Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: oude en jonge zielen

Het levende denken (1)

  

Een lezer vraagt me: hoe zie ik dat, levend denken cultiveren? Hij had me net zo goed kunnen vragen: hoe word je antroposoof? Want de core business van de antroposofie is het denken weer tot leven brengen. Die formulering kan op twee manieren begrepen worden: het denken levend maken en het denken nader tot het leven te brengen. Ze betekenen allebei hetzelfde. Dood denken is denken dat zich (te) ver van het leven verwijderd heeft. Levend denken cultiveren betekent dus de kloof tussen het dode denken en de levende werkelijkheid verkleinen. Dat is geen geringe opgave, want die kloof is ontzettend groot geworden. In de kranten kunnen we iedere dag lezen hoe er gedachten ontwikkeld worden die niets meer met de werkelijkheid te maken hebben, ja die de werkelijkheid gewoon omkeren. Dat is dan ook de volgende fase in het sterfproces van het denken: het denken wordt kwaadaardig, het vergrijpt zich aan de werkelijkheid. Het gaat niet alleen dood, het wordt ook dodelijk.

Een stervend denken is een denken dat zich losmaakt van de levende werkelijkheid en overgeleverd wordt aan de zwaarte van de materie en de wetten die daar heersen. Dat betekent dat het denken mechanisch wordt, het verliest zijn beweeglijkheid en wordt stram. Ten slotte valt het helemaal stil en gaat tot ontbinding over. Het is soms pijnlijk om te lezen of te horen hoe onsamenhangend het moderne denken geworden is, hoe het niet meer bij machte is een logische gedachtengang te volgen. Het rijgt gedachten aan elkaar zonder enig verband, gedachten die elkaar tegenspreken. Mensen zeggen in de ene zin dat iets wit is en in de volgende zin dat het zwart is, alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Ze lijken niet meer te weten wat ze denken, het is alsof ze niet meer zelf denken. En dat is ook het geval. Een denken dat sterft, maakt zich niet alleen los van de werkelijkheid maar ook van de denker, wiens plaats wordt ingenomen door krachten die het lijk systematisch afbreken. 

Een denken dat tot ontbinding overgaat, begint te stinken. De kranten – waar men dat dode denken aan het werk ziet – hebben het voortdurend over de riolen van het internet, over de bruine onderstroom van de samenleving, over de bagger in de sociale media. In feite hebben ze het over zichzelf, over hun eigen stinkende denken dat ze overal op projecteren. Het resultaat is haatzaaierij, oorlogspropaganda. Ontbindend denken werkt polariserend, zaait wantrouwen, zet mensen tegen elkaar op, verdeelt de wereld in links en rechts die elkaar naar het leven staan. En de mens realiseert zich dat niet, want zijn denken is in handen van de tegenmachten gevallen. Zij zijn het die de stank verspreiden en van het denken één grote, uniforme brij maken. Stront is overal hetzelfde, er is niks persoonlijks of menselijks meer aan. Het dode, tot ontbinding overgegane denken bestaat enkel nog uit de afvalstoffen van het levende denken, uit lege, abstracte gedachten die ieder verband verloren hebben, zowel met de werkelijkheid als met elkaar. 

Hedendaagse kunst giet dit dode, ontbindende denken in beelden. Daarom bestaat het – letterlijk en figuurlijk – uit rommel, afval, uitwerpselen. Het allereerste hedendaagse kunstwerk was een pispot, Marcel Duchamp vatte er op visionaire wijze de hele 20ste eeuwse kunst mee samen. In die kunst schuilt een diepe tragiek, want ze is waar: ze toont ons de realiteit van het ontbindende denken. Maar zo zien we het natuurlijk niet, want ons denken (dat ons denken niet meer is) keert de werkelijkheid om. We menen beelden van levend denken te zien en staan daar vol bewondering voor, maar ons zien is omgekeerde blindheid, onze bewondering omgekeerde angst. Wie deze beelden van het dode denken benadert met een levend denken – en dus ziet wat er werkelijk te zien is – deinst verschrikt achteruit voor de (geestelijke) stank die de tegenmachten verspreiden, maar ook voor hun dodelijke agressie. Want als hij durft te zeggen wat hij ziet, wordt hij aan alle kanten onder vuur genomen.  

Na de beelden komen de woorden. De stank en de agressie van het in staat van ontbinding verkerende denken manifesteert zich in toenemende mate ook buiten de kunstwereld. In de politieke correctheid zien we duidelijk hoe het denken zich tegen zichzelf keert: met onsamenhangende, tegenstrijdige, maar geraffineerde en intimiderende redeneringen wordt het denken verboden. Aan de Amerikaanse universiteiten wordt dat pijnlijk zichtbaar. De wetenschap wordt er stap voor stap het zwijgen opgelegd. Onderzoekers wier bevindingen niet stroken met de politiek correcte dogma’s worden ontslagen of krijgen geen geld meer. Professoren wordt het lesgeven onmogelijk gemaakt door schreeuwende studenten, die hen soms zelfs van de campus wegjagen. Tot nog toe zijn er geen doden gevallen, maar de protesterende studenten schuwen het geweld niet. Regelmatig moet de politie massaal uitrukken als het denken weer eens door wilde horden wordt aangevallen.  

Waar we vandaag getuige van zijn, is niets minder dan de terechtstelling van het denken. Die wordt uitgevoerd door het denken zelf, of beter gezegd, door de tegenmachten die het in hun greep hebben gekregen en het tegen zichzelf richten. Het hele wetenschappelijke apparaat wordt langzaam losgemaakt van de waarheid en verbonden met de leugen. Dat heeft verregaande gevolgen. Eén voorbeeld: op gezag van deze wetenschap wordt steeds meer aangedrongen op verplicht vaccineren. In Amerika is iedere 18-jarige reeds 75 keer ingeënt. De vaccins – die allesbehalve onschuldig zijn – worden steeds meer gecombineerd tot een cocktail die de mens van bij zijn geboorte moet beschermen tegen alle mogelijke ziekten. In werkelijkheid gebeurt het omgekeerde: hij wordt weerloos tegen deze ziekten omdat zijn immuunlichaam systematisch verzwakt. Wat we hier zien opdoemen is het medicijn dat Rudolf Steiner voorspeld heeft en dat de mens helemaal zou afsluiten voor de geest. 

Via de hedendaagse kunst dringt het dode denken door in de gevoelswereld en legt dat lam. Via de hedendaagse wetenschap dringt het door tot in de wil van de mens: het wordt hem fysiek onmogelijk gemaakt om nog zelf te denken. Het is een ontredderende ervaring om te discussiëren met mensen en vast te stellen dat ze vol goede wil zijn maar niet meer kunnen denken. Het is alsof ze door een denkberoerte getroffen zijn: ze maken innerlijk allerlei denkbewegingen maar hun lichaam luistert niet meer, het is ontoegankelijk geworden voor hun geest en diens goede wil. Zelf zijn ze zich daar niet van bewust, want ze nemen hun denken niet meer waar. Dat is namelijk wat de hersenen doen: ze maken het denken zichtbaar, ze zijn een spiegel waarin het denken zichzelf kan waarnemen en bewust worden van zichzelf. Maar die spiegel wordt kapot geslagen door het bombardement van chemicaliën waaraan de hedendaagse mens blootstaat.

En dat alles gebeurt op gezag van de wetenschap. Geen wonder dat uitgerekend studenten en jonge intellectuelen zich keren tegen het oude, nog waarheidsgetrouwe wetenschappelijke denken: hun denkapparaat is ontregeld, hun geest is niet meer in staat erin door te dringen en het te gebruiken, ze zijn hulpeloos overgeleverd aan de tegenmachten. Het is huiveringwekkend om de bezetenheid, maar ook de angst, te lezen in de ogen van deze jongeren, het kruim van de intelligentsia, de toekomstige leiders van de mensheid. Rudolf Steiner voorspelde dat het intellect kwaadaardig zou worden en dat is wat we vandaag overal zien gebeuren. Het dodelijke, rottende denken verspreidt zich als een infectie, een virus dat kinderen van jongs af wordt ingespoten, zowel geestelijk als lichamelijk. Niemand ontsnapt eraan, en wie zich verzet – omdat hij ziet wat het met kinderen doet – wordt verketterd, als een misdadiger te kijk gesteld, uit zijn ouderrechten gezet.  

Het cultiveren van het levende denken is een poging om de ziel van de mens te redden, en dat vergt een strijd op leven en dood tegen een verpletterende overmacht die zich op alle gebieden manifesteert, geestelijk, fysiek en sociaal. Op fysiek gebied wordt het immuniteitssysteem aangevallen, op sociaal gebied het vertrouwen, op geestelijk gebied de moraliteit. Deze overmacht keert alles in zijn tegendeel: het immuniteitssysteem begint zichzelf aan te vallen, het vertrouwen wordt wantrouwen, de moraliteit wordt immoraliteit. De ontketende tegenmachten vinden hun aangrijpingspunt in het dode denken van de mens: dat is hun bruggenhoofd, van daaruit lanceren ze hun geallieerde aanval op de ziel van de mens. Zolang die mens zijn denken niet herovert, zolang dat denken dood en dodelijk blijft, zullen al zijn pogingen om zich te verzetten tegen de ontmenselijking schipbreuk lijden. Want in alles wat de mens doet, is zijn denken werkzaam. Hij is een animal rationale

Schakelt men het denken van de mens uit, dan schakelt men ook zijn menselijkheid uit, dan wordt hij een dier. Geen dier echter dat geleid wordt door een geniaal instinct, maar een dier dat geleid wordt door wilde, chaotische en egoïstische driften. Deze dierlijke mens staat veel lager dan het dier, hij is een monster zoals we het in de dierenwereld nergens tegenkomen. De voorbije wereldoorlogen hebben dat ten overvloede geïllustreerd. De beestachtigheid van het mensdier kent geen grenzen. De redding van de ziel – de redding van de menselijkheid van de mens – begint bij het denken. Dat dode denken moet weer omgekeerd worden, het moet in zijn oorspronkelijke – levende en levenwekkende – staat worden hersteld. Het verleden – vanaf de schepping tot vandaag – was één langgerekt sterven van het levende denken. Het culmineerde in de vrije mens die nu de keuze heeft dat sterven voort te zetten of om te keren. Die keuze is de zin en het doel van het hele mensheidsverleden.

We beleven momenteel het Keerpunt der Tijden: de hele wereld wordt ‘omgekeerd’. Maar het dode denken beweegt niet mee, het blijft star in dezelfde richting verder gaan, het gaat steeds meer tot ontbinding over. Om de keuze te maken waarvoor we staan, hebben we maar een bepaalde tijdsspanne, de tijd van het dode denken zeg maar. Het is immers dat dode denken dat een vrije keuze mogelijk maakt. Begint het tot ontbinding over te gaan, dan verliezen we die vrijheid weer, dan raken we in de greep van de tegenmachten. Het komt er dus op aan dat dode denken te gebruiken voor het uiteen begint te vallen en onbruikbaar wordt. We moeten het gebruiken om na te denken over het denken, over de vrijheid die het ons biedt, maar ook over de grote gevaren die het inhoudt. Juist doordat het denken zich steeds meer van ons losmaakt en sterft, zijn we in staat het waar te nemen en erover na te denken. En dat is een voorwaarde om doordrongen te worden van de noodzaak om er ons weer mee te verbinden en het tot leven te wekken. 

Rudolf Steiner bekloeg er zich over dat de moderne mens zo ongelooflijk goed kan denken maar het niet doet. Hij maakt geen gebruik van het schitterende vermogen dat hij van het verleden gekregen heeft. Hij laat het zich ontfutselen door de tegenmachten, als een rijkeluiskind dat het familiefortuin erdoor jaagt. We leven in een tijd van grote beslissingen, aldus Rudolf Steiner, en die kunnen allemaal teruggebracht worden tot de beslissing om te denken, om het dode denken – dat kostbare instrument – ter hand te nemen en weer tot leven te wekken, om het uit handen van de tegenmachten te houden of te trekken. En daarmee ben ik weer terug bij het begin van deze uiteenzetting, want die beslissing werd genomen in het voorgeboortelijk leven, met name in de Michaëlschool en -cultus waarover Rudolf Steiner aan het eind van zijn leven sprak. Daar werd de antroposofie verwekt, daar ontstond de wil om het denken weer tot leven te wekken.

Waar Rudolf Steiner zich dus eigenlijk over bekloeg was dat zo weinig mensen zich bewust werden van die wil, want er hadden veel meer mensen aan deze Michaëlbijeenkomst in de hemel deelgenomen, dan er op aarde tot de antroposofie kwamen. Hier duikt het thema op waar Rudolf Steiner steeds weer op hamerde: we moeten wakker worden. We moeten ons dode (maar bewuste) denken verbinden met onze levende (maar onbewuste) wil. Die twee moeten in elkaar doordringen: de wil moet het denken weer tot leven brengen, het denken moet licht ontsteken in de duistere gebieden van de wil. Dat is wakker worden. Levend denken is denken waarin onze wil werkzaam is. Maar die wil kan pas werkzaam worden als we hem kennen. Veel jonge mensen ontbreekt het aan wilskracht, ze zijn onverschillig, lusteloos, ten prooi aan hun driften. Maar dat komt niet doordat ze niks willen, het komt doordat ze niet weten wat ze willen. Hun denken en hun willen zijn ontkoppeld, ze kunnen elkaar niet meer bereiken.

Wakker worden is daarom nauw verbonden met karmabewustzijn. Als we erachter willen komen wat we willen in dit leven, wat onze levensopgave is, dan moeten we niet in onszelf kijken, want daar treffen we vooral wensen aan. We moeten naar buiten kijken, naar de concrete werkelijkheid van ons leven, want dat is een beeld van onze wil. Voor jonge mensen ligt dat moeilijk omdat ze nog niet veel beeldmateriaal hebben. Daarom moeten ze geholpen worden door oudere mensen die op een heel leven kunnen terugkijken en zich een veel duidelijker beeld kunnen vormen van hun wil. In dit karmaonderzoek overbrugt de mens de kloof tussen denken en willen. Het is dan ook in de eerste plaats een aangelegenheid van het hart. Levend denken is hartelijk denken, het is denken met het hart. Het is ook sociaal denken, denken in gesprek met anderen. Daarom stond in het centrum van Rudolf Steiners karmavoordrachten het gesprek tussen de oude (denkende) zielen en de jonge (willende) zielen. Dat is het hart van de antroposofie. 

Advertenties

Kerstmijmeringen

  

Op kerstavond vieren we traditioneel de geboorte van het kindje-in-de-stal. Het is waarschijnlijk het meest populaire feest ter wereld, het meest natuurlijke ook. De donkerste periode van het jaar is voorbij, het licht wordt weer sterker. Er is een eind gekomen aan de zwangerschap van de herfst en de geboorte van het kind heeft verlossing gebracht in al die zwaarte. Geboorteproces en natuurproces spiegelen elkaar: eenvoudiger en vanzelfsprekender kan niet. Toch betekende kerstmis oorspronkelijk iets anders. Het ging helemaal niet om de geboorte van een kind, het ging ook niet om de winterzonnewende of de recuperatie van een of ander heidens feest. Kerstmis was de viering van iets totaal nieuws, iets wat zich op geestelijk vlak had afgespeeld: de komst van Christus op aarde, de intrede van deze kosmische geest in de mensheidsontwikkeling. Dat is de eigenlijke betekenis van kerstmis, de betekenis die we in de loop der eeuwen helemaal vergeten zijn.  

Dat wil niet zeggen dat het traditionele kerstfeest een leugen is. Het is een beeld, een metafoor. Hoe zouden we anders iets kunnen vieren dat geestelijk van aard is, dat geen vorm heeft en onzichtbaar is? Het kindje is een beeld van de grote kosmische Christusgeest die zich heel klein heeft gemaakt, de stal is een beeld van de nederige aarde. Maar dat beeld is geen fictie, het is ontleend aan de historische werkelijkheid. Kort voordat Christus op aarde kwam, werd inderdaad een kindje in een stal geboren, een kindje dat later het fysieke voertuig zou worden van de geest die tijdens de doop in de Jordaan neerdaalde in het lichaam van Jezus. Christus wachtte dus 30 jaar in de geestelijke sfeer van de aarde tot het kindje-in-de-stal volgroeid was en geschikt om als ‘woning’ te dienen. Die wachttijd was een weerspiegeling van wat iedere mensengeest meemaakt wanneer hij incarneert: hij wacht in de etherische sfeer van de aarde tot er een fysiek lichaam vrij komt.

Hoewel de komst van Christus een zuiver geestelijke gebeurtenis was en de geboorte van het kindje-in-de-stal een zuiver natuurlijke gebeurtenis, weerspiegelden beide elkaar. Ze waren nauwer met elkaar verbonden dan we zouden denken, maar er waren ook aanzienlijke verschillen. Het lichaam dat de Christusgeest uitkoos, was een volwassen lichaam: dat van de 30-jarige Jezus. Het lichaam dat een mensengeest uitkiest, is niet meer dan een eicel. Aan die eicel werkt hij in de baarmoeder negen maanden tot hij er een lichaam heeft uit gemaakt waarmee hij op aarde kan leven. De Christusgeest doet hetzelfde, met dat verschil dat hij aan een reeds bestaand lichaam werkt. Je zou kunnen zeggen: Christus bouwt niet, hij renoveert. Drie jaar lang, van de doop in de Jordaan tot Golgotha, verbouwt hij het lichaam van Jezus tot het klaar is om ermee geboren te worden. Die geboorte vindt plaats op het moment dat Jezus sterft. De kruisdood is een baringsproces. 

Tijdens de doop in de Jordaan, wanneer Christus zich verbindt met het lichaam van Jezus, klinkt een stem uit de hemel: heden heb ik u verwekt. De doop komt overeen met het moment dat de menselijke geest zich verbindt met de eicel: het moment van verwekking, van conceptie. De drie jaren dat Christus vervolgens op aarde leeft, komen overeen met de menselijke zwangerschap. Christus wandelt over de aarde, hij spreekt met mensen en hij doet wonderen. Maar dat is slechts de buitenkant van het eigenlijke wonder: Christus werkt aan het lichaam van Jezus. Hij verbouwt het van binnenuit en transformeert het stap voor stap tot zijn eigen lichaam. Het Laatste Avondmaal is de bezegeling van die transformatie: lichaam van Christus is nu klaar om ‘gegeten’ te worden. Daarna beginnen de geboorteweeën: op Goede Vrijdag wordt het nieuwe lichaam uit de baarmoeder geperst (de lijdensweg), op Stille Zaterdag duikt het in het geboortekanaal (de neerdaling ter helle) en op Paaszondag wordt het geboren (de verrijzenis). 

