Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: Olympische Spelen

Apartheid

  

In the bad old days in South Africa, “petty apartheid” was the term used for the daily oppression and humiliation of blacks through separate public water fountains, bathrooms, buses, cafeterias and similar facilities. This strictly enforced separation was a sign of the black population being viewed as subhuman.

Since 1948, petty apartheid has also been a feature of the widespread Arab rejection of Israel as the nation state of the Jewish people. This practice is ongoing and is often taken for granted and ignored, as was the case of South Africa for many years.

For example, on Friday, just before the opening of the Rio Olympics, the bus provided by the International Olympic Committee picked up the 10-member Lebanese team and then went to pick up the Israeli team. The Lebanese blocked the Israelis from entering the bus, and according to media accounts team captain Salim al-Haj Nakoula “demanded that the door be closed on the Israeli team, but they ‘insisted on getting on.’” Haj Nakoula continued: “I then stood at the door of the bus to prevent the Israel team from entering and some of them tried to go in and pick a fight.”

The chronology was confirmed by the Israelis, who told the Olympic Committee officials that if the Lebanese could not stomach riding with Israelis, “They were welcome to take another bus.” After the brief standoff, however, and in order to avoid a violent confrontation, the Israeli team backed down and agreed to ride a different bus.

This is petty apartheid – practiced against Israel and Israelis on a daily basis, year in and year out, for 68 years, and still going strong. It is not a minor and childish “spat” as depicted in some media headlines (“Olympics spat as Lebanese stop Israelis joining them on bus,” Associated Press, The Washington Post) – but rather similar to the refusal to allow blacks in South Africa before 1994, or in the US before the civil rights movement, to sit with whites on buses or drink from the same water fountains.

Many Israelis have experienced this racism in one form or another.

I have been at academic conferences and diplomatic receptions around the world where Palestinian, Tunisian, Saudi and Iranian panelists, including government officials, have avoided shaking my hand or even acknowledging my standing as an Israeli Jew.

In cultural and sporting events, including previous Olympic Games, Arabs and Iranians have gone to great lengths to avoid being “contaminated” by Israelis, suddenly withdrawing from events, even when they would automatically lose as a result. In 2008, swimmers from Syria and the Islamic Republic of Iran took this route, and during the 2012 London Olympics, the Lebanese judo team went as far as refusing to practice in view of the Israelis, forcing organizers to erect a separation barrier (an Arab “apartheid wall”). In Rio, a Saudi judoka suddenly dropped out, apparently to avoid facing an Israeli.

The so-called international community, including the Olympic Committee, has, at most, reprimanded the boycotting teams and athletes, becoming a willing accomplice to anti-Israel apartheid.
In previous displays of this racism, no action was taken against the Syrian, Iranian and Lebanese teams and no penalties exacted to create a deterrent or express opposition.

In these frameworks, like the United Nations and the International Committee of the Red Cross, the 57 members of the Islamic bloc (formally known as the Organization of Islamic Cooperation), including the wealthy oil producers, control the agendas and have veto power over the officials.

Similarly, the self-appointed guardians of human rights, including NGO superpowers such as Amnesty International and Human Rights Watch, are silent when Israelis are the victims. Indeed, they are very active in promoting the apartheid inherent in the boycott movement, which is the current Western embodiment of the Arab League’s economic boycott of Israel. The anti-Israel campaigners in the democratic West who wrap themselves in the façade of human rights and opposition to racism are part and parcel of this apartheid.

In Lebanon, whose government and society is subject to intimidation by the Hezbollah terrorist organization, Minister of Youth and Sport Abdel Motaleb al-Hennawi praised Nakoula’s actions in Rio as “principled and patriotic.” Not surprisingly, Hezbollah noted that “the Israelis were sent away from the bus because normalization [with Israel] is not to be had in any form, and because the Lebanese identity [is that of] resistance. Be proud to be Lebanese.” As in the case of South Africa under the apartheid regime, contact with Israelis is treated as a form of impurity, and petty apartheid remains the norm.

