Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: oude en jonge zielen

Antroposofie en karmabewustzijn (5)

  

Afgelopen kerst was het (op twee maanden na) precies 33 jaar geleden dat ik antroposoof werd. Dat gebeurde op mijn 30ste verjaardag. Na een lamlendige dag zat ik me ’s avonds stierlijk te vervelen en pikte zonder te kijken een boek op dat naast mij op de grond lag. Het bleek de Filosofie der Vrijheid van Rudolf Steiner te zijn. Mijn vrouw moest dat ooit eens gekocht hebben. Ach ja, dacht ik, waarom niet? Als het me maar bezig hield. Ik had vroeger al eens geprobeerd een paar boeken van Steiner te lezen, maar ik was er nooit doorheen geraakt. Onverteerbaar, vond ik. Het beterde er niet op toen ik de eerste antroposofen leerde kennen. Ze hadden het over de geestelijke wereld alsof het niks was. Ik begreep niet hoe mijn vrouw zich met dergelijke goedgelovige lieden kon inlaten. Nee, antroposofie was niks voor mij. Maar die avond was ik te lui om een ander boek te zoeken en dus begon ik te lezen. Toen ik uren later de laatste bladzijde omsloeg, was ik antroposoof geworden.

Hoe kwam dat? Hoe kon één enkel boek me tot de antroposofie bekeren, en dan nog wel het meest onverteerbare? Later zou ik nog verschillende keren proberen het te herlezen, maar het ging mijn petje te boven. Hoe meer ik las, des te minder ik ervan begreep. Nochtans stond me nog altijd helder voor de geest wat me precies over de streep had getrokken. Dat was de gedachte dat waarnemen en denken twee kanten van dezelfde medaille zijn. Wat we buiten ons waarnemen en wat zich in ons innerlijk afspeelt, staat volgens Rudolf Steiner niet los van elkaar. Het zijn geen twee afzonderlijke werelden, maar twee complementaire manieren waarop we de ene, ondeelbare werkelijkheid benaderen. Rechtstreeks kunnen we die werkelijkheid niet waarnemen. Ofwel zien we haar zintuiglijke dimensie, ofwel denken we haar bovenzintuiglijke dimensie, maar nooit verschijnen beide samen. Dat is onze condition humaine: in ons bewustzijn treden geest en materie gescheiden op, hoewel ze in werkelijkheid één zijn. 

Deze (aristotelische) gedachte was voor mij een enorme bevrijding. Ik realiseerde me opeens hoezeer ik geterroriseerd was geweest door de (in oorsprong platonische) overtuiging dat er twee werelden waren – een zintuiglijke en een bovenzintuiglijke – waartussen geen enkel contact bestond. Ik was me totaal niet bewust van dit verstarde platonisme, maar ik ondervond er wel de implicaties van. Als wat ik dacht, voelde en wilde niks te maken had met de werkelijkheid buiten mij, dan was ik fundamenteel alleen, dan zat ik hopeloos opgesloten in mezelf. En zo beleefde ik het ook. Ik had geen echt contact met de wereld om me heen, ik stond erbuiten. Mijn leven verliep als in een droom, ik had er geen enkele greep op. Ik deed mijn uiterste best om te voldoen aan de verwachtingen en net als de anderen te zijn, maar hoe meer ik probeerde, des te meer had ik het gevoel ‘anders’ te zijn. Uiterlijk paste ik me zo goed mogelijk aan, maar innerlijk verborg ik me angstvallig. 

Ik leefde een dubbelleven. In de buitenwereld was ik een toneelspeler die een rol vertolkte maar in voortdurende angst leefde om ontmaskerd te worden. Er zou, dat voelde ik, iets verschrikkelijks gebeuren als men erachter kwam wie ik werkelijk was. Niet dat ik dat zelf wist – het woordje ‘ik’ had voor mij geen enkele betekenis – maar toch was ik doodsbang ‘ontdekt’ te worden. Ik trok mij zoveel mogelijk terug in een fantasiewereld. Dromen, dat was het liefste wat ik deed, en slapen natuurlijk, want dan kon ik eindelijk ontsnappen aan het voortdurende heen en weer pendelen tussen droom en werkelijkheid. Ik bestond als het ware uit twee personen, die in gescheiden werelden leefden. Naarmate ik opgroeide, dreven ze steeds verder uit elkaar en beleefde ik mezelf als een leegte, een zwart gat, een ‘niets’. En daar viel ik steeds vaker in. Dan ging het licht uit en zonk ik weg in donkere diepten waar ik alleen maar kon wachten tot ik weer boven zou komen.

Begreep mijn verstand niet wat Rudolf Steiner met zijn Filosofie der Vrijheid bedoelde, mijn hart herkende het maar al te goed. Wat hij met filosofische begrippen beschreef, was de werkelijkheid waarin ik leefde: een gebroken werkelijkheid, een gespleten werkelijkheid. Doorheen zijn woorden zag ik duidelijk wat die innerlijke verscheurdheid veroorzaakte: het dualisme, de leer van de twee werelden. En dat inzicht was voor mij een enorme bevrijding, een verlossing, een geboorte. Uiteraard waren beide werelden – de buitenwereld en de binnenwereld – nog altijd gescheiden, maar ik had een gaatje gevonden, een opening. Ik was niet langer gedoemd om in dat beklemmende niemandsland te leven, dat grauwe schimmenrijk. En degene die me de uitweg had gewezen, degene die een lichtje had doen branden in de duisternis, was Rudolf Steiner. Daarom werd ik antroposoof: niet omdat ik begreep wat hij allemaal vertelde, maar omdat hij me ‘verlost’ had.  

Zoals het hoort, werd ik enkele dagen na mijn (geestelijke) geboorte ‘gedoopt’. In de Fnac trof ik een antroposofisch boek aan (dat kon toen nog): Emil Bocks Tussen Bethlehem en de Jordaan, over de onbekende jaren van Jezus van Nazareth. Die ‘onbekende jaren’ intrigeerden me wel, maar wat moest ik met een boek over Jezus? Ik was al zeker 15 jaar atheïst, op dezelfde manier als ik dualist was geweest: niet uit overtuiging, maar als beleving. Ik had niks tegen God of religie, maar ik begreep niet hoe mensen daar nog konden in geloven, evenmin als ik begreep hoe antroposofen konden geloven in kabouters, engelen en andere wezens die ze niet konden zien. Na een lange aarzeling besloot ik het boek te kopen. Wat de doorslag gaf was de gedachte: wie A zegt, moet B zeggen. Wie antroposoof werd, moest Christus erbij nemen, het een ging niet zonder het ander. En zo werd ik van de ene op de andere dag gelovig, net zoals ik van de ene op de andere dag antroposoof was geworden. 

Reeds de eerste bladzijden van het boek – over de geografie van Palestina – brachten me in verrukking. Zo had ik de wereld nog nooit weten beschrijven: alsof hij een kunstwerk was. En dat gold voor het hele onderwerp: één groot kunstwerk dat op een nuchtere, wetenschappelijke manier beschreven werd. Hart en hoofd: het blijft een heerlijke combinatie. Later zou ik vernemen dat de toehoorders van Rudolf Steiner geschokt waren toen hij hen voor het eerst vertelde dat er niet één maar twee Jezuskinderen waren geweest. Zelf voelde ik alleen maar verbazing: was de oudere Jezus werkelijk in een huis geboren en niet in de stal? Ik ging het meteen nakijken en inderdaad, daar stond het: de Jezus uit het Mattheusevangelie werd geboren in een huis! Meer had ik niet nodig om overtuigd te worden. De hele geschiedenis was te mooi om niet waar te zijn. Zoiets kon je onmogelijk bedenken, en algauw vond ik de hele zaak vanzelfsprekend: natúúrlijk waren er twee Jezuskinderen geweest!

Opnieuw viel er een gewicht van me af waarvan ik niet wist dat ik het al die tijd met me mee had gesleurd. Ik was blij de bijbelse beelden waar ik als kind mee opgegroeid was, weer in mijn bewustzijn te kunnen toelaten. Niet dat ik zo godvruchtig was geweest – religie maakte deel uit van de buitenwereld die ik als een kameleon nabootste – maar het is toch verre van aangenaam te moeten beseffen dat je als kind bedrogen bent. Hoewel ik nooit de – momenteel zo populaire – gedachte gekoesterd heb dat religie een middel is om mensen te hersenspoelen, was ik toch blij dat de bijbelse beelden geen ballast waren die ik onbewust meezeulde. Integendeel, ze bleken diepe waarheden te bevatten, waarheden die in mijn ziel wortel hadden geschoten en die ik nu weer onbekommerd aan het licht kon laten komen. Wat een akelig denkbeeld trouwens dat de mensheid, misleid door religieus bedrog, altijd in duisternis heeft gedwaald en pas in onze tijd het licht heeft gezien! 

Het is een van de grote pluspunten van de antroposofie dat ze niet alleen een weg wijst naar de toekomst, maar dat ze het heden ook weer verbindt met het verleden. Terwijl het hedendaagse materialisme de mens afsnijdt van zijn verleden en hem doet geloven dat zijn voorouders louter bedriegers en bedrogenen waren, stelt de antroposofie de menselijke geschiedenis voor als een organisch geheel. De toekomst ontwikkelt zich uit het verleden en we leven des te meer in het heden naarmate we ons daarvan bewust zijn. Het platonische dualisme speelt zich niet alleen in de ruimte af, maar ook in de tijd. Het scheidt niet alleen buiten en binnen, het scheidt ook verleden en heden. En het doet ons geloven dat we het een bereiken door het andere af te wijzen. Het aristotelische monisme van Rudolf Steiner ontkent de platonische scheiding niet, maar neemt ze op in een groter, driegeleed geheel dat zich zowel in ruimte als tijd ontwikkelt volgens de wetmatigheden van de metamorfose. 

Het was dan ook niet meer dan logisch dat op mijn geboorte in het denken (de Filosofie der Vrijheid) en mijn geboorte in het voelen (de herontdekking van het christendom) nog een derde geboorte zou volgen. Die werd opnieuw bewerkstelligd door een boek dat me toevallig in handen viel: Christussucher und Michaëldiener van de hand van Hans Peter van Manen. Op een dag trof ik het op de keukentafel aan. Mijn vrouw had het te leen gekregen van wijlen Peter Vanden Berghe die het cadeau had gekregen van iemand die het uit Dornach had meegebracht (elders was het niet te krijgen). Nietsvermoedend sloeg ik het boek met de vreemde titel open en wat me zo’n 12 jaar eerder met de Filosofie der Vrijheid was overkomen, overkwam me opnieuw: ik las het in één ruk uit en was verkocht. Dat was des te merkwaardiger omdat ik geen woord Duits kende en nog nooit een Duits boek had gelezen. Maar met een Prisma-woordenboekje lukte het wel.

Opnieuw was ik enthousiast. Wat een spannend thema! Dat het in wezen hetzelfde thema was dat me ook beide vorige keren geestdriftig had gemaakt, realiseerde ik me nog niet. Geboeid las ik wat Rudolf Steiner zei over oude en jonge zielen. Meteen begreep ik waarom mijn vrouw en ik zo verschillend waren, en waarom we de antroposofie zo totaal anders benaderden. Het zielenthema zou het onderwerp worden van talloze gesprekken tussen ons, gesprekken waarin veel begrijpelijk werd wat anders onverklaarbaar was gebleven en voor heel wat onbegrip en ergernis had gezorgd. Mijn vrouw, onmiskenbaar een jonge ziel, was een zogenaamde ‘driegeleder’: ze dacht altijd in termen van drie. Als oude ziel kon ik daar echter niks mee beginnen. Ik ervoer die driegeleding als iets van de buitenwereld, iets dat me werd opgelegd en dat ik moest nabootsen (als ik er tenminste wilde bijhoren). Maar innerlijk was het me volkomen vreemd. Mijn wereld was een door en door dualistische wereld.

Zei Rudolf Steiner niet steeds dat je als antroposoof moet beginnen met wat er is (en niet met wat er zou moeten zijn)? Welnu, de drie boeken die mij tot de antroposofie brachten, en achtereenvolgens mijn denken, voelen en willen aanspraken, maakten dat mogelijk. Alledrie gingen ze uit van een dualiteit, die echter niet als een onoverkomelijke tegenstelling maar als een vruchtbare polariteit werd voorgesteld. En daar kon ik iets mee. De driegeleding was veel te hoog gegrepen voor me. Ik vond al geen aansluiting bij de werkelijkheid, laat staan bij een ideale werkelijkheid. Maar de ‘tweegeleding’, ja die kende ik, daar bestond ik als het ware uit. Ik beleefde het dan ook als een diepe, persoonlijke acceptatie dat Rudolf Steiner die dualistische wereld niet afwees maar hem juist tot uitgangspunt – en zelfs voorwaarde – van zijn driegelede streven maakte. Zonder waarneming en denken geen vrijheid, zonder twee Jezuskinderen geen Christus, zonder oude en jonge zielen geen antroposofische vereniging. 

Antroposofie en karmabewustzijn (4)

  

Tijdens de lange reeks karmavoordrachten die Rudolf Steiner aan het eind van zijn leven hield, zegt hij op een bepaald moment dat de antroposofie niets anders is dan een voorbereiding op het einde van de 20ste eeuw. Dan moeten platonici en aristotelici onze beschaving de grote geestelijke impuls geven die haar van de ondergang zal redden. Dat is waar het om gaat: de beschaving redden. In het licht van dat grootse doel lijkt de geschiedenis van de antroposofie een aaneenschakeling van louter mislukkingen, en de vraag rijst: hoe kon het zó mislopen met dit reddingsplan? Of beter: hoe had het ooit kunnen slagen? Want het begon al met een valse start: Karl Julius Schröer, de man die de antroposofie moest ontwikkelen, raakte niet uit de startblokken. Hij werd vervangen door Rudolf Steiner, die veel beter toegerust was voor deze taak maar voortijdig stierf. Daarna viel de antroposofische beweging uit elkaar en van de reddende samenwerking tussen platonici en aristotelici kwam niets in huis. 

Het falen van de antroposofie vestigt de aandacht op die andere wereldhistorische mislukking: de kruisdood van Christus. Ook daar begon alles met een valse start. Het oudste Jezuskind, waarin men de langverwachte Messias zag, stierf nog voor hij aan zijn heilstaak kon beginnen. De jongere Jezus nam het dan van hem over, maar kwam voortijdig aan zijn eind, waarna zijn leerlingen in alle windrichtingen werden verstrooid. De gelijkenissen tussen deze twee mislukte reddingsoperaties zijn opvallend, en in beide gevallen speelt de relatie tussen oude en jonge zielen een cruciale rol. Wat er in de tempel gebeurt tussen beide Jezuskinderen, heeft tot gevolg dat Christus uiteindelijk de marteldood zal sterven. Immers, als de joden hadden geweten dat de heilstaak van de oudere Jezus was overgegaan op de jongere Jezus, dan zouden ze nooit hun Messias aan het kruis hebben geslagen. Maar ze wisten het niet en die onwetendheid besliste over leven en dood.

In de antroposofie is het niet anders. Als voldoende antroposofen hadden ingezien dat een jonge ziel (Rudolf Steiner) de levenstaak van een oude ziel (Karl Julius Schröer) had overgenomen, en als ze begrepen hadden dat die ‘overname’ een oerbeeld is van de antroposofie, dan zouden de spanningen tussen beide zielengroepen nooit zo hoog opgelopen zijn dat het Goetheanum er (bij wijze van spreken) door in brand vloog, dan zouden ze nadien Rudolf Steiner niet aan het kruis hebben geslagen, dan zouden na zijn dood de leiders van de jonge zielen niet uit de vereniging zijn gezet, en dan zou ten slotte de samenwerking tussen platonici en aristotelici niet op een mislukking zijn uitgedraaid. Zeker weten kan men dat natuurlijk nooit, maar men kan wel inzien dat de relatie tussen oude en jonge zielen een beslissende rol heeft gespeeld in het hele drama. En die rol vestigt dan weer de aandacht op de gelijkenis met die andere mislukking: het leven en sterven van Christus. 

Juist die gelijkenis doet vermoeden dat de antroposofische ‘mislukking’ net zo onafwendbaar was als de christelijke. Rudolf Steiner onthulde het geheim van de oude en de jonge zielen pas helemaal aan het eind van zijn leven. Dat moet voor zijn toehoorders een flinke schok zijn geweest want ze hadden zich altijd hevig verzet tegen het karma-thema en nu werd het hen ineens op een zeer persoonlijke manier voorgeschoteld. Nog voor ze van de schok bekomen waren, volgde er een tweede: Rudolf Steiner stierf. En er volgde nog een derde: de antroposofische vereniging werd in twee gescheurd. En een vierde: Hitler kwam aan de macht en de tweede wereldoorlog brak uit. De antroposofen kregen eenvoudig niet de kans om het zielenthema te verwerken. Bovendien had slechts een beperkt aantal onder hen de bewuste karmavoordrachten bijgewoond. De meesten wisten van niets en het zou nog tot 1980 duren vooraleer de eerste grondige studie over het onderwerp verscheen: Christussucher und Michaëldiener van Hans Peter van Manen.

