.

Deze vier gedaanten van het paradijs – mijn kindertijd, de kunst, de antroposofie en mijn tuin – doen me onwillekeurig denken aan de vier torens van de Mechelse Winketbrug. Als de moderne versie van een middeleeuwse stadspoort markeerde ze het punt waar de Dijle vanuit het platteland de stad binnenstroomde. Ook hier weer het oerbeeld: de rivier verliet het paradijs en stroomde verder tussen louter stenen. Als een glinsterend lint van water had ze zich door het groene landschap geslingerd, maar in het zicht van de stad slonk ze tot een smerige beek die haar weg zocht tussen bergen slib. Ze veranderde in een open riool die uren in de wind stonk. Soms stroomde ze weer vol water, maar haar oppervlak verborg een heel andere wereld, een wereld van vuil, vies en vettig slijk. Dat dubbele gezicht maakte de Dijle gevaarlijk: wie erin viel, overleefde het niet. Maar ik was me als kind van geen gevaar bewust. Ik besefte niet dat ik opgroeide in de buurt van Lucifer, de grote verleider, de slang in het paradijs.

Samen met de Dijle verliet ik het platteland, ‘den bemd’, waar ik, ongestoord door ouderlijk gezag, zo vaak gespeeld had. Net als de rivier stroomde ik de stad binnen waar mijn leven zich als het ware splitste: het glanzende gezicht van Lucifer vond ik terug in de kunst, zijn slijkerige tronie in de wetenschap. Het leidde tot een spagaat die ik uiteindelijk niet meer kon volhouden. Volwassen geworden, koos ik de kant van de wetenschap. Het was een keuze die reeds tijdens mijn jeugd voorafgespiegeld werd, want als kind kende ik vooral de duistere zijde van de Dijle. Haar heldere zijde vertoonde ze op het platteland en dat was voor mij grotendeels onbereikbaar. Af en toe lichtte haar oude, glorieuze gezicht nog wel op, maar veel vertrouwder was de rottingsgeur van haar glimmende slib en de aanblik van haar akelige kloof die het landschap in twee deelde. Dat dagelijkse beeld bereidde me voor op wat nog komen moest: de verdrijving uit het paradijs, de tocht door de hel. 

In die hel – de afgrond van het wetenschappelijke materialisme – onderging de luciferische Dijle een transformatie: ze werd een innerlijke rivier die zich een weg baande naar de geest. Aanvankelijk was ze niet meer dan een beek die door een oosters landschap kronkelde – de astrologie, de makrobiotiek en Baghwan – maar uiteindelijk bereikte ze de westerse antroposofie. In vier stadia sloeg ze een brug tussen de materiële en de geestelijke wereld, en verving als het ware de Winketbrug uit mijn jeugd. Die stadia herhaalden zich in de antroposofie: De Filosofie der Vrijheid, de twee Jezuskinderen, het zielenthema en ten slotte het mysteriedrama. In mijn nieuwe tuin keren ze terug als de vier gezichten van lente, zomer, herfst en winter. Nu de oude Winketbrug met de vier torens haar vierde gedaante heeft aangenomen, verschijnt het beeld van een leven dat bestaat uit een reeks metamorfosen van een oerbeeld dat zo oud is als de mensheid. 

Als een bloem die opengaat, zo wordt opeens de verborgen harmonie in mijn leven zichtbaar. En dat komt als een grote verrassing, want ik heb dat leven altijd als bijzonder disharmonisch ervaren. Nooit ben ik erin geslaagd enige orde te scheppen in de chaos. Ik zwalpte maar wat rond, telkens botsend op obstakels die me dwongen een andere richting uit te gaan. Ik had het stuur van mijn leven niet in eigen handen, ik was overgeleverd aan de grillen van het lot. Niets ging zoals ik het wenste en ik ervoer mijn leven als een aaneenschakeling van mislukkingen. Mijn laatste poging om er iets van te maken, ondernam ik in Brugge, maar ook dat liep weer op niets uit. De manier waarop het mislukte wekte dit keer echter mijn aandacht. Het was alsof iets of iemand mij de weg versperde, en toen ik daarover begon na te denken kwam ik tot de onverwachte conclusie dat het Michaël was die me tegenhield. Ik begon te begrijpen dat hij me al die tijd begeleid had op mijn weg naar de bewustwording van mijn karma.