(Gerald M. Steinberg)

Bron: The Jeruzalem Post

Coniunctio oppositorum (1)

  

Het is nu al hét beeld van deze Olympische Spelen, schreef Bart Eeckhout in De Morgen. Hij had het over twee beachvolleybalsters aan het net: de ene in een minuscule bikini, de andere van top tot teen bedekt. Inderdaad een veelzeggend beeld. Maar wat het precies zegt, daarover lopen de meningen uiteen. Volgens de een is het een aanval op onze Westerse waarden, volgens de ander is het juist een uitdrukking van die waarden, want een voorbeeld van diversiteit. Op zich heeft de zaak natuurlijk weinig om het lijf (sic) – waarom geen petanque als olympische discipline? – maar ze heeft grote symbolische waarde, want … de islam heeft zijn entree gemaakt op de Olympische Spelen! De Egyptische meisjes waren trouwens niet alleen. Ook in de Amerikaanse delegatie liep er een moslima-met-hoofddoek rond en er werd druk uitgeoefend om haar (en niet de legendarische Michael Phelps) de Amerikaanse vlag te laten dragen tijdens de openingsceremonie. Dat zou pas een statement zijn geweest! 

Louter materieel gezien is er niks aan de hand: wat maakt het nu uit of een vrouwelijke atlete een bikinibroekje draagt of een legging? Naaktheid is al lang geen reglementaire plicht meer op de Olympische Spelen. Dus als iemand ook nog een hoofddoek wil dragen: waarom niet? Maar daar gaat het natuurlijk niet om. Het gaat om de symbolische betekenis van die hoofddoek, om de geestelijke dimensie van de hele zaak. En die is belangrijk genoeg om er eens grondig over na te denken. We maken nu in de sport mee wat daarbuiten al tientallen jaren aan de gang is: de opmars van de islam. Er hoeft niet aan getwijfeld te worden: op de volgende Spelen zullen er méér dan twee hoofddoeken te zien zijn. In de gewone wereld valt de opmars van de islam niet meer te stuiten, in de sportwereld wel. Het is nog niet te laat om maatregelen te nemen en de sharia-outfit in de sport te verbieden. De vraag is echter: moeten we dat wel doen? En vooral: waaróm zouden we dat doen? 

Laten we eens naar die foto kijken. Wat klopt hier niet? Twee ploegen spelen tegen elkaar in een totaal andere outfit. Dat gebeurt nergens. Iedere sporttak heeft zijn eigen kleding: judoka’s gaan heel anders gekleed dan zwemmers, en zwemmers kleden zich heel anders dan schermers. Er zijn weliswaar kleine variaties mogelijk, zoals voetballers die schoenen in verschillende kleuren dragen, maar verder heerst er overal uniformiteit in de sport. Dat maakt deel uit van het spel. Stel je voor dat twee voetbalploegen tegen elkaar spelen en dat de ene ploeg in zwembroek zou aantreden, of gekleed in maatpak en das. Dat zou niet alleen belachelijk zijn, het zou ook het wezen van de sport aantasten. Sport is namelijk een bezigheid waarbij mensen zich vrijwillig onderwerpen aan een set van regels. Zonder die regels is er doodeenvoudig geen sport. Misschien strekt de letter van die regels zich niet uit tot de kleding, maar de geest doet dat zeker wel. Daarom spreekt het vanzelf dat sporters gelijk gekleed zijn. 

Het tennistornooi van Wimbledon – een begrip in de sportwereld – legt de deelnemers een strikte dresscode op: iedereen moet in het wit gekleed zijn. Het resultaat is esthetisch, rustgevend en sportief. Men kan zich bijvoorbeeld heel goed voorstellen dat iemand die in fluorescerend geel gekleed is, de tegenstander van de wijs brengt. Wie sportief is, doet zoiets niet. Het is dan ook een teken van afnemende sportiviteit dat een dresscode uitdrukkelijk moet opgelegd worden. Maar het loont wel. De uniformiteit geeft Wimbledon iets ritueels, iets sacraal. Het tilt de strijd – die tenslotte een uiting van egoïsme is – op een hoger niveau. Het maakt van iets dierlijks iets menselijks. Sportiviteit – het vrijwillig naleven van regels – is daarom een uitdrukking van beschaving. Men kan erover discussiëren of de reguliere outfit van beachvolleybalsters wel zo’n hoog beschavingsgehalte heeft, maar het ostentatief niet willen naleven van de geldende regels, zoals die moslima’s deden, wijst op een gebrek aan sportiviteit en beschaving.