Slechts 20 jaar bleven over tot het eind van de 20ste eeuw en de bewustwording van het zielenthema moest nog beginnen. Dat was onbegonnen werk. De enige die het mislukken van de samenwerking tussen platonici en aristotelici had kunnen voorkomen, was Rudolf Steiner zelf. Als hij was blijven leven en evenveel tijd had kunnen besteden aan zijn eigen levenstaak als aan die van Karl Julius Schröer, dan had hij zijn leerlingen misschien kunnen doordringen van het belang van het zielenthema. Misschien. Want de weerstanden waren groot. Maar Rudolf Steiner stierf en met hem stierf ook het antroposofische reddingsplan. Of toch niet? Maakte zijn voortijdige dood wellicht deel uit van het reddingsplan, zoals ook de dood van Christus deel uitmaakte van het heilsplan? Was de dood van Rudolf Steiner met andere woorden geen mislukking maar juist datgene waar het allemaal om draaide? Om daar achter te komen, moeten we de gelijkenis tussen het antroposofische karma en het Christus-karma verder uitdiepen. 

Dat Christus-karma begint in zekere zin bij de 12-jarige Jezus in de tempel. Wanneer het Ik van de oudste Jezus in hem overgaat, wordt het lot van Christus bezegeld: hij zal sterven. Zijn kruisdood is een soort herhaling van wat zich tussen beide Jezuskinderen afspeelt, want op Golgotha gaat het Christus-Ik over in de aarde (en daarmee in de hele mensheid). Maar eerst heeft er nog een andere ‘Ik-verhuizing’ plaatsgevonden: tijdens de doop in de Jordaan gaat het Ik van Christus over in het lichaam van Jezus. Dat zijn drie Ik-verhuizingen, drie variaties op hetzelfde thema. In drie stappen wordt de geboorte van de nieuwe mens en de nieuwe aarde verwezenlijkt: eerst de vereniging van een oude en een jonge ziel, dan de vereniging van deze geheelde mensenziel met Christus, en ten slotte de vereniging van de mensgeworden Christus met de aarde. Het zijn drie metamorfosen van hetzelfde oerbeeld en de eerste begint op menselijk niveau met de vereniging van een oude en een jonge ziel.

Deze eerste ‘menselijke’ metamorfose wordt weerspiegeld in de antroposofie. En opnieuw kunnen we drie stappen onderscheiden. Drie keer verenigen een oude en een jonge ziel zich met elkaar: eerst Karl Julius Schröer en Rudolf Steiner, daarna Marie von Sivers en Rudolf Steiner, en ten slotte Ita Wegman en Rudolf Steiner. Het zijn drie stadia op weg naar de volmaakte eenwording zoals die gerealiseerd wordt door beide Jezuskinderen. Tussen Karl Julius Schröer en Rudolf Steiner wil het nog niet goed lukken: de platoonse ziel is niet in staat de stap te zetten naar de aristotelische wereld. In dat stadium bevindt de antroposofische beweging zich vandaag: ze slaagt er niet in de kloof tussen beide zielenwerelden te overbruggen. Net als Karl Julius Schröer beseft ze niet dat dit haar werkelijke opgave is. Ze is zich niet bewust van haar oude-zielenaard en leeft grotendeels in een platonische ideeënwereld waaruit ze de weg niet vindt naar de moderne werkelijkheid zoals de aristotelicus Rudolf Steiner dat wel kon. 

Ook Marie von Sivers is een oude ziel die zich thuisvoelt in de platonische ideeënwereld. Rudolf Steiner zei ooit van haar dat ze een kosmisch wezen was. Maar anders dan Karl Julius Schröer kan ze zich wel verbinden met de ‘aardse’ Steiner. Het feit dat ze een vrouw is, zal daar wel een rol in gespeeld hebben. 21 jaar lang zal deze zeer spirituele ziel zich ten dienste stellen van Rudolf Steiner en de praktische kant van de antroposofische beweging op zich nemen: ze doet de administratie, houdt de boekhouding bij, organiseert de voordrachten en reizen, verzorgt de uitgave van boeken en voordrachten. Zonder haar zou Rudolf Steiner nooit in staat zijn geweest zijn rol als geestelijk leraar op te nemen en hij was haar daar zeer dankbaar voor. Hij wist wat een offer het voor haar betekende, niet alleen om zich met dergelijke ‘banale’ zaken bezig te houden, maar ook om zich ten dienste te stellen van een man. Reeds in haar Griekse incarnatie als Hypatia was ze immers een sterke, vrijgevochten vrouw.

Marie von Sivers slaagt waar Karl Julius Schröer faalde, en belichaamt op die manier het tweede antroposofische stadium: oude en jonge zielen werken eendrachtig samen. Het derde stadium is echter te hoog gegrepen voor haar. Dat is voorbehouden aan Ita Wegman die aan de zijde van Rudolf Steiner staat wanneer het Goetheanum afbrandt. Marie von Sivers kan die ramp (veelzeggend genoeg) slechts van op afstand gadeslaan, want ze raakt de heuvel niet meer op. Het is mede-lijden met Rudolf Steiner dat Ita Wegman ertoe brengt haar leven in zijn dienst te stellen. Bovendien maakt de schok van de brand haar bewust van de oude karmische band die tussen haar en Rudolf Steiner bestaat. Reeds als Gilgamesj en Enkidu waren ze met elkaar verbonden, en ook in hun incarnatie als Alexander de Grote en Aristoteles werkten ze nauw samen. Dankzij dit karma-bewustzijn kan Ita Wegman de weg openen naar het derde antroposofische stadium, het stadium van de nieuwe mysteriën. 

Deze nieuwe mysteriën zijn Christus-mysteriën. Ze vormen de overgang naar de tweede metamorfose van het christelijke oerbeeld. In het medelijden van Ita Wegman herkennen we reeds iets van het medelijden dat Jezus voelde met de hulpeloze mensheid. De deerniswekkende toestand waarin de oude mysteriën verkeerden, bracht Jezus ertoe zichzelf te openen voor Christus. Op dezelfde manier brengt de aanblik van de zwartgeblakerde resten van het Goetheanum Ita Wegman ertoe haar hart te openen voor Rudolf Steiner en zijn lijden tot het hare te maken. Vanuit dat mede-lijden stelt ze dan de vraag naar de nieuwe mysteriën. Het is deze (Parsifal)vraag die Rudolf Steiner in staat stelt tijdens de Weihnachtstagung de antroposofische vereniging geheel te vernieuwen. Ook de oude vereniging was ontstaan door een vraag, dit keer van Marie von Sivers. 21 jaar eerder had ze Rudolf Steiner gevraagd naar een christelijke versie van de oude mysteriën en die vraag vormde het begin van de antroposofische beweging. 

Karl Julius Schröer vertegenwoordigt de oude, voorchristelijke mysteriën die hij als Plato onderwezen had. Marie von Sivers staat voor de gekerstende en ‘gemoderniseerde’ oude mysteriën, zoals we die terugvinden in de antroposofie van vóór de Weihnachtstagung. Ita Wegman ten slotte vertegenwoordigt de nieuwe mysteriën die rechtstreeks van Christus uitgaan en door Michaël naar de mensen worden gebracht die er wakker voor zijn. Deze drie antroposofische stadia herkennen we (op een hoger niveau) ook in het christelijke heilsgebeuren. De oudste Jezusziel draagt het hele mysterieverleden van de mensheid in zich. Tijdens het gebeuren in de tempel wordt die alomvattende wijsheid verbonden met de alomvattende liefde van de jonge Jezusziel. Maar dat volstaat niet om de wereld te redden. Er is nog een derde factor nodig en dat is Christus. Pas in het samengaan van Jezus en Christus kunnen de mysteriën volledig vernieuwd en verjongd worden. 

Het zielenthema maakt deel uit van die nieuwe mysteriën. De bewustwording van de rol die oude en jonge zielen spelen in het reddingsplan van de mensheid is de eerste prille stap in de uitvoering van dat plan. Het is in wezen een mysteriedaad, net zoals het gebeuren in de tempel toen het ik van de oude Jezusziel overging op de jonge Jezusziel. Maar die oude tempel bestaat niet meer, ook niet in zijn antroposofische versie. Hij moet opnieuw gebouwd worden en de eerste steen wordt gelegd wanneer we gevolg geven aan Rudolf Steiners laatste, dringende oproep om het zielenthema ter harte te nemen. Dit onaanzienlijke, kinderlijk eenvoudige thema is het zaadje waarin de hele (oude) antroposofie vervat zit. Om haar opnieuw tot leven te wekken moet ware aard van dit zaadje herkend worden. Nadenken over oude en jonge zielen, zei Rudolf Steiner, is geen vrijblijvende theorie maar een intensieve toepassing op het leven. Het is een daad, een stap over de drempel van oud naar nieuw. 

Antroposofie en karmabewustzijn (3)

  

Het falen van Karl Julius Schröer was het spreekwoordelijke domino-blokje dat omviel en een hele reeks andere blokjes in zijn val meesleurde. Rudolf Steiner werd er om te beginnen door gedwongen de ontwikkeling van de antroposofie op zich te nemen en zijn eigen levenstaak – de studie van karma en reïncarnatie – uit te stellen. Toen hij daar eindelijk kon mee beginnen, werd hij opeens zwaar ziek en zag zich gedwongen om in 9 maanden samen te persen waar hij anders een heel leven had kunnen aan wijden. De enorme inspanningen die hij in dat laatste jaar van zijn leven leverde, waren echter niet voldoende. Hij slaagde er wel in het thema van de oude en de jonge zielen te onthullen, maar het drong niet door tot het antroposofische bewustzijn. Tot op heden blijft Rudolf Steiners (dringende) oproep om dit zaadje verder te ontwikkelen onbeantwoord. Het gevolg is een ‘halve’ antroposofie, een antroposofie zonder karmabewustzijn.

Deze gehalveerde antroposofie leeft nog wel, maar ze leidt een kwijnend bestaan: boekhandels verdwijnen, initiatieven sluiten de deuren, het ledenaantal loopt terug, de gemiddelde leeftijd stijgt, antroposofische leraars zijn nauwelijks nog te vinden, artsen evenmin. Het vuur brandt niet meer, zoveel is duidelijk. Vlugger dan verwacht gaat Rudolf Steiners voorspelling over het eind van de 20ste eeuw in vervulling: de (Europese) beschaving gaat ten onder en ze sleept de antroposofie in haar val mee. Wat begon met de mislukking van Karl Julius Schröer lijkt te eindigen met het mislukken van de samenwerking tussen platonici en aristotelici. Ook daartussen stapelen de mislukkingen zich op: de brand van het Goetheanum, de voortijdige dood van Rudolf Steiner, de scheuring van de antroposofische beweging. Het is eigenlijk één lange aaneenschakeling van mislukkingen en de meeste antroposofen kiezen er dan ook voor de ogen te sluiten voor de keerzijde van de antroposofische medaille.  

Desondanks komt deze pijnlijke geschiedenis langzaam maar zeker aan het licht. Stap voor stap raken de onverkwikkelijke feiten bekend en ontstaat een beeld waarin het zielenthema zich duidelijk aftekent. Rudolf Steiner wordt belet zijn levenstaak uit te voeren omdat Julius Schröer zodanig faalt dat er tussen deze oude en deze jonge ziel geen samenwerking tot stand kan komen. Het Goetheanum gaat in de vlammen op als gevolg – of toch minstens als uitdrukking – van de wrijvingen tussen oude en jonge zielen die er maar niet in slagen met elkaar samen te werken. Vervolgens wordt Rudolf Steiner dodelijk ziek omdat hij het karma van deze ruziënde zielengroepen op zich neemt. Na zijn dood spat de antroposofische beweging uit elkaar omdat oude en jonge zielen elkaar minder dan ooit kunnen luchten. En als kers op de tragische taart volgt dan de ultieme mislukking aan het eind van de 20ste eeuw: platonici en aristotelici komen niet tot samenwerking. Het is de zoveelste variatie op hetzelfde thema.

De samenwerking tussen oude en jonge zielen is de kracht maar ook de zwakheid van de antroposofie. Het is de achillespees waar de tegenmachten steeds weer hun pijlen op richten en de wonde is intussen zo lelijk en pijnlijk geworden dat we er niet meer durven naar kijken. Toch is dat de enige manier om de zwaargewonde antroposofie te helen. Op fysiek vlak is dat echter niet meer mogelijk. De oude antroposofie en de oude beschaving vallen niet meer te redden. Rudolf Steiner heeft het geprobeerd, en ook zijn leerlingen hebben het geprobeerd, maar het heeft niet mogen zijn. De tegenmachten vieren vandaag hun overwinning en ons rest niets anders meer dan het voorbeeld van Rudolf Steiner te volgen. Toen hij na de brand van het Goetheanum inzag dat de oude vereniging een verloren zaak was, concentreerde hij de hele antroposofie in de Grondsteenspreuk die hij als een zaadje ‘in de harten van de aanwezigen’ plantte, dat wil zeggen in de harten van degenen die wakker waren.

Dat is de keuze waarvoor we staan: ofwel blijven we slapen en proberen we te redden wat niet meer te redden valt, ofwel proberen we de antroposofie in ons hart samen te ballen tot een zaadje dat we kunnen meenemen over de grens van de dood. Want alles wat zich in ons hoofd bevindt, moeten we achterlaten. Alleen wat in ons hart leeft en met ons eigen wezen verbonden is, kunnen we meenemen en bewaren voor de toekomst. Na de Weihnachtstagung toonde Rudolf Steiner ons hoe we de oude antroposofie-van-het-hoofd kunnen transformeren tot een antroposofie-van-het-hart: door onderscheid te maken, door het feit onder ogen te zien dat de antroposofische beweging bestaat uit ‘hoofdzielen’ en ‘hartzielen’. Wie niet naar deze ‘wonde’ wil kijken, zal haar ook niet kunnen of willen genezen. Daarom verwachtte Rudolf Steiner van iedere antroposoof dat hij erachter kwam tot welke zielengroep hij behoorde (of daar minstens over nadacht). Daarmee begint de genezing van de gewonde antroposofie.

Wat er gebeurt wanneer deze stap wordt overgeslagen, hebben we gezien na Steiners dood. Beide zielengroepen botsten frontaal op elkaar, de oude antroposofie werd gerestaureerd, de dragers van de nieuwe antroposofie (Ita Wegman op kop) vlogen aan de deur, en het zielenthema werd taboe. De antroposofische beweging maakte met andere woorden rechtsomkeer en ging daarmee dwars tegen Rudolf Steiner in. Eigenlijk doet ze dat nog altijd, want zolang het zielenthema genegeerd wordt, kan de antroposofie geen hartsaangelegenheid worden en kan ze de stap naar de toekomst niet zetten. Ze blijft opgesloten in haar hoofd en de polariteit van oude en jonge zielen verhardt tot een dualistische tegenstelling waarvan de spanningen vroeg of laat tot een uitbarsting leiden. Niet de zielenpolariteit op zich is het probleem, maar het gebrek aan bewustzijn ervan. Dat (karma)bewustzijn maakt het verschil tussen een hele en een halve antroposofie, en dat is tegelijk het verschil tussen een genezende en een ziekmakende antroposofie. 

Want de problemen van de antroposofie zijn ook de problemen van de wereld. Het is geen toeval dat onmiddellijk na Rudolf Steiners deadline het zielenthema een wereldprobleem wordt. In de karmavoordrachten spreekt Steiner uitvoerig over de intense geestelijke strijd die de aristotelici (waaronder hijzelf, in zijn vorige incarnatie als Thomas van Aquino) in de middeleeuwen uitvochten met de islamitische geleerden. Vandaag laait die strijd weer op en het is pijnlijk om zien hoe machteloos Europa staat tegenover haar oude vijand. Wat Europa ontbeert, is een antroposofie die deze strijd weer opneemt en samen met de platonici beslecht. Maar zo’n antroposofie bestaat helaas niet. Alleen een intens karmabewustzijn had beide zielengroepen kunnen doen samenwerken in de strijd tegen de islam. Sinds de dood van Rudolf Steiner verzet de antroposofische beweging zich echter hevig tegen dit karmabewustzijn. Het heeft nooit de kans gekregen om zich te ontwikkelen, en daar plukken we nu de zure vruchten van.

Dit besef zou ons met verdubbelde ijver moeten doen werken aan dat karmabewustzijn, want kunnen we deze beschaving niet meer redden, we kunnen nog wel de volgende voorbereiden. Dat is en blijft de opgave van de antroposofie. Als we die ernstig nemen, mogen we ons niet verschansen in ons hoofd waar we alles wegrelativeren en ons vastklampen aan de illusie dat het allemaal wel in orde komt. We moeten ons hart openstellen voor de tragedie die vandaag plaatsvindt en wakker worden voor de realiteit van de wereldproblemen die ook onze eigen, antroposofische problemen zijn. We moeten de blik richten op de doodskrachten die nu de overhand nemen en stap voor stap alles afbreken wat we met zoveel moeite hebben opgebouwd. Alleen door de intense dramatiek van deze doodsstrijd mee te beleven, kan in ons de bevrijdende catharsis ontstaan die we nodig hebben om onze ziel te zuiveren en met vereende krachten verder te werken. 