Dit hele conceptie- en geboorteproces – beginnend met kerstmis en eindigend met Pasen – was uniek en eenmalig: het was nog nooit gebeurd en zou ook nooit meer gebeuren. Tegelijk was het een proces dat ieder mens doormaakt tussen zijn aankomst op aarde en zijn geboorte. Maar wat bij de mens diep in het verborgene van de baarmoeder plaatsvindt en negen maanden duurt, speelde zich bij Christus in het openbaar af en nam drie jaar in beslag. Talloze mensen waren getuige van dat ‘openbare mysterie’: de apostelen en de leerlingen, de farizeëers en de schriftgeleerden, de Romeinen en het joodse volk. Allemaal zagen en beleefden ze de schepping van het nieuwe lichaam uit het oude, maar er was er slechts één die echt begreep wat hij zag: Johannes, ‘de leerling die Jezus liefhad’. Als Lazarus was hij door Christus ingewijd en als Johannes werd hij op Golgotha met Maria verbonden. Uit die verbintenis kwam het esoterische christendom voort dat later het kerstfeest zou instellen. 

Dat kerstfeest kan model staan voor het hele heilsgebeuren, van de geboorte van Jezus in Bethlehem tot de geboorte van Christus op Golgotha. Waar de evangeliën over berichten is in feite één groot geboorte-mysterie. Maar het kerstfeest kan ook model staan voor het christendom, dat begon als een levende spirituele beweging en zich ontwikkelde tot een kerkelijk instituut dat uiteindelijk in elkaar stortte. Het is ook de weg die Christus zelf gevolgd heeft: van een kosmische geest tot een gewone mens die ten slotte aan het kruis sterft. Er schuilt dus iets fundamenteel christelijks in de teloorgang van het christendom. Het verdwijnen van de christelijke jaarfeesten en rituelen, de bespotting en vernedering van alles wat christelijk is, de vervolgingen van christenen: het is een herhaling van het mysterie van Golgotha op wereldschaal. Net als de kruisdood van Christus is het een tragisch gebeuren, maar tegelijk bewerkt het het grootste heil: het maakt de wedergeboorte of wederkomst van Christus mogelijk.  

Dat maakt van onze moderne tijd een nieuwe kersttijd: hij is het toneel van een nieuwe Christusgeboorte. Deze geboorte is net als 2000 jaar geleden een onzichtbaar gebeuren, maar dit keer vindt ze niet plaats op de heuvel van Golgotha maar in de etherische sfeer van de aarde, dezelfde sfeer waarin Christus destijds op aarde arriveerde en waar hij 30 jaar wachtte terwijl het lichaam van Jezus in gereedheid werd gebracht. Net als zijn komst wordt ook zijn wederkomst op aarde gespiegeld door de geboorte van een kindje-in-de-stal: de antroposofie die als een etherisch wezen geboren wordt tijdens de Weihnachtstagung in een houten barak in Dornach. Deze antroposofie moet het lichaam worden van de etherische Christus, het lichaam dat hij vervolgens ‘verbouwen’ kan zoals hij dat ook deed met het lichaam van Jezus. Maar voor het zover is, moet dat kinderlijke antroposofische lichaam volwassen worden opdat het klaar zou zijn voor de tweede ‘doop in de Jordaan’.

Een beslissend moment in die ontwikkeling van kind tot volwassene is de ‘aarderijpheid’ zoals Rudolf Steiner het noemt. Het oerbeeld daarvan vinden we in het zogenaamde ‘gebeuren in de tempel’. De komst van Christus werd 2000 jaar geleden niet enkel gespiegeld door de geboorte van het kindje-in-de-stal maar ook door de geboorte van het kindje-in-het-huis. Er werden niet één maar twee Jezuskinderen geboren. Hoewel deze dubbele geboorte duidelijk valt op te maken uit de evangeliën, is ze geheim gebleven tot Rudolf Steiner ze onthulde. Ze weerspiegelt nochtans een volkomen ‘natuurlijke’ zaak: een eicel alleen volstaat niet opdat een mens zich zou kunnen incarneren op aarde, er moet ook een zaadcel zijn. En die twee moeten zich verenigen vóór de mensengeest er zich kan mee verbinden. Daarom waren er twee Jezuskinderen die zich tijdens het ‘gebeuren in de tempel’ met elkaar verenigden: de jongste Jezus werd ‘bevrucht’ door het Ik van de oudste Jezus. 

De bevruchting van de eicel door de zaadcel vindt plaats diep in het verborgene van de baarmoeder. Niemand heeft er weet van. Ook 2000 jaar geleden wist niemand wat zich tussen beide Jezuskinderen afspeelde in de tempel van Jeruzalem. Had men het wel geweten, dan zou alles anders zijn verlopen, Jezus zou niet aan het kruis zijn geslagen en het mysterie van Golgotha zou niet hebben plaatsgevonden. Het ‘gebeuren in de tempel’ was dus een mysterie van de hoogste orde: van de geheimhouding ervan hing het heil der wereld af. Niemand mocht weten dat de oudste Jezus – op wie de joodse Messiasverwachting was gericht – voortleefde in de jongste Jezus, waar niemand iets van verwachtte. Twaalf jaar lang groeiden beide Jezuskinderen naast elkaar op, daarna ontwikkelden ze zich achttien jaar lang als één enkele persoon tot ze klaar waren om – tijdens de doop in de Jordaan – de Christusgeest te ontvangen en hem tot lichaam te dienen.

In de geschiedenis van beide Jezuskinderen vinden we het oerbeeld van de ontwikkeling van de antroposofie. De oude en de jonge zielen binnen de antroposofische beweging moeten langzaam naar elkaar toegroeien met als doel een nieuw ‘gebeuren in de tempel’. Rudolf Steiner wees daar na de Weihnachtstagung op toen hij de antroposofie bestempelde als een voorbereiding op het samenkomen van platonici en aristotelici. Deze ‘bevruchting’ zou de aarderijpheid van de antroposofie markeren en de menselijke beschaving een nieuwe geestelijke impuls geven. Dit nieuwe tempelgebeuren betekent natuurlijk niet dat de platonische en aristotelische zielen samensmelten tot één enkele ziel en dat de oude zielen gewoon van het toneel verdwijnen. De samensmelting zal plaatsvinden op geestelijk-etherisch gebied en ze moet voorbereid worden doordat de oude zielen de vermogens van de jonge zielen verwerven en de jonge zielen de vermogens van de oude zielen. 

Welke vermogens dat zijn kunnen we aflezen aan de twee Jezuskinderen. De oudste was de meest ontwikkelde ziel ter wereld, de knapste kop. De jongste was een ongerepte ziel die nog beschikte over al haar scheppende vermogens. Ze waren met andere woorden het oerbeeld van de wetenschapper en de kunstenaar. Ze vormden de grootst mogelijke tegenstelling, maar onder invloed van de ‘wachtende’ Christus groeiden ze langzaam naar elkaar toe tot de ‘wetenschapper’ zich opofferde en overging in de ‘kunstenaar’. Dit offer bracht Rudolf Steiner ook toen hij het karma van Karl Julius Schröer overnam. Tot dan had zijn leven helemaal in het teken van de wetenschap gestaan: zijn gehele jeugd had Rudolf Steiner gestudeerd, hij had als kind zelfs nooit gespeeld. Na zijn karmische offer kwam hij terecht in een kunstzinnige sfeer: hij bestudeerde Goethe, leerde door Schröer de Oberufer-kerstspelen kennen, werd uitgever van een literair tijdschrift en verkeerde in artistieke kringen.

Tijdens die kunstzinnige periode hield hij evenwel niet op wetenschapper te zijn, integendeel. Hij ontwikkelde een geheel nieuwe wetenschap, een wetenschap die tegelijk een kunst was. Na die kunstzinnig-wetenschappelijke periode volgde de derde, antroposofische periode in zijn leven en daarin herhaalden de drie perioden zich: eerst was er een (geestes)wetenschappelijke periode, daarna een kunstzinnige periode, en ten slotte een periode van aardse werkzaamheid. Eerst wordt wetenschap kunst, daarna wordt kunst werkelijkheid: dat is de wetmatigheid die twee keer tot uitdrukking komt in Rudolf Steiners leven. Na de Weihnachtstagung herhaalt ze zich voor de derde keer, met dat verschil dat Steiner nu alleen een wetenschappelijke aanzet kan geven: hij onthult het geheim van de oude en de jonge zielen. Kort daarna sterft hij en het is nu aan zijn leerlingen om de wetmatigheid voort te zetten en van de zielenwetenschap een zielenkunst te maken die leidt tot een nieuw tempelgebeuren. 

Het voorbeeld van Rudolf Steiner maakt duidelijk wat het wezen is van dat naar-elkaar-toegroeien van oude en jonge zielen: het is een offer, een wederzijds offer. We herkennen dat bij de twee Jezuskinderen: de oudste offert zijn leven om over te kunnen gaan in de kunstzinnige sfeer van de jongste, maar ook voor deze laatste betekent het ‘ontvangen’ van het Ik van de ander een offer. Zoals de eicel na de bevruchting door de zaadcel herschapen wordt in een chaos, zo wordt ook het leven van de jongste Jezus helemaal ondersteboven gegooid na het gebeuren in de tempel. Tot dan leefde hij als in een droom en was de aarde een afspiegeling van de hemel. Door het opnemen van het scherpzinnige Ik van de andere Jezus gaan zijn ogen echter open voor het kwaad in de wereld en dat veroorzaakt in hem een diep lijden. Het tempelgebeuren is ook voor hem een offer, en het is dit wederzijdse offer waarop oude en jonge zielen zich moeten voorbereiden door elkaars vermogens te verwerven. 

Wat dat concreet inhoudt, zien we in de relatie tussen kunstenaar en wetenschapper. Aan alles valt af te lezen dat beiden naar elkaar toegroeien, en in die wederzijdse aantrekkingskracht herkennen we de werking van de etherische Christus. Maar dit samengroeien van de tegenpolen is niet het resultaat van een bewuste inspanning, laat staan van een offer. Het is een onbewuste vermenging waarin de tegenmachten werkzaam zijn. Dat resulteert in een verregaande dekadentie van zowel kunst als wetenschap, een dekadentie die weerspiegeld wordt door het huidige kerstfeest, dat eveneens een onbewuste vermenging is (van twee tegengestelde geboorteverhalen). Een wederopstanding van dit kerstfeest – en daarmee van onze hele beschaving – is maar mogelijk wanneer we ons opnieuw bewust worden van de oorspronkelijke (Christus)geest van dit feest. En een cruciale stap in die wederopstanding is de bewustwording van de relatie tussen beide Jezuskinderen en hun vertegenwoordigers in onze tijd. 

Adriaen Brouwer (2)

  

De grote Adriaen-Brouwertentoonstelling in Oudenaarde roept heel wat vragen op, waarvan de prangendste ongetwijfeld is: waarom wordt deze Vlaamse schilder zo miskend? Beroemd bij zijn leven en bewonderd door Rubens en Rembrandt, heeft hij niettemin vier eeuwen moeten wachten voor hij een tentoonstelling (en een boek) kreeg in eigen land. Of daarmee een eind is gekomen aan de miskenning is echter weinig waarschijnlijk. Toen een Antwerps zakenman twee jaar geleden een kleine schets van Rubens kocht, stonden de kranten er vol van. Maar nu er – voor het eerst in de geschiedenis – een retrospectieve van Adriaen Brouwer plaatsvindt, besteden de media er nauwelijks aandacht aan. Hoe komt dat? Waarom wordt een schilder die tot de allergrootsten behoort zo stiefmoederlijk behandeld? Het lijkt wel of hij onzichtbaar is. Na het bezoek aan de tentoonstelling kan ik dat wel een beetje begrijpen. Zou er een schilder bestaan die minder heeft geschilderd dan Adriaen Brouwer?

Als je al zijn schilderijen naast elkaar legt, bedekken ze niet eens één schilderij van Rubens. En die heeft er honderden gemaakt. Alleen al hun grootte en aantal slaan de kijker met verstomming. Met Adriaen Brouwer is het net omgekeerd. Het is nauwelijks te geloven hoe klein zijn schilderijtjes zijn en hoe weinig hij er heeft geschilderd. Dat zulks niet aan het toeval of aan de omstandigheden te wijten is, kunnen we aflezen aan de twee handtekeningen onder het document dat bij de ingang van de tentoonstelling te zien is: de grote, zwierige krullen van Rubens, en het piepkleine gekrabbel van Adriaen Brouwer. Ze getuigen van twee totaal verschillende persoonlijkheden: de zelfbewuste Sinjoor met de brede gebaren en de Oost-Vlaming die zich als het ware onzichtbaar probeert te maken. Dat Rubens gezien wilde worden lijdt geen twijfel, maar Brouwer lijkt zich te willen verbergen. Hij signeert zijn werk niet eens, en als hij dat een enkele keer toch doet, heb je een vergrootglas nodig om het te zien. 

De naam Rubens klinkt als een klok en overal ter wereld zijn musea er trots op werk van hem in hun bezit te hebben. Adriaen Brouwer daarentegen wordt in ons land meer met bier geassocieerd dan met kunst. Het Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen bezit een van zijn topstukken – het ‘portret van eenen rabauw‘ waarvan Jos Hendrickx zei dat zelfs Velazquez ervoor opzij ging – maar toen ik er de laatste keer ging naar kijken, hing het er niet eens meer. Ook in Oudenaarde schittert het door zijn afwezigheid. Hoe groter Brouwers kunst is, des te minder wordt ze waargenomen, zo lijkt het wel. Alsof onzichtbaarheid er een essentieel kenmerk van is. Maar ook als mens was Adriaen Brouwer in hoge mate onzichtbaar. Over zijn leven is heel weinig bekend. Hij zwierf voortdurend rond en leek soms jaren van de aardbodem te verdwijnen. Deze neiging om zich aan de waarneming te onttrekken was bij Brouwer zo sterk dat ze de eeuwen overleefd heeft: hij wordt nog altijd niet gezien.

Is dat geen contradictie: een schilder die ongezien wil blijven? Schilderen is toch per definitie zichtbaar maken? En een schilder maakt niet alleen de wereld zichtbaar, maar ook zichzelf. Ieder kunstwerk is een zelfportret en het is dat des te meer naarmate het groter kunst is. Zelden heeft een schilder zich meer blootgegeven in zijn kunst dan Adriaen Brouwer. Hij toont de mens – en dus ook zichzelf – niet als een indrukwekkende held, vol kracht en schoonheid, zoals Rubens dat doet. Hij beeldt hem af als een gevallen wezen dat zich nauwelijks onderscheidt van de dieren, dat in donkere holen leeft en ten prooi is aan lage driften. Bovendien schildert hij deze duistere wereld op een bijzonder transparante manier alsof hij niets verborgen wil houden. Brouwer kleedt de mens tot op het bot uit, hij ontdoet hem van de etherische luister waarin Rubens hem hult en houdt alleen het louter aardse wezen over. Geen wonder dat Adriaen Brouwer zich wil verbergen: hij staat in al zijn schamele naaktheid voor de kijker.  

Waarom doet Brouwer dat? Men zou de reden in zijn persoonlijke leven kunnen zoeken. Hij is nog geen tien jaar als het gezin, zoals zovele Vlamingen, emigreert naar het noorden. Het kind wordt losgerukt uit zijn vertrouwde wereld. Maar ook in Holland vindt het geen thuis. Vader Brouwer maakt er een puinhoop van. Als hij sterft verlaat de 16-jarige Adriaen het huis zonder een spoor achter te laten. Hij zwerft rond, en dat zal hij zijn hele leven blijven doen: een ontwortelde die nergens rust vindt en soelaas zoekt in drank en drugs. Het zal de keuze voor zijn onderwerpen ongetwijfeld beïnvloed hebben, maar het is er niet de oorzaak van. We hoeven maar naar Rubens te kijken: ook hij groeit niet op in rozegeur en maneschijn. Hij wordt ver van huis geboren want vader Rubens, schepen van de stad Antwerpen, zit gevangen in Duitsland waar hij wacht op zijn terechtstelling. Geen onbekommerde jeugd dus voor kleine Peter, maar toch zal hij een heel andere keuze maken dan Adriaen Brouwer.

Rubens is dan ook een heel ander mens. Ongemeen wilskrachtig, geeft hij blijk van een enorme werklust en een ijzeren zelfdiscipline. Hij ziet het groots en heeft alles onder controle, ook al begint zijn leven in mineur, net als dat van Adriaen Brouwer. Deze laatste is het complete tegendeel van Rubens. Hij heeft een slordige ziel, zoals Felix Timmermans schrijft. Ambitie bezit hij niet, geld interesseert hem niet, schilderen doet hij wanneer hij er zin in heeft of wanneer hij in de schulden zit, en het liefst van al zit hij in de kroeg zich te beroezen. Als er ooit twee tegenpolen bestaan hebben, dan wel deze twee schilders. De tegenstelling tussen beide is zo extreem dat ze als het ware een karikatuur is van de tegenstelling die aan het eind van de 16de eeuw de Lage Landen – en bij uitbreiding heel Europa – in twee scheurt. Kunstenaars van dit formaat zijn nooit alleen maar persoonlijk, ze zijn ook bovenpersoonlijk. Ze zijn representanten van volkeren, geloofsovertuigingen en kunstrichtingen.

Rubens is het boegbeeld van de contrareformatie, de strijdbare vertegenwoordiger van het zuiderse katholicisme. Hij hangt het Renaisssancistische ideaal aan dat de mens voorstelt als een held, een halfgod, een Olympiër. De Renaissance heeft Europa veroverd zoals de Romeinse legioenen destijds ook deden. Nog tot in de 20ste eeuw is het een traditie dat kunstenaars een Italië-reis maken om zich te ‘laven aan de bron’. Ook Pieter Breughel onderneemt zo’n reis, maar als hij terugkeert begint hij … boerenmensen te schilderen. Hij gaat dwars in tegen de allesoverheersende Renaissance en men vraagt zich nog altijd af wat hem tot zo’n revolutionaire daad bracht. Hij laat de Olympus voor wat hij is en daalt af naar de begane grond waar hij de boer in zijn dagelijkse bestaan schildert. Adriaen Brouwer gaat nog een stap verder. Hij daalt als het ware af in de onderwereld. Hij schildert de gevallen mens, de mens aan zelfkant van de samenleving. 