Niet lang daarna werd ik uitgenodigd om op de antroposofische zomeruniversiteit enkele voordrachten te geven over het zielenthema, het thema dat nauw verbonden is met het moment waarop Rudolf Steiner nadrukkelijk over Michaël begint te spreken. Dat leidde me dan weer naar de Lichtbaken-conferentie waar ik – bij wijze van spreken – Michaël zelf ontmoette. Niet alleen bespeurde ik duidelijk zijn inspiratie, zonder dewelke ik het nooit gewaagd zou hebben het thema van de conferentie te verbinden met mijn eigen leven, maar hij heette me ook op hartverwarmende wijze welkom in een wereld die ik nooit als verwelkomend had ervaren. De volgende winter las ik dan een uitspraak van Ita Wegman die me aan het denken zette over karmabewustzijn en over de uitsluitingen van 1935 toen de slang in de antroposofische tuin verscheen. Daarna begon ik aan de beschouwingen over mijn eigen tuin. Alles wees in dezelfde richting: karmaonderzoek, de studie van de eigen levensloop. 

In mijn geval stond die levensloop duidelijk in het teken van de strijd met de draak. Reeds als kind ontmoette ik die draak in de gedaante van de stinkende, slijkerige Dijle. Nadien leverde ik aan de academie innerlijke gevechten met de verleider die me influisterde te ‘zeuren’ bij het tekenen. Op school en aan de universiteit werd ik gedwongen in de huid van de draak te kruipen. Daar bevrijdde ik me weer uit door mijn leven aan de kunst te wijden en de strijd met de draak te hervatten. Die strijd was nu veel bewuster geworden en bracht me in botsing met de anti-kunst, een veel kwalijker vorm van de draak dan ik aan de academie of aan de universiteit had leren kennen. Ten slotte verscheen het oerbeeld van de strijd met de draak in het mysteriedrama dat ik halverwege mijn leven zag en dat ik op dezelfde intuïtieve manier herkende als ik De Filosofie der Vrijheid of het zielenthema herkend had. Het was een keerpunt, het begin van mijn karmaonderzoek, maar dat besefte ik toen nog niet.

Het mysteriedrama was het verhaal van een man die in de huid van de draak kruipt. Het was ook het verhaal van onze tijd, en dat verhaal bleek op een verrassende wijze toegankelijk voor het rationele denken. Het ontpopte zich tot een kristalheldere – maar door zijn complexiteit zeer duistere – gedachtenconstructie en de kunst bestond erin om in die duisternis het licht te ontwaren, om in de zintuiglijke beelden de bovenzintuiglijke gedachten te ontdekken. Rudolf Steiner noemde dat ‘de ware communie’ van de mens: het ontdekken van de idee in de werkelijkheid. Die communie had ik in het mysteriedrama gevoelsmatig beleefd en omdat ze zo onvergetelijk was, wilde ik ze opnieuw beleven. Daarvoor moest ik het drama echter bewust leren begrijpen en ik deed wat ik nooit eerder had gedaan: ik begon logisch na te denken over een kunstwerk. Dat had me altijd vreselijk tegen de borst gestoten, want ik wilde als een vis rondzwemmen in de beelden van de kunst, niet naar adem liggen happen op het droge. 