Wanneer we ontwaken voor het mysteriedrama dat zich voor onze ogen afspeelt, komen we vroeg of laat terecht bij Karl Julius Schröer. Want met zijn mislukking is alles begonnen. Lang voor de hel van de wereldoorlogen losbarstte, lang voor de oude strijd met de islam weer oplaaide, werd in Wenen de eerste steen gelegd van deze lijdensweg, althans de eerste zichtbare steen. Niemand besefte dat, behalve Rudolf Steiner. Niemand kon bevroeden dat de beschaafde en fijnzinnige Karl Julius Schröer aan de oorsprong lag van een ongeziene katastrofe. Uiterlijk gezien was er niks aan de hand met deze brave professor die les gaf, gedichten schreef en een groot bewonderaar van Goethe was. Maar achter de coulissen speelde zich één van de grootste drama’s aller tijden af: het falen van de gereïncarneerde Plato. Volgens Rudolf Steiner was zijn vader bovendien de gereïncarneerde Socrates, maar ondanks diens steun slaagde Schröer er niet in de antroposofie te ontwikkelen. En als gevolg daarvan sloeg het noodlot toe.

Dit historische falen roept heel wat vragen op. Zoals de joden (lichamelijk) de menswording van Christus moesten voorbereiden, zo moesten de antroposofen (geestelijk) de wederkomst van Christus voorbereiden. Belangwekkender taken kan men zich moeilijk indenken. En toch werd de taak om de antroposofie te grondvesten toevertrouwd aan iemand die daar volkomen ongeschikt voor was. Want het is niet zo dat de man te maken kreeg met zware tegenslagen of felle weerstanden. Nee, hij kon het gewoon niet, hij heeft het zelfs niet geprobeerd. Deze vaststelling laat maar twee mogelijkheden open. Ofwel hebben degenen die het antroposofische karma moesten regelen zich zwaar vergist toen ze Julius Schröer uitkozen voor deze taak. Ze hebben daarna nog geprobeerd hun vergissing recht te zetten door Rudolf Steiner te sturen, maar die kon de meubelen niet meer redden. Ofwel, en dat is de tweede mogelijkheid, moeten we het falen van Karl Julius Schröer op een heel andere manier bekijken.

Volgens Rudolf Steiner is het karma afkomstig uit de allerhoogste regionen van de geestelijke wereld. In het geval van twee wereldhistorische karma’s als het joodse en het antroposofische mogen we zelfs aannemen dat ze gestuurd werden vanuit de Triniteit, en als ze zich daar vergissen, dan valt er voor ons mensen niet veel te herstellen. We hebben als antroposoof dus geen andere keuze dan te vertrouwen op de wijsheid van de karmascheppende goden en ervan uit te gaan dat ze een goede reden hadden om uitgerekend Karl Julius Schröer te kiezen voor een zo belangrijke opdracht. We kunnen derhalve niet zomaar spreken van een ‘mislukking’ van de antroposofie. We zouden dan ook moeten spreken van een mislukking van Christus, want toen hij naar de aarde kwam om de mensheid te redden, kon hij niet eens zichzelf redden: hij werd terechtgesteld als een misdadiger. Groter fiasco kan men zich niet indenken, en toch werd deze ‘mislukte’ geschiedenis een heilsgeschiedenis.

Het wordt langzaam duidelijk dat we de geschiedenis van de antroposofische beweging nog op een geheel andere manier kunnen bekijken. Het is begrijpelijk dat we als antroposoof positief willen blijven en ons concentreren op de goede dingen. Hoe zouden we het anders volhouden! Maar de waarheid heeft haar rechten. Als onze positieve instelling inhoudt dat we de schaduwkanten van het antroposofische karma negeren, dan beperken we ons tot de halve waarheid en die is soms erger dan een hele leugen. Wanneer we ons hart openstellen voor de hele waarheid, dan komt dat in eerste instantie hard aan. Gevoelens van mislukking, onmacht en wanhoop overspoelen ons. Maar als we de verleiding weerstaan om de blik af te wenden en ons in onszelf op te sluiten, dan begint een zaadje te ontkiemen en langzaam wordt een beeld zichtbaar dat ons een blik gunt op een andere, diepere werkelijkheid, een karmische werkelijkheid waar ‘mislukken’ deel uitmaakt van het plan. 

Antroposofie en karmabewustzijn (2)

  

Na zowat zijn hele leven besteed te hebben aan Julius Schröers levenstaak – de antroposofie – kon Rudolf Steiner na afloop van de Weihnachtstagung eindelijk aan zijn eigen opgave beginnen: karma en reïncarnatie. Daarvoor restten hem nog slechts 9 luttele maanden en dus moest hij zich beperken tot het meest essentiële. Dat bleek de relatie tussen oude en jonge zielen te zijn. Hij onthulde dit thema, dat als een rode draad door de karmavoordrachten loopt, tijdens de laatste zomer van zijn leven en hij deed dat heel voorzichtig. Hij sprak zelfs van een ‘intermezzo’, want hij had meer dan eens ondervonden hoe onoverkomelijk de weerstanden waren tegen karmabewustzijn. Maar dit keer zette hij door. Hij kon niet langer wachten tot zijn toehoorders er klaar voor waren. Het was nu of nooit. En bijna was het nooit geweest, want Rudolf Steiner had de Weihnachtstagung ternauwernood overleefd. De tegenmachten hadden er werkelijk alles aan gedaan om hem het spreken te beletten. 

Wat was er zo bedreigend aan dit karma-inzicht? Waarom wilden de tegenachten het met alle mogelijke middelen tegenhouden? Want ook na de dood van Rudolf Steiner gingen ze zo te keer dat het thema van de oude en de jonge zielen geen kans kreeg om door te dringen tot het antroposofische bewustzijn. En daar is tot op de huidige dag geen verandering in gekomen. De hardnekkigheid waarmee het zielenthema genegeerd wordt, doet onwillekeurig denken aan het geheim van de twee Jezuskinderen. Ook dat is tot op heden niet boven water gekomen, hoewel het duidelijk op te maken valt uit de twee verschillende geboorteverhalen en de twee verschillende stambomen in de bijbel, nochtans het meest bestudeerde boek ter wereld. Alleen in de antroposofische wereld kent men dit geheim, maar daar wordt het dan weer zorgvuldig gescheiden gehouden van het eigen karma. Het zijn dus geen geringe krachten die zich tegen het zielenthema keren en daar moeten ze een goede reden voor hebben. 

De belangrijkste gebeurtenis in de geschiedenis van de mensheid – de menswording van Christus – werd mogelijk gemaakt door de vereniging van de oude solomonische Jezusziel en de jonge nathanische Jezusziel. In onze tijd vindt de op één na belangrijkste gebeurtenis plaats – de wederkomst van Christus – en die mag volgens Rudolf Steiner onder geen beding verslapen worden. Dat zou het ergste zijn wat de mensheid kan overkomen. Om dat onheil af te wenden is de antroposofie in het leven geroepen en dat werd mogelijk gemaakt door – opnieuw – de vereniging van een oude en een jonge ziel. De antroposofie werd geconcipieerd door Julius Schröer en Rudolf Steiner, een oude en een jonge ziel. Aan de wieg van de beweging stonden Marie von Sivers en Rudolf Steiner, een oude en een jonge ziel. En tijdens de Weihnachtstagung werd de vereniging heropgericht dankzij de samenwerking van Ita Wegman en Rudolf Steiner, andermaal een oude en een jonge ziel.  

Zonder deze samenwerking van een oude en een jonge ziel is de antroposofie eenvoudig niet denkbaar. Hun twee-eenheid is de alfa en de omega van de antroposofie, het oerbeeld, het kloppende hart. Zo kwam het ook tot uitdrukking in de twee (in elkaar schuivende) koepels van het eerste Goetheanum. De tegenmachten konden de antroposofie niet dieper treffen dan door dit oerbeeld te verwoesten, zowel uiterlijk (ze staken het Goetheanum in brand) als innerlijk (ze dreven een wig tussen oude en jonge zielen). Zo verhinderden ze de vereniging van twee complementaire vormen van bewustzijn: het (oude) ‘antroposofische’ bewustzijn en het (jonge) ‘karmabewustzijn’. Daardoor kon echter ook het Christusbewustzijn niet ontstaan. Zonder antroposofie geen karmabewustzijn, zonder karmabewustzijn geen Christusbewustzijn. Op die manier onttrokken de tegenmachten de wederkomst van Christus aan het moderne bewustzijn en riepen ze stap voor stap het grootste onheil over de mensheid af. 

De eerste – en in zekere zin belangrijkste – stap in deze onheilsgeschiedenis was het saboteren van Julius Schröers opdracht: het ontwikkelen van de antroposofie. Als gevolg daarvan zag Rudolf Steiner zich genoodzaakt Schröers levenstaak over te nemen, want zonder antroposofie kon hij ook geen inzicht in karma en reïncarnatie ontwikkelen. Hij moest zijn eigen levensopdracht uitstellen en toen hij er eindelijk kon aan beginnen, sloegen de tegenmachten opnieuw toe. Ze hadden het Goetheanum in de as gelegd en daarmee het lot van de antroposofische vereniging bezegeld. Maar Rudolf Steiner liet zich niet uit het veld slaan en richtte de vereniging opnieuw op. Dus troffen ze hem een tweede keer, onmiddellijk na de Weihnachtstagung. Ook die aanslag overleefde hij, en onmiddellijk na zijn dood sloegen ze een derde keer toe. Ze staken de antroposofische beweging in brand, daarna Duitsland en ten slotte heel Europa. 

Op die manier ontwikkelde een kleine vonk – het uitschakelen van Julius Schröer – zich tot een uitslaande wereldbrand. Uit de assen is de wereld opnieuw verrezen, maar zijn ruggegraat is gebroken. De antroposofische inzichten zijn na 100 jaar nog altijd niet doorgedrongen in de beschaving. Hetzelfde geldt voor het karmabewustzijn in de antroposofische wereld. En van de samenwerking tussen platonici en aristotelici – die de antroposofie tot bloei had moeten brengen en de beschaving van de ondergang redden – is niets te merken geweest. Rudolf Steiners deadline was dan ook nog maar pas verstreken of Sorat stak zijn monsterachtige kop op. En sindsdien gaat het in sneltreinvaart bergaf. Iedere dag duiken er nieuwe ontbindingsverschijnselen op die duidelijk maken dat de onze beschaving ten onder gaat. Ja, de tegenmachten hebben hun werk grondig gedaan. Ze wisten precies wat ze moesten doen om het Christusbewustzijn te verhinderen en het grootste onheil over de mensheid te brengen. 

Tegen deze tegenmachten had Michaël ‘in de hemel’ strijd geleverd. Aan het eind van de 19de eeuw had hij ze overwonnen en ‘op aarde’ geworpen. Daar ontketenden ze een ongeziene katastrofe die nog altijd voortduurt en de mensheid met verstomming slaat. De opgave van de antroposofische beweging bestaat erin deze verstomming te doorbreken en wakker te worden voor wat zich in deze apocalyps wil openbaren: de wederkomst van Christus. Sinds het aflopen van de 20ste eeuw – de deadline van Rudolf Steiner – heeft die opgave het karakter van een keuze gekregen: zien we de mislukking van de antroposofie onder ogen of doen we verder alsof er niks aan de hand is? De situatie doet onwillekeurig denken aan de Hof van Olijven waar Christus worstelde met de dood en aan zijn leerlingen vroeg om met hem te waken. Maar ze vielen in slaap. Ze waren niet in staat de ‘mislukking’ van hun Meester onder ogen te zien en sloten er hun bewustzijn voor af. 

De Weihnachtstagung van 1923 vormde het begin van het lijden en sterven van Rudolf Steiner. De vertaling van de oude mysteriën (Schröers opdracht) was voltooid en er bleven slechts 9 maanden over om de nieuwe mysteriën (zijn eigen levenstaak) te ontwikkelen. Dus concentreerde hij ze in een Grondsteen die hij ‘in de harten van de aanwezigen’ legde, in de hoop dat dit zaadje zich zou ontwikkelen tot een nieuwe tempel. Die ‘aanwezigen’ bedoelde hij niet enkel in letterlijke zin. Toen hij na afloop van de kerstbijeenkomst verklaarde het jammer te vinden dat een bepaalde leerling er niet bij was geweest, antwoordde men hem: o, maar hij was er wel degelijk, we hebben hem gezien! Rudolf Steiner bleef echter bij zijn eerste verklaring en legde uit dat men wel ergens fysiek kan zijn, maar daarom nog niet ‘aanwezig’ is. Het volstond niet om de Grondsteenspreuk (fysiek) te horen, ze moest in de eerste plaats (geestelijk) opgenomen worden ‘in het hart’. Men moest er wakker voor zijn, men moest er met heel zijn wezen ‘aanwezig’ voor zijn.

Die wakkerheid was er niet, of toch niet in voldoende mate om Rudolf Steiner het leven te redden. Hij slaagde er weliswaar nog in om het zaadje van de Weihnachtstagung tot ontkieming te brengen en het geheim van de oude en de jonge zielen te onthullen, maar toen kon hij niet meer verder. De rest moest hij aan zijn leerlingen overlaten. Hoe dat verliep, is bekend. De woede van de tegenmachten brak over hen uit en ze verloren hun bezinning. De antroposofische beweging werd lam geslagen, eerst door wat zich binnen haar grenzen afspeelde en daarna door wat ook daarbuiten gebeurde. Inmiddels heeft ze zich daarvan hersteld, althans uiterlijk, want innerlijk ligt er een cordon sanitaire van angst en schaamte rond het pas ontkiemde zaadje: schaamte over het falen van de beweging en angst dat het opnieuw zou kunnen gebeuren. Deze ‘doornhaag’ houdt het antroposofische bewustzijn sindsdien op veilige afstand van het zielenthema en belet de verdere ontwikkeling ervan.  

Toen Rudolf Steiner stierf, is de antroposofische beweging in slaap gevallen. Vandaag, bijna 100 jaar later, bestaat ze nog altijd en wordt er veel gedacht en hard gewerkt. Maar men is niet echt wakker, men is niet echt aanwezig. De tegenwoordigheid van geest ontbreekt. Dat kan men aflezen aan het kwijnende bestaan dat de antroposofie leidt, aan haar onvermogen om de brug te slaan naar de moderne wereld, naar de moderne jeugd. Men kan het ook opmaken uit de blinde vlek in het antroposofische bewustzijn. Na al die jaren – het is bijna een eeuw geleden – blijft men nog altijd doof voor de laatste, dringende oproep van Rudolf Steiner om na te denken over het zielenthema, om deze kiem van karmabewustzijn verder te ontwikkelen. Zolang men daar geen gevolg aan geeft en innerlijk ontwaakt, kan de antroposofie ook uiterlijk niet in beweging komen. Ze blijft de gevangene van de tegenmachten die als in slagorde rond haar opgesteld staan. Want zij willen niet dat deze schone slaapster wakker wordt. 

Antroposofie en karmabewustzijn (1)

  

Wie de geschiedenis van de antroposofische beweging een beetje kent, weet wat er gebeurde na de dood van Rudolf Steiner. Zijn twee belangrijkste leerlingen – Marie von Sivers en Ita Wegman kregen ruzie over de assen van hun leraar: de zogenaamde Urnenstreit. Het is niet meteen iets wat men verwacht van spirituele mensen: bekvechten over iemands stoffelijke resten. Of toch wel? Naar verluidt wilde Rudolf Steiner niet verast maar begraven worden. Voorzag hij dat de urne met zijn assen de inzet zouden worden van een ruzie die de hele beweging in twee kampen zou verdelen? Hoe dan ook, het vuur dat zijn lichaam verteerde leek over te slaan op de antroposofische beweging, ook zij werd in de as gelegd. Het doet onwillekeurig denken aan de brand die het Goetheanum verwoestte en waarvan Rudolf Steiner zei dat het vuur weliswaar van buitenaf werd aangestoken maar zijn werkelijke oorzaak vond in de ruzies en spanningen binnen de antroposofische wereld zelf. 

De Urnenstreit was de vonk die de uitslaande brand deed ontstaan waarvan Ita Wegman later zou zeggen dat, als hij niet geblust werd, Hitler aan de macht zou komen. Wat ook gebeurde. Maar Ita Wegman zei nog iets anders over die ruzie. De felle haat waar (vooral) zij het slachtoffer van werd, was volgens haar in de eerste plaats gericht tegen de ontwikkeling van het karmabewustzijn. Dat was wat de tegenmachten in de kiem wilden smoren, en zij slaagden daar voortreffelijk in. Vandaag, bijna 100 jaar later, is karmabewustzijn zo goed als onbestaande. Vrijwel geen enkele antroposoof weet tot welke karmische groep hij behoort: die van de oude of die van de jonge zielen. Nochtans is dat de basiskennis die Rudolf Steiner van iedere antroposoof verwachtte. En hij had daar een goede reden voor. De antroposofie was volgens hem niets anders dan een voorbereiding op wat aan het eind van de 20ste eeuw moest plaatsvinden: de samenwerking van platonici en aristotelici, de leidende figuren van beide zielengroepen. 