Nooit eerder heeft iemand dat gedaan. Nooit eerder heeft een schilder de zelfkant van de samenleving tot onderwerp van zijn kunst gemaakt. Uitgerekend in het land der schildergoden, waar Rubens en de zijnen de mens verheffen tot mythische hoogten, staat een jonge knaap op die helemaal in zijn eentje deze reuzen trotseert. Zijn heldhaftige verzet heeft – paradoxaal genoeg – mythische dimensies, alsof David het weer opneemt tegen Goliath. Zo moeten zijn tijdgenoten het ook beleefd hebben, want de jonge Brouwer krijgt grote bijval. Zijn naam gaat als een lopend vuurtje rond. Er wordt veel geld betaald voor zijn kleine paneeltjes, die meteen navolging vinden en gekopieerd worden. Wanneer hij als 25-jarige naar Antwerpen komt, gaat zijn roem hem vooraf. Hij wordt bewonderd als was hij een kind der goden. Maar een godenkind dat marginalen schildert die roken, zuipen, vechten, hoereren, pissen, kakken en kotsen? Er is duidelijk iets aan de hand in Vlaanderen. Adriaen Brouwer raakt een gevoelige snaar. Het is alsof men op hem zat te wachten. 

Zoals Rubens de speerpunt is van de contrareformatie, zo is Adriaen Brouwer de exponent van de protestantse vrijheidsgeest, die zich verzet tegen de macht van het zuiderse katholicisme. Dat verzet veroorzaakt een vreselijke godsdienststrijd met grote gevolgen voor Europa, en met name voor de Lage Landen. Ze worden door die strijd letterlijk in twee gescheurd, en dat is een veelzeggend voorteken, want 300 jaar later zal heel Europa in twee worden gescheurd. De diepe kloof die haar beschaving bedreigt komt op exemplarische wijze tot uitdrukking in de tegenstelling tussen Rubens en Brouwer. Rubens is de conservatief par excellence, de reactionair zelfs: een koningsgezinde bedrijfsleider, een rechtse figuur zou men vandaag zeggen. Brouwer daarentegen is progressief, revolutionair zelfs. Hij breekt radicaal met het Renaissance-ideaal en neemt het op voor de kleine man. Hij staat voor vrijheid en toekomst, terwijl Rubens het autoritaire verleden belichaamt.  

Méér kunnen ze niet van elkaar verschillen, de grote Sinjoor en het enfant terrible. Maar, en dat is het uitzonderlijke, ze respecteren elkaar, ze bewonderen elkaar, er is zelfs sprake van genegenheid. De legende wil dat Rubens zich ontfermt over de ‘verloren zoon’. Als hij kort na Brouwer sterft, blijkt hij niet minder dan 17 werken van hem in zijn bezit te hebben. Misschien kocht hij ze om de immer door schulden geplaagde Brouwer uit de brand te helpen, maar feit is dat de grote man zich door zijn kleine paneeltjes laat inspireren. Hij moet er in zijn laatste levensjaren veel naar gekeken hebben, en wellicht werd hij er een nieuw, toekomstig ideaal in gewaar. Hoe dan ook, het is een klein wonder dat twee zo tegengestelde geesten elkaar ontmoet hebben zonder elkaar af te stoten. Het doet onwillekeurig denken aan die andere, eveneens tamelijk onwaarschijnlijke vriendschap: die tussen de oudere en bedaagde Goethe en de jonge, ‘revolutionaire’ Schiller. 

Het is inderdaad een heel bijzondere constellatie die aan het begin van de 17de eeuw zichtbaar wordt in de Nederlanden. We vinden er een concentratie van geniale kunstenaars zoals we die alleen aantreffen in de Renaissance en in het Duitse idealisme. Rubens, Rembrandt, Brouwer, Van Dijck, Vermeer, Jordaens, Frans Hals, enzovoort: het is een absoluut hoogtepunt in de Europese kunstgeschiedenis. Tegelijk is het echter ook een dieptepunt, want er woedt een verschrikkelijke strijd tussen Noord en Zuid, een strijd die het ‘land der schilders’ in twee scheurt. Het brandpunt van de beschaving verplaatst zich van Zuid naar Noord en Vlaanderen is daar het grootste slachtoffer van. Het begint aan zijn ‘afdaling ter helle’: van de top der beschaving zinkt het langzaam weg tot in diepten van Brouweriaanse ellende. In de kring rond Rubens licht het stervende Vlaanderen nog eenmaal op in al zijn oude glorie. In de eenzame en berooide Adriaen Brouwer zien we het lot van het toekomstige Vlaanderen verschijnen.

Goethe en Schiller worden steevast in één adem genoemd. In Weimar hebben ze zelfs een gezamenlijk standbeeld. Rubens daarentegen prijkt helemaal alleen op de Antwerpse Groenplaats. Van Brouwer is geen spoor te bekennen. De idee om de Sinjoor en de vagebond samen te vereeuwigen is waarschijnlijk nog nooit in iemand opgekomen. En toch, ze horen samen, zoals ook Goethe en Schiller samenhoren. Ze vormen de ziel van Vlaanderen, het verscheurde, vernederde en onzichtbaar geworden Vlaanderen. Na bijna vier eeuwen heeft dat Vlaanderen eindelijk een tentoonstelling gewijd aan haar ‘verloren zoon’, aan de miskende en vergeten helft van haar eigen ziel. Maar toen ik enkele dagen geleden voor de tweede keer naar Oudenaarde fietste (om het tweede boek over Brouwer te kopen) barstte een schoolklas joelend uit de tentoonstelling naar buiten, opgelucht de zon weer te zien. Daarna bleef het stil. Ik ging op een bank zitten en het volgende halfuur zag ik geen enkele beweging meer bij de ingang van het stadhuis. 

Vlaanderen is er duidelijk nog niet aan toe om in de spiegel van Brouwer te kijken en het ontbrekende deel van haar eigen ziel onder ogen te zien. Het zijn dan ook enorme krachten die deze ziel – net als de Duitse – uit elkaar hebben gescheurd. Vlaanderen staat bekend als het slagveld van Europa. Het ligt dan ook op de grens tussen Noord en Zuid. Adriaen Brouwer pendelde voortdurend heen en weer tussen de noordelijke en de zuidelijke Nederlanden. Hij kende zowel Rubens als Rembrandt en werd door beiden bewonderd. Hij belichaamde de grens, de breuklijn, de wonde. Hij daalde af in de diepe kloof en ontdekte daar het goud waarover Goethe spreekt in zijn sprookje, het goud dat naar boven moet worden gehaald om een nieuwe brug te slaan over de rivier, over het diepe water dat twee tegengestelde werelden scheidt, werelden die op onovertroffen wijze in beeld werden gebracht door de koninklijke oude ziel van Rubens en de ‘boertige’ jonge ziel van Adriaen Brouwer. 

Antroposofie en karmabewustzijn (13)

   

Karmaonderzoek is de bewuste en vrijwillige versie van wat ieder mens op zijn oude dag onwillekeurig doet: terugkijken op zijn leven. Het is een hogere vorm van zelfonderzoek, aangezien ieder leven de uitdrukking is van een hoger Ik. Volgens Rudolf Steiner komt dat Ik van buitenaf op de mens toe. Wat van binnenuit werkt is het lager ik of ego, dat zich kenbaar maakt in wensen, begeerten en verlangens. Het leven waar dit lager ik van droomt, is zelden of nooit het leven dat het krijgt. Vaak is het zelfs het tegenovergestelde. Met name bij de moderne mens, wiens lager ik als gevolg van de talloze mogelijkheden die het leven hem biedt zeer begerig en verlangend is geworden, bestaat er een steeds dieper wordende kloof tussen het leven dat hij zich droomt en het leven dat hij werkelijk leidt. Dat laatste ervaart hij in toenemende mate als een mislukking, en omdat hij niet kan geloven dat die ‘mislukking’ het werk is van een hoger Ik, wordt de terugblik een pijnlijke zaak. 

Dat is de reden waarom gepensioneerden het vandaag zo druk hebben: ze willen niet omkijken naar hun leven, ze willen niet geconfronteerd worden met de pijnlijke kloof tussen droom en werkelijkheid, met alles wat niet heeft mogen zijn. Om dezelfde reden werpen steeds meer jonge mensen zich in het ‘activisme’: ook zij willen niet geconfronteerd worden met de tegenstelling tussen de wereld-zoals-hij-zou-moeten-zijn en de wereld-zoals-hij-is. De kloof tussen die twee werelden – de ideale en de reële – is zo groot geworden dat ze hun dromen waarschijnlijk nooit zullen kunnen realiseren. Beide generaties zitten dus in hetzelfde parket: ze zien geen toekomst meer en dat zwarte gat ontvluchten ze door koortsachtig actief te zijn. Bij de ouderen heeft dat ‘wilde willen’ een eerder egocentrisch karakter (ze willen er nog eens goed van profiteren), bij de jongeren heeft het een eerder exocentrisch karakter (ze willen de wereld verbeteren), maar in beide gevallen gaat het uit van hun lager ik.  

Dit ‘lagere’ willen brengt ouderen en jongeren met elkaar in botsing. Als de ouderen ‘er nog eens goed van willen profiteren’ dan moet de wereld blijven zoals hij is. Willen de jongeren opnieuw een toekomst hebben dan moet de wereld kost wat kost veranderen. Hoe meer de mens toegeeft aan zijn lagere driften, aan zijn zelfzuchtige ik, aan de-wereld-zoals-hij-zou-moeten-zijn, des te meer komen oud en jong tegenover elkaar te staan, des te meer worden ze elkaars vijanden. Was dat niet ook de oorzaak van de problemen die de antroposofische beweging na de dood van Rudolf Steiner uiteen deden spatten? Zolang hij nog leefde, kon hij de spanningen tussen de oudere en de jongere generatie in bedwang houden. Dat werd echter steeds moeilijker, en toen het Goetheanum afbrandde was hij de wanhoop nabij. De brand was weliswaar van buitenaf aangestoken, maar de diepere oorzaak ervan lag in de wrijvingen tussen de generaties, in de zelfzuchtigheid van hun streven.

De eerste generatie, die het Rudolf Steiner mogelijk maakte de antroposofie in de wereld te zetten, bestond uit gepensioneerden en gefortuneerde mensen. Ze hadden hun plaats in de wereld veroverd (of gekregen) en die plaats vormde de grond van hun bestaan. De jongere generatie, die na de eerste wereldoorlog aan de antroposofische deur klopte, had de grond onder haar voeten voelen verdwijnen. Op de slagvelden had ze kennisgemaakt met de keerzijde van de oude wereld en die (gespleten) wereld wilden de jongeren niet meer, ze wilden een nieuwe en betere wereld. Ook de ouderen zochten naar vernieuwing – anders hadden ze zich niet rond Rudolf Steiner geschaard – maar ze zochten die vernieuwing niet in een verandering van de wereld, maar in een verandering van bewustzijn. Hun leven had in het teken gestaan van het veroveren van (een plaats in) de materiële wereld, en de jaren die hen nog restten wilden ze besteden aan het veroveren van (een plaats in) de geestelijke wereld. 

Beide generaties kwamen in verzet tegen het leven zoals het was, maar ze deden dat op tegengestelde wijze. De ouderen hadden de neiging de materiële wereld te vergeten en zich enkel te concentreren op de geestelijke wereld, de jongeren hadden de neiging precies het omgekeerde te doen. Ze zagen in de geest een middel om de wereld te veranderen, terwijl de ‘gepensioneerden’ in hun materiële welstand een middel zagen om zich aan de geest te kunnen wijden. Allebei zochten ze die geest – in de hemel of op aarde – maar ze zochten hem op zelfzuchtige wijze, gedreven door de dromen en verlangens die in hun ziel leefden. Geen van beiden zocht de geest waar hij was: in het leven zoals dat van buitenaf op hen toekwam. En wat in de antroposofische vereniging van buitenaf op hen toekwam, was de andere generatie. De ouderen zagen hun hoger Ik verschijnen in de gedaante van de jongeren, en de jongeren zagen het op zich toekomen in de gedaante van de ouderen.

Dat konden ze toen echter niet weten, want Rudolf Steiner had nog niet gesproken over het antroposofische karma dat juist bestond in de ontmoeting tussen (zowel in letterlijke als in figuurlijke zin) oude en jonge zielen. Ze hadden dit karma-inzicht ook niet kunnen verteren. De oudere generatie – welgestelde dames en heren van stand – had onmogelijk de gedachte kunnen accepteren dat de ‘barbaarse’ jongeren die zo brutaal en zonder enig respect de antroposofische wereld waren komen binnenstampen, de representant waren van hun eigen hogere Ik. En omgekeerd hadden de jongeren, die zo’n diepe afkeer voelden voor de burgerlijke, bekrompen wereld van de ouderen, nooit kunnen aanvaarden dat die keurige aristocratische lieden, die nooit hadden moeten werken (laat staan vechten) om te overleven – en die in hun ogen dus niks van het werkelijke leven afwisten – hun eigen hogere Ik vertegenwoordigden. Nee, geen van beide generaties was daaraan toe. 

Sigmund Freud was in die tijd nog een nobele onbekende en het concept van het onderbewuste moest nog doordringen tot het algemene bewustzijn. Het kwam in de oudere generatie niet op om naar zichzelf te kijken en zich bewust te worden van de duistere keerzijde van hun burgerlijke en/of aristocratische geest. Het arbeidersvraagstuk en het opkomende socialisme lagen reeds als een tikkende tijdbom onder hun oude wereld, maar de scheiding der standen hield dat veilig voor hen verborgen. Voor de jongeren lag de confrontatie met zichzelf zo mogelijk nog moeilijker. Niet alleen waren ze nog veel te jong om al aan zelfreflectie te doen – hun natuurlijke dadendrang zou erdoor verlamd zijn geworden – maar het zou hen ook geconfronteerd hebben met de vreselijke wonde die de oorlog in hun ziel had geslagen. Die gapende kloof konden ze met de beste wil van de wereld niet onder ogen zien. Trouwens, veel van hun dadendrang hadden ze juist te danken aan de angst waarmee dit ‘zwarte gat’ hen vervulde. 

Vandaag zijn we honderd jaar verder en liggen de zaken heel anders. We kunnen onszelf niet meer ontvluchten, het leven dwingt ons in de spiegel te kijken. Het wordt steeds moeilijker om te (over)leven zonder de hulp van psychologen, psychiaters, therapeuten en andere zielzorgers. Deze zelfreflectie – een begin van karmaonderzoek – negeert weliswaar de geestelijke dimensie van het hogere Ik, maar ze is toch een grote stap vooruit. Jonge mensen spreken vandaag veel vrijer over hun (uiterlijke en innerlijke) leven dan hun ouders, terwijl het voor hun grootouders vaak nog taboe is. Juist dat grote verschil doet ons beseffen dat karmabewustzijn in de tijd van Rudolf Steiner nog niet tot de mogelijkheden behoorde. Als het ons al zo moeilijk valt het antroposofische karma onder ogen te zien, hoe zou de vooroorlogse generatie daar ooit toe in staat zijn geweest! Nee, ze moest eerst de antroposofie leren kennen voor er zelfs maar aan karmabewustzijn kon gedacht worden. 

De Weihnachtstagung was dan ook een enorme stap. Tot dan toe hadden de antroposofen hun aandacht naar buiten gericht – ook hun aandacht voor de geest was op ‘het andere’ gericht – en nu moesten ze hem opeens ook naar binnen richten, op het eigen zelf. Het was de stap van het oude dualistische bewustzijn naar het nieuwe karmabewustzijn. In het eerste beleeft de mens zichzelf als een duidelijk afgebakende eenheid, een binnenwereld die afgesloten is van de buitenwereld. In het tweede beleeft hij zich als een dubbel wezen dat zowel binnen leeft (het lagere ik) als buiten (het hogere Ik). De grens die het dualistische bewustzijn tussen mens en wereld trekt, en die de werkelijkheid in twee deelt, trekt het karmabewustzijn – dat slechts één werkelijkheid erkent – in de mens zelf. De dualistische mens is ‘een mens uit één stuk’: hij stelt zichzelf niet in vraag en ontleent daaraan de kracht om de buitenwereld te veroveren. De ‘karmische’ mens daarentegen wordt geconfronteerd met de gespletenheid van zijn eigen wezen, en raakt daardoor van slag. 

We herkennen deze overgang in Parsifal die de graalburcht betreedt – beeld van een binnenwereld die tegelijk buitenwereld is – en daar geconfronteerd wordt met zijn eigen gespleten wezen. Hij herkent zichzelf echter niet in de gewonde Visserkoning, want hij beleeft zichzelf nog als een (koninklijk) wezen uit één stuk, een heldhaftige ridder die de buitenwereld stormenderhand verovert en zichzelf niet in vraag stelt. Door dit onvermogen om in zijn heersersnatuur de gekwetste, lijdende mens te zien, kan hij niet in de graalburcht blijven en moet hij opnieuw de oude, dualistische wereld in. Maar er is iets veranderd, het beeld van de tegenstelling tussen de zwaargewonde Visserkoning (zijn lagere ik) en de verheven graal (zijn hogere Ik) laat hem niet meer los. De oude strijd met de buitenwereld wordt steeds meer een strijd met zichzelf. Het zwaartepunt verschuift langzaam van zijn (onoverwinnelijke) lagere ik naar zijn (deemoedige) hogere Ik.  