Daarom had Michaël me steeds weer verhinderd te blijven zwemmen in dat paradijselijke water van de kunst: eerst aan de academie, vervolgens toen ik voor de kunst koos en ten slotte in Brugge. Telkens weer had hij me de weg versperd en me aangespoord om aan land te gaan en de strijd met de draak op te nemen. Hij wist dat het paradijs van de kunst zou veranderen in een hel en dat ik het moest verlaten als ik niet in de greep van de anti-kunst wilde raken. Hij zette me op het spoor van een heel andere esoterische kunst, een kunst die ik voor het eerst zag oplichten in het mysteriedrama. Deze – waarlijk hedendaagse – kunst toonde me hoe de draak overwonnen werd. Ik was blij als een kind toen dit sprookje voor volwassenen me vertelde dat alles uiteindelijk goed zou komen. Ik zag en hoorde het niet alleen, ik beleefde het ook tot in het diepst van mijn wezen en juist die beleving gaf me de kracht om voor het eerst in mijn leven na te denken over een kunstwerk, dat wil zeggen over een paradijselijke beeldenwereld. 

Ik ontdekte nog meer ‘paradijselijke’ mysteriedrama’s en via deze kunstwerken breidde mijn denken zich geleidelijk uit tot de werkelijkheid waarin ik leefde. Ik leerde de wereld als een kunstwerk zien en zocht naar de oerbeelden die onder het oppervlak van de zintuiglijke werkelijkheid schuilgingen. Op die manier kwam ik uiteindelijk terecht bij mijn eigen leven. Denken en waarnemen, (objectieve) afstandelijkheid en (subjectieve) deelname bereikten hier hun grootste intensiteit. Nergens is de mens zo sterk bij betrokken als bij zijn eigen leven. Dat leven is het kunstwerk waar hij hart en ziel in legt, waar hij helemaal in opgaat. Dat maakt het voor hem zo moeilijk om er afstand van te nemen en er denkend tegenover te gaan staan. Dat ‘snijdt in het eigen vlees’, zoals Rudolf Steiner het uitdrukt. Karmaonderzoek is inderdaad een vorm van sterven, een loslaten van het eigen ik. Daarom roept het zoveel weerstand op, daarom is het noodzakelijkerwijs een strijd met de draak. 

De draak leeft in de weerstanden die de bewustwording van het karma oproept. Zo sterk zijn die weerstanden dat Rudolf Steiner tot het eind van zijn leven moest wachten om openlijk over karma te kunnen spreken. Slechts op het nippertje slaagde hij erin zijn eigen levensopdracht – de leer van karma en reïncarnatie – samen te persen in negen maanden. Onmiddellijk na zijn dood brak er ruzie uit tussen de wetenschappers en de kunstenaars in het nieuwe bestuur. De barst groeide uit tot een kloof die de hele antroposofische vereniging verdeelde en leidde tot de uitsluitingen van 1935. Kort daarna barstte de hel helemaal los. Dertig jaar later werden de plooien gladgestreken maar de weerstanden waren niet verdwenen. Tot op de huidige dag blijft de kern van het karmaonderzoek – de relatie tussen oude en jonge zielen – onbespreekbaar. Het taboe leidt zelfs tot regelrechte stellingnamen tegen Rudolf Steiner. En opnieuw, net als toen, verschijnt deze anti-antroposofie op het wereldtoneel. 

Karma, aldus Rudolf Steiner, reikt van de grootste geestelijke hoogten tot de intiemste diepten van de menselijke ziel. Wat zich afspeelt op de bodem van de ziel wordt weerspiegeld op het wereldtoneel. Die twee uitersten raken elkaar en wie tot echte zelfkennis wil komen, moet beide samen zien. Dat veronderstelt een kunstzinnige benadering van de werkelijkheid. Pas wanneer de afzonderlijke begrippen zich aaneensluiten tot beelden, komt het denken tot leven en kan het doordringen tot de geest. Daarom doet de draak er alles aan om een kunstzinnig denken te verhinderen. Hij heeft daartoe zelfs een alternatieve kunst in het leven geroepen die de mens ervan overtuigt dat er geen enkel wezenlijk verband is tussen beelden en ideeën. Hoe diep deze materialistische, anti-antroposofische overtuiging reeds is doorgedrongen in de moderne ziel ondervond ik na het zien van het mysteriedrama. Als een ondoordringbare muur stond de draak tussen de mens en de – karmische – kunst van zijn tijd. 