Nooit heeft Rudolf Steiner met meer nadruk gesproken dan over deze samenwerking. Hij verbond er zelfs een deadline aan: ze moest plaatsvinden vóór het eind van de 20ste eeuw, anders zou de mensheid ‘aan het graf van alle beschaving staan’. Zo drukte hij het uit, en deze apocalyptische voorspelling herhaalde hij liefst vijf keer. Het was in zekere zin zijn testament, zijn laatste wilsbeschikking, want kort daarop moest hij het werk staken en een half jaar later was hij dood. Niets was voor hem belangrijker dan deze toekomstige samenwerking van platonici en aristotelici. Zij was het grote doel van de antroposofische arbeid, datgene waarop alle inspanningen gericht moesten zijn. Maar dat wisten de tegenmachten ook, en ze zetten alles op alles om de ontwikkeling te verhinderen van het karmabewustzijn dat deze samenwerking mogelijk moest maken. Onder geen beding mocht van de antroposofie de geestelijke impuls uitgaan die de beschaving uit het slop van het materialisme zou halen. 

De tegenwerking begon al nog voor er van antroposofie sprake was. Julius Schröer, de man die geroepen was om de antroposofie te ontwikkelen, bleek daar niet toe in staat. Rudolf Steiner had geen andere keuze dan zijn taak over te nemen, want zonder antroposofie kon hij zijn eigen levensopdracht – de bewustwording van karma en reïncarnatie – niet vervullen. Hij heeft nog geprobeerd beide taken te combineren, maar zijn pogingen om over karma en reïncarnatie te spreken liepen op niets uit. De weerstanden waren te groot. Pas na het voltooien van de antroposofie, dat wil zeggen na de Weihnachtstagung, slaagde hij erin die weerstanden te overwinnen. Maar de prijs lag bijzonder hoog. De brand van het Goetheanum was reeds een zware klap voor hem geweest en een jaar later volgde nog een tweede: hij werd vergiftigd. Ook deze aanslag wist hij te overleven, maar hij was ten dode opgeschreven. Er restten hem nog slechts 9 maanden om te doen waarvoor hij op aarde was gekomen. 

Na de dood van Rudolf Steiner sloegen de tegenmachten een derde maal toe: de Urnenstreit scheurde de antroposofische beweging in twee en de breuklijn liep grotendeels tussen de oude en de jonge zielen waarover hij in het laatste jaar van zijn leven had gesproken. Dit elementaire karma-inzicht had echter niet de kans gekregen door te dringen tot het antroposofische bewustzijn en de beweging had dan ook geen verhaal tegen deze vernietigende aanval van de draak. Dertig jaar later werd de breuk geheeld, maar tegelijk werd ook het zielenthema begraven. Het grondleggende werk van Hans Peter van Manen, Christussucher und Michaeldiener, dat in 1980 verscheen, vond nauwelijks weerklank. Latere publicaties deden hun best om het onderwerp te relativeren en te minimaliseren. Sommigen vonden het zelfs ongepast om erover na te denken. En intussen naderde het einde van de eeuw zonder dat iemand zich afvroeg waar die platonici en aristotelici wel mochten zijn.

Vandaag ligt het eind van de 20ste eeuw al een hele tijd achter ons en meer dan ooit wordt er in alle talen gezwegen over wat toen had moeten gebeuren. Het is nochtans duidelijk dat Rudolf Steiners waarschuwing geen loos alarm was. Vrijwel onmiddellijk na het aflopen van zijn deadline brak de War on Terror uit. De twin towers werden in de as gelegd, het Midden-Oosten vloog in brand, grote migrantenstromen kwamen op gang en de ‘islamisering’ van Europa begon. Deze ‘derde wereldoorlog’ is – net als beide vorige – onmiskenbaar gericht tegen Europa, waarbij Europa niet alleen gezien moet worden als het geografische continent, maar ook – en vooral – als de beschaving van onze tijd. De islam, het meest in het oog springende wapen dat tegen deze beschaving wordt gericht, lijkt eindelijk te zullen slagen in wat hij reeds sinds zijn ontstaan nastreeft: de verovering van Europa. Die overwinning zal echter niet te danken hebben aan de sterkte van de islam, maar aan de zwakte van een hopeloos verdeeld Europa.

Die verdeling begon reeds met de wig die de tegenmachten tussen Julius Schröer en Rudolf Steiner dreven, want op die manier verhinderden ze de verbinding van antroposofie en karmabewustzijn die uiteindelijk had moeten leiden tot de beschavingsreddende samenwerking van platonici en aristotelici. De microcosmos van de antroposofische wereld werd weerspiegeld in de macrocosmos van het wereldgebeuren. Zonder de tegenwerking die het Goetheanum van meet af aan ondervond, had, aldus Rudolf Steiner, de eerste wereldoorlog kunnen voorkomen worden. Volgens Ita Wegman was er dan weer een verband tussen de Urnenstreit enerzijds en de machtsovername van Hitler en de tweede wereldoorlog anderzijds. Dat het aflopen van Rudolf Steiners deadline tenslotte het sein was tot het uitbreken van de War on Terror, daar heb je geen helderziende vermogens voor nodig. Ook al klinken deze parallellen voor een buitenstaander vergezocht of zelfs grotesk, als antroposoof kun je ze niet zomaar aan de kant schuiven. 

Zoals na de oorlog de breuk binnen de antroposofische beweging werd hersteld, zo werd even later ook Europa weer herenigd. Sindsdien heerst er vrede, maar die vrede werd zwaar betaald. Europa is een soort tweede Sovjet-Unie geworden waar een centralistisch bestuur de lidstaten de wet voorschrijft. Onder deze opgelegde (schijn)eenheid gaapt een diepe kloof tussen links en rechts, een kloof die de van haat vervulde ziel van de moderne mens weerspiegelt. Die kloof gaapt ook in de antroposofische wereld. Bij conflicten komen steeds weer dezelfde twee zielengroepen tegenover elkaar te staan, zonder dat daar enig (karma)bewustzijn uit ontstaat. Er wordt veel nagedacht en er wordt hard gewerkt, maar tussen beide is nauwelijks contact. Het hart ontbreekt, het levende midden, de bezieling. De antroposofie leidt een kwijnend bestaan, ze wordt van binnen uitgehold, slaagt er niet meer in de jongere generaties warm te maken. Winter is coming

Het hoofd doet alsof er niets aan de hand is, maar het hart laat zich niet bedriegen. Het weet dat we ‘aan het graf van alle beschaving’ staan. Dat is een huiveringwekkend besef en het valt te begrijpen dat de antroposofische wereld zich afsluit voor alles wat met deze voorspelling van Rudolf Steiner te maken heeft. Immers, hoe kunnen we nog verder werken als de zaak toch verloren is? Maar juist hier wordt zichtbaar hoe cruciaal karmabewustzijn is. Niet alleen mensen reïncarneren, ook beschavingen doen dat. Onze beschaving gaat ten onder, maar dat betekent niet dat het einde van de wereld aangebroken is. Rudolf Steiner heeft vaak genoeg gesproken over toekomstige tijdperken. En juist die toekomst moet nu voorbereid worden. Toen het Goetheanum afbrandde stierf de antroposofische vereniging. De vlammen laaiden hoog op, maar Rudolf Steiner drukte zijn leerlingen op het hart om goed te kijken en deze katastrofe diep in hun ziel te prenten. Want het beleven van dit sterven moest de kiem worden voor de wedergeboorte. 

Als het Goetheanum niet in de as was gelegd, zou de Weihnachtstagung niet hebben plaatsgevonden. Het jaar dat die twee grote gebeurtenissen van elkaar scheidde, vormde het dieptepunt van de antroposofische beweging en Rudolf Steiner speelde met de gedachte om het allemaal op te geven. Maar hij deed het niet. Hij ging dwars-door-het-dal en uit dat lijden ontstond de Grondsteen die hij tijdens de Weihnachtstagung ‘in de harten’ van de aanwezigen legde. Die ‘aanwezigheid’ moet hier niet alleen in de letterlijke betekenis van het woord worden begrepen. Alleen wie het sterven van de oude vereniging bewust had meegemaakt, was in staat het zaad van de nieuwe vereniging in zich op te nemen. Dat beeld is ook van toepassing op onze tijd, nu de hele beschaving ten onder gaat en in het bewuste en vrijwillige beleven van dat sterven het zaad van de toekomstige beschaving gevormd wordt. Dat is vandaag de opgave van de antroposofie, de opgave waar – nog altijd en zelfs meer dan ooit – de toekomst van afhangt. 

Maar dat betekent dat het karma van de antroposofische beweging onder ogen moet worden gezien, en dat is een zure appel om in te bijten. Het is geen pretje om geconfronteerd te worden met het falen van de antroposofie. De verleiding is groot om ‘positief te blijven’ en ‘de moed erin te houden’. Maar daarmee ontwijkt men de waarheid en zonder waarheid kan vandaag niets meer bereikt worden. Echte positiviteit bestaat erin dat men het negatieve onder ogen ziet en er, zoals Rudolf Steiner, dwars doorheen gaat. Men merkt dan pas goed hoeveel er de tegenmachten aan gelegen is om de antroposofie te scheiden van het karmabewustzijn. Deze scheiding weer ongedaan te maken, betekent een strijd met de draak in zijn meest afschuwelijke vorm. In die strijd kan Ita Wegman ons tot voorbeeld zijn. De golf van haat die haar overspoelde, heeft ze gelaten ondergaan. Aan het eind van haar leven schreef ze zelfs een verzoenende brief aan Marie von Sivers en maakte op die manier de weg vrij voor een samenwerking in een volgend leven.

Volmaaktheid

    

Op een zonnige winterochtend – het nieuwe jaar was pas begonnen en de wereld lag er witbevroren bij – wandelde ik door de Windeekse (zo zeggen ze dat hier) velden. De bultige kasseiweg die ik volgde, slingerde zich door het landschap en verdween ergens in de diepte. In de weiden keken paarden en schapen verbluft op toen ik passeerde. Een mens! Dat zagen ze ook niet elke dag. Uit een schoorsteen kringelde wat rook en in de verte zag ik een kerktoren door de nevelen priemen. Veel mooier kon het niet worden en mijn ziel maakte dan ook aanstalten om één te worden met al dat schoons. Maar toen hoorde ik in de verte autogeraas. Verrek! Mijn droom viel aan gruizels. Met pijn in het hart dacht ik aan de tijd toen er nog geen auto’s reden. Het enige wat je toen in Scheldewindeke zou gehoord hebben, waren de bomen, de vogels, een paar honden en een haan. Vergeefs probeerde ik die volmaakte rust weer op te roepen door de autogeluiden weg te denken. Net zoals ik dat in Destelbergen 21 jaar lang had gedaan … 

Ofschoon het in Scheldewindeke veel rustiger is dan in Destelbergen, blijf ik me ergeren. Omdat er nog altijd auto’s te horen zijn, omdat het hier niet helemáál stil is. Die vaststelling trof me: blijkbaar was er niks wezenlijks veranderd. Maar ik zou er waarschijnlijk niet zijn blijven bij stilstaan, als An me een paar dagen later niet had verteld over problemen op school, problemen die, zoals zo vaak, veroorzaakt werden door spanningen tussen oude en jonge zielen. Ik herkende ze maar al te goed, de eeuwige onvrede van de oude zielen, hun onvermogen om de zaken te accepteren zoals ze zijn. Zo heb ik alle reden om opgetogen te zijn over het feit dat we nu in Scheldewindeke wonen. Nog maar een paar maanden geleden wisten we van geen hout pijlen te maken en vandaag wonen we in een huis met een tuin, ver van iedere autostrade. Dat is meer dan ik had durven hopen, en toch slaat de onvrede alweer toe. Dit keer niet omdat er zoveel lawaai is, maar omgekeerd, omdat er zo weinig lawaai is, omdat de volmaakte stilte hier vlakbij is. 

Dat oude-zielenverlangen naar volmaaktheid herken ik ook in de politieke correctheid. Qua onverdraagzaamheid en racisme is het in ons land als qua autolawaai in Scheldewindeke: je hoort wel wat gemor over vreemdelingen, maar dat valt niet te vergelijken met het kabaal dat met name moslims maken. Hun racisme en onverdraagzaamheid klinken als het gebulder van de autostrade in Destelbergen. En toch ergeren de politiek-correcten zich niet aan dit luidruchtige moslimracisme, nee, hun verontwaardiging geldt het nauwelijks hoorbare Vlaamse racisme. Van die mug maken ze een olifant, terwijl ze de echte olifant negeren. Moslims gedragen zich agressief en gewelddadig, terwijl Vlamingen zich beperken tot wat gescheld op Facebook. Maar het zijn deze laatsten die worden weggezet als racisten. De reden voor dit irrationele gedrag is dezelfde waarom ik me meer erger aan het gedempte autogeraas in Scheldewindeke dan aan het bulderende lawaai in Destelbergen: in Vlaanderen lijkt de volmaakte verdraagzaamheid binnen handbereik te liggen. 

Vergeleken bij het moslimracisme verzinkt de Vlaamse onverdraagzaamheid in het niets. Vlamingen zijn zo verdraagzaam dat ze zelfs niet protesteren als ze in hun eigen hoofdstad als vreemdelingen worden behandeld. Als Vlamingen nóg verdraagzamer werden, zouden ze gewoon ophouden te bestaan. Juist daarom worden de laatste restjes Vlaams racisme door de politiek-correcte oude zielen als ondraaglijk ervaren: ze verhinderen de eenwording met het ideaal, ze staan de absolute gelukzaligheid – die voor het grijpen lijkt te liggen – in de weg. En tussen bijna en helemaal is er een hemelsbreed verschil. Ik heb ooit de volmaakte stilte gehoord, ik herinner het me nog altijd. Het gebeurde op de heide van Kalmthout: hoe ik ook mijn oren spitste, ik hoorde niets, behalve de wind. En die volmaakte stilte had een wonderlijk effect: alsof een deken uit de hemel neerdaalde en me helemaal omwikkelde. Om die zaligheid opnieuw te beleven zou ik – bij wijze van spreken – een moord begaan. 

De volmaaktheid doet een mens terechtkomen in een andere wereld, een ideale wereld waar alle kwellingen van de reële wereld van je afvallen. Dat is de wereld waar de oude zielen zo intens naar verlangen. Veel meer dan jonge zielen dragen ze in zich de herinnering aan het verloren paradijs, waar de rust hen als een deken omwikkelde en alle zorgen deed verdwijnen. Die herinnering is het die in hen wakker wordt en als een vurig verlangen oplaait wanneer ze in de buurt van volmaaktheid komen – zoals ik hier in Scheldewindeke, zoals de politiek-correcten in Vlaanderen. Het is sterker dan henzelf. Ze kunnen niet verhinderen dat hun verlangen zich een weg naar buiten baant, evenmin als een man zijn zaad kan tegenhouden als het zich eenmaal in beweging heeft gezet. Geen wilskracht of redelijkheid is daartegen opgewassen. Alles wat dit verlangen naar volmaaktheid in de weg staat en het bereiken van de gelukzaligheid verhindert, wordt beschouwd als het kwaad in hoogsteigen persoon. 

Wanneer de afstand tussen ideaal en realiteit te groot wordt, schieten de oude zielen in actie. Ze ontwikkelen dan een geweldige kracht. Maar dat positieve, opbouwende idealisme dreigt om te slaan in een negatieve, vernietigende kracht wanneer ze de volmaaktheid binnen handbereik weren. Dan verliezen ze hun bezinning en verklaren de oorlog aan de ‘laatste hindernissen’, die ze op alle mogelijke manieren proberen uit de weg te ruimen. Dat is wat momenteel op grote schaal gebeurt met de politieke correctheid. Ze wordt gedreven door de idealen die de Europese beschaving groot hebben gemaakt en die haar tot een wereldbeschaving hebben doen uitgroeien. Maar terwijl er in grote delen van de wereld nog pionierswerk moet worden verricht, is in Europa de volmaaktheid in zicht gekomen. En dat is het moment waarop de politiek-correcte zielen zich gedragen als paarden die de stal ruiken: ze rukken zich los en stormen vooruit, alles vertrappelend wat hen voor de voeten komt. 

Het is dezelfde onstuitbare drang naar volmaaktheid die moslims massaal naar het Westen drijft. Ze zijn in hoofdzaak afkomstig uit het Midden-Oosten, dat typische oude-zielengebied. Onder het bewind van de islam hebben de erfgenamen van de oude beschavingen hun idealen diep in zichzelf moeten wegbergen. De afstand met de islamitische realiteit was te groot. Maar toen de beelden van de moderne Europese beschaving begonnen door te dringen in het Midden-Oosten, werden oeroude herinneringen in hen wakker. Net als mannen die te lang droog hebben gestaan, konden ze zich niet meer inhouden en – als ontelbare spermatozoïden – waagden ze de ‘sprong’ naar de overkant, naar het ewig Weibliche, naar het Europese ideaal. En net als de politiek-correcten hier, laten ze zich nergens door tegenhouden en weigeren ze rekening te houden met de Europese realiteit. Die is voor hen het kwaad zelve, want ze verhindert hen de volmaaktheid te bereiken. 

Die volmaaktheid is natuurlijk slechts een beeld. Ze is niet van deze wereld en kan nooit op aarde gerealiseerd worden. Waar de moslims echter mee in aanraking komen is de onvolmaakte Europese realiteit. En dat onderscheid kunnen ze heel moeilijk maken, betoverd als ze zijn door hun visioen van volmaaktheid. Ofschoon de realiteit hier vele malen beter is dan waar ze vandaan komen, zijn ze toch niet tevreden of dankbaar. Wel integendeel. Hoe beter ze het hebben, des te wrokkiger worden ze. Moslims die radicaliseren en terroristen worden, zijn geen arme stakkers die niet weten van welk hout pijlen te maken. Het zijn mensen die gestudeerd hebben, die een mooie job hebben, die het vaak beter hebben dan de gemiddelde Europeaan. Het is dan ook niet het racisme van de Europeanen dat zo’n vernietigende krachten in hen opwekt, maar juist het omgekeerde: de extreme Europese verdraagzaamheid. Want die doet moslims geloven dat de ideale wereld hier voor het grijpen ligt. 