De vraag is nu: bestaat er slechts één beschaving of bestaan er meerdere? Anders gezegd: bestaat er een set van beschavingsregels die voor iedereen geldt of zijn er meerdere mogelijk? In de sportwereld zijn de zaken duidelijk: de regels van een sport gelden overal en voor iedereen. Wie voetbal wil spelen, moet zich, waar ook ter wereld, aan dezelfde regels houden. Doet hij dat niet, dan kan hij niet meer meespelen, dan wordt hij uitgesloten. Maar er zijn natuurlijk meerdere sporten, ieder met hun eigen regels. Dat geldt ook voor culturen. De Westerse cultuur bijvoorbeeld heeft heel andere regels dan de islamitische cultuur. Dat vormt geen probleem zolang beide zorgvuldig van elkaar gescheiden blijven. De problemen ontstaan pas wanneer ze zich gaan vermengen. Het is dan alsof voetballers en volleyballers op hetzelfde veld staan. De enen mogen de bal niet met de hand aanraken, de anderen mogen hem niet met de voet aanraken. Het resultaat is onvermijdelijk: chaos. Sport ontaardt dan in een straatgevecht zonder regels. 

De Olympische Spelen als geheel zijn uitdrukking van het Westerse streven naar één enkele universele beschaving: iedereen mag meedoen, op voorwaarde dat hij de regels volgt. Hetzelfde streven naar universaliteit herkennen we in de mensenrechten, de spelregels voor het menselijke bestaan: ze zijn opgesteld voor iedereen. Het Westen gaat er dus vanuit dat er slechts één beschaving bestaat: de hare. Helaas denkt de moslimwereld er net zo over: er bestaat slechts één beschaving, de islamitische. De sharia – de moslimversie van de mensenrechten – geldt niet enkel voor moslims, ze geldt voor iedereen. Juist dit gedeelde streven naar universaliteit maakt een botsing – de clash of civilisations – onvermijdelijk. Die botsing is momenteel in volle gang en ze manifesteert zich nu ook in de sport, in dat symbool van (Westerse) universaliteit bij uitstek: de Olympische Spelen. Daarom is de foto met de twee beachvolleybalsters inderdaad hét beeld van deze Spelen: het is een metafoor van de botsing der beschavingen .

We mogen dan wel lachen met die volledig verpakte Egyptische meisjes en vinden dat ze zich belachelijk maken, maar ze maken ook ons, Westerlingen, belachelijk. En het ergste is dat we het niet eens beseffen. Materialistisch als we zijn, hebben we geen oog voor de symbolische, figuurlijke of geestelijke betekenis van een beeld. We denken: laat die meisjes toch hun hoofddoek dragen! Waarom zo’n drukte maken over een stukje textiel! We gaan zelfs prat op onze ruimdenkendheid en verdraagzaamheid, terwijl het in wezen blindheid is, blindheid voor de geestelijke dimensie der dingen. En de geestelijke dimensie van de islamitische hoofddoek is een oorlogsverklaring aan het Westen. De hoofddoek zegt: jullie hebben jullie regels en wij hebben de onze, en we gaan onze regels aan jullie opleggen, stap voor stap, zonder dat jullie het merken! En zo gaat het inderdaad: langzaam en geleidelijk vervangen de moslims onze regels door hun regels, onze universele beschaving door hun universele beschaving. 