De Tuin van Heden (7)

  

Op het dieptepunt van mijn leven – tussen mijn 30ste en mijn 33ste levensjaar – vond ik eindelijk de toegang tot de antroposofie. Er was een lange worsteling aan voorafgegaan, maar de ‘intrede’ zelf verliep moeiteloos. Ze gebeurde in drie stappen, telkens door het lezen van een boek dat me toevallig in handen viel: De Filosofie der Vrijheid (denken), Tussen Bethlehem en de Jordaan (voelen) en Christussucher und Michaeldiener (willen). Alledrie waren het variaties op hetzelfde thema, het thema van de polariteit. Ik zette deze drie stappen in de antroposofie met groeiend enthousiasme. De Filosofie der Vrijheid bevrijdde me uit de gevangenis van het dualisme, het verhaal van de twee Jezuskinderen opende mijn hart weer voor de christelijke oerbeelden uit mijn jeugd, en met het thema van de oude en de jonge zielen kon ik zelf aan de slag, ik kon het verbinden met mijn eigen leven. Vooral dat laatste sprak me aan, het maakte van de antroposofie een persoonlijke zaak. 

Speelde De Filosofie der Vrijheid zich nog helemaal in de regionen van de geest af, de twee Jezuskinderen brachten die geest naar de aarde in de vorm van oerbeelden, en het zielenthema individualiseerde hem ten slotte. Stap voor stap kwam de antroposofie naar me toe, eerst als iets vreemds en onaantrekkelijks, dan als iets verhevens dat uit de hemel neerdaalde, en uiteindelijk als iets eenvoudigs, iets gewoon-menselijks. Zo werd het zielenthema door Rudolf Steiner ook voorgesteld: als iets heel gewoons, een kleinigheid die hij bijna terloops vermeldde. Maar die kleinigheid bracht hij wel in verband bracht met het allergrootste – het voortbestaan van de menselijke beschaving – en hij verbond ze bovendien met het persoonlijke lot van zijn toehoorders. Hoewel hij zijn best deed om een lichte toon aan te slaan, kon hij de ernst van de zaak toch niet verbergen. Zijn publiek deinsde dan ook terug, zoals het dat eerder al had gedaan toen hij over karma sprak. Maar dit keer zette hij door. 

Ook voor Rudolf Steiner was het zielenthema een persoonlijke aangelegenheid, want voor het eerst in zijn leven kon hij openlijk spreken over wat hem het nauwst aan het hart lag: zijn eigen levensopgave, karma en reïncarnatie. Tot nog toe had hij daarover moeten zwijgen omdat de weerstanden – uiterlijk zowel als innerlijk – te groot waren. Maar nu onthulde hij de ‘geïncarneerde’ versie van De Filosofie der Vrijheid. De relatie tussen waarnemen en denken was een relatie tussen mensen geworden, tussen oude en jonge zielen. Tijdens de Weihnachtstagung had Rudolf Steiner de antroposofische vereniging opnieuw opgericht. Hij begon als het ware helemaal opnieuw en hij deed dat met een metamorfose van De Filosofie der Vrijheid. Zoals dit boek de grondslag vormde voor de oude antroposofie, zo vormde het zielenthema de grondslag voor de nieuwe antroposofie. Het was de hoeksteen van het nieuwe (geestelijke) Goetheanum, van de nieuwe mysteriën. 