Wie niet tegenover de idee kan gaan staan, wordt door de idee geknecht, schrijft Rudolf Steiner in zijn Filosofie der Vrijheid. Hij heeft het hier natuurlijk niet over de dode, abstracte idee maar over de levende idee, over het ideaal dat een intens verlangen in ons opwekt. Dode ideeën oefenen nauwelijks invloed op ons uit – daarom laten ze ons ook vrij – maar van levende ideeën gaat een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit en wanneer we ermee in contact komen, moeten we afstand bewaren, anders dreigen we erdoor meegesleurd te worden en onze vrijheid te verliezen. Evenmin als fanatieke moslims zijn politiek-correcte mensen vrije mensen. Allebei zijn ze in de ban van grootse idealen waarmee ze zich identificeren en waar ze niet tegenover kunnen blijven staan. Ze zijn met andere woorden verslaafd aan de geest, en zoals iedere verslaafde zijn ze tot alles in staat om ‘aan hun gerief’ te komen en de gelukzaligheid te bereiken. Daarom zijn ze zo gevaarlijk: ze zijn niet meer voor rede vatbaar, ze zijn bezeten door de geest.

Deze bezetenheid wordt veroorzaakt door de groeiende helderziendheid van de moderne mens. Sinds het einde van het Kali Yuga, het Duistere Tijdperk, begint de mensheid de wereld van de geest weer waar te nemen. Het heersende materialisme belet echter dat deze bovenzintuiglijke waarnemingen onderscheiden worden van onze gewone, zintuiglijke waarnemingen. En dus raken die twee ongemerkt met elkaar vermengd, met als gevolg dat de moderne mens steeds moeilijker onderscheid kan maken tussen droom en werkelijkheid. Hij zoekt de volmaaktheid van de geest in de materie en verliest gaandeweg alle zin voor realiteit. Het communisme is een voorbeeld van een geweldig ideaal dat de mens voor ogen zweefde en dat hij als het ware reeds in de aardse werkelijkheid zag. Er moesten alleen enkele hindernissen uit de weg worden geruimd en dan zou de hemel op aarde neerdalen. Maar die hindernissen bleken veel groter dan verwacht en er brak een nietsontziende strijd uit die niet de hemel maar de hel op aarde bracht.

Vandaag is het de politieke correctheid die de onderwereld wakker roept, verblind als ze is door haar geestelijke visioenen van volmaaktheid. Afgezien van het feit dat die visioenen alsmaar sterker zullen worden en dat het dus geen zin heeft ertegen in te gaan, hebben we die visoenen ook nodig. Als we helemaal géén waarneming meer hadden van de geest, zouden we voorgoed in de greep van de materie raken. Ons denkende bewustzijn zou uitdoven en we zouden weer dieren worden. Maar geestelijke waarnemingen, ideeën en idealen alleen zijn niet genoeg om deze ontmenselijking tegen te gaan. Wel integendeel, in hun onbewuste vorm vermengen ze zich met het materialisme en maken er een fanatieke religie van, een volmaaktheidsreligie. Materialisme op zich is al een tegenstander van formaat, maar wanneer het ook nog eens een alliantie aangaat met spiritualisme wordt het incontournable. Tegen deze geallieerde tegenmachten is geen kruid gewassen, behalve dan onderscheidingsvermogen. 

Wat materialisme is, dat weten we. Het is een overtuiging die gepaard gaat met een scherp bewustzijn. Maar wat spiritualisme is, wat bovenzintuiglijke waarnemingen zijn, dat weten we niet. We geloven zelfs niet dat ze bestaan, we houden ze gewoon voor zintuiglijke waarnemingen. En dat plaatst ons voor een keuze: ofwel worden we ons bewust van die waarnemingen, ofwel doven die waarnemingen ons bewustzijn uit. Ofwel maken we ons onderscheidingsvermogen sterker (door het uit te breiden tot al onze waarnemingen, niet alleen de zintuiglijke), ofwel veranderen we langzaam maar zeker in zombies die zich nergens laten door tegenhouden in hun verlangen naar volmaaktheid. Dat verlangen naar volmaaktheid zal ons ofwel verlossen ofwel vernietigen. Wat het wordt, hangt af van ons vermogen om de geest te onderscheiden die dat enorme verlangen opwekt. En die geest is Christus. Hem te leren onderscheiden is de grote michaëlische opgave die al de rest in de schaduw stelt.  

Henri De Braekeleer, De Man in de Stoel (9)

  

Met De Man in de Stoel heeft De Braekeleer een geestelijk oerbeeld uit zijn ziel naar boven gehaald en uitgedrukt in de materiële vorm van een schilderij. Daardoor is het echter ‘gestorven’, het is in een ‘graf’ gelegd en wacht op een kijker die het weer tot leven wekt. In wezen geldt dat voor ieder kunstwerk, maar de kunst van De Braekeleer geeft aan dat er iets veranderd is. Niet alleen knoopt ze weer aan bij diepe geestelijke gebieden waarmee de moderne mens het contact verloren leek te hebben, ze solliciteert ook uitdrukkelijk naar de medewerking van de kijker. Van hem wordt verwacht dat hij de kloof in zijn bewustzijn overbrugt, die tegelijk ook de kloof is tussen hem en het schilderij. Vooral De Man in de Stoel appelleert aan de Ik-kracht van de kijker die denken en voelen weer met elkaar verzoent. Het oud geworden kind op het schilderij wacht op het nog ongeboren kind in de kijker dat hem zal bevrijden uit zijn doodsslaap. Dat is opnieuw een oerbeeld: we kennen het onder meer uit de graallegende, waar de gewonde Visserkoning wacht op de verlossende vraag van Parsifal. Deze stelt de vraag niet omdat hij niet wakker genoeg is om zichzelf te herkennen in de lijdende koning, evenmin als de moderne kijker zichzelf herkent in de man in de stoel. Hetzelfde oerbeeld kennen we uit het sprookje van de Schone Slaapster die honderd jaar moest wachten op de prins die haar wakker kwam kussen. En we kennen het ten slotte ook uit de bijbel, waar de hele mensheid, verstrikt in de doornen van het materialisme, reikhalzend uitkijkt naar haar Verlosser. 

Het hele oeuvre van De Braekeleer ademt een sfeer van stille verwachting. De interieurs zijn als grafkelders: niets beweegt in hun schemerduister, geen enkel geluid weerklinkt. Toch is het geen doodse, deprimerende stilte. Overal staan vensters open en de mensen in de kamers lijken te dromen van iets of iemand die moet komen. Zelfs de stillevens zien eruit alsof ze wachten op een teken, op een woord dat hen uit hun verstarring zal verlossen. Deze wonderlijke sfeer van verwachting is de sfeer van Stille Zaterdag, de sfeer van de dood maar tegelijk ook van de belofte van nieuw leven. Er is iemand gestorven wiens dood de hele wereld, tot de stenen toe, in rouw heeft gedompeld, maar tegelijk is die wereld vervuld van een stille hoop, alsof de dood niet enkel een einde is maar ook een nieuw begin. Het is deze ‘dubbele’ wereld die De Braekeleer schildert: een wereld van afwachting tussen dood en verrijzenis. Hij schildert ook de dubbele manier waarop deze Stille Zaterdag beleefd wordt. De Man aan het Venster toont de beleving van een jonge ziel: de ruimte waarin hij zich bevindt is kaal en armoedig, maar in zich draagt de man de belofte van nieuw leven: het beeld van de vrouw die weerspiegeld wordt in het venster, het vermoeden van de kinderen die beneden op straat spelen. De Man in de Stoel toont dan weer de beleving van een oude ziel: gevangen in de rijkdom van het verleden, wacht hij neerslachtig op iemand die hem komt verlossen uit zijn ‘graf’. De man aan het venster beleeft vooral de belofte van de verrijzenis, de man in de stoel vooral de realiteit van het gestorven-zijn. 

Waarom schildert De Braekeleer eerst De Man aan het Venster en pas drie jaar later De Man in de Stoel? Zou het omgekeerde niet logischer geweest zijn: eerst de doodssfeer van Goede Vrijdag, en pas daarna de levenssfeer van Pasen? Maar De Braekeleer leefde in de 19de eeuw, dat wil zeggen vóór de Wederkomst van Christus die pas in de 20ste eeuw zou beginnen. Aan die wederkomst ging een (geestelijk) gebeuren vooraf dat Rudolf Steiner ‘de tweede kruisiging’ van Christus noemde, een kruisiging door het verstikkende materialisme van de 19de eeuw. De Braekeleer schilderde De Man aan het Venster toen hij 33 was, waarschijnlijk als resultaat van een Christus-ervaring zoals heel wat mensen die op die leeftijd hebben. Meestal gaat het niet om een bewuste ervaring, eerder om een naamloos Stirb und Werde dat mensen de zaken in een nieuw licht doet zien. Maar ‘de zaken’ zelf veranderen niet. Voor iemand die dieper keek dan de oppervlakte was de algehele sfeer van de 19de eeuw er een van sterven, niet van verrijzen. De Christus-ervaring waarvan De Man aan het Venster getuigt, hielp De Braekeleer waarschijnlijk om dieper en bewuster door te dringen in ‘het tweede mysterie van Golgotha’ dat op dat moment plaatsgreep. Van verrijzen was toen nog geen sprake. De Man aan het Venster verwijst naar het kruis, net zoals De Man in de Stoel dat doet. Maar De Man in de Stoel doet dat met een rijker en dieper bewustzijn. Dat spreekt ook uit het drieledige karakter van het schilderij, terwijl De Man aan het Venster nog duidelijk tweeledig is. 

In De Man aan het Venster valt inderdaad niks drieledigs te ontdekken, of het zouden de drie schoorstenen moeten zijn die we door het open venster zien. De Man in de Stoel daarentegen is zowel tweeledig als drieledig. De drieledigheid hoeft geen betoog: we treffen ze op dit schilderij zelfs drie keer aan: in het heiligenbeeld, het schilderij en de man in de stoel, in de drie kaarsen op de muur, en in de drie (verticale) delen van het venster. De tweeledigheid vinden we ook drie keer terug: in de twee kruisen (op de muur en in het venster), in beide (horizontale) delen van het venster, in de twee helften, zowel van het schilderij als van de man in de stoel. Tweeledigheid en drieledigheid gaan dus samen in De Man in de Stoel, iets wat we niet kunnen zeggen van De Man aan het Venster, waar de drieledigheid hoogstens als een vermoeden of een mogelijkheid aanwezig, namelijk als de relatie tussen de man, de (gereflecteerde) vrouw naast hem en het (onzichtbare) kind beneden in de straat. In De Man in de Stoel is ook nog een tweeledigheid van een heel andere aard vervat, namelijk die tussen de tweeledigheid en de drieledigheid. We herkennen die niet alleen in de mysterieuze relatie tussen beide schilderijen – die samen drie kruisen bevatten en op die manier het Golgotha-tafereel vervolledigen – maar ook in de relatie tussen het (drieledige) schilderij en het (tweeledige) bewustzijn van de kijker, én in de relatie tussen de oude ziel en de jonge ziel. Op die manier ontstaat er – via de ‘andere’ tweeledigheid – een nieuwe, levende drieledigheid tussen beide schilderijen en de kijker. 

Daarmee is het echter nog niet afgelopen. Door de jonge ziel (de man aan het venster) in een tweeledige omgeving te schilderen en de oude ziel (de man in de stoel) in een drieledige omgeving, wijst De Braekeleer ook nog op een ander geheim. Rudolf Steiner beschrijft hoe de herders uit het Lucasevangelie – eenvoudige maar vrome lieden die diep met de aarde verbonden waren – door toedoen van Christus een hele metamorfose meemaken. Hun aandacht keert zich van binnen naar buiten en krijgt concreet vorm in de empirische wetenschap. Dit zijn de jonge zielen zoals we die vandaag kennen. De koningen uit het Mattheusevangelie ondergaan de omgekeerde metamorfose: hun van oudsher op de sterren gerichte aandacht keert zich naar binnen en wordt tot wiskunde. De imaginatief waargenomen hemelbeelden verstarren tot de abstracties die zo kenmerkend zijn voor de hedendaagse oude zielen. Maar beider metamorfose is niet voltooid. De wetenschap van de de jonge zielen moet verder evolueren tot een geïnspireerde natuurwetenschap waarin de oude vroomheid van de herders weer tot leven komt, dit keer helemaal bewust. De abstracte ziele-inhouden van de oude zielen moeten dan weer verder verinnerlijkt worden tot imaginatieve beelden die de oude sterrenwijsheid doen herleven. In de loop van deze metamorfose kruisen beide wegen elkaar in toenemende mate: oude en jonge zielen betreden elkaars wereld en verwerven elkaars vermogens, zoals we dat op exemplarische wijze zien gebeuren bij de twee Jezuskinderen.

Veelzeggend is in dat verband de metamorfose van de oudste ziel van de mensheid, de Adamsziel. Vlak vóór Christus treedt ze op als Johannes de Doper, de ascetische profeet die afgewend van alle leven in de woestijn leeft. Na Christus verschijnt deze ziel als de schilder Rafaël, een kunstenaar die de zintuiglijke schoonheid verheerlijkt. Nog later incarneert ze als de dichter Novalis, die tevens geoloog, chemicus en mijnbouwkundige was. Als kunstenaar delen ze hun belangstelling voor de aardse werkelijkheid, maar ze hebben beiden ook een opvallend jonge uitstraling. De oude ziel heeft zich dus op wonderbaarlijke wijze verjongd: de dorre tak is een jonge scheut geworden. Kende De Braekeleer dit geheim, dat voor het eerst openbaar werd gemaakt door Rudolf Steiner? Hij schildert de oude, verdorde en verslagen oude ziel – de man in de stoel – in een omgeving waar alles zintuiglijke rijkdom en kunstzinnigheid ademt, een wereld die mede door zijn opvallende drieledigheid haaks staat op het dualistische karakter van de oude ziel. De hoopvolle jonge ziel – de man aan het venster – schildert hij dan weer in een kale, abstract aandoende omgeving, waar alles tweeledig is en van waaruit hij onbespied naar beneden kan kijken: een typische oude-zielenwereld. De Braekeleer heeft te veel bekenisvolle draden tussen deze twee schilderijen geweven dan dat ze op rekening van het toeval geschreven kunnen worden. En dat doet de vraag rijzen: waar haalde hij die kennis vandaan? Als hij De Man aan het Venster schildert, is Rudolf Steiner 12 jaar oud en is er nog geen sprake van de antroposofie. 

Het land van de schapen

  

‘Hij is geen Marokkaan, maar Orhan Pamuk schreef in ‘Sneeuw’ ooit dit: ‘Om te beginnen zijn die vrome mensen bescheiden, zachtaardig, begripvol. Ze halen niet meteen hun neus op voor het volk, waar die verwesterde types zo’n handje van hebben; ze zijn liefdevol en gekwetst. Je zult zien dat ze je mogen, van hen hoef je geen gemene streken te verwachten.’ Zo begint een artikel in De Morgen over de moslims van Molenbeek, the hellhole van België. Het begint zo stilaan walgelijk te worden, al die liefdesverklaringen in de media sinds de aanslagen in Brussel. Als je niet beter wist, zou je gaan denken dat we in het Land van de Liefde wonen, waar ieder stil en ongedwongen alles voor elkander doet. Maar ‘stil en ongedwongen’ is er natuurlijk niet bij. We toeteren onze liefde zo luid in het rond dat het pijn doet aan de oren. En wee degene die niet meetoetert, want dat is een heel, heel slecht mens. Daar willen wij-die-vol-van-liefde-zijn natuurlijk niks mee te maken hebben. Voor slechte mensen is er geen plaats in het Land van de Liefde. Zij worden veracht, bespuwd en uitgescholden. Zij worden opgesloten achter een cordon sanitaire en vervolgens aan het kruis genageld.

Het is ronduit geniaal hoe de moslimterroristen van Pasen een lachwekkende schijnvertoning hebben gemaakt. De hele Lijdensweek lang moesten we in de media lezen dat de Belgen haat met liefde zouden beantwoorden, dat ze niet bang waren, dat ze balls of steel hadden. Als bekroning van al die moed zouden ze vandaag een grote Mars tegen de Angst houden om de terroristen te laten zien uit welk hout ze gesneden zijn. Maar toen de politie zei dat ze niet in staat was voldoende manschappen vrij te maken om de mars te beschermen, werd ze prompt afgelast. In één klap werd al die liefde en solidariteit ontmaskerd: ze was niets anders is dan een uitdrukking van angst, en die angst was op zijn beurt een vorm van haat. Want niet moed is het tegendeel van angst, maar liefde. Waar angst leeft, is geen liefde maar haat. We leven helemaal niet in het Land van de Liefde, we leven in het Land van de Angst, het Land van de Haat. Dát is de waarheid die we niet onder ogen durven zien, de waarheid waarmee de terroristen ons confronteren. Ze houden ons een spiegel voor en wat we daarin zien is onze eigen haat. Het was onze eigen haat die explodeerde in Brussel, de haat die we zorgvuldig verbergen in valiezen van liefde. 