Ze maken ons belachelijk omdat blijkt dat ons streven naar universaliteit en eenheid slechts schijn is. We doen alsof niets zo belangrijk is als de mensenrechten, maar tegelijk accepteren we steeds vaker sharia-regels, ook al druisen die in tegen de mensenrechten. Als op de Olympische Spelen enkele moslima’s verschijnen in sharia-outfit, zeggen we daar niets van. Integendeel, we ontvangen ze met open armen, trots op onszelf. Want we streven naar gelijkheid, naar diversiteit, naar multiculturaliteit. We streven naar een wereld waarin Westerlingen en moslims broederlijk naast elkaar in vrede leven. Op materieel gebied is zoiets wel mogelijk, maar op geestelijk gebied niet, want beide streven het tegenovergestelde na. Westerlingen streven in essentie vrijheid na, moslims onderwerping. En je kunt niet tegelijk vrij én onderworpen zijn. Toch is dat wat het Westen nastreeft door twee tegengestelde idealen te koesteren: de eenheid en de diversiteit. Juist deze tegenstrijdigheid maakt het Westen tot een prooi voor de islam.

De islam kent dit dubbele streven niet. Hij streeft wel naar universaliteit en eenheid, maar beslist niet naar gelijkheid en diversiteit. De iconische foto met de twee beachvolleybalsters is misschien wel een beeld van het Westerse ideaal, maar zeker niet van het islamitische. In een islamitische beschaving zou er geen halfnaakte volleybalster zijn, er zouden alleen twee volledig bedekte speelsters zijn. En daarin ligt de kracht van de islam: in zijn eenduidigheid. Zijn regels zijn niet tegenstrijdig zoals die van het Westen. Zolang het Westen de tegenstrijdigheid van zijn idealen – eenheid en verscheidenheid – niet oplost, vermag het niets tegen de islam. En uit alles blijkt dat het Westen niet in staat is zijn eigen contradicties onder ogen te zien, laat staan ze te overwinnen. Daarin ligt zijn zwakheid: het streeft met vuur zowel de eenheid als de diversiteit na, maar het derde vuur ontbreekt: het vuur van het bewustzijn van die tegenstrijdigheid.

Wat het Westen niet beseft, is dat het een coniunctio oppositorum nastreeft, een vereniging der tegendelen. Het beeld van die twee volleybalspeelsters op de Olympische Spelen zou er nooit gekomen zijn als het Westen het niet gewild had. Als de Duitse meisjes beslist hadden om helemaal zonder kleren te spelen (zoals de oude Grieken) dan zou niemand getwijfeld hebben: dit willen we niet! Maar als moslima’s beslissen om helemaal gesluierd te spelen, zijn de inrichters het – blijkbaar – roerend eens: dit willen we wel! Zeker, er is een beetje gemor in de (sociale) media, maar lang zal dat niet duren en het zal ook geen effect hebben op de toekomst: er zullen steeds meer hijabs opduiken op de Olympische Spelen – want het Westen wil dat. Maar ook de islam  wil dat, althans voorlopig, tot het z’n wil kan doordrukken. De onverwachte conclusie is dus dat zowel het Westen als de islam hetzelfde nastreven en dat we dus te maken hebben met een wereldwijd gemeenschappelijk streven, een mensheidsstreven.

Er is al veel gezegd over die iconische foto van de twee beachvolleybalsters, maar één ding is nog niet boven water gekomen: de vaststelling dat het een beeld is van iets wat we allemaal willen, Westerlingen zowel als moslims. Er leeft in de mensheid vandaag een even hartstochtelijk als onbewust streven naar de vereniging der tegendelen. Tragisch genoeg leidt dat gemeenschappelijke ideaal niet tot vrede en broederlijkheid, maar tot chaos en geweld. Het sleurt ons mee in een zelfvernietigende draaikolk. De vraag is dan ook of dit mensheidsideaal een begoocheling is, dan wel of de oorzaak van de ellende gezocht moet worden in het feit dat we ons niet bewust zijn van dat ideaal. Is het met andere woorden onmogelijk om de tegenpolen – bijvoorbeeld vrijheid en onderwerping – met elkaar te verzoenen, en is de mensheid dus ten prooi aan een vorm van idealistische waanzin, of is het wel mogelijk en weten we alleen niet hoe, omdat we het probleem niet onder ogen zien? That is the question

20140208-215351.jpg

Zo zetten ze in Rusland iemand te kakken