De antroposofie was de graalburcht waarin Rudolf Steiner zijn leerlingen binnenleidde en waar ze geconfronteerd werden met hun eigen dualistische wezen. Maar ze waren nog niet in staat te begrijpen dat de kloof tussen de generaties een beeld was van de kloof die door hun eigen ziel liep. Zoals Parsifal zichzelf niet herkende in de gewonde Visserkoning, zo herkenden de antroposofen van het eerste uur zichzelf niet in de andere generatie. Ze slaagden er niet in de verlossende vraag te stellen naar de oorzaak van hun lijden: de tegenstelling tussen beide generaties, tussen beide zielengroepen. Die wonde konden ze nog niet onder ogen zien en in een onbewuste poging om hun ‘koninklijke zelf’ te vrijwaren stootten ze hun lager ik van zich af en projecteerden het op de andere generatie. Rudolf Steiner had hen tot aan de drempel van de geestelijke wereld gevoerd en daar ontmoetten ze hun dubbelganger. Maar ze herkenden hem niet en gingen met hem in de clinch.

Het was deze dubbelgangersstrijd die Rudolf Steiner tot wanhoop dreef. Na de brand van het Goetheanum speelde hij met de gedachte zich terug te trekken en de vechtende vereniging aan haar lot over te laten. In plaats daarvan deed hij het tegenovergestelde: tijdens de Weihnachtstagung verbond hij zich persoonlijk met de gepolariseerde vereniging. Hij werd voorzitter van de antroposofische vereniging en nam de verantwoordelijkheid op zich voor alles wat in die vereniging gebeurde, dus ook voor de strijd met de dubbelganger. Doordat hij als bliksemafleider fungeerde, kon er een nieuwe wind door de vereniging waaien, maar het kostte hem wel het leven. De dubbelgangers die de vereniging ten gronde hadden gericht, richtten nu Rudolf Steiner ten gronde. Wellicht had hij gehoopt dat zijn leerlingen zelf de confrontatie met hun dubbelganger zouden aangaan, zodat hij niet het volle gewicht van hun ‘zonden’ moest dragen. Maar ze schoten tekort, zoals ook Parsifal tekort was geschoten.

Onmiddellijk na Rudolf Steiners dood wierp de dubbelganger zich opnieuw op de vereniging en sleurde haar mee in een niets ontziende strijd. Die strijd had nu een geestelijker karakter gekregen. Hij ging niet zozeer tussen de oude en de jonge generatie, dan wel tussen de oude en de jonge zielen. De wonde die nu zichtbaar werd, was de ‘oerwonde’ van de mensheid. Rudolf Steiner had er tijdens zijn karmavoordrachten op gewezen omdat hij wist welke beproeving zijn leerlingen te wachten stond. Maar de weerstanden waren te groot, het oude dualistische bewustzijn nog te sterk. Toen de dubbelganger reuzengroot voor hen opdook, reageerden ze instinctief en trokken heldhaftig ten strijde tegen de draak. Het was echter een blinde strijd, ze zagen geen verschil tussen de dubbelganger van de vereniging en haar hogere Ik. Als gevolg daarvan bestreden ze niet de draak maar de vereniging. Ze sloegen het zwaard stuk dat ze van Rudolf Steiner gekregen hadden, het Michaëlszwaard van het hogere onderscheidingsvermogen.  

Vandaag heeft deze blinde dubbelgangersstrijd heeft zich over de hele wereld verspreid. De mensheid gaat over de drempel en overal staan heldhaftige ridders op die de draak te lijf gaan. Door hun gebrek aan onderscheidingsvermogen ontketenen ze echter een wereldwijde broederstrijd. Er bestaat voor de moderne mens dan ook geen dringender opgave dan het ontwikkelen van dit hogere onderscheidingsvermogen. De antroposofen hebben uit handen van Rudolf Steiner het Michaëlszwaard ontvangen en op hen rust de ‘heilige plicht’ dit zwaard te stalen, want het is nog bijzonder bros. Wie er de draak mee te lijf wil gaan, raakt onherroepelijk in de greep van zijn dubbelganger. De echte, michaëlische strijd ligt dan ook in de ontwikkeling van het karmabewustzijn, dat in eerste instantie het bewustzijn is van de wonde van de Visserkoning, de tegenstelling tussen het lagere en het hogere Ik. Met de Parsifalvraag naar die wonde begint het karmaonderzoek en worden we Michaëldienaars. 

Antroposofie en karmabewustzijn (12)

  

De wereld schreeuwt om karmabewustzijn. Zij heeft dit ‘ontwakende’ bewustzijn nodig om niet ten gronde te gaan aan de zelfvernietigende strijd tussen de tegenpolen. Geen wonder dat de tegenmachten onmiddellijk reageerden toen Rudolf Steiner tijdens de Weihnachtstagung dit nieuwe bewustzijn boven de doopvont hield. Na afloop werd hij ‘als door een zwaardhouw getroffen’, zoals Marie von Sivers het uitdrukte. De brand van het Goetheanum had hem al fel verzwakt, maar deze tweede aanslag op zijn krachten werd hem fataal. Een goed jaar later overleed hij, na een lange en pijnlijke ziekte. Meteen sloegen de tegenmachten een derde keer toe: de antroposofische beweging werd het toneel van een nietsontziende broederstrijd die daarna uitdeinde over Duitsland en ten slotte heel Europa in twee scheurde. Maar daarmee was het niet afgelopen. Vandaag laait die strijd opnieuw op en dit keer dreigt hij de hele menselijke beschaving ‘aan de rand van het graf’ te brengen. 

Deze onheilspellende woorden gebruikte Rudolf Steiner toen hij sprak over oude en jonge zielen, het karmathema dat destijds hevige weerstanden opwekte, en dat vandaag nog altijd doet. Hoe pijnlijk deze weerstanden ook zijn in het licht van de wereldgebeurtenissen, ze openen tegelijk onvermoede perspectieven. Ze maken immers deel uit van de vernietigingskrachten die momenteel huishouden in de wereld en ons door hun enorme afmetingen verlammen. Dat ze de ontwikkeling van het karmabewustzijn in de antroposofische beweging saboteren is tragisch genoeg, maar ze hebben er wel niet langer dat overweldigende, apocalyptische karakter. En dat hebben we te danken aan de ruzie tussen Marie von Sivers en Ita Wegman. Hun ‘banale’ Urnenstreit ontwikkelde zich weliswaar tot een brand die antroposofische beweging (voor de tweede maal) in de as legde, maar ze klaarde tegelijk de lucht zodat we vandaag vrijer kunnen ademen en de vernietigingskrachten onder ogen zien. 

Ita Wegman was karmisch zeer sterk verbonden met Rudolf Steiner. Sinds oeroude tijden vormden deze twee zielen een onafscheidelijk duo. Aan het begin van de 20ste eeuw ontmoetten ze elkaar opnieuw, een ontmoeting die voor beiden van zeer grote betekenis was. Rudolf Steiner had echter het karma van Karl Julius Schröer overgenomen en zich verbonden met Marie von Sivers die 21 jaar lang zijn rechterhand zou zijn. Evenzovele jaren werd Ita Wegman verhinderd haar karmische band met Rudolf Steiner te vernieuwen. Men kan zich voorstellen wat dat in haar ziel teweeg heeft gebracht. En wat heeft het in de ziel van Marie von Sivers teweeg gebracht toen ze na 21 jaar de belangrijkste persoon in het leven van Rudolf Steiner te zijn geweest, plaats moest ruimen voor een andere vrouw? Het karma dat toen aan het werk was, vlocht intiem-persoonlijke en wereldhistorisch-bovenpersoonlijke elementen door elkaar en creëerde grote spanningen tussen beide vrouwen.

Marie von Sivers reageerde anders op die spanningen dan Ita Wegman, niet alleen omdat ze een ander temperament had, maar ook omdat ze een heel andere wereld vertegenwoordigde. Het is een hele opgave om de twee werelden die na de dood van Rudolf Steiner met elkaar in botsing kwamen in beeld te brengen, maar de eenvoudigste en veiligste manier om daarmee te beginnen is door ze te karakteriseren als een oude en een nieuwe wereld. Dat zijn natuurlijk verzamelbegrippen, zoals ook oude en jonge zielen dat zijn, maar ze vormen een aanzet, een eerste poging om karmisch licht te brengen in die toch wel zeer duistere periode tussen 1925 en 1935. Belangrijk om weten is dat Marie von Sivers en Ita Wegman zich uiteindelijk met elkaar verzoend hebben. Kort voor haar dood verklaarde Ita Wegman dat niets hun toekomstige samenwerking met Rudolf Steiner nog in de weg stond. En later zou Marie von Sivers erkennen dat de uitsluitingen een fout waren geweest. 

Als we de zusterstrijd die Marie von Sivers en Ita Wegman uitvochten vruchtbaar willen maken, dan moeten we hem in ons bewustzijn voortzetten. We moeten proberen het oerbeeld te begrijpen dat hun strijd zo diep in de antroposofische herinnering heeft gegrift. De sleutel tot dat oerbeeld heeft Rudolf Steiner ons gegeven toen hij in zijn karmavoordrachten het zielenthema onthulde. Hij wist heel goed welke spanningen er heersten tussen Marie von Sivers en Ita Wegman, en wat de geestelijke achtergrond ervan was. Toen Ita Wegman hem op een keer vertelde dat ze weer eens van mening verschilde met Marie von Sivers, antwoordde hij lachend: ‘Let maar op dat ik jullie straks nog herken!’ Daarmee raakte hij iets heel wezenlijks aan en Ita Wegman voelde dat zijn grapje – zoals zo vaak – ernstig bedoeld was. Wie ooit een antroposofische ruzie heeft meegemaakt, weet dat het akeligste aspect van zo’n broederstrijd is dat mensen onherkenbaar worden, dat ze veranderen in volslagen vreemden. 

Rudolf Steiner moet heel goed geweten hebben wat er na zijn dood kon gebeuren, en hij heeft er in zijn karmavoordrachten op geanticipeerd. Toch waren deze voordrachten niet bedoeld voor zijn leerlingen van toen. Afgezien van het feit dat slechts weinigen ze hadden kunnen bijwonen, was er ook helemaal geen tijd geweest om hun inzichten te verwerken. Het karmabewustzijn had nauwelijks de kans gekregen om te ontluiken en kon dan ook geen vuist maken tegen de frontale aanval van de tegenmachten, een aanval die zowel van buiten als van binnen kwam. Nee, de karmavoordrachten waren voor ons bedoeld, voor degenen die vandaag kunnen terugkijken op de Grote Ruzie waarvan Rudolf Steiner wist dat ze hoe dan ook zou komen. Daarom had hij tijdens de Weihnachtstagung de gevolgen op zich geladen. Zonder zijn offer zou de antroposofische beweging vandaag niet meer bestaan. Ze zou ten onder zijn gegaan aan de vernietigende krachten die na zijn dood vrij spel kregen. 

Vandaag leeft de antroposofische beweging vanuit de opstandingskrachten die Rudolf Steiner in het leven heeft geroepen door zijn offerdood. Maar ze leeft slechts in de mate dat we ons die opstandingskrachten eigen maken, en dat doen we door inzicht te ontwikkelen in het sterven van de antroposofie. Wanneer we naar de antroposofische beweging kijken, dan zien een beweging die overmand is door doodskrachten. Een aantrekkelijk schouwspel is dat niet, zeker niet als men bezield wordt door vurige idealen, en de verleiding is dan ook groot om dit sterven te negeren. Maar wat we niet bewust onder ogen zien, werkt onbewust. Zonder het te beseffen spannen we ons voortdurend in om het naderende einde af te wenden, en het zijn juist die blinde, door angst ingegeven, pogingen die de broederstrijd opnieuw doen oplaaien, zoniet binnen de antroposofische beweging, dan toch erbuiten. Want de wereld betaalt een zware prijs voor ons onvermogen het eigen sterven onder ogen te zien.

We realiseren ons niet dat we, net als Parsifal, tegenover een zieke Visserkoning staan en verzuimen de vraag te stellen naar zijn lijden, het lijden van iemand die stervende is maar (dankzij de opstandingskrachten van de graal) toch in leven blijft. Het enige wat de zieke uit dit lijden kan verlossen, is inzicht in de aard en de oorsprong van dat lijden. Daarvoor moet de Visserkoning echter een Parsifal worden die tegenover zijn eigen lijden gaat staan en de verlossende (karma)vraag stelt. In de Visserkoning herkennen we niet alleen de ouder wordende mens die terugkijkt op zijn voorbije leven, maar ook de oude antroposofie die zich terugplooit op zichzelf. In Parsifal herkennen we diezelfde oude antroposofie die steeds objectiever tegenover zichzelf komt te staan en langzaam ontwaakt uit de droom. Daardoor wordt ze zich bewust van haar eigen ‘koninklijke’ aard, maar is daar aanvankelijk zo diep van onder de indruk dat ze niet ziet hoe zwaar gewond ze wel is. 

Datzelfde (oer)beeld kunnen we ook herkennen in de relatie tussen Marie von Sivers en Ita Wegman. Frau Steiner was een Visserkoning(in), een ‘gewonde’ oude ziel die als het ware in twee gedeeld was: het ene moment warm en hartelijk, het volgende moment ijskoud en messcherp. Ita Wegman was eveneens een koninklijke oude ziel, maar ze was veel ‘gezonder’ dan Marie von Sivers, veel aardser, veel moderner ook. Terwijl Marie von Sivers zich van meet af ten dienste stelde van Rudolf Steiner en zelfs officieel zijn vrouw werd (aldus gehoorzamend aan de vormen van het verleden), ging Ita Wegman haar eigen, onafhankelijke weg. Pas toen ze helemaal op eigen benen stond, stelde ze zich ten dienste van Rudolf Steiner. Marie von Sivers had dat veel eerder gedaan, en wel uit bewondering voor de ‘koninklijke’ grootheid van Rudolf Steiner. Ita Wegman deed het uit medelijden met de mens Steiner, die zwaar gewond werd toen de brand het Goetheanum vernietigde.

Door dit medelijden werd haar karmabewustzijn geboren en kon ze de verlossende Parsifalvraag stellen, de vraag naar de nieuwe mysteriën, naar de wederopstanding van de (gestorven) antroposofie. Dankzij die vraag kon de Weihnachtstagung plaatsvinden en kon Rudolf Steiner – eindelijk – vrijuit spreken over het karma, zowel dat van de antroposofische beweging als dat van hemzelf en Ita Wegman. Ook Marie von Sivers had Rudolf Steiner destijds een verlossende vraag gesteld, de vraag die de geboorte van de antroposofie mogelijk maakte. Maar die vraag kwam (nog) niet voort uit karmabewustzijn, want daar wilde ze niks van weten. Telkens ze met Rudolf Steiner op doortocht was in Keulen, troonde hij haar mee naar het graf van Albertus Magnus, van wie hij wist dat het een van haar vroegere incarnaties was. Marie von Sivers – die het hart op de tong droeg – mopperde dan: weeral dat graf, hebben we dat nu nog niet genoeg gezien! Het kwam niet in haar op dat Rudolf Steiner haar iets wilde vertellen. Ze wilde het ook niet horen.  

Op een hoger niveau herkennen we in Rudolf Steiner de lijdende Visserkoning. Enerzijds was hij een koninklijke geest, de behoeder van de goddelijke graalgeheimen. Anderszijds was hij ‘een man van smarten’ die zwaar gebukt ging onder het lijden van de mensheid. Op datzelfde niveau herkennen we in Marie von Sivers en Ita Wegman twee stadia van de Parsifalweg. Marie von Sivers is de jonge Parsifal die onverwachts in de graalburcht terechtkomt en daar de Visserkoning ontmoet. Ze is zo onder de indruk van zijn grootheid dat ze zich, zoals het een ridder past, meteen in zijn dienst stelt. Omstreeks dezelfde tijd ontmoet ook Ita Wegman Rudolf Steiner, maar anders dan Marie von Sivers is ze niet onder de indruk en vervolgt haar eigen weg. Pas veel later komt ze terug in (antroposofische) graalburcht, maar ze is dan wel in staat de verlossende Parsifalvraag te stellen, omdat ze in de koninklijke Rudolf Steiner de lijdende mens herkent, haar metgezel, haar mensenbroeder. 

Dankzij dit oplichtende karmabewustzijn – dat in de mens zowel de ‘koning’ als de ‘broeder’ ziet – kan ze de fakkel van de stervende Rudolf Steiner overnemen en wordt ze de nieuwe ‘graalkoning’. Zo behandelt Rudolf Steiner haar ook: als ‘de leerling die hij liefhad’, als zijn opvolger. Maar deze kroning was tegelijk een kruisiging, dit hoogtepunt was tegelijk een nieuw begin. Ita Wegman, de oude ziel, wordt weer jong. Als een onstuimige Parsifal komt ze tegenover de oudere Marie von Sivers te staan. En ze faalt, ze verzuimt de vraag te stellen naar het lijden van deze koninklijke ziel. Als beide vrouwen met de auto terugkeren van de crematie van Rudolf Steiner – een wel zeer moderne versie van de graallegende – is Ita Wegman vol van de (koninklijke) taak die haar is toebedacht en ze heeft geen oog voor Marie von Sivers die door het sterven van Rudolf Steiner diep gewond is. Ze blijft blind voor het lijden van de ‘koningin’ en dat wekt verontwaardiging bij haar hofhouding: ze wordt zonder pardon uit de graalbrucht gezet.  

Zoals Ita Wegman destijds Rudolf Steiner niet herkende en daarvoor ‘gestraft’ werd met een eenzaam bestaan als dolende ridder, zo herkent ze nu ook Marie von Sivers niet en wordt andermaal ‘gestraft’ met een eenzaam bestaan buiten de antroposofische vereniging, veracht en bespuwd door de bewoners van deze graalburcht. Het is de herhaling van een oerbeeld, maar tegelijk de omkering ervan: de nieuwe graalkoningin had de oude van haar troon gestoten, maar ondergaat nu zelf dat lot. Dat maakt deel uit van haar nieuwe karmabewustzijn: ze wordt onmiddellijk geconfronteerd met de gevolgen van haar daden. Ze ondervindt aan den lijve wat het is om … Marie von Sivers te zijn en na een intense samenwerking met Rudolf Steiner aan de kant te worden geschoven. Maar ook Marie von Sivers beleeft nu wat het is om Ita Wegman te zijn en iemand ‘brutaal’ van zijn troon te stoten. Beide opponenten verwisselen als het ware van plaats en beleven de ander van binnenuit.