De islam is een maan-godsdienst. Hij heeft geen substantie, hij is louter weerspiegeling. De moslimterroristen zijn dan ook niet geniaal, ze weerspiegelen alleen onze eigen genialiteit. En die genialiteit ligt in het christendom: dát is het genie van Europa, dát is de geest die ons inspireert. Kunnen we daar nog naast kijken? Wanneer men ons op de linkerwang slaat, keren we de rechterwang toe. Wanneer men ons aan het kruis nagelt, prevelen we: vergeef het hen, want ze weten niet wat ze doen. Haat vergelden we met liefde. We zijn één en al verdraagzaamheid en we sluiten de hele wereld in onze armen. We zijn met andere woorden door en door christelijk, of beter: we zouden het zijn als we het wisten, als we het allemaal bewust en uit vrije wil deden. Maar dat is niet het geval. We worden geïnspireerd door het christendom zonder dat we er iets kunnen aan doen. We worden erdoor gedreven, we worden erdoor gedwongen. Het is een instinct waar we ons niet kunnen tegen verzetten, een tweede natuur die ons te sterk is en die we daarom haten. Die haat is het die we weerspiegeld zien in de moslimterroristen: lieve jongens met een hart van goud, net als wij.

Een instinctief christendom dat ons tot willoze wezens maakt die de harde realiteit niet onder ogen kunnen zien, is een luciferisch christendom. De ahrimanische haat die het opwekt, is uitdrukking van de wil om vrije en zelfstandige mensen te worden, mensen die zich niet langer als schapen laten meedrijven met de kudde. Het instinctieve, luciferische christendom dat we vandaag kennen onder de naam ‘politieke correctheid’ wekt haat op omdat het de mens berooft van zijn vrijheid en mondigheid. Het wekt niet alleen haat op onder de eigen bevolking omdat het die bevolking de mond snoert en behandelt als een verzameling wilde dieren (wat natuurlijk een projectie is), maar het wekt ook haat op onder de moslims, want zij zijn niet naar hier gekomen voor dat krachteloze schijn-christendom. Zij zijn naar hier gekomen om het echte, levende genie van Europa te leren kennen, om zich te spiegelen aan echte christenen. Maar in plaats daarvan treffen ze alleen maar makke schapen aan die net hetzelfde doen als zij, namelijk weerspiegelen. Dat hele Festival van de Liefde waarvan de media zo vol zijn, is niets anders dan een Spiegelfeest, een feest van de nabootsing, een schapenfeest. 

Het is deze schaapachtige luciferische liefde die de ahrimanische haat van de moslims opwekt. Dat is de akelige waarheid achter het Feest van de Liefde dat tijdens deze Lijdensweek gevierd werd. Al die liefde zal alleen maar méér haat opwekken. Hoe meer we de moslimhaat beantwoorden met liefde, des te groter zal hij worden. Met al die kaarsjes, bloemetjes en knuffelbeertjes bereiden we volgende aanslag voor. De moslims ervaren die uitingen van ‘liefde’ en ‘solidariteit’ immers als een afwijzing. Want ze gelden alleen de schapen, degenen die tot de kudde behoren en blind de herder volgen. Wie vrij wil zijn en zelf zijn leven bepalen, ervaart die uitingen van liefde als uitingen van haat. En hij beantwoordt ze met haat, want er is niemand waarop hij zijn liefde kan richten, er zijn geen echte christenen die weerspiegelen wat diep in zijn ziel leeft. Want waarom zijn al die moslims naar Europa komen? Waarom blijven ze komen ook al worden ze hier zo verschrikkelijk ‘gedicrimineerd’? Om hier een kalifaat te stichten, dezelfde achterlijke moslimcultuur die ze ontvlucht zijn? Nee, ze komen zo massaal naar Europa omdat ze christenen willen worden. Ze weten het alleen niet, ze weten niet wat hen naar hier drijft.

In Europa staan momenteel twee groepen van mensen tegenover elkaar: Europeanen die niet weten dat ze christenen zijn, en moslims die niet weten dat ze christenen willen worden. En allebei haten ze het christendom. Twee bevolkingsgroepen botsen frontaal tegen elkaar, en samen botsen ze tegen het christelijke midden: de enen omdat ze niet weten dat ze dat midden belichamen, de anderen omdat ze niet weten dat ze dat midden zoeken. De Europeanen slapen en willen ontwaken: ze willen zich bewust worden van het christelijke genie dat in hen leeft. Maar ze beseffen dat niet. De moslims zijn klaarwakker en zich scherp bewust van het feit dat zij dat christelijke genie niet hebben. Maar ook zij beseffen dat niet. De Europeanen dromen en leven in een aangename wollige wereld waaruit ze zich niet los kunnen rukken. De moslims leven in een zeer onaangename, harde wereld en ze willen deel hebben aan de christelijke droom. Daarom proberen ze die slapende Europeanen wakker te schudden. Ze willen dus allebei hetzelfde: ze willen Christus. Maar ze weten het niet. De Europeanen weten niet dat Christus in hen leeft, en de moslims weten niet dat ze daarom zo hard schudden. 

Wat ze allebei willen is de levende Christus, niet het luciferische schijnbeeld en niet het van haat vervulde ahrimanische bewustzijn, maar de realiteit van de bewuste liefde. Die realiteit is het die verborgen gaat achter de clash of civilisations. De botsing tussen het Westen en de islam is in wezen een herhaling van een zeer oude geschiedenis: de botsing tussen Kaïn en Abel, de eeuwige broederstrijd tussen de oude en de jonge zielen. Het is die strijd die momenteel in Europa wordt uitgevochten, en niet de strijd zelf is het grote kwaad, maar de blinde manier waarop hij gevoerd wordt. Waar we meer dan ooit behoefte aan hebben, is inzicht in die oerstrijd. Niemand wist dat beter dan Rudolf Steiner. Daarom heeft hij tijdens het laatste jaar van zijn leven zo gehamerd op het zielenthema. Hij wist wat er aan het begin van de 21ste eeuw zou gebeuren en hij wilde dat we erop voorbereid waren. Hij heeft ons daar niet alleen zijn inzicht voor gegeven, hij heeft daar zelfs zijn leven voor gegeven. Christus zou sowieso komen, dat wist hij, maar wat niet vanzelf zou komen dat was het bewustzijn van Christus. Daarvoor moesten we wakker worden, en als we dat niet uit onszelf konden, dan zou Ahriman het in onze plaats doen. 

The Exorcist (3)

   

In het tweede deel van mijn beschouwingen over The Exorcist heb ik deze film michaëlisch genoemd. Dat zal de doorsnee filmliefhebber natuurlijk niks zeggen. Michaël? Hij weet met moeite wie Christus is, laat staan dat hij de aartsengel kent die ‘het aangezicht van Christus’ wordt genoemd. Vandaag zijn het waarschijnlijk alleen nog antroposofen die weten waar Michaël voor staat. Maar in Hollywood zullen ze hem niet gauw gaan zoeken, want films zijn in hun ogen veel te ahrimanisch. Dat Michaël de draak bestrijdt en daarom juist te vinden is waar ook Ahriman zich ophoudt, ontgaat hen. En zo komt het dat vele miljoenen mensen The Exorcist gezien hebben, maar dat niemand zijn esoterische karakter onderkend heeft. Ach, zal men zeggen, het is toch maar een film! Maar dan vergeet men dat The Exorcist een ‘ware’ film is, een spiegel van de werkelijkheid waarin we leven. En in die werkelijkheid heerst ‘Michaëlblindheid’. Zelfs antroposofen blijken geen oog te hebben voor Michaël en dat is geen goed nieuws. Maar als het waar is wat The Exorcist zegt, dan is het ook waar dat de draak ondanks alles overwonnen wordt. Hoezeer deze film ons ook de stuipen op het lijf jaagt, hij heeft een happy end: de duivel wordt uitgedreven. En dat is dan weer goed nieuws.

The Exorcist is een film waarvan de michaëlische dimensie eigenlijk alleen door antroposofen kan begrepen worden. Vóór ze geboren werden, hebben antroposofen in de geestelijke wereld namelijk onderricht gekregen van Michaël zelf. Dat gebeurde in de zogenaamde Michaëlschool, die plaatsvond van de vijftiende tot de achttiende eeuw en waarin hun blik werd gericht op het mysterieverleden van de mensheid, en daarna, eind achttiende begin negentiende eeuw, in de Michaëlcultus, waarin ze deelhadden aan de toekomstige mysteriën. In de school onderrichtte Michaël zijn leerlingen door middel van woorden en inzichten. Vooral de oude zielen, met hun beschouwelijke aard, voelden zich daardoor aangesproken. De actievere jonge zielen vonden dan weer hun gading in de cultus die door middel van beelden en imaginaties hun wil aansprak. 

De tweeledigheid van dit bovenzinnelijke Michaëlonderricht vinden we ook terug in The Exorcist. De film begint in het verre verleden en toont ons hoe de mens langzaam maar zeker in de greep van het kwaad raakt. We zijn hier in de eerste plaats toeschouwers die langzaam beginnen te begrijpen wat er met Regan aan de hand is. Deze caleidoscopische schildering, die tal van personages ten tonele voert en de meest verscheiden aspecten van het leven behandelt, neemt het grootste deel van de film in beslag. Het tweede deel is veel korter maar ook veel intenser. Het toont ons het exorcisme, het eigenlijke gevecht met de draak, en gunt ons daarmee een blik in de toekomst. Zagen we in het eerste deel vooral een feit dat we alleen maar kunnen vaststellen (en dat we de duivelINdrijving zouden kunnen noemen), dan zien we in het tweede deel de opgave die voor ons ligt (en die we de duivelUITdrijving zouden kunnen noemen). 

De overgang tussen beide delen wordt gevormd door de scène waarin father Karras de bisschop toelating gaat vragen om een exorcisme uit te voeren. Deze scène is het keerpunt in de film, het kantelmoment. Karras bestijgt de brede trappen van het bisschoppelijk paleis en komt als het ware in ‘hogere sferen’ terecht. Het gesprek daar is kort en zakelijk. De bisschop vindt Karras te onervaren om het exorcisme alleen uit te voeren en geeft de leiding in handen van father Merrin. Karras onderwerpt zich aan dat besluit en kust ter bezegeling de ring van de bisschop die een symbolische ‘steen der wijzen’ bevat. De wijsheid van de bisschop bestaat erin dat hij de duiveluitdrijving laat uitvoeren door een oude en een jonge ziel. 

Father Merrin is de oude ziel par excellence: een oudere, aristocratisch uitziende man die graaft in het verleden en daar boeken over schrijft. Hij is een wijs maar ook een vermoeid man: hij heeft hartproblemen en moet witte pilletjes slikken die eruitzien als miniatuur-hosties. In hem herkennen we de leerling van de Michaëlschool, iemand die in een wereld van oude, verstarde maar wel betekenisvolle beelden leeft. Father Karras daarentegen is iemand die volop in de moderne werkelijkheid staat. Hij is een wilstype, een jonge ziel, een vechter en een bokser. Zijn donkere, zuiderse uiterlijk is de volstrekte tegenpool van de blonde, noordelijke Merrin. In tegenstelling tot deze laatste graaft Karras niet in het dode verleden maar in levende mensenzielen. Hij doet dat op wetenschappelijk-klinische wijze, terwijl het onderzoek van Merrin een meer kunstzinnig karakter heeft. Karras staat echter zozeer met beide voeten op de grond dat hij er zijn geloof bij verliest. Dat is iets wat Merrin niet overkomt. Hij leeft in een oude wereld waar geloof nog een vanzelfsprekendheid is.

Het eerste deel van The Exorcist komt dus overeen met de Michaëlschool: het is het oude-zielenhoofdstuk van de film. Het valt op zijn beurt uiteen in twee delen: het deel waarin father Merrin, de oude ziel, optreedt en het deel waarin father Karras, de jonge ziel, optreedt. Tussen beide is geen enkel contact, ze leven in twee verschillende werelden: de oude Oosterse wereld en de nieuwe Westerse wereld. Het is een beeld van het verleden, toen oude en jonge zielen zeer verschillende wegen gingen en niets van elkaar afwisten. In het tweede deel van de film, het jonge-zielenhoofdstuk, komen deze wegen samen en bundelen beide zielen hun krachten in de strijd met het kwaad. Ook in dit hoofdstuk zijn twee delen te onderscheiden: in het eerste heeft father Merrin de leiding terwijl father Karras het in het tweede deel van hem overneemt. 
  
Er kan nog veel meer gezegd worden over de complexe dubbele structuur van The Exorcist, maar de overeenkomsten met het Michaëlonderricht waarover Rudolf Steiner in zijn karmavoordrachten spreekt, zijn onmiskenbaar. Bovendien bevestigt de film nadrukkelijk wat Steiner in diezelfde voordrachten zegt over de samenwerking tussen oude en jonge zielen met het oog op de redding van de mensheid. Het verloop van het exorcisme maakt duidelijk dat noch Merrin noch Karras de klus alleen hadden kunnen klaren. Merrins hart was veel te zwak geworden om de spanningen van een exorcisme nog te kunnen verdragen, en Karras kon zijn cool wel bewaren zolang hij de moderne wetenschapper bleef die niet gelooft in geesten, maar wanneer hij geconfronteerd wordt met de levende realiteit van de geest raakt hij helemaal de kluts kwijt. Father Merrin moet hem meerdere keren tot de orde roepen en hem uiteindelijk zelfs wegsturen. 

Deze scheiding wordt beiden echter fataal. Als Karras terugkeert, treft hij de oude man dood aan terwijl Regan zich ernaast zit te verkneukelen. Buiten zinnen werpt hij zich op het meisje en dat is precies wat de demon wil. Neem mij, neem mij, roept hij opgewonden, kom in mij! Reeds tijdens een van hun eerste ontmoetingen had hij tegen Karras verklaard zich te verheugen op het exorcisme want ‘het zal ons dichter bij elkaar brengen’. De duivel kent de achillespees van Karras: zijn moeder. De oude vrouw is enerzijds een beeld van zijn persoonlijke verleden waarvan hij afstand heeft moeten doen om zijn roeping als priester te kunnen volgen, maar anderzijds is ze ook een beeld van de kerk zelf en van het geloof dat hij kwijt is geraakt. Karras voelt zich daar vreselijk schuldig over en door het mes voortdurend in die wonde te draaien, sloopt de duivel zijn weerstand. De vraag is zelfs of hij het niet van meet af aan op Karras gemunt had. De duivel wil de mens – het ‘kind van God’ – in zijn macht krijgen, maar daarvoor moet hij ook de ‘man van God’ kraken. 

De duivel verkijkt zich echter op één ding: de bereidheid van Karras om zijn leven te offeren. Door toe te geven aan zijn verontwaardiging en zich op de demon te storten, raakt Karras zelf bezeten. Het is een akelig actueel beeld dat ons leert dat The Exorcist een oerbeeld is dat niet aan tijd of ruimte gebonden is. Het laatste deel van de film, dat naar de toekomst verwijst, heeft namelijk net zo goed betrekking op het heden als het allereerste deel, dat naar het verre verleden verwijst. Verleden, heden en toekomst worden één. Dat wordt ook bevestigd door het vervolg van de scène. Op het moment dat de demon van Regan overgaat in Karras, beseft deze laatste wat er gebeurt. In een uiterste krachtinspanning belet hij zichzelf – of de demon – om zich op het meisje te storten. In plaats daarvan werpt hij zich uit het raam en offert zijn leven. Dit offer is uiteraard een metafoor van de kruisdood van Christus. Karras neemt als het ware de ‘zonden’ van Regan op zich, iets wat nog eens bevestigd door de biecht die father Dyer van de stervende afneemt. 

Op bijzonder ingenieuze wijze verweeft The Exorcist het lot van Karras en Merrin met dat van beide Jezuskinderen. Father Merrin is de oude, wijze ziel die terugkeert uit het Oosten, net als de oudste Jezus die opgroeide tussen de ruïnes van het oude Egypte. Father Karras daarentegen is een jonge ziel, net als de andere Jezus, die opgroeide in het kosmopolitische Galilea, ver weg van het strenge, schriftgebonden Judea. Voor deze onervaren, argeloze ziel komt de ontmoeting met het kwaad als een schok. Door de rechtstreekse ontmoeting met de demon wordt Karras opnieuw een angstige jongen die zich laat leiden door zijn oudere vriend. Terwijl Merrin zich geestelijk sterk toont, bekommert Karras zich om het lichamelijk welzijn van het meisje. Hij dekt het toe, bindt haar handen weer vast en luistert naar haar hart. Uiteindelijk is het op dit fysieke vlak dat de verlossing zal plaatsvinden, maar Merrin kan zover niet gaan, zijn hart laat dat niet toe. Hij offert als het ware zijn wijsheid en zijn wilskracht aan de jonge, sterke Karras, zoals de oudere Jezus dat deed toen hij – tijdens het paasfeest in de tempel – zijn Ik aan de jongere Jezus afstond, zodat deze het offer kon verderzetten tot in de materie en zijn lichaam en bloed kon offeren om de mens te bevrijden. 