Het was een grote stap van de oude wijsheidsmysteriën naar de nieuwe wilsmysteriën, een stap van denken naar willen, een stap ook van de oude naar de jonge zielen. Reeds vóór de Weihnachtstagung had die overgang zware problemen veroorzaakt. De antroposofische vereniging was aanvankelijk een oude-zielenvereniging, een vereniging van mensen die de wijsheid van Rudolf Steiner opnamen en verzorgden. Na de eerste wereldoorlog stroomden echter talloze jonge zielen de vereniging binnen en dat waren mensen die iets wilden doen, die de wereld wilden veranderen. Daardoor botsten ze met de oude zielen, die gesteld waren op hun rust. De conflicten escaleerden en de verhitte gemoederen materialiseerden zich in de brand van het Goetheanum. Ze vernietigden de tot kunst geworden antroposofie, de brug tussen oud en nieuw stortte in. Rudolf Steiner zag zich genoopt de vereniging helemaal opnieuw op te richten, dit keer niet als een wijsheidsvereniging maar als een wilsvereniging.

De nieuwe wilsmysteriën waren openbare mysteriën. Esoterie en exoterie vielen samen, de vroegere (strenge) scheiding was opgeheven. In de karmavoordrachten sprak Rudolf Steiner openlijk over de vorige levens van zijn leerlingen. De Lohengrin-vraag (die niet gesteld mocht worden) was vervangen door de Parsifalvraag, de vraag naar het lijden van de antroposofie. Dat lijden werd veroorzaakt door de conflicten tussen oude en jonge zielen. De toehoorders kenden die – al te persoonlijke – conflicten uit eigen ervaring, maar nu werden ze gelieerd aan diepe esoterische waarheden, en daar schrokken ze van. De antroposofie kwam nu toch wel heel dichtbij. Moeten we daar echt over gaan nadenken? vroegen ze. Ja, antwoordde Rudolf Steiner, daar moeten jullie echt over nadenken, iedere antroposoof moet dat doen. Hij liet er geen twijfel over bestaan: de antroposofie moest een persoonlijke aangelegenheid worden. Daarin bestond de vernieuwing die hij tijdens de Weihnachtstagung had doorgevoerd.

Rudolf Steiner had de mysteriewijsheid ‘in de harten’ gelegd en daar leefde ze nu als de meest intieme beleving. Hij kreeg echter de kans niet om deze ‘menswording’ nader toe te lichten, want de tegenmachten reageerden furieus. Ze ontketenden reactionaire krachten die hem het leven kostten en de vereniging in twee scheurden. Honderd jaar later lijkt de wonde geheeld te zijn, maar het zielenthema blijft onbespreekbaar en de reactionaire krachten bestaan nog altijd. Nadenken over het eigen karma is not done. Het geldt nog altijd als ongepast om de antroposofie in verband te brengen met persoonlijke zaken. Ik kreeg dan ook het deksel op mijn neus met mijn enthousiasme over het zielenthema. Wat ik ook probeerde, ik botste op een muur van onverschilligheid. Pas toen ik een vooraanstaand antroposoof zijn publiek hoorde bezweren niet na te denken over dit thema, begon ik te vermoeden dat het om meer ging dan onverschilligheid alleen. Het was onwil, het was openlijk verzet tegen Rudolf Steiner zelf. 

Mijn stap in de wilswereld van de antroposofie, leidde tot de ontmoeting met de anti-antroposofie, de vijand-in-de-eigen-gelederen waar Rudolf Steiner meer dan eens over gesproken had. De nieuwe wilsmysteriën omvatten ook het mysterie van het kwaad, en met dat mysterie werd ik nu geconfronteerd. Dat gebeurde overigens niet alleen in de antroposofie, het gebeurde ook in de kunst. Ik ontmoette de anti-antroposofie op hetzelfde moment als de anti-kunst. Deze laatste was me al langer bekend, maar ik kwam er pas echt mee in contact nadat ik radicaal gekozen had voor de kunst. Deze gelijktijdigheid was geen toeval: anti-kunst en de anti-antroposofie werden bezield door één en dezelfde geest. Maar dat besefte ik toen nog niet. Het was me nog niet duidelijk wat kunst en antroposofie met elkaar te maken hadden. Dat begreep ik pas enkele jaren later toen ik de antroposofie onverwacht herkende in de kunst. Toevallig gebeurde dat vlakbij een brug over de Schelde …