Wat beide vrouwen na de dood van Rudolf Steiner meemaken, is wat we na de dood allemaal meemaken. We beleven onszelf dan gezien door de ogen van de anderen. Wie zichzelf ooit ‘per ongeluk’ in de spiegel heeft gezien, zonder te beseffen dat hij naar zichzelf keek, weet hoe schokkend zo’n ervaring is. Na de dood van Rudolf Steiner hebben Marie von Sivers en Ita Wegman zichzelf gezien (en beleefd) met de ogen van de ander en dat moet hen diep geschokt hebben. Wat anders pas na de dood mogelijk wordt, onder leiding van ‘deskundige geesten’, moesten ze nu bij leven en op eigen kracht doormaken. Ita Wegman was zich van deze dimensie meer bewust dan Marie von Sivers. Ze reageerde dan ook niet op de vernietigende oordelen van deze laatste en haar hofhouding. Marie von Sivers had daar meer tijd voor nodig. Ita Wegman ‘worden’ moet voor haar een overrompelende ervaring zijn geweest. Maar ze overleefde het en stak uiteindelijk een verzoenende hand uit die Ita Wegman diep ontroerde. 

Wat zich tussen deze twee zielen heeft afgespeeld was een ‘openbare inwijding’, een moderne inwijding, een inwijding van de toekomst. Onder leiding van Rudolf Steiner hadden Marie von Sivers en Ita Wegman nog een oude inwijding ondergaan, want hoe modern de antroposofie ook was, ze bestond nog altijd bij de gratie van een grote ingewijde. In Rudolf Steiner dook het hele mysterieverleden van de mensheid in de openbaarheid op en werd er getransformeerd tot een mysterietoekomst. In die toekomst zullen mensen niet meer worden ingewijd door een ‘ster die uit de hemel is komen vallen’, ze zullen elkaar inwijden. Het oerbeeld daarvan zien we in de relatie tussen Marie von Sivers en Ita Wegman. Alleen al het feit dat het allebei vrouwen zijn, geeft aan dat het oude ‘mannelijke’ inwijdingswezen een ingrijpende verandering heeft ondergaan. De intense dramatiek waarmee dat gepaard ging, geeft aan hoe ontzettend moeilijk het is om die stap van oud naar nieuw te zetten.

Toen men Ita Wegman eens vroeg hoe ze zo kalm kon blijven onder dat spervuur van beschuldigingen en scheldpartijen antwoordde ze: ach, dat is toch maar maya, op geestelijk niveau ziet het er allemaal heel anders uit. Wat we ons van de Grote Ruzie nog kunnen herinneren (via documenten en getuigenissen) ziet er op het eerste gezicht heel lelijk uit. Maar juist door die lelijkheid – de lelijkheid van de dood – onder ogen te zien en ons hart erdoor te laten beroeren (hoe pijnlijk en beschamend dat ook is) dringen we langzaam door tot de karmische dimensie van wat we liefst zouden vergeten. Er wordt dan een waarlijk ‘koninklijk’ oerbeeld zichtbaar: twee tegengestelde zielen die elkaar inwijden in de nieuwe mysteriën. En dat zijn karmamysteriën, openbare mysteriën die zich niet in de beslotenheid van een mysterietempel afspelen, maar in het dagelijks leven. Dat is het geheim van onze tijd: de hele wereld is een graalburcht geworden en wij zijn allemaal Visserkoningen en Parsifals, Marie von Siversen en Ita Wegmans. 

Antroposofie en karmabewustzijn (9)

  

Een lezer vroeg me onlangs waarom ik het thema van oude en jonge zielen zo belangrijk vind. Ik zette mijn argumenten nog eens op een rijtje. Maar hij vond mijn antwoord te lang, het moest korter en bondiger. Daar moest ik wel even om glimlachen. Hoe vaak krijg je als antroposoof niet de vraag: antroposofie, wat is dat eigenlijk, leg dat eens uit in een paar woorden! Dat lukt natuurlijk niet, en nu vroeg een antroposoof mij exact hetzelfde in verband met het zielenthema! Maar ik begreep hem wel. Als je doordringt tot de essentie van iets, kun je die essentie ook kernachtig formuleren (wat nog niet wil zeggen dat die formulering ook begrepen wordt). Ik kon dat niet. Ik kon niet in een paar woorden zeggen waarom het zielenthema in mijn ogen zo belangrijk is. De kern van de zaak heb ik nog steeds niet te pakken. Maar ik blijf proberen. Eén ding is alvast zeker: ik heb iets met oude en jonge zielen, ik ben er karmisch mee verbonden. Anders (en bondiger) gezegd: ik heb het zielenthema niet gekozen, het zielenthema heeft mij gekozen. 

Ook nu weer. Ik was helemaal niet van plan om opnieuw een reeks beschouwingen aan het zielenthema te wijden. Waarom zou ik ook? Het brengt geen aarde aan de dijk. Maar toen las ik in de biografie van Ludwig Polzer-Höditz (een vuistdik boek dat een bevriend antroposoof me had aangeraden) een zinnetje dat mijn belangstelling weer deed opleven. Het was een uitspraak van Ita Wegman die zei dat de golven van haat die haar na Rudolf Steiners dood overspoelden (en die tot haar afzetting als lid van de Vorstand zouden leiden) niet tegen haar persoonlijk waren gericht maar tegen het karmabewustzijn. Dat trof me, want het betekende dat de krachten die het zielenthema – volgens Rudolf Steiner toch de basis van het karmaonderzoek – verhinderen wortel te schieten in het antroposofische bewustzijn, dezelfde zijn die in de jaren 30 van de vorige eeuw geleid hebben tot de meest beschamende bladzijde in de geschiedenis van de antroposofie (en niet van de antroposofie alleen). 

De muur waar ik steeds weer tegenaan bots bij mijn pogingen om antroposofen warm te maken voor het zielenthema, bestaat dus niet alleen uit onverschilligheid. Er is veel meer in het spel. Ik heb te maken met een tegenstander die blinde haat opwekt en waar zelfs vooraanstaande leerlingen van Rudolf Steiner niet tegen opgewassen waren. Het begint me langzaam te dagen waarom antroposofen met een grote boog om dit thema heenlopen, waarom ze het zelfs zover drijven dat ze zich tegen Rudolf Steiner keren. Karmabewustzijn maakt machtige demonen wakker. Dat had ik me nooit gerealiseerd. Het zielenthema leek me juist zo kinderlijk onschuldig: er bestaan twee soorten antroposofen, ze moeten elkaar leren kennen en ze moeten met elkaar leren samenwerken. Wat kon er eenvoudiger en vanzelfsprekender zijn! Het was een gemeenschappelijk uitgangspunt, een duidelijke richtlijn die voor iedereen gold. Daar kon ik iets mee! Maar blijkbaar dachten de tegenmachten precies hetzelfde …

Dat ene korte zinnetje in dat dikke boek over Ludwig Polzer deed het oude vuur weer oplaaien. Ik begon mezelf vragen te stellen. Waarom heeft het zielenthema mij ‘gekozen’? Waarom kiest het geen andere mensen uit? Wat is er tussen mij en dit thema? Waarom is het voor mij belangrijker dan andere antroposofische thema’s? Zeer persoonlijke vragen allemaal. Maar is het zielenthema niet juist een bovenpersoonlijk thema? Is het volgens Rudolf Steiner niet bedoeld voor alle antroposofen? Of heb ik dat verkeerd begrepen? Heeft mijn persoonlijke relatie met het onderwerp mij wellicht parten gespeeld en heb ik Steiners woorden ‘kreatief’ geïnterpreteerd zonder mij daarvan bewust te zijn? Maar geldt dat niet even goed voor antroposofen die dit thema zorgvuldig vermijden? Waarom zouden ook bij hen geen (onbewuste) persoonlijke motieven meespelen? Ik heb genoeg antroposofen gekend die ervan overtuigd waren zich te laten leiden door bovenpersoonlijke motieven, terwijl het in werkelijkheid omgekeerd was. 

Als er werkelijk zoiets als karma bestaat, dan wordt het leven van een mens bepaald door zaken waarvan hij zich totaal niet bewust is. En dat zijn zeer persoonlijke zaken, want geen twee levens zijn gelijk. Persoonlijker dan karma vind je niet. Je karma leren kennen is de hoogste vorm van zelfkennis, intiemer dan welke zelf-introspectie ook. En toch is dit uiterst persoonlijke karma onlosmakelijk verbonden met het uiterst persoonlijke karma van tal van andere mensen. Karma is een vereffening van oude relaties die gestalte krijgt in nieuwe relaties. Het veronderstelt een netwerk van relaties dat zich zowel in tijd als ruimte uitstrekt tot de hele mensheid, want via via is ieder mens verbonden met alle andere mensen op aarde. Dat maakt karma tot een duizelingwekkend gegeven. Het regelt niet alleen ieder afzonderlijk leven, het stemt al die afzonderlijke levens ook nog eens op elkaar af. Het is met andere woorden zowel persoonlijk als bovenpersoonlijk, en dat in de allerhoogste mate.

Voor de moderne mens, die zijn eigen leven niet eens op orde krijgt en ziet dat ook leiders, regeringen en overheden er een potje van maken, is het bestaan van een dergelijk wereldomspannend ordeningsprincipe volstrekt ongeloofwaardig. Daar zijn ze weer met hun God, denkt hij. Als die God werkelijk bestond, waarom laat hij de zaken dan zo in het honderd lopen! Waar de geërgerde materialist echter geen rekening mee houdt is zijn eigen vrije wil. Zonder die vrije wil zou God de zaken prima kunnen regelen, denk maar aan de natuur. Maar dat wil hij niet. Hij wil dat de mens een vrij wezen wordt en regelt de zaken daarom via het karma. Hij geeft de mens de kans om fouten maken en ze daarna te herstellen. Dat veronderstelt natuurlijk een afwisseling van leven en dood, want als de mens wist wat hem allemaal te wachten stond, zou hij zich nooit vrij kunnen voelen. Om vrijheid mogelijk te maken, is het noodzakelijk dat de mens (bij de geboorte) zijn levensplan ‘vergeet’.

Vroeger geloofde de mens rotsvast in God en onderwierp zich lijdzaam aan diens wil. Om vrij te kunnen worden, moest hij God echter ‘afschaffen’. Dat had tot gevolg dat zijn lijden opeens zinloos werd en daarom veel zwaarder om dragen. Tegen dat zinloze lijden revolteert de mens momenteel zo hevig. De zinloosheid kan hij niet opheffen en dus keert hij zich tegen het lijden zelf, met name tegen de bron van alle lijden: de dualiteit, de diepe kloof die het bestaan in twee deelt. Die wil hij uit de weg ruimen en hij gaat daar zeer ver in. Maar die dualiteit is tevens de grondslag van zijn vrijheid en dus keert hij zich (zonder het te beseffen) tegen zijn eigen vrijheid. Aangezien die vrijheid de zin is van zijn lijden, maakt hij zijn lijden nog zinlozer en ondraaglijker dan het al is en sluit hij zichzelf op in een vicieuze cirkel die hem – letterlijk – tot waanzin drijft. Het wordt met de dag duidelijker: de moderne mens die het recht opeist niet meer gekwetst te worden, verliest langzaam maar zeker zijn verstand.  

Terugkeren naar het oude Godsgeloof kan hij niet en wil hij niet, en dus is er maar één uitweg uit die zelfvernietigende vicieuze cirkel: karmabewustzijn. Zonder dat bewustzijn ervaart de mens zijn lot als iets wat hem van buitenaf wordt opgelegd, door God – of erger nog – door het toeval. Hij spant zich tot het uiterste in om de plaats van God en toeval in te nemen en zijn leven de richting uit te sturen die hij wil, maar hoe meer hij zich inspant, des te minder lukt het. Het gevecht tegen datgene wat hij niet wil, put hem uit en zijn wil begeeft het: hij wil niet meer, hij kan niet meer willen – het droeve lot van de hedendaagse mens. Wordt die uitgeputte, wanhopige mens zich echter bewust van zijn karma, dan begint hij te beseffen dat zijn ongewilde levenslot wel degelijk door hem gewild wordt. Het is niet zomaar een onpersoonlijke, willekeurige kooi waarin hij opgesloten wordt, het is een zeer persoonlijke constructie waar hij zelf voor gekozen heeft. In zijn bewustzijn beginnen het persoonlijke en het bovenpersoonlijke langzaam naar elkaar toe te groeien …

Deze geleidelijke toenadering van de tegenpolen geeft zijn leven een geheel nieuwe zin zonder dat hij beroep moet doen op een God die vanuit onbereikbare hoogten zijn wil oplegt aan de mens en daardoor zijn vrijheid geweld aandoet. De mens die zijn karma leert kennen, ontdekt dat de vrijheid in dat karma ingebakken zit, en wel op twee manieren. Enerzijds heeft hij dat karma (voor zijn geboorte) zelf gevormd, weliswaar met de hulp van (veel verstandiger) geestelijke wezens maar toch met eigen instemming. Anderzijds stelt karma-inzicht hem in staat om nieuw karma te vormen, karma dat later niet hersteld moet worden (omdat het reeds rekening houdt met het bovenpersoonlijke). De paradox is dat de acceptatie van oud karma de wil versterkt en de mens in staat stelt om steeds vrijer te worden. Het omgekeerde – het uitzichtloze gevecht tegen het eigen karma – maakt de mens steeds onvrijer. Geen wonder dat de tegenmachten al hun duivels ontbinden om de ontwikkeling van karmabewustzijn te verhinderen.

Beter dan wie ook weten ze hoe belangrijk dit karmabewustzijn is. Zolang ze het kunnen verhinderen, maakt de mens geen kans. Hij raakt dan steeds meer in hun greep. Begint hij zijn aandacht echter te richten op het karma, dan dreigen ze hun greep te verliezen en slaan ze alarm. Nergens wordt dat zo duidelijk als in de geschiedenis van de antroposofie. Het was Rudolf Steiners levensopdracht om de moderne mens tot karmabewustzijn te brengen, en vanaf het allereerste moment probeerden de tegenmachten dat te verhinderen. Het scheelde niet veel of het pasgeboren kind was doodgebloed. Daarna werd hij in het geboorteregister verkeerdelijk ingeschreven als Adolf Steiner, een wel zeer perfide streek. Toen hij Karl Julius Schröer ontmoette, werd hij ‘gedwongen’ om diens opgave – de ontwikkeling van de antroposofie – over te nemen. Daar moest hij zijn leven aan wijden en pogingen om het te combineren met karmaonderzoek stuitten op onoverkomelijke weerstanden, zowel uiterlijke als innerlijke. 

Toen Rudolf Steiner tijdens de Weihnachtstagung de levenstaak van Schröer afsloot en eindelijk kon beginnen met zijn eigen taak, werd hij ‘als door een zwaardhouw’ getroffen. De tegenmachten wilden en zouden niet toestaan dat hij over karma zou spreken. In een uiterste krachtinspanning kon hij zijn leerlingen echter de basisprincipes van het karma meegeven, en dan vooral de eerste stap: het thema van de oude en de jonge zielen. Hij overwon in extremis de weerstanden waar hij zijn leven lang mee gevochten had, maar na zijn dood barstten ze in alle hevigheid los. Hoe antroposofen toen tekeer gingen tegen Ita Wegman valt alleen te verklaren door haar diepe (karmische) verbondenheid met de Weihnachtstagung en Rudolf Steiners eigen levensopgave. Reactionaire krachten wilden de stap van antroposofie naar karmabewustzijn ongedaan maken. Hoe ongemeen sterk ze waren – en nog altijd zijn – kan worden afgelezen aan het feit dat het zielenthema tot op de huidige dag niet is doorgedrongen tot het antroposofische bewustzijn. 

Wie aan de slag wil met dit elementaire karma-thema krijgt te maken met de dubbelganger van de antroposofie. Als een wachter staat hij aan de drempel van het karmabewustzijn, dat in wezen een geestelijk bewustzijn is, een bewustzijn zoals de mens het ontwikkelt na de dood, aan gene zijde van de drempel. Als antroposoof ben je (karmisch) niet alleen verbonden met het wezen ‘antroposofie’ maar ook met haar dubbelganger. Die dubbelganger is in feite de dekadent en kwaadaardig geworden geest van de oude mysteriën, die een scherpe grens trokken tussen het persoonlijke en het bovenpersoonlijke, het materiële en het geestelijke. Men kreeg alleen toegang tot de mysteriën van de geest wanneer men het eigen Ik aan de kant schoof. Rudolf Steiner heeft daar een eind aan gemaakt door tijdens de Weihnachtstagung de ‘nieuwe mysteriën’ in te stellen, die juist uitgingen van het eigen Ik en het persoonlijke en bovenpersoonlijke tot een onlosmakelijke eenheid smeedden. 

We beseffen nog nauwelijks de impact en draagwijdte van die overgang van oud naar nieuw. Rudolf Steiner was er de man niet naar om dat met veel bombarie te doen. Alles speelde zich af tijdens een van de jaarlijkse kerstbijeenkomsten, en aangezien het Goetheanum was afgebrand vond alles plaats in een schuur. Het was een veelzeggend beeld: de schitterende oude mysteriën waren op rituele wijze in vlammen opgegaan, de nieuwe leken veel eenvoudiger en onaanzienlijker. Ze waren echter op een geheel nieuwe wijze esoterisch: hun spirituele karakter moest ontdekt worden, het was alleen zichtbaar voor het hart. Daarom legde Rudolf Steiner de grondsteen nadrukkelijk ‘in de harten van de aanwezigen’, niet in hun hoofd, want dat was iets van de oude tijd. In de karmavoordrachten die hij daarna hield, legde hij er de nadruk op dat er op een geheel nieuwe manier met de antroposofische inhouden moest worden omgegaan. Dat gold heel in het bijzonder voor het zielenthema: dat kon alleen met het hart worden begrepen.

Zo heb ik het thema van oude en jonge zielen ook altijd ervaren: als een hartsaangelegenheid. Ik wist helemaal niet waarom het me zo aansprak, en eigenlijk weet ik het nog altijd niet. Maar het inzicht groeit. Langzaam begin ik met mijn hoofd te begrijpen wat ik met mijn hart reeds begrijp. Dat is geen vervanging van het ene weten door het andere, maar een samengroeien van hoofd en hart, in wederzijds respect maar wel onder leiding van het hart. Dat is de grote omkering die Rudolf Steiner tijdens de Weihnachtstagung doorvoerde: het hoofd stelt zich ten dienste van het hart. En hij voegde de daad bij het woord. Als hoofd van de (geestelijke) antroposofische beweging had hij altijd zorgvuldig afstand bewaard tot de (menselijke) antroposofische vereniging, maar nu stelde hij zich helemaal ten dienste van dit ‘hart’. Hij werd voorzitter van de vereniging, wat niet betekende dat hij haar ging leiden, maar dat hij de volledige verantwoordelijkheid op zich nam voor alles wat de leden deden (en niet deden). 