Deze verwijzing naar de kruisdood van Christus maakt opnieuw duidelijk dat we The Exorcist als een tijdeloos oerbeeld moeten zien. De film begint weliswaar in het oude Oosten en eindigt in het moderne Westen, maar het einde – de offerdood van father Karras – verwijst opnieuw naar het begin, want het afbreken van de tempel is een metafoor voor de kruisdood van Christus. En het begin verwijst op zijn beurt weer naar onze tijd, waarin onder de kreet ‘Allahu Akbar’ opnieuw oude tempels worden afgebroken en christenen gekruisigd. The Exorcist is als een tweeluik dat kan worden dichtgeklapt zodat beide delen elkaar bedekken en het begin samenvalt met het einde. Dit einde komt met zijn ritueel-religieuze karakter inderdaad wonderwel overeen met het begin van de film, dat naar een oud en zeer religieus verleden verwijst. Het christelijke einde wordt daardoor tot een spiegelbeeld – en dus ook een omkering – van het islamitische begin. 

Het ‘dichtklappen’ van dit tweeluik – of dit boek – gebeurt langs het ‘scharnier’ van de bisschopsscène waarin een oude en een jonge ziel met elkaar verbonden worden. Het is een beeld van de bewustzijnsvermogens die gebundeld moeten worden om The Exorcist te kunnen ‘lezen’: het beeldend-meditatieve vermogen van de oude zielen en het rationeel-wetenschappelijke vermogen van de jonge zielen. De film blijkt dan een herinnering te zijn aan de Michaëlbijeenkomst die de voorbije eeuwen plaatsvond in de geestelijke wereld. Want hoe moeten we anders verklaren dat al deze michaëlische inhouden opduiken in een Hollywoodfilm? Niets wijst erop dat de makers van deze film – regisseur William Friedkin en schrijver William Blatty – bekend waren met de antroposofie en de hypothese dat ze als medium gefungeerd hebben is evenmin houdbaar, want Michaël respecteert de vrije wil van de mens scrupuleus. De enige verklaring voor het ‘antroposofische’ karakter van The Exorcist is dan ook dat de makers van deze film deelgenomen hebben aan de bovenzinnelijke Michaëlbijeenkomst en de imaginaties ervan zo diep in hun ziel hebben opgenomen dat ze daar in onze tijd weer konden uit oprijzen en een kunstzinnige gestalte aannemen. 

William Friedkin en William Blatty zijn met andere woorden … antroposofen. Het zijn antroposofen die niet weten dat ze antroposoof zijn. En dat betekent dat er twee soorten antroposofen zijn: bewuste en onbewuste, (geestes)wetenschappelijke en (geestes)kunstzinnige, antroposofen die de Michaëlschool in hun bewuste, oordelende wil hebben opgenomen en antroposofen die de Michaëlcultus in hun onbewuste, scheppende wil hebben opgenomen. De eersten houden zich bezig met het implementeren van de antroposofische inzichten in de moderne wereld, de laatsten houden zich bezig met de strijd tegen de draak. Natuurlijk kan het een niet worden losgezien van het ander, maar die polariteit blijft vooralsnog in hoge mate een dualiteit. 

Er gaapt met andere woorden een diepe kloof tussen beide soorten antroposofen. Het idee dat ze zouden samenkomen en dat er bijvoorbeeld Hollywoodfilms zouden gedraaid worden in het Goetheanum is waarschijnlijk voldoende om heel wat antroposofen een hartaanval te bezorgen. Deze grote kloof vinden we ook in het klein terug, en wel tussen de antroposofen die zich met geesteswetenschap bezighouden en de antroposofen die werkzaam zijn in de verschillende werkgebieden. Zo hebben we aan de ene kant mensen zoals Sergej Prokofiev in wiens boeken vrijwel geen spoor te vinden is van de concrete werkelijkheid van onze tijd, en aan de andere kant de talloze steinerschoolleerkrachten die nauwelijks iets afweten van steinerpedagogie, laat staan van antroposofie. 

Er is niets wat de antroposofie zo ten gronde kenmerkt als deze kloof: zij is de ‘gapende wonde’ van de antroposofie, de wonde van de visserkoning. De antroposofie leidt een kwijnend bestaan, zij kan slechts een fractie van haar mogelijkheden benutten omdat ze zwaar gekwetst is, omdat ze verdeeld is. Het oerbeeld van deze tweedeling is het onderscheid tussen oude en jonge zielen, een onderscheid dat zelfs tot in de geestelijke wereld doordringt, zoals we kunnen opmaken uit de tweeledigheid van het Michaëlonderricht. Maar de antroposofie slaagt er niet in om zich bewust te worden van zichzelf, om haar eigen wonde onder ogen te zien: haar gespleten wezen dat uit oude en jonge zielen bestaat. Het taboe op het zielenthema blijft onverminderd van kracht en verhindert antroposofen om de handen in elkaar slaan en de draak te bevechten.
 
Maar hoe tragisch dit falen ook is, het maakt deel uit van een oerbeeld. Ook Parsifal slaagde er niet in om de wonde van de visserkoning onder ogen te zien. Die wonde was ook zijn wonde: ze bestond uit het gescheiden-zijn van de oude ziel (de koning) en de jonge ziel (Parsifal). Pas wanneer deze laatste zichzelf herkent in de koning en letterlijk met hem mee-lijdt, kan hij de verlossende vraag stellen: de vraag naar de reden van die scheiding. Wij stellen die vraag wanneer we ons afvragen: had een film als The Exorcist gemaakt kunnen worden door een ‘antroposofische antroposoof’? Het antwoord luidt: natuurlijk niet. Want juist het feit dat antroposofen zich bewust zijn van de antroposofie belet hen om kunstwerken als The Exorcist te scheppen. En het feit dat Friedkin en Blatty daar wél toe in staat zijn belet hen om bewuste antroposofen te worden. Scheppingskrachten en bewustzijnskrachten sluiten elkaar namelijk uit, ze gaan niet samen. Daar ligt de reden van de scheiding. 

De hele mensheidsgeschiedenis tot nog toe is in feite één lang sterven geweest. Stap voor stap hebben de bewustzijnskrachten – vertegenwoordigd door de draak – de scheppende krachten van de mens ‘gedood’. Hoe verder we teruggaan in het verleden des te groter wordt het scheppingsvermogen van de mens. Vandaag, op het keerpunt der tijden, hebben de bewustzijnskrachten de scheppende krachten ingehaald en compleet verlamd. De kunst van onze tijd is daar een huiveringwekkende illustratie van. Maar in die artistieke duisternis is een nieuw licht beginnen schijnen, het licht van een kunst die tegelijk scheppend én bewust is. Hoe zeldzaam dit soort michaëlische kunst ook is, ze is een teken van hoop en opstanding. Het is mogelijk! De wonde kan genezen worden! Dat is wat kunstwerken als The Exorcist ons vertellen. Er bestaat een antroposofie die miljoenen mensen over de hele wereld enthousiast maakt. Ze moet alleen nog ontdekt worden … 

(Wordt vervolgd)

Oude en jonge zielen (1)

Het is meer dan 25 jaar geleden. Ik sta ’s ochtends op en zie op de keukentafel een vreemd boek liggen. ‘Christussucher und Michaëldiener’ lees ik op de omslag en denk: veel antroposofischer kan het niet worden! Het is geschreven door Hans Peter van Manen, een naam die ik nog nooit gehoord heb. Waarom schrijft een Nederlander een boek in het Duits, vraag ik me af. En waarom heeft An dit boek mee naar huis gebracht? Ik sla het open en lees enkele regels. Dat gaat wonderwel, hoewel ik geen woord Duits begrijp. Ik ben opgegroeid in een stad waar voor het station een groot oorlogsgedenkteken staat: Aan De Slachtoffers Van De Duitse Cultuur. Dan weet je ’t wel. Ik heb nooit een woord Duits geleerd op school. Ik vind het zelfs een ietwat lachwekkende taal. Maar het Duits dat Hans Peter van Manen schrijft, klinkt heel helder en toegankelijk. Ik ga een woordenboek zoeken, An moet er nog ergens een liggen hebben (zij heeft wél Duits geleerd). En dan gebeurt het: ik lees en ik blijf lezen. Om de vijf seconden moet ik een woord opzoeken, maar het houdt me niet tegen. Ik lees m’n allereerste Duitse boek in één ruk uit. En ik ben verkocht. 

Ik herinner me niet meer wat ik voelde toen ik het las, maar het moet hetzelfde enthousiasme zijn geweest dat ik vandaag nog altijd voel. Oude en jonge zielen – of Christussucher und Michaëldiener zoals Hans Peter van Manen het uitdrukt – is sinds jaar en dag (mét voorsprong) mijn favoriete antroposofische thema. Ik was reeds verliefd op het thema van de twee Jezuskinderen, maar nu werd het nog een stuk persoonlijker. Ik was zo enthousiast dat ik meteen begon het boek te vertalen. Maar na twee hoofdstukken kwam ik tot bezinning: natuurlijk was er al iemand anders dat boek aan het vertalen, iemand die dat veel beter kon dan ik! Om mij daarvan te vergewissen nam ik contact op met Vrij Geestesleven en Christofoor, destijds de enige twee (mij bekende) Nederlandstalige antroposofische uitgeverijen. Tot mijn verbazing was een vertaling totaal niet aan de orde. Er is geen publiek voor dit soort onderwerpen, verklaarden ze. 

Hoeveel gelijk ze hadden, ondervond ik 20 jaar later, toen ik alsnog besloot het boek te vertalen en er – wonder boven wonder – een (Vlaamse) uitgever voor vond. De vertaling verkocht voor geen meter. Er werd ook nauwelijks op gereageerd. Dat stelde me (opnieuw) diep teleur, maar onverwacht was het niet. Ik had al ondervonden hoeveel weerstand dit thema opriep. Het was alsof er een taboe op rustte. Ik was dan ook verrast toen ik twee jaar geleden de vraag kreeg om op de zomeruniversiteit in Frandeux te komen spreken over oude en jonge zielen. Ik had nog nooit van mijn leven een voordracht gegeven – zelfs het voorlezen van een korte geschreven tekst was een beproeving voor me – maar er was geen twijfel mogelijk: deze kans mocht ik niet laten voorbijgaan. Ik begon mijn ervaringen van de afgelopen 25 jaar samen te vatten in drie voordrachten, die ik van het eerste tot het laatste woord uit mijn hoofd leerde. Wist ik veel hoe je een voordracht houdt! Maar de goden en de mensen waren mij gunstig gestemd: ik slaagde voor mijn examen.

Of mijn inspanningen enige aarde aan de dijk zullen brengen, is een andere zaak. Na 25 jaar eenzaam ploeteren, maak ik me geen illusies meer. Maar ik wil wel doen wat ik kan, en dat is op dit moment: het uitschrijven van mijn drie voordrachten. Omdat ik er mij steeds bewuster van word hoe cruciaal het zielenthema wel is, wil ik het – een oude ziel zijnde – goed doen. Het zal dus nog wel even duren voor ik klaar ben met dit werk, maar hieronder vindt u alvast het eerste deel. De rest volgt. Aanmoedigingen en opmerkingen zijn steeds welkom en zullen het werk bespoedigen. 



Deel 1: ONBEKEND EN ONBEMIND

ANTROPOSOFEN OVER HET ZIELENTHEMA

Oude en jonge zielen: het is zoniet het minst bekende, dan toch het minst beminde thema van de hele antroposofie. Ik ben nog nooit een antroposoof tegengekomen die wist of hij een oude dan wel een jonge ziel was. Het onderwerp leeft helemaal niet in de antroposofische wereld, het maakt geen deel uit van het antroposofische bewustzijn. Ik zou dat willen illustreren met twee voorbeelden. Het eerste is ‘Oude en Jonge Zielen’, het boek van Hans Peter van Manen dat oorspronkelijk ‘Christussucher und Michaeldiener’ heette. Het is het enige degelijke werk dat tot dusver over het zielenthema – zoals ik het gemakshalve pleeg te noemen – is verschenen. Er bestaan nog wel een paar andere publicaties, maar ofwel stellen ze inhoudelijk niet veel voor, ofwel proberen ze het onderwerp te relativeren, te nuanceren en te minimaliseren. Er zijn, zo zeggen ze, geen twéé groepen van zielen in de antroposofische beweging, maar drie, of vier, of acht, of twaalf. Door de klemtoon te leggen op de diversiteit proberen ze de dualiteit uit te vlakken. 

Ik weet niet hoeveel antroposofische boeken er de afgelopen 100 jaar zijn gepubliceerd, maar ze vullen waarschijnlijk een kleine tot middelgrote bibliotheek. En op die duizenden boeken is er welgeteld één dat het zielenthema ernstig neemt. Eén op 100 jaar. Dat spreekt, me dunkt, boekdelen. 

Op het vlak van het gesproken woord is de toestand niet beter, wel integendeel. In de 35 jaar dat ik het zielenthema reeds ken, heb ik één enkele voordracht over dit thema gehoord. Ik ben weliswaar niet iemand die antroposofische voordrachten afschuimt, maar een voordracht over dit thema zou ik me toch niet hebben laten ontgaan. Die kans heb ik echter slechts één keer gekregen, één keer op 35 jaar. Maar dat was nog niet alles. De spreker, een vooraanstaand antroposoof, bestond het om twee uur lang te spreken zonder met één woord te reppen over oude of jonge zielen. Pas helemaal aan het eind van zijn voordracht concludeerde hij dat antroposofen niet horen na te denken over dit onderwerp. Ze dienen het links te laten liggen en zich te concentreren op eenheid en verbinding. Om deze boodschap als het ware kracht bij te zetten, werd aan het begin van de voordracht ook nog eens meegedeeld dat er geen vragen mochten worden gesteld en dat er over de inhoud niet kon worden gediscussieerd. 

Ik viel van mijn stoel van verbazing. Het leed geen twijfel dat de man dwars tegen Rudolf Steiner in ging, maar niemand zag daar graten in. Toen ik de zaak achteraf probeerde aan te kaarten, zonder iemand verwijten te maken overigens (van mij mag iedere antroposoof verklaren dat Steiner zich vergist heeft), reageerde men zelfs verontwaardigd. Hoe durfde ik de naam van zo’n prominent antroposoof door het slijk te sleuren! Ik begreep er niks van. Ik vond het al bijzonder vreemd dat een antroposoof andere antroposofen bezwoer om vooral niet na te denken over een onderwerp waarover sowieso niemand nadacht. Maar het werd mij ook nog eens kwalijk genomen dat ik Rudolf Steiner … verdedigde.

Nu zou men kunnen denken dat dit een eenmalig geval was, een uitzondering op de regel. Maar het tegendeel was waar: de voordrachtgever vertolkte juist de regel, een regel waar ik in de loop der jaren meer dan eens mee in aanraking ben gekomen. Telkens werd me in meer of minder duidelijke bewoordingen te kennen gegeven dat ik beter m’n mond kon houden. Eén keer werd me zelfs vanuit Dornach diets gemaakt dat ik ‘niet op een serieuze manier met antroposofie bezig was’. Ik had het gewaagd over oude en jonge zielen te spreken en daarmee had ik blijkbaar een taboe verbroken. 

RUDOLF STEINER OVER HET ZIELENTHEMA

Het tijdstip

Dit taboe is des te vreemder wanneer men bedenkt wat Rudolf Steiner over oude en jonge zielen gezegd heeft, en niet in de laatste plaats ook wanneer hij het gezegd heeft. Zoals Hans Peter van Manen schrijft, is het zielenthema een rechtstreekse vrucht van de Weihnachtstagung, de fameuze kerstbijeenkomst van 1923 die geldt als het hoogtepunt van Rudolf Steiners leven en werken. Hij staat nu op het toppunt van zijn geestelijke kunnen: de inspiratie stroomt overvloediger dan ooit tevoren. En dat is het moment waarop hij zijn karmavoordrachten houdt en het zielenthema aansnijdt. 
Maar Rudolf Steiner staat niet alleen op het hoogtepunt van zijn geestelijke kunnen, hij beleeft ook het dieptepunt van zijn fysieke kunnen. Onmiddellijk na afloop van de Weihnachtstagung, tijdens het gezellig samenzijn dat de week afsluit, wordt hij vergiftigd. Hoe dat precies gebeurde, is tot op heden niet opgehelderd. Men slaagt er slechts op het nippertje in zijn leven te redden, maar het is uitstel van executie. Op de foto’s uit die tijd ziet Steiner er ‘verwoest’ uit, een ander woord is er niet voor. De man die altijd een voortreffelijke gezondheid genoot, ondanks zijn moordende werkritme – hij sliep gemiddeld één uur per nacht – is ten dode opgeschreven. Hij heeft nog maar 15 maanden te leven. En uitgerekend in die laatste maanden onthult hij het thema van de oude en de jonge zielen. Hoe waarschijnlijk is het dat iemand die in het aangezicht van de dood staat, de tijd die hem nog rest, zal besteden aan zaken die er niet echt toe doen? Het ligt juist voor de hand dat hij zich zal beperken tot het meest essentiële, het meest cruciale, het meest dringende. 