Opnieuw weerspiegelde de buitenwereld wat er in mijn ziel gebeurde. Daar werd namelijk een brug geslagen tussen de wereld waarin ik leefde en de antroposofie (die zich voornamelijk in mijn gedachten en gevoelens afspeelde). De antroposofie verscheen hier niet voor een kleine groep uitverkorenen, maar voor het oog van de hele wereld en ze maakte miljoenen jonge mensen enthousiast. Ze deed dat in de vorm van een mysteriedrama dat enerzijds diep in de hedendaagse wereld wortelde en anderzijds reikte tot in de hoogste gebieden van de geest. Exoterie en esoterie vielen hier naadloos samen. Ik herkende de geest van de kunst, die ik gestorven waande en nu in een geheel nieuwe, eigentijdse vorm zag verrijzen. Maar ik herkende tegelijk ook de geest van de antroposofie, die nu pas echt tot leven kwam voor mij. En langzaam begon ik te begrijpen wat Rudolf Steiner bedoelde toen hij zei dat kunst en antroposofie dezelfde geest in de cultuur doen stromen. 

Voor de vierde keer op rij ontmoette ik het thema van de polariteit, dit keer niet in de vorm van een boek, maar in de vorm van een kunstzinnig drama. Nadat de antroposofie achtereenvolgens mijn denken, voelen en willen had aangesproken, sprak ze nu rechtstreeks mijn Ik aan. Maar dit keer deed ze dat niet vanuit de antroposofische wereld maar – geheel onverwacht – vanuit de vijandige buitenwereld. Toch herkende ik in dit onwaarschijnlijke mysteriedrama meteen de geest die mij zo lief was, die uit mijn leven was verdwenen en die ik nergens meer terugvond: de geest van de kunst. Ik trof hem uitgerekend daar aan waar ik hem nooit had verwacht. Hetzelfde gold voor de geest van de antroposofie: ik zag hem verschijnen op een plek waar antroposofen hem nooit zouden zoeken. Nochtans zegt Rudolf Steiner dat het Ik van de mens van buitenaf op hem toekomt. Ik stelde vast dat het voor de antroposofie niet anders is: ik zag haar Ik vanuit de buitenwereld op haar toekomen. 

Ik beleefde dat Ik-wezen tot in de kern van mijn ziel, maar mijn denkende bewustzijn kon het nog niet bevatten. Daardoor was ik niet in staat de zaak uit te leggen aan mijn mede-antroposofen. Ze waren ervan overtuigd dat ik me maar wat inbeeldde. Sommigen vonden het zelfs blasfemisch dat ik de antroposofie in verband bracht met iets zo werelds en laag-bij-de-gronds als het drama waar ik hen op wees. Ik was op mijn beurt geschokt door zoveel gebrek aan kunstzinnig gevoel. Het grote struikelblok was dat de makers van dit moderne mysteriedrama geen antroposofen waren. Ze hadden geen antroposofische ideeën in hun werk gelegd en bijgevolg konden die ideeën daar ook niet in aanwezig zijn. Deze redenering druiste volkomen in tegen Rudolf Steiners opvattingen over kunst, maar dat wist ik toen nog niet. Ik kon de onverschilligen en verontwaardigden niet duidelijk maken hoe anti-antroposofisch hun houding wel was. Het zou trouwens geen verschil hebben gemaakt. 