Heel wat antroposofen die erbij aanwezig waren, hebben de betekenis van de Weihnachtstagung met hun hart begrepen. Maar daarmee begrepen ze het nog niet met hun hoofd. Dat onbegrip – de kloof tussen hoofd en hart – heeft Rudolf Steiner het leven gekost. Maar dat wist hij. Hij kende de dubbelganger van de antroposofie maar al te goed. Toen hij zich verbond met de vereniging hing zijn lot af van de mate waarin zijn leerlingen in staat waren (via hun persoonlijke dubbelganger) de confrontatie met deze (bovenpersoonlijke) dubbelganger aan te gaan. Ze faalden deerlijk en Rudolf Steiner betaalde (vrijwillig) het gelag met zijn leven. Door deze offerdaad is de verbinding van hoofd en hart die hij belichaamde een geestelijk wezen geworden waarmee iedere antroposoof zich kan verbinden in de mate dat hij de confrontatie met zijn dubbelganger (en daarmee ook de dubbelganger van de antroposofie) aangaat. Dat is en blijft de opgave – het karma – van de antroposofische beweging. Hoe meer ze zich daar bewust van wordt, des te dichter zal ze de essentie van de antroposofische zaak kunnen benaderen.  

Antroposofie en karmabewustzijn (7)

  

Zijt ge daar weer met uw gezaag over oude en jonge zielen! Zo reageerde een lezer op mijn reeks over antroposofie en karmabewustzijn. Het was vriendschappelijk bedoeld, maar het illustreerde niettemin de houding van de antroposofische wereld tegenover het zielenthema: het is een vervelende zaak, er kan maar best niet te veel over gesproken worden. Ik heb die onverschilligheid nooit begrepen. Neem nu de Filosofie der Vrijheid. Hoeveel mensen zouden dat boek gelezen hebben? Niet veel, denk ik. Daarvoor is het te veel moeilijk en veel te saai. Toch heeft het onder antroposofen een cult-status verworven: er worden cursussen over gegeven, artikels geschreven, zelfs congressen gehouden. Het heeft een grote naam. Vergelijk daarmee het zielenthema: onbekend en onbemind. Nochtans is het voor iedereen begrijpelijk en het is ook voor iedereen bedoeld. Rudolf Steiner was categoriek: iedere antroposoof moest hier (minstens) over nadenken. Maar dat gebeurt niet. Het onderwerp wordt al (bijna) 100 jaar genegeerd.

Als er al eens een zeldzame keer over gesproken of geschreven wordt, dan is het meestal om de zaak te relativeren en te minimaliseren. Ik heb zelf meegemaakt hoe een vooraanstaand antroposoof publiekelijk verklaarde dat men niet hoorde na te denken over het zielenthema. Toen ik voorzichtig opmerkte dat Rudolf Steiner iets heel anders zegt, kreeg ik de wind van voren. Hoe durfde ik de goede naam van de spreker zo door het slijk te sleuren! Het was niet de eerste keer dat ik in verband met het zielenthema streng terecht werd gewezen, maar nooit werden de zaken zo op scherp gesteld. Rudolf Steiner vindt dat antroposofen hier in ieder geval moeten over nadenken, maar antroposofen zelf vinden dat ze er in geen geval moeten over nadenken. Daar kwam het op neer. Dit was geen onverschilligheid meer. Hier keerde een antroposoof zich openlijk tegen Rudolf Steiner en niemand zag daar graten in. Integendeel, men was verontwaardigd toen iemand het voor Steiner opnam. 

Het valt niet te ontkennen: antroposofen keren Rudolf Steiner de rug toe als het zielenthema ter sprake komt. Ze doen het misschien niet bewust en ze doen het zeker niet allemaal zo radicaal en openlijk als hierboven, maar ze doen het wel. Hoe is dat mogelijk? Die vraag stel ik me al zowat 30 jaar. De voor de hand liggende verklaring is natuurlijk dat ik me vergis. Maar dan moet ook Rudolf Steiner zich vergissen, want zijn karmavoordrachten over het thema laten weinig ruimte voor twijfel. Ook Hans Peter van Manen moet zich vergissen. Nochtans gaat hij in Christussucher und Michaëldiener heel zorgvuldig tewerk, het boek is een schoolvoorbeeld van tekstonderzoek. Maar hoe onwaarschijnlijk ook, vergissen is altijd mogelijk. Ik heb echter nog nooit een afdoend argument gehoord of gelezen om die toch wel boude stelling te staven. Intellectuele relativeringen en emotionele reacties, iets anders lijkt het zielenthema niet te genereren. Men wil er eenvoudig niet over nadenken.  

De hardnekkigheid waarmee de antroposofische wereld het zielenthema ontwijkt, doet onwillekeurig denken aan de manier waarop de kerk het bestaan van de twee Jezuskinderen uit de weg gaat. De bijbel laat er nochtans weinig twijfel over bestaan: de twee verschillende geboorteregisters en de twee verschillende geboorteverhalen wijzen duidelijk op twee verschillende kinderen. Ook in de wereld van de kunst wist men hiervan: op heel wat beelden en schilderijen figureren twee Jezuskinderen in plaats van één. Maar alle kunst- en bijbelstudie ten spijt is daar tot op de huidige dag niets van in de openbaarheid gekomen. Zelfs de talloze boeken die proberen het christendom in diskrediet te brengen door allerlei onfrisse geheimen aan het licht te brengen, maken er geen gewag van. Het zijn dus geen geringe krachten die dit geheim houden en die zowel in de kerkelijke als in de antroposofische wereld de toegang versperren tot het zielenthema. 

Maar ook elders zijn die krachten werkzaam. Steeds meer raakt de mensheid verdeeld in twee groepen die elkaar als het vleesgeworden kwaad beschouwen. Links en rechts, man en vrouw, blank en zwart, moslim en westerling, Gutmensch en Bösmensch. We leven in een gepolariseerde wereld, daar kunnen we niet meer naast kijken. En toch is dat precies wat we doen. Ofwel richten we de aandacht naar buiten en geven ‘de ander’ de schuld voor het kwaad in de wereld, ofwel richten we de aandacht naar binnen en beschuldigen onszelf. Maar nooit richten we de aandacht op beide polen tegelijk, nooit trekken we ons uit die polariteit terug om te kijken naar wat zich afspeelt tussen de tegenpolen. Dat links en rechts bijvoorbeeld samenhoren als twee handen, komt niet in ons op. We verliezen onze bezinning bij de gedachte dat ze zouden moeten samenwerken. Liever dan ons (in de geest) boven de dualiteit te verheffen, vereenzelvigen we ons met één van beide polen en geven ons over aan het genot van de strijd. 

De krachten die ons verhinderen de dualistische werkelijkheid onder ogen te zien (en er afstand van te nemen), zijn zwaartekrachten, krachten die ons naar beneden trekken, in het gebied van de lagere driften. Eenheid wordt daar nagestreefd door het bewustzijn van de tweeheid op te heffen. De sexualiteit bijvoorbeeld lost het verlangen naar eenheid op in het zinnelijk genot van de ‘strijd’ tussen twee lichamen. Dat fysieke genot maakt echter geen eind aan de tweedeling tussen man en vrouw, het verdooft alleen ons bewustzijn ervan. Op die blinde, ‘sexuele’ manier streven we vandaag ook naar vrede. De spanningen die veroorzaakt door de extreme tegenstellingen in de wereld, proberen we op te lossen door er onze ogen voor te sluiten, door ons bewustzijn uit te schakelen. Maar evenmin als sex een huwelijk kan redden, kan een verdoofd bewustzijn de problemen van onze tijd oplossen. Dat we dit niet eens meer beseffen, geeft aan hoe sterk de ‘zwaartekrachten’ zijn die ons naar beneden trekken. 

Het zijn de krachten van het materialisme die de moderne mens blind voor de gepolariseerde werkelijkheid, die de gelovige mens blind maken voor het bestaan van de twee Jezuskinderen, die de antroposofische mens blind maken voor het zielenthema. Deze laatste brengen ze er zelfs toe zich tegen Rudolf Steiner te keren. Het is tamelijk verbijsterend om dat mee te maken. Er ontstaat dan een soort collectieve bewustzijnsverdoving die iedereen in slaap doet vallen zonder dat hij het beseft. En degene die wakker blijft, heeft de boter gegeten. Dat moet ook de situatie zijn geweest in de antroposofische wereld na de dood van Rudolf Steiner. De anti-antroposofie waarover hij reeds tijdens zijn leven had gesproken (en waarmee hij niet de vijandige buitenwereld maar het verzet binnen de eigen gelederen bedoelde) brak toen werkelijk los. Ze veroorzaakte een algemene black out die de antroposofische beweging in twee strijdende partijen verdeelde en uiteindelijk leidde tot de uitsluitingen van 1935.

Vandaag schudden we het hoofd over wat toen gebeurd is. Hoe was zoiets mogelijk! Hoe konden overtuigde antroposofen zich zo massaal tegen Rudolf Steiner keren! Want dat was tenslotte wat ze deden door (onder meer) Ita Wegman, zijn belangrijkste medewerkster, aan de deur te zetten. Dit jaar gaat men haar in Dornach officieel in ere herstellen. Een mooi maar hol gebaar, want er is sindsdien niets wezenlijks veranderd. Dezelfde krachten die toen het antroposofische bewustzijn verdoofden, zijn nog altijd werkzaam. Dezelfde krachten die zowel de antroposofische beweging als Europa verdeelden, doen dat vandaag nog altijd. Minder dan ooit slaagt de moderne mens erin zich te verzetten tegen de zwaartekracht van het materialisme. Het lukt hem niet meer tegenover de gepolariseerde werkelijkheid te gaan staan, haar zuigkracht is te groot. Van die (geestelijke) onmacht is hij zich echter niet bewust, dat blijkt nergens beter dan in de antroposofische wereld, waar het thema van de oude en de jonge zielen al bijna 100 jaar ‘slaapt’. 

De confrontatie met het zielenthema is een confrontatie met onze onmacht. De kloof die oude en jonge zielen van elkaar scheidt, is ook de kloof die ons bewustzijn scheidt van hun polariteit. Volgens Rudolf Steiner was het zielenthema ‘een intensieve toepassing op het leven’. We kunnen er inderdaad niet (denkend) tegenover gaan staan, zonder er tegelijk ook (voelend en willend) middenin te staan. Naar deze dualiteit kijken, betekent naar onszelf kijken, want (als oude of als jonge ziel) maken we er deel vanuit en ze maakt ook deel uit van onszelf. De dualiteit leeft in onze ziel als een wonde, als een diep gemis. Om ons daar bewust van te worden, moeten we zowel naar buiten als naar binnen kijken. Dat is de voorwaarde voor echte zelfkennis. We leren onszelf niet kennen door (enkel) in onze eigen ziel te kijken, maar door ook naar de (geheel) andere ziel kijken. Pas dan dringen we door tot ons echte Ik en ontwikkelen we het bewustzijn dat nodig is om de kloof te overbruggen die mens en wereld steeds meer verdeelt. 

De paradox is dat we deze kloof nodig hebben om tot zelfbewustzijn te komen, om ons te ontwikkelen tot zelfstandige Ik-wezens. Zonder dualiteit kan er geen vrijheid bestaan, zonder vrijheid kan er geen liefde zijn. Toch verklaren we in naam van de liefde en de vrijheid de oorlog aan alle tegenstellingen. We moeten naar verbinding streven! We moeten ophouden met polariseren! We moeten een eind maken aan het wij-zij denken! Dat zijn de grote slogans van onze tijd. Het waren ook de argumenten waarmee ik ooit bezworen werd niet na te denken over het zielenthema. Maar verre van vrede te stichten, roepen deze slogans op tot geweld. Wie blindelings naar eenheid streeft – zonder onderscheid te maken – keert zich niet alleen tegen de wereld (die uit louter tegenstellingen bestaat), hij keert zich ook tegen de ander (die door zijn anders-zijn een tegenstelling vormt) en hij keert zich ten slotte ook tegen de geest (die als drieëenheid ook drie tegenstellingen omvat).

De geest zou geen liefde kunnen zijn als hij louter eenheid was, want liefde veronderstelt tweeheid. De geest zou zich ook niet bewust kunnen zijn van deze liefde als hij louter tweeheid was. Daarom is hij een drieheid, een drieëenheid, en naar dat voorbeeld is de mens geschapen. Maar dat is hij in de loop der eeuwen vergeten: het driegelede mensbeeld veranderde in een tweegeleed mensbeeld. De geest verdween en alleen lichaam en ziel bleven over. Maar dit dualisme was noodzakelijk opdat de mens vrij zou kunnen worden. Zolang hij zich bewust bleef van de geest, kon hij zijn eigen gang niet gaan. Hij moest geestelijk eerst in slaap vallen en wakker worden op aarde. Vandaag is dat gebeurd, de (moderne) mens heeft zijn vrijheid veroverd. Nu moet hij de volgende stap zetten: hij moet weer ontwaken in de geest. Maar als hij op aarde weer in slaap valt, dat wil zeggen: als hij er zijn bewustzijn en zijn vrijheid voor opgeeft, dan is alles voor niets geweest, dan wordt de geschiedenis van de mensheid een kwalijke grap.  

De Filosofie der Vrijheid heeft niet voor niets zo’n grote roep in de antroposofische wereld (ook al hebben weinigen het boek gelezen): Rudolf Steiner is de heraut van de vrijheid. Hij wil ons niet zomaar in contact brengen met de wereld van de geest, want dat gebeurt sinds het einde van het Kali Yuga wel vanzelf. Hij wil ons in de eerste plaats tonen hoe we de wereld van de geest als vrije mensen kunnen betreden, dat wil zeggen zonder alles op te geven wat we met zoveel moeite, zoveel geweld en zoveel lijden hebben opgebouwd. Sinds de ‘poorten van de hemel’ weer openstaan, streven we instinctief naar eenheid, naar verbinding, naar liefde. De groeiende invloed van de geest verdooft ons bewustzijn en wiegt ons in slaap. De roep om alle grenzen op te heffen, ieder onderscheid uit te wissen, alle verschillen te negeren, klinkt steeds luider. Wat daar de gevolgen van zijn, lezen we iedere dag in de krant: haat, geweld, strijd. Anders gezegd: niet minder maar meer dualisme.

Gebrek aan onderscheidingsvermogen doet liefde in haat veranderen. Liefde zonder onderscheidingsvermogen is blinde liefde, luciferische liefde, eigenliefde. Ze is de keerzijde van de ahrimaanse haat, ze roept die haat op, ze kan niet bestaan zonder die haat. Pas als we die dualiteit onder ogen zien en duidelijk onderscheid maken tussen Lucifer en Ahriman, kan de echte liefde zichtbaar worden. Ze wordt zichtbaar door ons onderscheidingsvermogen en in ons onderscheidingsvermogen. Ja, het is ons onderscheidingsvermogen zelf dat liefde wordt. Die potentie had het altijd al, maar ze wordt pas gerealiseerd wanneer we – bewust en vrijwillig – de blik richten op de fundamentele dualiteiten van het leven. We worden ons dan bewust van de (echte) liefde en staan er tegelijk middenin, zoals dat ook het geval is wanneer we de blik richten op het onderscheid tussen oude en jonge zielen. De bewustwording van het zielenthema is de geboorte van de broederliefde, ze is het eerste ontkiemen van de antroposofische grondsteen, van de ‘liefdessteen’.  

Antroposofie en karmabewustzijn (6)

  

Als ik terugdenk aan mijn ontwikkeling als antroposoof – voor zover er van ontwikkeling sprake is, want soms heb ik het gevoel dat ik geen meter verder kom – dan meen ik drie stappen te onderscheiden: denken, voelen en willen. De eerste, en beslissende, stap zette ik met de Filosofie der Vrijheid. Dat boek is een hele kluif voor het denken, maar als je in the mood bent, kun je het blijkbaar ook gevoelsmatig of intuïtief begrijpen, anders was ik misschien nooit antroposoof geworden. De tweede stap volgde toen ik las wat Emil Bock schrijft over de twee Jezuskinderen. De kerstverhalen richten zich uiteraard tot het gevoel, maar wat zich allemaal afspeelt tussen de twee Jezussen, de twee Jozeffen en de twee Maria’s is toch best wel ingewikkeld. In de eerste plaats is het echter kunstzinnig, wat niet gezegd kan worden van de Filosofie der Vrijheid. Wetenschap en kunst: zo zou je mijn eerste twee stappen in de antroposofie kunnen karakteriseren. 

De derde stap was Hans Peter van Manens uiteenzetting over Christussucher und Michaëldiener. Opnieuw een fundamentele tweedeling maar toch wezenlijk anders dan beide vorige. Rudolf Steiner noemt het thema van de oude en de jonge zielen ‘een intensieve toepassing op het leven’. Dat was de Filosofie der Vrijheid beslist niet. Het boek had weliswaar de antroposofie voor mij ontsloten, maar op mijn leven had het geen rechtstreekse invloed gehad. Het bleef een louter innerlijke zaak. Dat gold ook voor de kwestie van de twee Jezuskinderen. Het betekende heel wat voor mijn ziel dat ik het christendom weer kon omarmen, maar daar kwam vooralsnog niks van naar buiten. Ik ging niet opnieuw naar de kerk, evenmin als ik lid van de Antroposofische Vereniging was geworden. Er was méér nodig om de kloof tussen mezelf en de werkelijkheid te overbruggen. En dat ‘meer’ vond ik in het zielenthema. Daar kon ik mee aan de slag. Het sprak niet alleen mijn verstand en mijn gevoel aan, maar ook mijn wil. 