Het offer

Maar dat is niet alles. We kennen Rudolf Steiner als de grondlegger van de antroposofie. Daaraan heeft hij zijn hele leven gewijd, het was zijn levenswerk. En wat voor één! Nochtans was het niet zijn levensopgave. Het ontwikkelen van de geesteswetenschap was de levensopdracht van Karl Julius Schröer, Steiners leraar letterkunde aan de Weense hogeschool. Hij was de man die de antroposofie in de wereld had moeten plaatsen. Maar deze oude ziel – Schröer was de gereïncarneerde Plato – bleek totaal niet opgewassen tegen zijn taak. De confrontatie met het materialisme van de 19de eeuw verlamde als het ware zijn fijnbesnaarde spirituele wezen. De jonge Rudolf Steiner zag dat en besloot de taak van Schröer over te nemen. Dat betekende echter dat hij zijn eigen levenstaak – het introduceren van karma en reïncarnatie in de moderne beschaving – aan de kant moest schuiven. Pas na de Weihnachtstagung (toen de antroposofie voltooid was) kon hij die eindelijk aanvatten, en het scheelde geen haar of hij was er nooit aan toe gekomen.

Uiteraard heeft Rudolf Steiner reeds vóór 1923 over karma en reïncarnatie gesproken, maar dat gebeurde toch steeds met de nodige terughoudendheid. Pas na de Weihnachtstagung kon hij er vrij en openlijk over spreken. Hij heeft zijn levensopdracht dus moest samenpersen in 9 maanden, want meer tijd was hem niet vergund om zijn geesteskind vorm te geven. Volgens Hans Peter van Manen zouden de volgende zeven jaren – de vierde 7-jaarsperiode van de antroposofie – helemaal gewijd zijn geweest aan het karma van de antroposofische beweging. Maar Rudolf Steiner heeft de geboorte van zijn ‘kind’ niet meer meegemaakt: zowel de bevalling als de opvoeding moest hij overlaten aan zijn leerlingen. Met het bekende gevolg. Dat betekent dat Steiners geesteskind zich nog altijd in de schoot van de antroposofische beweging bevindt. Het hoeft geen betoog dat het uitblijven van deze geboorte het leven van moeder en kind in hoge mate compromitteert. 

De onthulling

Tot zover de omstandigheden waarin Rudolf Steiner het zielenthema onthulde. Laten we nu eens kijken naar de onthulling zelf. Die vindt plaats in de julimaand van het jaar 1924, wanneer de zon op haar hoogtepunt staat in de laatste zomer die Rudolf Steiner zal meemaken. Nu komt het zielenthema, dat als een rode draad doorheen de karmavoordrachten loopt, voor het eerst aan de oppervlakte. Dat gebeurt op 8 juli wanneer Steiner verklaart dat er in de antroposofische beweging twee zieletypes telt die heel duidelijk van elkaar te onderscheiden zijn. Hij vertelt het bijna terloops want hij noemt deze voordracht een ‘intermezzo’, alsof het een entr’acte is tussen twee grote bedrijven, een moment dus waarop de toehoorders zich even kunnen ontspannen. 
Waarom spreekt Steiner zo badinerend over een thema dat hem, om nader vermelde redenen, toch heel nauw aan het hart moet hebben gelegen? Het antwoord op die vraag vinden we tegen het einde van de voordracht. Rudolf Steiner gaat daar in op de weerstanden die hij bij zijn publiek bespeurt. Hij verwoordt ze ongeveer als volgt: ‘Wat u zegt, maakt veel duidelijk over het karma van de Antroposofische Vereniging, maar we worden toch wel een beetje bang voor wat er nog volgt. We beseffen dat we veel dingen te horen zullen krijgen waarover we liever onwetend waren gebleven. Moeten we er nu echt over gaan nadenken of we tot de ene of de andere groep behoren?’

Steiner moet geweten hebben welke weerstanden de onthulling van het zielenthema zou oproepen. Misschien probeerde hij er daarom niet al te veel nadruk op te leggen. It’s no big deal, lijkt hij te willen zeggen. Maar natuurlijk was het wél a big deal. Zelfs (bijna) 100 jaar na datum kunnen we dat nog altijd navoelen. Ook vandaag nog is het wij/zij-denken een heet hangijzer en we kunnen ons dus goed voorstellen hoe ongemakkelijk Steiners toehoorders zich moeten gevoeld hebben toen hij zo’n duidelijke tweedeling maakte. Bovendien was het jaar 1923 het annus horribilis geweest van de antroposofische vereniging. De spanningen en conflicten waren zo hoog opgelopen dat Rudolf Steiner de wanhoop nabij was geweest en zelfs overwogen had de antroposofische vereniging te laten voor wat ze was en zich met enkele getrouwen terug te trekken. 

Wat was er dan gebeurd? De pioniers van de antroposofische beweging waren overwegend oude zielen die tegelijk ook oudere mensen waren: gepensioneerden die hun beroepsloopbaan achter de rug hadden en de rest van hun leven wilden wijden aan ‘het spirituele’. Zij waren degenen die de Antroposofische Vereniging met Duitse Grundlichkeit hadden uitgebouwd tot een hiërarchisch bouwwerk waar alles en iedereen zijn plaats had. Tijdens de eerste wereldoorlog begonnen er echter steeds meer jonge mensen toe te stromen, die vaak ook jonge zielen waren. Zij moesten nog aan hun actieve leven beginnen, een leven dat ze – als gevolg van de oorlog – helemaal anders wilden aanpakken dan de ouderen. Zij waren vervuld van ‘heidense geestdrift’ en gedroegen zich zoals de spreekwoordelijke olifant in de porseleinwinkel. De gevolgen laten zich raden: zowel de generaties als de zieletypes botsten frontaal op elkaar. 

Rudolf Steiner slaagde er uiteindelijk in de crisis te bezweren door de Weihnachtstagung in het leven te roepen en zichzelf aan het hoofd van de vereniging te plaatsen. Maar de vrede was van korte duur: onmiddellijk na zijn dood braken de onlusten weer uit en leidden uiteindelijk tot de scheuring van de antroposofische beweging. Het illustreert hoe diep de kloof was tussen de oude en de jonge zielen. Toen Rudolf Steiner op 8 juli opeens sprak over ‘twee groepen binnen de antroposofische beweging die duidelijk van elkaar te onderscheiden zijn’, moet er een schok van door zijn publiek zijn gegaan. Het leek erop dat hij het grote pijnpunt, de etterende wonde van de antroposofische vereniging, ging blootleggen. En daar deinsde men verschrikt voor terug. Tegen het eind van de voordracht werden de weerstanden zelfs zo groot dat Steiner er niet meer omheen kon.

Bij mijn weten is het slechts één keer gebeurd dat Rudolf Steiner een voordracht moest afbreken omdat de weerstanden bij zijn publiek te groot werden. Dat was toen hij sprak over de menselijke sexualiteit, een met het zielenthema zeer verwant onderwerp. Dit keer zet hij echter door. Er staat teveel op het spel. Op de vraag van zijn toehoorders of ze er nu echt moeten over gaan nadenken of ze bij de ene dan wel de andere groep behoren, antwordt hij: ‘hier wil ik een zeer duidelijk antwoord op geven’. En hij doet dat met een vergelijking. Zoals een kind op een bepaald moment in zijn leven verneemt dat het een Belg, een Nederlander, een Duitser of wat dan ook is, zo moet een antroposoof er in de loop van zijn leven achterkomen tot welk van beide zieletypes hij behoort. Dat is, aldus Steiner, ‘een zelfkennis die we ons vanzelfsprekend moeten eigen maken’, een basiskennis die we ‘in ieder geval’ moeten verwerven. 

Zijn antwoord laat aan duidelijkheid niets te wensen over: er zijn nu eenmaal zaken die we als antroposoof horen te weten, daar moeten we leren aan wennen. Toch lijkt Rudolf Steiner even gas terug te nemen wanneer hij even verder zegt: ‘we zouden er in ieder geval moeten toe komen een beetje na te denken over deze zaken’. Het klinkt bijna verontschuldigend: ‘een beetje nadenken’. Maar vijf dagen later slaat hij alweer een heel andere toon aan. Hij brengt het zielenthema nu rechtstreeks in verband met niets minder dan het voortbestaan van de menselijke beschaving. Oude en jonge zielen – en dan vooral hun leidende figuren, de zogenaamde platonici en aristotelici – moeten leren samenwerken, anders, aldus Rudolf Steiner, staan we ‘aan het graf van alle beschaving’. Dit klinkt allang niet meer als een ‘intermezzo’. De toon is nu heel dringend geworden. En hij herhaalt deze apocalyptische voorspelling maar liefst vijf keer. 

Ik kan me niet herinneren Rudolf Steiner ooit met méér nadruk te hebben horen spreken. De altijd zo omzichtige en nauwgezette wetenschapper wordt aan het eind van zijn leven een profeet die de mensheid ervoor waarschuwt dat ze aan de rand van het graf staat. Hij maakt ook duidelijk wat er moet gebeuren om die katastrofe af te wenden: oude en jonge zielen moeten leren samenwerken. Het is nauwelijks mogelijk een onderwerp meer gewicht te geven. Negen maanden later sterft hij en krijgen we een voorsmaakje van wat er te gebeuren staat als we zijn woorden in de wind slaan: beide zielengroepen raken slaags en binnen de kortste keren is het afgelopen met de antroposofische werkzaamheid. Hitler komt aan de macht, de hel breekt los, de ruiters van de apocalyps draven. De antroposofische vereniging wordt in twee gescheurd, Europa wordt in twee gescheurd, en ten slotte wordt de hele wereld in twee gescheurd.

Alleen al door wat Rudolf Steiner tijdens de julimaand van 1924 vertelt, is het moeilijk het belang van het zielenthema te overschatten. Als we daar ook nog eens de omstandigheden bij rekenen waarin hij die voordrachten houdt, dan wordt het duidelijk dat het zielenthema het kloppende hart is van Steiners geesteskind. Dat wordt ook nog eens bevestigd wanneer we kijken naar de ontwikkeling van de antroposofie. Het midden daarvan – de tweede 7-jaarsperiode – wordt gekenmerkt door de twee grote thema’s die het leven van respectievelijk de oude en de jonge zielen beheersen: de christologie en de kunst. Zij vormen het hart van de antroposofie.

De diepe kloof

Wanneer we dat allemaal op een rijtje te zetten, krijgt het zielenthema iets adembenemends. We voelen als het ware de machtige geest van Michaël waaien. Maar als we vervolgens kijken naar de manier waarop gevolg is gegeven aan deze dringende Michaëlische oproep, dan stellen we vast dat de antroposofische wereld er tot op de huidige dag blind en doof voor is gebleven. Hij lijkt er zich zelfs uit alle macht tegen te verzetten. Als Rudolf Steiner zegt: we moeten absoluut nadenken over het zielenthema, dan zeggen antroposofen: we moeten absoluut NIET nadenken over dit thema. Ze keren zich met andere woorden radicaal tegen Steiner. Alle antroposofische zelfgenoegzaamheid verdwijnt als sneeuw voor de zon wanneer we zien hoe diep de kloof is tussen Rudolf Steiner en zijn volgelingen. Alle antroposofische arbeid ten spijt is de Weihnachtstagung grotendeels dode letter gebleven. We zijn er nog steeds niet in geslaagd Steiners geesteskind op de wereld te zetten. De vraag is zelfs of we dat nog wel willen. 

Als gevolg van dit alles ben ik het zielenthema de Assepoester van de antroposofie gaan noemen. Het wordt beschouwd als een vieze, vuile meid die ergens in een donkere kelder leeft waar geen enkele respectabele antroposoof een voet wil zetten. In werkelijkheid is het echter een stralende prinses die thuishoort op het koninklijk paleis aan de zijde van de prins, dat wil zeggen van het heldere, rationele bewustzijn. 
Deze beschouwingen zijn een poging om ‘de slons van ons’ te rehabiliteren en duidelijk te maken dat zich onder haar afstotelijke uiterlijk een koninklijk wezen verbergt dat ons nodigt heeft en dat ook wij nodig hebben. Helaas bezit ik geen toverstokje waarmee ik deze sloor kan veranderen in een stralende prinses, of pompoenen kan omtoveren in koetsen waarmee we allemaal naar het bal kunnen. Ik beschik slechts over twee werktuigen, en dat zijn enerzijds de mededelingen die Rudolf Steiner over het zielenthema gedaan heeft, en anderzijds de gesprekken die ik de afgelopen 35 jaar over dit thema gevoerd heb met mijn vrouw, gesprekken tussen een oude en een jonge ziel. 

Alles wat ik over het zielenthema weet – of meen te weten (want het is zeker geen exacte wetenschap) – heb ik daaraan te danken. Al mag ik natuurlijk de weerstanden niet vergeten die het zielenthema oproept, want misschien zijn zij wel de grootste stimulans geweest om na te denken over oude en jonge zielen. Ik heb namelijk nooit begrepen hoe mensen zo weigerig kunnen staan tegenover wat mijns inziens het meest aantrekkelijke en boeiende thema is van de hele antroposofie. Zelf ben ik er bij wijze van spreken als een blok voor gevallen: het was liefde op het eerste gezicht. Het heeft me dan ook vaak verdriet gedaan te zien hoe stiefmoederlijk mijn geliefde Assepoester werd behandeld, en ik voelde me schuldig dat ik niet méér voor haar kon doen. Ik ben dan ook blij dat ik nu een kans krijg om het voor haar op te nemen. 

De weerstanden

Ik ben van mening dat het weinig zin heeft over oude en jonge zielen te spreken zonder gewag te maken van deze weerstanden. Want ze zijn sterk, uitzonderlijk sterk. Als ze antroposofen ertoe kunnen brengen 100 jaar lang doof en blind te blijven voor de meest dringende oproep die Rudolf Steiner ooit gedaan heeft, dan raken ze een heel diepe zenuw. Om erachter te komen welke zenuw dat is, gaan we nog eens te rade gaan bij Rudolf Steiner, want hij kende de weerstanden ongetwijfeld beter dan wie ook. De antroposofie, zegt hij, in antwoord op de bezwaren die hij bij zijn publiek gewaarwordt, mag geen theorie blijven. Dat is niet waarvoor ze in het leven werd geroepen. Ze moet in praktijk worden gebracht, ze moet op het leven worden toegepast. Als we alleen maar praten over karma dan hoeft dat niet zoveel pijn te doen. Maar als het in het eigen vlees snijdt, dan komen we dichter bij ons eigen wezen. En daar gaat het om. Het verdiepen van het wezen van de mens, dat is de opgave van de antroposofie. Aldus Rudolf Steiner. 

De weerstanden die het zielenthema oproept, kunnen dus onder één noemer worden gebracht: die van de zelfkennis. Wie wil weten tot welke groep hij behoort – die van de oude of die van de jonge zielen – moet zichzelf aan een grondig onderzoek onderwerpen, een karakter- en gewetensonderzoek. Hij moet tegenover zichzelf gaan staan en zich bij wijze van spreken losrukken van het eigen ego. Dat doet pijn, dat ‘snijdt in het eigen vlees’, daar heeft iedereen het moeilijk mee. Maar daardoor wordt het zielenthema wel een ‘intensieve toepassing op het leven’, zoals Steiner het uitdrukt. Het is niet enkel theorie, het is ook praktijk, de voor iedereen moeilijke praktijk van de zelfkennis. 

Het loont de moeite hier even bij stil te staan. Rudolf Steiner verwacht van antroposofen dat ze gaan nadenken over het zielenthema, dat ze er proberen achter te komen tot welke zielengroep ze behoren. Praktische consequenties heeft dat niet, want het speelt zich enkel in de gedachten en de gevoelens af. Toch noemt Steiner het een ‘intensieve toepassing op het leven’. Het gaat dus om een denken dat tegelijk een doen is, om een theorie die tegelijk praktijk is. En hier toont het zielenthema zijn wezenlijke aard: het vormt een brug tussen de tegenpolen omdat het beide in zich draagt. Het vormt dus een ‘midden’, een gebied waar de tegenstellingen elkaar ontmoeten en in elkaar overgaan. Dit is het specifiek menselijke gebied, waar de (geestes)wetenschap tot een persoonlijke, intieme aangelegenheid wordt. Het is dit gebied dat de antroposofie na de Weihnachtstagung betrad en waarvan Rudolf Steiner zei dat er ‘vanuit het hart tot het hart’ moest worden gesproken. 

Het zielenthema is een hartsaangelegenheid of het is niets. Als het louter theorie blijft en niet opgenomen wordt in ons hart, dan gebeurt er wat de afgelopen 100 jaar is gebeurd: het wordt genegeerd als een familielid waarvoor men zich schaamt en waarover men in alle talen zwijgt. Maar door deze Assepoester in de kelder op te sluiten, sluit de antroposofie zichzelf op. Ze berooft zichzelf van wat haar grootste bezieling zou kunnen worden, van wat de brug zou kunnen vormen met de buitenwereld. En is dat niet de bedoeling van de antroposofie: dat ze de wereld bevrucht, dat ze nieuw leven brengt? Maar dat zal ze nooit kunnen als ze dat leven niet in zichzelf vindt, als ze haar eigen ziel niet bevrijdt uit de duistere diepten van het onbewuste, als ze niet naar zichzelf leert kijken. En ja, dat zal pijn doen, het zal ‘in het eigen vlees snijden’. Maar wat betekent die pijn vergeleken bij de vreugde van een ziel die het licht ziet en niet langer in een kelder hoeft te leven!