De dualistische leer van de twee werelden zit zo diep ingebakken in de ziel van de moderne mens dat zelfs de antroposofie daar niet tegenop kan. Antroposofen kunnen het monisme van De Filosofie der Vrijheid in theorie nog wel aanvaarden, maar zodra ze de grens met de wilswereld overschrijden en in de praktijk terechtkomen, vallen ze weer in het oude, dualistische spoor. Daarvan getuigt hun houding tegenover kunst. Ik had het hen vroeger al eens gevraagd: hoe komt het toch dat antroposofen op alle gebieden tegen de stroom inroeien, behalve op één gebied: dat van de kunst? Uitgerekend daar waar de tegenpolen (door een wilsdaad) met elkaar verbonden worden en het dualisme overwonnen wordt, roeien ze vrolijk met de stroom mee, de lof zingend van de hedendaagse kunst, dat toppunt van dualisme. Ik kreeg nooit antwoord op mijn vraag. Net als het zielenthema is het thema kunst onbespreekbaar en wel om dezelfde reden: het confronteert antroposofen met hun dualisme, met hun anti-antroposofie. 

Ik heb nooit getwijfeld aan de goede wil van antroposofen (en doe dat nog altijd niet), maar in de loop der jaren is me steeds duidelijker geworden dat er in hun ziel ook een ‘slechte’ wil leeft, een wil die zich tegen de antroposofie keert. Ik leerde die anti-wil voor het eerst kennen in verband met het zielenthema. Toen ik een gerespecteerd antroposoof in dit verband dwars tegen Rudolf Steiner hoorde ingaan, viel ik van mijn stoel van verbazing. Die verbazing werd nog groter toen niemand bleek te protesteren tegen deze anti-antroposofie. En ze steeg ten top toen mijn – voorzichtige – vraag over dit ‘merkwaardige’ standpunt op verontwaardiging werd onthaald. Hoe durfde ik! Het was de omgekeerde wereld: ik nam het op voor Rudolf Steiner en ik werd beschouwd als een … anti-antroposoof. Aandringen had geen zin, want een gesprek was niet mogelijk. Het begon langzaam tot me door te dringen dat ik te maken had met een gevaarlijke vijand die je onmiddellijk met gelijke munt betaalde.

Niet alleen onder antroposofen zaaide hij twist en tweedracht, hij trok ook een muur op tussen antroposofen en de buitenwereld. Dat ondervond ik door de afwijzende reacties op het mysteriedrama waarin ik de antroposofie in kunstzinnige vorm had zien verschijnen. Ook hierover was geen gesprek mogelijk. Ik besloot er dan ook het zwijgen toe te doen, niet zozeer omdat ik mezelf onmogelijk maakte, maar vooral omdat ik de zaak zelf schade berokkende. En die zaak was dat dit mysteriedrama een brug sloeg naar miljoenen mensen over de hele wereld. Die (overwegend jonge) mensen waren enthousiast geworden over de antroposofie, maar ze beseften het niet, het moest hen verteld worden. Was dit geen uitgelezen kans om vele antroposofen-in-spe te bereiken door hen aan te spreken in een taal die zij begrepen? Was dat niet waar antroposofen naar streefden: aansluiting vinden bij de moderne wereld, de taal spreken van deze tijd? Dat was tenminste wat ze steeds weer beweerden.

Maar het was niet wat ze wilden. Ze toonden geen enkele belangstelling voor dit unieke kunstwerk. Ze haalden hun schouders op en zeiden: wat hebben wij daarmee te maken! Het klonk me in de oren als: wat hebben wij te maken met de wereld daarbuiten! Wat hebben wij te maken met al die jonge mensen die de antroposofie zoeken! Wat hebben wij te maken met … de antroposofie! Zoals ik het wezen van de antroposofie vanuit de buitenwereld op me toe had zien komen, zo zag ik nu het wezen van de anti-antroposofie vanuit de antroposofische wereld op me toe komen. En zo verrukt als ik was over het eerste, zo ontzet was ik over het tweede. Ik zou deze anti-antroposofische geest later nog twee keer zien verschijnen en telkens wekte hij een diepe afschuw en verontwaardiging in me op. Maar ik stond machteloos want telkens wekte ook ik diepe afschuw en verontwaardiging bij anderen op. Het was onmogelijk om deze anti-geest te confronteren zonder daar zelf het slachtoffer van te worden.