Het thema van de oude en de jonge zielen is kinderlijk eenvoudig: er zijn twee soorten antroposofen en je moet erachter zien te komen tot welke soort je behoort. Daar hoef je geen genie voor te zijn: één kans op twee dat je het juist hebt. Maar daar gaat het natuurlijk niet om. De bedoeling is dat je werkelijk inzicht krijgt in je zieleaard en dat lukt niet zonder grondig na te denken over jezelf, over de wereld en over de anderen. Ook gevoelsmatig is het zielenthema heel eenvoudig. Zoals er in de wereld mannen en vrouwen zijn, zo zijn er ook oude en jonge zielen. No big deal. Maar net als de fysieke natuur is ook de geestelijke natuur geen idylle. Zoals er onder het oppervlak van de menselijke relaties altijd een guerre des sexes dreigt, zo heerst er ook tussen oude en jonge zielen voortdurend oorlogsdreiging. Intellectueel kan men daar buiten blijven, maar gevoelsmatig niet. Dan is het afgelopen met de kinderlijke eenvoud. Het zielenthema wordt dan een uitdaging van formaat.

De Filosofie der Vrijheid en Tussen Bethlehem en de Jordaan waren sleutels die een deur voor me openden en toen ik daar doorheen stapte, had ik ze niet meer nodig. In die zin behoorden ze tot het verleden. Dat deden ze ook nog in een andere zin. Zowel de Filosofie der Vrijheid als de bijbelse geboorteverhalen speelden zich af in een (respectievelijk verstandelijk en gevoelsmatig) zeer verheven sfeer, die me danig intimideerde. Gelukkig kwamen ze naar me toe, want zelf had ik ze niet durven uitkiezen. Het waren godsgeschenken die ik niet verdiend had, tenzij misschien in een vorig leven. Ze herinnerden me aan wat er reeds in mijn ziel leefde. Maar met het thema van de oude en de jonge zielen was het anders. Dat verwees naar de toekomst. Het was eveneens een geschenk, maar dan zo klein en onaanzienlijk dat het mij geenszins bezwaarde. Ik voelde mij een beetje als een kind dat een stuk speelgoed krijgt en zich verheugt op alles wat het ermee zal kunnen doen. 

Op de een of andere manier nam ik de ‘potentie’ waar die in het zielenthema verscholen zat. Net als beide vorige keren gebeurde dat ‘als in een droom’, maar het was toch anders. Het deed niet opeens een licht in me opgaan zoals de Filosofie der Vrijheid, en het verwarmde ook mijn hart niet zoals het verhaal van de twee Jezuskinderen, nee, het deed me tot actie overgaan. Al tijdens het lezen van Christussucher und Michaëldiener was ik tot de conclusie gekomen dat ik een oude ziel was en daar sprak ik over met mijn vrouw (die ik duidelijk als jonge ziel herkende). Ik vroeg me af tot welke zielengroep de antroposofen behoorden die ik kende. Ik schreef een paar artikelen in het schooltijdschriftje De Mare, en ik begon zelfs aan een vertaling van het boek. De kwestie sprak wel degelijk ook mijn verstand en mijn gevoel aan, maar het was mijn wil die beide met elkaar verbond en de kloof met de werkelijkheid overbrugde. Wat voordien nog in de lucht had gezweefd, kwam nu eindelijk op aarde. 

Misschien moet je, zoals ik, jarenlang in het niemandsland tussen hemel en aarde rondgedoold hebben, pale for weariness, of climbing heaven and gazing on the earth, wandering companionless, om te begrijpen wat dat betekent: op aarde komen, contact maken met de wereld. Daarom was ik zo enthousiast over het zielenthema: het was concreet, het was aards, en tegelijk toch geestelijk. Maar het was geestelijk op een andere manier dan beide vorige stappen. De geest kwam hier als een zaadje in de aarde terecht, de kloof tussen hemel en aarde overbruggend. Het was het allereerste, prille begin van wat je ‘sociale kunst’ zou kunnen noemen, een levenskunst die Alle Menschen werden Brüder als hoogste ideaal heeft. Zo beleefde ik – vooralsnog onbewust – het thema van de oude en de jonge zielen: als de kiem van een levende kunst, die niet alleen een nieuw soort denken veronderstelde maar tegelijk ook een nieuw soort religie was: de religie van de bewuste liefde, de religie van de vrije mens.

Zo heeft Rudolf Steiner het volgens mij ook bedoeld. Toen hij tijdens de Weihnachtstagung de Grondsteen ‘in de harten van de aanwezigen’ legde, had hij de hele antroposofie als in een zaadje samengebald. De Grondsteenspreuk was – net als de (fysieke) grondsteen van het eerste Goetheanum – tweeledig. Ze bestond uit een drieledig gedeelte (over de wezensdelen van de mens) en een tweeledig gedeelte (over de herders en de koningen). Daarmee weerspiegelde ze de (bovenaardse) Michaëlbijeenkomst die aan de oorsprong van de antroposofie lag. Die bestond enerzijds uit een ‘school’ (waarin het mysterieverleden werd behandeld) en anderzijds uit een ‘cultus’ (die op de toekomst was gericht). De theorie van de Michaëlschool sprak vooral (het denken en voelen van) de oude zielen aan, de praktijk van de Michaëlcultus richtte zich in de eerste plaats op (de wil van) de jonge zielen. Maar het was natuurlijk de bedoeling dat deze twee zouden worden samengesmeed, zoals ook de (eerste) Grondsteen samengesmeed was.

Om te kunnen ontkiemen heeft een zaadje water en warmte nodig: de Grondsteen moest met de vermogens van het hart worden opgenomen. De spreuk was veel te compact om onmiddellijk met het bewuste denken begrepen te kunnen worden. Pas na de Weihnachtstagung, tijdens de lange reeks karmavoordrachten, begon Rudolf Steiner het licht van het denkende bewustzijn toe te voegen aan het Grondsteenzaadje. Hij deed dat heel voorzichtig, en niet zonder er de nadruk op te leggen dat er ‘van hart tot hart’ diende gesproken te worden. Het zielenthema mocht niet louter intellectueel opgenomen worden. Dat was iets van het verleden, een oude gewoonte die overwonnen moest worden. Na de Weihnachtstagung moest de antroposofie op een nieuwe manier benaderd worden: vanuit het hart. Rudolf Steiner waarschuwde dan ook voor luciferische sensatiezucht: karma vereiste de grootst mogelijke eerbied. Maar het grootste gevaar vormde toch het kille, dode denken van Ahriman.

Het is merkwaardig om zien hoe Rudolf Steiner zijn leerlingen tussen deze twee klippen probeert heen te loodsen. Eerst jaagt hij ze bijna schrik aan: zonder zijn persoonlijke toestemming mogen ze in het openbaar niet over de inhoud van de karmavoordrachten spreken. Maar, voegt hij er even later aan toe, als het op de juiste manier gebeurt is alles natuurlijk in orde. Nog nadrukkelijker wordt dit pendelen-tussen-twee-uitersten wanneer hij het zielenthema introduceert. Eerst noemt hij het een ‘intermezzo’, als was het een ontspannende pauze, een entr’acte. Maar nog geen week later brengt hij het in verband met het voortbestaan van de menselijke beschaving. Wanneer hij dan voelt dat er weerstanden rijzen en zijn toehoorders zich beginnen afvragen of ze nu werkelijk moeten gaan uitzoeken tot welke zielengroep ze behoren, antwoordt hij kordaat: ja, absoluut! Iedere antroposoof moet erachter komen of hij een oude dan wel een jonge ziel is! Maar even later zwakt hij dat alweer af: we moeten er toch een beetje over gaan nadenken. 

Het is een grote stap die Rudolf Steiner tijdens de Weihnachtstagung zet: hij vervangt de oude wijsheidsmysteriën door wilsmysteriën. Wat vroeger onderscheiden werd – denken en voelen, wijsheid en liefde, koningen en herders, enzovoort – wordt nu verbonden tot een hogere eenheid. Maar alleen als de mens dat wil. De nieuwe mysteriën zijn mysteriën van de vrije wil. Ze hangen niet langer van de goden af, ze hangen van de mens af. Daarom gaat Rudolf Steiner zo ‘dubbelzinnig’ tewerk. Hij weet hoe ontzettend belangrijk het is dat zijn leerlingen deze stap zetten. Maar hij wil hen niet dwingen of intimideren, zorgvuldig vermijdt hij ieder ‘grensoverschrijdend gedrag’. Voor een man van zijn formaat is dat geen sinecure, want zijn woorden worden al te vaak tot dogma’s gemaakt. Vandaar de tegenstrijdige signalen die hij nu uitzendt en waarvan hij hoopt dat zijn leerlingen ze zullen begrijpen. Als een minnaar maakt hij zijn geliefde het hof: vasthoudend en terughoudend tegelijk. 

Het zielenthema kan alleen in het hart ontkiemen omdat het een liefdesthema is. Voor het nuchtere verstand is het gedrag van Rudolf Steiner onbegrijpelijk. De man die een leven lang de diepste geestelijke waarheden verkondigd heeft, begint nu te spreken over het feit dat er … twee soorten antroposofen bestaan. Hij maant zijn leerlingen aan zich af te vragen tot welke groep ze behoren, en het antwoord op die vraag kan volgens hem de inhoud van de antroposofie worden. Wat is er met Steiner aan de hand? Hij lijkt een beetje simpel van geest te zijn geworden. Zijn leerlingen weten niet wat ze er moeten van denken en besluiten de hele kwestie met de mantel der liefde te bedekken. Ze wenden zedig de blik af en doen alsof er niets gebeurd is. Dat doen ze vandaag nog altijd. Ze gaan ervan uit dat Rudolf Steiner met het zielenthema een uitschuiver heeft gemaakt. Dat wordt niet met zoveel woorden gezegd, maar ze blijven het onderwerp negeren of minimaliseren. Wie er méér in ziet, wordt tot de orde geroepen. 

Iedere minnaar loopt het risico dat zijn liefde niet beantwoord wordt. Rudolf Steiner heeft meer dan eens uitgesproken dat de Weihnachtstagung een waagstuk was. Als de goden hem afgewezen hadden, zou al zijn werk voor niets zijn geweest. Maar ze beantwoordden zijn liefdesverklaring, ze aanvaardden zijn offer. De onthulling van het zielenthema was een eerste vrucht van deze liefdesrelatie: het was een geschenk van de goden. Maar de nieuwe mysteriën konden zich alleen verder ontwikkelen als dit geschenk aanvaard werd, als mensen Rudolf Steiner navolgden en hun hart lieten spreken. Deze liefdesmysteriën wilden een huwelijk tot stand brengen tussen mensen en goden. De goden hadden reeds hun ja-woord gegeven, maar de mensen deinsden terug. Ze waren nog niet bereid hun oude vrijheid op te geven, ze hingen nog teveel aan hun oude, dualistische wereld, waar denken en voelen gescheiden optreden, waar de wil nog niet in staat is beide liefdevol met elkaar te verbinden. 

Antroposofie en karmabewustzijn (5)

  

Afgelopen kerst was het (op twee maanden na) precies 33 jaar geleden dat ik antroposoof werd. Dat gebeurde op mijn 30ste verjaardag. Na een lamlendige dag zat ik me ’s avonds stierlijk te vervelen en pikte zonder te kijken een boek op dat naast mij op de grond lag. Het bleek de Filosofie der Vrijheid van Rudolf Steiner te zijn. Mijn vrouw moest dat ooit eens gekocht hebben. Ach ja, dacht ik, waarom niet? Als het me maar bezig hield. Ik had vroeger al eens geprobeerd een paar boeken van Steiner te lezen, maar ik was er nooit doorheen geraakt. Onverteerbaar, vond ik. Het beterde er niet op toen ik de eerste antroposofen leerde kennen. Ze hadden het over de geestelijke wereld alsof het niks was. Ik begreep niet hoe mijn vrouw zich met dergelijke goedgelovige lieden kon inlaten. Nee, antroposofie was niks voor mij. Maar die avond was ik te lui om een ander boek te zoeken en dus begon ik te lezen. Toen ik uren later de laatste bladzijde omsloeg, was ik antroposoof geworden.

Hoe kwam dat? Hoe kon één enkel boek me tot de antroposofie bekeren, en dan nog wel het meest onverteerbare? Later zou ik nog verschillende keren proberen het te herlezen, maar het ging mijn petje te boven. Hoe meer ik las, des te minder ik ervan begreep. Nochtans stond me nog altijd helder voor de geest wat me precies over de streep had getrokken. Dat was de gedachte dat waarnemen en denken twee kanten van dezelfde medaille zijn. Wat we buiten ons waarnemen en wat zich in ons innerlijk afspeelt, staat volgens Rudolf Steiner niet los van elkaar. Het zijn geen twee afzonderlijke werelden, maar twee complementaire manieren waarop we de ene, ondeelbare werkelijkheid benaderen. Rechtstreeks kunnen we die werkelijkheid niet waarnemen. Ofwel zien we haar zintuiglijke dimensie, ofwel denken we haar bovenzintuiglijke dimensie, maar nooit verschijnen beide samen. Dat is onze condition humaine: in ons bewustzijn treden geest en materie gescheiden op, hoewel ze in werkelijkheid één zijn. 

Deze (aristotelische) gedachte was voor mij een enorme bevrijding. Ik realiseerde me opeens hoezeer ik geterroriseerd was geweest door de (in oorsprong platonische) overtuiging dat er twee werelden waren – een zintuiglijke en een bovenzintuiglijke – waartussen geen enkel contact bestond. Ik was me totaal niet bewust van dit verstarde platonisme, maar ik ondervond er wel de implicaties van. Als wat ik dacht, voelde en wilde niks te maken had met de werkelijkheid buiten mij, dan was ik fundamenteel alleen, dan zat ik hopeloos opgesloten in mezelf. En zo beleefde ik het ook. Ik had geen echt contact met de wereld om me heen, ik stond erbuiten. Mijn leven verliep als in een droom, ik had er geen enkele greep op. Ik deed mijn uiterste best om te voldoen aan de verwachtingen en net als de anderen te zijn, maar hoe meer ik probeerde, des te meer had ik het gevoel ‘anders’ te zijn. Uiterlijk paste ik me zo goed mogelijk aan, maar innerlijk verborg ik me angstvallig. 

Ik leefde een dubbelleven. In de buitenwereld was ik een toneelspeler die een rol vertolkte maar in voortdurende angst leefde om ontmaskerd te worden. Er zou, dat voelde ik, iets verschrikkelijks gebeuren als men erachter kwam wie ik werkelijk was. Niet dat ik dat zelf wist – het woordje ‘ik’ had voor mij geen enkele betekenis – maar toch was ik doodsbang ‘ontdekt’ te worden. Ik trok mij zoveel mogelijk terug in een fantasiewereld. Dromen, dat was het liefste wat ik deed, en slapen natuurlijk, want dan kon ik eindelijk ontsnappen aan het voortdurende heen en weer pendelen tussen droom en werkelijkheid. Ik bestond als het ware uit twee personen, die in gescheiden werelden leefden. Naarmate ik opgroeide, dreven ze steeds verder uit elkaar en beleefde ik mezelf als een leegte, een zwart gat, een ‘niets’. En daar viel ik steeds vaker in. Dan ging het licht uit en zonk ik weg in donkere diepten waar ik alleen maar kon wachten tot ik weer boven zou komen.

Begreep mijn verstand niet wat Rudolf Steiner met zijn Filosofie der Vrijheid bedoelde, mijn hart herkende het maar al te goed. Wat hij met filosofische begrippen beschreef, was de werkelijkheid waarin ik leefde: een gebroken werkelijkheid, een gespleten werkelijkheid. Doorheen zijn woorden zag ik duidelijk wat die innerlijke verscheurdheid veroorzaakte: het dualisme, de leer van de twee werelden. En dat inzicht was voor mij een enorme bevrijding, een verlossing, een geboorte. Uiteraard waren beide werelden – de buitenwereld en de binnenwereld – nog altijd gescheiden, maar ik had een gaatje gevonden, een opening. Ik was niet langer gedoemd om in dat beklemmende niemandsland te leven, dat grauwe schimmenrijk. En degene die me de uitweg had gewezen, degene die een lichtje had doen branden in de duisternis, was Rudolf Steiner. Daarom werd ik antroposoof: niet omdat ik begreep wat hij allemaal vertelde, maar omdat hij me ‘verlost’ had.  

Zoals het hoort, werd ik enkele dagen na mijn (geestelijke) geboorte ‘gedoopt’. In de Fnac trof ik een antroposofisch boek aan (dat kon toen nog): Emil Bocks Tussen Bethlehem en de Jordaan, over de onbekende jaren van Jezus van Nazareth. Die ‘onbekende jaren’ intrigeerden me wel, maar wat moest ik met een boek over Jezus? Ik was al zeker 15 jaar atheïst, op dezelfde manier als ik dualist was geweest: niet uit overtuiging, maar als beleving. Ik had niks tegen God of religie, maar ik begreep niet hoe mensen daar nog konden in geloven, evenmin als ik begreep hoe antroposofen konden geloven in kabouters, engelen en andere wezens die ze niet konden zien. Na een lange aarzeling besloot ik het boek te kopen. Wat de doorslag gaf was de gedachte: wie A zegt, moet B zeggen. Wie antroposoof werd, moest Christus erbij nemen, het een ging niet zonder het ander. En zo werd ik van de ene op de andere dag gelovig, net zoals ik van de ene op de andere dag antroposoof was geworden. 

Reeds de eerste bladzijden van het boek – over de geografie van Palestina – brachten me in verrukking. Zo had ik de wereld nog nooit weten beschrijven: alsof hij een kunstwerk was. En dat gold voor het hele onderwerp: één groot kunstwerk dat op een nuchtere, wetenschappelijke manier beschreven werd. Hart en hoofd: het blijft een heerlijke combinatie. Later zou ik vernemen dat de toehoorders van Rudolf Steiner geschokt waren toen hij hen voor het eerst vertelde dat er niet één maar twee Jezuskinderen waren geweest. Zelf voelde ik alleen maar verbazing: was de oudere Jezus werkelijk in een huis geboren en niet in de stal? Ik ging het meteen nakijken en inderdaad, daar stond het: de Jezus uit het Mattheusevangelie werd geboren in een huis! Meer had ik niet nodig om overtuigd te worden. De hele geschiedenis was te mooi om niet waar te zijn. Zoiets kon je onmogelijk bedenken, en algauw vond ik de hele zaak vanzelfsprekend: natúúrlijk waren er twee Jezuskinderen geweest!

Opnieuw viel er een gewicht van me af waarvan ik niet wist dat ik het al die tijd met me mee had gesleurd. Ik was blij de bijbelse beelden waar ik als kind mee opgegroeid was, weer in mijn bewustzijn te kunnen toelaten. Niet dat ik zo godvruchtig was geweest – religie maakte deel uit van de buitenwereld die ik als een kameleon nabootste – maar het is toch verre van aangenaam te moeten beseffen dat je als kind bedrogen bent. Hoewel ik nooit de – momenteel zo populaire – gedachte gekoesterd heb dat religie een middel is om mensen te hersenspoelen, was ik toch blij dat de bijbelse beelden geen ballast waren die ik onbewust meezeulde. Integendeel, ze bleken diepe waarheden te bevatten, waarheden die in mijn ziel wortel hadden geschoten en die ik nu weer onbekommerd aan het licht kon laten komen. Wat een akelig denkbeeld trouwens dat de mensheid, misleid door religieus bedrog, altijd in duisternis heeft gedwaald en pas in onze tijd het licht heeft gezien! 

Het is een van de grote pluspunten van de antroposofie dat ze niet alleen een weg wijst naar de toekomst, maar dat ze het heden ook weer verbindt met het verleden. Terwijl het hedendaagse materialisme de mens afsnijdt van zijn verleden en hem doet geloven dat zijn voorouders louter bedriegers en bedrogenen waren, stelt de antroposofie de menselijke geschiedenis voor als een organisch geheel. De toekomst ontwikkelt zich uit het verleden en we leven des te meer in het heden naarmate we ons daarvan bewust zijn. Het platonische dualisme speelt zich niet alleen in de ruimte af, maar ook in de tijd. Het scheidt niet alleen buiten en binnen, het scheidt ook verleden en heden. En het doet ons geloven dat we het een bereiken door het andere af te wijzen. Het aristotelische monisme van Rudolf Steiner ontkent de platonische scheiding niet, maar neemt ze op in een groter, driegeleed geheel dat zich zowel in ruimte als tijd ontwikkelt volgens de wetmatigheden van de metamorfose. 

Het was dan ook niet meer dan logisch dat op mijn geboorte in het denken (de Filosofie der Vrijheid) en mijn geboorte in het voelen (de herontdekking van het christendom) nog een derde geboorte zou volgen. Die werd opnieuw bewerkstelligd door een boek dat me toevallig in handen viel: Christussucher und Michaëldiener van de hand van Hans Peter van Manen. Op een dag trof ik het op de keukentafel aan. Mijn vrouw had het te leen gekregen van wijlen Peter Vanden Berghe die het cadeau had gekregen van iemand die het uit Dornach had meegebracht (elders was het niet te krijgen). Nietsvermoedend sloeg ik het boek met de vreemde titel open en wat me zo’n 12 jaar eerder met de Filosofie der Vrijheid was overkomen, overkwam me opnieuw: ik las het in één ruk uit en was verkocht. Dat was des te merkwaardiger omdat ik geen woord Duits kende en nog nooit een Duits boek had gelezen. Maar met een Prisma-woordenboekje lukte het wel.

Opnieuw was ik enthousiast. Wat een spannend thema! Dat het in wezen hetzelfde thema was dat me ook beide vorige keren geestdriftig had gemaakt, realiseerde ik me nog niet. Geboeid las ik wat Rudolf Steiner zei over oude en jonge zielen. Meteen begreep ik waarom mijn vrouw en ik zo verschillend waren, en waarom we de antroposofie zo totaal anders benaderden. Het zielenthema zou het onderwerp worden van talloze gesprekken tussen ons, gesprekken waarin veel begrijpelijk werd wat anders onverklaarbaar was gebleven en voor heel wat onbegrip en ergernis had gezorgd. Mijn vrouw, onmiskenbaar een jonge ziel, was een zogenaamde ‘driegeleder’: ze dacht altijd in termen van drie. Als oude ziel kon ik daar echter niks mee beginnen. Ik ervoer die driegeleding als iets van de buitenwereld, iets dat me werd opgelegd en dat ik moest nabootsen (als ik er tenminste wilde bijhoren). Maar innerlijk was het me volkomen vreemd. Mijn wereld was een door en door dualistische wereld.

Zei Rudolf Steiner niet steeds dat je als antroposoof moet beginnen met wat er is (en niet met wat er zou moeten zijn)? Welnu, de drie boeken die mij tot de antroposofie brachten, en achtereenvolgens mijn denken, voelen en willen aanspraken, maakten dat mogelijk. Alledrie gingen ze uit van een dualiteit, die echter niet als een onoverkomelijke tegenstelling maar als een vruchtbare polariteit werd voorgesteld. En daar kon ik iets mee. De driegeleding was veel te hoog gegrepen voor me. Ik vond al geen aansluiting bij de werkelijkheid, laat staan bij een ideale werkelijkheid. Maar de ‘tweegeleding’, ja die kende ik, daar bestond ik als het ware uit. Ik beleefde het dan ook als een diepe, persoonlijke acceptatie dat Rudolf Steiner die dualistische wereld niet afwees maar hem juist tot uitgangspunt – en zelfs voorwaarde – van zijn driegelede streven maakte. Zonder waarneming en denken geen vrijheid, zonder twee Jezuskinderen geen Christus, zonder oude en jonge zielen geen antroposofische vereniging. 

Antroposofie en karmabewustzijn (4)

  

Tijdens de lange reeks karmavoordrachten die Rudolf Steiner aan het eind van zijn leven hield, zegt hij op een bepaald moment dat de antroposofie niets anders is dan een voorbereiding op het einde van de 20ste eeuw. Dan moeten platonici en aristotelici onze beschaving de grote geestelijke impuls geven die haar van de ondergang zal redden. Dat is waar het om gaat: de beschaving redden. In het licht van dat grootse doel lijkt de geschiedenis van de antroposofie een aaneenschakeling van louter mislukkingen, en de vraag rijst: hoe kon het zó mislopen met dit reddingsplan? Of beter: hoe had het ooit kunnen slagen? Want het begon al met een valse start: Karl Julius Schröer, de man die de antroposofie moest ontwikkelen, raakte niet uit de startblokken. Hij werd vervangen door Rudolf Steiner, die veel beter toegerust was voor deze taak maar voortijdig stierf. Daarna viel de antroposofische beweging uit elkaar en van de reddende samenwerking tussen platonici en aristotelici kwam niets in huis. 

Het falen van de antroposofie vestigt de aandacht op die andere wereldhistorische mislukking: de kruisdood van Christus. Ook daar begon alles met een valse start. Het oudste Jezuskind, waarin men de langverwachte Messias zag, stierf nog voor hij aan zijn heilstaak kon beginnen. De jongere Jezus nam het dan van hem over, maar kwam voortijdig aan zijn eind, waarna zijn leerlingen in alle windrichtingen werden verstrooid. De gelijkenissen tussen deze twee mislukte reddingsoperaties zijn opvallend, en in beide gevallen speelt de relatie tussen oude en jonge zielen een cruciale rol. Wat er in de tempel gebeurt tussen beide Jezuskinderen, heeft tot gevolg dat Christus uiteindelijk de marteldood zal sterven. Immers, als de joden hadden geweten dat de heilstaak van de oudere Jezus was overgegaan op de jongere Jezus, dan zouden ze nooit hun Messias aan het kruis hebben geslagen. Maar ze wisten het niet en die onwetendheid besliste over leven en dood.

In de antroposofie is het niet anders. Als voldoende antroposofen hadden ingezien dat een jonge ziel (Rudolf Steiner) de levenstaak van een oude ziel (Karl Julius Schröer) had overgenomen, en als ze begrepen hadden dat die ‘overname’ een oerbeeld is van de antroposofie, dan zouden de spanningen tussen beide zielengroepen nooit zo hoog opgelopen zijn dat het Goetheanum er (bij wijze van spreken) door in brand vloog, dan zouden ze nadien Rudolf Steiner niet aan het kruis hebben geslagen, dan zouden na zijn dood de leiders van de jonge zielen niet uit de vereniging zijn gezet, en dan zou ten slotte de samenwerking tussen platonici en aristotelici niet op een mislukking zijn uitgedraaid. Zeker weten kan men dat natuurlijk nooit, maar men kan wel inzien dat de relatie tussen oude en jonge zielen een beslissende rol heeft gespeeld in het hele drama. En die rol vestigt dan weer de aandacht op de gelijkenis met die andere mislukking: het leven en sterven van Christus. 

Juist die gelijkenis doet vermoeden dat de antroposofische ‘mislukking’ net zo onafwendbaar was als de christelijke. Rudolf Steiner onthulde het geheim van de oude en de jonge zielen pas helemaal aan het eind van zijn leven. Dat moet voor zijn toehoorders een flinke schok zijn geweest want ze hadden zich altijd hevig verzet tegen het karma-thema en nu werd het hen ineens op een zeer persoonlijke manier voorgeschoteld. Nog voor ze van de schok bekomen waren, volgde er een tweede: Rudolf Steiner stierf. En er volgde nog een derde: de antroposofische vereniging werd in twee gescheurd. En een vierde: Hitler kwam aan de macht en de tweede wereldoorlog brak uit. De antroposofen kregen eenvoudig niet de kans om het zielenthema te verwerken. Bovendien had slechts een beperkt aantal onder hen de bewuste karmavoordrachten bijgewoond. De meesten wisten van niets en het zou nog tot 1980 duren vooraleer de eerste grondige studie over het onderwerp verscheen: Christussucher und Michaëldiener van Hans Peter van Manen.

Slechts 20 jaar bleven over tot het eind van de 20ste eeuw en de bewustwording van het zielenthema moest nog beginnen. Dat was onbegonnen werk. De enige die het mislukken van de samenwerking tussen platonici en aristotelici had kunnen voorkomen, was Rudolf Steiner zelf. Als hij was blijven leven en evenveel tijd had kunnen besteden aan zijn eigen levenstaak als aan die van Karl Julius Schröer, dan had hij zijn leerlingen misschien kunnen doordringen van het belang van het zielenthema. Misschien. Want de weerstanden waren groot. Maar Rudolf Steiner stierf en met hem stierf ook het antroposofische reddingsplan. Of toch niet? Maakte zijn voortijdige dood wellicht deel uit van het reddingsplan, zoals ook de dood van Christus deel uitmaakte van het heilsplan? Was de dood van Rudolf Steiner met andere woorden geen mislukking maar juist datgene waar het allemaal om draaide? Om daar achter te komen, moeten we de gelijkenis tussen het antroposofische karma en het Christus-karma verder uitdiepen. 

Dat Christus-karma begint in zekere zin bij de 12-jarige Jezus in de tempel. Wanneer het Ik van de oudste Jezus in hem overgaat, wordt het lot van Christus bezegeld: hij zal sterven. Zijn kruisdood is een soort herhaling van wat zich tussen beide Jezuskinderen afspeelt, want op Golgotha gaat het Christus-Ik over in de aarde (en daarmee in de hele mensheid). Maar eerst heeft er nog een andere ‘Ik-verhuizing’ plaatsgevonden: tijdens de doop in de Jordaan gaat het Ik van Christus over in het lichaam van Jezus. Dat zijn drie Ik-verhuizingen, drie variaties op hetzelfde thema. In drie stappen wordt de geboorte van de nieuwe mens en de nieuwe aarde verwezenlijkt: eerst de vereniging van een oude en een jonge ziel, dan de vereniging van deze geheelde mensenziel met Christus, en ten slotte de vereniging van de mensgeworden Christus met de aarde. Het zijn drie metamorfosen van hetzelfde oerbeeld en de eerste begint op menselijk niveau met de vereniging van een oude en een jonge ziel.

Deze eerste ‘menselijke’ metamorfose wordt weerspiegeld in de antroposofie. En opnieuw kunnen we drie stappen onderscheiden. Drie keer verenigen een oude en een jonge ziel zich met elkaar: eerst Karl Julius Schröer en Rudolf Steiner, daarna Marie von Sivers en Rudolf Steiner, en ten slotte Ita Wegman en Rudolf Steiner. Het zijn drie stadia op weg naar de volmaakte eenwording zoals die gerealiseerd wordt door beide Jezuskinderen. Tussen Karl Julius Schröer en Rudolf Steiner wil het nog niet goed lukken: de platoonse ziel is niet in staat de stap te zetten naar de aristotelische wereld. In dat stadium bevindt de antroposofische beweging zich vandaag: ze slaagt er niet in de kloof tussen beide zielenwerelden te overbruggen. Net als Karl Julius Schröer beseft ze niet dat dit haar werkelijke opgave is. Ze is zich niet bewust van haar oude-zielenaard en leeft grotendeels in een platonische ideeënwereld waaruit ze de weg niet vindt naar de moderne werkelijkheid zoals de aristotelicus Rudolf Steiner dat wel kon. 

Ook Marie von Sivers is een oude ziel die zich thuisvoelt in de platonische ideeënwereld. Rudolf Steiner zei ooit van haar dat ze een kosmisch wezen was. Maar anders dan Karl Julius Schröer kan ze zich wel verbinden met de ‘aardse’ Steiner. Het feit dat ze een vrouw is, zal daar wel een rol in gespeeld hebben. 21 jaar lang zal deze zeer spirituele ziel zich ten dienste stellen van Rudolf Steiner en de praktische kant van de antroposofische beweging op zich nemen: ze doet de administratie, houdt de boekhouding bij, organiseert de voordrachten en reizen, verzorgt de uitgave van boeken en voordrachten. Zonder haar zou Rudolf Steiner nooit in staat zijn geweest zijn rol als geestelijk leraar op te nemen en hij was haar daar zeer dankbaar voor. Hij wist wat een offer het voor haar betekende, niet alleen om zich met dergelijke ‘banale’ zaken bezig te houden, maar ook om zich ten dienste te stellen van een man. Reeds in haar Griekse incarnatie als Hypatia was ze immers een sterke, vrijgevochten vrouw.

Marie von Sivers slaagt waar Karl Julius Schröer faalde, en belichaamt op die manier het tweede antroposofische stadium: oude en jonge zielen werken eendrachtig samen. Het derde stadium is echter te hoog gegrepen voor haar. Dat is voorbehouden aan Ita Wegman die aan de zijde van Rudolf Steiner staat wanneer het Goetheanum afbrandt. Marie von Sivers kan die ramp (veelzeggend genoeg) slechts van op afstand gadeslaan, want ze raakt de heuvel niet meer op. Het is mede-lijden met Rudolf Steiner dat Ita Wegman ertoe brengt haar leven in zijn dienst te stellen. Bovendien maakt de schok van de brand haar bewust van de oude karmische band die tussen haar en Rudolf Steiner bestaat. Reeds als Gilgamesj en Enkidu waren ze met elkaar verbonden, en ook in hun incarnatie als Alexander de Grote en Aristoteles werkten ze nauw samen. Dankzij dit karma-bewustzijn kan Ita Wegman de weg openen naar het derde antroposofische stadium, het stadium van de nieuwe mysteriën. 

Deze nieuwe mysteriën zijn Christus-mysteriën. Ze vormen de overgang naar de tweede metamorfose van het christelijke oerbeeld. In het medelijden van Ita Wegman herkennen we reeds iets van het medelijden dat Jezus voelde met de hulpeloze mensheid. De deerniswekkende toestand waarin de oude mysteriën verkeerden, bracht Jezus ertoe zichzelf te openen voor Christus. Op dezelfde manier brengt de aanblik van de zwartgeblakerde resten van het Goetheanum Ita Wegman ertoe haar hart te openen voor Rudolf Steiner en zijn lijden tot het hare te maken. Vanuit dat mede-lijden stelt ze dan de vraag naar de nieuwe mysteriën. Het is deze (Parsifal)vraag die Rudolf Steiner in staat stelt tijdens de Weihnachtstagung de antroposofische vereniging geheel te vernieuwen. Ook de oude vereniging was ontstaan door een vraag, dit keer van Marie von Sivers. 21 jaar eerder had ze Rudolf Steiner gevraagd naar een christelijke versie van de oude mysteriën en die vraag vormde het begin van de antroposofische beweging. 

Karl Julius Schröer vertegenwoordigt de oude, voorchristelijke mysteriën die hij als Plato onderwezen had. Marie von Sivers staat voor de gekerstende en ‘gemoderniseerde’ oude mysteriën, zoals we die terugvinden in de antroposofie van vóór de Weihnachtstagung. Ita Wegman ten slotte vertegenwoordigt de nieuwe mysteriën die rechtstreeks van Christus uitgaan en door Michaël naar de mensen worden gebracht die er wakker voor zijn. Deze drie antroposofische stadia herkennen we (op een hoger niveau) ook in het christelijke heilsgebeuren. De oudste Jezusziel draagt het hele mysterieverleden van de mensheid in zich. Tijdens het gebeuren in de tempel wordt die alomvattende wijsheid verbonden met de alomvattende liefde van de jonge Jezusziel. Maar dat volstaat niet om de wereld te redden. Er is nog een derde factor nodig en dat is Christus. Pas in het samengaan van Jezus en Christus kunnen de mysteriën volledig vernieuwd en verjongd worden. 

Het zielenthema maakt deel uit van die nieuwe mysteriën. De bewustwording van de rol die oude en jonge zielen spelen in het reddingsplan van de mensheid is de eerste prille stap in de uitvoering van dat plan. Het is in wezen een mysteriedaad, net zoals het gebeuren in de tempel toen het ik van de oude Jezusziel overging op de jonge Jezusziel. Maar die oude tempel bestaat niet meer, ook niet in zijn antroposofische versie. Hij moet opnieuw gebouwd worden en de eerste steen wordt gelegd wanneer we gevolg geven aan Rudolf Steiners laatste, dringende oproep om het zielenthema ter harte te nemen. Dit onaanzienlijke, kinderlijk eenvoudige thema is het zaadje waarin de hele (oude) antroposofie vervat zit. Om haar opnieuw tot leven te wekken moet ware aard van dit zaadje herkend worden. Nadenken over oude en jonge zielen, zei Rudolf Steiner, is geen vrijblijvende theorie maar een intensieve toepassing op het leven. Het is een daad, een stap over de drempel van oud naar nieuw.